I don’t know where I’m going but I want to be there

—Irma Driessen

Op wie heb jij politiek, sociaal, economisch en ecologisch je hoop gezet? Of loopt het allemaal niet zo’n vaart, dobber je rustig mee, zie je vanzelf hoe alles zich ontwikkelt? Ik vestig mijn hoop op ontwerpers – niet per se grafische, het onderwerp van dit boek – maar toch: ontwerpers. Bij hen klop ik aan voor een drukinkt besparende letter, een gebruiksvriendelijk belastingaangifteformulier, een schoonwaterpomp aangedreven door spelende kinderen. Kunst ontregelt eerder en stelt de vragen waarmee een ontwerper aan de slag kan.

Die potentieel sterke positie van de ontwerper – genoeg problemen om aan te pakken in een wereld die verandert met een snelheid en op een schaal als nooit tevoren [1]; klinkt op het eerste gehoor niet door in de titel: I don’t know where I’m going but I want to be there – the expanding field of graphic design 1900 – 2020. ‘I don’t know’ klinkt wat hulpeloos, wat onbestemd, ondanks het ferme ‘I want’ dat daarop volgt en het voorschot op het komende decennium [2]. Een soort blind vertrouwen in het vakgebied, als het vak tenminste in beweging blijft [3].

In negen essays signaleren negen auteurs ontwikkelingen die steeds belangrijker worden in de praktijk van het ontwerpen. Datavisualisatie is daar één van. In de stortvloed aan data die ons overspoelt kan een ontwerper orde scheppen en betekenis geven. Hij kan bovendien zaken aan het licht brengen die voorheen verborgen bleven. Een voorbeeld is het project Nuage Vert waarin een laserstraal het gezamenlijke energieverbruik in een stad zichtbaar maakt door een groene wolk te projecteren op de rook die een afvalverwerkingsinstallatie dagelijks uitbraakt boven een stad. Deze groene wolk wordt kleiner zodra huishoudens minder energie verbruiken. Als dergelijke ‘open data’ voor een samenleving zichtbaarder worden – en als meer en meer burgers dergelijke ‘open data’ eisen – kan dat uiteindelijk leiden tot verandering [4]. Het is daarbij niet ondenkbaar dat de burger zelf steeds vaker de rol van designer op zich neemt, nu benodigde tools en informatie in toenemende mate voor iedereen beschikbaar komen.

Maar voordat we zelfstandig naar Afrika afreizen om waterputten te slaan en naar de Zuidpool om te getuigen van smeltende ijskappen moeten we misschien eerst een probleem dichter bij huis aanpakken. Micah White vraagt zich in het boek af hoe het zit met onze eigen mental ecology. Wat voor goeds komt er uit onze verontreinigde geest? White noemt een aantal vervuilers: voortdurend blootstaan aan geluid (zoemende computers, achtergrondmuziek, mobiele telefoon naast het hoofdkussen), beelden vol sex en geweld, commerciële boodschappen, eindeloos herkauwde virale You-Tubefilmpjes, gerecyclede rondgepompte cultuur.

Behalve de essays bevat het boek een tijdlijn die een deel van de collectie van het Graphic Design Museum ontsluit. Op deze tijdlijn worden steeds twee grafische artefacten aan elkaar gekoppeld: een ‘oud’ en een ‘nieuw’. Dit levert opmerkelijke combinaties op. Zo staat het typografisch manifest van Jan Tschichold uit 1928 (een pleidooi voor standaardisering van papierformaten en ‘goed’ gebruik van typografie) tegenover de kaalgeschraapte websites uit 2003 van Hendrik-Jan Grievink. Deze webbrowsers, ontdaan van hun inhoud (en daarmee van hun functionaliteit) zijn juist kritisch commentaar op standaardisering in design.

Tschicholds modernisme heeft schoolgemaakt onder ontwerpers, Hendrik-Jan Grievink vooralsnog niet: we bevinden ons nu op het hoogtepunt van template-cultuur, zoals LinkedIn, Facebook en Twitter met hun groeiende gebruikersaantallen bewijzen.

Tschichold versus Grievink, De Stijl versus Nike sneakers met Mondriaan-print – het boek staat vol met dergelijke valse tweelingen [5], een aardige manier om hedendaags ontwerpwerk in de context van het verleden te zetten. Het idee dat iemand die terugkijkt in de geschiedenis potentieel gevaarlijker is dan iemand die gedachteloos in het nu leeft is bovendien een prikkelende gedachte [6].

[1] Een groot deel van de bevolking ‘buy things they don’t need, with money they don’t have, in order to impress neighbours who don’t care’. Dit zegt Victor Papanek, geciteerd door designcritica Alice Rawsthorn op het symposium waarop het boek werd gepresenteerd. Ze noemt mobiele telefoons en laptops van Apple ‘fun voor de lucky 10% maar grim voor the other 90%’ (chemisch afval).

[2] De titel refereert aan een manifest van ontwerper Bruce Mau waarin hij stelt dat proces belangrijker is dan uitkomst.‘When the outcome drives the process we will only ever go to where we’ve already been. If process drives outcome we may not know where we’re going, but we will know we want to be there.’

[3] De tijd dat grafisch ontwerpen ‘print op papier’ betekende is voorbij. Inmiddels leven we in een wereld waarin we communiceren via schermen, waarin iedereen met iedereen verbonden is. Zelfs onze fysieke omgeving praat tegen ons: auto’s, gebouwen, kledingstukken.

[4] ‘Actively entering civil society in an effort to protect the commons will be a novelty for most designers.’ David Stairs in het essay Citizen Designer in het boek.

[5] Term ontleend aan tentoonstellingsprogramma Faux Jumaux (‘Valse tweelingen’) in S.M.A.K. in Gent (2008) waarin steeds twee kunstwerken werden getoond die formeel of materieel sterk op elkaar leken.

[6] ‘The greatest modernizers inaugurate their career with a backward leap, and a renaissance proceeds through a return to the past, a recycling, and hence a revolution. (…) Behind the ‘re’ of reformation, republic or revolution, there is a hand flicking through the pages of a book, from the end back to the beginning. Whereas the finger that pushes a button, fast-forwarding a tape or disc, will never pose a danger to the establishment.’Régis Debray geciteerd door Experimental Jetset (manystuff.org)

I DON’T KNOW WHERE I’M GOING BUT I WANT TO BE THERE
BIS Publishers en Graphic Design Museum (2010)
ISBN 978-90-6369-257-5
€ 24,00 / 168 p.