Fabiola

Rob Perrée

Ik mis Fabiola.
Niet die ex-koningin van België.
Die is in de heer.
Die heeft haar menselijkheid reeds lang afgelegd en mag niet meer door normale mensen zoals u en ik gemist worden.
Ik bedoel Fabiola, het levende kunstwerk.
De vrouw die op cruciale momenten opdook op cruciale plaatsen in Amsterdam.
Uitgedost in een gewaad van vuilniszakken en wasknijpers maar met een waardigheid een koningin waardig.
Haar gezicht verborg zich achter een mysterieus masker van goedkope
HEMA make-up.
Haar voeten strompelden zich voort in Waterlooplein-hakken.
Haar mannelijkheid had ze afgebonden met een oude, vermoeide poetslap.
Met behulp van de banale werkelijkheid had ze zich aan de werkelijkheid ontworsteld.
Zoals het een goed kunstwerk betaamt.
Waar is ze gebleven?
Kunstwerken sterven toch niet, kunstwerken leven toch voort?
Ik moest aan haar denken, omdat ik een boek las over Barones Elsa, die Berlijnse danseres
die optrad in dubieuze theaters en dubieuze bedden van de serieuze avant-garde.
Ze verhuisde in 1917 naar New York en werd daar de Fabiola van de kunstscene.
Ze schoor zich kaal, schilderde haar hoofd in wilde kleuren en verhulde haar ware sekse achter een androgyne vermomming.
Opnieuw sliep ze zich door de avant-garde, maar had daarbij een zwak voor de homoseksuele man, omdat ze hem in opperste verwarring kon brengen.
En dat is wat ze wilde.
Verwarring stichten.
Ze bracht zelfs het hoofd van Marcel Duchamp op hol… en leverde hem zijn pisbak.
Niet wetende dat ze hem daardoor de eeuwige roem verschafte.
Haar goedgeefsheid was boven de banaliteit verheven.
Zijn kunst verhief zich via de banaliteit.
Haar kunst was haar zijn.
Maar dat soort kunst komt niet in de boeken.
Het wóórd performance bestond nog niet.
Laat staan het genre.
Foto's waren nog plaatjes voor de rijken.
Zij verkeerde wel onder de rijken, maar was het niet.
Haar leven was een kunstwerk dat met haar stierf.

Levende kunstwerken sterven wél.

Daarom moest ik aan Fabiola denken.
Is ze dood?
Is ze ziek?
Moet ze gerestaureerd worden?
Weet ze wel dat ze het van het nu moet hebben?
Want ook zij koerst af op het grote vergeten.
Zeker in een land zonder avant-garde om het bed mee te delen.
Bij deze beloof ik haar in een artikel te eren.

Alleen moet ik dat wel even opschrijven, anders ben ik het morgen weer vergeten.

P.S.
Iemand ooit van Pim Fortuyn gehoord?

BRAAF, is mijn eerste reactie op de tentoonstelling Art Primeur in Dordrecht: het is allemaal wel erg braaf. Mooi uitgevoerde kunstwerken, professioneel ingerichte tentoonstelling, ieder werk krijgt de ruimte en er is een goed verzorgde catalogus. Maar ik mis een noodzaak, het is allemaal zo mooi, doorwerkt en technisch perfect afgewerkt. Er bekruipt me een verlangen naar ruwe en bijeengeraapte installaties, naar lelijke dingen en ranzige details, naar ‘over the top’, naar heel groot of heel klein, naar fascinerende krabbels en slecht gemonteerde video’s, naar humor, boosheid of verdriet. Het is allemaal zo ont-zet-tend keurig.

Sinds 1995 organiseert de Stichting Art Primeur elk jaar een tentoonstelling met pas afgestudeerde kunstenaars van de verschillende kunstacademies in Nederland. De selectie van 2002 is uitgebreid met een nieuwe lichting beeldend kunstenaars uit Oostenrijk, Tsjechië, Hongarije en Slowakije. Art Primeur wil een podium bieden voor startende kunstenaars, jonge ‘veelbelovende’ academieverlaters kunnen zo in contact komen met galeriehouders, curatoren, verzamelaars en andere geïnteresseerden. De pas afgestudeerden worden geselecteerd door een commissie van deskundigen (mensen uit de museumwereld, galeriehouders, beeldend kunstenaars en publicisten).

De Nederlandse selectie bestaat voornamelijk uit werken die een herinnering oproepen aan beroemde hedendaagse kunstenaars als Mark Manders, Luc Tuymans en Rineke Dijkstra. Ik weet ook wel dat het niet eenvoudig is om steeds met iets nieuws te komen en ik vind dat ook niet nodig. Maar een eigen verhaal onderzoeken en vertellen en niet bang zijn voor onvolkomenheden, lijkt me toch een stuk uitdagender voor beginnende kunstenaars. Ik wil graag verrast worden door een onderzoekende houding. Een handschrift dat duidelijk nog niet uitgekristalliseerd is maar nieuwsgierig maakt naar de verdere ontwikkeling van de beginnende kunstenaar. Geen kunstwerken die helemaal ‘af’ zijn en waar er nog wel tientallen van zullen volgen. Enkele kunstenaars uit de Oost-Europese selectie van Art Primeur hebben nog wel wat rafels te bieden. Radka Müllerová (Academy of Fine Arts te Praag) toont een interactief ‘schilderij’. Dit schilderij wordt op de muur geprojecteerd. Met de muis van een computer kun je de sciencefiction figuur in een liefelijk landschap met eendjes aanklikken. Het schilderij wordt film. De figuur vist een eendje uit de vijver en met zijn dode buit loopt hij door het landschap. Bij een flatgebouw aangekomen valt het beeld stil en kun je als toeschouwer klikken op de verschillende oplichtende ramen van de flat. Achter ieder verlicht raam speelt zich iets anders af. Een Aziatisch stel telefoneert, een kind slaapt, een meisje ligt half ontkleed op de bank.

Er is één raam waarachter zich alleen een kleurig geschilderd interieur bevindt. Op dit raam kun je doorklikken waarna de sciencefiction figuur zich naar de kamer beweegt en zijn eend opeet. Vervolgens verschijnt hem in zijn droom iemand die hem deze ‘moord’ zeer kwalijk neemt. Het verhaal eindigt met een beeld van mediterende boeddhistische monniken.

De moraal van dit verhaal is of heel plat of niet duidelijk. De combinatie van schilderij, foto en tekening, dit alles bewerkt en interactief gemaakt met de computer, is interessant maar niet erg uitgewerkt. Waarom kan de kijker het verhaal geen andere wending geven door op een van de andere verlichte ramen te klikken? Het doel van bepaalde ingrepen, zoals het naast elkaar projecteren van twee dezelfde beelden, is onduidelijk. Al met al geen perfect kunstwerk, maar wel een werk dat vragen oproept en de aandacht trekt. Er zitten nog allerlei aanknopingspunten in het werk waar Radka Müllerová mee verder kan. Hiaten met potentieel.

Berndnaut Smilde (Academie Minerva Groningen) verkoopt zijn schilderijen in aantrekkelijke doe-het-zelfverpakking. In een bijgeleverde instructiefilm toont de kunstenaar waar en hoe het net aangeschafte kunstwerk kan worden opgehangen. Zijn voornaam is zijn merk. Naast schilderijen brengt hij ook ‘Berndnaut-imago’s’ aan de man. Een kant-en-klaar pakket met driedelig pak, mobiel en agenda, bezorgt de consument bijvoorbeeld het imago ‘self assured’. Naast het pakket wordt een ‘reclamefilm’ vertoond waarin de kunstenaar zelf laat zien wat er verwacht wordt van iemand die zich dit imago wil aanmeten. Met zijn werk reageert Berndnaut op de consumptiemaatschappij. Niet een onverwacht of nieuw onderwerp, maar wel weet hij zijn verhaal zo te vertellen dat het vragen oproept. Hij biedt niet echt een nieuw imago, hij biedt ´het verhaal van een nieuw imago´. De schilderijen die hij verkoopt zullen door sommigen zeer gewaardeerd worden. Maar welke waarde vertegenwoordigen zij, eenmaal uit hun verpakking gehaald en volgens de instructies boven de bank gehangen? Hij benadert zijn kunstwerken als consumptiegoederen, en levert zogenaamd zeer bruikbare producten. De aloude vraag naar de aard van het kunstwerk wordt door hem toch weer op een verrassende manier gesteld.

Bij deze kunstenaar geen rafels, het geheel is behoorlijk doorwrocht. Humor en een groot gebaar onderscheiden dit werk wat mij betreft van veel andere Art Primeur deelnemers. De jonge kunstenaars van Art Primeur kregen dit jaar een workshop presenteren aangeboden. In gesprekken met een aantal ervaren mensen uit het veld (o.a. Jean Bernard Koeman, artistiek directeur W139, Catherine David, directeur Witte de With Rotterdam en Maxine Kopsa, curator bij o.a. galerie Fons Welters) kregen zij adviezen bij het selecteren en presenteren van hun werk. Misschien dat de nieuwste lichting kunstenaars zo goed opgeleid en begeleid wordt dat zij als professionele kunstenaars de ‘kunstwereld’ binnenwandelen. Maar als deze professionaliteit vervolgens zo weinig te raden en te verlangen overlaat heb ik liever de onhandigheid van vroeger.

ART PRIMEUR. DE NEDERLANDSE NIEUWE LICHTING BEELDEND KUNSTENAARS ONTMOET OOSTENRIJK, TSJECHIË, HONGARIJE EN SLOWAKIJE, tm 20 mei

Centrum Beeldende Kunst, Voorstraat 180, Dordrecht, open wo tm zo 12-17

Gesubsidieerde kunst mag weer. Je mag er weer openlijk trots op zijn als je een beurs krijgt van het Fonds BKVB. Hoe anders was de algemeen geldende opinie vijf jaar geleden toen het boek De gijzeling van de beeldende kunst van Riki Simons verscheen. Zij veroorzaakte oproer in de Nederlandse kunstwereld door het subsidiestelsel de schuld te geven van het feit dat we hier niet serieus worden genomen door de internationale kunstmarkt. Bovendien zou de overheid een te grote inhoudelijke vinger in de pap hebben en daardoor elitevorming in de hand werken. Het primaat van subsidiekunst is dus verleden tijd. Net als de samenleving is de kunst alweer veel pluriformer dan een jaar of vijftien geleden. Ook de infrastructuur van kunstenland past zich daaraan aan. Er zijn meer loketten en ingangen naar geld. De rest van de maatschappij doet ook een duit in het zakje, zij het niet collectief of georganiseerd. De fondsendiskette staat er vol mee. De kunstenaar die op zoek is naar de mazen in het net, vindt gelijkgestemde geesten in het bedrijfsleven en in maatschappelijke verbanden die zich inzetten voor milieu of politiek en gaat zo relevante allianties aan met het dagelijks leven. Het ooit vaste patroon dat de jonge kunstenaar voor zich weggelegd zag na de academie, heeft plaatsgemaakt voor een zee aan mogelijkheden: de kunstenaar als cultureel ondernemer, met dank aan Rick van der Ploeg. Of hij het nu heeft aangewakkerd of dat de kunstwereld zich voegt naar zijn subsidievoorwaarden: het werkt. Al een paar jaar neemt het aantal aanvragen bij het Fonds BKVB af. Kunstenaars zoeken draagvlak in de maatschappij en voor het gat in de projectbegroting of voor een basisinkomen doen deze sociaal bewogen kunstenaars een beroep op een van de fondsen. Volkomen legitiem, zou ik nu tegen Riki Simons willen zeggen.

In Las Palmas in Rotterdam toont een van de hoofdrolspelers van het subsidiekunststelsel de vruchten van drie jaar steun aan de Nederlandse beeldende kunst, vormgeving en bouwkunst. Veel van die namen zijn zo bekend dat je het idee krijgt naar een nationaal keurkorps te kijken, geselecteerd door de disciplinegebonden commissies. Diezelfde namen zijn met grote regelmaat in het buitenland te vinden, op de vele biënnales, beurzen, de gastateliers, ook veelal gesteund door Hollands overheidsgeld. De presentatie geeft het gevoel van een promotiestunt van onze trots op eigen grondgebied. Stel dat ze in het buitenland nog Radka Müllerová, For You Radka Müllerová, For You steeds zeggen dat kunst hier in stand wordt gehouden door de overheid: de kunst laat zien ondanks die luxe situatie goed te kunnen presteren.

Het Fonds BKVB pakt uit voor de voorlopers. Een reeks banieren trekt je naar Las Palmas op de Kop van Zuid waar aangeplakte affiches filosofische citaten van de ontwerper Thomas Buxó op je afvuren. De kunstenaar Edwin Janssen, zelf ook ontvanger van een subsidie van het Fonds BKVB, stelde de presentatie samen. Hij hanteerde als rode draad commitment vanwege zijn eigen werk dat hij sinds 1997 met de Schotse kunstenaar Tracy Mackenna maakt. In de catalogus geeft hij toe dat het vaststellen van een thema moeilijk is als je een tentoonstelling met 120 deelnemers organiseert. Getuige van de hachelijkheid van die zaak is dat de namen van de vele niet-geselecteerde kunstenaars, ontwerpers en architecten op de vier zwarte pagina's zich in het geheel niet kenmerken door een gebrek aan commitment.

Dat de kunst midden in het leven staat en niet meer alleen aan de museummuur hangt, blijkt uit de levendigheid in de tentoonstellingsruimte. Het Fonds heeft rijkelijk uit de eigen achterban kunnen putten om ook praktische functies in te vullen die horen bij het organiseren van een tentoonstelling.

De ontvangst is in handen van het duo Orgacom. Deze specialisten in communicatie in organisaties opereren in het bedrijfsleven en maken geregeld uitstapjes in de kunstwereld om hun concepten ook daar toe te passen. Ze laten je kiezen uit 24 badges met typeaanduidingen die de motivatie voor je bezoek aangeven. Door de verschillende kleuren kun je van ver af je soortgenoten scannen. Wie weet wat een wannabee, een student en een geluksvogel elkaar te melden hebben! Het Vrouwenclubje deed het erg goed op de opening. Misschien ook een goed idee voor single parties, Orgacom?

Het Chiko & Toko Project, de kookworkshop, is ingeschakeld om de catering te verzorgen: acht Rotterdamse kinderen bieden prachtige zoetigheden uit de taartjeswinkel op een presenteerblaadje aan. De belofte "You will spend the most sweetest time with us and our home made sweets" is ingelost. Een tafel op kinderhoogte is druk bezet met kids die zich vermaken met de thematische kleurplaten van grafisch trio 75B. Consumeren hoort ook bij het leven, dus De Geuzen, a foundation for multi-visual research, verkopen nu live wat ze ook via internet aan de man brengen: bedrukte T-shirtjes met bijna 200 verschillende geuzennamen voor vrouwen. Ondanks het feit dat het niet om de meest flatteuze erenamen gaat – het is nogal moeilijk kiezen tussen teringwijf en lellebel – werd er gretig gegraaid en gekocht voor 10,- per stuk!

Het tentoonstellingsontwerp is in handen van M2R (Rotterdam). Trouw aan het ruwe karakter van het gebouw zijn de panelen en andere inrichtingselementen navenant. De beeldende kunst is in de meerderheid en binnen die discipline domineren de fotografie en het bewegende beeld. Een greep uit het aanbod: mooie foto's van Anuschka Blommers en Niels Schumm, eerder gepubliceerd in Re-magazine. Van Marjoleine Boonstra enkele bekende ‘liggende' foto's, Desirée Dolron toont werk in een nieuwe, minder verontrustende stijl. Joke Robaards bijdrage wordt gevormd door haar project in Maastricht No hortus is conclusus, dat zij bij Marres in Maastricht maakte. Haar rol als kunstenaar/fotograaf is die van mediator tussen de camera en de groep mensen, die zij portretteert op haar ‘losse' manier. Bert Sissingh laat zich zien in nieuwe archetypische huiselijke situaties met zijn vader, Martine Stig neemt afstand van de kijker, Roy Villevoye registreert momenten op reis waarbij hij de jungle confronteert met onze cultuur en vice versa. Schilderijen moet je met een loep zoeken: Ronald Ophuis, Wouter van Riessen en Michael Tedja schitteren gedrieën als beoefenaars van de moeder der kunsten.

In de categorie film en video is het genieten geblazen bij een juweeltje van Joost Conijn. Zijn Hout Auto (2002) is een film van een onwaarschijnlijke tocht langs dorpen, bergen en weilanden in Oost-Europa. Je ziet hem in de weer met het sprokkelen van hout om zijn houten auto die op hout rijdt van brandstof te voorzien. Hiervoor doet hij een beroep op locals, allemaal lachende mensen die geen cent hebben maar wel alles delen. Een prachtig document van Conijn die al eerder volkomen ingeburgerde technische uitvindingen opnieuw uitvond en daarmee sterke staaltjes droompoëzie neerzet. Deze film is net als werk van Komen & Murphy op Kunstkanaal te zien gedurende de expositieperiode. De onderwerpen van commitment van Conijn en van Komen & Murphy staan zeer ver uiteen. Conijn begeeft zich daar waar het leven materieel aan de basis staat, Komen & Murphy zijn betrokken bij de wederwaardigheden van de door overdaad aan materie verarmde geest. Van Aernout Mik wordt Glutinosity (2001) getoond, wat zoveel betekent als zwaan-kleef-aan, een als sociaal geëngageerd uit te leggen beeld van een reddingsactie in een mensenmassa. Julika Rudelius' eveneens geënsceneerde videowerk rommelt met maatschappelijke vooroordelen en taboes. Op subtiele en ingenieuze wijze laat zij een groep opgeschoten jongens in een treincoupé zeer openlijk zeer laatdunkende uitspraken doen over het andere geslacht. Door het camerastandpunt is het net alsof je bij hen in de coupé zit. Net als in de trein kun je weglopen of blijven zitten, maar in dit geval kun je er niks van zeggen.

Het site specific werk van kunstenaars als Jeanne van Heeswijk, Alicia Framis, Yvonne Dröge Wendel, Renée Kool, Gijs Müller, Hans van Houwelingen en Sjaak Langenberg laat zich niet zo gemakkelijk zien in een tentoonstellingsruimte, of het zijn afgeleiden. Zij ondernemen veelal live ervaringsprojecten in de samenleving en vallen daarmee onder de nieuwste categorie kunst in de openbare ruimte, publieke kunst, naar Ina Boitens boek. Het oprekken van dat begrip zoekt onvermoede grenzen op. Yvonne Dröge Wendel die haar laatste naam dankt aan haar kast waarmee ze in 1992 in het huwelijk trad, toont in Las Palmas haar Black Ball (2000). Op verzoek organiseert zij een eenmalige avondwandeling met de vilten bal met een diameter van 3 meter 50. Van Heeswijk draagt met haar project De Strip bij aan het leefklimaat van een probleemwijk in Vlaardingen. Een voormalige winkelstrip wordt omgevormd tot culturele zone met bijdragen van kunstenaars en wijkbewoners. Vanaf 23 mei is het project te bezoeken.

Met design en commitment ligt het anders, aldus curator Janssen. Terwijl beeldend kunstenaars commitment vrijelijk en op individueel of sociaal niveau projecteren, brengen designers vanuit een al dan niet zelf gecreëerde opdrachtsituatie verbindingen met de buitenwereld tot stand. Capsters, de sporthoofddoekjes (1999) van Cindy van den Bremen, zijn ontworpen voor moslimmeisjes, zodat ze mee kunnen doen aan sportactiviteiten, maar zijn door de eigentijdse vormgeving ook aantrekkelijk gewoon als middel tegen de kou. Werk van grote designersnamen die in het buitenland sier maken, figureert verzameld in Las Palmas: de sieraden van Dinie Besems, de couture van Niels Klavers, de stoffen van Claudy Jongstra, de prachtig subtiel aan elkaar geborduurde borden en tafellakens van Hella Jongerius, de tegelkeuken van Droog Design.

Het commitment van architecten zit hem in hun spilpositie, een kruispunt van betrokkenen zoals projectontwikkelaars, gemeentes, stedenbouwers etc, zonder wie ze überhaupt niet zouden kunnen werken. In Las Palmas is een indrukwekkend pakket aan (voorgestelde) woon- of recreatievormen te zien. Bik van der Pol stelde in Museum De Paviljoens in het immer groeiende Almere een geabstraheerde woning ten toon waarin bezoekers de inrichting vrijelijk konden aanpassen. Next Architects maakte in opdracht van Droog Design een schuttingenproject, waaronder de Shared Fence, waarbij buren van dezelfde gieter gebruik maken omdat hij in de schutting ingeklemd zit als in een bouwpakket. Winy Maas van MVRDV creëerde Pig City, als spraakmakende oplossing voor de problemen van biovarkensindustrie. Ons land woekert met ruimte. Het Autarkisch Huis mèt tuin van Schie 2.0 biedt een ontsnappingsmogelijkheid aan de heersende eenvormigheid van de Vinexwijken. Ramin Visch ontwierp de bioscoop Het Ketelhuis op het terrein van de Westergasfabriek in Amsterdam, een proeve van bekwaamheid voor de omgang met industrieel erfgoed.

Erasmus' humanisme vindt een eigentijdse vertaling in de beroepsopvatting van de deelnemers van Commitment. Zij kijken reikhalzend om zich heen en formuleren sterke, beeldende antwoorden op hun observaties. Kunstenaars, ontwerpers en architecten anno 2002 trekken zich niets aan van eventueel geneuzel van de kunstpolitiek en dito ambtenaren. Ze maken gebruik van beschikbare middelen om datgene te realiseren dat hen na aan het hart ligt, of maken zélf middelen beschikbaar.

COMMITMENT, EEN KEUZE UIT DRIE JAAR FONDS BKVB, 5 tm 20 mei 2002

Gebouw Las Palmas, Wilhelminakade 66, Rotterdam

www.fondsbkvb.nl

Voor de actieve tentoonstellingsbezoeker op zoek naar eigentijdse kunst, was er de afgelopen tijd op het gebied van de grootschaligheid veel te beleven. In mei opende in Las Palmas de expositie Commitment, en werden zowel de Major Art Fair en de KunstRAI gehouden. De M.A.F. zet zich af tegen de hypercommerciële KunstRAI, een kakofonie van stands met een hoeveelheid kunst, die niet altijd even boeiend of goed is.

De M.A.F. wil -volgens haar mission statement- niet alleen kunst verkopen, maar: "deze beurs spoort aan tot kritiek, een onderzoek naar eigen identiteit en mentaliteit'', terwijl de moloch KunstRAI gewoon pretentieloos kunst verkoopt.

Op de M.A.F. moet het geld nog verdiend worden met de verkoop van de kunst, terwijl in Las Palmas het geld alweer is uitgegeven aan de kunst. Commitment toont een keuze van 120 kunstenaars uit een enorm aantal kunstenaars die de afgelopen drie jaar gesubsidieerd zijn door het Fonds BKVB. Kunstenaar Edwin Janssen, (die samen met Tracy McKenna het kunstenaarsduo Ed and Ellis vormt) maakte deze keuze van kunstenaars, vormgevers, architecten en striptekenaars. De opzet van Commitment is te laten zien aan het publiek wat er met de belastingcenten is gebeurd. Wat je ziet, zijn overwegend de grote namen in de kunst, vormgeving en architectuur en strips.

Marc Bijl laat in zijn werk heel duidelijk de verbanden zien tussen subsidie en kunst. De foto waarop zijn buik prijkt met de getatoeëerde tekst ‘Deze buik is mede mogelijk gemaakt door het fonds voor de beeldende kunsten' is een onomwonden economisch statement: zonder geld geen eten, en kunst maken is, plat gezegd, ook een manier van geld verdienen, mede dankzij het Fonds BKVB. De titel van de tentoonstelling suggereert dat de kunstenaars zich ergens mee verbinden, een commitment aangaan. Dit kun je vertalen naar een maatschappelijk bewustzijn, of een sociale ideologie die uit het werk van de kunstenaars naar voren treedt. Dit lijkt vooral bij de architectuurafdeling het meest aan de orde te zijn. In ontwerpen reageert bijvoorbeeld MVRDV op behoeftes uit de samenleving, met de stapelarchitectuur om in volle gebieden toch ruimtelijkheid te creëren. Betrokkenheid zie je ook terug in het filmpje van Joost Conijn (Houtauto), waarin hij een reis naar Oost-Europa onderneemt in een zelfgebouwde houtauto, onderweg hout hakkend en communicerend met de mensen die hij tegenkomt. Conijn verbindt zich aan zijn avontuur, geeft een wild idee een vorm en een uitwerking en doet alles wat nodig is om zijn plan gestalte te geven. Doordat hij zijn avontuur heeft vastgelegd, ontstaat een beeld van een wereld zo dichtbij, maar toch zo veraf. Zo zien we hoe bijvoorbeeld een oud vrouwtje in Roemenië in een kaal huis zorgvuldig een bordje ondefinieerbare witte brei opschept voor Conijn, die gastvrij binnen is genood. De armoede en de eenvoud zijn in schril contrast met een gemiddeld huishouden in West- Europa.

Een commitment met de eigen habitat is de biologische keuken van Schie 2.0, een bureau dat met ideeën voor een autarkisch huis inspeelt op het veranderende milieu. De zelfvoorzienende keuken staat opgesteld naast de spoelbak grote planten, vers om zo op te eten. Commitment is wel degelijk aanwezig in de tentoonstelling, maar daarnaast zijn ook behoorlijk wat kunstenaars vertegenwoordigd met werk, dat geheel op zichzelf staat.

De tentoonstelling Commitment wil een tentoonstelling zijn, waarin een concept de lading dekt. Maar het jasje wringt: het commitment lijkt overwegend vooral dat van het Fonds aan de beeldende kunstenaars te zijn. Het Fonds laat zien welke kunstenaars ze steunt en kiest daarvoor de bekende namen. De vraag rijst: geeft subsidie de al bekende kunstenaars een extra impuls of wil het Fonds scoren door zoveel mogelijk grote namen neer te zetten?

Dan de M.A.F., die ongeveer gelijktijdig werd gehouden. Een beurs van een dertigtal vooraanstaande galeries, waarvan enkele de KunstRAI al een of meerdere jaren de rug hebben toegekeerd. De beurs moet een zoektocht naar vraag en antwoord zijn. Verschil betekent vrijheid, en ongelijke gevallen dienen als zodanig te worden behandeld. Het verschil in de kunst ontstaat doordat niemand volledig gelijk is aan de ander. ‘Gelijkheid is dodelijk' kopt de flyer. Ook: ‘opportunisme viert hoogtij' en ‘incidenten leiden tot vernauwende en benauwende maatschappelijke visies'. Opvallende woorden, voor een kunstbeurs. De M.A.F. lijkt niet alleen handel te willen drijven, maar een politieke boodschap te willen uitdragen. Deze boodschap rechtvaardigt zich niet in de presentaties. Wat vooral opvalt bij een bezoek aan deze beurs, is dat het beperkte aantal galeries zorgt voor een duidelijker, overzichtelijker geheel, met actuele kunst zoals werken van Juul Kraaijer bij Galerie Akinci, en Hans op de Beeck bij Ron Mandos.

De M.A.F. in de klassieke ruimte van de Koepelkerk en Commitment in de rauwe industriële ruimte van Las Palmas, beide laten hedendaags werk zien van verschillende kunstenaars. Beide hebben een mission statement dat sociaal-politiek getint is. Opvallend weinig kunstenaars zijn op beide evenementen te zien, behalve het werk van L.A. Raeven. In Commitment is een video te zien, terwijl Ellen de Bruijne Projects foto's en documentatie van een performance exposeert.

Zou het misschien komen door de komende verkiezingen? Kan een tentoonstelling zonder legitimatie niet meer, na 11 september? De statements van Commitment en de M.A.F. zijn waardevol en dekken deels de lading. Het kritische uitgangspunt van de M.A.F. blijft verborgen in de ronde ruimtes van de Koepelkerk. Dappere woorden, die misschien al effect sorteren doordat ze eenvoudigweg de wereld zijn ingestuurd.

COMMITMENT, EEN KEUZE UIT DRIE JAAR FONDS BKVB, 5 tm 20 mei 2002

Gebouw Las Palmas, Wilhelminakade 66, Rotterdam

www.fondsbkvb.nl

M.A.F. MAJOR ART FAIR, 9 mei tm 12 mei

Renaissance Koepel, Kattengat 1, Amsterdam

Überkunstler

Arne Hendriks

Op 26 mei van dit jaar loopt Gijs Müller een door hemzelf in het leven geroepen marathon. Het is naast een sportevenement ook een kunstwerk. Op uitnodiging van Artotheek Zuidoost verbleef hij zes maanden in een atelierwoning in de Bijlmer in Amsterdam.

De voorwaarde was dat hij een project zou voortbrengen dat contact maakt met de buurtbewoners. En dat is een uitdaging want ik kan me niet voorstellen dat ze daar op Gijs zaten te wachten. Müller deelde die twijfel waarschijnlijk niet. Zoals Salman Rushdie schreef; "het tegenovergestelde van geloof is geen ongeloof maar twijfel”. En als er één kunstenaar is die in zichzelf gelooft dan is het wel Gijs Müller. Dat geloof is zelfs tot kern van zijn werk geworden.

De titel van het project Opportunity.I.Am laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Al maanden is Müller onder begeleiding van een fysiotherapeut in training om door middel van het lopen van deze lange afstand van zijn lichaam een medium te maken. Door de fysieke beproeving wil hij het publiek en met name de jeugd laten zien dat het leven maakbaar is. Als de vleesgeworden wilskracht schrijdt hij straks door de straten van Amsterdam Zuidoost. De minder bedeelde bewoner uit de Bijlmer wordt geacht een betere toekomst te kunnen creëren als het deze sporthatende kunstenaar lukt om een marathon te lopen. It’s Müllertime! De door flats omrande straten als sober decor voor een individuele strijd tegen de beperkingen van het leven. Je moet even een drempel over voordat je daarin meegaat. Het is de vraag of jongeren in de Bijlmer de blonde, blanke dertiger en kunstenaar als role model verkiezen boven het ruime aanbod van pop- en voetbalsterren dat hen via de media bereikt. Daar liggen de scenario’s voor een cult van adoratie pas echt klaar. Juist om die reden infiltreert Müller de sportstructuur waarbinnen de overwinningsdroom de jeugd als een vette worst wordt voorgehouden, en verhandeld. Deze opportunistische vermenging van kunst en sport leidt misschien tot verontwaardiging maar het zou hypocriet zijn wanneer deze symbiose op voorhand veroordeeld wordt. Ook in de kunst is er een psychotische jacht op jong talent, worden gigantische bedragen neergelegd voor toppers en is het verlangen naar roem niet van de lucht. Müller is echter vooral in een ander aspect geïnteresseerd. Via de sport maakt hij gebruik van een eeuwenoud systeem van mythologisering door middel van de verpersoonlijking van het levenloze en onlichamelijke. Müller is opportunity! Het is de volgende stap in zijn groeiende persoonlijkheidscultus.

De peepshow van ruim 42 kilometer is het perfecte ego-instrument om zichzelf te bevredigen en het publiek te verleiden. Het is volstrekt onduidelijk waar de persoon Müller ophoudt en de boodschap begint. De droom van de overwinning van de persoonlijke situatie wordt in hapklare brokken door de keeltjes van het argeloze publiek gestampt en de mythe sluipt op kousenvoeten mee naar binnen. Müller houdt van dit spelletje. Het vormt een zelfonderzoek naar de grenzen van zijn persoonlijke draagkracht. De beperkte identiteit van de kunstenaar wordt vervangen door de hyperidentiteit van het publieke idool die in staat is de verlangens en dromen van grote aantallen individuele toeschouwers in zich te verenigen zonder zichzelf werkelijk bloot te geven. De essentie van Müllers uitstraling is dat de essentie bewaard moet blijven, zich niet moet openbaren maar in volmaaktheid moet blijven zweven tussen wat we vermoeden en wat ons geopenbaard wordt. Müller is in hoge mate in staat geloofwaardig te blijven terwijl je ergens wel vermoedt dat je in de maling genomen wordt. Dat maakt het buitengewoon intrigerend om hem aan het werk te zien. Als geen ander beseft hij dat de spelregels die hij enerzijds ontleent aan het leven en anderzijds zelf opstelt, dienen te worden nageleefd. Hij speelt het spel in ernst. Alles hangt af van het optimaal functioneren van dit zelfgeconstrueerde geloofssysteem. Om een zo groot mogelijke maximalisering van het beoogde effect te bereiken legt Müller contact met reclamebureaus, marketingdeskundigen, en commerciële sponsors. Als we het dan toch over opportunity hebben. De mogelijkheden in deze wereld om een imago te creëren zijn vrijwel onbegrensd. Müller is dol op imagebuilding-professionals en dan vooral op de echte grote jongens. Zo probeerde hij een samenwerkingsverband met het sportkledingmerk Nike aan te gaan. Müller wilde door middel van sponsoring bij de finish van de marathon een lichtsculptuur plaatsen van de merknaam Nike waarbij de twee binnenste letters in een afwijkende kleur zouden oplichten, IK. Maar deze narcistische ode aan het individu ging voor Nike (Just do it) waarschijnlijk iets te ver. Misschien vermoedde men een verborgen agenda. De samenwerking ging in ieder geval niet door. Dat was natuurlijk een teleurstelling. Gek genoeg wordt het juist op dat moment spannend in het werk van Müller. Als het systeem barstjes vertoont vallen verhelderende lichtstraaltjes binnen. De weigering van Nike om mee te werken aan de droom van Müller toont de prachtige eenvoud die het werk in potentie in zich draagt. De bravoure waarmee Müller alles en iedereen in zijn verleidelijke optimisme wil meesleuren faalde. Terwijl het project juist gaat over slagen. Het is deze inherente en onvermijdelijke kwetsbaarheid waardoor het geheel losraakt van de platvloerse retoriek. Müller neemt een enorm risico in het aanvaarden van de opdracht van de artotheek.

Een infiltrant loopt nu eenmaal gevaar. Eerst infiltreert hij de Bijlmer, dan de sport en uiteindelijk is hij op zoek naar een infiltratie van de individuele geest van de toeschouwer. Bij het overschrijden van elke geografische, formele of psychologische grens bestaat de kans dat het geloofsconstruct het begeeft.

De verandering van context vormt een reële bedreiging. Binnen de kunst kan de marathon wellicht tot een interessante reflectie leiden maar het is maar de vraag of hij zonder die context ook in staat is een gedachtesprong teweeg te brengen. Niemand zit te wachten op het geploeter van zomaar een matige atleet. Het opvallende is dat hijzelf degene is die de luchtballon steeds voller blijft pompen, gefascineerd door zijn grotesk vervormde spiegeling. Omdat hij zo hoog inzet, ligt de mislukking altijd op de loer. Müller is pas tevreden als hij op de cover van Time Magazine staat of misschien pas wanneer ieder verlangen direct werkelijkheid wordt. Maar dat is voorbehouden aan de goden. In dezelfde mythologie waar Müller zo slim gebruik van maakt zijn een aantal nare voorbeelden te vinden van de straf voor de overmoedige mens. Door die kwetsbare kant krijgt dit project een humane kwaliteit die werd overschreeuwd in de propagandamachine maar die tegelijkertijd alleen kon ontstaan door diezelfde propagandamachine. Dat is de paradox en het raffinement van het werk van Müller. Ik denk dat Nietzsche hem wel dapper gevonden had.

OPPORTUNITY.I.AM, 26 mei finish 16.00 uur

Non Linear Editing

Minka Bos

Een schoolvoorbeeld van een perfecte video-presentatie, op dergelijke wijze omschreef Lucette ter Borg Non Linear Editing, de tentoonstelling die nu te zien is in De Paviljoens, samengesteld door Macha Roesink. Roesink (algemeen directeur De Paviljoens) toont in haar eerste tentoonstelling in eigen huis slechts vijf werken; van Nicky Zwaan, Yael Bartana, Joes Koppers & Susann Lekås, Jasper van de Brink en Juliao Sarmento & Atom Egoyan. Deze worden getoond in een minimalistische presentatie waaraan de uitgangspunten van de kunstenaars, het gebruik van de gehele ruimte en een doordacht akoestisch plan ten grondslag liggen. Non Linear Editing (een begrip dat afkomstig is uit de filmwereld) wil, zoals omschreven in het persbericht, dieper ingaan op het feit dat ontwikkelingen in het heden onze blik op en opvattingen over het verleden veranderen.

Buiten Nicky Zwaans’ Introductie (2002), die zij speciaal vervaardigde voor deze tentoonstelling, is er weinig te zien bij binnenkomst in De Paviljoens. Das Beste für die Gäste wenst Zwaan het hooggeëerde publiek dat de tentoonstelling komt bekijken. Alleen gedempt geluid verraadt de aanwezigheid van andere kunstwerken in de ruimte. Het minimale heerst in deze expositie.

Optional Time (2002) van Joes Koppers en Susann Lekås wil de beschouwer op een directe en letterlijke manier wijzen op het tijdsbesef. Het is een interactief werk, dat zij speciaal voor deze tentoonstelling creëerden. De beschouwer ziet zichzelf verschijnen in een filmpje dat zich afspeelt in een lift. De afstandelijke toeschouwer wordt onttroond en geconfronteerd met de eigen schaamteloze blik. De andere personen in het filmpje reageren enigszins ongemakkelijk en beschaamd op de aanwezigheid van deze ‘voyeur’ in hun veilige kunstcocon. Door het beeld van de toeschouwer te vertragen willen de kunstenaars hun beschouwer een verandering in tijd laten ervaren. Een gewaarwording die niet geheel duidelijk wordt tijdens het bekijken van het filmpje. Een tweede keer is het verrassingseffect verdwenen en het werk minder spannend om te ervaren.

Trembling Time (2001) van Yael Bartana gaat op simpele maar effectievere wijze het spel met de tijd aan. Auto’s, in eindeloze colonnes achter elkaar, rijden door een viaduct, een beeld dat overal gefilmd had kunnen zijn. Koplampen zijn ontstoken. Bewerkt geluid van autoruis spoelt in een prachtige geluidscompositie de tijd heen en weer. De beelden vertragen, vloeien in elkaar over. Dan staat alles stil. Portieren gaan open en mensen stappen uit. Niemand spreekt; een hedendaags stilleven. Door de vertragingen overlappen beelden uit verschillende tijdstippen elkaar. De film onttrekt zich aan elk logisch tijdsverloop, de beschouwer achterlatend in onzekerheid over het werkelijkheidsgehalte van de gebeurtenis. Uit de begeleidende tekst is op te maken dat Bartana een overweg in Israël heeft gefilmd op herdenkingsdag. Extra kennis die de film nieuwe betekenislagen geeft en de beschouwer de mogelijkheid biedt op andere manieren naar het werk te kijken.

De confrontatie tussen beeld en beschouwer wordt fysiek in het werk Close (2000-2001) van Juliao Sarmento en Atom Egoyan, waarin de beschouwer geklemd tussen een muur en een muurgroot filmscherm, het gehele beeld voor zich probeert te ontwaren. De bijna claustrofobische situatie waarin de beschouwer zich begeeft forceert tot nadenken over de verhouding tussen werk, toeschouwer en ruimte.

Alle werken onderzoeken op verschillende wijze de verhouding tussen de beschouwer en het object in de ruimte. De presentatievorm staat in dienst van de kunstwerken, versterkt het concept achter de tentoonstelling en maakt het mogelijk om alle werken tegelijkertijd zowel individueel als in verband te kunnen beschouwen. De perfecte videotentoonstelling ligt wellicht in de non-presentatie, ofwel een tentoonstellingsvorm die besloten ligt in de kunstwerken zelf. Macha Roesink laat zien dat pretparktechnieken niet nodig zijn om een goede en enerverende tentoonstelling neer te zetten. De selectie van een paar interessante werken in combinatie met een nauwkeurig uitgedachte presentatie blijkt voldoende stof voor urenlang vermaak.

NON LINEAR EDITING, tm 23 juni

De Paviljoens, Odeonstraat 3-5, Almere, open wo, za-zo 12-17, do-vr 12-21

Gangsolo’s

Angelique Spaninks

Een heldere, lichte hal. Aan de ene kant een witte muur, licht gebogen. Aan de andere kant een glazen wand die uitzicht biedt op een weelderig groene binnentuin. Niet voor niets heet deze door en door museale gang de tuingalerij. Het Noordbrabants Museum geeft er de komende jaren jonge kunstenaars uit Brabant alle ruimte om hun werk te tonen. Kunstenaars die weliswaar al de nodige ervaring opgedaan hebben bij kunstenaarsinitiatieven en galeries, maar voor wie deze solo's vaak een eerste kennismaking zijn met het museumcircuit.

De in Breda wonende en werkende Cécile Verwaaijen (1968, Silvolde), die werd opgeleid aan de Bredase academie St. Joost en de tweede fase volgde aan de Jan van Eyck in Maastricht bijt deze maand het spits af. Zij toont een twintigtal eigenzinnige 'zelfportretten', bescheiden van formaat maar indringend in aantrekkingskracht. Het zijn dan ook geen zelfportretten in de klassieke zin van het woord; Verwaaijen kiest zichzelf als onderwerp omdat zij zichzelf nu eenmaal het dichtst bij de hand heeft. Van ijdelheid of geldingsdrang is daarbij geen sprake; eerder het tegenovergestelde is het geval. Hoe meer Verwaaijen inzoomt op haar gezicht en hoe meer zij zich hult in kledij, des te mysterieuzer komt haar verschijning op de kijker over. Haar uitdrukking verraadt dan ook nauwelijks emotie. Ze kijkt langs je heen, doet kunstjes of staart sereen voor zich uit. Soms liggen haar handen daarbij in de buurt van haar hart dan weer hangen ze vroom gevouwen in haar schoot. In wezen heeft ze wel iets van een non. Maar ze is het niet. Daarvoor is haar blik teveel in zichzelf gekeerd en zijn haar gewaden te werelds, te kleurig, te frivool en soms ronduit exotisch. Zelf ziet Verwaaijen zich gewoon als kunstenaar, eenzaam en toegewijd. Maar het leven in het atelier vertoont, vindt zij, veel overeenkomst met het kloosterleven.

Overigens begon zij niet zo zwaar als haar ascetische kunstopvatting en meest recente doeken (Wurgportretten, Twins en Ik temidden van rood) doen vermoeden. Op zoek naar een serieus, neutraal onderwerp in de absolute vrijheid en leegte na de academie vond zij zichzelf eerst vooral spelend in de beslotenheid van haar atelier. Ze vouwde zich in een vogelnestje, stond met een sinaasappel voor de spiegel, lachend bij een naaimachine en een man – de enige figurant in haar doeken – kussend bij de deur.

Voor deze genretafereeltjes, doorgaans niet groter dan zo'n 25 bij 20 centimeter, fotografeerde ze zichzelf. Foto's die fungeren als een soort schetsboek; een werkwijze die ze nog altijd hanteert. Maar foto's zijn nooit het eindstation. Ze moeten eerst minutieus fijn penselend omgezet worden in verf op doek. Pas dan is er de concentratie en regie die ze zoekt. Hetzelfde geldt voor de latere inzoomende doeken. De enige ruimte die zij zich daarin nog toestaat, is die onder de gewaden en sluiers die ze om en over zich heen drapeert. Sluiers die als een soort tweede huid fungeren; een huid die met zijn verleidelijke dessins en kleuren de kijker bedwelmt en de kunstenaar als het ware een laatste restruimte biedt waarbinnen haar psyche nog vrij kan bewegen.

Met Verwaaijen als eerste exposant in een reeks van tien heeft het Noordbrabants Museum een opening gecreëerd die vrijwel naadloos aansluit op de huidige publiekstrekkende tentoonstelling Liefde op het eerste gezicht, een overzicht van vrouwenportretten in de Nederlandse kunst. Bij de tweede exposant, de schilder en tekenaar Koen Delaere (Brugge, 1970) uit Tilburg waar hij is opgeleid aan de Academie voor Beeldende Vorming, zal die overgang heel wat minder mild zijn. Want weliswaar is ook zijn werk geënt op het lichamelijke, maar in de uiteindelijke uitwerking is daar nog maar weinig van te herkennen. Zijn beschilderingen van tijdschriftpagina's vol blote lichamen en zijn grote doeken vol celdelingen, moedervlekken, puisten en krassen staan dan ook ver af van het zuivere en het schone. Ze tonen vooral de materie, de verf, de bijna organische processen waaruit ze krabbend en spuitend, gietend en stollend ontstaan zijn. Lijken Delaere's doeken op het eerste gezicht misschien erupties van expressionistische scheppingsdrift, wie goed kijkt ziet dat ze daar eigenlijk niks mee te maken hebben. Ze zijn eerder conceptueel van aard. Met zijn teken- en schilderhand ontrafelt Delaere heel systematisch patronen van woekeringen, soms op doek gewapend met verf en giethars en al wat hem verder maar ter hand komt, dan weer op knettergrote vellen papier met niet meer dan een setje bics. Vanuit honderden kleine gekraste bolletjes in de rechter benedenhoek groeien dan langzaam constructies en lijnen die een heel vel weten te vullen. Van mooimakerij is daarbij geen sprake, Delaere kleedt de techniek liever zover uit dat in wezen iedereen kan zien hoe het werk tot stand is gekomen.

Duidelijk is, alleen al kijkend naar de uiteenlopende stijl en techniek van de eerste twee exposanten, dat het Noordbrabants Museum het zich met de selectie van de kunstenaars niet makkelijk heeft gemaakt. Dat siert het als het om hedendaagse kunst ging tot voor kort nogal bedaagde museum. Het feit dat directeur Jan van Laarhoven na jaren van concentratie op gevestigde namen, die de provincie vaak al lang verlaten hadden, weer terugkeert naar wat er nu in het zuiden gebeurt is evenzo lovenswaardig. Een vinger aan de pols van de jonge kunstenaars die de academies in Breda, Den Bosch en Tilburg verlaten kan nooit kwaad. Jammer is alleen dat Van Laarhoven zich vooralsnog niet keihard aan zijn eigen opzet wil committeren door van iedere geëxposeerde jonge kunstenaar ook een werk voor de collectie aan te kopen. Hij sluit het niet uit, maar het aankoopbudget (zo'n 70.000 euro op jaarbasis) is volgens hem niet groot genoeg om én hiaten in de na-oorlogse collectie én veel nieuwe kunst aan te kopen. Bovendien trekt de hedendaagse kunst nu eenmaal minder publiek en vreet het ruimte, aldus de directeur. Maar misschien dat hij daar op termijn anders over gaat denken, wanneer het museum binnen enkele jaren daadwerkelijk uitgebreid wordt. Tot die tijd moet de jongste Brabantse kunst het doen met de tuingalerij.

TIEN SOLO-EXPOSITIES VAN JONGE KUNSTENAARS, tm sep 2003

Noordbrabants Museum, Verwersstraat 41, Den Bosch

tm 9 juni: Cécile Verwaaijen, deelnemers daarna: Koen Delaere, Ingrid Simons, Wiesje Peels, Marjolein Landman, Linda Arts, Ruud van den Broek, Phoebe Maas, Rogier Walrecht en Wycher Noord.

Experimental Jetset is een collectief van grafisch ontwerpers dat zich niet alleen bezighoudt met het ontwerpen van huisstijlen, publicaties en catalogi. Erwin Brinkers, Danny van den Dungen en Marieke Stolk hebben inmiddels eveneens een staat van dienst opgebouwd in tentoonstellingsdesign. Op het moment zijn daarvan twee variaties te bezichtigen: de inrichting van de tentoonstelling Display, de gemeenteaankopen van sieraden in het Stedelijk Museum in Amsterdam, en de tentoonstelling Kelly 1:1, die onlangs opende bij Casco in Utrecht. De twee tentoonstellingen verschillen inhoudelijk nogal van opzet. Hoewel beide zijn ontstaan vanuit een opdracht – een voorwaarde voor de Jetset: zij zien zichzelf niet als autonome kunstenaars – onderscheidt Kelly 1:1 zich meer als een kunstwerk. Waar bij het Stedelijk Museum de tentoon te stellen werken in een strak ontwerp werden geplaatst, gaf in Casco juist het ontbreken van werken aanleiding tot het plaatsen van het ontwerp in een kunstwerk. Hier trad de Jetset op als eigen opdrachtgever en stelde zich de taak een uitspraak te doen over de reproduceerbaarheid van beelden, een gegeven dat in de praktijk van grafisch ontwerpers nogal eens aan de orde is.

De projectruimte van Casco werd benut als klassieke white cube om een remake van het schilderij Blue, Green, Yellow, Orange, Red (1966) van Elsworth Kelly tentoon te stellen. Het werk, dat hier is uitgevoerd in gekleurde A4tjes die samen het totale oppervlak van het schilderij vormen (6 x 1,5 meter), beslaat één muur van de tentoonstellingsruimte. Op de tegenoverliggende muur is een typografische weergave van de titel te zien. De ‘coverversie’ van Kelly’s werk zou hiermee tamelijk onbeduidend zijn afgeweest, ware het niet dat de Jetset het werk eveneens in boekvorm heeft uitgevoerd. Daarmee wordt het werk aan de muur een presentatie van het boek, dat in feite een kunstwerk in oplage is. De kwestie van de reproductie wordt dan in al haar dubbelzinnigheid getoond: als herdruk in een exclusief aantal.

KELLY 1:1, A COVER VERSION BY EXPERIMENTAL JETSET

Casco, Oudegracht 366, Utrecht, t 030 2319995

De publicatie Kelly 1:1, a cover version by Experimental Jetset is te bestellen via: info@cascoprojects.org

Bij binnenkomst in de hal van het gekraakte Chinese restaurant op de Vijzelstraat word je begroet door homo-erotische afbeeldingen.

"Dit vanwege het werende karakter", zegt de eigenaar André Noorda. De pijpende en zuigende mannen geven een wereld weer waar menig hetero geen weet van heeft. Eenmaal binnengekomen overvalt je de lucht van cavia's en een sfeer van een oud bordeel. Hier gaat het gebeuren vandaag, de verwachtingen zijn hooggespannen. Kunst wordt er geveild. Goede kunst, slechte kunst, gerenommeerde kunst, draagbare en onzichtbare kunst. Alles is welkom, het is wat de gek er voor biedt.

Langzaam druipen de kunstenaars binnen met hun werken. Er worden wat foto's neergelegd. De foto's zijn van homo-ontmoetingsplaatsen, legt de kunstenaar Craig Bell uit. Op de foto's zie je een bruggetje bij avond. Een volgende foto is van de muur van een bunker met de tekst ‘don't come here'. De dubbele betekenis dekt de lading.

De ruimte is inmiddels vol met werken en mensen, de veilingmeester annex organisator Kaleb de Groot (Motel Nooitgedacht IJmuiden) neemt plaats op iets wat eruit ziet als een neergestorte bouwlift met vrolijk gekleurde lampjes. "Iedereen even aandacht", wordt er geroepen. De veiling gaat beginnen, jullie hebben de werken bekeken en het is de bedoeling dat je het nummer onthoudt van de werken waarin je geïnteresseerd bent. We beginnen bij het eerste werk, een still van A.P. Komen/Karen Murphy. We beginnen bij 1,-. Ik hef mijn hand op. Dit is een koopje en al is de afdruk niet van een al te beste kwaliteit, een andere kan ik niet betalen. Er wordt al snel over mijn bod heen geboden. Zouden meer mensen weten wat dit werk in een galerie kost? De prijs begint aardig op te lopen en zenuwachtig blijf ik bieden want ook mijn portemonnee heeft een grens. We zijn aangekomen bij 35,- en de kunstenaars bieden zelf ook naarstig mee.

Bij 37,- hoor ik mijzelf nog steeds "ja!" roepen. Er valt een stilte. Yes, ik heb hem, en wordt gefeliciteerd. Op naar het volgende werk. Een grote foto op aluminium van de kunstenaar Natascha Hagenbeek. Verleidelijk poseert ze op de na-geënsceneerde foto van een Guess Jeans reclame. Onder de foto staat met grote letters ‘hallo ik ben Natascha Hagenbeek en wil beroemd kunstenaar worden'. De foto past prima binnen de sfeer van de avond en wederom wordt er druk geboden, haar 15 minutes of fame zijn ingegaan. Er zijn aardig wat bieders voor dit werk van een toch onbekende kunstenaar, maar dat doet er allemaal niet toe. Er ontstaat zelfs een conflict. Er wordt doorgeboden terwijl de veilingmeester het laatste bod al heeft laten ingaan. Er beginnen mensen te schreeuwen, dit kan niet! En zij willen de regels van de veiling herdefiniëren. Er wordt vrolijk doorgeboden en het werk wordt uiteindelijk verkocht voor het bedrag van 100! De sfeer zit er in. Zelfs gestrande Koninginnedagtoeristen bieden mee zonder enig idee te hebben wat hier nou eigenlijk gebeurt. Het kan allemaal, en het is leuk. Zelfs een vieze onderbroek en hemd met de tekst ‘Daddy's little girl' gaan over de toonbank. Het maakt allemaal niet uit, het is leuk! Iedereen kan het betalen en iedereen kan hier een unicum bemachtigen.

Buitengewoon democratisch, zo'n veiling of je nou bekend of onbekend kunstenaar bent er wordt hier gekeken met een ander oog. Na afloop van de avond haalt een jongen een schilderijtje met afbeelding van de schoen van Michael Raedecker op (door Pim Komen) en iemand meldt hem dit. De jongen kijkt een beetje moeilijk en vraagt, "Michael Readecker, wie is dat?" Iemand licht hem in.

Op de terugweg op mijn fiets (moet ik concluderen dat het leuk, leuk, leuk was) bekruipt mij toch de vraag of dit wel kan. Kunnen kunstenaars dit doen? Is dit wel goed voor ze? Je werk onder de prijs verkopen mag nooit betekenen dat je je werk onder je niveau aanbiedt. Toch ben ik blij met mijn nieuw verworven kunstwerkje en schaam me een beetje voor het weinige geld dat ik er voor betaald heb. Morgen mooi ophangen.

DE CHINEES, Vijzelstraat 121, Amsterdam

30 april: Craig Bell, Dennis 33, Kaleb de Groot, David Haines, Jaqueline Wippo, Jan van der Ploeg, A.P. Komen/Karen Murphy

Hell

Rob Perrée

“Another day of … hell.”
De cynische lach breekt zijn zwarte gezicht open.
Zijn vriendin reageert niet. Ze kent zijn klaagzang.
Vroeger zong ze mee. Dat heeft ze afgeleerd.
Het klonk vals.
Ze haalt haar metrokaartje door de gleuf en duwt de stang naar beneden.
Hij springt er behendig overheen.
De metro is vol. Mij rest een hangplaats.
Zij verdwijnen in een hoekje.
De andere passagiers slapen, lezen een kapotgelezen boek of staren leeg voor zich uit.
Brooklyn.
8 uur.
De A-train.
Plotseling zie ik haar. Tussen twee zwarte vrouwen geklemd.
Grijs, klein, opvallend onopvallend.
Er is weinig over van het neurotisch rondrennende keffertje dat me gisteren de toegang tot de kunstbeurs trachtte te belemmeren.
Met een mobiele telefoon tegen haar linkeroor geplakt, een voortdurend driftig wijzende rechterhand en een professioneel chagrijnige blik schreeuwde ze de timmerlieden aan het werk, blafte ze de galeriehouders af die hun transportkisten nergens meer konden vinden, negeerde ze de klemmende vragen van haar medewerkers en flirtte ze met de criticus van de New York Times.
De andere persmensen mochten doodvallen.
Voor buitenlandse persvertegenwoordigers zoals ik was zelfs dat teveel eer.
Ze toonde geen enkele interesse voor de kunst.
Ze stond er met haar rug naar toe.
Ze had net zo goed de manager van een hotel kunnen zijn.
Of van een spermabank.
De dikke vrouwen naast haar lijken uit te dijen.
Haar lichaam vernauwt zich tot een verticale streep.
Haar mond staat steeds zuiniger.
De trein sukkelt naar het volgende station.
Op dit uur toont hij nooit veel enthousiasme.
Hij lijkt te bezwijken onder zijn zware vracht.
Eindelijk knarst en piept hij 42nd Street binnen.
De grijze streep wringt zich moeizaam tussen
de slapende zwarte lijven uit.
Struikelend en zuchtend bereikt ze de deur.
Die sluit voordat ze hem achter zich heeft kunnen laten.
Ze vloekt.
Als een havenwerker.
Het stel in de hoek lacht.
Another day of hell.
Ik voel geen medelijden.
Ik voel me goed. 

Vies torenkamertje

Minka Bos

De ramen van kunstinstelling Outline in Amsterdam Oost zijn dichtgespijkerd en de deur is op slot. Het gebouwtje maakt een verlaten indruk. Op deze plek heeft beeldend kunstenaar Gabriël Lester een spookhuis in de vorm van een tentoonstelling gerealiseerd. Lester nodigde meer dan 60 kunstenaars (onder wie Merijn Bolink, Folkert de Jong, Julika Rudelius, Gijs Müller en Jennifer Tee) uit om invulling te geven aan zijn hedendaagse spookslot. Het resultaat: vier kleine ruimtes vol met de meest uiteenlopende hedendaagse kunstwerken.

"Als kind maakte ik vaak spookhuizen", vertelt Gabriël Lester, "die presenteerde ik dan aan mijn ouders." Nu staat Lester in zijn laatste spookcreatie in Outline. Geluiden komen overal vandaan: een orgeltje, hoge piepen, een boor. De vele beelden zijn duizelingwekkend. Van boven komen een paar boeken aan een touwtje naar beneden gezeild (James Becket). In het nokje van de toren knippert een schel licht, geïnstalleerd door Marc Bain. Wat zou daar bovenin zijn? Een trieste prinses in een vies torenkamertje? Voordat er iets duidelijk te zien is, stopt het licht. Een mannelijke pop van Florian Goetke zit onderuit gezakt op een stoel. De man (pak met oude Adidas schoenen) staart verdwaasd voor zich uit. Het is een vermakelijk gezicht. Opeens draait de man zijn hoofd om. 'Hij beweegt! Hij beweegt!' roepen twee kindjes die de pop verwonderd bekijken.

Lester liet zich inspireren door de negentiende eeuwse Parijse salons, zo vertelt hij op de radio. In deze salons werden ook altijd veel kunstwerken getoond en in hoge dichtheid gepresenteerd. Maar verder dan deze tentoonstellingsvorm reikt de vergelijking niet. Lester heeft geen kritische tentoonstelling samengesteld met als doelstelling de nieuwste avantgarde te tonen. De samensteller toont van alles door elkaar: een bizarre combinatie van werken, geplaatst in één bepalende context. Het concept laat zich makkelijk vergelijken met een rariteitenkabinet. Typerend voor het rariteitenkabinet is dat de objecten opzettelijk uit hun context zijn gehaald om samen een nieuw verhaal te vertellen. In Lesters' kabinet wordt bijvoorbeeld een houten, kitscherige kandelaar (die regelrecht uit het slot van Dracula had kunnen komen) van Thomas Hillebrand getoond naast een esthetische foto van Julika Rudelius en een opgezette poes van Guilliaume Leblon. Lester toont van elke kunstenaar gemiddeld één werk. Nergens is een naambordje te bekennen. Het individuele kunstwerk is zo ondergeschikt geworden aan het geheel, samen vertellen de kunstwerken Lesters' verhaal. Hij is geen curator, zoals hij zelf graag benadrukt, maar tegelijkertijd neemt de kunstenaar als samensteller wel een overheersende positie in. Alle werken zijn onderdeel van Lesters' concept. Hier en daar springt er opeens een werk uit zoals de kronkelende buis van William Cobbin die twee muren met elkaar verbindt. De buis lijkt heel natuurlijk uit de solide muren van het gebouw te groeien. Een simpele ingreep in de realiteit die zeer sterk werkt in deze barokke en weelderige omgeving.

‘Haunted House…' is een vrolijke en wonderlijke tentoonstelling. De samensteller wilde een tentoonstelling maken die veel mensen zou trekken: een expositie met voor ieder wat wils. Kindertjes met ouders dwalen dan ook uren enthousiast en in verwondering door de zaaltjes. De kleine ruimtes zijn wel al snel overvol, wat het moeilijk maakt om in alle rust de ‘eigen artistieke beleving', waar Lester over spreekt, te onderzoeken. De tentoonstelling nodigt vooral uit tot een onderzoek naar het eigen kijkgedrag als er niemand anders rondloopt. Het is dan ook aan te raden om het wonderlandje op een regenachtige middag als eenzame bezoeker te betreden.

A HAUNTED HOUSE OF ART, tm 7 apr

Outline, Oetewalerstraat 73, Amsterdam, open wo tm za 13-17

Het lichtspoor van tl-buizen in een draaiende beweging is vastgelegd op foto. Licht, meestal ongrijpbaar en vergankelijk, is een langer leven beschoren in Jean Marc Spaans’ fotografie van monumentaal formaat. De werken in Galerie Delta laten zien hoe Spaans met kleur, licht en beweging een vorm neerzet. Spaans’ lichtwerken doen denken aan de experimentele filmpjes die studenten van het Bauhaus aan het begin van de vorige eeuw produceerden. Met kubus, bol en driehoek maakten ze een ballet. De geometrische vormen werden verplaatst, opgenomen en weer verplaatst. Bij het afspelen van de verschillende opnames achter elkaar, ontstaat dan de illusie van beweging. Het jeugdprogramma Tik Tak op de Belgische zender laat volgens hetzelfde principe ook poppetjes op schaakborden dansen. Ze worden verzet, opgenomen en weer verzet.

De opnames achter elkaar afspelen geeft de illusie dat het poppetje sprongsgewijs het bord over zwalkt. Spaans foto’s gaan ook over beweging, maar in plaats van dat de stilstaande elementen in beweging komen, maakt hij van de beweging een stilstaand element. Een foto toont rode cirkels die van hoofd tot voeten in wijdte toenemen, rond Spaans, die als zwarte schim midden op een windroos staat. De windroos is geschilderd op de vloer, terwijl achter Spaans in het duister vaag een stuk tekst te zien is in ouderwets lettertype. De ruimte waar de lichtactie is vastgelegd, is een loods waar het VOC schip De Delft is nagebouwd. De windroos in het midden van de ruimte diende als letterlijk standpunt voor de kunstenaar. Als een soort object trouvé tref je in de schaduwen op de foto’s elementen uit de omgeving aan. De lichtcirkels trekken de eerste aandacht, maar als je even de tijd neemt om het werk nauwkeurig te bestuderen, doemen schimmige gestaltes op in het donker waarin de cirkels oplichten. Op de achtergrond bevindt zich bijvoorbeeld een heuvel met enkele lichtjes aan die duiden op een stadje of dorpje. Het zijn details die in eerste instantie niet opvallen en soms zelfs maar toevallig aanwezig lijken te zijn. Hun aanwezigheid zorgt er wel voor dat de foto’s spanning krijgen. De lichtvormen trekken de aandacht, maar na enkele foto’s gezien te hebben is het principe al duidelijk, en lijken nieuwe foto’s een herhaling te zijn van eerder werk. Zonder de verborgen details zou het werk van Spaans eentonig en voorspelbaar worden. De bovenverdieping van de galerie huisvest foto’s van Paul Cox.

De manier waarop Cox met verschillende foto’s een beeld opbouwt, is die van de kunstenaar David Hockney, die vanaf één standpunt alle onderdelen van de Brooklyn Bridge in New York fotografeerde en alle foto’s zo schikte tot ze samen weer een brug vormde. Cox fotografeert een kustlijn, een werf, een zoutwinning op precies dezelfde manier. Ze zijn een opname van de omgeving, soms in 360 graden rondom, soms in 180 graden gefotografeerd en vervolgens zijn alle foto’s samengebracht tot één geheel. Bijna iedereen die niet beschikt over een panoramaview camera gaat zich wel eens te buiten aan het maken van een samengesteld uitzicht. Cox onderscheidt zich van de vakantiefotograaf door de minutieuze aanpak waarmee hij grote stukken uitzicht of kustlijn vastlegt. De fotowerken zijn onderdeel van het project I came by Boat, dat hij uitvoerde op Curaçao en op de Nederlandse Antillen. Cox bouwde in een container het reisbureau I came by Boat. De fotocollages fungeren als een kaart, een plaatsbepaling.

Volgens Cox, op zijn website icamebyboat.com, symboliseert de boot voor hem droom, verlangen, obsessie en reislust. Cox bouwt de hemel op uit verschillende kleuren blauw, omdat de foto’s elk afzonderlijk het hemelsblauw anders weergeven. Water is soms roze, soms bijna groen. En overal de boten: zeilboten, gestrande scheepswrakken of boten op de werf, ondersteund door olievaten van de Shell. De boten in verschillende omstandigheden duiden op verschillende levensstadia, het gestrande schip is misschien een droom die aan diggelen ligt. De symboliek moge duidelijk zijn. Omdat de foto’s in de Caraïben zijn gemaakt, krijg je al snel een vakantiegevoel: helder licht, warmte, palmbomen, een bootverhuurbedrijfje waar een groepje mannen lachend voor hun bootjes poseert, deze beelden zouden zo in een reisbrochure passen. Met een zonnig gevoel verlaat je de galerie, maar de metaforen van droom, obsessie en verlangen in het werk zijn te zwak aanwezig om dat vakantiegevoel van diepte en inzicht te voorzien.

JEAN MARC SPAANS EN PAUL COX, tm 17 mrt

Galerie Delta, Oude Binnenweg, Rotterdam