Stel, een gezicht zet een voet over de drempel en kijkt naar een aquarel. Een moment later gaat de blanco bezoeker een paar stappen naar achteren om een groot doek te bekijken. Om vervolgens weer dicht naar de muur te gaan om de aquarellen te bekijken en te lezen. Er zijn twee grote doeken van Stefan de Graaf, een rood kruis en een zwarte cirkel. Beide zijn directe monumentale symbolen. In groot contrast tot de directheid van de doeken staat het intieme karakter van de aquarellen van Suzanne van Rossenberg. Het publiek wordt heen en weer gekaatst tussen twee extremen van kijken. Tussen de kleine schetsachtige aquarellen van papegaaiduikers staan korte onzekere teksten; van tegeltjeswijsheden als: ‘Je bent het meest authentiek als je lijkt op wat je droomt.’ tot agendanotities ‘hé, morgen wordt er beslist of ik een startstipendium krijg.’ Zal de onwetende bezoeker zich afvragen wat dit alles met elkaar te maken heeft? Of eindigt het bezoek schouderophalend?
Het publiek is hier echter niet anoniem, doorsnee, blanco, ontwetend of andere veralgemeniseringen van publiek. In deze ruimte van 1646 zijn de volgende rollen te verdelen: collega kunstenaar, vrienden en familie. 1646 is een klein kunstenaarsinitiatief in Den Haag dat al enige tijd bestaat. De organisatie bestaat sinds een klein jaar uit een groep studenten van de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten te Den Haag. Dit soort plekken zijn experimenteervelden voor jonge kunstenaars. Ook mijn rol is niet blanco, maar een van de te verdelen rollen, namelijk die van collega kunstenaar. Dit houdt in dat ik het werk van Suzanne van Rossenberg ken en juist daarom naar 1646 ben gekomen.
In 2003 zette Van Rossenberg een performance en installatie neer onder de titel One night stand. Waarbij ze de vraag stelde: wat is een natural woman? Door middel van herhaling van de zin “you make me feel like a natural woman” wordt deze ontdaan van zijn kracht. Blijft de lesbische vrouw hier een connotatie, in A Room with a Lesbian View draait ze hier niet meer omheen. Dit werk bestaat uit vele aquarellen en tekeningen van de kerk die ze vanuit haar kamer kan zien. Op elke aquarel stond A Room with a Lesbian View, de datum en de tijd genoteerd. Zo ontstond een verzameling van goede en slechte aquarellen en tekeningen. Wat is er lesbisch aan dit uitzicht? Waarom hangt ze ook de ‘slechte’ aquarellen en tekeningen op? Waarom vind ik die eigenlijk slecht? Waar baseer ik dit op? Met deze werken in mijn hoofd, waar vooral de titel en de conceptuele lading belangrijk waren, stap ik de ruimte 1646 binnen.
De meeste aquarellen heten Puffin (papegaaiduiker). Geen titel die te vergelijken is met de vorige werken van Van Rossenberg. De uitspraken die op de aquarellen staan zijn des te duidelijker; namelijk die van twijfel en onzekerheid; ‘Het gaat ook om de vaardigheden die je in de loop der jaren opdoet. O nee, daar gaat het juist niet om.’
De onzekerheid en kwetsbaarheid vallen vooral op door het succesvolle contrast met de grote directe werken van Stefan de Graaf, maar ook door het contrast met eerdere werken van Van Rossenberg. Waren bij A Room with a Lesbian View de teksten een onderstreping van het werk, hier zoekt ze met citaten bevestiging. De aquarellen lijken van dezelfde kwaliteit te zijn, de grote verschillen als die bij A Room with a Lesbian View worden niet vol trots gepresenteerd. Betrof de, welliswaar bewuste, onzekerheid bij A Room with a Lesbian View nog haar techniek, bij dit werk betreft de onzekerheid het concept. Bij A Room with a Lesbian View was het ‘doen’ ondergeschikt aan het concept, bij de Puffins lijkt het accent te liggen bij het aquarelleren. Maakt Suzanne van Rossenberg een overstap van conceptuele kunst naar schilderkunst? Is dit een bewuste keuze?
In deze ruimte en met mijn rol als collega kunstenaar is deze onzekerheid een verademing. 1646 is een geschikte ruimte om zo’n open en kwetsbaar werk neer te zetten. Want kwetsbaar is het. Hier spreekt Suzanne van Rossenberg niet vanuit ‘het vrouw zijn’ of haar ‘seksuele geaardheid’. De twijfels die spreken uit haar werk zijn die van een jonge kunstenares. De titel van de gehele presentatie Playing Utopias is daarom goed gekozen. Juist omdat hier geen anonieme, blanco en onwetende bezoekers zijn. Ze zoekt positie en visie. Of beter gezegd; dit vraagt ze aan haar vrienden, familie en vooral collega jonge kunstenaars. Het decor van 1646 leent zich hier prima voor.

PLAYING UTOPIA'S, Stefan de Graaf, Suzanne van Rossenberg, 26 & 27 feb 2005

1646, Boekhorststraat 125, Den Haag, 070-3457310

“…een week later kwamen we ‘s middags terug in ons hotel en daar lagen twee rode rozen op ons te wachten met de vraag de twee zusjes terug te bellen. Dat hebben we gedaan en we zijn gaan lunchen in hetzelfde park, op dezelfde plek, waar de foto een week eerder genomen werd. De zusjes hadden gedichten voor ons geschreven in schoonschrift en we hebben die middag al etend en pratend met hen doorgebracht.”

Dit is één van de vele anekdotes die fotografe Anoek Steketee (Hoorn, 1974) je kan vertellen over haar verblijf in Iran. Vermakelijke, lieve verhalen van een gastvrije samenleving, een samenleving ook met harde contrasten en scherpe randen door het heersende ideologisch regime. Steketee is geïnteresseerd in de complexiteit, de gelaagdheid van samenlevingen. Niet alleen in die van Iran, ze maakte ook een fotoserie op Cuba en ‘gewoon’ op straat in Amsterdam.
Iedere samenleving kent het schouwspel van het openbare leven en dat is iets wat Anoek Steketee fascineert. De reden om af te reizen naar een ander land is omdat je je daar automatisch in de rol van de beschouwer, de buitenstaander, bevindt. Hierdoor lijken de kaders, de decors, van een samenleving zich scherper af te tekenen. Alles staat op scherp. In landen met radicale revolutionaire omslagen naar ideologische regimes, in Iran in 1979, vinden in een razend tempo ‘decorwisselingen’ plaats aan de hand van een ‘script’ dat een hele samenleving richting geeft. Vooral in het openbare leven is de controle van deze regie zichtbaar en voelbaar. Gedreven door nieuwsgierigheid naar dit soort veranderingen – maar ook door het sprookjesachtige, rijke verleden – vertrok ze in 2003 voor het eerst naar Iran.
Al voor haar vertrek legt ze allerlei contacten met Iraniërs, in Nederland en Iran. Ze leert een beetje farsi van een bevriende Iraniër, die haar naast inzicht in de taal, ook inzicht geeft in de gebruiken binnen de Perzische cultuur, waardoor ze alvast beter voorbereid naar Iran vertrekt. In gesprekken met hem en anderen stelt ze tevens de legitimiteit van haar project ter discussie. Een proces dat tot op de dag van vandaag doorgaat en aangescherpt wordt door nieuwe ontmoetingen. Ze legt ook contact met Nederlanders die verbleven of verblijven in Iran. Bijvoorbeeld met Eefje Blankevoort (documentairemaakster en journaliste), die voor een onderzoek in Teheran zit. Zij zal van onschatbare waarde blijken voor het project Frontstage/Backstage, a work in progress.
Frontstage/Backstage is een serie waarin Steketee de gelaagdheid en complexiteit van de Iraanse samenleving, zoals zij die als buitenstaander beleeft, probeert te vertalen. De focus ligt tot nu toe vooral op het Frontstage-deel van het project, waarin ze het openbare leven van Iran onderzoekt. Met een grootbeeld camera op statief en een set lampen stelt ze zich op straat op, steeds op verschillende punten in Teheran. Ze spreekt, in samenwerking met Eefje Blankevoort, mensen aan en vraagt of ze willen poseren voor de camera. Met de belichting en haar regie aanwijzingen laat ze de vrijwilligers ‘acteurs’ worden in hun eigen leven. Ze probeert een klein verhaal te vertellen en voelbaar te maken dat er achter dit ene beeld nog een hele andere werkelijkheid schuil gaat. Ook voel je het onderzoek naar de grenzen van wat er met deze benadering mogelijk is; ze fotografeert een agent, een mullah (een Iraanse geestelijke) en een groep militairen. Gezagsdragers waarvan de nieuwsgierigheid het op dat moment blijkbaar wint van de formaliteiten, maar waarvan je ook de potentie van de omslag naar een onaangenamere bejegening voelt.
Het andere deel van haar project gaat – zoals de naam Backstage al doet vermoeden – over het privé leven van de Iraniërs, dat zich afspeelt achter de gesloten deuren van hun huizen. Een plek waar de invloed van het regime ook doorwerkt, maar waar mensen toch in relatieve vrijheid letterlijk en figuurlijk hun sluiers kunnen afleggen.
Steketee is inmiddels drie keer afgereisd naar Iran om haar project verder uit te werken. En elke keer lijken haar Frontstage foto’s scherper en nog meer toegespitst te zijn dan de vorige keer. Tegelijkertijd verliezen ze niets van hun vermogen tot verwondering, tot het opwekken van nieuwsgierigheid naar het verhaal achter het verhaal van de mensen op de foto, maar ook naar de fotograaf achter de camera. Haar positiebepaling is prettig en open, met de flexibiliteit die je verwacht van iemand die op deze manier een samenleving onderzoekt. Je kan namelijk zelf ook niet buiten schot blijven. Het Frontstage werk maakt dat je nu al wil weten hoe het haar Backstage zal vergaan. Het vermoeden is dat ze met haar houding en benadering genoeg deuren weet te openen. We zullen het zeker gaan zien…

Anoek Steketee, za 5 maart 2005

De Balie, Kleine-Gartmanplantsoen 10, Amsterdam

Fotografie is hot en omstreden. Dat betekent dat kunstenaars er volop gebruik van maken. Maar, menen diverse critici, zonder veel succes. Niet dat mooie plaatjes niet verkopen. Integendeel. De fotografie is booming business, niet alleen in de media en de mode, maar ook en vooral in kunstkringen. Volgens scherpslijpers ontbreekt het de fotograferende kunstenaars echter aan kwaliteit. Of zoals NRC-criticus Hans den Hartog Jager het een jaartje geleden onomwonden stelde: fotografen zijn niet meer dan luie schilders. En dat is nou precies zo’n stelling waar de van huis uit schilderende kunstenares Marjan Teeuwen zich in haar Bossche atelier mateloos over kan opwinden. Zij hing haar kwast enkele jaren geleden aan de wilgen om er krijt en camera voor terug te nemen.

Artistiek gezien brak zij daarmee hele nieuwe werelden open, werelden die haar veel brachten en met haar ook de liefhebbers van haar werk. Bovendien valt zij van luiheid al helemaal niet te betichten. Al was het alleen maar omdat zij er als een van de weinige kunstenaars in dit land regelmatig in slaagt om naast haar eigen werk ook een overzicht van hedendaagse kunst samen te stellen dat niet alleen prikkelt, maar ook menig conservator het schaamrood op de kaken mag brengen. Bracht zij twee jaar terug nog bijna veertig tekenende kunstenaars bijeen in een statig gebouw waar ooit provincie en Rijkswaterstaat huisden, dit jaar weet zij ruim veertig fotograferende collega’s over te halen hun werk te presenteren in hetzelfde gebouw.

Constructed moment heet deze nieuwe expositie, waarin het gereedschap van de kunstenaars niet het potlood, de pen of de verf is, maar de camera. En wederom is Teeuwen erin geslaagd op basis van een zeer persoonlijke keuze, een perspectief op de hedendaagse kunst te bieden waarvan je zou willen dat zo veel mogelijk mensen het zien. Omdat je er je visie op kunst, op fotografie én op het raakvlak tussen die twee behoorlijk aan kunt scherpen. Net als trouwens aan de begeleidende catalogus waar naast Teeuwen ook Flos Wildschut, Maarten Doorman en Mariëtte Haveman inspirerende essays over de rol van de fotografie in de kunst voor hebben geschreven.

Maar waar het in de Bossche Waterstraat toch vooral om gaat is om het kijken naar en je laten raken door beelden, of ze nu kunst heten of fotografie. En daar slagen een groot aantal van de verzamelde kunstenaars erg goed in. Overdonderend zijn bijvoorbeeld de grote foto’s van Andreas Gefeller. Hij hangt zijn camera hoog boven trappen, straten en ruimtes om dan loodrecht naar beneden gericht te knippen. Vervolgens bewerkt hij deze beelden met de computer. Wat resteert zijn vervreemdende maar toch herkenbare taferelen vanuit een onnatuurlijk perspectief. Zoals de verlaten treden van een entree waar even tevoren nog tientallen Chinezen hun krantje moeten hebben zitten lezen tijdens de lunch, getuige het zwerfafval dat er verlaten bij ligt, of de met weinig geluk brengende restanten van scheurloten bezaaide stoep voor een Duitse gokhal. Duidelijk is dat het hier om beslissende momenten maar zeker ook zorgvuldige constructies gaat, om nieuwe werkelijkheden. En het is door dergelijke constructies dat fotografie in veel gevallen kunst wordt, omdat de beeldmaker zich op enigerlei wijze heeft weten los te zingen van de maatschappelijke realiteit en er een eigen draai aan geeft. Daarbij is geen sprake meer van pure registratie, maar van verbeelding in de ruimste zin van het woord.

Met Constructed Moment wil Teeuwen als het ware laten zien hoe ver die verbeelding in haar ogen reiken kan. En dat is ver. Van de collages met objecten, veren en geschilderde elementen van Benoît Hermans tot de (close up) portretten van Céline van Balen en Hellen van Meene. En van de havengezichten en infrastructuur vol licht en kleur van Hans Wilschut tot de landschappen met magische verschijnselen als een roze motor en een zwevende plastic wolk van Elspeth Diederix en de uitkijken uit vliegtuigraampjes van JCJ Vanderheyden.
En hoewel de locatie met zijn aaneenschakeling van gangen, kamers en kabinetten vrijwel iedere kunstenaar de mogelijkheid biedt een kleine solo in te richten, ga je na verloop van tijd als kijker toch verbanden leggen. Tussen de fotografen die in hun atelier heel secuur op kleine schaal situaties nabouwen, deze vervolgens fotograferen om de opname daarna als bijna levensecht te presenteren. Edwin Zwakman heeft zich daar de afgelopen jaren een meester in getoond. In Den Bosch laat hij nu twee achtertuintjes zien, waarvan er een keurig aangeharkt bij ligt inclusief tuttig vijvertje, terwijl in de andere chaos overheerst met een roestige oude koelkast in het midden en een hoop schroot in de hoek. Ogenschijnlijk zo uit een foute buitenwijk getild. Alleen bij nadere beschouwing verraadt zich de minutieuze enscenering. Ook Jeroen Hensing gaat op deze toer. Hij maakt natuuropnamen van een schraal stroompje in een kaal bos met hut en rots. De foto’s zijn dreigend van aard door de belichting, maar verraden hun kunstmatigheid al te opzichtig. Bovendien laat Hensing de maquette waarin hij zijn foto’s schoot deel uitmaken van zijn presentatie, waardoor de magie compleet verdwijnt en het geheel vooral doet denken aan de schlemielige mierendecors van French en Saunders versie van The Lord of the Rings.

Nee, dan liever Frank van der Salm die het principe juist omdraait en zijn camera zo manipuleert dat wat werkelijk is schijn lijkt te worden. Of Gerco de Ruijter die zijn camera nog altijd aan een ballon hangt om met de meest vervreemdende opnames van stranden en weilanden weer te landen. Lon Robbé daarentegen duikt juist onder water. Maar ook hij slaagt er in de opnames zodanig te vertekenen dat je als kijker even in verwarring raakt en denkt naar een sneeuwlandschap of een bos te kijken.

Een kunstenaar die net als Andreas Gefeller digitale technieken gebruikt, is Eelco Brand, dit echter met geheel eigen resultaat. Zijn werk is meer een kwestie van perfecte animatietechniek waarmee hij kopjes, schoteltjes, lepeltjes en suikerklontjes explosief door de ruimte kan laten zweven, maar de kijker ook in een loop kan meenemen in een reuzenrad dat je binnen enkele minuten meevoert van hoog boven de wolken tot op het korstmos van een donker dennenbos en weer terug.

Hans Wijninga speelt vooral met de kunsthistorisch geschoolde kijker. De ene keer door een dusdanig grauw filter voor zijn lens te houden dat je slechts met moeite gebouwen ontwaart (een ervaring die doet denken aan de Graue Bilder en het fotowerk van Gerhard Richter); de andere keer door reddingswerkers in gele pakken als het ware een choreografie in veertien delen te laten dansen zoals Muybridge ooit zijn galopperende paarden en traplopende figuren liet dansen of zoals Jeroen Bosch zijn onderwereld met krioelende wezens bemande.
Eenzelfde kunsthistorisch déjà vu gevoel roepen de geënsceneerde beelden van Sylvie Zijlmans op. De drie mannen en een vrouw aan tafel met rook rond hun hoofden en gespannen blikken lijken een eigentijds genretafereel van een echtpaar op het punt van scheiden; haar vanuit kikvorsperspectief gefotografeerde meer dan levensgrote man een eigentijdse heilige.

Indrukwekkend zijn ook de ‘uitzichten’ van Mirjam Kuitenbrouwer. Ook zij verraadt haar techniek door de voorzetramen waardoor zij haar beelden schoot in haar presentatie op te nemen, maar hier werkt dit juist versterkend. Op de foto’s kijk je naar buiten zoals Michael Raedecker de kijker soms in zijn schilderijen vanuit villa’s naar buiten laat kijken; door de statieven en techniek te onthullen waarmee deze illusie is geschapen ontdek je de manipulatieve kracht van de fotografie. Overigens is van binnen naar buiten kijken of andersom sowieso een thema dat bij meerdere kunstenaars terugkomt. Neem de serie kamers met raam die de Hongaar Gabor Osz met een camera obscura schoot, de sleutelgatfoto’s van Laura Geijtenbeek of de interieurs met deuren, trappen en gangen van Michiel Kluiters en Patrick McGrath.

Blinkt het merendeel van de tot nu toe genoemde foto’s uit in gebrek aan  mensen – een euvel waar ook veel architectuurfotografie aan pleegt te lijden – enkele kunstenaars maken dat gebrek meer dan goed. Ellen Kooi bijvoorbeeld weet haar landschappen juist door er mensen in op te nemen een duidelijke, veelal dromerige meerwaarde te geven. Prachtig is haar opname van een mistig weiland met de als starende schaakstukken opgestelde meisjes. En ook Maartje Fliervoet weet met haar slapende, starende of liggende figuren in zwarte en witte decors meer op te roepen dan de eerste de beste modefotograaf.

Kortom, met Constructed Moment is Teeuwen er opnieuw in geslaagd een boeiende expositie samen te stellen waarin niet alleen het werk van de meest uiteenlopende kunstenaars tot zijn recht komt, maar ook een actueel thema in de hedendaagse kunst op avontuurlijke wijze wordt belicht. Een aanpak waar menig ingedut museum een voorbeeld aan zou mogen nemen.

CONSTRUCTED MOMENT, t/m 10 april 2005

KW14, Waterstraat 16, Den Bosch, vrij t/m zo 13–17

Drie studenten van de tweede fase Academie St. Joost uit Breda hebben gezamenlijk een expositie ingericht in Kunsthuis De Permanente in Groningen. Jonge kunstenaars en de vraag die daarbij altijd opduikt: hoe pak je die aan. ‘De fluwelen handschoen past de zachte heelmeester’ moet ongeveer de sfeer zijn op de academies waar Numan, Sleeuwits en Boermans in een eerder stadium zijn afgestudeerd. Aan die indruk kun je je niet onttrekken als je de foto’s en de video ziet. Technisch (afdrukken; beeldkaders; videomontage) ziet het er allemaal vakkundig uit, maar het blijft zo hangen in weinig zeggende particuliere ideetjes die doen denken aan de fameuze brievenrubriek ‘Achterwerk’ die al 25 jaar op de achterkant van de VPRO-Gids wordt afgedrukt.
Het is allemaal niet lelijk wat er is opgehangen. Daar begint ook het probleem dat aan al deze kunstwerken kleeft: het kiest niet. Niet voor esthetiek maar ook niet voor de betekenis die alle drie kunstenaars in het werk zien. Dit is kunst die zonder een keuze te maken voor de middelmaat kiest.
Zo toont Pieter Numan een aantal grote foto’s van restplekken in een stedelijke omgeving. Een verlaten perron, een paadje door een park, een bruggetje in een parkachtige omgeving en nog enkele werken, keurig belicht door lantaarnpalen (en ik vermoed met wat extra belichting). Zonder nadere informatie zou je zeggen ‘romantische plaatjes van nachtelijke taferelen’ zonder menselijke aanwezigheid. Fraaie kleuren en geen cameraposities of kadreringen waar je door geprikkeld wordt. Het is dan ook tamelijk onthutsend, om niet te zeggen larmoyant, in de begeleidende tekst te lezen dat het hier gaat om metaforen voor Numans gevoelens en dat hij de beschouwer wil confronteren met emoties als angst, onzekerheid en eenzaamheid “die ik in het verleden heb ervaren”. Misschien ligt in die laatste toevoeging wel het probleem. Numan ervaart het niet meer en blijkt niet in staat om met zijn werk de gememoreerde gemoedstoestanden op te roepen. Hij verliest zichzelf in pogingen tot het produceren van mooie foto’s met overgewaardeerde kleuren die vooral uitnodigen tot een rustgevende nachtwandeling.
Marleen Sleeuwits slaagt iets beter in haar opzet om de kunstmatige vormgeving in de (stedelijke) decors van haar foto’s te laten samengaan met het afschrikwekkende en claustrofobische. Dat laatste is te bespeuren zoals op bijgaande foto van een man achter een raam in een stalen bedrijfshal. Zij ontkracht de mogelijke beklemming echter door te frivool met Photoshop elementen aan foto’s toe te voegen, waardoor de afbeeldingen iets karikaturaals krijgen. Bovenal legt ze de nadruk op de esthetische voorkeur die ze heeft voor het strakke in- en exterieur, de strakke vormgeving zodat het ongemakkelijke verdwijnt. En ook zij haalt een ietwat merkwaardige tour de force uit in haar tekst door de drang van de mens om alles te plannen (met onderscheidene onderwerpen als genetische manipulatie en het aanleggen van vliegvelden in zee) te koppelen aan vormgeving en een verbeterde versie van de realiteit. Dat lijkt op het zoeken van verbanden tussen appels en peren (het is fruit) en weinig doordacht zeker als je jezelf niet weet te ontworstelen aan datgene wat als verwijt in de richting van de ontwerper wordt geslingerd: gevangen in zijn eigen belevingswereld.
De zes naakte jonge vrouwen die langere en kortere tijd te zien zijn in de video Untitled (pakweg 4 minuten) van Ine Boermans (eerder te zien op de Kunstvlaai 2004) hebben niet geleid tot ongemakkelijk kijken bij deze man. Ik kan niet beoordelen of een vrouw opgelucht zal zien dat deze zes jongedames lichamelijk imperfecties hebben. Het lijkt me sterk dat daar een videokunstwerk voor nodig is. Als er iets is waar vrouwen (ook gekleed) veel mee bezig zijn is dat het beoordelen van (de imperfecties van) andere vrouwen. (Toeval dat Desperate Housewives tijdens het schrijven dezes voor het eerst op de Nederlandse televisie was te zien). Voor ongemak zou een langere tijdsduur uitkomst hebben kunnen bieden en dat is een aspect dat juist in video benut kan worden. En toch levensgroot van top tot teen beamen zoals dat in mijn herinnering op de Kunstvlaai het geval was. In De Permanente zijn de dames te groot voor de monitor en te klein voor de beamer.
De associatie met Achterwerk is te traceren. Wie die rubriek jarenlang leest stuit voortdurend op jonge kinderen die vol puberteitsdrift met dezelfde visies naar de wereld kijken, dezelfde oplossingen bieden en daaruit de conclusie trekken dat ze hoogst oorspronkelijk van geest zijn. Dat kan leiden tot de conclusie dat ‘alles al is gedaan’ (en dat de ontwikkeling tot stilstand is gekomen) of dat er nog heel wat na te denken valt om platgetreden paden te verlaten en de waarlijk enge plekken van de scheppende geest binnen te dringen, dat in werk naar voren te laten komen en adequaat te beschrijven. Een schone taak voor de Academie St. Joost.

Fotografie en video van Pieter Numan, Marleen Sleeuwits en Ine Boermans, t/m 2 april 2005, di t/m za 13–17

Kunsthuis De Permanente, Kreupelstraat 12, Groningen

EEN BEWONDERENSWAARDIG INITIATIEF

Annemiek van der Bruggen

“Tijd voor lef en een nieuwe input” is de slogan waarmee Expodium zijn vernieuwde instelling op de nieuwe locatie aan de Lange Nieuwstraat te Utrecht kenbaar maakt. Het verraadt een zekere scepsis ten aanzien van het Utrechtse kunstklimaat. Schijnbaar is dat ingeslapen, braaf en gemoedelijk en is het hoog tijd voor actie.

Met een tekort aan woningen, atelierruimte en een gebrek aan instellingen waar jonge kunst wordt getoond, is Utrecht voor een startende kunstenaar niet bepaald de favoriete plek om zich te vestigen. Daarnaast is het ‘gat’ tussen de kunstacademie en het kleine aantal galeries voor hedendaagse kunst in de stad te groot. Expodium, dat vijf jaar geleden door zes beginnende kunstenaars werd opgericht, trachtte dit op te vullen door werk van pas afgestudeerden te tonen in een bescheiden locatie op het Ledig Erf. Sinds anderhalf jaar zwaaien Maaike Gouwenberg en Bart Witte de scepter en veranderden langzaamaan de ideeën over de instelling, die passief wachtte op portfolio’s en bezoekers. Expodium moet een platform worden voor jonge mensen die zich bezighouden met kunst in de breedste zin van het woord. Het is gevestigd in Utrecht maar oriënteert zich op heel Nederland. Getoond werk moet zich bevinden op het scherpst van de snede; de makers moeten lef hebben.

Genoemde criteria vertalen zich in de openingsexpositie Utrecht Uploaded door bijvoorbeeld de video RGB (rood groen blauw) van Bas van Koolwijk en Cristian Toonk. Door het beeld terug te brengen tot een flikkering die overloopt in de drie basiskleuren waaruit een videobeeld bestaat, wordt dit medium tot de grond uitgediept. Het beeld is door het felle licht alles overheersend. Tezamen met het irritante gezoem dat het werk begeleidt, wordt het de toeschouwer onmogelijk gemaakt zich op een ander kunstwerk te concentreren. Hoewel het werk slechts drie minuten duurt lijkt dit een eeuwigheid. De meeste indruk maakt Marcel van den Berg met Doin’the Linndie hop. De ‘schiethouding’ die Linndie England aannam op de foto’s waarmee de martelingen in de Irakese gevangenis aan het licht kwamen wordt op twaalf op de muur bevestigde fotokopieën door verschillende mensen herhaald. Van den Berg ontdekte de beelden op een Amerikaanse website waarin mensen gevraagd wordt een slachtoffer te kiezen dat zij graag ‘gelinndied’ zien en de daarop volgende uitvoering vast te leggen. De overvloed aan inzendingen bewijst Amerika’s schijnheiligheid ten aanzien van het schandaal. Van den Berg versterkt dit nog door video’s waarop naast verhalen van slachtoffers, Amerikaanse onderzoekers getoond worden die hun afschuw uiten over de praktijken in de gevangenis.

“2005 is vooral een zoekjaar” aldus Gouwenberg die samen met Witte zo’n beetje alles aanpakt en overal voor openstaat om de ambities waar te maken. Zo worden er presentaties gegeven op diverse kunstacademies om de naamsbekendheid te vergroten; wordt er aandacht besteed aan theater door per tentoonstelling twee events te organiseren; en worden conservatoriumstudenten betrokken door hen op openingen te laten spelen. Naast een breed podium verlangt Expodium ernaar een broedplek voor nieuwe ideeën en samenwerking te zijn. Hier moet ‘De Pitch’ toe leiden, een soort hangen ontmoetingsplek die in één van de vijf zalen is ingericht en waar gebrainstormd kan worden. Bezoekers kunnen hier ideeën opdoen maar ze ook voorleggen, vragen of ze een film mogen vertonen of over hun werk komen praten. “Niet dat het nou de bedoeling is dat iedereen hier al zijn schilderijtjes komt bespreken, we blijven wel kritisch”.

Al met al zijn de paar weken dat Expodium in de nieuwe formule draait te kort om te zien of het Utrecht daadwerkelijk de input geeft die het pretendeert. Feit is dat de stad het kan gebruiken; het ‘bruist’ simpelweg niet op beeldende-kunstvlak. Daarmee is niet alleen het initiatief bewonderenswaardig maar ook de bevlogenheid waarmee het wordt aangepakt. De locatie kan echter problemen veroorzaken. Zo moet de instelling binnen afzienbare tijd zijn ruimte in het voormalig gerechtshof weer opgeven en wordt koortsachtig gezocht naar iets nieuws. “We wisten het van te voren, toch zijn we verhuisd omdat we groter wilden, bovendien hoefden we hier alleen maar te witten.” Dit betekent overigens niet dat de ruimte er, op wat vieze muren na, spik en span uitziet. In het al jaren leegstaande gebouw ontbreken deuren, vloeren en plafonds; de vensterbanken zijn uit de ramen gerukt.

Dat de ruimte zodoende oogt als een shabby pand is op zich niet erg, dat past wel bij kunst met lef. Het is echter niet nodig dat de kunst er dan ook maar uit moet zien alsof het uit de vuilcontainer is geplukt. Van den Bergs werk heeft een sterke impact. De uitvoering in fotokopieën, plakband en tape, die de platheid van Amerika en zijn reactie op de gebeurtenissen moet uitdrukken, ondermijnt zelfs de kracht van het beeld. Desondanks voert politiek engagement de boventoon in Utrecht Uploaded: een Amerikaanse vlag waarin de sterren zijn vervangen door hakenkruizen maakt nu eenmaal meer indruk dan een bedorven moorkop geplaatst op vogelzand. Paradocs, de volgende expositie, moet bewijzen dat de scherpe kunst die Expodium wil tonen niet alleen voortkomt uit het gebruik van heftige onderwerpen. Zo ligt de nadruk in het werk van de vier daarin exposerende kunstenaars op een verhalend karakter, geïnspireerd door het dagelijks leven.

UTRECHT UPLOADED
Marcel van den Berg, Bas van Koolwijk, Anne Schiffer, Christian Toonk, Henk de Vries, Ivo van Werkhoven, Esther Willering
t/m 13 maart 2005

PARADOCS
Bojan Babic, Malgosia Briefjes, Zhana Ivanova, Igor Sevcuk
24 maart t/m 24 april 2005

Expodium, Korte Nieuwstraat 14, Utrecht, wo t/m zo 13–18

Mijn zusje had eens een pop met haar dat volgens de reclame echt kon groeien. Aangezien mijn zus ervoor terugschrok om dit gegeven ook proefondervindelijk vast te stellen, heb ik mij daar toen maar aan gewaagd. Met de beste bedoelingen, dat spreekt. Fris en netjes voor de zomer. Lekker kort bovenop. Nek en oren vrij. Het resultaat noopte mij mijn uitdagingen voortaan op andere terreinen te zoeken, maar toch voelde ik even weer die oude aanvechting bij het zien van de stoel Poodle van vormgeefster Miriam van de Lubbe. Deze is er in twee uitvoeringen, met een langharig pelsje of getrimd op de welbekende manier die doet vermoeden dat de tuinman van Versailles eertijds bij het terugsnoeien van de buxushaagjes ook de zonnekoninklijke hond maar meteen even van zijn overtollige vacht heeft verlost.
Barok is hot, in vormgevingsland. Denk aan de radiator van Joris Laarmans, zijn afstudeerproject aan de Eindhovense Design Academy waarmee hij alle aandacht op zich wist te vestigen. Denk aan de vele varianten op de kroonluchter die de revue zijn gepasseerd, zoals van Jurgen Bey of Tord Boontje, werk dat overigens niet is opgenomen in de tentoonstelling. Maarten Baas bewerkte zijn meubels met een vlammenwerper en bestreek ze daarna met heldere epoxyhars. Nog grotesker zijn de wanstaltige, in massief brons gegoten fauteuils van Studio Job, waarvan de aluminium uitvoering hét succesnummer was van de laatste Salone del Mobile in Milaan.
Maar ook Modernisme is in in vormgevingsland, als dat althans een valide benaming is voor de heldere belijning van de Crosslight van MNO, de kubusvormige kasten in hoogglanzend kunststof van Marcel Wanders of de verrassend nuchtere vormen van een stoeltje van Joep van Lieshout. Het blijft echter lichtvoetig, zoals Sexy Relaxy van Richard Hutten, een stoel die tot wijdbeens zitten uitnodigt. Functionalisme hoeft gelukkig niet steevast te leiden tot een stijltje dat voortborduurt op de Nieuwe Zakelijkheid, zoals blijkt uit de (Non)Electrical Collection van Jacob de Baan. In het Stedelijk is van hem een lamp te zien die kaarslicht optimaliseert door slim gebruik te maken van reflecterende verf aan de binnenkant van een lampenkapje. Functioneel is ook het hergebruik van materiaal in de prachtige tafel van resthout door Piet Hein Eek, de vloerpanelen en de zelfbouwkeuken van Maxime Ansiau. Het adagium ‘Form follows function’ wordt zelfs hilarisch met betrekking tot Frank Tjepkema’s Do Break. Een latex binnenvorm houdt de scherven van deze vaas bij elkaar, nadat de koper hem doelbewust gebroken heeft.
In vormgevingsland zijn er ongetwijfeld nog andere trends dan Barok, Modernisme of een hybride vorm van die twee. “Uit Nest kan worden geconcludeerd, dat er in Nederland momenteel geen leidende stijl of stroming in de vormgeving heerst, maar dat er op velerlei gebied en in verschillende sferen goede ontwerpen worden gemaakt, waardoor een rijkgeschakeerd beeld bestaat”, staat er in het persbericht. Het zal voor de jury van de Gemeentelijke Kunstaankopen 2004 niet eenvoudig zijn geweest om een representatieve keuze te maken. Ook ontwerpers buiten Amsterdam konden ditmaal inzenden. Bovendien lag niet eerder de nadruk op (industriële) productvormgeving, na eerdere aandacht voor toegepaste kunstvormen als edelsmeden en textiel. Het Stedelijk had op dat gebied, zo blijkt ook uit de selectie van minder recente objecten, een achterstandje weg te werken. Bij de afweging zullen dan ook bij elke inzending wisselende criteria gegolden hebben.
Toch had de tentoonstelling wat meer duiding kunnen gebruiken. Er mag dan geen gemeenschappelijke stijl zijn, er lijkt wel sprake te zijn van een gedeelde, licht ironische mentaliteit en een vergelijkbare ontwerpsituatie: bij gebrek aan een grootschalige industriële infrastructuur zijn Nederlandse vormgevers allen zelfproducerend. De noemer For Real (Kunstaankopen 1999) bleek ook veel te kunnen omvatten, maar maakte wel een nieuwe generatie kunstenaars zichtbaar. Nu zit het met de zichtbaarheid van (jong) design wel goed, het is ook buiten het museum alomtegenwoordig. Jammer is vooral dat Nest als tentoonstelling zo neutraal is dat het momentum onbenut blijft. Het was goed geweest als de selectiecriteria van de jury, die gezien de vele inzendingen streng moest zijn, waren geëxpliciteerd. Zodat de bezoeker al voorvoelen kan wie er zal worden aangekocht, en wie bedeeld wordt met de poedelprijs.

NEST. ONTWERPEN VOOR HET INTERIEUR
Voorstel tot de Gemeentelijke Kunstaankopen 2004
t/m 15 mei 2005

Stedelijk Museum Amsterdam, PostCS, Oosterdokskade 5, Amsterdam, dag 10–18, do 10–21

PARADISE GIRLS

Martijn Verhoeven

Soms gebeurt het opeens. In de bioscoop, normaal toch het domein voor blockbusters als Bridget Jones, Hitch en Shall we dance?, draait een film zo fraai en scherp geslepen als een klein diamantje. Zo’n film is Paradise Girls namelijk. Regisseur Fow Pyng Hu laat drie jonge Aziatische vrouwen op drie verschillende plekken op de wereld worstelen met het paradijs, om er vervolgens aan te kunnen ontsnappen. Het begrip paradijs heeft bij Pyng echter veel verschillende betekenissen. Wat wij denken dat het paradijs is, is vaak het verloren paradijs.
Paradise Girls is opgebouwd als drieluik dat ons van Amsterdam via Ekelen naar Hongkong brengt. Drie leeftijdsgenoten zijn vriendinnetje, dochter of zelfs al moeder. De meisjes van twintig zijn het allemaal: liefje en nog puber tegelijk en ze hebben inmiddels een leeftijd bereikt waarop ze moeten leren verantwoordelijkheid te dragen. Er zijn geen moeders in deze film: de meisjes zijn paradijselijk verweesd en onbeschreven en moeten zichzelf leren kennen in relatie tot de mannen in hun leven: stereotype mannen, vermomd als lompe vriendjes, besluiteloze vaders, profiteurs of onschuldige kinderen. Het verhaal zit eigenlijk helemaal niet zozeer in wat de meisjes meemaken – dat is vrij triviaal – maar meer in wat zij bewerkstelligen: doordat zij ieder op een beslissend moment het roer in handen nemen, redden ze niet alleen zichzelf maar ook hun omgeving. Aan het eind belanden we in Thailand waar de drie meisjes op een droomachtig strand vluchtig met elkaar in contact komen en ook weer uit elkaars zicht zullen verdwijnen.
Vijf jaar na zijn wonderschoon debuut Jacky, over een Chinese railtender bij de Nederlandse Spoorwegen, heeft Pyng Hu met Paradise Girls een complexe en tegelijkertijd subtiel humoristische film gemaakt. De gevoeligheid voor culturele verschillen lijkt in zijn botten te zitten en speelt hij op diverse niveaus uit: tegenover de banaliteit van dronken discogangers in de Hollandse frietkraam staat de mysterieuze schaduwwereld van Chinese restaurants die na sluitingstijd veranderen in karaokebars. En tegenover een ongeïnteresseerde Hollandse jongen staat zijn springerige enthousiaste Japanse vriendinnetje die voor alles in is. De terloopse schoonheid van het camerawerk heeft in de film een bijzondere functie: hierdoor maakt Pyng Hu de pijn van het leven en het loslaten ervan met een mooie combinatie van milde spot en heilige ernst op een bijzondere manier voelbaar. En we weten: het paradijs houdt zich schuil ergens tussen die beelden, tussen voelen en doen, voorafgaand aan drama en handeling.

PARADISE GIRLS, regie Fow Pyng Hu, met Eveline Wu, Kei Katayama e.a.

in 7 bioscopen (vanaf 3 maart 2005)

Sjarels Angels

Barbara Lodde

Het zijn er drie geworden. Drie vrouwen als nieuwe stadsconservatoren voor het Boijmans, alsof het niet op kan. Waarom zou Ex hiervoor gekozen hebben? Zou hij het woordgrapje niet hebben kunnen weerstaan? Ergens vind ik dat dan wel weer leuk van Ex, want een stelletje coole chicks die als Sjarels Angels het gebouw onveilig maken, en zich al schietend, schoppend en slopend een weg banen door het museum, willen we allemaal wel aan het werk zien. Het enige dat me er aan stoort is dat ik er geen van ben. En dat terwijl ik me zo intelligent mogelijk heb opgesteld tijdens het sollicitatiegesprek. Tijdens het gesprek zei Ex: “ik wil een Streetgallery openen, en dat moet de stadsconservator dan invullen. Ik heb er een enorm artikel in de Telegraaf mee gekregen dus het is een succesidee”. Beleefd vroeg ik: “wat bedoelt u daarmee?” “Een Streetgallery is een gedeelte van het museum waarin je binnen loopt zonder te betalen . Er is kunst te zien, en je kunt gratis doorlopen naar de bookshop en het restaurant.” Waarop ik antwoord: “Maar meneer Ex, heet dat niet gewoon ‘de entreehal’ van een museum? Het Groninger museum heeft het al zo, en het Boijmans heeft het al bijna zo.” “Ja Barbara, als je meteen zo moeilijk begint te doen over een briljant concept dan houdt het natuurlijk snel op.” Exit Barbara Lodde for Boijmans. Ik moest duidelijk door naar de volgende optie.
Een meelevend vriendinnetje mailde mij daarom van de week een E-flux advertentie waarin Casco om een nieuwe directeur vraagt . Nu heb ik er moeite mee om mij te gaan verdrinken in de zee van kunstenaarsinitiatieven die Nederland rijk is, maar Casco kan er gelukkig nog wel mee door. Het is best bekend en staat goed aangeschreven. Ander voordeel van een kunstenaarsinitiatief: als iets niet helemaal geslaagd is, zeg je gewoon: “ach, het was een experiment.” Ter voorbereiding op de sollicitatiebrief besloten we op expeditie naar Utrecht te gaan, zodat we beiden (ja, zij solliciteert ook) beslagen ten ijs kunnen komen. We hebben namelijk nog nooit een project van Casco gezien, en de mensen die ik om tips vroeg ook niet. Wel was iedereen zeer lovend over Casco: conceptueel en innovatief zijn de woorden die ik het meest mocht noteren. Dat is knap: niemand die ooit een project ziet en toch heeft Casco een gouden reputatie! Op naar Utrecht dus. Veel te middeleeuws die stad, na lang dwalen door stegen en langs grachten vonden we Casco. Toen we de stralend witte ruimte binnen stapten, voelde ik me meteen op mijn gemak. Ongetwijfeld is het een van de beste kunstenaarsinitiatieven van Nederland, maar wat me vooral erg aansprak was de minimalistische wijze van presenteren. Er was zowat niets te zien in Casco. Wat gezeefdruk op de muur, een tafeltje en een boekenrekje; een kind kan de was doen. Echt iets voor mij. Mijn rode haar doet het erg goed bij een minimalistisch interieur en in niksdoen ben ik een kei. Maar wat me helemaal over de streep trok was de belofte in de advertentie dat je mag kiezen tussen in je eentje de baas spelen of met anderen. Welnu: hier mijn gouden, niet geheel zelfverzonnen idee: we doen het met z’n drieën! Met dat verschil dat ik natuurlijk geen Casco Angels ga voorstellen, want dat klinkt niet lekker. Ik neem gewoon twee boys erbij. Twee leuke Casco Boys. Wedden dat ik daarmee het bezoekcijfer van Casco enorm ga opkrikken?

In Media Res

Nils van Beek

Een goede openingszin is een serieuze zaak. Met die eerste woorden ligt de toon vast en moeten verwachtingen worden waargemaakt. Of het doel nu amoureus succes is, toegang tot een hippe club of een onvergetelijk romandebuut maakt in dat opzicht geen verschil. Maar wordt door de gemiddelde vernissage ontsloten? Wanneer de deuren van een expositie opengaan zijn alle artistieke keuzes al gemaakt, ook wanneer het getoonde niet kan bestaan zonder directe interactie met het publiek.

Men kan een verhaal echter ook beginnen ‘in media res’, door er uit bravoure of schaamte maar meteen middenin te springen. Deze stijlfiguur past bij de werkwijze van het kunstenaarsduo Dijkman/Osterholt, zoals tijdens hun verblijf in het mobiele atelier van Beyond in de grootste Vinex-wijk van Nederland, Leidsche Rijn bij Utrecht. Op verkenning in de buurt viel hen het vele meubilair op in de afvalcontainers, nog in prima staat, maar bij de definitieve styling van de zojuist betrokken stulpjes alsnog in ongenade gevallen. Dijkman/Osterholt heeft het huisraad verzameld en in de buitenlucht thematisch opgesteld en uitgelicht als de stijlkamers van IKEA. Het bleek een beeld te zijn dat veelzeggend was voor de locatie. Huizen en interieurs komen linea recta uit een catalogus en worden gewisseld wanneer de mode dat voorschrijft. Het wonen wortelt er niet, en van een werkelijk gedeelde publieke ruimte lijkt geen sprake.

Toen het Bossche kunstenaarsinitiatief Artis hen uitnodigde voor een solotentoonstelling, stelden Dijkman en Osterholt het project Segment XV, ‘Basis’ voor, dat past in de lijn van hun werk in Leidsche Rijn. In de voormalige sigarenfabriek werd een indoorcamping opgezet, waar maar liefst 23 kunstenaars korte of langere tijd kunnen verblijven en werken. De deelnemers kunnen dit naar eigen inzicht doen, zij worden niet kunstmatig uit hun dagelijkse praktijk gehaald.

Dijkman/Osterholt heeft bewust voor een grote diversiteit gekozen. Er doen kunstenaars mee als Monica Aerden die vanuit een autonome, materiële beeldtaal vertrekken, maar ook meer conceptueel ingestelde kunstenaars als Jetske de Boer/S.T.O.P. of Tilmann Meyer-Faje die in rondleidingen de openbare ruimte ondergeschikt maken aan hun eigen ficties. Niet de consensus wordt in ‘Basis’ gezocht, of afgeronde resultaten, maar dissonanten en debat, met als inzet de publieke ruimte van Den Bosch.

In media res. Na de openingsavond op 9 januari met presentaties van de deelnemers (Elke Uitenhuis als zingende slaapzak, Toine Klaassen met een taart van bijeengeraapte vuurwerkhulzen), werden zij in een ouderwetse dropping afgezet op verschillende plaatsen in de stad. Het verloop van ‘Basis’ is te volgen op de website van Artis, www.artisden bosch.nl. Elke zondag vinden er openbare discussies plaats, waarbij alle kunstenaars aanwezig zijn. Op 13 februari zal tijdens de finissage de balans worden opgemaakt. In het slechtste geval eindigt ‘Basis’ in wijdlopige nietszeggendheid, maar het is de moeite waard dat risico te nemen. Al is het maar om de openbare ruimte niet volledig over te leveren aan door commercie gedicteerde masterplannen.

SEGMENT XV, ‘BASIS’, Dijkman/Osterholt, t/m 13 februari 2005

Artis, Boschveldweg 471, Den Bosch, info@artisdenbosch.nl, do t/m zo 14–20

Wijsheid, inzicht, schoonheid, ongereptheid, romantiek – wat is dat toch allemaal… precies. Kunstenaars weten dat natuurlijk ook niet, maar ze kunnen wél aantonen dat zulke zaken bestaan. Een kunstenaar die dat beoogt, weet dat kinderen, dieren, meisjes, vrouwen en bloemen de potentiële ‘plaatsen’ zijn waar die dingen zich soms aan ons vertonen. Fotografie en video zijn als technische media uitermate geschikt, en misschien wel speciaal uitgevonden, om die thema’s te betrappen in de waarneembare wereld. Maar: één milliseconde te vroeg of te laat met de camera en wég is het moment. Wijsheid, inzicht, schoonheid, ongereptheid, romantiek – ze zijn lastig te vinden en eigenlijk niet te verbeelden. Ook niet in een kunstwerk, want de overdracht is vluchtig en fragiel als een radiogolf, waar een ontvanger heel precies op moet worden afgestemd.

De foto’s van Arno Nollen in de tentoonstelling in De Hallen zijn afgedrukt op lange stroken halftransparant papier, die als banieren in de ruimte zijn gehangen. Wie het lukt om het storende videogeluid van een ander werk in de expositie te negeren krijgt een prachtige ervaring: een wandeling door een menigte van jonge frêle vrouwenlichamen, vastgelegd op een moment waarin zowel hun kracht als hun enorme kwetsbaarheid besloten ligt, larger than life. Nollen fotografeert bijna uitsluitend jonge vrouwen en meisjes. Hij loopt met ze weg, ze zijn een fascinatie, want ze zijn voor hem de dragers van alle deugden. Nog niet gerijpt, misschien wel omdat ze niet weten wat ze in zich hebben en wat in het verschiet ligt. De installatievorm waarin Nollens werk gepresenteerd wordt werkt uitermate goed, de gedachtesprongen die het in je hoofd weet op te roepen mag je meenemen naar de andere drie tentoonstellingen, ze vinden daar eveneens weerklank.

Helemaal boven is een ruime zaal ingericht met foto’s van Araki, de Japanse fotograaf die een wereldwijde sterrenstatus bereikte met de expliciete seksualiteit in zijn beelden. Lichtvoetig, maar fanatiek precies en met een soort hondse humor arrangeert hij de vrouwen, touwen, haren, bloemen, slangen en hagedissen in perfect licht en compositie zodat dat wordt blootgeven waar hij naar op zoek is. Op een video zie je Araki in een documentaire op die manier ‘bezig’ met zijn modellen, zijn achtergrond als reclamefotograaf is duidelijk merkbaar. De modellen roemen zijn prettige manier van werken, en het haantje in hem grapt en sneert en gooit nog meer mannelijkheid in het spel. De hele mêlee veroorzaakt de concentratie die nodig is om het onderwerp te laten open bloeien, de intrinsieke schoonheid te tonen. Voor de spektakel makende kunstenaar is dan het moment bereikt om het vast te leggen in een beeld, want daarna zal hij het weer verliezen.

Zo, op één fascinatie gericht, werkt ook Cor Dera. Hij fotografeert echter niet zelf, maar werkt met bestaande natuurfoto’s uit boeken en tijdschriften. Dera analyseert de clichés over de natuur die daarin zichtbaar zijn gemaakt. Niet wantrouwig, maar vanuit een overtuiging dat er inderdaad ergens ‘iets’ noodzakelijk voor ons mensen te zien zal zijn – als dat maar juist ontrafeld wordt. Helder gemaakt wordt, zodat het ons kan aanspreken. Hij snijdt foto’s en fragmenten uit en ordent ze in series, op een manier die nieuwe, vaak formele, verbanden legt en zo de ‘natuurlijkheid’ van de foto als representatie deconstrueert. Het gaat in het getoonde werk over de manier waarop wij mensen naar de natuur kijken, een manier die – dat mag gezegd worden – op zijn minst dubbelzinnig is. Om een uitstervende pandabeer maken we ons vreselijk druk en met geldslorpende fokprogramma’s proberen we het dier in stand te houden dat weigert in gevangenschap te paren. Onderwijl halen de duizenden soorten tien- tot twaalfpotige bodeminsecten die jaarlijks uitsterven de krant niet. De mens houdt van het soort natuur waar hij zichzelf in terug kan zien: vier poten en een zacht velletje, vragende, reebruine ogen. De natuur beelden we af zoals wij onszelf graag zien, gunstig belicht en mooi gekleurd, omgeven met een soort van geluk.

De hoofdrol in de tentoonstelling die Dera hier maakte is weggelegd voor Dufte, een gorillavrouwtje uit de Berlijnse Zoo die door haar verzorger liefdevol vanaf haar geboorte werd gefotografeerd. We zien haar lachend in een luier en een truitje thuis bij de verzorger op de bank; en terwijl haar habitat zich bij het ouder worden verplaatst van de huiskamer naar de omheinde grasheuvel in de dierentuin, veranderen haar trekken van snoezig naar woest. Het beeld van Dufte is echter altijd vermenselijkt, als maatje van haar verzorger, in haar lot als dierentuinbewoner – en als ze dan toch lijkt op een gorilla die je in het oerwoud van Rwanda zou kunnen tegenkomen, dan zelfs gaan onze gedachten naar ontbossing en uitsterven, naar National Geographic Channel en Diane Fossey. De fascinatie van Dera met dit vreemde proces van beeldvorming is herkenbaar, maar het is Duffe die het ons laat zien.

Te midden van al deze foto’s van en over fascinaties, waarin zorgvuldig gezocht wordt naar de gemene deler van particuliere aspecten, naar het onkenbare in het detail, speelt op een scherm op de tussenverdieping luidruchtig een film van Joost Conijn. Siddieqa, Firdaus, Abdallah, Soelayman, Moestafa, Hawwa en Dzoel-kifl heet de film, naar de kinderen die er in te zien zijn. Ze lijken niet van onze wereld maar dat zijn ze wel, want Conijn vond ze onder zijn neus, in het Westelijk havengebied van Amsterdam waar hij woont en werkt. Daar spelen ze elke dag, zomer en winter, rond de caravan waarin ze wonen, met alles wat voorhanden is. In alle opzichten zijn ze zelfvoorzienend: ze koken, stoken vuurtjes als het koud is, bouwen huisjes, repareren brommers en fietsen, halen oud brood bij het vuilnis van de bakker, slopen wat gesloopt moet worden en leren elkaar hoe je dat allemaal klaarspeelt. Vanzelfsprekend zonder educatie door volwassenen ontplooien ze hun karakters en de vaardigheden die ze nodig hebben.

De kunstenaars ontsluieren de werkelijkheid en ontdoen haar van hardheid. Ze kunnen dat omdat ze willen geloven dat ‘het’ er is. Ze weten dat ‘het’ te vinden is dicht bij kwetsbaarheid en aan het begin van ontwikkeling, voor de bezoedeling plaats heeft. Als kijker moet je mee of niet en toch ten minste jezelf afvragen in hoeverre opvattingen en clichés over kindernaaktheid, porno, dierenleed en opvoeding je beletten te zien en te ervaren dat hier toch troostrijke wijsheid, inzicht, schoonheid, ongereptheid, romantiek te vinden is.

ARNO NOLLEN, JOOST CONIJN, COR DERA, ARAKI, t/m 6 maart 2005

De Hallen, Grote Markt 16, Haarlem, di t/m za 11–17, zo en feestdagen 12–17

East Meets West

Eduard Naaijkens

Roze was jarenlang een verboden kleur in China. Het was de kleur van de bourgeoisie vijanden van het proletariaat, de communistische staat en dus de mensheid. De kunstenares Lu Luo gebruikt veel roze in haar werk – als provocatie en als verwijzing naar de uitwassen van de culturele revolutie. Lu is de echtgenote van Zhuang Hong Yi, de kunstenaar uit Sichuan die in 1992 naar Nederland emigreerde en sindsdien onder meer in het Groninger Museum exposeerde. Het huwelijk tussen Lu en Zhuang heeft niet alleen een dochter opgeleverd maar werkte blijkbaar ook een artistieke kruisbestuiving in de hand. In Zhuangs nieuwste werk duikt veelvuldig de kleur roze op. Eigenlijk is het geen roze, maar verbleekt rood. Het rood van de stempels die Zhuang op de achterkanten van zijn schilderijen zet. Het rood van de traditionele figuurtjes op de vellen rijstpapier waar hij zijn donkere, in dikke lagen verf en met gel overdekte koppen overheen schildert. Het rood van een communistisch China – dat met afstand en tijd steeds valer, milder, roziger wordt.
Het kleurgebruik is niet het enige waar Lu’s invloed in te herkennen is. Werkte Zhuang vroeger vooral in een expressief, abstract idioom – een reactie op het sociaal-realisme dat hij in China kreeg voorgeschreven – zijn nieuwste werk is zonder uitzondering figuratief. Het jongste werk – allemaal zonder titel, dat wel – bestaat vooral uit portretten en bloemen. Een sculpturaal vijfluik van vrouwentorso’s beplakt met reepjes kunststof, textiel en propjes ruwe katoen lijkt zelfs een regelrecht antwoord op de installaties met theaterkostuums van zijn vrouw.
Wat gebleven is in Zhuangs werk is de bewuste en duidelijke koppeling van oosterse en westerse beeldtaal. ‘Gemengde techniek’ betekent bij hem ook daadwerkelijk een combinatie van zeer verschillende bouwstenen. Rijstpapier en stempels gaan een verbintenis aan met westerse schildertechniek. Het effect is er een van gelaagdheid. Bij Zhuang is de voorstelling altijd meervoudig. Nooit zie je maar één afbeelding; het zijn er altijd minstens twee. En het is de bedoeling dat die wisselwerking resulteert in een derde. Of zoals het in de titel van Zhuangs expositie bij Galerie Krijger + Katwijk heet: East meets West.
Nou is dat een frase die wel vaker gebezigd wordt. Zoals onlangs nog bij de tentoonstelling Van Ming tot Memphis in het Groninger Museum, thuisbasis van Zhuangs Nederlandse ‘ontdekkers’. Bij die tentoonstelling waarin oud Chinees aardewerk tegenover hip Italiaans design uit de jaren tachtig werd gezet, werkte het contrast bij vlagen. Maar alleen op die momenten waarop de botsing oud en nieuw, oost en west een nieuw licht werpt op beide partijen. En liefst nog tot een synergetische optelsom van 1+1=3 leidt.
In het werk van Zhuang kan je je afvragen wat de meerwaarde is van de combinatie. Hoe esthetisch aantrekkelijk zijn grote panelen ook zijn, het overschilderen van stempels en volksvlijt lijkt steeds meer op een kunstje. Oost en west gaan hier een koude fusie aan. Van creatieve frictie die tot denken aanzet of vraagtekens zet, is geen sprake. Veel verder dan het vaststellen van een gespleten identiteit van de maker, kom je als kijker niet. Daarvoor zijn de gebruikte symbolen te formalistisch en algemeen. Bij Zhuang word je niet geconfronteerd met de cultuurshock die East meets West impliceert. Dat was bijvoorbeeld wel zo bij Chen Zhen, van wie vorig jaar de tentoonstelling Dancing Body / Drumming Mind te zien was in het Haagse GEM. Daar was de ontworteling bijna voelbaar. De in 2000 aan een bloedziekte overleden Zhen liet zijn Chinese jeugd en zijn Europese volwassenheid op heel persoonlijke wijze botsen door westerse geneeskunst en Chinees medisch holisme samen te brengen. Bij Zhuang mis je die persoonlijke invulling. Zijn crossculturele laagjeskunst blijft hangen in een ietwat academische vormoefening.
Maar wellicht heeft Zhuang dat zelf ook door. Want in een van de meest recente werken bij Krijger + Katwijk beperkt de kunstenaar zich tot enkel verf. In heerlijk tactiele vegen zwart, rood en wit zet hij op een rond doek een indringend portret neer. Hier spreekt niet de cultuurrelativist Zhuang maar de schilder Zhuang. Hij hoeft niet per se iets te zeggen over hier en daar, toen en nu. Dit werk gaat enkel over verf en expressie. En dat maakt het meteen tot de topper in de expositie.

EAST MEETS WEST, Zhuang Hong Yi, t/m 6 februari 2005

Galerie Krijger + Katwijk, Lange Leidsedwarsstraat 198–200, Amsterdam, wo-za 12–18, 1e zo v/d maand 14–17

Angst en Ruimte

Lotte Haagsma

Angst is een vaag, subjectief en ongrijpbaar gevoel. Angst is actueel, angst grijpt om zich heen, angst bepaalt het publieke debat, angst geeft richting aan de huidige politiek, angst doet ons verlangen naar vervlogen tijden… Het moment dus om ook in de architectuur aandacht te besteden aan dit fenomeen.

In december 2004 verscheen het boek Angst & Ruimte, de visie van jonge ontwerpers in Nederland. Deze publicatie bevat projectpresentaties van de vier groepen, DUS, Shine 5.0, Mr. Smith en Untitled, die deelnamen aan Groepsportretten 2004 (GP04). Groepsportretten is een initiatief van het Stimuleringsfonds voor Architectuur en het Fonds BKVB, hiermee trachten zij “het enthousiasme en de onbevangenheid van jonge ontwerpers aan te wenden voor vraagstukken die van grote invloed zijn op de ruimtelijke inrichting van Nederland”. In de inleiding van het boek stellen Theo Hauben en Marco Vermeulen van Urban Affairs (organisator van GP04) dat “het verlangen naar veiligheid de leefomgeving (heeft) uitgekleed en gestandaardiseerd”. Ze vragen zich af of het niet anders kan, of we het ook kunnen hebben over de risico’s die we wel bereid zijn te nemen. Zij gaven deze editie van Groepsportretten het thema ‘angst en ruimte’ mee.

De beschrijving van het ziektebeeld, Techno-Democratic-Phobia, van Mr. Smith levert een mooie en sterke analyse van het fenomeen angst in de stedelijke ruimte op. Het ziektebeeld vormt tegelijkertijd ook de motivatie en het kader van het onderzoek van Mr. Smith, de naam van één van de deelnemende groepen. Het syndroom van Mr. Smith heeft een lokaal karakter, het is ontstaan in de 1ste Middellandstraat in Rotterdam. Maar het heeft ook een globaal aspect, Mr. Smith legt namelijk een verband tussen de lokale situatie en de wereldwijde sociaal-economische ongelijkheid. Deze ongelijkheid leidt tot criminaliteit en terrorisme die ook in de 1ste Middellandstraat een thuis hebben gevonden en waar de bestuurders van de stad op reageren met controle, bewaking en beveiliging. Treurig is alleen dat kenmerken van deze controlemaatschappij, zoals de beveiligingscamera’s, alleen maar meer angst oproepen bij Mr. Smith.
DUS biedt een ‘bakje troost’, troost als wapen tegen angst. Hun onderzoek leidde onder meer tot een performance in de openbare ruimte. Op het Deliplein in Rotterdam werd een bar ingericht waar voorbijgangers en bewoners een kopje koffie konden drinken. Voor kinderen ontwikkelde DUS het krijthuisje, met schoolbordzwarte wanden die met gekleurd krijt versierd (en zo toegeëigend) konden worden. Ze ontdekten dat kinderen veel vrijer met het huisje omgingen als dat in een klaslokaal was opgesteld, dan wanneer het buiten op een plein stond. DUS probeert door middel van het toevoegen van een element een analyse te maken van het gedrag van mensen in de openbare ruimte.
‘Angst is verbeelding’ vormt het uitgangspunt van het onderzoek dat Shine 5.0 deed: “Angst wordt niet veroorzaakt door ruimte, het is de ruimte die wordt geherinterpreteerd aan de hand van mentale beelden die vergezeld gaan van een stereotype.” Shine 5.0 richtte op verschillende plekken in Rotterdam een ‘denkbeeldige woonkamer’ in. Hier konden buurtbewoners hun lokale en persoonlijke verhalen optekenen en delen met anderen. De gebeurtenissen in en rond de ‘woonkamers’ werden gefilmd en die beelden werden weer vertoond op de volgende locatie waar de rondreizende woonkamer neerstreek. De woonkamer als wapen tegen de anonimiteit van de openbare ruimte.
Ook Untitled projecteerde zijn onderzoek naar angst en ruimte op Rotterdam: “Vanuit de verte biedt de skyline van Rotterdam de belofte van stedelijke intensiteit, maar eenmaal in de stad, op de grond, blijft hier niets van over. Wat resteert is een stedelijke scenografie vol controlemeubilair”. Untitled ‘omarmt’ het Rotterdamse verlangen naar een stad vol torens en vraagt zich af hoe die torenvolumes zich verhouden tot het publieke domein op de grond. Untitled ontwierp twee versies van torens met pleinen. Het ene bestaat uit twee torens met een plein ertussen en het andere uit een toren met een plein er in.

De vorige aflevering van Groepsportretten in 2002 had als thema ‘City Branding’, daarbij kreeg ieder deelnemend bureau locaties in twee steden toegewezen. Ook toen was er sprake van een behoorlijk abstract thema, maar daar stonden wel concrete locaties tegenover. Nu is het thema ‘angst & ruimte’ mogelijk nog ongrijpbaarder, er zijn dit keer geen locaties toegewezen en daar komt nog bij dat de groepen multidisciplinair zijn samengesteld en voor een deel voor de gelegenheid zijn samengesteld. Er viel dus veel te kiezen en te onderzoeken, en dat is waarschijnlijk een belangrijke oorzaak van het wat onsamenhangende en krachteloze resultaat. De publicatie, het blijvende product van Groepsportretten 2004, is dan ook niet echt een sterke inleiding op het thema ‘angst & ruimte’ geworden. Ondanks het feit dat er zeer interessante bijdragen in staan van onder anderen Benjamin Barber, Joshua Karant en Moritz Küng.
Een degelijke analyse van Mr. Smith, een vriendelijk project van DUS, een – zoals ze het zelf omschrijven – ‘losjes provocerend’ onderzoek van Shine 5.0 en een formalistisch ontwerponderzoek van Untitled. Koffie, torens, een woonkamer en een speelhuisje als middel bij het onderzoek naar angst en ruimte. Alles kon en alles mocht, hét ideaal van jonge ontwerpers. Vergeten werd alleen dat vrijheid vooral intens beleefd wordt als het veroverd moet worden en dat als alles mag, vrijheid nogal eens verlammend werkt.

ANGST EN RUIMTE, de visie van jonge ontwerpers in Nederland
NAi uitgevers, ISBN 90 5662 422 9