Ante Timmermans, 425 (2009)

Een kunstbeurs als Art Rotterdam bezoeken brengt gevaren met zich mee. Het is een worsteling om de kritiek op het commerciële karakter van de beurs niet de overhand te laten nemen. Daarbij is het te simpel om de kunstenaar kritisch te bestraffen voor zijn commerciële overwegingen, iedereen weet dat het huidige politieke klimaat niet erg kunstgericht is en dat de kunstenaar moet overleven. Er is echter een verschil tussen de galerie en de kunstenaar die zich etaleren naar de verwachting van de doorsnee bezoeker, en degenen die de ongeschreven regels doorbreken, wat geen eenvoudige opgave is.

Aan deze ongeschreven regels voldoet zelfs de kritische houding van de kunstenaar Navid Nuur (1976). Nuur laat een artificiële progressiviteit zien; de toeschouwer wordt uitgenodigd voor een potje darten in een esthetische setting met pijltjes bestaande uit de pagina’s van magazines van de kunstbeurs. Het artificiële zit verscholen in de setting, die een lollige attractie dreigt te worden die elke kritische inhoud ondersneeuwt. Wanneer het de intentie van Navid Nuur was om een werk te ontwikkelen dat geheel opgaat in zijn context, is dit goed gelukt. Ondanks dat Nuurs commentaar lijkt weg te vallen, apprecieer ik zijn dappere poging om kritiek te geven op dit gevestigde systeem. Tegelijkertijd blijft het spijtig dat de kritiek, wanneer deze niet krachtig genoeg is, makkelijk verdwijnt in de champagne van de buren.

Tot mijn verbazing houdt het werk van de Belgische kunstenaar Ante Timmermans (1976, Ninove) zich wél staande in de entourage van gesprekken, glazen champagne, zoute haringen, sjieke kledij en gratis kroketten. Al enkele tijd houdt Timmermans zich bezig met vragen als ‘Wat kan de tekening betekenen in de context van het globale netwerk van multimediale communicatiekanalen?’ Deze grote vraagstukken verraden zijn drang naar meer dan alleen een verkoopbare tekening of installatie. Ze tonen zijn behoefte aan een dialoog met de toeschouwer.

Zodra je de ruimte van Timmermans binnentreedt, ontpopt er zich een gedachtewisseling met zijn denkruimte; een complexe, utopische doch alledaagse wereld. Zelf noemt hij dit ‘mind map’. De bezoeker kan zijn gedachten volgen die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, als een labyrint voor het denken. Naast dit labyrint is de strijd die de kunstenaar met zijn context is aangegaan merkbaar. De concentratie waarmee het werk is opgebouwd, is waarneembaar in de kleine ruimte. Deze kunstenaar durft de werkelijke aanvaring aan met een identiteitsloze ruimte, zoals een stand op een kunstbeurs. Hij gaat verder dan alleen het weergeven van een prototype van zijn kunstpraktijk. Hiermee kleurt Timmermans buiten de lijntjes, vanuit een noodzaak die je op een kunstbeurs zelden signaleert.

Ante Timmermans, 3 (2009)
Christian Schoeler, SEBASTIAN (2011)

Op het eerste gezicht lijken de figuren op Christian Schoelers schilderijen meisjes. Wie beter kijkt ziet dat de Duitse kunstenaar androgyne mannen afbeeldt, mannen die bovendien vaak halfnaakt zijn, jong en van het type nonchalant bandlid.

Ze hebben een wat verloren blik: zelfs als de geportretteerde z’n ogen op je gericht heeft, lijkt hij dwars door je heen te kijken. Het gaat Schoeler (1979) om de onzekerheid en onafheid van de adolescent, maar door de focus op mannen is zijn werk ook onderdeel van de geschiedenis van het mannenportret. Dat de man in de Duitse schilderkunst niet langer slechts een heroïsch figuur hoefde te zijn, bewees Schoelers voorganger Rainer Fetting (1949), die bijvoorbeeld een zichzelf scherende man in een bad portretteerde – een kwetsbaar beeld.

Verlost van het heldencliché stuiten schilders echter op een nieuw probleem, namelijk dat hun werk soms te snel in het hokje van homokunst wordt geplaatst. Maar zoals Schoeler in een interview zegt: ‘De jongens die ik schilder zijn niet mijn vriendjes, mijn schilderijen gaan niet over de jongens of over seks’.

Waar de schilderijen wel over gaan is schoonheid. Schoeler idealiseert zijn modellen en laat daarmee zien wat schoonheid naar zijn idee is. En wat dat betreft is zijn nieuwste werk, te zien op Art Rotterdam, beter dan zijn vorige. De aquarellen en olieverfwerken van voor 2010 waren soms wel erg geïdealiseerd, wel erg lieflijk, met veel pasteltinten of juist verhullende schaduw. In het werk dat op Art Rotterdam hangt zijn de kleuren uitgesprokener en de weergave van de gezichten beslister, terwijl de toets nog steeds heel fijn is: als je met je neus op het doek staat lijkt de kleur haast op het canvas geprint.

Schoelers stijl werkt het beste in combinatie met de goed getroffen gezichtsuitdrukkingen. De stillevens van voorwerpen uit zijn atelier – een lijmtube, een flesje poppers, wat schilderspullen – zijn niet zo veelzeggend, afgezien van het feit dat ze iets vertellen over zijn levensstijl. Hoewel Schoeler beweert dat hij net zo goed mooie auto’s of bomen had kunnen schilderen, lijkt zijn talent wel degelijk bij het onderwerp jonge mannen te liggen.

Christian Schoeler, UNTITLED 2 (2011)

Ego #08

Basje Boer

Het zelfportret heeft zich in de afgelopen decennia niet opvallend vernieuwd. Buiten de context van kunst floreert het egodocument echter enorm. Weblogs, sociale netwerksites, eigengereide columns: ik, ik, ik. En in de vorm van de profielfoto – het portretje dat je Twitter- of Facebook-pagina opleukt – duikt ook het klassieke zelfportret weer op.

Beschonken op het Boekenbal. Slaperig op de bank. ’s Zomers in het bos. Met snor. Met 3D-bril. Met nieuw haar. Zelden lachend, altijd arrogant. En mijn vrienden? Je hebt de anoniempjes, die hun persoonlijkheid met een landschap verbeelden, of met een grappig verkeersbord. De mama’s laten zich vertegenwoordigen door baby of hond. De kunstenaars promoten hun eigen werk. Maar de meeste profielfoto’s zijn pure zelfportretten. Grappenmakers trekken bekken. Kokette meiden zitten lachend op de fiets. Feestnummers drinken Mojito’s. Vakantiefoto. Publiciteitsfoto. Op het strand. In de sneeuw. Rokend. Glunderend. Wegkijkend of met de ogen dicht, maar meestal met de blik in de lens.

Kunstenaar en persoonlijk Facebook-vriend Roald de Boer maakt sinds 1996 Zine. Het blad, dat werkelijk alles als onderwerp kan hebben maar waar erotiek en voyeurisme als een rode draad doorheen lopen, verspreidde Roald altijd in een kleine oplage onder vrienden. Kopiëren deed hij voor nop, bij werkgever de Volkskrant. Toen Roald recentelijk zijn baan kwijtraakte, en Zine dus niet meer gratis gemaakt en verspreid kon worden, lag de oplossing voor de hand: Zine ging digitaal. Van oplage 20 naar een goedbezochte website. Van knip- en plakwerk naar strakke pixels. Maar de inhoud bleef. Van garagedeuren tot achterhoofden: alles mag.

Zine #48 wijdde Roald aan zelfportretten die hij op Facebook vond: webcamfoto’s van jonge vrouwen. In een apart hoofdstuk op Roalds site is de verzameling in zijn totaliteit te zien. Het zijn stuk voor stuk stoere vrouwen, die niet in de lens kijken maar net ernaast: naar zichzelf. Roald: ‘Ik verbaasde me over de niet altijd even flatteuze foto’s. Je zou denken dat mensen ijdel genoeg zijn om zelfcensuur toe te passen maar ik zag gekke bekken, open monden, slaperige hoofden, vreemde objecten die werden vastgehouden – en die maakten de meisjes er niet altijd aantrekkelijker op.’

Misschien willen die meisjes ook niet per se aantrekkelijk zijn, bedenk ik terwijl ik langs door scroll. Ze willen een verhaal vertellen. Ze laten hun knuffel zien, hun tan lines, een ring of boekenkast. Nemen een hap van een appel of steken een sigaret op. Hebben een snor getekend. Een clownneus op. Maar onbedoeld laten de Facebookers méér zien. Roald: ‘De Facebookserie past in het voyeuristische dat Zine soms heeft. Ik vond de huiselijke intimiteit van de foto’s ontwapenend en ook spannend, alsof je iemand betrapt die zichzelf in de spiegel bekijkt.’ Is dit niet privé, vraag hij zich af. Mag ik hier wel naar kijken? ‘Een van de meisjes reageerde – gespeeld? – beledigd. Maar ik heb nooit een afbeelding hoeven verwijderen.’

www.roalddeboer.com

Zie hier de volledige Facebook-portrettenverzameling van Roald de Boer

‘Subversion is in bad shape. This attitude does not really exist in our world. The spirit of negation and criticality seems gone. Even subcultures and youth cultures seem to have vanished since Punk. Or they are recycled as fashion trends before ever taking shape‘.

Lieven De Cauter klinkt behoorlijk cynisch in zijn bijdrage aan de bundel Art and Activism in the Age of Globalization. Ook Karel Vanhaesebrouck ziet het somber in. Commitment, zo stelt hij, is tegenwoordig een fashionable concept. Overal zie je dezelfde buzzwords terugkomen: criticism, protest, activism, commitment, resistence. Het zijn holle begrippen geworden. ‘Toen Kurt Cobain in 1994 zelfmoord pleegde in zijn garage in Seattle liepen tienduizenden jongeren rond in een T-shirt met daarop het portret van Che Guevara. Dat beeld verloor daardoor iedere betekenis’.

Kunstenaars lijken soms amper door te hebben dat ze gebruikt worden door het systeem. Kunstenaarscollectief BAVO noemt in het boek de zogenaamde NGO artists, en vergelijkt hun werkwijze met die van humanitaire organisaties. Humanitaire organisaties vermijden graag gevoelige onderwerpen tijdens hun overleg met de overheid, omdat ze weten dat ze anders bijvoorbeeld de toegang tot een land kunnen worden geweigerd. NGO kunstenaars draaien ook om de hete brij heen. Of omdat ze anders in conflict zouden kunnen raken met instanties waar ze financieel of op een andere manier van afhankelijk zijn, of omdat ze niet werkelijk geïnteresseerd zijn in een oplossing.

BAVO noemt geen namen of voorbeelden, maar je kunt denken aan de vele community art projecten uit de jaren 90, die saamhorigheid probeerden te bewerkstelligen in de wijk. Het idee achter die projecten was meestal sympathiek, maar tegelijk ook erg naïef. Je helpt de mensen uit – ik zeg maar wat – een achterstandsbuurt aan een mooie dag, door bijvoorbeeld samen eten te koken, of tekeningen te maken. Maar daar los je hun problemen niet mee op. Je ondervraagt niet waarom die mensen in een achterstandsbuurt worden gepropt, en of de woningbouwvereniging, en dus de overheid, genoeg doet om de buurt op te knappen. Je onderneemt geen actie. Het werkelijke probleem wordt niet aangekaart. Sterker nog, eigenlijk houd je de bewoners met dit soort kunst stil. Je helpt vooral de overheid. En jezelf. Aan een mooi fashionable project.

Iemand die daar wel eerlijk in is, is kunstenaar Renzo Martens. Zijn omstreden film Enjoy Poverty, waarin hij de Congolese bevolking duidelijk maakt dat ze altijd arm zal blijven en dat ze juist die armoede moet zien te verkopen, is niet gericht op de Congolese bevolking, maar op een Westers publiek. De kunstenaar geeft toe dat hij de Congolezen uitbuit door ze te filmen. ‘Wat ik doe is ijdel, en onethisch, maar niet minder ijdel en onethisch dan wat mensen om mij heen doen’. Martens kaart de dubbele moraal aan van de Westerse maatschappij. Maar richt zijn pijlen ook op de Congolese maatschappij, die wel vaart bij alle hulpverlening.

Hulpverlening is in Congo big business. Martens vertelt de bevolking dat het raar is, dat zij daar eigenlijk niet van profiteert. Al die foto’s van zielige kindjes met vliegen op hun hoofd worden nu gemaakt door Westerse fotografen. Dat kunnen de Congolezen ook zelf doen. Dan verdienen ze tenminste nog wat aan de armoede. Je kunt er van alles van vinden, maar subversief is de film zeker. De kunstenaar lapt alle opvattingen over wat ethisch is aan zijn laars. Toch kun je zijn werk moeilijk activistisch noemen. Martens helpt de Congolese bevolking namelijk niet om haar situatie te verbeteren. Hij onderneemt geen actie.

Het probleem van dit boek is dat de begrippen ‘subversief’ en ‘activisme’ dwars door elkaar worden gebruikt. Terwijl het toch twee verschillende begrippen zijn. Subversieve kunst gaat in tegen heersende opvattingen. Activistische kunst gaat een stap verder. Die kaart niet alleen aan, maar probeert ook verandering te brengen in de bestaande situatie. Veel kunst die in deze bundel als ‘activistisch’ wordt bestempeld, is dat eigenlijk niet. Subversief kun je bij wijze van spreken vanaf de bank zijn. Maar om werkelijk wat te veranderen moet je toch de straat op. Al dat gepraat over subversiviteit en filosofische theorieën verandert namelijk niks, zoals Christophe Van Eecke terecht opmerkt in de voorlaatste tekst uit deze bundel. Als je echt dingen wilt veranderen kun je dit boek beter aan de kant schuiven. Lees niet, maar handel. ‘Get your hands dirty‘!

Of zoals de samenstellers van de bundel het zeggen op de allerlaatste pagina: Burn this book! Maar dan natuurlijk wel graag nadat je het gekocht en gelezen hebt. Anders verdienen de auteurs immers niets aan hun engagement.

ART AND ACTIVISM IN THE AGE OF GLOBALIZATION / REFLECT #08
Lieven De Cauter, Ruben De Roo en Karel Vanhaesebrouck
Januari 2011, NAI PUBLISHERS
ISBN 978-90-5662-799-9
€ 22,50 / 334 p.

Als de papieren Tubelight slechts op je cradle-to-cradle bureau ligt als onderlegger voor je garage genetics experimenten ben jij vast en zeker al ‘transnatuurlijk’. Maar voor eenieder die zich nog afvraagt hoe interacties tussen domeinen als biologie, economie en ICT onze nabije toekomst vorm zullen geven is een bezoek aan de tweede editie van Transnatural in TrouwAmsterdam een must. Terwijl de tentoonstelling werk presenteert van kunstenaars, designers, bedrijven en onderzoekers die werken op het grensgebied van leven en technologie, zal het symposium dieper ingaan op de vraag hoe we steeds transnatuurlijker worden en wat dat betekent voor ons dagelijks leven.
(MvD)

13 maart: symposium met Koert van Mensvoort (NL), Elio Caccavale (UK), Tobie Kerridge (UK), Rachel Armstrong (UK) en Jan Jongert (NL)

De vader van de Japanse kunstenaar Keiko Sato was een kamikazepiloot. Toen ze tijdens een verblijf in New York
de aanslagen van september 2001 van dichtbij meemaakte, realiseerde ze zich dat ze haar vader eigenlijk nauwelijks gekend heeft. Voor haar was dit het startpunt voor een onderzoek naar haar vader, en tevens ook een onderzoek naar de invloed van oorlog op de samenleving en de volgende generaties. In haar bekende grondinstallaties – Sato maakt landschappen van museumvloeren – verkent zij de invloed die de politiek kan hebben op cultuur. Dezelfde thema’s spelen een centrale rol in het werk dat ze speciaal maakte voor het Gelders Balkon in het Museum voor moderne kunst in Arnhem. Het werk van Sato vormt de tiende tentoonstelling in het kader van het Gelders Balkon: een podium voor kunstenaars met Gelderse binding. (AB)

Chto delat? (What is to be done?) is een activistisch Russisch kunstenaarscollectief opgericht in 2003. Het collectief verbindt kunstenaars, filosofen en schrijvers uit St. Petersburg, Moskou en Nizhny Novgorod. De deelnemers aan het platform vermengen artistieke en activistische strategieën, en maken werk in de vorm van een krant, videowerk, installaties, publieke interventies en radioprogramma’s. Chto delat? stelt vooral veel vragen om de discussie aan te wakkeren. Tijdens hun eerste solotentoonstelling in Nederland verandert SmartProjectSpace dan ook in een platform voor dialoog, met screenings en workshops. De Utopian Clothing Workshop betrekt actief migranten en asielzoekers. Lukt het de voormalig Oostblokkers ook om hier het hoognodige vuur voor activisme aan te wakkeren? (NH)

Sara Carlier, HET FAMILIEPORTRET (2010)

Voor een zilverkleurige golfplaat nemen een man en vrouw plaats midden in het beeld. Hij heeft zijn pak aan en een baby op zijn arm, zij heeft een zalmroze trouwjurk aan met fel groen tule. Daarna voegen steeds meer mensen zich achter het paar, zoals vrouwen in mantelpakjes, een oud vrouwtje met zwarte hoofddoek, jonge meisjes in feestjurkjes, mannen in pak. Een klein jongetje wordt opgetild. Het hele scherm is gevuld met mensen, die druk kakelend bezig zijn om hun plaats in te nemen. Dan valt iedereen stil en richt zijn blik naar de camera. Zelfs de man achteraan, die nog druk bellend zijn mobiel aan zijn oor houdt. De familiefoto is genomen.

De Belgische kunstenaar Sarah Carlier registreerde in haar videowerk Het familieportret (2010) met wrange humor een ingesleten familietraditie. Deze humor komt in al het werk van Carlier terug en dat maakt haar eerste solo-expositie Daily Whisper in De Brakke Grond een intrigerend geheel. Het videowerk is deel van de serie Vier jaar, drie doden, klamme oksels en een foetus waarvoor Carlier de Roemeense familie Fuliash op de voet volgde. Ze registreerde het lief en leed van de familie: van geboorten, bruiloften tot de dood.

Zeker het laatste heeft Carlier fascinerend in beeld gebracht met haar videowerk De doodskrans (2010). In beeld zien we op de achtergrond het berglandschap van Roemenië, terwijl we een rustig kabbelend beekje en een tjilpend vogeltje horen. Dan loopt er langzaam door het beeld een figuur die een doodskrans als een schild voor zich draagt. Het is alsof Carlier laat zien hoe traag en gemoedelijk het leven in dit landschap voorbij trekt.

In haar eerdere serie Habitus laat Carlier zien dat in haar geboortestreek West-Vlaanderen nog zo’n gemoedelijke en traditionele manier van leven bestaat. Zo doet haar foto De blauwe overalls (2009) van seizoenswerkers die voorovergebogen het land bewerken denken aan het beroemde schilderij Les glaneuses (1857) van Jean-François Millet.

In deze categorie valt ook Carlier’s videowerk van een vrouw met een verweerd gezicht en traditionele hoofdkap, die met krakerige stem, maar fier en vol trots een lied over de zee ten gehore brengt. Het is het tragische besef dat dit oude lied en alle tradities die zij in ere houdt die zijn verstrengeld met de streek, met de oude vrouw zullen sterven. Haar bestaan zal worden verzwolgen door een hysterische moderne samenleving en in de vergetelheid raken.

Het traditionele bestaan betekent echter ook slapen in beklemmende lichtblauwe slaapkamers waar zelfs een schilderijtje van twee schattige zeehondjes de kamer nog kaler maakt. Ook de foto Gekleurde balonnen (2008) van een eetzaal met twee lange gedekte tafels is nog somberder door de fel gekleurde ballonnen die aan elke stoel vastgemaakt zijn. Deze steriele ruimte zou juist wel wat hedendaagse hysterie kunnen gebruiken.

Sarah Carlier’s toont alledaagse beslommeringen en ingesleten tradities op monumentale schaal en vergroot zo de weemoed uit. De absurditeit maakt de tragiek gelijktijdig sympathiek: het leven is toch mooi.

Finissage op zondag 27 februari: Sarah Carlier en Daria Tuminas praten over hun werk en inspiratiebronnen.

Sara Carlier, DE DOODSKRANS (2010)
Sara Carlier, ZINGENDE VISSERSVROUW (2010)
Sara Carlier, DE ZEEHONDJES (2009)
Sara Carlier, GEKLEURDE BALONNEN (2009)

Eigenlijk vind ik stofjes vies

Marianne van Dijk
Lara Almarcegui, RUINES IN NEDERLAND XIX-XXI (2008)

Een camera werkt soms als een roze bril. Wat lelijk en oninteressant lijkt, wordt door de lens van de fotograaf elegant, fascinerend of grappig. Dat geldt zeker voor Lara Almarcegui (1972), een van oorsprong Spaanse kunstenaar die genomineerd is voor de Dolf Henkes Prijs 2010. Ze maakt onder andere foto’s van plekken die geen bestemmingsplan hebben – braakliggende terreinen en ruïnes bijvoorbeeld. Bij haar krijgt een half ingestorte boerderij iets verleidelijks, iets waardoor je zou willen dat je verder kon inzoomen. Haar werk doet daarmee denken aan dat van Dayanita Singh (1961), die ook de meeslependheid toont van onaantrekkelijke gebieden waar geen mens te zien is.

Singhs blauwe industrieterreinen in de fotoserie Blue Book (2008) zijn sprookjesachtiger dan die van Almarcegui, maar lijken te zijn ontstaan uit dezelfde fascinatie voor onopgesmukte gebieden.

Almarcegui toont echter nog iets anders: de liefde voor toeval. De gebieden waar ze zich begeeft zijn overgeleverd aan het lot; de foto’s laten zien hoe planten een vervallen huisje volledig verbergen, hoe een boerderij precies doormidden is gekliefd door een storm. Almarcegui lijkt geleerd te hebben van fotograaf Irene Cécile, de meesteres van het toeval. Cécile vraagt ons in de serie Als je goed kijkt zitten ze overal (2009) beter te kijken naar dingen die we heel gewoon of onaantrekkelijk vinden, om te tonen dat er bij toeval iets komisch in te zien is: ‘Eigenlijk vind ik stofjes vies. Maar deze mag blijven. Er zit een hondje in’.

Bij Almarcegui zie je de liefde voor toeval van Cécile en de ijle spanning van rauwe gebieden zoals bij Singh. Daarmee vraagt ze ons dichterbij te komen om het meeslepende in het toevallige te zien. De bril van Almarcegui is bij nader inzien misschien geen roze, maar een rood-groen 3d-exemplaar waarmee de wereld een stuk innemender lijkt.

Dayanita Singh, BLUE BOOK #16 (2008)
Irene Cécile, ALS JE GOED KIJKT ZITTEN ZE OVERAL (2009)

De massa is de nieuwe elite

Gerben Willers, Ariadne Urlus

De presentatie-instellingen (kunstinstellingen zonder collectie) hebben recent heel wat kritiek te verduren gehad; dat ze elitair en daarmee ontoegankelijk zijn. Een insidersclub en niets meer dan dat. Waar geheel aan voorbij lijkt te worden gegaan is het wezen van de presentatie-instellingen als specialistische podia, net als die bestaan voor liefhebbers van boten (HISWA), sportauto’s (AutoRAI) of gezondheidszorg (de huisartsen-beurs in Ahoy). Nergens krijgen deze het verwijt ‘elitair’ te zijn, wel specifiek. Er is sprake van een gedefinieerde doelgroep die een gelijke interesse deelt en over een meer dan algemene kennis beschikt. Wie breed in kunst geïnteresseerd is gaat naar Art Amsterdam of Museum Boijmans van Beuningen. Wiens interesse nog specifieker is gaat naar een presentatie-instelling, de Appel of Showroom MAMA. Hoe groter het specialisme van de instelling is, hoe verfijnder – de interesse van – het publiek wordt. Het is het principe van een zeef.

Elitarisme is traditioneel een begrip dat gebruikt werd voor diegenen die vrijgesteld waren van arbeid en vanuit hun comfortabele positie lekker konden fröbelen en nadenken en vanaf een hoge stoel bepaalden wat goed was en wat niet. Het systeem kon in stand blijven door de massa buiten te sluiten van kennis. Maar de massa hoeft zich niet meer te laten zeggen wat goed voor haar is. Zij is niet onwetend, of hoeft dat niet te zijn. Mede dankzij de technologische en communicatieve ontwikkelingen zijn de arbeids- en gezagsverhoudingen veranderd. Er is – in een steeds grotere mate – toegang tot kennis, met een mogelijkheid tot mobiliseren als gevolg. De democratisering van kennis, maar vooral de democratisering van gezag, maakt dat niets meer van bovenaf bepaald kan worden. Het werkt nu eerder andersom. Van onderaf, vanuit een brede en divers samengestelde community wordt beoordeeld wat ‘done’ of ‘not-done’ is, de moeite waard of niet.

Gezagsverhoudingen zijn niet meer vanzelfsprekend, ook niet binnen de kunstwereld. De massa eist haar gezag op. Wat verfijnd uit de zeef is gekomen moet weer bij elkaar worden geveegd want: ‘Dat is goed en dat niet.’ De massa is de nieuwe elite, die via internetfora en sociale netwerken haar stem laat horen.

De politiek en het publiek eisen meer dan ooit een bredere opstelling en meer toegankelijkheid van de kunstwereld, maar de discussie kwam al veel eerder van binnenuit de kunstwereld zelf op. In 2006 schreven de jonge directeuren Edwin Jacobs en Stijn Huijts en conservator Meta Knol het pamflet Naar een mondig museum. Hierin gingen ze uit van een afbrokkelende rangen- en standenmaatschappij waarin plek was voor een geëmancipeerd burgerschap. Dit bracht een nieuw museumpubliek met zich mee met een andere kijk op de wereld en op kunst, een publiek met een eigen stem. De keuze om naar het museum te gaan was niet gekoppeld aan ‘ontzag voor kunst, cultuur en cultureel erfgoed’, maar aan betrokkenheid en kritische participatie. Musea en kunstinstellingen worden plekken waar (jong) publiek zijn persoonlijke positie in een complexe, gemondialiseerde wereld kan formuleren en ontwikkelen.

Deze discussie is vandaag nog altijd relevant, maar moet niet alleen plaatsvinden binnen de kunstwereld zelf. Presentatie-instellingen moeten weliswaar constant in contact blijven met deze discussies, het blijven immers kunstinstellingen. Artistieke vernieuwing vindt echter niet alleen plaats binnen de kunst, maar juist ook daarbuiten. Daarom kijkt MAMA naar wat er gebeurt buiten de kunstwereld, in het culturele en subculturele veld. Wat zijn de relevante en actuele sub- en tegenculturen en waar bevinden zij zich? Wat zijn nieuwe manieren om de wereld te beschouwen en hoe zet je deze andere kijk op de wereld om in beeldende producten, met andere woorden, hoe maak je dit overdrachtelijk? Leveren deze nieuwe inzichten vernieuwingen binnen het veld van culturele productie op?

De nieuwe avant-garde bevindt zich volgens ons niet binnen het geïnstitutionaliseerde kunstcircuit. Presentatie-instellingen moeten daarom op zoek gaan naar subculturen en naar werk dat gebaseerd is op deze culturen of waar deze werelden elkaar overlappen. Dat zullen waarschijnlijk niet de presentaties zijn die het meeste geld opleveren. En soms niet het meeste publiek.

De conclusie die hieraan kan worden verbonden is de volgende. Er is behoefte aan een nieuw soort specialisten dat in kunstinstellingen werkt. Deze nieuwe specialist heeft zijn equivalent in de nieuwe maker en het nieuwe publiek.
De driehoek instelling-maker-publiek is veel closer dan ooit tevoren, rollen zijn vaak onderling inwisselbaar en per situatie anders. De tentoonstellingsmakers van nu weten het niet beter dan kunstenaar of publiek, maar vervullen een specifieke rol in deze driehoek. De presentatie-instelling is daarbij een van de knooppunten; een semipermeabel knooppunt, waarin – voor een bepaalde periode – al die ingrediënten samenkomen en worden gedeeld met het publiek. Toegankelijker kan bijna niet. Vanuit deze rol, die vooraleerst functioneel bepaald is en niet gebaseerd op een gezagsverhouding, moet de tentoonstellingsmaker constant op zoek naar kunstenaars, publiek en de best mogelijke podia en platforms om het werk van de nieuwe maker binnen de best mogelijke condities te presenteren. De tentoonstellingsmaker moet aan de behoeften van dat nieuwe publiek tegenmoetkomen en hem met de best mogelijke condities faciliteren.

Van belang is het blijven bevragen van wat dan die condities zijn, zowel voor de kunstenaars als voor het publiek. Dit vraagt ook om gelaagdheid in presentatievormen, niet zozeer gericht op een breed publiek, want dat is er niet voor hedendaagse kunst, maar wel voor verschillende specialistische publiekjes die samen – niet noodzakelijkerwijs tegelijkertijd – een kritische massa vormen, met verschillende behoeften en competenties. Showroom MAMA kan hier uitstekend mee uit de voeten. Wel specialistisch maar niet elitair. Juist omdat MAMA van oudsher, naast ontwikkelingen binnen de kunst zelf, altijd al om zich heen keek naar andere culturele gebieden en bij haar presentaties de ervaring (niet de vraag) van het publiek voorop stelde. Zij kan en mag zich schaamteloos laven aan (wat iets anders is dan blindstaren op) de populaire cultuur, subculturen en jongerencultuur. Een zich steeds vernieuwende groep van jonge makers verbindt zich aan MAMA, als kunstenaars, als staf en als publiek, en vaak als alle drie tegelijk. Skaters en kunstenaars, performers, DJ’s en theoretici vinden elkaar in het knooppunt MAMA. Meer dan ooit is een dergelijke knooppunt relevant.
En meer dan ooit leeft het.

In een houten lijst bevinden zich 54 polaroidfoto’s; 27 paartjes van twee onder elkaar geplaatste foto’s in drie horizontale rijen van negen. Alle foto’s zijn voorzien van de precieze coördinaten van de plek waar ze zijn genomen: op de geografische zwaartepunten van alle landen die deel uitmaken van de Europese Unie. Als je de contouren van een land uit zou knippen en op een vingertop zou leggen, dan is het geografisch zwaartepunt de plek waarop de landkaart perfect in evenwicht is. De landen zijn alfabetisch geordend op basis van de Engelse spelling, zodat Oostenrijk linksboven als eerste wordt opgevoerd en het Verenigd Koninkrijk rechtsonder.

In het totaalbeeld overheersen groene, bruine en gele tinten. De zwaartepunten blijken zich namelijk vooral te bevinden op akkers (België, Polen, Spanje), in het bos (Oostenrijk, Nederland, Slovenië) of midden in een weiland (Bulgarije, Tsjechië, Verenigd Koninkrijk). Een paar landen springen er visueel uit: het zwaartepunt van Roemenië blijkt in een supermarkt te liggen, dat van Ierland op een geasfalteerd landweggetje. In Italië bevindt het zich onder een hekwerk en op Malta in een zwembad. Het zijn locaties die zich niet bewust lijken te zijn van hun bijzondere status. Dat verbaast me enigszins, want ik verkeer in de veronderstelling dat de mens bijzonder graag gedenktekens opricht om de status van een plek te verheffen.

De maker van de polaroids heeft iets aan die anonimiteit willen doen. Waar je op de bovenste foto’s de zwaartepunten onaangeroerd ziet, tonen de onderste foto’s dezelfde locatie, maar dan voorzien van een markeringspunt. In alle gevallen is dat een vierkant, gecreëerd met materiaal dat ter plekke voorhanden moet zijn geweest. Zo zie je het volume van de vierkanten opgevuld worden door stenen en bladeren – en in het geval van de Roemeense supermarkt door flessen mineraalwater. Takken, stokjes of gras zijn benut om de contouren te markeren. Verder zijn er vierkanten tevoorschijn gekomen door materiaal te verwijderen, gewas plat te trappen en aarde te bewateren. De in één en dezelfde lijst bijeengebrachte foto’s zijn registraties van een tijdelijk eerbetoon aan plekken die niets met elkaar van doen hebben behalve hun gedeelde centrale ligging. Markeringstekens die binnen een niet al te lange tijd worden uitgewist door de natuur.

Onder de foto’s van elk land staat een korte beschrijving van de locatie en de wijze waarop de markering plaatsvond. Doordat er tevens een viertal zaken wordt opgesomd die zich in de buurt van het zwaartepunt bevinden – inclusief afstand, van het verst weg gelegene naar het dichtstbijzijnde – krijgen we enig inzicht in de context van de plek. In alle 27 gevallen wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde huis genoemd; wegen, beekjes en landbouwgronden blijken ook vaak nabijgelegen. Een willekeurige greep uit de overige referentiepunten: een watertoren, een konijnenhol, een begraafplaats en een cactus. Opmerkelijk zijn de 15 dode kippen die zich op 144 meter van het midden van Italië bevinden. Het meest afgelegen zwaartepunt is het Finse: het bevindt zich op 3,8 kilometer van een huis, op 1,1 kilometer van een turfveld, op 934 meter van een bospaadje en op 666 meter van een beek.

De persoon die op al deze plekken de polaroidcamera bediende is Esther Kokmeijer (1977). In het kader van hun gezamenlijke project At Home Anywhere doorkruiste zij in 2008 en 2009 samen met haar partner Henrik Jan Haarink de Europese Unie. Nevendoel van hun reis was om onderzoek te verrichten naar de beleving van het begrip ‘thuis’ binnen de afzonderlijke EU landen. De mensen die zij hiervoor interviewden woonden het dichtst bij het desbetreffende geografische zwaartepunt. Ze kozen voor deze punten, omdat juist deze inwoners zich het verst van de grenzen van een land bevinden en dus geografisch gezien het minst ontvankelijk zouden zijn voor invloeden van buitenaf. Het hart van een land aandoen om de inhoud van de kluis der nationale culturele identiteit te kunnen aanschouwen: het getuigt van een even naïeve als poëtische inslag.

Haar Europese reis ging vooraf door Journey to the centre of gravity of each continent, een project waarvoor Kokmeijer van 2003 tot 2005 een reis maakte langs de zwaartepunten van alle werelddelen. Dit project vertaalde ze naar ondermeer een boek, een serie schilderijen en een tape-installatie in het Nederlands Architectuur Instituut. Naast The Centre of Gravity of the 27 Countries of the EU verbeeldde ze de zwaartepunten van de EU-landen ondermeer in de vorm van een uit 27 onderdelen bestaand abstract sculptuur. Het werk zal in de toekomst een plaats krijgen in Europos Parkas, een beeldenpark dat claimt zich te vestigen in het midden van het Europese continent. Naast het bereiken van haar bestemmingen is de reis op zichzelf ook belangrijk voor Kokmeijer. Dit komt ondermeer tot uiting in werken waarvoor ze de door haar afgelegde trajecten uit topografische kaarten knipt en ze presenteert als meanderende linten.

Kokmeijer paart haar drang om zwaartepunten aan te doen en te documenteren aan de wetenschap dat deze locaties niet voor eeuwig over hun status beschikken: de mens kan grenzen betwisten, meren inpolderen of kunstmatige eilanden in zee aanleggen. Daarbij laat de natuur zich ook niet onbetuigd, middels vulkaanuitbarstingen, zandsuppletie en een stijgende zeespiegel. Landsgrenzen zijn geen permanente afbakeningen maar zijn constant aan verandering onderhevig. Kokmeijer maakt dit op een treffende manier inzichtelijk door in The Centre of Gravity of the 27 Countries of the EU een mooie analogie te leggen tussen het vergankelijke van de polaroidfoto, van het materiaal waaruit haar markeringen zijn opgebouwd en van het zwaartepuntschap zelf. In de nabije toekomst wil ze ook andere opmerkelijke locaties bereizen; zo verbleef ze op 21 december 2010 (midwinternacht) op het op de Noordpoolcirkel gelegen eilandje Grimsey. Tevens wil ze ooit nog eens een tot op heden voor de mens onbereikbaar zijnde plek aandoen: het zwaartepunt van Antarctica.