Zo o skoop

Martine van Kampen

Bij MonteVideo was een tijdje geleden een kunstwerk te zien met een grote rode knop op een sokkel, zonder verdere instructies. Als je die indrukte, of in mijn geval een medebezoeker aanspoorde dat te doen, kreeg de man die op een scherm geprojecteerd werd met een oorverdovende knal een kogel door zijn lijf. Deze knop deed meer dan alleen een mechaniek in gang zetten, het werk speelde venijnig met de verwachting die je van zo'n schakelaar hebt. Het maakte van de toeschouwer een moordenaar, of in mijn geval een medeplichtige. De tentoonstelling ZO O SKOOP die op dit moment te zien is bij Arti et Amicitiae in Amsterdam laat een grote hoeveelheid kunstwerken zien die met een knop door de bezoeker in werking gezet moeten worden. Het thema van de expositie is 'beweging' en er is bewust gekozen voor kunstenaars die in hun werk teruggrijpen naar de oorsprong van bewegende beelden. Er zijn geen computeranimaties, geen gladde video's en geen special effects. Wel is er aandacht voor de betovering die schuilt in een simpele mechanische beweging. Veel kunstenaars refereren dan ook aan de voordagen van de film: aan de toverlantaarn of aan de draaiende trommel waarmee een sequentie van beelden voor het eerst geanimeerd kon worden.

De meeste werken hebben de uitstraling van een eerste uitvinding, een prototype waarvan belangrijk is dat het mechanisme functioneert en niet hoe het er uit ziet. Ze zijn met gevonden en geknutselde onderdelen in elkaar gezet en maken een onheilspellend ratelend geluid. Het werk van Job Horst wordt bijvoorbeeld letterlijk door plakband bijeen gehouden. Met een druk op de knop gaat een kartonnen trommel draaien, door de ingeknipte spleten wordt een mannetje geprojecteerd dat over de muren van de ruimte wandelt. De charme die uitgaat van dit soort uitvindingen wordt door alle kunstenaars aangevoeld. Maar helaas gaat het in een aantal gevallen niet veel verder, met name in de linker-helft van de tentoonstelling. De installatie van Ida Lohman bijvoorbeeld bestaat uit een prachtige oude toverlantaarn die op de wand een beeld projecteert van een flamingo. Het is een uit ijzerdraad gemaakt beestje dat aangedreven door een motortje in beweging wordt gebracht. In een andere context was dit werk waarschijnlijk meer tot zijn recht gekomen, maar naast al die andere projecterende werken met een schakelaar wordt het een beetje plat. Dit is het grote gevaar van een thematentoonstelling, de kunstwerken worden allemaal in één richting geduwd en verliezen de gelaagdheid die ze van hun maker kregen.

In de rechter helft van de expositie hebben de werken nagenoeg geen hulp van de toeschouwer nodig om tot leven te komen. De magie van beweging is ook hier aanwezig, maar niet als de demonstratie van een historisch moment. Florian Göttke heeft zijn stoïcijnse pop, die ook figureerde in een videowerk voor 'de een minuten video's', neergezet op een bruinleren bank. Vanuit zijn comfortabele positie zaait hij verwarring door op onverwachte momenten zijn hoofd om te draaien. Ook het werk van Harco Haagsma laat zijn werking niet afhangen van de bereidheid van de bezoeker om mee te doen. Drie cameraatjes zijn bevestigd aan de punten van pijlen die weer aan een mobiel hangen. Ze zijn verbonden met drie monitoren en brengen de hele ruimte in beeld, ook als er niemand is.

De tentoonstellingsmakers zijn in hun enthousiasme voor het thema iets te ver gegaan. Door zoveel mechaniekjes bij elkaar te brengen worden de werken gereduceerd tot een truc. Ze nodigen je uit om iets met hen te doen, maar kunnen je vervolgens niet meer uitdagen. Waarschijnlijk had ook de video-installatie met de moordende knop bij MonteVideo binnen zo'n tentoonstelling niet veel indruk kunnen maken. De mooiste werken in de expositie bij Arti zijn die waarin beweging op een terloopse manier aan de orde wordt gesteld of helemaal niet. Zoals bijvoorbeeld het werk van Jenny Schinkler in de hal: 'Confusing for a cat'. Een witte kluwen van aan elkaar genaaide hondenlijven hangt als een zachtjes ademhalende ballon aan het plafond. Of de mysterieuze doos van Dylan Graham waarin een mannenstem verscholen zit. Werken die meerdere verhalen vertellen en de uitkomst open laten.

ZO O SKOOP

Arti et Amicitiae, Rokin 112 Amsterdam

Spelen tussen feit en fictie

Nathalie Zonnenberg

‘Interludes' van Pierre Huyghe is, samen met ‘Recente schilderijen, vroege tempera's' van Ben Akkerman, de laatste tentoonstelling die het Van Abbemuseum in haar tijdelijke onderkomen aan de Vonderweg realiseert. Het vormt het slotstuk van een reeks tentoonstellingen die de grenzen van het kunstinstituut hebben bevraagd en opnieuw invulling hebben gegeven. De oude Philipskantine bood een passende gelegenheid voor grootse projecten zoals Bill Viola's ‘Stations' (1997) of de overzichtstentoonstelling van Aernout Mik (2000), die sterk ervaringsgericht waren. Ook ditmaal is het Van Abbemuseum geslaagd in het neerzetten van een indrukwekkende ervaring. Huyghe kreeg carte blanche wat betreft de inrichting, die hij vervolgens vertaalde in een spel tussen fictie en feit.

De tentoonstelling, als het werk van Huyghe, concentreert zich rondom het begrip suspended time, uitgestelde tijd, gebaseerd op het principe dat filmische tijd een stuk van de reële tijd wegvaagt. Fictieve tijd wordt als het ware over de reële tijd heen gelegd. Op het moment dat de bezoeker de filmbeelden bekijkt, vindt er een re-activering van de gecondenseerde tijd plaats, aldus de kunstenaar. De bewegende beelden in de tentoonstelling vervolgens, doen hun best om de bezoeker te verleiden de dimensie van hun tijd in te stappen. In drie van de werken gebeurt dat vrij letterlijk, doordat er een personage direct tot hem spreekt. In ‘Snowwhite Lucie' volgen we het verhaal van Lucie Dolène. Ze verloor de rechten over haar eigen stem aan de Walt Disney studio's voor de vocale vertolking van de Franse ‘Sneeuwwitje'. De vriendelijke vrouw met de gouden stem vertelt hoe zij na een langdurig proces de rechten weer terug won. Als om het behoud van haar stem te illustreren, volgen we haar verhaal middels een ondertiteling. Haar stem wordt haar niet opnieuw ontnomen en horen we slechts het liedje neuriën, waarmee de film beroemd werd, ‘‘Some day my prince will come''.

Een andere stem breekt dan plotseling de betovering van deze sprookjeswereld: "Let's take a break, have a cigarette in the lobby…". Ze klinkt vanuit het midden van de tentoonstelling. Om het half uur laat Huyghe hier even het licht aan gaan, als om de bezoekers niet teveel in de verschillende tijdsdimensies te laten verdwalen. Er wordt een moment van bezinning gecreëerd, een moment terug naar de reële tijd. Er kan zelfs een spelletje Pong worden gespeeld, een afgeleide van het allereerste computerspelletje. Op een groot lichtplafond kan een "balletje" van links naar rechts worden bewogen.

Na deze onderbreking wordt ‘Snowwhite Lucie' omgewisseld met het werk Two Minutes Out of Time waarin een virtueel figuurtje een persoonlijk verhaal vertelt. De rollen zijn nu omgekeerd. De stem neemt hier bezit van een filmkarakter, in plaats van dat het karakter de stem opeist. Mangaster Ann Lee, door Huyghe gekocht bij een bedrijf dat stripfiguren verkoopt, is een leeg karakter dat plaats biedt aan de emoties van verschillende mensen. Ze wordt door de kunstenaar ‘uitgeleend' om hun persoonlijk verhaal te laten vertellen, reële emoties te bekrachtigen.

Het derde werk waarin een persoon zijn persoonlijke verhaal vertelt, is tevens het meest gecompliceerd. Het bestaat uit verschillende lagen. ‘The Third Memory' (1999) is gebaseerd op het verhaal van John Wojtovitcz, een man op leeftijd die in 1972 een bank overviel om de sekseoperatie van zijn transseksuele partner te kunnen bekostigen. De overval liep uit de hand, er werden mensen gegijzeld en de overvallers kwamen vast te zitten in het bankgebouw. Er werd in die tijd uitgebreid verslag gedaan van de overval in de Amerikaanse tijdschriften en journaals en er werd zelfs een film gemaakt, ‘Dog Day Afternoon', met Al Pacino in de hoofdrol. Het ‘toeval' wil dat Wojtovitcz zijn bankoverval baseerde op een overval uit een andere film, waarin Pacino ook de hoofdrol speelde. Het werk genereert een merkwaardige kloof tussen fictie en realiteit. In twee grote videoprojecties worden fragmenten uit de film, artikelen over de overval en interviews uit talkshows met de inmiddels getransformeerde partner van Wojtovitcz, en een reconstructie van het gebeuren naast elkaar getoond. Huyghe gaf Wojtovitcz de kans om zijn verhaal in zijn eigen woorden te vertellen, maar de vraag rijst of het verhaal dat Wojtovitcz zich herinnerd de meeste realiteitswaarde heeft. Er blijken vele geheugens te zijn die een verhaal maken. Er worden er hier drie getoond: de feitelijke, de geromantiseerde en de persoonlijke. ‘The Third Memory' legt ze alledrie op elkaar, en creëert daarmee een nieuwe realiteit.

INTERLUDES, Pierre Huyghe, t/m 6 mei,

Van Abbemuseum, Vonderweg 1, Eindhoven, di t/m zo 11-17 uur

Zonnigheid en maneschijn

Lotte Haagsma

Zachtjes wiegend drijven zachtgekleurde plastic zakken langzaam heen en weer en in 't rond. ‘It's a sunny day' bestaat uit een bassin van zwembadblauw plastic. Het water in het bad borrelt telkens op, om en om vanuit de vier hoeken. De plastic zakken in verschillende pastelkleuren, gevuld met nog meer plastic en dichtgeknoopt als vuilniszakken, worden steeds verder gedreven. Het is of ze zich niet teveel in het midden willen wagen, ze zoeken elkaar op aan de randen van het bad om door het opborrelende water weer verder te worden gestuurd. Het werk is licht en vrolijk. Marijke van Warmerdam maakte ‘It's a sunny day' voor een tentoonstelling in Montpellier, Zuid-Frankrijk, reagerend op het licht, de lucht en de zon van de Méditerranée. Op de tentoonstelling van Marijke van Warmerdam bij Galerie van Gelder staat de installatie in koel Hollands licht, minder zonnig maar niet minder vrolijk.

Op de foto waaraan de titel van de tentoonstelling is ontleent, ‘Forever', staat een bruid onder een boom, haar hoofd verscholen in het gebladerte met op de achtergrond een zachtgroene weide waar de zon op schijnt. Naast de bruid ligt een berg met pakjes tissues, wit met blauw, met daarop in grote letters: ‘YES'. De vorm van de wijde witte bruidsjurk herhaalt zich in de berg zakdoekjes. Door de bladeren van de boom valt uiteenspattend zonlicht op de jurk van de bruid en het gras om haar heen. De bruidegom is in geen velden of wegen te bekennen.

‘Flip a mountain', ‘Walk-through landscape' en ‘Fake lake' zijn fotowerken met bergen als onderwerp. ‘Flip a mountain' bestaat uit twee foto's – boven elkaar geplaatst – van dezelfde berg, de ene met veel en de ander met weinig sneeuw. De bovenste berg staat tegen een rozige avondhemel, terwijl op de onderste foto de maan achter de berg opkomt. Wanneer je naar het werk ‘Walk-through landscape' loopt, zie je eerst een besneeuwd berglandschap. De bergen die zich aan je vertonen als je verder langs het harmonicapaneel loopt zijn kaal: zandkleurige rotsen tegen een blauwe lucht met schapenwolken. Ook ‘Fake lake': bestaat uit twee beelden van dezelfde berg. Deze bergen zijn gespiegeld waardoor de blauwe luchten in het midden bij elkaar komen en een ‘meer' vormen, of een doorkijk geven, het is maar wat je er in ziet. De werken op de tentoonstelling stralen allen een soort lichtheid en eendimensionaliteit uit, het lijken beelden uit de reclame, een soort ‘lichte' romantiek van maneschijn, een kleurende hemel en een witte bruid in een fris groene weide. Van Warmerdam zet geen cliché's neer als cynisch commentaar, ze zet haar beelden ‘plat' neer en speelt spelletjes met herhaling, herkenning en associatie.

Marijke van Warmerdam is vooral bekend geworden door haar films. ‘It crossed my mind' is een recente film die in de achterste ruimte van Galerie van Gelder wordt afgespeeld. De camera schuift van het gezicht van een vrouw naar een glanzende metallickleurige terreinauto. Het beeld van de vrouw is eerst onscherp, dan heft ze haar wijsvinger op en brengt hem recht naar haar neus waarbij haar ogen de vinger volgen en langzaam scheel beginnen te kijken, ondertussen worden vinger en gezicht scherpgesteld. Wanneer de camera zich op de auto richt wordt ook deze van onscherp scherp en klikt de motorkap open om daarna weer dicht te vallen. Vrouw en auto zijn beide tegen een warm oranje achtergrond opgesteld. Er is geen geluid bij de film al zou je wel een muziekje als bij een reclamespot verwachten.

In eerdere films van Marijke van Warmerdam stond de camera altijd frontaal op een vast punt ingesteld. Alleen de mensen in de films bewogen, steeds dezelfde handeling herhalend. Er was geen ontwikkeling of verhaal af te lezen aan de films. Bij deze nieuwe film van Van Warmerdam maakt de camera een beweging, hij glijdt van het ene beeld naar het andere. Nog steeds statisch maar toch suggereert het een verhaallijn, een relatie tussen beide beelden, er wordt alleen geen stof geboden om tot een verhaal te komen.

Het speelelement in de vroegere films was van een opperste concentratie en daardoor ernst, hier heeft het iets luchtigs, grappigs. De vrouw die haar vinger naar haar neus brengt en door ernaar te blijven kijken scheel begint te kijken. De berg met pakjes zakdoeken van het merk ‘Yes' naast een bruid. Gekleurde plastic zakken die eindeloos ronddobberen. Het zijn luchtige ongecompliceerde spelletjes. Dat is misschien ook wel meteen het probleem, je mist een bepaalde moeite die de kijker aan het beeld bindt. De fascinatie voor de schier eindeloze herhaling en voortgang maakte het moeilijk om je los te rukken van films als ‘Voetbal' en ‘Sprong'. Lukt het de jongen op de video ‘Voetbal' de bal op zijn voorhoofd in evenwicht te houden? Krijgt de man in de film ‘Sprong' het voor elkaar de achterwaardse salto telkens weer opnieuw te springen? De eigenlijk zeer eenvoudige installatie met drijvende plastic zakken weet het meest te boeien, steeds kun je er terugkeren om te zien waar de kleurige objecten zich nu weer heen hebben laten sturen. Niet betekenisvol, gewoon een sterk beeld dat fascinerend is om naar te kijken en vrolijk stemt. Een nutteloze herhaling, een eeuwig voortgaan, een transachtige ervaring die ook vroegere films als ‘Handstand' en ‘Sprong' opriepen.

FOREVER, Marijke van Warmerdam, t/m 14 april

Galerie van Gelder, Planciusstraat 9a, Amsterdam, di t/m za en 1e zo v/d mnd

Schedels in beweging

Machteld Leij

Beweging is overal te bespeuren in Galerie Ramakers. Overal klinkt het getik van apparaten, het geluid van schedels die op elkaar botsen. De tentoonstelling van Zwanikken is alweer zijn derde bij Galerie Ramakers.

Christaan Zwanikken (Bussum, 1967) maakt kinetische kunst. De kunstenaar neemt dierenschedels en combineert ze met apparaten die specifieke eigenschappen van het dier waar de schedel eens onderdeel van was, nadoen. Zo staan twee robotparkietjes aan weerszijden van een olielamp mechanisch, op voor parkieten zo karakteristieke wijze, te kwetteren met korte geluidjes. Zwanikken herleidt deze klank tot kunstmatige klikjes, voortgebracht door een apparaatje onderin de beestjes. Boven in de ruimte hangen twee ooievaarsschedels luid met elkaar te converseren door met hun snavels te klepperen. Ze bewegen hun schedels van links naar rechts en lijken op elkaar te reageren. De herkenbaarheid in de bewegingen geeft zijn kunst iets olijks en toegankelijks. Die olijkheid heeft ook een poëtischer kant, dat uit de werken 'Writersblock' en 'Piepshow' blijkt.

In 'Writersblock' heeft een kraaienschedel op hoge ijzerdraadpoten een plekje gevonden op de rol van een oude typemachine. Heen en weer gaat deze kraai met af en toe een zacht tsjing als de rol op zijn eind loopt en weer van voren af aan begint. Voortbewogen door de tikkende bewegingen van zijn kompaan, ook een kraai, die de toetsen zodanig met zijn snavel bewerkt dat alle letters tegelijk naar voren willen om hun afdruk op het papier achter te laten. Allemaal vastgelopen in elkaar, een effect dat je krijgt wanneer je met twee handen enthousiast op de toetsen van de typemachine ramt.

'Piepshow' is een vermakelijk werk, waarbij na het inwerpen van een gulden een rood kastje zich opent en een valkenschedeltje zichtbaar wordt dat op en neer hopt in een grote pot met witte verf. Door al dit gehop zijn beide zijkanten van het kastje besmeurd met verf uit de pot. 'Piepshow' en 'Writersblock' zijn speelse werken, waarin de mechanische bewegingen van de apparaten een belangrijke rol spelen. Zwanikken combineert in zijn machines kunst met kunde. De kunde laat zich zien in de ingenieuze microcomputers die de schedels in beweging zetten. Ademloos kun je een klepperende ooievaarsschedel zien bewegen alsof er nog vlees en spieren aan de lange hals zitten. Achterover buigt de kop, waarna de snavel kleppert, als in een paringsritueel. Alleen is de schedel ontvleesd en is het goed geoliede mechaniek dat de hals doet buigen, duidelijk te zien. Binnen de grenzen van het mogelijke roept de kunst van Zwanikken een illusie op van leven en van bewe- Machteld Leij 11 ging, bewerkstelligd door levenloze objecten. De werken zijn een afspiegeling van de realiteit. Denk aan de nar die de koning parodieert, maar in de parodie het functioneren van de koning onverbloemd aan het licht brengt. De koning op zijn beurt wordt niet boos, maar moet lachen om de nar. Zwanikken creëert ook een parodie op de werkelijkheid, die bij menigeen een vertederde glimlach oproept. Zijn kunst is een kunst die vermaakt door het gebruik van fantastische techniek. Dat maakt deze kunst tot een kunde, iets wat met gevoel voor detail en kwaliteit is uitgewerkt tot een feilloos functionerend product. De soms aanwezige poëzie in het werk kan ontroerend werken, maar meer gaat er niet van uit. Een van de werken die op het eerste gezicht verder lijkt te gaan dan het vertoon van de mogelijkheden van de techniek, is het object 'Cerberus', bestaande uit drie brandweerwagenrode emmers die naast elkaar hangen. Om beurten, op een telkens wisselend ritme, duiken drie schedels uit de drie emmers op, druipend van de olie. Een moment blijven ze boven, dan duiken ze net zo rustig weer onder als ze zijn opgekomen. Hier is sprake van een combinatie van titel en materiaal die elkaar versterken. De hellehond Cerberus duikt op als de bewaker van de onderwereld en verwijst naar de eindigheid van het aardse bestaan. De schedel functioneert hier binnen de aloude traditie van het memento mori. Dit heeft echter een te eenduidige lading, waardoor het werk aan de oppervlakte blijft.

Christiaan Zwanikken maakt mooie objecten, die een groot publiek aanspreken en goed toegankelijk zijn. Zwanikken laat zijn schedels na de dood doen wat ze ook tijdens leven deden: geitenschedels botsen tegen elkaar als in een gevecht, een hondenschedel wordt op wieltjes uitgelaten. De robotjes zijn leuk, de technische kennis en de handigheid van de kunstenaar zijn bewonderenswaardig. Maar eenmaal weer buiten houdt de magie geen stand.

Het gevoel is of je na een vermakelijk vertoeven in de galerie toch weer verder op zoek moet gaan naar substantiëler zaken. Want hoewel de toepassing van schedels in kunst filosofische gedachten zou kunnen oproepen, gebruikt de kunstenaar ze slechts om zijn publiek te behagen.

CHRISTIAAN ZWANIKKEN, t/m 18/03

Galerie Ramakers, Toussaintkade 51, Den Haag, wo-za 11-17 uur, zo 13-17 uur

Slowmotion

Martijn Verhoeven

Een jaar of wat geleden zag ik in Parijs een tentoonstelling met medische foto's uit de negentiende eeuw. Lege oogkassen, bizarre kankergezwellen, meisjes met drie benen: je kon het zo gek niet bedenken of het was ooit gefotografeerd. De samenstellers hadden zonder twijfel de beste bedoelingen gehad met de expositie, maar toch leek het of de bezoekers (en zij kwamen met velen) de gedrochten gretig durfden te bekijken omdat hun blik nu wetenschappelijk was goedgekeurd.

De tentoonstelling flitste even door mijn hoofd bij het bekijken van de foto's van Paul Kooiker in de galerie van het Leids Universitair Medisch Centrum. Niet dat de foto's huidziektes of klompvoeten laten zien. Integendeel, Kooiker zoomt in op de kleine, voor iedereen herkenbare oneffenheden van ons lichaam: een rood vlekje in de nek, een patroon van schrammen op een onderbeen, de sproeten op een kalende schedel. Nee, ik moest eraan terugdenken vanwege dezelfde afstandelijke blik. Kooikers foto's hebben een bijna wetenschappelijk karakter in de wijze waarop ze ons de dingen willen laten zien. Het is alsof hij ons wil zegen: kijk, dit zijn de schrammen, en hier zien we een oude versleten hiel. Op enkele foto's zie je zelfs een paar andere handen de demonstratie helpen voltooien: als er een broekspijp moet worden opgetrokken of wanneer een palm van een zwarte hand moet worden getoond.

Kooikers werk maakt deel uit van een groepstentoonstelling met de titel ‘Slow Motion'. En hoewel de titel nergens wordt uitgelegd (nog nooit een galerie bezocht die zo weinig informatie verstrekt) wordt al snel duidelijk dat de foto's die hier hangen het niet moeten hebben van spectaculaire onderwerpen, maar pas bij ‘langzaam kijken' hun geheimen prijsgeven. Indrukwekkend zijn de vlijmscherpe portretfoto's die Céline van Balen met een technische camera maakte van jonge moslimmeisjes. Omdat niets de aandacht afleidt ligt de nadruk op het gesluierde gezicht. En hoewel we iedere vierkante centimeter van het gezicht van dichtbij kunnen bestuderen, verraden de meisjes niets van hun gemoedstoestand. Geen lach, geen frons trekt de aandacht.

Marjoleine Boonstra fotografeerde toeristen die in een zandbak vlakbij de Eiffeltoren liggen. De vrouwen liggen languit in het zand en kijken allen dezelfde kant uit. Het bijzondere licht, een diep oranje of een kil groen, geeft de taferelen een vervreemdend, broeierig, kunstmatig karakter. Maar niet al het werk bij LUMC kan overtuigen. De foto's van Pepijn Provily bijvoorbeeld ademen een te gemakkelijk soort vervreemding. Tegen een effen achtergrond staat een tafel. Op de tafel leunt een mannelijk lichaam, slechts gekleed in een hemd, in een ongemakkelijke houding zodat het hoofd onder de tafel verdwijnt. Daardoor lijkt het bovenlichaam met arm net een gerecht op de tafel geworden dat ieder moment kan worden geserveerd. Maar de vervreemding ligt er hier te dik bovenop en de aandacht voor het gewone, bij sommige andere foto's op een bijzondere manier in beeld gebracht, krijgt hier iets potsierlijks. Benieuwd wat de patiënten van het LUMC ervan vinden…

SLOW MOTION, Céline van Balen, Marjoleine Boonstra, Pepijn Provily, Paul Kooiker, t/m 13 mei

LUMC Galerie, Albinusdreef 2, Leiden, ma t/m zo 9-22 uur

‘State of the estate’

Christel Vesters

Bij de commerciële omroep weten ze al een tijdje wat de entertainmentswaarde van deze nieuwe trend is: "Back to Basic" luidde de slogan van Big Brother, en afgelopen herfst zond Net5 de serie 'Expeditie Robinson' uit, een meeslepend spelprogramma waarin 14 mensen op een onbewoond eiland gedropped werden en verstoken van wereldse gemakken moesten 'overleven'. Het lijkt erop dat wij – de overgeciviliseerde, controlerende mens, omringt door MKZ en BSE – de drang hebben om onder de meest primitieve onszelf te herontdekken.

Bij Ellen de Bruijne Projects in Amsterdam toont Maria Pask haar visie op de primitieve mens. De ruimte is gevuld met een constellatie van verschillende objecten. Om een beeld te geven: een van riet gevlochten afscherming, een – ongebruiktemoker, een zwarte cementbak gevuld met grote trossen druiven, een spelonk-achtige tot aan het plafond rijkende sculptuur, diverse monitoren met videobeelden, een façade van een huis opgetrokken uit multiplex, een ronddraaiend plateau waaruit een niet afgewerkte afgietsel van twee benen steekt, een op zijn kopse kant geplaatst bankstel een ladder … en meer.

De ondertitel die aan de solopresentatie meegegeven is, luidt "A new fresh free fall from over the top, or, A challenging task for my family to live this show…", getekend EdB (Ellen de Bruijne). Nu is het fenomeen 'galerie aan huis' niet nieuw, maar gezien de kunstenaars waarmee De Bruijne werkt, was het onvermijdelijk dat dit een keer moest leiden tot een interactie tussen werk en privé. Verschillende objecten uit de installatie, de ladder, de bank, de rol tapijt, heeft Pask namelijk verschillende attributen uit het huishouden van De Bruijne geconfisceerd.

Op het eerste oog is het een onsamenhangend geheel, maar wie rondloopt en de objecten één voor één bekijkt, begint zich langzaam een beeld te vormen. In één ruimte staan drie monitoren opgesteld met op ieder een video van een naakt model. Op afzonderlijke delen van het lichaam (rug, scheenbeen, onderarm) is overdadige beharing aangebracht. De referentie is duidelijk. Het gaat hier om onze primitieve voorganger: de oermens afgebeeld in stereotype poses, op handen en voeten of met gebalde vuisten. De personages lijken zo uit hun oorspronkelijke omgeving in de studio van de fotograaf gezet, naakt tegen een witte wand. Ongeveer een meter van de monitoren af liggen wat attributen van deze Neanderthaler: een uit stokjes gemaakte ster en een klein kommetje Op een monitor in de andere ruimte wordt een korte loop getoond waarop een eveneens overbehaard lichaamsdeel – onduidelijk welk – een schokkerige beweging maakt. Op een andere monitor rent een naakte vrouw gewapend met een grote bijl verwilderd rond. De cameravoering doet denken aan de cultfilm ‘The Blair-Witch Project'. Aan één van de wanden hangt een grote print waarop deze Nite-mare hippy girl in een beboste omgeving schichtig voor een auto staan, alsof ze zich betrapt voelt door de indringer met de camera.

Tijdens de opening werd een performance opgevoerd. Twee acteurs namen plaats in de bak met druiven en begonnen aan dans die nog het meest weg had van een paringsritueel. Gekleed in een wit t-shirt met daarop respectievelijk "Mum" en "Dad", draaide het koppel verliefd om elkaar heen, ondertussen etend van de trossen druiven en liederlijke oerklanken uitstotend. De onvermijdelijke derrie van kapot gestampte druiven ligt nu nog te rotten in de galerie.

De infantiele blijheid van de twee acteurs deed denken aan een workshop dramatische expressie voor mensen met het Down-syndroom, maar de overgave en hun gebrek aan enige mate van gene, maakte me jaloers. Wie kent er nu niet de neiging om in een overvolle supermarkt heel hard mee te zingen en swingen met de muziek op je walkman? De symboliek is eenvoudig te duidem: de tros druiven is bij uitstek het attribuut van Dionysus (Bacchus) die op zijn beurt volgens Nietzsche weer het ontstuimige, niet-reflexieve en het natuurlijke in de mens vertegenwoordigd. Het lijkt er dus op dat Pask met de performance een lans wil breken voor de bevrijding van de oermens in ons.

Maria Pask, geboren en getogen in Cardiff (GB), kwam in 1995 naar Amsterdam om aan de Ateliers een tweede fase opleiding te volgen. Sindsdien heeft zij op verschillende plekken in binnen- en buitenland tentoongesteld. In de meeste recensies die tot nu toe over haar werk verschenen, wordt naar voren gebracht hoe zeer haar werk voortkomt uit en gebaseerd is op persoonlijke ervaringen. Misschien niet altijd letterlijk, en soms worden autobiografische elementen doorgevoerd naar een fictiever niveau, maar de personal narrative blijft een terugkerend thema.

Het probleem met dit soort voorkennis blijft dat je je eigen interpretatie direct vergeet en als een detective op zoek gaat naar de autobiografische dimensie. Heeft Pask enkel op humoristische wijze een beeld willen neerzetten van de primitieve oermens met attributen uit zijn oorspronkelijke leefomgeving zoals een antropologische presentatie uit een Volkenkundig museum, of is er nog een verborgen persoonlijke noot. Van Pask zijn we gewend werk te zien met een zeer directe en extroverte referentie naar haar persoonlijke histoire. Maar de installatie State of the Estate bij Ellen de Bruijne Projects is cryptischer met betrekking tot de persoonlijke context van het werk. Als antwoord op mijn vraag naar de achtergrond van het werk, kreeg ik de toelichting dat de installatie een referentie is naar Pask's roots; Wales met zijn volkscultuur van sagen en legendes. (Voor wie geïnteresseerd is: ook de bank is te koop.)

THE STATE OF THE ESTATE, Maria Pask, t/m 21 april

Ellen de Bruijne Projects, Rozengracht 207a, Amsterdam, di t/m za 13-18 uur, 1e zo v/d mnd 14-17 uur

Zalen vol belofte

Fred Balvert

Met RAM heeft Rotterdam terug wat de stad vier jaar node heeft moeten missen: de even eigenzinnige als professionele galerie die wars is van stromingen en eigen gewoonten. Galerist Berry Koedam gelooft niet in vaste lijnen in haar programma. "Het moet over kunst gaan en verrassend blijven. Persoonlijk zie ik geen verschil tussen figuratief en abstract werk, wat tot ongebruikelijke combinaties kan leiden."

Op een steenworp afstand van de eerste editie van RAM heeft Koedam in een vergelijkbaar voormalig bedrijfspand een tentoonstellingsruimte gerealiseerd die is verdeeld in vier verschillende zalen met een eigen karakter en functie: een grote zaal voor kunst, design en multimedia, een tweede grote zaal voor thematische en solotentoonstellingen en twee kleinere, intieme kamers die dienst doen als tekeningenkabinet en projectruimte. In de steigers staat nog een projectieruimte voor video en diaproducties.

‘Different People II' is, na een uitwisseling met Porto, de tweede tentoonstelling in RAM en strekt zich uit door de hele galerie waarbij de specifieke kwaliteiten van de zalen zijn benut voor werk van kunstenaars waarin zeer verschillende visies van het mensbeeld naar voren komen. In beide grote zalen trekt een sculptuur van bescheiden formaat, uitgevoerd in onopvallende kleuren direct de aandacht. Het zijn de gevoelige beelden van Mirjam Hoekman, een in leeggeblazen eieren en was uitgevoerd kopje en een rank staand figuurtje in een wolk vlinders, die zijn geknipt uit sierlijk met de hand beschreven lijntjespapier.

De kwetsbaarheid die Hoekman uitdrukt met haar materiaal komt op een subtiele manier terug in tekeningen van Arno Kramer en litho's van Co Westerik. De situaties waarin Kramer zijn personages plaatst, tekent hij in lichte, soms krabbelige lijnen ingekleurd met vlekken transparante verf. In nauwelijks leesbare letters willen ze ons nog snel iets toevertrouwen, voor hun anatomie oplost in de achtergrond. De draadfiguren van Westerik lijken een stuk taaier, al zijn ze door menselijke gevoelens en relaties in bizarre situaties geraakt.

Net zo aanwezig als de restruimten in de litho's van Westerik, zijn die van Amie Dicke. 'How sweet is the space between my legs', nr. 1 en 2, zijn grote hompen marsepein waarin de binnenruimte van de benen van de kunstenaar, van voeten tot kruis, is afgedrukt. Door het roze suikergoed dat van de sculpturen afdruipt klinkt de vraag van de kunstenaar als een zoete belofte. Dezelfde zoete kleuren heeft het meisje in de kinderkamer op een linosnede van Vanessa Jane Phaff. Dit werk mag ook worden gezien als een belofte, omdat Phaff zou exposeren maar door tijdgebrek moest afhaken. Wel werkt ze op het moment voor RAM aan een uitwisseling met Galerie Module in Porto en Lissabon.

De nieuwe versie van RAM biedt ruimte aan dwarsverbanden en complexiteit zonder dat de rustgevende eenvoud van het interieur verstoord raakt. Na de gewaarwording van veelheid die zich in ‘Different People' ontvouwt biedt het ruimtelijke schema houvast om eigen lijnen en associaties te ontdekken.

DIFFERENT PEOPLE II, met werk van o.a. Vanessa Jane Phaff, Co Westerik, Mirjam Hoekman, Ben, Patrick Raynaud, John van 't Slot, Amie Dicke, Arno Kramer, Krystyna Ziach, tot 16/4

RAM, Blekerstraat 10, Rotterdam, do t/m zo 13-18 uur

Het is oorverdovend stil in Rotterdam.
Rotterdam is vele steden, maar al die steden lijken te slapen.
Rotterdam is Culturele Hoofdstad van Europa, maar zelfs op korte afstand, Amsterdam, merk ik daar niks van.
Hoeveel toeristen zijn op weg naar Rotterdam om, in de woorden van de bassende hopman Opstelten, 'de ongemene culturele vitaliteit (…) mee te beleven'.
Ik beschik niet over cijfers, maar ik heb nergens iets gelezen over overvolle hotels, dagenlang dubbel geparkeerde auto's, rijen voor de kassa's of onwel geworden toeschouwers.
Het is oorverdovend stil in Rotterdam.
Wat haalde de laatste maanden de landelijke pers?
De conflicten tussen intendant Van Meggelen en intrigant Nouwen.
Ongetwijfeld een spektakel, maar van een hoog spruitjesgehalte.
Het Filmfestival.
Dat haalt ieder jaar terecht alle kranten omdat het kwalitatief op een zeer hoog niveau staat.
De Rotterdamse Kunstbeurs.
Die verdient aandacht, omdat ze voor de tweede keer de arrogante Amsterdamse KunstRai laat zien dat ze niet het alleenrecht heeft op kwaliteit.
En dan te weten dat deze gebeurtenissen los staan van het Culturele-Hoofdstad-programma, al zullen ze alledrie ongetwijfeld hebben meegegeten, of zelfs gevreten, uit de Culturele-Hoofdstad-ruif.
En verder?
Het is oorverdovend stil in Rotterdam.
Hoe komt het toch dat grote evenementen in Rotterdam altijd mislukken?
Er zijn maar weinig steden die zoveel geld en energie in kunst en cultuur stoppen als Rotterdam.
Er zijn maar weinig steden die dat zo goed weten te verbergen.
Rotterdam is een no-nonsense-stad.
Er wordt hard gewerkt en er wordt fanatiek niet gewerkt. In Amsterdam wordt gewerkt en ontspannen niet gewerkt.
Bij de eerste lentezon stapt een Rotterdammer in de schaduw om door te kunnen blijven werken of om zijn zwarte klus af te maken, een Amsterdammer gaat onmiddellijk in de zon zitten en laat zich achterovergeleund van een koud pilsje voorzien.
Rotterdam is een stad van zwart-wit, Amsterdam van de nuance.
Daarom scoort in Amsterdam Het Rijksmuseum beter dan Ajax.
Daarom scoort in Rotterdam Feyenoord beter dan Boijmans.
Kunst is de vleesgeworden nuance, voetballen de vleesgeworden nuchterheid.
Toch wringt het.
Het is toch rampzalig dat het Amsterdamse Stedelijk met een brokken-piloot-beleid meer bezoekers trekt dan alle integere culturele activiteiten van Rotterdam samen.
Waarom staan er rijen voor een degelijke maar saaie Maurits-tentoonstelling in het Rijks en is het oorverdovend stil als Rotterdamse galeries prikkelende Portugese kunst laten zien?
Waarom komen honderdduizenden buitenlanders op Amsterdam af zonder dat de stad zich uitslooft en haalt Rotterdam slechts een fractie van dat aantal door zijn stinkende best te doen.
Maar Rotterdam is niet alleen snotterig sneu, het kan ook stuitend stom zijn.
Er is geen enkele Culturele Hoofdstad die haar belangrijkste museum wegens renovatie afsluit voor het publiek.
Er is geen enkele Culturele Hoofdstad die een concept bedenkt dat zelfs door de bedenker niet over het voetlicht kan worden gebracht.
Er is geen enkele stad die onmisbare gangmakers als Van Krimpen zo makkelijk laat gaan en die node gemiste gedrevenen als Jan Hoet zo makkelijk de deur wijst.
Er is geen enkele Europese stad die zo weinig trots is op zijn eigen status van Culturele Hoofdstad als Rotterdam.
Het is oorverdovend stil in Rotterdam.
Triest, maar wie geen lawaai maakt wordt niet gehoord.

In ieders leven bestaan oude en nieuwe helden. Dus ook in de kunst. Plotseling dient er zich iets aan, waardoor je geraakt wordt en waarvoor je valt. Soms blijft de liefde, maar in de meeste gevallen verdwijnt de liefde, even spontaan als ie gekomen is. Zo heb ik ooit een deuk in een heg geschopt, omdat ik een Charlie Parker multiple van Emo Verkerk was misgelopen. Daarna hoorde of zag ik weinig meer van hem en nu dank ik onze lieve Heer, dat ik destijds – het zal 1984 of 1985 geweest zijn – gewoon te laat was voor die Parkerfetisj. Het weerzien van zijn werk in Leeuwarden was een behoorlijke deceptie.

Emo Verkerk (1955) is terug met ‘Alles in de wind', een voortreffelijke overzichtstentoonstelling in het Fries Museum, maar Emo Verkerk is – hoe druk je dat ook al weer uit? – niet terug in mijn hart. Het is ronduit pijnlijk om te zien dat deze lieveling en belofte van de jaren 80 nog steeds, na al die jaren, geen diepere, persoonlijke en samenbindende visie in z'n werk ontwikkeld heeft. Zijn fraai in elkaar geknutselde ‘portretten' van personen, die hem om één of andere reden interesseren, blijven wat ze zijn: beeldschone kleur- en vormstudies, parmantige schilderkunstige avontuurtjes, die geen enkele culturele of psychische consequenties voor de kijker inhouden. Ze beklijven gewoon niet, die hoofden en namen. Het is alsof je de Encyclopedie voor Iedereen, die wij vroeger hadden, opent en gewoon voorleest. O ja, hier hebben we Satre en daar de oude Spinoza, de onvermijdelijke Gerard Reve of James Joyce. Het is gewoon één groot Pantheon van modernistische leegte.

Hoe ontdek je nieuwe helden? Aan de negende Documenta (1992) heb ik geen grootse herinneringen, maar er waren uitschieters.

En één van die uitschieters was de installatie van Ricardo Brey, een jonge Cubaan, die op uitnodiging van Jan Hoet naar Europa was geëmigreerd. Voor degenen die het niet meer weten: het was de kamer met de besmeurde muren, de kapotte jaloezieÎn, de even gore kussens op de grond met de bengelende vogelpoten en de zacht zoemende ventilator.

De eerste indruk was die van een atelier in een ver, warm land na een macaber ritueel gevolgd door een duistere natuurramp. Eigenlijk begreep ik er helemaal niets van, maar de vragen die dit aangrijpende werk opriep, zijn mij altijd bijgebleven. Ricardo Brey (Havana, 1955) heeft deze maand (januari 2001) zijn eerste solotentoonstelling in Nederland in Galerie Lumen Travo in Amsterdam en een tweede solotentoonstelling in Pand Paulus in Schiedam. Alle reden dus om te gaan kijken. De titels in Amsterdam (‘Terrestrial Impact Structures') en Schiedam (‘And other stories') herinneren nog steeds aan die Documenta-installatie. Ricardo Brey maakt nog steeds hybride installaties, die opgebouwd zijn uit een mengeling van objecten, resten, van dieren (zoals ‘eenhoorns') en gebruiksvoorwerpen. Daarnaast maakt hij tekeningen, die vooral uit modder, haar en overgeschilderde teksten bestaan.

Hij baseert zijn werk op de Westerse modernistische traditie, maar laadt en bezielt deze op schier onnavolgbare wijze met de verhalende tradities van o.a. zijn eigen Afrocubaanse cultuur. En deze cultuur is bezwangerd met magie, religie, spiritualiteit. En deze cultuur is buitengewoon aards. Het gebruikte papier, het afval en de andere zogenaamde arme materialen, die hij gebruikt, komen niet uit de Kringloopwinkel (van de Arte Povera), maar zijn een directe verwijzing naar het alledaagse leven, de aardse realiteit. Het is datgene wat zich aan de oppervlakte voordoet. Het tekent niet alleen zijn omgang met de geschiedenis, maar ook zijn wil te overleven als kunstenaar tussen twee continenten. Zijn werk gaat derhalve ook over de positie, die de kunstenaar inneemt in de wereld van de kunst en in de maatschappij. En aan hen is de toekomst.

ALLES IN DE WIND, Emo Verkerk, t/m 18/2

Fries Museum, Turfmarkt 11, Leeuwarden

TERRESTRIAL IMPACT STRUCTURES, Ricardo Brey, t/m 14 feb

Lumen Travo, Lijnbaansgracht 314, Amsterdam

…AND OTHER STORIES, Ricardo Brey, t/m 18 februari

Pand Paulus, Korte Haven 125, Schiedam, do-zo 13-17 uur

En altijd is er weer die suggestie van een aanwezigheid. Je ziet ze nergens, maar je voelt dat ze daar ergens verscholen moeten zitten. Mensen. En dan van het soort dat onbeschrijflijke dingen doet in het duister. Het feit dat je ze niet kunt zien maakt hun aanwezigheid alleen maar drukkender. In de nachtschilderijen van de Rijksacademie- en Rietveld student Maurice Braspenning laten ze alleen hun sporen achter. Maar ze zijn ongrijpbaar en vreemd zoals buitenaardse wezens in films, wier bestaan ook alleen wordt vermoed door achtergelaten bewijzen. Braspenning schilderde dat soort menselijke bewijzen al in 1998. Noord- Amerikaanse vishutjes op bevroren meren hadden een desolaat interieur, slechts bevolkt door artefacten als cd’s, glazen en een koptelefoon. In de donkere stadslandschappen die in het Leidse CBK hangen, laten ‘mensen’ hun aanwezigheid op een andere manier blijken. Ze hebben het licht aangelaten. In de serie is telkens een streep ijskoud wit te zien, boven in een, voor de rest donker, kantoorgebouw. Maar dat licht geeft nergens openheid van zaken, integendeel. Het tekent eerder de contouren van een mysterie, prikkelt de nieuwsgierigheid en verhoogt zo de frustratie over iets dat zo zichtbaar moet zijn maar dat we desondanks nooit te weten zullen komen. Net als bij zijn donkere weergave van auto’s. Braspenning heeft ze met ferme vegen terugggebracht tot hun bijna abstracte essentie. Een dikke trefzekere baan markeert een bumper. Een draai met de kwast is de achteruitkijkspiegel. Ze worden in al hun duistere glorie bijna geheel opgeslokt door de nacht. Zoals dat hoort bij een monster in de schutkleuren van zijn inktzwarte habitat. Ware het niet dat de twee koplampen oplichten als gloeiende kolen. Ze staren je aan met de dreiging van een spookachtige anonimiteit. Een groot zombie- achtig zwijgen. Zitten er mensen in de auto? Misschien. Misschien ook niet. Meer informatie krijg je niet.

In Braspennings universum is bijna alles negen maanden onheilszwanger. De ramp kan elk moment worden geboren. Een ander doek met twee witte vlekken gericht op de toeschouwer tegen een (alweer) nachtelijke hemel draagt als titel: Spookrijder. Zelfs de lieflijke konijntjes, wier ogen oplichten door maanlicht, ontspringen de dodendans niet. Mocht een argeloze vluchtige kijker er nog iets idyllisch in willen zien, de titel helpt hem/haar wel uit de droom in de nachtmerrie: ‘Christmas is coming’.

Maar nergens is de dreiging grijpbaar. Braspenning bedekt en verhult. Maar laat altijd wel een gaatje open om je nieuwsgierig te houden. Hij zorgt voor het kiertje tussen je vingers als je naar een spannende film kijkt. Maar je zult er geen plattitudes als bloed zien. Daar is hij te veel master of suspense voor. En zijn doeken zijn erg populair. Tijdens de open dagen bij de Rijksacademie, waar hij sinds vorig jaar staat ingeschreven, verkocht hij bijna al zijn werk. Van de achttien doeken die in het CBK hangen zijn er al tien verkocht.

In een interview met het Leidsch Dagblad vertelde de Leidse kunstenaar dat het nummer ‘What is he building in there?’ van Tom Waits een onuitputtelijke bron van inspiratie is. Het relaas van een paranoïde man die de duistere werkzaamheden van zijn buurman wil onderzoeken. En ook verlaten industrieterreinen kunnen hem bekoren. Allicht. De plekken waar het contrast tussen menselijk ingrijpen en hun fysieke afwezigheid waarschijnlijk het grootst is. Ze zijn er wel, maar je ziet ze niet. Net zoals op zijn doeken.

De enige prominente aanwezige in het werk van Braspenning is de trage suggestie die als zwarte stroop van zijn doek druipt. Zelfs in zijn portretten, een genre waar je haast niet aan identificatie en dus geruststelling kunt ontkomen, weet Braspenning er een draai aan te geven. De pompbediende is geen stereotype in een kleurige nylon overall. Het gezicht is zo donker en ondoorgrondelijk als van een woestijnnomade in de schaduw van zijn capuchon. In het gelaat zijn nauwelijks nog een paar gezichtstrekken te onderscheiden.

Het heeft zijn gevolgen. Wie het rubberen bootje van het doek ‘Dinghy’‚ aanschouwt in fel geel, dobberend in zuurstokroze (bloed?), gaat vanzelf kwade gedachten krijgen en vraagt zich af of het lijk onder het zeil ligt. In tegenstelling tot dat Waitsnummer dat eindigt met de regel ‘We have a right to know’, zullen we het nooit te weten komen. We krijgen van Braspenning niet meer dan dat beetje licht waarmee je schaduwen en silhouetten schetst. Want die zijn nog altijd dreigender dan de volledige duisternis.

MAURICE BRASPENNING, NIEUW WERK

CBK, Hooglandsekerkgracht 19/21, Leiden

Asemiha B. unplugged

Anne van Driel

Het moet na zo'n drie kwartier geweest zijn, dat hij naast me aanschoof. Tot die tijd had Semiha Berksoy, de tachtigjarige Turkse opera-ster, mijn aandacht gehad. Onvermoeibaar had ze verhaald over haar jeugdliefde – een veel oudere, socialistische dichter, die vanwege zijn kritische geschriften in de gevangenis was beland. Met gevoel voor dramatiek had ze beschreven hoe zij – de dag dat hij bij haar langskwam op de thee – de stad had afgeschuimd voor een nieuwe jurk en een tafelkleedje van Turkse zijde. Tweeëntwintig was ze toen. En aan de foto's die ze toonde te zien: een beeldschone diva. Nu trachtte ze voorbije tijden te doen herleven met twee vuurrode cirkeltjes op haar rimpelige wangen en de lippen stevig in de verf gezet. Een verlepte bloem, de vleesgeworden vergane glorie. En ook al schitterden haar ogen ontroerend, bij het oeverloos oprakelen van haar gepassioneerde verleden: een nogal ouwe gek.

Hij kwam naast me zitten toen Semiha haar relaas onderbrak voor operageschalm. Drie kwartier verstreken en nog zeven uur te gaan. Want zolang duurt ‘Semiha B. Unplugged' , de onversneden documentaire van videokunstenaar en filmmaker Kutlug Ataman (Istanbul, 1961), die nu bij Galerie Akinci in Amsterdam op een groot scherm te zien is. Zeven uur en drie kwartier om in rafelige homevideo- stijl te tonen hoe Semiha om de haverklap van kostuum verwisselt, gekleed in gehavende operajurk of louter in knellende lingerie vanaf haar bed een relaas afsteekt dat schippert tussen feit en fictie, tussen haar persoonlijk levensloop en de rollen die zij vertolkte op het toneel.

Ook hij had zijn liefde verloren, stak de man naast me opeens van wal. Drie roerige jaren had het geduurd, en vorige week was ze opeens vertrokken. Schijnbaar zonder reden. Onbeschaamd vertelde hij over die afgelopen jaren, geëmotioneerd hoe heftig zijn verdriet nu was. Sorry, zijn adem walmde naar alcohol, ja: hij had geprobeerd zijn ongeluk te verdrinken. En sorry vooral dat hij me opzadelde met onbenullige details uit zijn leven, verexcuseerde hij zich.

Na drie kwartier.

Hoe Semiha haar levensverhaal vervolgde is me ontgaan. Hoe ze vertelde over de manier waarop ze ‘de sociale normen van haar omgeving had geweigerd en haar eigen identiteit en vrijheid had proberen te veroveren' of ‘het systeem van onderdrukkende sociale structuren ontvlucht was door transformatie van haar identiteit' – ik geloof niet dat het me meer had kunnen boeien dan het vertoog van de man naast me. Drie kwartier schokkerige videobeelden hadden tot nog toe slechts onbetekende details zonder duidelijke richting gebracht. Niet minder dramatisch gebracht dan het verdriet van de man naast me, en -op momenten- niet minder gênant.

Waarom dacht Ataman dan toch zeven uur en drie kwartier te moeten uittrekken voor het levensverhaal van Semiha? En waarom filmde hij dat in een tamelijk onaantrekkelijke, quasi-klungelige stijl? Om het puur en onversneden te doen ogen waarschijnlijk, ongeregisseerd en van toevalligheden aan elkaar hangend, zich traag ontwikkelend – zoals het leven zelf. Maar waarom was het leven zelf dan – net nog – zovele malen overrompelender, meer prikkelend en schrijnend?

"Het gaat in videokunst alleen maar om de vorm, niet om de inhoud. Alle aandacht gaat naar hoe het verteld wordt, niet naar het wat", zei de man die niet van videokunst zei te houden bij ons afscheid. Het was het enige onzinnige dat hij in drie kwartier te melden had.

SEMIHA B. UNPLUGGED, t/m 10 feb

Galerie Akinci, Lijnbaansgracht 317, Amsterdam, di-za 13-18 uur

Buren

Marieke van Hal

Dat Brabant veel talenten herbergt, is wel gebleken tijdens de laatste Olympische Spelen. De ene na de andere medaille werd door een Brabo in de wacht gesleept. Of bijzondere Brabantse bekwaamheden ook in de beeldende kunst te vinden zijn, dat is met de groepstentoonstelling ‘Buren', die nu in het Eindhovense Van Abbemuseum te zien is, onderzocht. Vijftien jonge kunstenaars met een maximale leeftijd van vijfendertig jaar zijn geselecteerd op grond van hun roots in het Brabantse land. Is er dan iets als kunst met een zachte g?

Dat blijkt niet het geval, zo staat ook in de catalogus. Gelukkig hebben de tentoonstellingsmakers dit gewoonweg geconstateerd. ‘Buren' is een potentiële staalkaart van een generatie jonge beeldend kunstenaars, die elk eventueel Brabantse accent heeft verloren. De exposanten zijn dan wel allen in de provincie Noord-Brabant geboren of hebben op een kunstacademie gezeten in Breda, Den Bosch of Tilburg, gezamenlijke thema's of overeenkomstige drijfveren zijn er niet. De enige bindende factor is diversiteit. Een diversiteit aan vormen, onderwerpen en technieken die de tijdsgeest in de beeldende kunst op dit moment typeert, maar ‘Buren' ook tot een allegaartje maakt.

Zo is er oud en nieuw werk, goed en minder goed, speciaal voor deze tentoonstelling gemaakt gelegenheidswerk, en werk met een tijdelijk karakter, vaak zijn dit ruimtelijke installaties. Ook zien we dat allerlei oude en nieuwe media met elkaar zijn gecombineerd. Een mooi voorbeeld is de cd-rom installatie ‘Indifference to the Truth' van Mathilde ter Heijne. Ze digitaliseerde vijfhonderd transparante potloodtekeningen. Met de muis kan de bezoeker makkelijk door een labyrint van ruimtes bewegen. Een muisklik op een menselijk figuur geeft in een flits een schokkend mediabeeld weer. Van gruwelijke martelingen, liquidaties of massamoorden waar dan ook ter wereld. De flits, veel te kort om te bevatten, lijkt ons te wijzen op de grote hoeveelheid en daardoor geringe impact van dit soort beelden in de media. Doen ze ons nog wat?

Jeroen Offerman, die sinds zijn studie aan het gerenommeerde Goldsmiths College in Londen woont, heeft eveneens oude ambachten aan hedendaagse technieken gekoppeld. Hij knutselde een videoschilderij in elkaar. Bij de entree zien we een projectie van de Nunmead-begraafplaats in Londen. Later in de expositie wordt duidelijk waarom dit praktisch stilstaande videobeeld intrigeert. In een zaal zien we een cameraopstelling die de begraafplaats, bestaande uit geknipte en geplakte foto's op een tafel, registreert. Een monitor met wolkenlucht dient als achtergrond. Van Alexandra Rouppe van der Voort zijn ondermeer foto's uit de serie ‘Ode aan mijn vader' te zien, belangrijk werk in haar oeuvre maar ons eigenlijk al wel bekend. Haar fotobeelden waarin ze zichzelf en naaste omgeving grimeert en portretteert, hebben een sterk zelfonderzoekend karakter. Wineke Gartz, William Speakman en Dirk van Lieshout maakten installaties of omgevingswerken, ruimtes ingericht om het publiek een ervaring mee te geven of in een andere realiteit te betrekken. In deze categorie is Van Lieshout's ‘Sedate FM', een samenwerkingsproject met Grace Ndiritu, het meest geslaagd. De bezoeker kan zich uitleven op allerlei verplaatsbare houten objecten al dan niet bedekt met kunstgras. Koptelefoons geven elke plek in de ruimte een andere dimensie.

Een fascinerende douchecel hoog tegen de muur kan via een gefiguurzaagde trap worden bereikt. Marc Bijl demonstreert dat er ook plaats is voor humor in de beeldende kunst, ook al vindt hij het zelf vreemd dat mensen zijn werk geestig vinden. "Ik word er namelijk niet vrolijker van", zegt hij. En dat is te zien. Hij heeft zichzelf als een pop uitgebeeld. In het zwart gekleed en met het tijdschrift Flash Art in zijn jaszak, zo ligt hij languit met een fles in zijn hand op de grond. Kunstmoe. Openingen zijn hem teveel geworden. Met dit alter ego beeld geeft hij ironisch commentaar op zichzelf en het kunstwereldje om hem heen. Niets geen romantisch kunstenaarsbestaan, lijkt hij te zeggen. In tegenstelling tot de eerder genoemde ‘omgevingswerkers' doet Bijl geen moeite om een andere realiteit te creëren en heft hij de scheiding tussen het werkelijke leven en de artificiële wereld van de kunst zoveel mogelijk op. Dat doet hij door een openbare afvalbak gevuld met fietsresten neer te zetten en deze te betitelen als ‘Compositie met vuilnisbak en fiets'. Ook bouwde hij een muurtje met daarachter troep en blacklight, een door junks ingenomen plek. En als zodanig uit het leven gegrepen.

Het Van Abbemuseum blinkt uit in zijn tentoonstellingen met een signalerend, vaak internationaal karakter. Daarnaast heeft het museum in het verleden met regelmaat aandacht besteed aan kunst uit de regio. Ook nu heeft het weer aan zijn plicht voldaan. Een typisch Brabantse stijl is gezocht, maar niet gevonden.

BUREN, t/m 4 feb

Van Abbemuseum, Vonderweg 1, Eindhoven, di-zo 11-17 uur