Één

Minka Bos

In deze barre verkiezingstijden, waarin alle zuilen weer hoog opgetrokken worden, kiest de hedendaagse muziekwereld niet voor rechts, links, groen of geel maar voor de mix. Scheiding is uit en de combinatie is in. Tan Dun werkt samen met Frank Scheffer, Louis Andriessen deed het twee keer met Peter Greenaway, Steve Reich was een hit met Bill Viola en, lang geleden, maakte Edgard Varèse ooit furore samen met Le Corbusier. Waren er tot nog toe altijd twee mensen nodig om één werk te maken, in deze tijd doen de echte mixers alles zelf. Zoals de componisten Arnoud Noordegraaf en Michel van der Aa. Deze en vorige maand presenteerden beide componisten nieuw werk waarin ze niet alleen verantwoordelijk waren voor het geluid, maar ook voor tekst, regie en film.

Arnoud Noordegraaf (1974) is van oorsprong componist, maar noemt zichzelf ‘maker'. Een term waarin alle disciplines die hij beoefent samenkomen. Noordegraaf maakte van kinds af aan muziek en filmpjes. "Horrorfilmpjes vond ik het allerleukste, met veel ketchup en doorgesneden champignons die dan de ogen waren…" Na één jaar toneelschool in Maastricht vond de maker zijn heil in de compositie afdeling aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag.

Muziek en film bracht Noordegraaf voor het eerst samen in zijn video installatie Cube Luber (1998). Sinds die tijd onderzoekt de componist alle mogelijke combinaties van beeld en geluid. Zijn laatste werk Tast (2002) is een volwassen uitwerking van zijn twee fascinaties: een werk voor zang, piano, percussie, elektronica en film.

Deze film bestaat uit twee hoofdstukken, waarin de communicatie tussen twee mensen centraal staat. Het eerste deel speelt zich af in een witte, steriele ruimte met een witte bank, twee stoelen en een lange rij boekenkasten, die in een cirkel staan opgesteld. Een man en een vrouw lopen in de ruimte rond en rangschikken de boeken op automatische wijze. Als machines draaien ze hun dagelijks routine af. Totdat de vrouw doordraait, ze niet meer te stoppen is en lichamelijk aftakelt. Ze wordt niet geholpen, want ze wordt niet gezien. De man reageert totaal niet op haar belabberde toestand. De routine gaat voor. Het contact tussen man en vrouw staat ook centraal in het tweede deel van Tast. Ditmaal zijn een oude man en vrouw te zien die letterlijk tasten in het duister. Noordegraaf filmde, met behulp van een infrarood camera, hun gezamenlijke dagelijkse handelingen in het donker. Het is voor het oudere stel niet moeilijk elkaar te vinden, de jarenlange routine heeft hen tot ervaringsdeskundigen gemaakt.

Liefdevol dansen ze samen en spelen piano, houden ze zich bezig met de afwas en met het uitkloppen van de lakens. Het resultaat is een poëtisch sprookje op film. De beelden spreken voor zich en vertellen een helder verhaal, zonder voorspelbaar te worden. De muziek complementeert voornamelijk het beeld.

Twee zangeressen, een pianist, percussionist en de elektronica vertolken Noordegraafs archaïsche muziek. Het libretto is in het Latijn en dus onnavolgbaar. Wat overblijft zijn de gezongen melodieën en klanken. Het beeld zou niet zonder de muziek kunnen en andersom, maar wel zonder de live uitvoering. De uitvoering heeft Noordegraaf sober gehouden. De film wordt geprojecteerd op een doek boven de hoofden van de musici, die een concertante uitvoering geven van het werk. Er is dan ook geen directe connectie tussen uitvoering en film. De kijker en luisteraar vormt zelf de brug tussen wat hij hoort en ziet.

Laaiend enthousiast juichte de pers de spraakmakende opera One van Michel van der Aa tegemoet en nog steeds applaudisserend, verschenen deze week de recensies in de kranten. "One is meesterlijk" kopte het Parool en "Michel van der Aa fascineert in One" schreef het NRC. Wat is aan dergelijke overdonderende statements nog toe te voegen?

Michel van der Aa (1970) studeerde eveneens compositie en muziekregistratie aan het Koninklijk Conservatorium te Den Haag. Al snel werd Van der Aa opgepikt als new talent on the block. Na ook nog de felbegeerde Gaudeamus prijs te hebben gewonnen werd de jonge componist overspoeld met opdrachten.

In veel van zijn werken zoekt de componist vaak de theatrale kant van de performance op. Dit resulteerde bijvoorbeeld in een duet tussen twee percussionisten, waarbij één playbackte en in een live televisie bewerking tijdens de uitzending van één van zijn werken. De theatraliteit is bij Michel altijd gedacht vanuit de musici, hun instrumenten en hun geluid. De componist heeft altijd al oog gehad voor de presentatie van zijn werk. In de opera One, voor één zangeres en elektronica, voert Van der Aa zijn beeldende ideeën tot het uiterste.

Op het podium en in een film is de virtuoze zangeres Barbara Hannigan te zien en te horen. De echte versie en haar alter ego op het scherm gaan een dialoog met elkaar aan. In het theater beweegt Hannigan met een clicktrack in haar oor, een apparaatje dat de maat aangeeft, waardoor ze precies weet wanneer ze moet zingen. De zangeres begeeft zich zowel in de film als op het toneel in een vrijwel identieke omgeving: een ruimte met tafel en stoel en een kast vol kaarsen. In de film breekt de zangeres takken die ze zorgvuldig optekent in een blocnote en later ergens anders neerlegt. Plotseling stopt de film en de muziek en begint het spannendste gedeelte van de opera. Vier vrouwen vertellen om de beurt, in documentaire stijl, over een identieke ervaring die ze beleefden in de ruimte van de zangeres. De takkenbreekster verandert dan in een oude vrouw die, in een clichématig einde, zingt dat ze one is geworden met haar jonge tegenspeelster. Welk verhaal Van der Aa zijn publiek wil vertellen is niet geheel duidelijk. Is het hekserij? Of Bill Viola's Nantes Triptych revisited?

Van der Aa is componist, zoals hij zelf zegt. Een benaming die elke kritische vraag over zijn film al bijna onmogelijk maakt. Zijn filmische ideeën staan dan ook nog in de kinderschoenen. Hoewel het uitgangspunt, om beeld en realiteit in elkaar over te laten lopen, best aardig is, is de componist in zijn uitwerking niet geslaagd. De film zit technisch slecht in elkaar. Maar goed, een sterk beeld zou goede techniek totaal overbodig kunnen maken. Helaas is dat nou net niet te vinden in Van der Aa's eerste film. De muziek klinkt fragmentarisch en lijkt ontoegankelijker te zijn dan andere stukken van Van der Aa, hoewel de gebruikte harmonieën vrij eenvoudig zijn, aldus de componist.

Het, eveneens door Van der Aa geschreven, Engelse libretto is zo onbegrijpelijk dat het of extreem intelligent moet zijn, en daardoor niet te doorgronden, of gewoon abracadabra. Wat wel erg goed geslaagd is, is het vinden van een hele goede zangeres die kunsten vertoont met elektronica. De totale uitvoering hangt zo van complexiteiten aan elkaar dat het bijna onmogelijk is tussen alle takken het bos nog te zien. Noordegraaf zet met Tast een degelijk werk neer dat aan alle kanten klopt. Maar Van der Aa gaat het experiment aan. Het getuigt van veel lef om beeld en uitvoering op zo'n directe wijze op elkaar in te laten grijpen. De basale concertante uitvoering van Tast is veel simpeler, maar levert wel genoeg spanning op. In One loopt Barbara Hannigan op en neer over het podium en schuift met stoelen en tafels. Soms levert dat een aardig beeld op, zoals in de openingsscène, waarin de zangeres zichzelf belicht met een knijpkat. Het geluid van het lampje, de stem van de zangeres en het simpele beeld zijn goed voor een paar minuten prachtig totaaltheater.

Van der Aa kiest voor het experiment en speelt als debutant filmmaker gevaarlijk spel, helaas zonder goede afloop. Noordegraaf toont film met muziek, zoals in het stomme film tijdperk al veel vaker is gedaan, weinig nieuws dus, maar een beproefd recept voor een degelijke en heel mooie productie.

ONE, Michel van der Aa
One is in januari in diverse theaters te zien: ‘s Hertogenbosch 19 jan, Den Haag 23 jan, Maastricht 26 jan, Leeuwarden 28 jan, Groningen 29 jan.

www.doubleA.net

TAST zal binnenkort te zien zijn in Studio Grasland, Haarlem.

www.grasland.nl
www.inexcelsisvideo.nl

Wolkenvelden

Xandra de Jongh, Arjan Reinders

Niets heeft het fundamentele schilderwerk van kunstenares Linda Arts (Nijmegen 1971) gemeen met de jaargetijdenschilderingen van oude meesters. Desalniettemin vormt haar werk tot en met 23 februari een soort opmaat voor een thematentoonstelling over de vier jaargetijden in het Noordbrabants Museum in Den Bosch. Een groter contrast was nauwelijks denkbaar; al slaagt Arts er op eigentijdse wijze minstens zo goed in om dat wat zich buiten bevindt aan licht, lucht en natuur haar werk binnen te trekken als menig oude meester.

Arts, wonend en werkend in Tilburg, is de zesde jonge kunstenaar op rij die zich dit jaar in de galerij van het museum mag presenteren. Het is in al zijn soberheid en concentratie de meest omvattende expositie tot nu toe omdat zij zich nadrukkelijk niet beperkt tot de lange witte wand om haar fundamentele schilderwerk tegen te hangen maar ook de glazen zijwand in haar compositie betrekt.

Is het in het circuit van kunstenaarsinitiatieven doorgaans geen probleem hele ruimten naar je hand te zetten en verbouwen, in het museum ligt dat wat moeilijker. Zo ook in Den Bosch. Bovendien is de galerij een behoorlijk dwingende ruimte; een ongeveer 25 meter lange sluis die de kunstenaar als het ware beperkt tot een sequentie van muur-werk-muur-werk etc. Met oog voor opbouw en ritme aangepakt, kan dat een sterke ‘film’ opleveren zoals onder anderen Koen Delaere, Ingrid Simons en Marjolein Landman in de vorige edities bewezen hebben. Zij slaagden er echter niet in, of maar ten dele, om uit de wand te breken.

Gezien haar achtergrond, waarin zij meermalen ingreep door hele ruimtes met wanden, schilderijen en licht te herschikken, stelde Arts zich van meet af aan ten doel de hele galerij te benutten. Zelfs vloer en plafond nam zij in ogenschouw, maar gelet op de geringe hoogte zag zij daarvan af. Resteerde de glazen wand. Die biedt niet alleen zicht op de weelderige binnentuin maar ook de kans om haar strakke werk een relatie te laten aangaan met de directe omgeving. Een kans die Arts met beide handen heeft aangegrepen, door het glas op verschillende plekken met folies te beplakken. Met dit plakwerk creëert zij strakke doorzichten naar de tuin, de ene keer omkaderd, dan weer scherp doorsneden of gefilterd door een parelwit of diep rood vlies. Het zijn echter niet alleen abstracte toevoegingen aan het bestaande, de folies bieden ook enig inzicht in het kijken van de kunstenaar. En daarmee is de brug naar het schilderwerk van Arts geslagen. Want als het ergens om draait in het werk van Arts dan is het kijken en analyseren; van kleur, vorm en dimensies.

Neem bijvoorbeeld de in dunne banen grijze olieverf van zwart spiegelende lak naar mat witte olie verlopende panelen. Los van elkaar lijken het niet meer dan analytische studies, maar bij elkaar geplaatst gebeurt er iets. De maximale tegenstelling komt als het ware tot leven; zo lijken de vier boven elkaar geplaatste rechthoeken in het wit haast naar voren te golven terwijl het zwart zich op de achtergrond houdt. Hetzelfde gebeurt in twee lange boven elkaar hangende panelen. Is in de bovenste baan het midden een zwart blok dat zich in de diepte lijkt terug te trekken, n de onderste baan dringt het witte hartblok zich juist in het oog naar de voorgrond. Zijn deze principes in de langgerekte zwart/wit studies nog bijna mathematisch van opbouw, in de kleine en grote lakwerken veranderen ze in pure sfeer. Daarbij is vooral de kleur belangrijk; niet alleen van de bovenste laklaag maar ook van de ondergrond. Samen bepalen ze de intensiteit van ieder werk.

De associatie met wolkenvelden of fotografische procédés waarin de emulsie zich meester maakt van het beeld ligt met name voor de hand in de zeven grote vierkante panelen. Ook hier zie je diepdonkere en wat transparantere lichte stukken door het beeld waaien waardoor een bijzonder wervelende dieptewerking ontstaat. En het maakt niet uit of de kleur nu rood, grijs, groen, blauw of wit is; lang kijken maakt dat je je in ieder vlak kunt verliezen. Voeg daarbij de bijna spiegelende lak die de beelden van buiten haast natuurlijk in zich opneemt en vervormt tot schaduwen, en je hebt een kijkspel dat zich in iedere weersomstandigheid anders laat aanzien. Is het buiten grijs dan zijn de schilderijen gesloten en in zichzelf gekeerd, straalt de zon dan lichten ze op en absorberen hun omgeving. En daarmee gaat Arts misschien nog wel een stapje verder dan de seizoenenschilders; zij laat haar werk de seizoenen in zich opnemen.

LINDA ARTS, tm 23 feb

Noordbrabants Museum, Verwersstraat 41, Den Bosch, t 073 6877877, open di tm vr 10-17, za en zo 12-17

Een koude zondagavond in het begin van december. Regen valt gestaag omlaag. De wijk Oud-Krispijn in Dordrecht biedt een verlaten aanblik. De straten glimmen van de regen, iedereen loopt snel door, weggedoken in kraag of sjaal. Vanuit de woonkamers valt lichtschijnsel naar buiten.

Een blik naar binnen vertelt een verhaal van een ouder echtpaar, gezeten tussen de foto's van hun kleinkinderen. In de vensterbank staan de kunststofbloemen stof te vergaren. Iets verderop is de plaatselijke buurtwinkel veranderd in een telefoonwinkel, waarvandaan goedkoop naar Marokko, Tunesië of Turkije gebeld kan worden. De loketbediende onderbreekt zijn praatje met een grijze man in djellaba en legt me hulpvaardig uit hoe ik naar de Brouwersdijk moet lopen. Ik ben op weg naar een expositie midden in de multiculturele wijk Oud-Krispijn die regelmatig het nieuws haalt vanwege overlast en criminaliteit.

Het Centrum voor Beeldende Kunst in Dordrecht heeft een driejarig project gestart om met kunst in de openbare ruimte het imago van de wijk te verbeteren en de wijk positief te ontwikkelen, aldus hun nieuwsbrief. Het Humanitasgebouw aan de Brouwersdijk biedt onderdak aan de expositie BinnenKamers. Op de ramen flikkeren dia's van fotograaf Ralph Kämena. Hij fotografeerde interieurs van jongeren, bejaarden, allochtonen en autochtonen. Hun slaapkamer, rommelzolder of woonkamer wordt geprojecteerd op de ramen van het Humanitasgebouw. In het donker wisselen de vele interieurs zich af, met het effect alsof je hard door een straat rent en bij elk huis vanuit het donker een blik naar binnen werpt. Een kamer van een Lord of the Rings fan, compleet met posters van de hoofdrolspeler licht op, en wordt vervangen door een interieur waarin een beeldje van een Chinese godin prominent aanwezig is. De vele ramen laten vele verschillende interieurs zien, elkaar in rap tempo afwisselend. Achter enkele ramen vergadert een buurtcomité, niet zichtbaar afgeleid door de veranderlijke kunst. De suppoost Joachim doet open, nadat ik lukraak enkele bellen probeerde met naambordjes van verschillende organisaties en verenigingen ernaast.

In de twee gangen in het gebouw hangen monitoren. Elke monitor laat een interview zien met een van de bewoners van de wijk Oud-Krispijn. Sommigen wonen er al hun hele leven, anderen wonen er een aantal jaar. Mensen uit Marokko of de Antillen proberen in hun huis hun land van oorsprong op te roepen. Een vrouw uit Suriname heeft haar interieur gevuld met planten uit Suriname zoals een peperplant, die ze in vijf jaar tijd heeft opgekweekt tot een indrukwekkend exemplaar. De inrichting is zoals haar huis in de Antillen. Een verzameling adelaarbeeldjes en afbeeldingen siert haar huis. Ze "wil zo zijn als de adelaar. Als ik ze zie, dan voel ik me sterk en alert." Vele bewoners passeren de revue. Journalist Mehmet Ülger interviewde ze. De mensen vertellen openhartig over hoe zij hun huis inrichten, wat belangrijk is. Zo vertelt een Turkse man, die sinds 30 april 1980 in Nederland woont, dat het huis schoon moet zijn. Het moet er goed en opgeruimd uitzien. 's Avonds moet je een pyjama aan, dat is belangrijk. Het is zo belangrijk dat het huis schoon is omdat de woonkamer ook dienst doet als gebedsruimte. Ook moet je jezelf schoonhouden voor het gebed. Voor Lale, een jonge Turkse vrouw is de reinheid van het huis ook van belang, naast gastvrijheid. Onverwacht bezoek is altijd welkom, er is altijd plaats aan de eettafel voor een onverwachte gast.

Andere video's laten het leven van een Italiaanse zien, een Nederlandse in een strak en modern interieur vol Gispenmeubels en een Slavische vrouw in een huiskamer vol kant, frutsels en religieuze afbeeldingen van Maria en Christus. Een breed scala van huiselijk leven passeert de revue, waarin vooral de trots van de bewoners op hun wijk opvalt. Iedereen voelt zich er thuis, en geregeld valt het woord ‘gezellig', dat woord waarvoor in andere talen geen equivalent voor bestaat.

De video's zijn een ontkenning van het slechte imago van de wijk. Het is mooi om te zien hoe iedereen zijn plekje heeft gevonden en goed met elkaar overweg kan. Maar door deze vorm van presenteren verzandt het project in preken voor eigen parochie. Waarschijnlijk zien vooral de gebruikers van het buurtgebouw de video's. Maar niet iedereen komt er binnen of herkent de dia's vermoedelijk als kunst. Suppoost Joachim: "de overburen van het gebouw kwamen vragen wat er toch met het licht aan de hand was." De dia's op het raam zijn wat diffuus. Op een regenachtige donkere nacht vielen de woonkamers aan de straat meer op dan hun gefotografeerde pendanten op het Humanitasgebouw. De blijde boodschap van integratie en wederzijds respect zou duidelijker overkomen in de vorm van een documentaire. Iedereen is wel nieuwsgierig naar hoe anderen wonen en leven. De video's geven een positief beeld van het wonen in de wijk, en na het zien ervan vraag je je af hoe de wijk in godsnaam aan dat slechte imago komt. Aan de geïnterviewden ligt het niet. Misschien had voor het evenwicht een jeugddelinquent geïnterviewd kunnen worden.

BINNENKAMERS

Brouwersdijk 4, Dordrecht, 1 nov tm 1 dec 2002
(catalogus verschijnt in 2003, meer info CBK Dordrecht t 078 6314689)

Mixed

Angelique Spaninks

Lunchpauze op de TU, de campus vol Eindhovense techneuten, ergens midden januari. Zo'n groep mensen verzamelt zich in een gebouwtje van beton, glas en staal; het zogeheten Gaslab.

Dit bouwwerk doet sinds kort dienst als cultuurbunker voor studenten; waar vooral theater en film te zien is. Maar deze middag is het een mengelmoes van kunstvormen die de aandacht trekt: beeldende kunst, film en muziek.

Mixed Frequencies heet het project dat door de Eindhovense musicus Edward Capel op verzoek van het Brabantse Muzieklab is geïnitieerd. Hij betrok er een aantal geestverwanten uit diverse disciplines bij en bouwde zo een boeiende mix van beeld en geluid. Een mix die soms live wordt uitgevoerd maar ook op een cd is samengebracht.

Op het eerste gezicht lijkt de muziek de dominante kunstvorm; de helderste frequentie. Capel spelend op zijn saxen en de door dj Kid Sundance (Raimond Gesthuizen) gemixte en gescratchte beats vullen het Gaslab met een stevige sound die soms sneert en snerpt dan weer diep en ritmisch voortstuwt. Muziek waar je stil naar luistert, maar soms ook wel even op zou willen bewegen. Van een dansje komt het echter niet, tenminste niet in de middagpauze.

Wat niet wegneemt dat er toch beweging is, zij het op film. Flitsende beweging zelfs, van fietsende en rennende figuren in een bosrijke omgeving in de animatiefilm die Design Academy studenten Job, Joris en Marieke voor Mixed Frequencies verknipten tot een collage van kleur en beweging. En hoewel er geen sprake is van een soundtrack, sluit Capels en Gesthuizens muziek soms naadloos aan bij de beelden. Zoals ook de tot prints verwerkte tekeningen en schilderijen van Jos van der Sommen en Simon Benson de sfeer in de muziek maar ook uit de film echoën – soms heel letterlijk (zoals de spar van Benson die 'zangsporen' op zijn takken draagt) dan weer geïmproviseerd abstract en ongrijpbaar zoals het vlakvullende water en het groen van Van der Sommen.

Je zou verwachten dat alle deelnemers aan dit project dan ook intensief samengewerkt hebben om alle meer en minder subtiele raakvlakken tot een geheel te componeren, maar niets is minder waar. Zij hebben vooral ieder op hun eigen gebied gewerkt en zich hooguit zijdelings laten inspireren door wat ze van de anderen hoorden of zagen. Van der Sommen bijvoorbeeld schilderde zijn veelal surrealistisch aandoende werk met de muziek van Capel, op muziek die hij al goed kende van een eerder samenwerkingsproject waarbij Capel drie composities maakte bij een presentatie van Van der Sommen in de Helmondse Cacaofabriek.

En Benson ontdekte dat sommige van de teksten in bomentekeningen die hij had liggen toevallig letterlijk overeenkwamen met flarden tekst in de raps die Barry Poetiray laat klinken. Bovendien zijn het poëtische zinnen die gedachten aan parallelle werelden oproepen zoals het intrigerende "do you still fall asleep in one world and wake up in another", of aan de muziek die zich nu juist zo vol in het Gaslab heeft laten gelden. Op de vraag in een van Bensons tekeningen – "do you still hear music when there is no music" – moet het antwoord dan ook volmondig ja zijn. Zeker na een lunchpauze vol Mixed Frequencies.

MIXED FREQUENCIES, verkrijgbaar via het Muzieklab Brabant

www.muzieklab.com

Zoolfilm en hangarhuis

Lotte Haagsma

Op dinsdag 14 januari hield Adam Kalkin een lezing in Den Haag, georganiseerd door Stroom. Stroom nodigt regelmatig kunstenaars uit die zich op het grensgebied van beeldende kunst en architectuur bewegen of architecten die de ‘vrije ruimte' van de beeldende kunst opzoeken. Adam Kalkin is van oorsprong architect maar hij doet vooral wat hij leuk en fascinerend vindt en laat dat dan in een kunstcontext zien. Nonchalant en met een wat onverschillige houding liet Adam Kalkin via zijn Mac pagina's uit zijn nieuwste boek zien. Hij zat midden tussen het publiek dat naar het scherm voorin de zaal keek, en gaf snel en summier commentaar bij de beelden uit zijn boek ‘Architecture and Hygiene'.

Het was een fascinerende wereld die zo, wat vluchtig, aan ons voorbij trok: zijn eigen huis, een nietszeggende woning, gebouwd rond de vorige eeuwwisseling, waar hij een prefab hangar omheen zette. Het hele huis staat als het ware in een grote hal, wat eens buiten was is nu binnenruimte geworden, afgeschermd van regen en wind maar zonder de beschutte kwaliteit van een huis.

Een auto met daarin een collectie kleine site-specific kunstwerken die op verschillende manieren door de bezoeker bekeken kunnen worden. De curator rijdt met zijn ‘Car Museum', de wereld rond en toont zijn collectie op parkeerplaatsen.

Dog Lifter, een installatie waarin een man een hond ophijst via een katrollensysteem. Van deze performance is een video gemaakt die je kunt bestellen op www.architectureandhygiene.com, de website van Adam Kalkin. Een sportschoen met een zool van allemaal kleine laagjes. Elk laagje bevat een beeltenis en al lopend verslijt de ene laag en wordt het volgende beeld zichtbaar; een uiterst langzame film ontrolt zich, een ‘Sole film'. ‘One bird teaching another bird to say…' waarin een mechanische vogel een echte papegaai leert spreken.

Huizen gebouwd van containers en nog heel veel meer…

Veel van wat Kalkin liet zien deed denken aan jongensprojecten: aan auto's sleutelen, hutten bouwen en grapjes met techniek uithalen. Kalkin is een onderzoeker, van objecten, materialen en ideeën. Hij recycelt een huis, een hangar, maar ook containers en een slurf waarmee de reiziger van de pier in het vliegtuig kan stappen. Hij vertelde tijdens de lezing dat hij ervan houdt om het ene om te zetten in het andere, zoals het transformeren van idee uit de literatuur naar de realiteit.

Kalkin wekte tijdens de lezing de indruk vooral bezig te zijn met wat hem interesseert en zich niet te storen aan afgebakende vakgebieden. In zijn architectuur lijkt hij daarbij op zoek naar absurde, fragmentarische, paradoxale mogelijkheden, in plaats van naar fuctionele en esthetische oplossingen. Hij is niet geïnteresseerd in ‘ontwerpen', maar wil graag verrast worden door de consequenties van een ingreep. Zoals door de ruimtes die ontstonden bij het plaatsen van een hangar over zijn huis.

ADAM KALKIN

www.architectureandhygiene.com
www.stroom.nl

Het Beloofde Land

Nathalie Zonnenberg

Het beloofde land dat Mozes de bevrijde Israëlieten toonde, moet er ongetwijfeld aantrekkelijker hebben uitgezien dan het landschap op de foto’s die Lidwien van de Ven momenteel toont in Galerie Paul Andriesse.

De acht zwart-wit foto’s die op groot formaat rondom in de voorruimte hangen – zichten vanaf de berg Nebo over het land van Kanäan, het huidige Israël – gunnen ons nauwelijks een blik op ‘het land van melk en honing’. Het land waar ‘zilveren vlakten met wuivende palmen zich uitstrekten tot aan een horizon van blauwe zee’. Evenmin is voor te stellen dat het landschap waarnaar we kijken het toneel is van het huidige Israëlisch-Palestijnse conflict. Niets wat de camera heeft gevat, duidt in die richting: wat we zien is een verstild, bijna leeg beeld.

Van de Ven lijkt bewust op zoek te zijn naar dergelijke beelden. Zij stelt zich nadrukkelijk niet op als een fotojournalist, die op een dergelijke plek waarschijnlijk een veel herkenbaarder beeld zou hebben geschoten. In plaats daarvan kiest zij voor een grotere gelaagdheid, of voor een lagere lees- of herkenbaarheid, die het beeld open laat voor velerlei (persoonlijke) interpretaties. Om die reden wellicht toont zij in de galerie nog vier andere beelden – van een groep gesluierde vrouwen in Iran, een Arabisch aandoende jongen die zijn gezicht verbergt, een woestijnnacht en een groep politieofficieren in het centrum van Brussel – die ogenschijnlijk geen relatie hebben met de serie Het Beloofde Land. Hierdoor kan de bezoeker tussen de beelden dwalen, en mogelijke verbanden leggen. Maar de plekken waar Van de Ven haar foto’s heeft gemaakt zijn te expliciet om aan de politieke connotaties ervan voorbij te gaan. Onwillekeurig dringt zich de vraag op waarom het Israëlische landschap op deze wijze wordt getoond. In tegenstelling tot bijvoorbeeld het werk van Paola Yacoub en Michel Lasserre, die in contrasterend prachtige foto’s de effecten van oorlog op de architectuur van een landschap weergeven – zoals bij de grens tussen Israël en Zuid Libanon, ook jarenlang toneel van politieke conflicten – blijft Van de Ven’s Beloofde Land tamelijk aan de oppervlakte. In een groot overzicht van haar werk, zoals te zien was in het MUHKA in Antwerpen en het Domein in Sittard, vullen de beelden elkaar aan tot een betekenisvol geheel. Maar in de sobere galeriepresentatie komt de aandacht meer op het onderwerp te liggen; een werk als Het Beloofde Land is daar niet tegen bestand.

HET BELOOFDE LAND, Lidwien van de Ven, tm 8 feb

Galerie Paul Andriesse, Prinsengracht 116, Amsterdam, t 020 6236237, di tm vrij 11- 18, za 14-18

Kolkend water, beukende golven, verdronken land. Laat je onderdompelen in de zompigheid van ons land bij de openingstentoonstelling De ramp van ’53 door het oog van de media van het gloednieuwe Nederlands Fotomuseum in Rotterdam.

‘Meneer Java staat voor het raam en luistert naar de radio. Ssst. De radionieuwsdienst met een extra bulletin! Een nachtelijke springvloed heeft het land geteisterd… De dijken zijn doorgebroken. Grote delen van Zeeland, Zuid-Holland en West-Brabant staan onder water. Reporters melden chaos en paniek, het vee drijft in de wei en de boeren willen niet weg… Het wachten is op de mariniers, het leger… Er is een kind geboren op een vlot. Lieslaars en oliepakken kraken door de radio.’ Zo begint het hoofdstuk Watersnood uit Adriaan van Dis’ boek Familieziek en zo zal de ramp veel huiskamers in die dagen zijn binnengedrongen.

Heel erg Nederlands en actueel deze vijftig jaar oude natuurramp, die in de nacht van 1 februari 1953 zuidwest Nederland overviel. Hoe kon dit gebeuren? Ons land is een delta van vier Europese rivieren (Eems, Maas, Rijn en Schelde) en stond oorspronkelijk soms zelfs voor tweederde blank.

Om de landhonger te stillen zijn 450 polders aangelegd en zijn rivieren in hun zomerbedding geperst. Dankzij terpen, dijken, dammen en gemalen werd die dansende zuigende bodem omgetoverd tot één van de dichtstbevolkte delen van het continent. Geen wonder dat het inklemmen van water zijn tol eist. Nu denk je misschien: zo’n lesje vaderlandse geschiedenis en topografie is leuk, maar moet dat in een fotomuseum? En is dit nog beeldende kunst? Ja dus, door het aanbod – de collectie van het Fotomuseum wordt thematisch ontsloten binnen het digitaliseringsproject Het geheugen van Nederland – maar vooral door de manier van presenteren. Die is ronduit spannend. De insteek van de tentoonstelling is hoe de media 50 jaar geleden met deze nationale ramp omging en welke beelden van toen het collectieve geheugen van nu hebben bepaald. Te zien zijn originele foto’s van beroemde fotografen waaronder Ed van der Elsken en Eva Besnyö. Het ludieke deel van de tentoonstelling hebben we te danken aan de Engraph: een interactieve multimediamachine waarmee je een schat aan materiaal zelf tevoorschijn kan toveren. Deze presentatiedatabase bevat naast enkele honderden bekende en onbekende foto’s ook boeken en artikelen in dagbladen en tijdschriften die je kunt doorbladeren. Heb je de Paris Match bekeken, luister dan naar koningin Wilhelmina op het Polygoonjournaal die op een van de eerste dagen na de ramp het Nederlandse volk toespreekt. Al deze informatie kan op verschillende manieren doorkruist worden: je kan het materiaal van dag tot dag bekijken, per locatie, per fotograaf, per medium etc. Wie de knoppen van de Engraph bedient, is op dat moment gids voor andere bezoekers, want het materiaal uit de Engraph machine wordt niet alleen geprojecteerd op je pc-scherm maar ook op een groot scherm in de zaal.

Al die delen van seconden opgeteld dat de lenzen van de fotografen openstonden ontstond een urenlange sluitertijd met als resultaat een film van wonderschone beelden. Kun je dat zeggen van foto’s die zoveel menselijk en dierlijk leed tonen? Ja, richt je even niet in de eerste plaats op de getroffenen en een ramp als 11 september levert ook prachtige en intrigerende beelden op. De vier landbouwpaarden op een rij die onaangedaan oog in oog staan met het water dat aan hun hoeven reikt. Of de gedenkplaten op het kerkhof waarop je alleen nog kunt lezen ‘hier rust’.

Wat je hier ziet is niet alleen de watersnoodramp maar ook een tijdsbeeld van hoe mensen in een uithoek van Nederland omringd door het water toen leefden. Okay, hip is het niet, de romantiek van hard werken en het gezin als hoeksteen van de maatschappij, maar bekijk die koppen eens goed. Hier is niets geregisseerd. Doodsangst en gelatenheid gaan hand in hand. En verder wordt er hard gewerkt, redden wat er te redden valt, en dan hebben al die zandzakken en madurodamhuisjes waarvan alleen de daken nog boven ze zee uitsteken niet alleen iets treurigs maar soms ook iets grappigs.

DE RAMP VAN ’53 DOOR HET OOG VAN DE MEDIA, 19 jan tm 09 mrt

Nederlands Fotomuseum, Witte de Withstraat 63, Rotterdam, open di-zo 11-17

Kunst doet leven?

Rob Perrée

Een tragisch geval.
Haar man had een galerie in New York.
Een goede galerie.
In 57th Street.
Toen het daar nog allemaal gebeurde.
Voordat SoHo het overnam en ver voor Chelsea de rollen ging uitdelen.
Louise Bourgeois, David Hockney, Robert Mapplethorpe, Bruce Weber, ze zaten allemaal in zijn stal.
Succes verzekerd.
Het geld stroomde binnen.
Toen ging het fout.
Hij ging er met een vriend vandoor.
Spel werd overspel.
Zij accepteerde het.
Haar comfortabele leven was haar tweede huid geworden.
Luxe verzwakt.
Na nog een paar jaar ging het echt mis.
Een ziekte maakte hem het werken onmogelijk.
En het liefhebben.
Zij moest kiezen.
De zaak overdoen of overnemen.
Ze koos voor het laatste.
Na lang aarzelen.
Haar vertrouwen en haar schoonheid was ze al kwijtgeraakt, ze wilde niet alles verliezen.
Nu runt ze de galerie.
In Chelsea.
Incapabel.
Verzuurd.
Verbeten.
Als het prototype van een hysterica.
Wat nu links is, is morgen rechts.
Het ja van gisteren is het nee van vandaag.
De grote kunstenaars hebben elders onderdak gevonden.
Ook solidariteit kent haar grenzen.
Personeelswisselingen volgen haar stemmingen op de voet.
Een paar getrouwen blijven.
Niet iedereen heeft het voor het kiezen.
Het leven in New York is duur.

Soms probeert ze het goed te maken.
Dan nodigt ze mensen bij haar thuis uit.
Kunstenaars, critici, medewerkers.

Ze staat als een granieten blok in de enorme hal.
Onhandig.
Het lachen verleerd.
Haar handen om een whisky.
Omringd door kunst.
Een portret uit gelukkiger tijden.
Getekend door Hockney.
Een foto van haar drie kinderen voordat ze met slaande deuren het ouderlijk huis verlieten.
Door Mapplethorpe.
Een vroege Pollock.
Een late Joan Mitchell.
Een opvallende……
Een unieke………

Ik kan mijn ogen niet van haar afhouden.
Ze staat verschrikkelijk haar best te doen.
Ik wil naar haar toelopen.
Haar blik nagelt me aan de marmeren vloer.
Een tragisch geval.
Daar helpt geen kunst meer aan.
Verward neem ik een hap uit mijn broodje kaviaar.

Videokunst in herhaling

Sandra Smallenburg

Het is een probleem waar iedere amateurfotograaf tijdens vakanties tegenaan loopt: hoe breng je de Trevifontein, de Eiffeltoren of de Sagrada Familia op een originele manier in beeld? Er zijn van die plekken die zo wereldberoemd zijn dat ze al miljoenen malen op film en foto vastgelegd zijn. In plaats van zelf een foto te maken voor het plakboek kun je eigenlijk net zo goed een ansichtkaart kopen. Ook kunstenaars kampen met dergelijke dilemma's. Van hen wordt verwacht dat ze de wereld met nieuwe beelden verrijken. Maar wat voeg je toe aan de ontelbare hoeveelheid schilderijen, beelden, tekeningen en foto's die de afgelopen eeuwen geproduceerd is? Als iedere uithoek van de aardbol al een keer gefilmd is, waarom zou je dan nog nieuwe beelden maken?

Dat veel kunstenaars met dit soort vragen worstelen bleek wel op het jaarlijkse Impakt Festival dat onlangs voor de dertiende keer in Utrecht plaatsvond. Opvallend veel videomakers toonden daar films die opgebouwd zijn uit found footage, oftewel gevonden materiaal. Zo maakte Caspar Stracke voor No Damage, een film over New York, uitsluitend gebruik van bestaande televisieen filmfragmenten. Als een kunstenaar die uit losse knipsels een collage samenstelt, mixte Stracke oude archiefbeelden en recente, veelal overbekende plaatjes van Manhattan tot een ritmisch geheel. De eerste minuten maakt de montage een vrij willekeurige indruk. Maar als aan het eind van de video scènes uit Hollywoods bekendste rampenfilms de overhand krijgen, neemt de spanning toe. De film, die overigens vóór 11 september gemaakt is, eindigt met beelden van een stad die in elkaar stort en vervolgens weer als een fenix uit haar as verrijst.

Filmmaker Mike Hoolboom hanteerde voor zijn vijf kwartier durende video Tom (2002) hetzelfde collageprincipe. Aan de hand van scènes uit filmklassiekers vertelt Tom het levensverhaal van de videokunstenaar Tom Chomont, een met HIV besmette en aan de ziekte van Parkinson lijdende vriend van Hoolboom. Het is een geniale vondst. Zonder de fictieve filmflarden was Tom een regelrechte tearjerker geworden, zeker omdat het Chomont zelf is die met zijn krakerige en soms hevig geëmotioneerde stem de voiceover voor zijn rekening heeft genomen. Nu worden de dramatische jeugdherinneringen verluchtigd met prachtige plaatjes uit de filmgeschiedenis. Op die manier brengt Hoolboom met zijn indringende film niet alleen een ode aan zijn vriend, maar ook aan de cinema zelf.

Gek genoeg was Tom een van de weinige films op Impakt die een afgerond verhaal vertelde. Bij veel video's, of het nu ging om de installaties op de tentoonstelling Encounters of om de op groot scherm geprojecteerde films in het Panoramaprogramma, leek het of de makers meer nagedacht hadden over de vorm dan over de inhoud. Vergelijk dat eens met de laatste Documenta, waar juist documentaire videowerken de boventoon voerden. In Kassel probeerden videomakers uit heel de wereld de bezoekers tot nadenken te stemmen met hun serieuze en soms moralistische werken, op Impakt werd het publiek in de eerste plaats vermaakt met fraaie, maar vaak ook nietszeggende beelden. Niet voor niets luidde het motto van deze editie: ‘Whatever happened to all the fun in the world?'

Vermaak was er genoeg op het Impakt Festival dit jaar. De Noord-Ierse kunstenaar Una Henry had haar videowerken opgesteld in ruimtes die door smalle gangenstelsels met elkaar verbonden waren, zodat je de route al kruipend moest afleggen. In de Darkroom van Jasper de Haan, een kamer die van boven tot onder met fosforescerende verf was ingesmeerd, kon je tegen de muren leunen en vervolgens weglopen van je eigen schaduw – een trucje dat in het pretpark Duinrell al jaren geleden een succesnummer was. En in de videolounge kon je heerlijk onderuitzakken in gerieflijke stoelen om je laten vermaken door thematisch samengestelde programma's met video's waar je over het algemeen niet al te diep over na hoefde te denken.

De elf video's in het hoofdstuk ‘Attempts to proportionism' bijvoorbeeld, zouden niet hebben misstaan als achtergrondbeelden in een discotheek. Volgens de omschrijving in de festivalkrant waren de video's op te vatten als ‘mentale positienames ten opzichte van de gecultiveerde omgeving', maar in werkelijkheid deden de video's meer denken aan het werk van een veejay die naar hartelust met de knoppen van zijn camera geëxperimenteerd had. Vooral het gebruik van out-of-focuseffecten, het versneld afspelen van beelden en het filmen vanuit een rijdende auto, trein of metro bleken populaire trucjes onder jonge videokunstenaars. Zo liet de Duitser Jörg Wolff in zijn video Exit G.P.1 Cap Bon-Tunis zijn camera zo snel langs de vangrail glijden dat alleen nog een abstract patroon van strepen en lichten te zien was. De Engelse Emily Richardson filmde voor haar video Redshift in een versneld tempo de bewegingen van de sterren, de wolken en de bootjes in een romantische baai. En in de video Slide van de Japanner Yoshinao Satoh, gemaakt met behulp van digitale frame-toframe technieken, schoten steeds dezelfde huizen langs de snelweg voorbij. Na het zien van zoveel vangrails en onscherpe, semi-poëtische beelden kon je alleen maar concluderen dat, inderdaad, alles al een keer gefilmd is.

IMPAKT FESTIVAL 2002, 29 okt tm 3 nov

Voormalige rechtbank, ‘t Hoogt en De Vloer, Utrecht

Albert Heijn wordt Allah

Milka van der Valk Bouman

Voor wie op 11 september jongstleden geen zin had eindeloos terug te blikken op De Ramp maar toch in de sfeer wilde blijven, bood De Balie in Amsterdam een aardig alternatief. Hier was de presentatie van het boekje Albert Heijn wordt Allah. Uitgangspunt van deze publicatie is een opmerkelijk kunstproject dat precies een jaar geleden, vlak na 11 september 2001, plaatsvond in de Amsterdamse Slotervaartbuurt.

Tarik Sadouma en Bastiaan Franken, die samen TABA 79 vormen, richtten daar een leegstaand Albert Heijn filiaal in als moskee. De oude en nieuwe functie van de ruimte kwamen samen in de visuele aankleding. Met een even simpele als doeltreffende ingreep toverde het kunstenaarsduo het AH logo om tot het Arabische woord Allah. De bekende blauwgroene supermarkttas werd omgevormd tot een geometrisch ‘tegeltableau' dat alle binnenwanden van de ruimte bekleedde. De voormalige supermarkt functioneerde een maand lang daadwerkelijk als gebedsruimte. Tijdens de Ramadan kon de moslimgemeenschap uit de buurt gebruik maken van deze wonderlijke hybride plek. De grote etalageruit bood hierbij aan voorbijgangers een blik op de biddende moslims: hun hoofden naar het blauwwitte logo gebogen.

Het zal niemand verbazen dat het project van TABA 79 het landelijke nieuws haalde. Supermarkt en moskee, het logo en het heilige, consumptiemaatschappij en Ramadan: wat het allemaal precies betekende wist niemand, maar de ogenschijnlijk naadloze combinatie stond garant voor aandacht. Toch houdt de beschouwer al snel een vreemde bijsmaak over aan het project. Moslims die bidden tot Albert Heijn? Voorbijgangers die voyeuristisch naar binnen loeren? Is het niet op zijn minst dubieus om gelovige brave zielen in een kunstproject te laten opdraven? En wat vonden die moslims er zelf eigenlijk van?

Wie hoopt dat het boekje Albert Heijn wordt Allah opheldering biedt, komt bedrogen uit. Zo makkelijk kom je er bij TABA 79 niet vanaf. Geen beschouwende kunsthistorische teksten, geen statements van de kunstenaars. Het prachtig vormgegeven boekje bestaat geheel uit interviews met mensen op straat naar aanleiding van het project. Met naam en toenaam mag Jan en alleman zijn zegje doen. Zoals de achterflap vermeldt, bestaat de publicatie uit een ‘integraal verslag van gesprekken met Nederlanders over de Albert Heijn moskee'. En inderdaad, integraal is in dit geval niets teveel gezegd. De gesprekken worden zonder enige selectie letterlijk weergegeven, zodat de lezer bedolven wordt onder eindeloze babbelpraat. Over de vraag of het hier kunst betreft, en wat het project betekent. Over de moslims die al dan niet voor gek staan, en of dat zomaar kan. De kunstenaars houden wijselijk hun mond en laten ‘de mensen' aan het woord, wat vaak hilarische teksten oplevert. Feit is dat de meeste geïnterviewden het project niet zelf gezien hebben en het hoogstens van de berichtgeving in de media kennen. De publicatie is dus twee slagen verwijderd van het eigenlijke project: het doet verslag van de beeldvorming bij het grote publiek naar aanleiding van de beeldvorming in de media.

Waarom deze al te democratische aanpak? Wat moet je als lezer met bladzijden vol borrelpraat over onderwerpen die op zichzelf interessant zijn? Door de spreektaalvorm ("Maar op zich is het ook erg op het randje… omdat, ja, omdat het toch wel iets betekent of zo…") en het gemiddelde niveau van de opmerkingen is het boekje op zijn zachtst gezegd weinig leesbaar. Albert Heijn wordt Allah moet echter gezien worden als onderdeel van het project: als kunstwerk. De tekst houdt de lezer een spiegel voor. Door de hoeveelheid meningen en meninkjes realiseert hij zich de banaliteit van zijn eigen ideeën op dit vlak. Want iedereen heeft onmiddellijk zijn goedbedoelde mening klaar, maar komt ondertussen geen stap dichterbij De Ander. Dit wordt door de vormgeving letterlijk geïllustreerd. De moslims die van de supermarktmoskee gebruik maakten, komen nadrukkelijk niet aan het woord. Ze zijn alleen aanwezig als beeld: in de vorm van een reeks fotootjes die de interviews op elke pagina onderbreken. Door de bladzijden als een flipbook te bewegen, zie je de gelovigen al biddend naar beneden buigen en weer opstaan. Tussen de onuitputtelijke woordenstroom van de Nederlanders gaan de moslims rustig hun eigen gang. Van enige communicatie tussen beide werelden is geen sprake. TABA 79 staat erbij en kijkt er naar. Het kunstenaarsduo biedt geen oplossing, maar legt met dit geraffineerde project de vinger op de zere plek.

ALBERT HEIJN WORDT ALLAH, TABA 79

Albert Heijn wordt Allah, Uitgeverij De Balie, 2002, ISBN: 9066172827

Tussen galeriehouder Rob Malasch van Serieuze Zaken en de pik van fotograaf Matthias Herrmann was het liefde op het eerste gezicht. Met als gevolg dat beide bold beauties te bewonderen zijn in Malasch’ showroom in de Amsterdamse Jordaan. Onder de titel Dream Days toont de Oostenrijkse kunstenaar foto’s van de galeriehouder, maar vooral van zijn eigen geslacht.

Een dergelijke preoccupatie met de eigen mannelijkheid is een beproefd recept binnen artistieke homokringen, maar hier wordt het toch weer als iets hips gepresenteerd. Herrmann is dan ook niet de minste in dit genre. Gedurende de jaren negentig heeft hij naam opgebouwd als schaamteloze exhibitionist, die de beschouwer genadeloos met zijn forse piemel om de oren slaat. Bekend is hij vooral van publicaties als Hotel 3/ Bondage, The Cum Pieces en een heus Cockbook. In de uitgave Textpieces 1996-1998 illustreert hij met zijn eigen lichaam op karakteristieke wijze soundbites uit de cultuurgeschiedenis. Deze zogenaamde Textpieces tonen de immer schaars geklede kunstenaar in verschillende poses, begeleid door een tekstbordje. Gehuld in lederen tanga en met vooruitgestoken pistool verluchtigt hij de uitspraak ‘If you don’t like oral sex, keep your mouth shut’ en het onthullende ‘Nobody knows I’m a lesbian’ wordt door hem verbeeld in rode badmuts en hoog opgesneden speedo. Onder het mom van ‘If it doesn’t make you horny, it’s not art’ staat de streng kijkende kunstenaar wijdbeens achter een televisietoestel, waarop net een anale seksscène aan de gang is.

In de tentoonstelling Dream Days borduurt der Matthias vrolijk verder op dergelijke tekstuele uitgangspunten. Ditmaal aan de hand van spreuken als ’90 % of succes is showing up’, waarvan de uitbeelding zich inmiddels laat raden. Verder vallen bonte kiekjes te bewonderen van Herrmanns lul tussen de deur, opwindende stillevens met bespoten fruit, een mijmerende Malasch met een sigaretje tussen de vingers en last but not least een acrobatische act die in de wetenschap bekend staat als autofellatio.

Dit laatste lenige staaltje zelfbevrediging doet denken aan lang vervlogen tijden, toen je in een galerie nog wel eens getrakteerd werd op een zich aftrekkende kunstenaar als Vito Acconci. Maar deze weemoedige gedachte duurt maar even. Naast deze associatie is het namelijk geenszins duidelijk in welke context het werk van Matthias Herrmann zo ongeveer geplaatst zou moeten worden. Hebben we hier te maken met een wat altmodische vorm van gender art of gewoonweg theatrale gekdoenerij? Voor een kritische parodie oogt het werk weer net iets te gründlich en zo lijkt het zoeken naar een zekere gelaagdheid geen serieuze optie. Hier geldt, om in ’textpieces’ te blijven spreken, de dooddoener: what you see is what you get.

Waarmee de presentatie getuigt van een wel erg relaxte houding tegenover de zichzelf vaak o zo serieus nemende Amsterdamse galeriewereld. Niet voor niets adverteert Rob Malasch internationaal tegenwoordig onder de naam Gallery not so Serious Business. Als geen ander weet hij wat zelfspot is en lukt het hem om de ganse Amsterdamse homoscene te mobiliseren voor zijn opening. Wat ook weer geen enorme prestatie is als je zo’n pikgerichte kunstenaar als Matthias Herrmann de ruimte geeft zich ten volle te etaleren, iets waar Malasch zelf nog de meeste pret aan schijnt te beleven. Al met al is Dream Days leuk voor de geile gay, maar wat moet je er als horny hetero mee?

DREAM DAYS, Matthias Herrmann, tm 30 nov 2002

Galerie Serieuze Zaken, Elandstraat 90, Amsterdam, open di-za 12-18 eerste zo v/d maand 14-18

deeenminutenawards 2002

Nils van Beek

‘Grap werkt goed in 1 minuut' kopte het NRC-Handelsblad naar aanleiding van de eerste biënnale van deeenminuten afgelopen voorjaar in het Centraal Museum in Utrecht. Hoewel ik deze opmerking van harte onderschrijf, wil ik er aan toevoegen dat een grap ook goed werkt in twee minuten, of in een half uur. Een goede vorm en vooral goede timing zijn voor het welslagen van een komisch bedoeld verhaal van groot belang.

De hier en daar wat zuinigjes uitgevallen toon van de bespreking doet echter vermoeden dat voor de recensente vooral het omgekeerde geldt: de eenminuut leent zich eigenlijk nog het best voor een grapje. Alsof de leader die aan elke vertoning van een eenminuut voorafgaat dezelfde functie heeft als het vakkundig ingestudeerde schuddebuiken van Frans van Dusschoten in de revue van André van Duin: ‘Let op! Dat wordt weer lachen geblazen! Komt ‘ie!'

Deeenminuten is een initiatief van het Sandberg Instituut in Amsterdam. Sinds 1998 worden deze filmpjes van zestig seconden precies (inclusief titels), elke twee weken uitge-zonden op de Amsterdamse kabel, en bovendien getoond op diverse kunst- en filmfestivals in binnen- en buitenland. Buiten de strikt gelimiteerde tijdsduur gelden er geen wetten, de maker is volstrekt vrij in zijn of haar vorm, maar is wel gedwongen tot duidelijke keuzes. De impact van deeenminuten blijkt enorm. De inzendingen komen inmiddels van over de hele wereld en hun aantal groeit bijna exponentieel.

Deeenminuten is dan ook uitgegroeid tot een zelfstandige organisatie, ondergebracht in The One Minute-stichting, met als doel afzonderlijke edities van deeenminuten-initiatieven buiten Nederland aan te sturen.

Wie deeenminuten vooral afdoet als een kwinkslag, stapt te gemakkelijk over de implicaties van hun succes heen. De schrijfster van het NRC-artikel over de tentoonstelling in Utrecht klaagde, misschien niet geheel ten onrechte overigens, over de kakofonie en de visuele overvloed. Wie verwachtte tot een vorm van contemplatie te kunnen komen, kwam inderdaad van een koude kermis thuis.

De kritiek op tentoonstellingen van videokunst spitst zich vaak toe op de wijze van presenteren die expositiebezoek soms tot een grote opgave maakt. Slecht geventileerde, nauwe minibioscoopjes voor werken die door hun lengte op zich al moeilijk uit te zitten zijn. Als bezoeker steevast binnenvallen in het midden van een lange loop, waarbij je in gedachten zelf de delen voor en na aftiteling in de juiste volgorde moet zetten.

Deeenminuten onttrekken zich grotendeels aan deze gangbare kritiekpunten. Zij vragen niet zonder meer de langdurige aandacht die bijvoorbeeld Bill Viola in zijn referentie naar de schilderkunstige traditie opeist, of een installatiekunstenaar als Doug Aitken in ruimtelijke (sculpturale) zin. Door hun korte duur en oorspronkelijke podium – de televisie – refereren deeenminuten in de eerste plaats aan de huidige, niet per definitie artistieke beeldcultuur: clips, homevideo's, commercials, flashy homepage-intro's en nerdy funshopping. Ze worden nooit afzonderlijk vertoond, altijd in onderlinge samenhang en concurrentie. Het eenminuten-concept maakt vergelijking mogelijk en onverbiddelijk: zonder flits van herkenning, shock- of anderszins roerend effect is een filmpje bij aanvang van het volgende alweer vergeten.

Een andere vorm van aandacht is in het spel vergelijkbaar met de manier waarop men met popmuziek omgaat. Kwaliteit komt naar boven in een krachtenspel waarin ook commercie, mode en media een rol spelen. René Boomkens, de eerste popprofessor van ons land, schreef: ‘Het mooie van popmuziek is dat het alle hoogdravendheid van onze bestuurders kan ontmaskeren en zelf tegelijkertijd toch hoogdravend kan zijn of extreem emotioneel, of totaal humorloos, doodserieus, en dan twee schreden verder weer ironisch, maar nooit totaal gedistantieerd, nooit compleet cynisch, nooit volkomen defaitistisch. Dat heeft te maken met de eigen aard van de popmuziek, die er vooral in bestaat "alledaags" te zijn.'

Boomkens ziet in de omgang van makers en liefhebbers met popmuziek een goede basis voor een nieuwe esthetica, een nieuwe kunsttheorie. Dat de makers van de beste deeenminuten uitgerekend op het voornaamste poppodium van Nederland zullen worden genodigd en gelauwerd, is in dat opzicht een mooi begin.

DEEENMINUTENAWARDS 2002, 10 nov, aanvang 21 uur (zaal open 20.15 uur)

Paradiso, Amsterdam, kaarten bij AUB en postkantoor

René Boomkens, ‘Verstand van popmuziek?' Over de scheidslijn tussen wetenschap en journalistiek. Populaire Muziekstudies, nummer 1, zomer 1995