Serviezen met jurken

Willemijn van der Zwaan
Iris van Herpen, uit de collectie ESCAPISM (2011)

Bij het onderwerp haute couture krijg ik warme, nostalgische gevoelens van binnen. Ik denk aan Belgische nonnen die volgens eeuwenoude traditie bruidsluiers kantklossen, of aan oude Franse dametjes die met een engelengeduld kraaltje voor kraaltje een Chaneljurk van ornamenten voorzien.

De Nederlandse ontwerpster Iris van Herpen (1984) werkt ook binnen de traditie van de couture, maar haar werk roept meer beelden op van buitenaardse wezens en monsters uit de diepte van de zee dan van chique dames aan de thee langs de boulevard. Met haar onverwachte materiaalkeuzes en organische ontwerpstructuren heeft Van Herpen in korte tijd (ze studeerde in 2007 af aan de Artez modeacademie in Arnhem) een flinke reputatie opgebouwd. Vorige week nog mocht ze haar werk tonen tijdens de haute couture-week in Parijs. Een grote eer voor zo´n jonge ontwerpster, bovendien nog een buitenlandse ook, om haar opwachting te maken bij een van de meeste exclusieve clubjes op aarde.

Haar werk vindt ook gretig aftrek in het tentoonstellingencircuit. Een plastic jurk die ze in samenwerking met het architectenbureau Benthem Crouwel maakte voor een tentoonstelling in het Arcam Amsterdam was te zien tijdens de afgelopen Arnhem Mode Biënnale. Het Groninger Museum zal begin 2012 een overzichtstentoonstelling aan haar wijden; ietswat opmerkelijk is voor een ontwerpster met nog maar zo weinig collecties.

Het Centraal Museum koos voor de tentoonstelling Het Nieuwe Ambacht. Iris van Herpen en haar inspiratie het thema, jawel, ambacht. Dit omdat haar kleding allemaal met de hand gemaakt is, maar wel gecombineerd met de nieuwste technologieën. Zo maakt ze gebruik van 3d-printers om skeletachtige structuren te creëren. In de tentoonstelling staat ook zo’n printer opgesteld die kleine objecten maakt om te laten zien dat het maken van een object met dit apparaat geen gemakkelijke productiewijze is: het is namelijk een ellenlang proces. 

Het hoogtepunt van de tentoonstelling is meteen de eerste zaal. Hier worden de kostuums getoond die Van Herpen ontwierp voor de voorstelling Synthetic Twin van choreografe Nanine Linning (1977). De kostuums worden op een spannende manier getoond: een van de paspoppen is de muur aan het opklimmen, twee andere lijken met elkaar in gevecht. Dit in combinatie met films van dansers die het stuk opvoeren in de kostuums geeft het een levendige uitstraling.

Daarna gaat het helaas bergafwaarts. Het Centraal Museum zag de tentoonstelling als een kans om de collectie Toegepaste Kunst eens bij een wat hipper publiek aan de man te brengen, zoals, juist, degenen die op modetentoonstellingen afkomen. De serviezen en ornamenten uit de museumcollectie staan samen met de kleding van van Herpen verspreid door de zalen, maar de dialoog tussen de objecten blijft uit. Het doet zelfs krampachtig en geforceerd aan. De relevantie tussen de stukken is soms wel erg oppervlakkig (een jurk van metaal voor een kast met metalen ornamenten: snap je hem?) en sommige combinaties zijn zelfs ronduit vreemd. Zo staat een zwarte jurk gemaakt van nylongaren voor een boekenkast van Lion Cachet uit begin twintigste eeuw gevuld met aardewerk. Waarom? 

Het lijkt ook zeer onwaarschijnlijk dat iemand met zulke vooruitstrevende ontwerpen als Van Herpen zich ook daadwerkelijk laat inspireren door zoiets als een zeventiende-eeuws bloemenbehang, hoewel de titel van de tentoonstelling ons anders wil laten geloven. Lichtpuntjes binnen de show zijn dan ook de stukken die daadwerkelijk in samenwerking met Van Herpen zijn gemaakt of waar uitdrukkelijk wordt vermeld dat het inspiratiebronnen voor haar zijn. Dit zijn, gek genoeg, geen stukken uit de collectie toegepaste kunst van het museum. Het zijn de uitbundige hoeden van Stephen Jones en Irene Bussemaker en een stofontwerp van Bart Hess die de tentoonstelling wat spannender maken en ook een logische plek innemen binnen het oeuvre van Van Herpen. 

Wat ook opvalt, is dat er maar zo weinig daadwerkelijke kleding te zien is: elf stuks. Dit kan liggen aan het feit dat Van Herpen nog maar kort bezig is. De vraag is dan ook: waarom een tentoonstelling bouwen op iemand met maar zo´n klein oeuvre? Het was interessanter geweest als het vernieuwende aspect van van Herpens ambacht meer aangestipt zou zijn geweest; door bijvoorbeeld andere ontwerpers te tonen die ook de combinatie van nieuwe technologie en handwerk maken. Voorbeelden hiervan Hussein Chalayan, Yohi Yamamoto en de wijlen Alexander McQueen. Misschien had Het Nieuwe Ambacht dan wel bestaansrecht gehad.

Iris van Herpen, photoshoot in depot Centraal Museum, Foto: Duy Quoc Vo
Iris van Herpen, scene uit SYNTHETIC TWIN (2010) Foto: Kalle Kuikkaniemi
Adam van Vianen, DRINKSCHAAL OP VOET (1620) Foto: Michiel Zoeter

Het hangt in de lucht: ook Extra City, kunstplatform voor productie, presentatie en debat wijdt een presentatiereeks aan het museum als instituut. Het drieluik A slowdown at the museum verhaalt over een fictief museum en bevraagt de definiëring van ‘kunst’ en ‘instituut’ en de wisselwerking tussen deze twee. In de getoonde kunstwerken zit een duidelijke visie vervat wat hun verhouding is met de institutionele ruimte waarin ze terecht komen. Verschillende standpunten op het museum en op de mogelijkheden hoe kunst bekeken en ervaren kan worden staan centraal. Wanneer TL #75 uitkomt, is deel twee, Museum of display net afgelopen. Deel drie, A slowdown at the museum, opent op 2 september. Hierin zal de ‘reële wereld’, in de vorm van een staking, het museum bezetten. (NM)

De beeldende kunst heeft de neiging haar grenzen streng te trekken. Kunst is pas kunst als er kunst op staat. Daarmee wordt de deur dicht gegooid voor bijvoorbeeld de speelfilm, naar theater en naar muziek, ook al zijn hun raakvlakken met de beeldende kunst evident en ‘opereren’ ze soms net zo onafhankelijk, origineel en creatief als kunst hoort te doen. Ik moest daar aan denken toen ik onlangs Howl opnieuw zag, een film die nu eindelijk ook de Nederlandse bioscoop heeft gehaald. 

De film heeft het gelijknamige gedicht van Allen Ginsberg (1926-1997) als uitgangspunt. Een lang gedicht uit 1955, onder invloed van drugs geschreven, waarin alle regels van het traditionele gedicht met voeten worden getreden en de rijmende poëzie van het verstilde woord plaats maakt voor de hoekige taal van de zelfkant, waarin allerlei geestverruimende middelen worden gepromoot en de homoseksualiteit zonder reserve wordt beleden. Kortom, een gedicht waar iedere Amerikaanse filmregisseur zich verre van houdt omdat verfilming een regelrechte vorm van zelfmoord betekent.

Rob Epstein en Jeffrey Friedman durfden het aan. En slaagden. Hun eerdere documentaires over de homo-activist Harvey Milk uit 1984 en The celluloid closet, over homoseksualiteit in de Hollywood film, bleken een bruikbare ondergrond.

Ze kozen voor een vorm die werkt. Door de afwisseling van zwart-wit en kleur lijken de beelden in Howl documentair, maar ze zijn allemaal nagespeeld. Hoe paradoxaal ook, omgekeerd lijken de teksten daardoor spontaan en realistisch, maar ze zijn allemaal gebaseerd op authentieke documenten. Codes van speelfilm en documentaire worden ingenieus verhaspeld.

Een voorlezing van het gedicht door Ginsberg in een rokerig café wordt afgewisseld door visueel statische maar inhoudelijk dramatische scènes uit een rechtzitting, waarbij de advocaat van de tegenpartij zijn weerzin over Ginsbergs obsceniteiten – hij wil Howl laten verbieden – verhult door voortdurend naar bewijs te vragen van de literaire kwaliteiten van het gedicht.

Daarnaast worden een haast landerig interview met de dichter en seksueel geladen scènes van Allen Ginsberg met zijn vrienden Jack Kerouac (‘On the road’), Neal Cassady en zijn uiteindelijke levenspartner Peter Orlovsky getoond. Kleurige animaties, die de tekst lijken te willen illustreren, fungeren als een soort bindmiddel.

De vorm van de film maakt dat je als kijker moeiteloos teruggaat in de tijd en begrijpt waarom een dergelijk gedicht vijftig jaar geleden zoveel opschudding kon veroorzaken. Nu windt niemand zich meer op over zo’n onderwerp, uitgedragen in dergelijk taalgebruik, zelfs in Amerika niet. Destijds stond conservatief en bijbelvast Amerika op zijn kop. Die geloofwaardigheid wordt mede bepaald door de acteerprestaties.

‘Mooie jongen’ James Franco speelt de veel minder mooie Ginsberg op een zeer overtuigende wijze. Vooral de manier waarop hij Howl voorleest is adembenemend. De ‘onmogelijke’ tekst komt tot leven, ontroert, hamert en ontregelt. De talige rechtbankscènes zijn door de lichaamshoudingen en de gezichtsuitdrukkingen van de acteurs ronduit spannend.

De vrijscènes zijn sensueel en esthetisch. Alleen de animaties zijn soms te letterlijk, andere keren teveel van deze tijd. Kennelijk werken ze wel als overgang tussen de verschillende segmenten van de film, want ze krijgen niet de kans echt storend te worden, daarvoor zijn ze te weinig in beeld.

Howl maakt het onmogelijke mogelijk, het tart Hollywood en de traditionele documentaire en het geeft inhoud aan het begrip geloofwaardigheid. Een film die je gezien moet hebben. Als kunstliefhebber, als filmliefhebber en als poëzieliefhebber.

HOWL
Verenigde Staten, 2010
Rob Epstein en Jeffrey Friedman
81 minuten
In Nederland te zien sinds 26 mei

Richard Estes, REVOLVING DOORS, 1968

De meest geschikte tekstvorm om een ervaring mee te communiceren is eigenlijk het prozagedicht, zo hoorde ik onlangs. Ik dicht niet en dat is in dit geval jammer. Want de specifieke ervaring die ik wil delen ligt wat voor de hand; er gewoon over vertellen is, vrees ik, niet erg overtuigend.

Ik probeer het via de volgende omweg, aan de hand van een herinnering uit de tijd dat ik nog natuurkampen bezocht. Als onderdeel van een groep puberende vogelaars was ik op Schiermonnikoog. Het was een bijzondere dag, want we gingen naar een zogeheten vogelringstation. Bij zo’n station hangt een groot zwart net tussen het struikgewas, dat moeilijk te zien is en waar dan ook allerhande gevogelte tegenaan vliegt om er met pootjes en/of vleugels in te blijven hangen.

Dat klinkt zielig en dat is het ook wel, maar daar staat tegenover dat de gegevens verkregen met het meten en aanbrengen van een ring op de een of andere manier gunstig voor die beestjes zijn. Het stressniveau dat met het vangen gepaard gaat, zou te vergelijken zijn met opgejaagd worden door een roofvogel.

Enfin, gewoonlijk loop je als vogelaar natuurlijk door het landschap en probeer je de verschijning van die schepseltjes te koppelen aan wat je in je vogelboek ziet. Dat valt doorgaans niet mee, want probeer maar eens dat oogstreepje dat de ene van de andere soort onderscheidt te traceren, terwijl het beest zich onwillig verschuilt in struikgewas of bij tegenlicht aan je voorbij flitst.

Op het vogelringstation zag ik dan ook voor het eerst goed dat vogels er ook echt zo uitzien als in mijn boek. En meer: dat ze ademen, soms een beetje verfomfaaid zijn en hoe bijvoorbeeld een groene vlek is opgebouwd uit vele zachte kleine groene veertjes.

Dat wist ik natuurlijk allemaal wel, maar nu zág ik het ook. De vogel, bij uitstek iets moois dat zich moeilijk laat zien (duiven, pluimvee en dergelijke even daargelaten), laat staan aanraken, bleek vooral als een soort concept in mijn hoofd te hebben gezeten. Nu was het een lichamelijke aanwezigheid, met individuele details, een kwetsbaar schepsel.

Met kunst kun je iets vergelijkbaars meemaken, vooral met werken die je kent uit een boek of blog en pas later in het echt ziet. Zo’n werk toont zich dan opeens heel fysiek, bedekt met craquelé of stof, of bijvoorbeeld groter dan je gedacht had. En kwetsbaar, simpelweg omdat iets met een lichaam ook altijd stuk kan.

Zo werd ik onlangs getroffen door het craquelé in een werk uit 1968 van fotorealist Richard Estes (1932). Juist bij fotorealisme, dat zo technisch perfect wil zijn, is een barst in de verflaag een herinnering aan de beperkingen van een lichaam.

Nogal wiedes natuurlijk dat kunst een fysieke verschijning heeft. Maar het gevoel dat gepaard gaat met de plotselinge bewustwording daarvan en met het bijschaven van het plaatje in je hoofd naar het origineel, is naar mijn idee een van de grote geneugten van het kijken naar kunst.

Waarom dat bijschaven precies zo prettig is, is een interessante vraag. Wellicht kan er om dit te onderzoeken eens een enquête gehouden worden onder mensen die foto’s nemen van de Mona Lisa, of de Eiffeltoren, of willekeurig welk ander overbekend beeld. Zijn zij niet ook net zo getroffen door de lichamelijke aanwezigheid daarvan?

Een tweede vraag die je zou kunnen stellen is of er verschil is per medium. Als het beeld in je hoofd doorgaans is afgeleid van foto’s van een werk, bestaat het effect dan ook bij fotografie zelf? Zeker wel, al is het maar omdat het formaat en de uitvoering erg kunnen verschillen en ook foto’s takelen natuurlijk af.

Fotografie en video zijn misschien minder fysiek dan een installatie of een schilderij, maar helemaal lichaamloos zijn ze natuurlijk niet. Zeker ook videokunst kent dat vluchtige effect van een vogel die maar moeilijk stil blijft zitten. Je bekijkt het even in een tijdelijke presentatie en poef, weg is het weer. Het geheel is later maar moeilijk op te roepen, zelfs met behulp van een aantal stills of foto’s. 

Onlangs zag ik de video-installatie Five angels for the millennium van Bill Viola (1951) opnieuw. Hij maakte het in 2001 en twee jaar later moet ik het werk gezien hebben in Tate Modern. Dit naar mijn huidige voorkeuren wat melodramatische werk – de titel alleen al – maakte destijds indruk op me. Nu ik het terugzag werd ik vooral getroffen door het ‘verval’ ervan. Het beeld was wat wazig, grauwig, zoals je het ook op MTV direct ziet als een clip wat ouder is.

Hoewel ik de installatie dus al eerder ‘in het echt’ heb gezien moet het in mijn hoofd veranderd zijn naar een niet-fysiek beeld, een concept dat ik nu weer kon koppelen aan een lichaam. Dat dit lichaam in verval leek zette me aan het denken.

Is het materiaal door de tijd aangetast? Dat kan in zo’n korte periode toch haast niet. Ben ik inmiddels gewoon een hogere resolutie gewend? En hoe zal het dan in 2021 overkomen? Kennelijk kan een werk ook vervallen wanneer enkel het plaatje in je hoofd verandert. 

Richard Estes, REVOLVING DOORS, 1968 (detail)
Bill Viola, FIVE ANGELS FOR THE MILLENNIUM (still), 2001

En dan

Jaap Röell
58°29' N 20°50' O (2008-2009) © Anja de Jong

Alleen al vanwege de ingrijpende verbouwing is een bezoek aan het Dordrechts Museum zeer de moeite waard. Daar is nu nog een reden bij gekomen; de expositie van 16 foto’s van Anja de Jong, op zoek naar de ijsgrens – Ice Edge.

Eind november vorig jaar werd het totaal gerenoveerde museum opgeleverd. Architect Dirk Jan Postel heeft er een in alle opzichten toegankelijk en publieksvriendelijk museum van gemaakt. Het interieurontwerp van Evelyne Merkx draagt daar zeer toe bij (wat een prachtige ladekasten in de zalen!). De door de tijd heen verworven collectie van het Dordrechts Museum komt nu schitterend tot zijn recht. Ik ergerde mij enigszins aan de niet altijd adequate ophanging van de schilderijen en de verlichting is ook niet altijd even goed, maar dat zijn zaken die eenvoudig verbeterd kunnen worden.

Op de eerste etage is ruimte voor tijdelijke exposities. Daar zijn tot en met 14 augustus zestien foto’s te zien van Anja de Jong (1957) en ook een klein zwart/wit fotootje uit 1955. Daarop is te zien hoe haar vader op het ijs staat naast de coaster Depa, het schip waar hij machinist was. Vastgevroren in de Isefjord in het noorden van het Deense eiland Sjaelland (55°50 Noorderbreedte, 11°50’ Oosterlengte) wacht hij op een ijsbreker. Zomaar een kiekje uit het album van een familie uit Scheveningen van wie velen mannen naar zee gingen en niet allen weerkeerden.

Dat kiekje bracht Anja de Jong ertoe om die reis na te varen. Een ode aan de zee en ook aan haar vader. En een zoektocht naar de door de klimaatverandering optrekkende ijsgrens. In de winters van 2008 en van 2009 voer De Jong op twee verschillende schepen, de Balticborg en de Bothniaborg, naar de Oostzee en vervolgens de Botnische Golf in, tot het uiterste noorden daarvan op circa 65° Noorderbreedte. In deze jaren lag daar, in het hoge noorden, de (dunne) ijsgrens. Het waren beiden extreem zachte winters. De foto’s getuigen daarvan. Veel koel water en noordelijk blauw helder licht.

Weinig ijs, tot op 65°00’ N 21°45’ O. Die foto is vanaf de voorplecht genomen. Het schip vaart naar de kust van Zweden in de buurt van de stad Luleå, de thuishaven van de Zweedse ijsbrekers, door dun ijs, richting noordwest. De lange schaduw geeft de lage zonnestand weer in de namiddag van een kraakheldere dag in de maand maart, als de ijsgang het hevigst zou moeten zijn. Op de lage dijk verderop, een groepje windmolens als een verweesde voorpost van een industriële samenleving.

Deze foto vertelt veel, ook al is er weinig op te zien. Het is alsof er een koptelefoon bijhangt waaruit het sonore gebrom van de scheepmotoren klinkt en het licht krakend geluid van het scheurend ijs. Maar het is een verstilde foto van een heldere zuiverheid waarbij het gaat om het landschap van de opengebroken zee, het zeeschap.

Gelijk alle overige vijftien foto’s in deze expositie. Steeds die onverstoorde ruimte, dat verre perspectief, over de horizon heen. Turend met een digitale camera naar het oer van de natuur en uitkijkend naar het ijs dat steeds iets noordelijker blijkt te liggen. In die zin zijn het langzame documentaire foto’s zonder dat De Jong een politiek statement wil afgeven. Het gaat haar om de observatie.

Foto’s ook waaruit de verbazing spreekt over wat je allemaal in de natuur kan zien, als je er de tijd voor neemt. Zoals die van de mistboog die al het licht voor de kust van Estland, 59°15’ N 22°50’ O, in zich opzuigt. De variaties in de kleuren blauw zijn nu te zien aan de randen van de foto, in het midden is het helwitte van het koude niets.      

Anja de Jong is gefascineerd door grensgebieden, daar waar het een in het ander overgaat. Het niemandsland, zoals je dat vroeger had tussen landsgrenzen. Dat waren formele niemandslanden. Anja de Jong zoekt de informele, rommelige en nog onbesliste grenzen tussen natuur en cultuur, veelal in verre onherbergzame streken op de wereldbol. Die plekken, zonder mensen, fotografeert ze uiterst zorgvuldig, de tijd nemend voor de positiebepaling, belichting en kadrering.

Het langjarig fotografisch onderzoek Borderland is daar een voorbeeld van. Sinds 1992 heeft ze daaraan gewerkt en in 2004 afgerond met een tentoonstelling in het Fotomuseum Den Haag en de publicatie The Borderland Project waarin naast 58 zwart/wit en 3 kleurenfoto’s, ook literaire (Bernlef en Jan Brokken) en meer wetenschappelijke bijdragen (Rik Herngreen en Tineke de Ruiter) zijn opgenomen. 

Die landschapsfoto’s  geven de schurende confrontatie weer tussen het gebruik door de mens van de natuur ten behoeve van economisch nut en de autonome weerbarstigheid van diezelfde natuur. Het lijkt alsof zij met haar foto’s uitroept ’mens, wat heb je daar te zoeken?’.

De fotoreeks in het Dordrechts Museum is van een meer esthetische aard, het zijn mooie strenge foto’s die een persoonlijk verhaal vertellen van tijdloosheid, herinnering en  verloren onschuld. Maar ook hier weer die zorgvuldig bepaalde kadrering, bijvoorbeeld het licht op het voordek op exact het midden van de foto en ook nog eens de door het ijs gebaande route precies doorklievend, als een middenstreep op een autoweg die in de verte oplost. 

De ijsgrens trekt op naar het noorden. Te zien in Dordrecht.

P.S. Deze tentoonstelling is mede mogelijk gemaakt door een bijdrage van het Fonds voor Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst. Het is, in deze tijd van bezuinigingen, maar dat u dat weet.

59°15' N 22°50' O (2008-2009) © Anja de Jong
61°15' N 18°20' O (2008-2009) © Anja de Jong
65°00' N 21°45' O (2008-2009) © Anja de Jong

Tovenaarsleerlingen

Ranti Tjan
Ai Weiwei, BAMBOO AND PORCELAIN (2008)

Met mijn huidige echtgenote mag ik graag naar muziek luisteren. Zij is hooggeschoold en werkzaam in de muziek, maar als leek ben ik onmachtig met haar over noten en partituren te praten. We beperken ons gesprek dan ook tot de bijdrage van een musicus en nog leuker, de typologie van musici.

Wie een orkest uit de bus ziet stappen kan zonder moeite de violisten onderscheiden van de blazers of de slagwerkers. De strijkers zijn groepsdieren, houden van samenspelen en ze kunnen goed luisteren. Ze vinden het normaal om volstrekt synchroon te strijken en in de groep kunnen ze wegduiken of in het wiel van een collega gaan zitten als ze een mindere dag hebben.

De blazers die lekker met z’n allen achter in de bus zitten te keten, zijn individualisten en in staat om de druk van een solo te weerstaan. Als een blazer een foute noot speelt dan hoort iedereen dat. Nog belangrijker zijn de slagwerkers. Soms doen ze een half uur niks en dan een enkele slag. Is die verkeerd getimed dan valt het hele stuk in duigen.

De lezer begrijpt dat al deze inleidende woorden bedoeld zijn om de tentoonstelling Lerets magi, te zien in Gl Holtegaard, een kunstinstelling net buiten Kopenhagen, te framen. Een groepstentoonstelling is als een mooi orkestwerk, uitgevoerd door musici die strak in de maat spelen.

De tentoonstelling Lerets magi, samengesteld door ceramist Karen Harsbo en kunstenaar Alexander Tovborg (1983), opent met Bamboo and porcelain van Ai Weiwei (1957). Het is een werk dat ingaat op de titel van de tentoonstelling. Zes Chinese vazen staan op de grond. In iedere vaas staat een bamboestok die een zelfde Chinese vaas tegen het plafond gedrukt houdt. Het effect is magisch, alsof zes satéstokjes en twaalf vazen het hele plafond van instorten behoeden. De gehele opstelling vraagt om voorzichtig te manoeuvreren tussen de zes bamboestokken.

Dezelfde voorzichtigheid gebiedt het grasperk vlak voor de ingang. Clare Twomey (1968) heeft gebroken borden in het grasveld gelegd, honderden, waarvan het glazuur schittert in het zonlicht. Die borden lijken gekocht te zijn op de plaatselijke rommelmarkt, er ligt van alles door elkaar en allemaal in scherven. Als puzzelstukjes grijpen ze in elkaar.

David Cushway laat een video zien waarop, in vertraging, een waterkan in vier minuten naar beneden valt en in tientallen stukken uiteenspat. Een andere video is van Alexandra Engelfriet (1959) die door de modder kruipt. Het is een van de vele fascinerende beelden in deze tentoonstelling. Engelfriet – een Nederlandse kunstenaar – heeft een prachtig stuk Nederlands kleilandschap gevonden, Ameland, waar ze duikt en zwemt in de klei. Daarmee vervormt ze het landschap en zowel haar bewegingen als de veranderende kleimassa intrigeren van minuut tot minuut.

De voorzichtigheid komt terug in het werk van Grayson Perry (1960). Hij schildert machinegeweren met daaronder de tekst ‘there are too many people in the world’. Dat doet hij niet op linnen of een andere platte drager, maar op zelfgedraaide vazen. Daarmee lijkt de boodschap meer omfloerst en ook weer directer. Het is onverwacht dat er zoveel agressie op een pot is afgebeeld.

Jonathan Meese (1970) presenteert negen meter hoge barbarella’s, afschrikwekkend van lelijkheid, opengesperde bekken, gemene oogjes. Het werk van Meese contrasteert met de sculpturen van Klara Kristalova (1967), heel zorgvuldig opgebouwde beelden, ook met een donker randje – met titels als Hole in the head of Black kiss – maar door het kleine formaat prikkelender en uitnodigender.

De titel van de tentoonstelling is meteen het uitgangspunt van de samenstellers. Lerets magi is Deens voor ‘de magie van klei’ en veronderstelt dat een van de meest primaire materialen in de hedendaagse kunst geheimzinnige kwaliteiten heeft. De tentoonstelling laat zien dat er nog wel meer aan de hand is dan een fascinatie voor het materiaal.

Kunstenaars die met klei werken zijn in meer geïnteresseerd dan in formele problematiek of functionaliteit. De vele metaforen van klei en keramiek zijn zowel voor leken als voor specialisten begrijpelijk. Bovendien is het materiaal zowel in Azië als in Europa en Amerika drager van sociaal-culturele geschiedenis.

Weiwei en Perry spelen beiden met vooroordelen. Dat een typologie van musici, waarmee deze tekst begon, niet opgaat voor de deelnemers aan Lerets magi bevestigt dat kunstenaars geen uitvoerend musici zijn. Wie als kunstenaar anno 2011 gebruik maakt van het materiaal klei past niet in het orkest van de heden-daagse kunst, maar soleert en laat zich horen met een geheel eigen geluid.

Ai Weiwei, BAMBOO AND PORCELAIN (2008)

Out of storage is een internationale tentoonstelling waarin kunstwerken uit de collectie van het Franse FRAC Nord Pas-de-Calais zijn opgenomen. Werken van onder meer Andy Warhol, Sol LeWitt, Vito Acconci, Barbara Visser en Liam Gillick zijn te zien in een monumentaal pand van de voormalige Sphinx aardewerkfabriek. De meeste van deze kunstwerken worden voor het eerst in Nederland getoond. Naast de tentoonstelling organiseert Marres Projects de randprogrammering Provisoire & définitif, met educatieve projecten, workshops, debatten, lezingen en performances, waarbij gereflecteerd wordt op het instituut museum.
Out of storage is het eerste project van Marres Projects, een initiatief van Marres voor regionale en internationale samenwerking waarbij cultuurpolitieke thema’s in de vorm van exposities, publicaties en evenementen aan bod komen. (AvH)

De Toren van Babel staat symbool voor het menselijke streven naar het onmogelijke en de hoogmoed die daarmee gepaard gaat. Daarnaast is het ‘een oermetafoor voor architectuur, kunst en constructie, maar ook voor de vermenigvuldiging en confrontatie van diverse talen en stijlen.’ De Marokkaanse kunstenaar Mounir Fatmi, het Braziliaanse sociaal-cultureel collectief Project Morrinho, het Belgisch-Duitse kunstenaarsduo Speedism en de Londense denktank Tomorrow’s Thoughts Today geven in The Great Babylon Circus nieuwe perspectieven op deze mythische toren en zijn relevantie nu. Dat doen ze in een gezamenlijke aanpak waaruit ruimtelijke installaties en beelden worden gecreëerd, als een uitnodiging aan eenieder om verder te bouwen. (NM)

Fundament Foundation organiseert dit jaar alweer de vierde editie van de internationale sculpturententoonstelling Lustwarande. De Oude Warande, een barok sterrenbos, biedt een bijzonder kader voor kunstwerken van onder andere Huma Bhabha, Lara Favaretto, Urs Fischer, David Jablonowski, Mark Manders, Rupert Norfolk, Navid Nuur, Conrad Shawcross en Rebecca Warren. Net als voorgaande edities beoogt ook Raw (Referential Autonomous Work) de actuele ontwikkelingen op het gebied van contemporaine beeldhouwkunst te tonen. Daarbij zijn pluriformiteit en puurheid centrale begrippen. Naast schijnbaar ruwe montage, rauwe materialen en rauwe figuratie, hedendaagse inspiraties van assemblage en arte povera, toont Raw strak geometrische en meer gepolijste werken die vooral voortvloeien uit de verworvenheden van het constructivisme en minimal art. (AvH)

In 2009 was er de expositie Backyard in Kunstvereniging Diepenheim. Daarin werd onder andere door de kunstenaars Lauren Grasso (1972) en Marcel Dzama (1974) de verhouding tussen beeldende kunst, volkskunst en volkscultuur onderzocht. In de huidige zomerexpositie Wat zijn mij wolken nog en wegen hebben vijf kunstenaars speciaal voor Kunstvereniging Diepenheim werk gemaakt waarin ze laten zien hoe zij zich vanuit de beeldende kunst tot dit thema verhouden. Zo gaat Linda Nieuwstad (1974) in op de hobbycultuur van het bloemschikken, baseert Ulrike Rehm (1976) zich op de oude verhaaltradities en probeert Antoinette Nausikaa (1973) stokpoppetjes tot leven te brengen. Op 4 september kan er een gesprek worden bijgewoond tussen de vijf exposanten en gespreksleider Michiel van Nieuwkerk. (AB)

Op vrijdag 8 juli vieren we het Tubelight-jubileum in MKgalerie, Rotterdam. Tijdens deze avond presenteren we het speciale jubileumnummer 75 en de prachtige multiple die Katja Mater exclusief voor Tubelight maakte. De multiple is die avond verkrijgbaar voor 20 euro.

Alle TL-nummers die ooit verschenen zijn na de opening nog twee weken te zien in MKgalerie. Deze tonen een grote verscheidenheid aan ontwerpers en auteurs, en zoals ook de missie van Tubelight vanaf het eerste uur was: een grote verscheidenheid aan kunstinitiatieven.

Tijdens het jubileum zullen we stilstaan bij de inspiratoren van Tubelight, Karmin Kartowikromo (founding father van Tubelight) en Emmo Grofsmid, door samen te genieten van een uitgebreide rijsttafel die tijdens de opening wordt geserveerd.

Iedereen die Tubelight een warm hart toedraagt is op 8 juli vanaf 19.00 uur van harte welkom voor een drankje en een hapje.
We hopen je daar te zien!