Cecily Brown, LADY WITH A LITTLE DOG (2009 - 2010), Courtesy: Contemporary Fine Arts, Berlijn / Gagosian Gallery, New York (Foto: Jochen Littkemann)

Het is een merkwaardige gewoonte waaraan vrijwel iedereen zich schuldig maakt: in gewone dingen iets menselijks willen zien. Wolken vervormen zich voor onze ogen tot reuzen, façades van huizen worden gezichten, in de knoesten van een houten balk zijn mensfiguurtjes te herkennen en in talloze culturen spreekt het mannetje van de maan tot de verbeelding. Dergelijke associaties zijn een belangrijk element in het oeuvre van de Amerikaanse kunstenaar Cecily Brown (1969), van wie het werk nu te zien is in de tentoonstelling Cecily Brown: Based on a true story in het GEM, museum voor actuele kunst in Den Haag.

De schilderijen van Brown, meestal groot van formaat, bestaan uit talloze verschillende gekleurde, kleine vlekjes. In veel werken kun je, als je goed kijkt, vrouwelijke naakten, hondjes of bijvoorbeeld wasberen herkennen. Op het eerste gezicht is er geen sprake van figuratie, slechts van abstractie. Een interessante compositie van vlekjes en streepjes vult het gehele doek. De schilderijen combineren de gevoeligheid van het impressionisme met de uitbundigheid van het expressionisme. Van die eerste stroming leent Brown de schetsmatigheid, van de tweede stroming de robuuste verfstreek. Nergens wordt het beeld saai, het geschilderde is volmaakt in evenwicht. De kleuren zijn goed gekozen: warme mengkleuren maken het geheel uitbundig en energiek, maar overheersen nergens. Pas na lang turen, verschijnen er bekende vormen. Zoals een liggend vrouwfiguur, dat met haar hoofd naar de rechterbenedenhoek hangt. Het hondje dat bij haar arm ligt, kun je pas ontwarren nadat je de titel op het bordje hebt gelezen.

Brown geeft haar werken titels mee als Lady with a little dog en Why Are there People like Frank in the World. Als je geen kennis hebt genomen van die titels, zijn de schilderijen formeel wel interessant, maar mis je de inhoud. Als je wel besluit om de titels te lezen, dan ontsluit het schilderij zich voor je. Het probleem is dan wel dat je er moeilijk nog een andere voorstelling in kunt zien. Het is als het psychologische spelletje van de ambigue, omkeerbare figuur: als je eenmaal de oude vrouw in de tekening hebt ontwaard, wordt het lastig de jonge vrouw opnieuw te ontdekken.

Brown lijkt zich van dit probleem bewust. Zij gaf enkele van haar recente werken geen titel. Maar omdat haar schilderijen de laatste jaren abstracter zijn geworden, is het ontbreken van de titel hier als het ontbreken van een handvat. Het gevolg is dat er geen figuratieve elementen meer te ontdekken zijn in de schilderijen en het werk zich niet meer op de spannende grens tussen figuratie en abstractie bevindt, maar ‘gewoon’ abstract wordt. Ook haar versoberde kleurenpalet en haar overstap naar kleinere formaten doen haar werk geen goed. Door de snelle, losse toets verworden de kleine schilderijtjes tot saaie schetsen. De sombere bruinen en grijstinten die Brown nu af en toe inzet, maken de speelse, lichte compositie doods.

Het is juist het werk waarmee Brown bekend is geworden: schilderijen van naakte vrouwen, groot van formaat, kleurrijk en balancerend op de grens van abstract en figuratief, dat het meest blijft fascineren. Brown zet de toeschouwer hier op zijn plaats, lijkt het. Het publiek moet namelijk zoeken naar naakte lichamen in uitdagende poses; niet op een klein intiem schilderijtje, dat misschien beter bij het onderwerp zou passen, maar op een groot doek. Daar zijn de figuren open en bloot, maar tegelijkertijd verstopt tussen de losse verfstreken. Het maakt van de toeschouwer een onbewuste voyeur. Voordat je iets ziet, moet je immers eerst worden verteld waarnaar je eigenlijk aan het gluren bent …

Cecily Brown, GHOST WANTED (2008), Courtesy: Contemporary Fine Arts, Berlijn / Gagosian Gallery, New York, Foto: Jochen Littkemann

De betekenissen van zien

Joris van Ballengooijen

In de expositieruimte van Casco staan drie overheadprojectors opgesteld. Op twee van de projectors zijn uitgeknipte tekstfragmenten gelegd, de derde toont een ouderwets ogende illustratie van een jongen die zich buigt over een wiskundig model van een kegel. De fragmenten en de illustratie worden geprojecteerd op de witte muren en op lange vellen kalkpapier die van het plafond tot aan de vloer reiken. De teksten variëren van verhandelingen over de Italiaanse Renaissance tot technische beschrijvingen van verhoudingen en maten. Ze blijken afkomstig uit de publicatie Seeing Studies, een remake van een boek dat Natascha Sadr Haghighian (1967) en Ashkan Sepahvand (1984) bij toeval vonden in een boekhandel in Teheran. Het origineel werd uitgegeven door het Iraanse ministerie van onderwijs en was bedoeld voor kunstonderwijs aan de eerste klassen van de middelbare school. Dit boek vormde de aanleiding voor een interculturele studie naar begrippen in de kunst, waarbij de vertaling van deze begrippen centraal staat. Seeing Studies bestaat uit een tentoonstelling in Casco in Utrecht, gevolgd door een serie workshops en een publicatie in januari 2011.

In een interview in Metropolis M (december 2010) geven de respectievelijk in Duitsland en Amerika opgegroeide Haghighian en Sepahvand uitleg over de verbazing die ze voelden bij het bestuderen van dit boek. In tegenstelling tot de Westerse benadering van de kunstgeschiedenis, waar de nadruk ligt op het benoemen van stromingen en periodes, ligt de nadruk volgens Sepahvand in dit boek veel meer op fundamentele vragen over waarneming, vormen en verhoudingen binnen de kunst. In hun poging om een nieuwe Perzisch-Engelstalige versie van dit boek te maken, stuitten Haghighian en Sepahvand op de moeilijkheid van het vertalen van kunstbegrippen tussen culturen. Kijken mag dan universeel zijn, beschrijvingen van wat en hoe we iets zien verschillen enorm. Begrippen die we voor zulke beschrijvingen gebruiken blijken vaak zelfs onvertaalbaar.

Met dit interculturele vertaalprobleem als inspiratie, richtten Haghighian en Sepahvand voor het project Seeing Studies het ‘Instituut voor incongruente vertalingen’ op. De filosofie van dit instituut is dat vertalingen die niet passend zijn, of niet precies de lading dekken, weliswaar kunnen leiden tot onbegrip, maar ook juist een beter inzicht in de werkelijke betekenis van een woord tot gevolg kunnen hebben. Wie in staat is om woorden of beelden vanuit het perspectief van een andere cultuur te lezen en te begrijpen wordt zich bewust van de subjectiviteit van de eigen waarneming. Waarnemen is niet ergens ‘waarde van nemen’, maar juist ergens waarde aan toekennen.

De vragen die Seeing Studies oproept zijn interessant, maar de bezoeker die bereidt is zich te verdiepen in de wollige, begeleidende teksten zal zich afvragen of er bij het kijken naar kunst en interpreteren ervan niet altijd sprake is van een soort persoonlijke vertaling van het idee van de maker? ‘Zien’ is in zekere zin altijd subjectief, zeker wanneer het subject kunst betreft.

Het uitgangspunt van Haghighian en Sepahvand, om taal in de vorm van een lesboek in het onderzoek centraal te stellen, is op zich een slimme manier om tot een interculturele vergelijking te komen. Het maakt het onderzoek concreet, er valt immers echt iets te vergelijken in plaats van te vervallen in clichés. Helaas wordt dit idee in de tentoonstelling niet erg sterk verbeeld door de kunstenaars. In haar huidige vorm, met projectoren en uitgeknipte citaten, is de tentoonstelling niet meer dan een raadselachtige verwijzing naar een boek waarvan we het origineel niet te zien krijgen.

Haghighian en Sepahvand maken geen gebruik van de gelegenheid om in deze fase van hun onderzoek stelling in te nemen noch het publiek te prikkelen in aanloop naar de workshops. De geprojecteerde teksten zijn bewust moeilijk leesbaar gemaakt en vormen op die manier een metafoor voor het gehele project waarin vooral gezocht lijkt te worden naar betekenis. De projecties nodigen niet uit tot discussie, omdat hun context niet zichtbaar wordt gemaakt. De enige hulp die de bezoeker wordt geboden bij het duiden van het werk is een begeleidende tekst op een A4’tje en een gekopieerd kaartje. Het kaartje bevat een in het handschrift van de kunstenaar geschreven boodschap over ‘problems and forms’ en een literatuurlijst. De literatuurlijst in combinatie met het gebruik van termen als ‘incongruent’, ‘facsimile’ en ‘polyfone echo’ in de tekst op het A4’tje tonen vooral aan dat in dit project de theorie zelf tot kunst verheven wordt. Wellicht dat de workshopserie en de publicatie meer recht zullen doen aan de uitgangspunten van Seeing Studies.

Workshops 19 t/m 22 januari

Seeing Studies (detail), Casco, Utrecht
Bezoekers spelen UNDER FIRE en DAYTONA USA

Met veel goede herinneringen kijk ik terug op de vele guldens die mij door de jaren zijn ontnomen door flipperkasten en andere speelautomaten. Ik ben geen gokverslaafde maar mag graag een highscore  zetten of de finaleplaats halen. Noem het geldingsdrang of trots maar jouw naam bovenaan een scherm zien staan is een mooi moment in het leven van ieder kind.

Momenteel vindt er binnen de muren van Mediamatic in Amsterdam een serie van tentoonstellingen plaats die oude tijden doet herleven. De bezoeker kan zich kostelijk vermaken met een groot aantal speelkasten van 1970 tot nu, games die wij nu allemaal makkelijk in de binnenzak meenemen. De grote installaties overdonderen met licht en geluid en vormen een elektronische speelplaats. Tot en met 27 maart geeft Mediamatic in verschillende fases (‘levels’) een overzicht van gamen door de jaren heen. Na de speelkasten komen ook de consoles, handhelds en mobile games aan bod.

In de opstelling die nu te zien is heeft de bezoeker een ruime keus aan antieke games waarop hij kan spelen, zoals de originele pongtafel, de digitale versie van tafeltennis waarmee de Atari-computers een gigantische hit zijn geworden. Maar ook een museumstuk onder de naam Jet Rocket is te bewonderen. Deze machine is eigenlijk nog een analoge vliegtuigsimulator uit 1970. Dit fraai staaltje handwerk is zelden in het openbaar getoond en heeft model gestaan voor veel speelkasten. Superhit Dancing Stage is ook te spelen in de tijdelijke arcadehal op de Vijzelstraat. Deze game is de voorloper voor alle andere actieve games. Het is een verslavend dansspel waar vele Japanners tegenwoordig nog uren op dansen. Voor liefhebbers zal deze tentoonstelling ongetwijfeld een ware droom zijn en ook de toevallige toerist kan zich laven aan de juweeltjes.

De aantrekkingskracht van de arcadekasten ligt in het eindeloze spelplezier en de manier waarop er gespeeld wordt. Thuis gamen is leuk, maar in een omgeving waar de beelden je tegemoet springen en elk groot scherm je vraagt mee te doen is er nog een groter plezier. De manier waarop de kasten zijn vormgegeven laten je echt plaatsnemen in een cockpit van een vliegtuig of achter het wiel van een Ferrari.

Zoals het Rijksmuseum gevuld is met artefacten uit de Nederlandse geschiedenis, verdient de recente geschiedenis van het gamen ook een plek. Pong en Tetris zijn in het collectief geheugen gegrift en er zullen ook maar weinigen zijn die de muzikale composities uit de Super Mario serie niet herkennen. Generaties kinderen uit de jaren ’80 en ’90 hebben hun jeugd in deze games geïnvesteerd. Deze gamers (nu rond de 35 jaar oud) pakken nog steeds in hun vrije tijd een controller (of zichzelf) op om in deze vorm van escapisme terug te gaan naar de kindertijd. Mario is niet weg te denken uit het gamelandschap.

Ook worden de games uit het vorige ‘level’ gepresenteerd. Een groep internationale gamedesigners ging ruim een week aan de slag, wat zes installaties opleverde die de grenzen van het gamen opzoeken. Deze nieuw ontwikkelde spelen worden niet alleen door stuurknuppels en knoppen bestuurd maar veelal ook door menselijke interactie. De titels hiervan; ikScream, ikBijt en ikStaar – het ouderwetse staarspel maar nu met digitale hulpmiddelen – zijn al een aanleiding om een vriend of vriendin mee te nemen. Of, het spel WoW!, waarmee je een lichttekening kan maken met behulp van een mobiele telefoon. Deze nieuwe gameconcepten hebben grote potentie om in geperfectioneerde vorm de huiskamers of speelhallen te veroveren.

Mediamatic geeft met de tentoonstelling een goede aanzet tot een platform waar een vaste plaats voor zou moeten zijn. In Nederland is er nog veel ruimte voor ontwikkelingen op gamegebied. Door simpelere mogelijkheden en bruggen naar open netwerken zoals de iPhone ontstaan inspirerende ontmoetingsplekken voor (jonge) professionals, maar ook voor de gewone liefhebber. Naast de nieuwe trends op gamegebied en de razendsnelle ontwikkelingen daarin is even stilstaan enorm vermakelijk. ‘Historische’ games die zich afspelen in 2D-werelden zijn nog altijd even aantrekkelijk en worden dan ook niet zonder reden weer massaal aangeboden op de nieuwe spelcomputers.

Op virtuele platforms vinden de klassiekers gretig aftrek. Het gaat immers niet om het winnen, de meest realistische graphics of nieuwe gameplay, het belangrijkste is nog steeds plezier hebben. Via de vele vormen van online gamen is er natuurlijk een groter speelveld gecreëerd maar mist er wel een fysieke ontmoetingsplek. In de speelhal sta je oog in oog met je tegenstander, online is de grote bullebak die iedereen verslaat in een potje Mortal Kombat niets meer dan een profielfoto.

JET ROCKET (1970)

Huis Marseille brengt een ode aan de analoge fotografie in de persoon en het werk van drukker Peter Svenson. Al meer dan dertig jaar drukt Svenson prints af voor beroemde en beginnende fotografen. De meeste amateurs en vakfotografen zijn de afgelopen tien jaar overgestapt van analoog naar digitaal. Toch doet zich een opvallende, internationale ontwikkeling voor: veel fotografen maken hun broodwerk weliswaar digitaal, maar hun persoonlijke werk op film vanwege de ambachtelijke en onverwachte aspecten. In de tentoonstelling zijn prints van Peter Svenson samengebracht van o.a. Rineke Dijkstra, Leo Divendal, Alicia Framis, Dana Lixenberg, Liza May Post, Armando, Andrade Tudela, Henk Wilschut en Marijke van Warmerdam. (AvH)

De gloed van verval

George Vermij

De boeken van de Duitse schrijver W.G. Sebald zijn half-fictieve tochten door tijd en ruimte vol met verslagen over verdwenen levens en het onzekere lot van bannelingen. Ze hebben een grote aantrekkingskracht gehad op veel schrijvers, waaronder Susan Sontag en Paul Auster. De Britse kunstenaar Tacita Dean (1965) is een groot bewonderaar van Sebald. In interviews geeft zij aan dat zij is beïnvloed door zijn manier om vergeten geschiedenissen op subtiele wijze weer tot leven te wekken. Deans filminstallatie Michael Hamburger is misschien wel het meest verbonden aan Sebalds werk. Dean maakte de film voor de groepstentoonstelling Waterlog (diverse locaties, Norwich, 2007) die Sebalds wandelingen door Engeland als uitgangspunt nam. Vreemd genoeg is Sebald op het eerste gezicht de grote afwezige in de film.

Michael Hamburger is een minimaal filmportret van de dichter die vooral bekend werd met Engelse vertalingen van de gedichten van Friedrich Hölderlin. Hamburger was echter ook bevriend met Sebald en vertaalde enkele boeken van hem. De film begint met shots van een appelboomgaard, waar de wind door de bomen waait. Zonnestralen doen het beeld oplichten en zwakken het daarna weer af. Deans gebruik van analoge film versterkt de scherptediepte en de haast tastbare gloed van licht. De geluidsband bestaat uit een montage van achtergrondgeluiden, zoals de wind die bladeren laat ritselen en getsjirp van vogels. De bejaarde Hamburger wordt getoond in zijn grote tuin, terwijl hij appels plukt. Later filmt Dean hem in zijn studeerkamer, waar hij vertelt over de verscheidenheid van rassen en welke appels hij kweekt. Op een tafel ligt een overvloed aan soorten, van gele en groene tot appels in verschillende gradaties rood.

Deans composities van statische shots hebben duidelijke relaties tot traditionele schilderkunst. In een scène zie je Hamburger bijvoorbeeld achter zijn schrijftafel zitten, met zijn gezicht naar het venster. Opeens wordt hij overbelicht door zonnestralen. De scène doet denken aan renaissanceportretten van heiligen of kerkvaders, zoals Vittore Carpaccio’s portret van St. Augustinus die in contemplatie in zijn studeerkamer wordt gevangen door een lichtstraal. Andere beelden uit de film, zoals shots van Hamburgers wilde tuin, verwijzen naar Britse landschapschilderkunst uit de romantiek, zoals de schilderijen van de negentiende-eeuwse schilder John Constable.

Deans film lijkt een poging om iets vast te leggen voordat verval zijn intrede doet en het uiteindelijk zal verdwijnen. Verval en verdwijnen zijn thema’s die centraal staan in het werk van zowel Dean als Sebald. Tegen het einde van de film draagt Hamburger een gedicht voor dat hij heeft geschreven ter nagedachtenis aan Ted Hughes. Een karmijnen appel die hij van Hughes heeft gekregen – en die Hamburger in zijn tuin heeft gecultiveerd – vormt daarin een belangrijk onderwerp. Het gedicht begint met een beschrijving van de komst van de winter en het sterven van gewassen en vee. De door Hamburger gesproken woorden bevatten een spanning tussen datgene dat zal vergaan en datgene wat blijft voortbestaan. In een regel gebruikt hij de woorden ‘the children half-orphaned’. In eerste instantie een verwijzing naar Hughes, die na de dood van zijn vrouw Sylvia Plath achterbleef met zijn kinderen. Maar de woorden hebben in Deans film een bredere lading.

De ‘halve wezen’ waar Hamburger naar verwijst zijn namelijk ook een perfecte benaming voor de personages in Sebalds boeken, waarin mensen gedwongen worden om hun vaderland te verlaten en te dwalen in ballingschap. Hamburger vluchtte zelf in 1933 uit Duitsland en had door de oorlog een problematische band met zijn geboorteland. Een geschiedenis die hij met Sebald deelde, en waaruit een innige vriendschap ontstond toen zij elkaar in Engeland leerden kennen. Sebald maakte van Hamburger dan ook een personage in zijn boek Die Ringe des Saturn. Eine englische Wallfahrt, waarin een foto is te zien is van Hamburgers studeerkamer en daarin de schrijftafel waaraan Dean hem zo nauwgezet filmt.

In Michael Hamburger staat de oude dichter in de schaduw van Hughes’ en Sebalds dood, maar Deans portret is meer dan alleen een esthetisch verantwoord monument of memento. De film is een indirecte hommage aan Sebald, een poging om een visueel equivalent te vinden voor zijn proza. En uiteindelijk lukt het Dean om, net als Sebald, de kwetsbaarheid van een mensenleven subtiel in relatie te brengen met grotere krachten zoals de geschiedenis en de natuur. Hamburgers zwakke vitaliteit schemert nog door in zijn vruchtbare appelgaard en de gloed die Dean van hem vangt met haar lens. De beelden voelen aan als herinneringen die Dean uit de vergetelheid wil redden, maar op elk moment kunnen vergaan in een onmetelijke zee van tijd.

Cyprien Gaillard, REAL REMNANTS OF FICTIVE WARS (PART V) (2005)

Op 27 november opende de derde en laatste expositie in de reeks Young Collectors, een serie die in het teken stond van jonge kunstverzamelaars. De bevlogen Nederlandse verzamelaars Jaring Dürst Britt (1981) en Alexander Mayhew (1973) toonden hun gezamenlijke collectie gedurende anderhalve maand in stichting Sign, een grensverleggend platform in Groningen. Bijna elke maand wordt er een wetenswaardig project of expositie georganiseerd. Soms gebeurt dat in samenwerking met een ander kunstinitiatief, soms in samenwerking met kunstenaars of, zoals deze keer, met collectioneurs.

De expositie werd, net als de voorgaande edities in de reeks, voorafgegaan door een interview dat de positie van de verzamelaar verkende. Arno van Roosmalen (directeur Stroom, Den Haag) interviewde Mayhew en Dürst Britt. Veelbelovend verkondigde Van Roosmalen als startschot van het interview zijn ambitieuze doel. Hij wilde vanuit ‘het persoonlijke naar het maatschappelijke’, ‘van passie naar mores’, ‘van het concrete naar het grote geheel’ en ‘van het nu naar de toekomst’. Gedurende het interview bracht hij de twee collectioneurs enigszins in verlegenheid met zijn provocerende vragen omtrent hun positie als verzamelaars.

In tegenstelling tot kunstverzamelaar Christian Schwarm (1972), de eerste deelnemer aan de Young Collectors reeks, lijken Mayhew en Dürst Britt zich minder bewust van hun positie als collectioneurs. Schwarm richtte ondermeer het platform voor verzamelaars, Independent Collectors, op. Schwarm verzamelt met een conceptuele houding. Deze komt ondermeer tot uiting in het verzamelaarsduel dat Schwarm aanging met kunstverzamelaar Tommi Brem; een jaar lang een voortdurende uitruil van kunstwerken, met als doel te eindigen met de ‘beste’ ruil. Terwijl Schwarm zijn collectie conceptueel doet groeien, ontstaat de collectie van Mayhew en Dürst Britt zonder vooropgezet plan, het groeit bij gratie van het euforische moment. Verleiding vormt de leidraad in de collectie van Mayhew en Dürst Britt. Zoals er onderscheid wordt gemaakt tussen intuïtieve en conceptuele kunstenaars, toont dit project aan dat er ook onderscheid bestaat tussen verschillende typen verzamelaars.

Van Roosmalen stelde de vraag of er sprake is van kunst verzamelen of kunst consumeren. Toen eenmaal het woord consumeren gevallen was, transformeerden Mayhew en Dürst Britt in de twee bekende karakters Jérôme en Sylvie die de hoofdrol spelen in het boek Les choses van Georges Perec. Deze personages streven voortdurend naar comfort en bezit. Ze consumeren zonder limiet, totdat hun bomvolle huis een enorme leegte doet ontstaan in beide geesten. Het consumeren lijkt niet onbekend voor Mayhew en Dürst Britt. Naar eigen zeggen verzamelen zij naast kunst, statussymbolen als Swatch horloges en overhemden. Met andere woorden, verzamelingen die kapitalistische karakteromschrijvingen uitlokken. Maar tussen deze uitspraken door, proef je het idealisme van Mayhew en Dürst Britt. Ze houden ervan om aankopen te doen van pas afgestudeerden, naamsbekendheid speelt geen rol.

Het is niet zozeer een verkeerde intentie die Mayhew en Dürst Britt bestempelt als consumenten, maar het is de onuitgesproken houding die leidt tot verwarring. De mist zou oplossen wanneer Mayhew en Dürst Britt in plaats van de drie kernthema’s van hun collectie, ‘opgroeien’, ‘geweld’ en ‘kunst over kunst’, die zij in het interview noemden, juist hun intuïtieve houding zouden benadrukken. Met deze expliciete houding zouden ze als verzamelaars een vooruitstrevende stelling in kunnen nemen. Namelijk dat kunst het instinct raakt, voorbij redeneringen en dat wanneer je dit instinct als verzamelaar volgt, regels overbodig zijn. De rationele overweging van Schwarm om een kunstenaar contractueel te steunen is voor Mayhew en Dürst Britt dan ook geen optie.

In Sign tonen Mayhew en Dürst Britt hun collectie tegen de achtergrond van een muurschildering, die de kunstwerken noodgedwongen aan elkaar lijkt te moeten lijmen. De muurschildering is een stand-in voor hun huis, dat zowel de collectie bindt als gehandicapt maakt. De garagedeur wordt verdoezeld door een witte wand en de geïmproviseerde keuken die normaliter zichtbaar is in de galerie, is nu verstopt in een perfecte sokkel. Waarom worden deze huiselijke elementen vervangen door een kunstzinnige keuken? Hier schemert op de achtergrond de kwestie van een private verzameling die publiekswaardig wordt, en zich aan een museale inrichting wil meten. Naast dit artificiële design worden via een zorgvuldige routing de kunstwerken in Sign onthuld. De bezoeker krijgt een plattegrondje dat boekdelen spreekt: er wordt niet gesproken over een alomvattend thema van deze expositie, elke kunstenaar wordt stuk voor stuk belicht. Bij elke stap word je verrast door een kunstwerk, dat het voorgaande werk weer in een andere context zet en vice versa. Het is de moeite waard om je net als Mayhew en Dürst Britt te laten verleiden door het wonderlijke spel tussen toeschouwer, kunstwerk en ruimte, door ondermeer het werk van Marcel van Eeden, Claire Fontaine en Cyprien Gaillard.

Wanneer je ook de andere kunstverzamelaars hebt gevolgd, is dit duo een interessante afsluiter van de serie. Waar Schwarm zijn collectie als veranderlijk ziet; hij zegt geen nee tegen het verruilen van een kunstwerk, zien de kunstverzamelaars van Young Collectors #2, Johan Delcour en Monia Warnez, hun collectie als een huis: ‘iedere steen, iedere dakpan, raam, vloer, deuropening, elektriciteitsdraad is belangrijk, zelfs de deurbel en de brievenbus’ en eindigen Mayhew en Durst Britt deze reeks met een onstuitbaar enthousiasme voor het verzamelen van kunst, een bezieling die het huidige kunstklimaat behoeft.

Paul Beumer, FOR BETTER AND FOR WORSE BUT NOT FOR LUNCH (2009)
Gert Jan Kocken, MADONNA OF NAGASAKI, DEFACEMENT 9 AUGUST 1945 (2010)

Terwijl de Amsterdamse hipsters prat gaan op de hoofdstad als de enige cultureel-fähige woonst, en de Rotterdamse Underdogs hun moeilijke best doen het tegendeel te bewijzen, gebeurt er in het suffige Den Haag meer dan je voor mogelijk houdt. Een keer per kwartaal gooien de kunstenaarsinitiatieven, underground en upperground galeries en het establishment (STROOM en de Vrije Academie) op een vrijdagavond hun deuren open. Zonder toeters en bellen en marketinggeroffel, maar gewoon omdat het kan. En omdat het leuk is om voor het uitgaan laagdrempelig even door de kunstscene te banjeren. HOOGTIJ, aka de Haagse Rondgang, staat garant voor een informele en gemoedelijke sfeer, waar de mensen achter de initiatieven graag een babbeltje met je maken. En je vaak nog wat soep of spekjes aanbieden ook. (NH)

19:00-23:00 uur, centrum Den Haag, tussen Den Haag HS en het Anna Paulownaplein

Zaaloverzicht VLIEGBEWEGINGEN

Welke (bovennatuurlijke) gave zou je graag willen hebben?
Wij zouden graag kunnen toveren.

Kun je je meest recente extatische visuele ervaring beschrijven?
Toen we in het S.M.A.K. te Gent twee jaar geleden de grote overzichtsexpo van Paul McCarthy zagen. We zijn grote bewonderaars van McCarthy en waren totaal overweldigd door de intensiteit van zijn werk.

Welk, van al je werken door de jaren heen, is je favoriete? Waarom? Omschrijf het.
Ons favoriete werk is Ephemeris: een Duits romantisch gedicht van 2.10 m x 1.80m waarvan de tekst door vliegen is samengesteld. Het was in eerste instantie een tijdelijk werk voor een groepstentoonstelling in Arti et Amiticae in 2000, met onder andere werk van Damien Hirst. Wij werkten toen voor het eerst met vliegen, die een gedicht op de wand vormden. Onlangs hebben we dit werk gereconstrueerd, met speldjes in een vitrine.

Kun je een filmscène beschrijven die je in het bijzonder geraakt heeft?
Een scene uit Fellini’s Amarcord (1973). Het is een typische Fellini-film, over het opkomend fascisme in Italie, en vooral een familiegeschiedenis. In de film zit een jonge man in de top van een boom, terwijl hij continu schreeuwt: ‘Ik wil een vrouw’. Zijn vader probeert hem tevergeefs naar beneden te krijgen. Het is een grappige, maar tegelijkertijd dramatische scene.

Welke kunstenaar, dood of levend, zou je het liefst jouw tentoonstelling zien bezoeken?
Leonardo da Vinci. Net als STARTEL was hij gefascineerd door wetenschap en kunst. We voelen ons verbonden met het idee dat je je onbeperkt bedient van allerlei media. Alles is toegestaan, de mogelijkheden zijn grenzeloos, je gebruikt alles wat je maar fascineert.

Als je een kunststroming of -beweging voor eeuwig uit de geschiedenisboeken kon schrappen, welke zou dat dan zijn, en waarom?
Het magisch realisme. Deze schilderkunstige stroming zit zo volgepropt met filosofische verwijzingen, elementen uit de antieke Oudheid en Griekse mythologie dat het vermoeiend is. Het zit zo vol, wij zijn daar allergisch voor.

Beschrijf je ideale expositiebezoeker.
Iemand die zich met een open blik onderdompelt in alles wat er te zien en beleven is.

En je ideale expositieruimte?
De ideale expositieruimte is de Verbeke Foundation in Kemzeke, België. Een eldorado voor biokunst opgezet door Geert en Carla Verbeke.

Hoe zou je deze expositie uitleggen aan je ouders?
Sorry, pa en ma, het komt niet door jullie dat we van vliegen houden en ze kunst voor ons laten maken.

Wat wil je dat de bezoekers van je tentoonstelling vooral niet missen?
Dat het bestaan een gevecht is om te leven en dat dit gevecht in onze tentoonstelling gesymboliseerd wordt door het kortstondige leven van de vlieg.

Wat wil je dat de toeschouwer níet ziet?
De toeschouwer hoeft de pijn en moeite niet te zien die we hebben doorgemaakt om deze tentoonstelling met vliegen te realiseren.

Wat zou je aan het doen zijn als je geen kunstenaar was?
Dan zouden wij alleen nog maar muziek maken. Nu moeten we onze tijd verdelen tussen kunst en muziek maken.

STARTEL is Jan Starken (1956) en Mark Schotel (1965). Het duo installeerde in Retort een steriele afgesloten omgeving van gaas en transparante buizen waarin vliegen door middel van lok –en kleefstoffen en fluorescerende lampen naar naamborden worden geleid.

Vrijdag 4 februari 19 uur houdt prof. Marcel Dicke van Wageningen University een lezing over het nut van de vlieg in ecosystemen en de vlieg als filosofische metafoor.

Op 14 jan opent de Verbeke Gallery in Antwerpen, de eerste galerie ter wereld die zich louter toelegt op bio art met een groepsexpo met o.a. STARTEL

McCarthy in S.M.A.K, Gent

Why patterns is een groepstentoonstelling met werk van 24 kunstenaars waarin patronen, in allerlei gedaanten, de leidraad vormen. Niet alleen de ambitieuze line-up, waarvan ongeveer de helft van de kunstenaars van buiten Slewe Gallery komt, zoals Daan van Golden, Irma Boom en Peter Struycken, maar ook het feit dat er werk tentoongesteld wordt van kunstenaars als Callum Innes en James Siena, dat zelden in Nederland te zien is, maken een bezoek zeer de moeite waard. Why patterns verwijst naar een gelijknamige compositie van Morton Feldman, waarin, zo is in het concept van kunstenaar Steven Aalders te lezen ‘Flute, piano and glockenspiel played individual notes, seemingly unrelated to each other. Only toward the end did the line converge.’ Tijdens de opening op 8 januari zal Feldmans Why patterns uitgevoerd worden door het Ives Ensemble. (NM)

Sinds enkele jaren duikt er in de musea en galeries steeds vaker nieuwe mediakunst op. Een ontwikkeling die de langzaam-maar-zekere acceptatie van deze kunstvorm binnen de beeldende kunst aanduidt. Er zijn echter ook instituten die in deze ontwikkeling een minder afwachtende houding aannemen en het aandurven om nieuwe mediakunst een uitgesproken plek te geven in het programma. Kunstencentrum STUK in Leuven is daar een goed voorbeeld van. Sinds 2006 organiseert STUK namelijk Artefact: een jaarlijks festival dat zich richt op nieuwe mediakunst maar daarbij relaties tot andersoortige beeldende kunst niet schuwt. (MvD)

Op wie heb jij politiek, sociaal, economisch en ecologisch je hoop gezet? Of loopt het allemaal niet zo’n vaart, dobber je rustig mee, zie je vanzelf hoe alles zich ontwikkelt? Ik vestig mijn hoop op ontwerpers – niet per se grafische, het onderwerp van dit boek – maar toch: ontwerpers. Bij hen klop ik aan voor een drukinkt besparende letter, een gebruiksvriendelijk belastingaangifteformulier, een schoonwaterpomp aangedreven door spelende kinderen. Kunst ontregelt eerder en stelt de vragen waarmee een ontwerper aan de slag kan.

Die potentieel sterke positie van de ontwerper – genoeg problemen om aan te pakken in een wereld die verandert met een snelheid en op een schaal als nooit tevoren [1]; klinkt op het eerste gehoor niet door in de titel: I don’t know where I’m going but I want to be there – the expanding field of graphic design 1900 – 2020. ‘I don’t know’ klinkt wat hulpeloos, wat onbestemd, ondanks het ferme ‘I want’ dat daarop volgt en het voorschot op het komende decennium [2]. Een soort blind vertrouwen in het vakgebied, als het vak tenminste in beweging blijft [3].

In negen essays signaleren negen auteurs ontwikkelingen die steeds belangrijker worden in de praktijk van het ontwerpen. Datavisualisatie is daar één van. In de stortvloed aan data die ons overspoelt kan een ontwerper orde scheppen en betekenis geven. Hij kan bovendien zaken aan het licht brengen die voorheen verborgen bleven. Een voorbeeld is het project Nuage Vert waarin een laserstraal het gezamenlijke energieverbruik in een stad zichtbaar maakt door een groene wolk te projecteren op de rook die een afvalverwerkingsinstallatie dagelijks uitbraakt boven een stad. Deze groene wolk wordt kleiner zodra huishoudens minder energie verbruiken. Als dergelijke ‘open data’ voor een samenleving zichtbaarder worden – en als meer en meer burgers dergelijke ‘open data’ eisen – kan dat uiteindelijk leiden tot verandering [4]. Het is daarbij niet ondenkbaar dat de burger zelf steeds vaker de rol van designer op zich neemt, nu benodigde tools en informatie in toenemende mate voor iedereen beschikbaar komen.

Maar voordat we zelfstandig naar Afrika afreizen om waterputten te slaan en naar de Zuidpool om te getuigen van smeltende ijskappen moeten we misschien eerst een probleem dichter bij huis aanpakken. Micah White vraagt zich in het boek af hoe het zit met onze eigen mental ecology. Wat voor goeds komt er uit onze verontreinigde geest? White noemt een aantal vervuilers: voortdurend blootstaan aan geluid (zoemende computers, achtergrondmuziek, mobiele telefoon naast het hoofdkussen), beelden vol sex en geweld, commerciële boodschappen, eindeloos herkauwde virale You-Tubefilmpjes, gerecyclede rondgepompte cultuur.

Behalve de essays bevat het boek een tijdlijn die een deel van de collectie van het Graphic Design Museum ontsluit. Op deze tijdlijn worden steeds twee grafische artefacten aan elkaar gekoppeld: een ‘oud’ en een ‘nieuw’. Dit levert opmerkelijke combinaties op. Zo staat het typografisch manifest van Jan Tschichold uit 1928 (een pleidooi voor standaardisering van papierformaten en ‘goed’ gebruik van typografie) tegenover de kaalgeschraapte websites uit 2003 van Hendrik-Jan Grievink. Deze webbrowsers, ontdaan van hun inhoud (en daarmee van hun functionaliteit) zijn juist kritisch commentaar op standaardisering in design.

Tschicholds modernisme heeft schoolgemaakt onder ontwerpers, Hendrik-Jan Grievink vooralsnog niet: we bevinden ons nu op het hoogtepunt van template-cultuur, zoals LinkedIn, Facebook en Twitter met hun groeiende gebruikersaantallen bewijzen.

Tschichold versus Grievink, De Stijl versus Nike sneakers met Mondriaan-print – het boek staat vol met dergelijke valse tweelingen [5], een aardige manier om hedendaags ontwerpwerk in de context van het verleden te zetten. Het idee dat iemand die terugkijkt in de geschiedenis potentieel gevaarlijker is dan iemand die gedachteloos in het nu leeft is bovendien een prikkelende gedachte [6].

[1] Een groot deel van de bevolking ‘buy things they don’t need, with money they don’t have, in order to impress neighbours who don’t care’. Dit zegt Victor Papanek, geciteerd door designcritica Alice Rawsthorn op het symposium waarop het boek werd gepresenteerd. Ze noemt mobiele telefoons en laptops van Apple ‘fun voor de lucky 10% maar grim voor the other 90%’ (chemisch afval).

[2] De titel refereert aan een manifest van ontwerper Bruce Mau waarin hij stelt dat proces belangrijker is dan uitkomst.‘When the outcome drives the process we will only ever go to where we’ve already been. If process drives outcome we may not know where we’re going, but we will know we want to be there.’

[3] De tijd dat grafisch ontwerpen ‘print op papier’ betekende is voorbij. Inmiddels leven we in een wereld waarin we communiceren via schermen, waarin iedereen met iedereen verbonden is. Zelfs onze fysieke omgeving praat tegen ons: auto’s, gebouwen, kledingstukken.

[4] ‘Actively entering civil society in an effort to protect the commons will be a novelty for most designers.’ David Stairs in het essay Citizen Designer in het boek.

[5] Term ontleend aan tentoonstellingsprogramma Faux Jumaux (‘Valse tweelingen’) in S.M.A.K. in Gent (2008) waarin steeds twee kunstwerken werden getoond die formeel of materieel sterk op elkaar leken.

[6] ‘The greatest modernizers inaugurate their career with a backward leap, and a renaissance proceeds through a return to the past, a recycling, and hence a revolution. (…) Behind the ‘re’ of reformation, republic or revolution, there is a hand flicking through the pages of a book, from the end back to the beginning. Whereas the finger that pushes a button, fast-forwarding a tape or disc, will never pose a danger to the establishment.’Régis Debray geciteerd door Experimental Jetset (manystuff.org)

I DON’T KNOW WHERE I’M GOING BUT I WANT TO BE THERE
BIS Publishers en Graphic Design Museum (2010)
ISBN 978-90-6369-257-5
€ 24,00 / 168 p.