De eindjes aan elkaar knopen

Cathelijne Dapiran
Domestic Workers Nederland (met Matthijs de Bruijne en Detour) YOU ARE SO NICE! COULD YOU WORK TWO MORE HOURS TODAY?, 2011

In de vrije uurtjes tussen mijn drie tijdelijke functies in de kunstwereld door bezoek ik voor Tubelight de opening van de tentoonstelling Informaliteit. Kunst, economie en precariteit in Stedelijk Museum Bureau Amsterdam. Een tentoonstelling die de relatie tussen de informele economie, ook wel verborgen economie genoemd, en kunst belicht. De algemene economie en met name de rol van de banken daarin domineert de afgelopen tijd de krantenkoppen. Maar naast deze bancaire economie is er ook handel die zich buiten de gecontroleerde regelgeving voltrekt. Deze informele economie wordt in ons land op 11% van het totaal geschat. Denk hierbij aan zwart werk, handelen via Marktplaats, maar ook aan vrijwilligerswerk.

De openingslezing van literatuur- en cultuurwetenschapper Joost de Bloois, getiteld Making ends meet: Precarity, art and political activism, gaat over het relatief nieuwe begrip van precaire arbeid. De Bloois, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam en onderzoeker op het gebied van precariteit, definieert het begrip precaire arbeids- en leefomstandigheden als de structurele onzekerheid van levensonderhoud en inkomen. De laatste decennia is deze onzekerheid deel uit gaan maken van het dagelijks leven van steeds grotere groepen in de samenleving, waaronder kunstenaars, die in toenemende mate worden geconfronteerd met een gebrek aan zekerheid, continuïteit en stabiliteit. Ook in de kringen om mij heen is het in deze onzekere tijden een veelbesproken onderwerp: ‘Zal ik mijn hele werkende leven zo moeten switchen tussen werkgevers?´ of´ Kan ik ooit een huis kopen of ben ik daarvan altijd afhankelijk van mijn partner?’

In de tentoonstelling komt een uiteenlopend aantal facetten van de informele economie naar voren. De Nederlandse kunstenaar Kaleb de Groot (1974) maakte voor deze expositie een aantal installaties uit afgedankte materialen in combinatie met bestaand, eigen werk. Aangezien binnen de informele economie veelvuldig gebruik wordt gemaakt van het oneindig recyclen van materialen wordt het werk van De Groot binnen de context van de tentoonstelling dientengevolge informele kunst genoemd. ‘

De affiches van Marc Roig Blesa (1981) en Rogier Delfos (1981) gaan in op de bijzondere manieren waarop een aantal jonge kunstenaars bijverdiensten genereert in al dan niet informele sferen buiten die van de kunst. Blesa en Delfos hebben de nevenactiviteiten in affiches gevangen, en presenteren deze naast uitingen van andere werkers in de informele economie, zoals schoonmakers. Dit resulteert in leuke, grappige maar ook schrijnende oneliners als ´My salary is on the table, not on the bank’ of het ´You are so nice! Could you work two more hours today?´ van Domestic Workers Union, maar in zijn geheel is het geheel echter vrij eendimensionaal.

Als blikvanger in de ruimte van SMBA staat een ronde, lage tafel met daarop een groot aantal kaften van zelfhulpboeken, met titels als How to argue and win every time. Deze publicaties zijn gericht op het behalen van financiële successen in de maatschappij en promoten geluk door geldelijk gewin. Dit werk van Senam Okudzeto (1972) is gebaseerd op de achtergebleven bezittingen uit een appartement in Zwitserland nadat de bewoner op de vlucht sloeg voor Interpol. De installatie bestaat tevens uit een briefwisseling via de fax waarin de ongecontroleerde handel van het criminele circuit als een soort toneelstuk is uitgeschreven. Aan de wand hangt nog een half ingepakt antiek soort zwaard, een Tarumba currency, dat in de vorige eeuw in Congo werden gebruikt als wettig betaalmiddel. Zo zijn de zeer uiteenlopende vormen van geld naast elkaar geplaatst: van immaterieel tot een zwaar en onhandelbaar goed.

Verder is er nog werk te zien van Doug Fishbone (1969), die via een videoboodschap oproept geld te doneren voor het maken van een kunstwerk. De bezoeker wordt gevraagd het bedrag direct in het bijgevoegde bakje te deponeren. Het werk van Jose Antonio Vega Macotela (1980) gaat in op ruilhandel. Op een soort memorybord is een deel van zijn persoonlijke objecten te zien die hij onder gevangenen verdeelde. Ze konden deze objecten met elkaar ruilen tot ze iets in handen kregen dat voor henzelf de grootste waarde vertegenwoordigde.

Curator Jelle Bouwhuis laat in een kleine opzet een mooie selectie aan werken zien die dienen als voorbeelden van de informele structuren in de kunstwereld. Het is een actueel thema, dat Bouwhuis terecht belicht vanuit verschillende facetten. Alhoewel de tentoonstelling precariteit en de informele economie behandelt als serieus te nemen alternatief, valt niet alles even goed uit. Zo leveren de affiches van Blesa en Delfos en het memobord van Domestic Workers Union weinig nieuwe inzichten op, is het werk van Vega Macotela visueel weinig interessant uitgewerkt en slaat De Groot met zijn toepassing van afgedankt materiaal niet bepaald nieuwe wegen in. Wat rest na het bezoek aan SMBA zijn de vele prangende vragen over de ontwikkeling van de positie van de flexwerkers in de creatieve industrie tegen de achtergrond van de naderende bezuinigingen. Ik geloof dat velen door de abrupte invoering van deze bezuinigingen de eindjes aan elkaar zullen moeten knopen en een periode van fragiliteit moeten doorworstelen. Wanneer er vervolgens een nieuwe voedingsbodem is gevonden om op te bouwen is deze groep hopelijk creatief genoeg om nieuwe wegen te bewandelen, al dan niet via de informele economie.

 

Jose Antonio Vega Macotela boven rechts: TIME EXCHANGE 105, 2007 boven links: TIME EXCHANGE 349-359, 2009 onder: TIME EXCHANGE 55, 2006
Voor: Senam Okudzeto, CAPITALISM AND SCHIZOPHRENIA, 2003-2010 Achter: werk van Kaleb de Groot

Centraal in de groepstentoonstelling He disappeared into complete silence; rereading a single artwork by Louise Bourgeois, staat een boekje met negen etsen en parabels van Louise Bourgeois (1911-2010). Dit kunstwerk markeert de overgang van haar oude leven in Parijs naar het nieuwe in New York. De thema’s die in dit kleine werk aan de orde komen, zoals miscommunicatie en eenzaamheid, zijn elementen die ook in haar latere werk een rol spelen. Samenstellers Laurie Cluitmans en Arnisa Zego stelden zich de vraag hoe een enkel werk als uitgangspunt genomen kan worden voor een tentoonstelling en een universum op zichzelf vormt. Naast de twee versies van He disappeared into complete silence zal de tentoonstelling bestaan uit werken uit de collectie van De Hallen Haarlem, van Charles Atlas, Sven Augustijnen, Paul McCarthy en Tracey Emin, en werken uit andere collecties van kunstenaars als Tacita Dean, Francesco Vezzoli, Tala Madani, Roni Horn, Zarina Bhimji en Zoe Leonard. Een serie van negen avonden begeleidt de tentoonstelling. (NM)

Land Art Contemporary is een nieuw initiatief in Drenthe dat kunstprojecten in landelijk gebied ontsluit en daar een eigentijds, meerjarig en internationaal programma aan toevoegt. Dit jaar staat het veertigjarig bestaan van Robert Smithsons (1938-1973) kunstwerk Broken circle/Spiral hill centraal. Dit werk maakte hij als bijdrage aan de tentoonstelling Sonsbeek buiten de perken (1971). De expositie in het CBK Emmen geeft een beeld van de totstandkoming van dit land art project van Smithson en van de waarde ervan binnen zijn oeuvre. Ook zijn er nooit eerder getoonde tekeningen van deze Amerikaanse kunstenaar te zien. Daarnaast is er een tentoonstelling met werk van Lara Almarcegui (1972), Jorge Satorre (1979) en Cyprien Gaillard (1980). Dit is het startschot van een serie kunstopdrachten die Land Art Contemporary samen met SKOR ontwikkelt. De kunstenaars krijgen opdracht om vanuit Smithsons gedachtegoed een werk te maken.

Broken circle/Spiral hill is te bezoeken aan de Emmerhoutstraat 150 bij Emmen. (AvH)

 

Saskia Noor van Imhoff (1982) construeert site-specific, ruimtelijke installaties van verschillende voorwerpen, vormen en materialen. Haar afstudeerwerk aan de Rietveld Academie was een groot archief dat bestond uit schetsen, sculpturen, teksten, foto’s, videobeelden, gereedschap, tafels, kasten en stoelen, die ze tijdens haar werkproces had gebruikt, gemaakt of verzameld. Ze selecteerde dit alles aan de hand van persoonlijke herinneringen.

De kunstenaar maakt sindsdien installaties die voortborduren op haar reeds bestaande archief, aangevuld met informatie en elementen uit de directe omgeving waarin ze werkt. Haar installaties hebben een specifieke niet-hiërarchische ordening en tonen gelijktijdig objecten die in de tijd of in hun aard geen ander verband hebben dan het verband dat op basis van herinnering, associatie en locatie gelegd kan worden. Het is aan de toeschouwer om de onderlinge relaties in te vullen en te interpreteren. Ook benieuwd naar wat de veelal steriele galerieruimte oplevert als inspiratiebron voor Van Imhoff’s nieuwe, site-specific werk? (AvH)

 

‘Can we leave things as they are?’ (2010, -) is een voortdurende performance van Rory Pilgrim. Ook in Den Haag nodigt Pilgrim een aantal bejaarden uit om te discussiëren, zoals hij eerder deed in De Ateliers in Amsterdam. De uitkomst van de discussie vertaalt Pilgrim in een muzikale compositie die hij laat spelen als klokkenspel in de Haagse binnenstad.
Uitgangspunt voor de discussie is de historische speech op 19 mei 1989 van ex-premier Zhao Ziyang, waarin hij de protesterende studenten op het Tiananmenplein opriep hun hongerstaking te eindigen met de raadselachtige zin: ‘You are not like us, we are already old, it doesn’t matter to us anymore.’ Waarna Zhao op nonactief werd gesteld en huisarrest kreeg.
Louwrien Wijers voerde in 1990 gesprekken over de toekomst van kunst met iconen uit de (kunst)geschiedenis zoals John Cage, de Dalai Lama, Lawrence Weiner en Marina Abramovic. TAG presenteert de opnieuw uitgebrachte documentatie van deze gesprekken naast teksten van Wijers.

Op 5 november is iedereen uitgenodigd om in TAG te praten, koken en eten met Rory Pilgrim, Louwrien Wijers en Egon Hanfstingl, de kok. (ST)

Alexander (Abs) Brenchley wil maar één ding: ware liefde vinden. Maar hoe te beginnen? Voor hij aan een goed aangeschreven kunstopleiding begon, stond hij bekend als sexy boy: ‘Academia, coke or bonking – what’s the diff?.’ Maar een braakpartij over de saladebar tijdens een meet and greet met Phil Collins (cadeautje van zijn vader), doet hem besluiten dat die tijd over is. Vanaf nu is de wilde Abs de studieuze, nuchtere Alexander. Een Nutty Solitary Man die op openingen jonge kunstenaars aanklampt om hen te overstelpen met gezeur.

Een sms van een oude vriend drijft hem opnieuw het nachtleven van London in. Ze maken plannen voor een club night (Silk Handkerchiefs) tijdens hun donderdagse ontmoetingen in Gaz’s Rockin’ Blues club. Vijf jaar geheelonthouding komen echter niet zonder effect: een groteske vertoning met een meisje op een metroperron resulteert in een met urine doorweekte broek en een sprint het station uit in zijn boxershorts – het is december. Hij is zijn gave kwijt.

Juist wanneer hij op het punt staat de druk van de ketel te halen met een bezoek aan een prostituee, ontwaart hij het door koplampen scherp afgetekende silhouet van de vrouw van zijn dromen. PHWOAR! Eindelijk! Maar dan valt hij flauw door een knellende spijkerbroek en het verhaal eindigt op de vloer van Gaz’s club.

Het karakter van de muziekminnende, schilderende, welbespraakte Alexander Brenchley is bedacht door schilder/performer Paul Haworth. In een lyrisch opgevoerde rap op de website van Haworth contrasteren zijn gladde kaken, het jongensachtige lichaam en de de nerdy bril van Haworth hevig met de expliciete teksten. Al vertolkt hij in deze video (getiteld Alexander Technique) de tragische held uit zijn novelle, je kan je niet aan de indruk onttrekken dat de tekst over hemzelf gaat.

Vrouwen staan bij Haworth, dominant of onbereikbaar, meestal in de hoofdrol. Zowel in deze novelle als in zijn schilderwerk. Op de tentoonstelling die ik zag bij Gabriel Rolt eind 2010, bekroop me het gevoel dat het niet meer goed zou komen met de personages op zijn doeken. Dit ondanks het frisse kleurenpalet en de jonge mensen (blik op oneindig, altijd bezig met iets anders). Ondanks zijn beeldtaal die ontleend lijkt aan graffiti en het atmosferisch perspectief dat ik associeer met natuurschoon en evenwichtigheid. Het leven van deze jonge mensen lijkt echter een hopeloze strijd om aandacht, genegenheid en overwinning.

Silk Handkerchief leest als een beat roman. Een stream of consciousness, waarin Dickensiaans taalgebruik en Cockney met elkaar worden verweven. Heimelijk genot in een volle trein gegarandeerd. Fijn dat er een tweede deel is. Oh ja, en je krijgt er nog een leuke boekenlegger bij ook.

Paul Haworth SILK HANDKERCHIEFS
True True True, 2009
ISBN 9789490006020

http://www.homelovin.co.uk/

http://truetruetrue.org/#silk

Paul Haworth, LITTLE WORRIES (2008)

Gracieus achterhoedegevecht

Jesse van Winden
Marc Bijl, EQUIVALENT, 2000. Foto: Het Kontakt

Voor de ingang van Kunstfort Asperen is een bakstenen muur gemetseld in de kleuren van de Nederlandse vlag. Met de titel Equivalent verwijst maker Marc Bijl (1973) naar de serie liggende bakstenen werken van Carl Andre (1935). Waar Andre de toeschouwer toestond over de stenen te lopen en zo het kunstwerk openstelde voor het publiek, ontneemt Bijls Equivalent je in eerste instantie de toegang tot de tentoonstelling.

Kunstenaarsduo Bik van der Pol, curatoren van Too late, too little, (and how) to fail gracefully, toont in het fort geen eigen werk. De historie van de locatie vormde het uitgangspunt van hun tentoonstellingsconcept. Fort Asperen werd gebouwd als onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. In 1940, 93 jaar na voltooiing, werd het fort voor het eerst tevergeefs ingezet: de Duitse luchtmacht vloog er zonder problemen overheen. De weerloze geschiedenis van het fort vormt volgens Bik van der Pol een metafoor voor ‘de onmogelijkheid en, afgezien van oorlogssituaties, de onwenselijkheid om indringers buiten te houden,’ voor de illusies van ‘de ander als bedreiging’ en van de ‘afbakening en ondermijning van territoria’. Deze motieven zijn goed voor een schakering van ambitieuze politieke thema’s, waarvoor de curatoren veel respect verdienen. Die thema’s kunnen echter ook eenvoudig gedepolitiseerd worden. Het maakt veel verschil hoe het tentoonstellingsconcept precies wordt ingezet.

Verschillende geëxposeerde werken zijn geëngageerd of zelfs strijdbaar te noemen, zoals de videoserie Serious games van Harun Farocki (1944). Deze serie toont de onthutsende wijze waarop het Amerikaanse leger met behulp van technologie in de soldatenpsyche infiltreert. Veel van de overige politiek getinte werken in de tentoonstelling zijn helaas niet urgent genoeg om een tentoonstellingsconcept met zo’n groot actualiteitspotentieel effectief in stelling te brengen. Ze focussen bijvoorbeeld teveel op zichzelf. Zo maakten Tim Etchells (1962) en Vlatka Horvat (1974) een installatie over terrorisme, waarbij ze dagelijks een komisch faxbericht sturen met manieren om een huis te vernietigen.

Dat maatschappelijke urgentie niet voorbehouden is aan zeer recent werk bewijst Hito Steyerl (1966) met Universal embassy, een sympathieke video uit 2004. Dit werk toont een inkijk in de voormalige Somalische ambassade in Brussel, die sinds de burgeroorlog in 1992 tot geen enkel land meer behoort. Van hieruit helpt en huisvest een groep activisten mensen zonder identiteitsdocumenten. De Belgische politie deed zonder huiszoekingsbevel en bovendien buiten haar jurisdictie, een inval en zette bewoners van deze ambassade het land uit. Steyerl toont kwesties die een relevante reflectie bieden op de situatie hier en nu, waarin een individu zonder papieren geen identiteit heeft. Een activist die met goede intenties een ongebruikt pand ‘kraakt’ kan een indringer zijn, maar een politieagent evengoed.

De bijdrage van Åsa Sonjasdotter (1966) is genuanceerder, maar toch resoluut. Zij beplantte een akkertje naast het fort met twee aardappelrassen: het gangbare Bintje, dat veel gif behoeft maar legaal is en een ongevaarlijke maar door de EU niet erkende uitheemse soort, die illegaal is en actief met boetes wordt bevochten.

Een breed en veelzijdig tentoonstellingsconcept kan al snel wat te gemakkelijk worden ingevuld. Zo toont Lara Almarcegui (1972), behalve haar bekende boek over ruïnes, een werk waarin ze het gewicht van al het bouwmateriaal van het fort bij elkaar optelt. Beide kunstwerken zijn elegant, subtiel en leveren kennis op, maar lijken een weinig concreet effect te sorteren in relatie tot het onderwerp van de tentoonstelling. Iets vergelijkbaars geldt voor een aantal andere werken, zoals een gedicht van Cesare Pietroiusti (1955) over wachten: de soldaten op de vijand, de vleermuis op het donker en de kunstwerken op het publiek.

Dat de werken variëren in zeggingskracht betekent niet dat Too late… simpelweg een goede gelegenheid is om het kaf van het koren te scheiden. Veel werk, ook dat van Almarcegui en Pietroiusti, is op zichzelf erg goed. Te vaak wordt de kunst echter overstemd door het tentoonstellingsconcept, waaraan het werk weliswaar raakt, maar op een wat vrijblijvende manier. Andersom boet het concept hierdoor tevens aan kracht in.

De timing van de tentoonstelling is helaas enigszins onfortuinlijk. Het tentoonstellingspubliek zag zich onlangs geconfronteerd met de verwoestende bezuinigingsplannen van het huidige kabinet. Deze werden pas bekend toen de voorbereidingen van de tentoonstelling al in volle gang waren. Hoewel onderwerpen als indringerschap, militarisme en het falen van bewapening op velerlei wijze een solide fundament zouden kunnen vormen voor kritiek op het overheidsbeleid, leent het gepresenteerde werk zich hier niet voor. Zoals het fort in een andere tijd en onder andere omstandigheden is gebouwd dan wanneer het in werking werd gesteld, is ook Too Late… met een achterstand begonnen. Het gepresenteerde werk is van hoog niveau en inderdaad gracieus in esthetische veelzijdigheid, maar voert helaas een achterhoedegevecht.

Harun Farocki, A SUN WITH NO SHADOW, 2010 Uit de serie SERIOUS GAMES, 2009-10. Foto: Kunstfort Asperen
Åsa Sonjasdotter, POTATO PERSPECTIVE, 2011 Foto: Kunstfort Asperen

Ben ik in beeld?

Milou van Oene
Evan Baden, SADY (2009)

Met een kakofonie van typetjes geeft You All Fell For My Act een kijkje in de wereld van de aangenomen pose. De tentoonstelling is geproduceerd door de studenten van de Rookie MA, Showroom MAMA’s curatorenopleiding. In 2008 werd het programma speciaal in het leven geroepen om de kunstprofessionals van de toekomst een podium te bieden en is in Nederland daarmee de enige in haar soort. Het Curatorial Programme van De Appel komt in de buurt, maar is specifiek bedoeld voor hen die hun sporen reeds verdiend hebben. Dat een indrukwekkend cv geen voorwaarde voor een geslaagd kunstproject hoeft te zijn, bewijzen de Rookies met You All Fell For My Act.

‘Hoewel de tentoonstelling niet gaat over de virtuele alter ego’s, niet over opgepoetste foto’s op Facebook en niet over fenomenen als chatroulette, lijken veel mensen dat wel te denken,’ aldus Rookie Jesse van Oosten. Het is echter de macht van de lens, gehanteerd door jezelf of door een ander, die de tentoonstellingsmakers fascineert. Wanneer de camera op ons gericht wordt, schieten we in de fotogenieke modus. We worden steeds meer in beslag genomen door verwachtingspatronen en het voldoen aan het beeld dat we van onszelf scheppen. Weten we ondertussen nog wel wie we daadwerkelijk zijn?

Dat bijna ongemerkt poseren maakt Kim Nuijen (1984) zichtbaar door haar lens te richten op de mens in het wild. Voor Instant Reflex (2011) vroeg ze iedereen even naar de camera te kijken – en drukte af. Lachende, zichtbaar opgetogen mensen, mensen die de lens van hun eigen camera op de fotografe richten, ongeïnteresseerde figuren, opgeheven handen en jolige gekke bekkentrekkerij: de reacties zijn legio. De index van het bijbehorende boek categoriseert de reacties en maakt van het project een sociologisch experiment. Of reduceert het tot aapjes kijken, zo je wilt.

Renée van Trier (1983), net afgestudeerd van het Sandberg Instituut, domineert met haar alter ego’s de tentoonstelling. Haar video’s en foto’s laten op komische en tegelijkertijd tragische wijze zien hoezeer de huidige generatie haar best doet om een iconisch beeld van zichzelf neer te zetten. Onvermoeibaar dansend in een glitterpakje lijkt zij zich compleet op haar gemak te voelen in haar act. Iets verderop hangt een scherm waarop een bijna stilstaand beeld te zien is. De twee meisjes, de één staand en breeduit glimlachend, de ander zittend en pruilend, blijken bij nader inzien toch te bewegen. Soms knipperen ze met hun ogen of valt een minieme wiegende beweging van hun lichaam op. Hun krampachtige glimlach en pruillip blijven echter bevroren. Tot in wat de laatste seconden van de bijna-still blijken te zijn: het lachende meisje probeert dan ineens hardhandig een lach op het gezicht van het pruillipje te forceren.

Overvalt mij bij de personages Van Trier nog een gevoel van plaatsvervangende schaamte, bij de Amerikaanse Jamie Warren (1980) maakt dat gevoel plaats voor een aangenaam inwendig gegrinnik. Warren is in haar zelfportretten als een soort kameleon te zien in subculturen van over de hele wereld; haar te zien wentelen in andermans aangeleerde excentriciteit doet je beseffen dat ieders act er maar één van de velen is. Het biedt een relativerend perspectief: al de verschillende acts heffen elkaar op, waardoor de onderliggende mens komt bovendrijven.

Die overdrijving, hetgeen waar kunst haar kracht deels aan ontleent, voert op You All Fell For My Act de boventoon. Door een karikatuur van de hedendaagse samenleving neer te zetten, hebben zowel de kunstenaars als de tentoonstellingsmakers geprobeerd een statement te maken. Echter, er wordt niet alleen gereflecteerd op andermans toneelstukje. De gecultiveerde rol van de maatschappijkritische en geëngageerde kunstenaar staat eveneens te kijk. En dan vraag ik me af, is die overdrijving niet een even fascinerende act? Ook die is namelijk onderhevig aan verwachtingspatronen en groepsgedrag; de kunst blijkt daarmee uiteindelijk de grootste act van allemaal.

Jaimie Warren, UNTITLED (SELF PORTRAIT, YAMAMBA GIRLS, TOKYO) (2007)
Kim Nuijen, INSTANT REFLEX (2011)
Renée van Trier, HUMMINGBIRD (2011)
Judith Leysner, NACHTSCHADE (2011), foto: Idan Shilon

Op de drie foto’s uit de fotoserie Atropa (2011) van Judith Leysner zit een robuuste vrouw in lingerie en zwart kant op een kruk tegen een zwarte achtergrond. Haar lichaam is ingesnoerd met tape. Het mollige lichaam is als een rollade samengebonden. Het gezicht van de vrouw is niet te zien, want om haar hoofd zijn aardappels vastgebonden. Het aardappelhoofd geeft de vrouw anonimiteit, maar maakt haar gelijktijdig monsterlijk en haast buitenaards. 

De aardappelhoofden komen ook weer terug in de twee andere werken, die Leysner voor haar solotentoonstelling Nachtschade in W139 maakte. De aardappel lijkt het terugkerend motief, ook de titels van de tentoonstelling en van de werken verwijzen naar aardappelplanten. Leysner wekt hiermee de indruk dat haar werken met elkaar verbonden zijn, of een drieluik vormen. De relatie blijft echter vrij onduidelijk.

Met haar film Solanum (2011) refereert Leysner aan het  schilderij De Aardappeleters (1885) van Vincent van Gogh.  Leysner toont lef door zo concreet naar het befaamde schilderij te verwijzen zonder in clichés te vervallen. Net als Van Gogh deed in zijn schetsen van boerenhanden, zoomt Leysner eerst de lens in op grove werkhanden met rouwranden rustend op een kantentafellaken.

Dan neemt Leysners’ film opeens een bizarre wending. De camera zoomt uit en alle personen aan tafel blijken met aardappels om hun hoofd gebonden. De aardappelhoofden beginnen met hun vork stukjes aardappel van hun eigen hoofd te prikken en eten ook  van het hoofd van hun tafelgenoten. De nostalgie van het boerenleven maakt plaats voor absurditeit en hilariteit. Zo transformeert Leysner een icoon van de Nederlandse schilderkunst tot een eigenaardige grap.

In de performance Dulcamara die ze op 2 september uitvoerde stak Leysner de draak met het kabinet Rutte. Op de muur zijn beelden te zien van de toespraak waarin Mark Rutte de coalitie bekendmaakt, waarbij de beelden worden afgewisseld met ruige porno. Op de grond ligt een hoop aarde met aardappelen. Leysner strompelt en rolt met een aardappelhoofd en aardappels in haar onderbroek voor het scherm en door de aarde.

Helaas blijft de performance hangen op het niveau van ‘hard tegen de gevestigde orde aan schoppen’. Maar dan voor de vorm, bij een publiek vol kunstliefhebbers. Zonder nuance, relativering of inhoudelijke verdieping. Vermakelijk, dat wel, maar het zet niet aan tot diepere gedachten of reflectie over de huidige politiek.

Of toch wel? De vraag is wat de relatie is tussen de rechtse politiek in de performance tot de aardappeleters uit de film en de vrouw uit de fotoserie. Zijn de aardappelhoofden de boeren uit het schilderij van Van Gogh, de rechtse stemmers, of juist de cultuurliefhebbers? Of is dit onder de huidige regering het lot van alle Nederlanders, nu aardappelhoofden te worden?

Judith Leysner, NACHTSCHADE (2011), foto: Idan Shilon
Judith Leysner, NACHTSCHADE (2011), foto: Idan Shilon
Judith Leysner, DULCAMARA (2011), foto: Idan Shilon

Tubecrushen

Karin Krijgsman
Walker Evans, MANY ARE CALLED (1938-1941, gepubliceerd in 1966)

Begin juni 2009 zit ik in de metro in Madrid. Een oudere man stapt in en gaat schuin tegenover mij zitten. Hij draagt zijn netste broek en een keurig stijf gestreken licht roze overhemd met paarse stropdas. In zijn handen een bos rode bloemen. Hij wiebelt een beetje op zijn stoel en bij iedere halte kijkt hij of dit ‘zijn’ halte is.

Ik heb mijn telefoon losjes in de hand, alsof ik hem niet aan het filmen ben. De scène duurt ongeveer drie minuten tot de man uitstapt. Gedurende die drie minuten kijkt hij één keer recht in mijn lens. De rest van de tijd is hij, zoals de meeste mensen in de metro, in zichzelf gekeerd. Pas ruim een week later kwam ik erachter dat als ik een filmpje maak met mijn telefoon er een fel wit lampje gaat branden naast de lens. Dat lampje had de volle drie minuten aangestaan. Van schrik durfde ik niet meer stiekem te filmen.

In de metro staan en zitten we lekker dicht bij elkaar. Mensen die je niet kent kun je ruiken en voelen en andersom voelen en ruiken zij jou ook. Bovendien is er in de donkere tunnelbuizen vaak niet veel anders om naar te kijken dan je medereizigers. De ongeschreven gedragsregel van de metro is echter dat de blik niet naar de ander, maar naar binnen gekeerd is. Zo geven we elkaar toch een beetje privacy op een plek waar van privacy eigenlijk geen sprake is.

Mensen in de metro zijn al generaties lang woest aantrekkelijke prooien voor fotografen. Walker Evans hing zijn camera onopvallend om zijn nek en fotografeerde met een draadontspanner de mensen die zitting namen in de ‘studio’ recht tegenover hem. Hij was gefascineerd door die inwaards gekeerde blik. Evans omschreef de metro als een droomlocatie voor fotografen die niet hielden van de pose in de studio of de ‘horrors of vanity’.

Hij wachtte vijfentwintig jaar met het publiceren van de foto’s in het uiteindelijke boek, Many Are Called (1966, herdruk 2004). Een enkeling kijkt recht in zijn lens met een diepe, onderzoekende frons, maar over het algemeen zien we mensen slapend, wegkijkend, starend, wegdromend. Dikke jassen aan (het is winter), hoeden op (het was rond 1940), handen over elkaar. Peinzend, mond open, de krant lezend, wachtend, pratend. De meeste mensen zitten er keurig gekleed bij.

Araki maakte in 1966 met Subway Love een Japanse tegenhanger. Hij concentreert zich in het bijzonder op zijn vrouwelijke medereiziger, die hij van hun kruin tot hun veelal ontblootte knieën in het beeld klemt. Bruce Davidson fotografeerde in de jaren tachtig in de metro in New York, maar vroeg daarbij als uitzondering in het genre expliciet wel om toestemming. De metro is in die tijd geen plaats voor softies, zijn foto’s zijn ruig en direct.
Wat opvalt, naast het gebruik van kleur en de meer reportageachtige stijl, is dat zowel de bonte verzameling mensen als de metro niet meer zo keurig zijn. Graffiti en chaos domineren het beeld.

In 1998 publiceert Martin Parr een klein boekje met de titel Japonais Endormis; slapende Japanners in de metro. Parr zoomt dichter in en toont een opeenvolging van naar beneden hangende hoofden met gesloten ogen, vet ingeflitst zoals we van Parr kennen, afgewisseld met een enkele fel gekleurde stropdas.

Recente voorbeelden in het genre zijn de projecten Tokyo Compression (2010) en Tokyo Compression Revisited (2011) van Michael Wolf en Wall Street Stop (2010) en Shanghai Flowers I (2011) van Reinier Gerritsen. Beiden fotograferen mensen als haringen in een tonnetje in de metro terwijl zij zelf buiten de metro staan. Gerritsen drukt af op het moment dat de deuren sluiten, maakt meerdere opnames snel achter elkaar en monteert deze later tot één enkel beeld dat speelt met onze perceptie van scherpte. Wolf staat aan de overzijde van het perron en fotografeert Japanners die tegen de beslagen ramen geperst staan en geen kant op kunnen. Wij smullen nog immer van de aanblik van onze medemens gevangen in het kader en het voertuig.

Het mooiste bewijs van dit heimelijk genoegen is de website TubeCrush.net. Tubecrushen is een alras populairder wordende activiteit voor vrouwen in Londen. Schending van privacy? De meeste mannen schijnen zich wel vereerd te voelen. In de categorie omdat-het-kan vind ik dit wel een topper.

Gelukkig heb ik nu een telefoon zonder opzichtig lampje bij het filmen, zodat ik weer met een gerust hart de gemoedstoestand van de stiekeme filmer aan kan nemen. Ik kan niet wachten tot ik weer eens in de metro ben.

Tubecrush.net

Walker Evans, MANY ARE CALLED (1938-1941, gepubliceerd in 1966)
Bruce Davidson, SUBWAY (1980)
Martin Parr, JAPONAIS ENDORMIS (1998)
Tubecrush van 21 juni (+154 rating, 247 votes)

En dan

Jaap Röell
Stanley Brouwn en Bertus Mulder, HET GEBOUW (2005) Leidsche Rijn

Het komt niet zo vaak voor dat de tentoonstellingsruimte en de aldaar gepresenteerde kunstwerken naadloos op elkaar aansluiten. Dat is nu het geval met de constructivistische schilderijen van Otto Hamer (1938) en de architectuur van Het Gebouw in Utrecht/Leidsche Rijn.

Het Gebouw kan inderdaad geen andere naam hebben dan … Het Gebouw. Het is een volstrekt autonoom ding van twee kale blokjes kruislings op elkaar dat alleen naar zichzelf verwijst. Elke detaillering is weggelaten, geen dakgoot, pijpen, deurklinken of wat dan ook, laat staan zoiets absurds als een vlaggenmast. De conceptuele kunstenaar Stanley Brouwn (1935) heeft dat zo bedacht. Het was minder eenvoudig om het in werkelijkheid ook zo te bouwen. De Utrechtse architect Bertus Mulder heeft dat in nauwe samenwerking met Brouwn, in zeer korte tijd, toch voor elkaar gekregen. In 2005 werd Het Gebouw geopend.

De maten van Het Gebouw zijn afgeleid van de voetmaat van Stanley Brouwn, 26 centimeter, de SB-maat. Niet het metrisch stelsel dat van buitenaf wordt opgelegd, maar de zelf ervaren afstand – de eigen voetmaat – is bepalend voor dit ontwerp. Daardoor is het een gebouw geworden met eigen wetten, opgetrokken in een staalconstructie met kale vierkanten platen in de maten van 15 x 15 SB-voet.

In deze ultieme exponent van het Nieuwe Bouwen, is nu een tentoonstelling van werk van Otto Hamer te zien. De schilderijen zijn allen opgebouwd uit lijn, vorm en kleur. Daarmee schept Hamer voor zich zelf een oneindig aantal mogelijkheden om expressie te geven aan wat ruimte is. Hij doet dat heel systematisch en beredeneerd volgens een mathematisch opgezette vlakverdeling, net zoals de basisstructuur van Het Gebouw. En wat blijkt? Beiden, en zeker in combinatie met elkaar, zijn niet kil of steriel. Nog sterker, Het Gebouw en de schilderijen leven, zinderen bijna.

Ik denk niet met deze constatering Otto Hamer een plezier te doen. Hij beoogt immers het emotionele en strikt subjectieve uit zijn werk te bannen. Alles ten behoeve van rationele en objectiveerbare kunst. In die zin staat hij in de traditie van de Nul-kunst en het minimalisme dat in de zestiger en zeventiger jaren van de vorige eeuw furore maakte. Of nog verder terug, in de traditie van het kubisme, de Stijl, de Russische constructivisten en het Bauhaus.

Hamer heeft daarbij ook de maatschappijkritische benadering tot leidraad van zijn werk gemaakt. Kunst doet er toe. Het is een maatschappelijke kracht (of dient dat in ieder geval te zijn) die sociale ongelijkheid ter discussie stelt en zo mogelijk opheft. Enkel esthetiek is Hamer uit den boze.

Over dit soort uitgangspunten doen we nu wat lacherig, onterecht. Het blijkt maar weer eens in de huidige tijd van uit onbegrip geboren bezuinigingen op kunst en cultuur, dat de verbinding met de context waarbinnen kunst plaats vindt, essentieel is om mensen dichter bij de kunst te brengen. En hen daarmee letterlijk waarde te laten hechten aan kunst en cultuur.

P.S.
Sinds kort staat vlak achter Het Gebouw een met tierelantijnen voorziene poffertjeskraam te detoneren. Hier past slechts de uitspraak van Nescio toen hij in 1942 op een van zijn voettochten vanuit Amsterdam door het Vechtgebied zag dat een aardig wipbruggetje in Kortenhoef was gesloopt en een weg over het water was geplempt: ‘God zegene de verantwoordelijke autoriteiten. Als ’t kan een beetje hardhandig.’

Het Gebouw in de Leidsche Rijn is open op donderdag t/m zondag van 12.00 tot 17.00 uur

Otto Hamer, BROTT 51-2 (1988)
Otto Hamer, 91-5 (1991)
Otto Hamer, GORDANO, BLAUW CENTRUM (2008)

In haar eerste museale solotentoonstelling in Nederland herensceneert Suchan Kinoshita (1960) haar oeuvre in de transparante architectuur van Museum De Paviljoens. Kinoshita speelt met verwachtingspatronen van het publiek, herhaling en subtiele verschuivingen in vertaling en ze ontwricht de synchroniciteit van tijd en ruimte.
De Japanse kunstenaar doorsnijdt de logica van de bestaande ruimtes van De Paviljoens en creëert op basis van deze architectuur een nieuwe ruimte, waarbinnen haar interdisciplinaire installaties een plek vinden. Verschillende werken komen terug als een chinese whisper, veranderd door het verstrijken van de tijd, haar interpretatie vanuit het heden en de nieuwe locatie. Deze expositie is de laatste in een reeks solotentoonstellingen in Museum De Paviljoens waarin de kunstenaar steeds het hele gebouw van De Paviljoens ter beschikking heeft gekregen om op zijn of haar oeuvre te reflecteren en tegelijkertijd nieuw werk te ontwikkelen. De voorgangers in deze serie waren Yael Davids, Job Koelewijn, Barbara Visser, Meschac Gaba en Germaine Kruip.