If you want we’ll travel to the moon together was vorig jaar de titel van een solotentoonstelling van Yael Bartana bij galerie Annet Gelink. Nu is het de naam van een bundeling korte essays, geschreven door studenten van de bachelor Kunstgeschiedenis van de Universiteit van Amsterdam, waarin het werk van een aantal hedendaagse kunstenaars wordt beschouwd binnen de context van de globalisering. Het is een lastige opgave om een mening te vormen over een bundeling wetenschappelijke essays, welke eigenlijk niet als leesboek is bedoeld en dus ook niet als zodanig kan worden beoordeeld. Wetenschappelijk onderzoek kan nog zo interessant zijn, voor het overbrengen aan een publiek is meer nodig dan een bundeling in boekvorm. 

Met globalisering als uitgangspunt zijn de hoofdstukken ingedeeld in een aantal subthema’s als migratie, politieke interventies, en glocal, oftewel: hoe werken mondiale veranderingen door op lokaal niveau en andersom? Het werk van de besproken kunstenaars wordt veelvuldig in een breder perspectief geplaatst aan de hand van teksten van curatoren en theoretici als Okwui Enwezor, Boris Groys en Hou Hanru. Ook het gedachtegoed van Michael Hardt en Antonio Negri wordt uitgebreid aangehaald, bijvoorbeeld bij de bespreking van het werk van kunstenaar Mark Lombardi. De hoofdstelling van hun boek Empire is de politiek-filosofische hypothese dat in het globaliseringstijdperk een nieuwe vorm van kapitalistische soevereiniteit ontstaat. Netwerken zorgen volgens Hardt en Negri voor een nieuwe staatsvorm: één die balanceert tussen de soevereine staat en anarchie, in de zin dat er geen centrale macht meer wordt uitgeoefend. Lombardi heeft in zijn werk met handgeschreven schema’s de machtsverhoudingen en netwerken in kaart gebracht die ontstaan door de toegenomen mobiliteit in de wereld. 

De titel van het boek is ontleend aan een uitspraak van een personage in Mary Koszmary, een film van de in Israël geboren Yael Bartana. In het vervallen Olympisch stadion van Warschau probeert de Pool Slawomir Sierakowski met de volgende ontroerende woorden het Joodse volk over te halen naar Polen terug te keren: “We will never again exploit each other, humiliate each other, steal the fruit of each other’s work. Next to the cemeteries we will build schools and clinics. We will plant trees and build roads. If you want we’ll travel to the moon together.” Voor Bartana geldt haar geboorteland Israël als grootste inspiratiebron. Het land wat ze voorgoed verliet om elders te wonen, bekijkt ze nu kritisch van een afstand. Dat geldt ook voor Din Q. Lê, die met zijn werk een nieuwe identiteit creëert voor zijn vaderland Vietnam en tevens de manier waarop de Verenigde Staten naar zijn land kijkt poogt de beïnvloeden. 

Yael Bartana en Din Q. Lê zijn, in het licht van de globalisering, de twee interessantste kunstenaars die in het boek worden besproken. Ai Weiwei en de moeizame verhouding met zijn eigen geboorteland China mag alom bekend zijn en dat Banksy overal ter wereld zijn muurschilderingen achterlaat behoeft ook niet veel theoretische onderbouwing. Ook Aernout Mik is geen logische toevoeging. Met zijn films zoomt hij in op menselijk gedrag, voornamelijk in groepsverband. Dat hij dat met westerse ogen doet is niet meer dan vanzelfsprekend, maar de stap naar de globalisering is er één te ver. Machtsverhoudingen en hiërarchie bestonden immers al in de Oudheid. Interessant is wel dat hier heel zachtjes een kritische stem van auteur Irene Huberts doorklinkt wanneer zij de jarenlange samenwerking tussen Aernout Mik en Maria Hlavajova, directeur van het Utrechtse BAK, aanroert. Nadat Mik al twee keer had geëxposeerd bij BAK koos Hlavajova hem uit voor het Nederlandse paviljoen tijdens de 52ste Biënnale van Venetië. Miks werk zou daarmee vooral gebruikt worden als een illustratie van Hlavajova’s politiek geëngageerde theorie. Huberts’ conclusie: ‘Het sociaal-maatschappelijke blijft een belangrijk aspect in het werk van Mik, maar politiek alleen blijkt niet voldoende.’ 

Er worden verder helaas mondjesmaat kritische noten gekraakt in dit boekje. Het gebrek aan reflectie en daarbij ook het ontbreken van een conclusie – iets wat binnen het wetenschappelijk onderwijs geen overbodige luxe is – maakt de teksten inhoudelijk gezien wat oppervlakkig. Als je het leest als een bundeling wetenschappelijke papers dan zijn de essays op zich makkelijk leesbaar, informatief, en helder onderbouwd. Als je het leest als boek, dan is de tekst zowel onpersoonlijk als gortdroog. Twaalf inleidende beschietingen over hoe de biënnales en de invloed van het internet gezorgd hebben voor een stroomversnelling van de globalisering maakt het lezen er niet bepaald plezieriger op. Desalniettemin biedt het boek een duidelijk beeld van wat er op de universiteit zoal wordt behandeld aan kunsthistorische onderwerpen en fungeert het prima als informatief naslagwerk. Voor de studenten zelf is het natuurlijk een eer dat hun essays zijn gebundeld. Daarnaast zullen andere studenten kunstgeschiedenis, die graag een acht willen halen voor hun volgende paper, er absoluut wat van op kunnen steken. 

Uitgegeven in eigen beheer
ISBN 978-94-6190-249-8

John Gould, pagina uit THE BIRDS OF AUSTRALIA (1940-1948, Londen)

Wie wil er nog een boek voor zijn verjaardag? Waarom je huis volstouwen met papieren objecten die op den duur alleen staan te verstoffen? Want een boek weggooien, zomaar in de papierbak, stuit nog steeds veel mensen tegen de borst. Boeken hebben een ziel, staan voor vrijheid van meningsuiting en ontwikkeling en moeten met respect behandeld worden. Begin er dus beter niet aan en neem een e-reader of iPad waarop je wel 40.000 exemplaren kunt bewaren zonder materiële last.

Het boek werd al eerder bedreigd. Eerst door de opkomst van kranten, later door film en televisie. Zelfs het lezen van strips werd in de jaren vijftig door ouders met argusogen bekeken. Uit de tentoonstelling Het gedrukte boek: een visuele geschiedenis op de afdeling Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam blijkt dat het boek zich tot nu toe steeds heeft weten te vernieuwen. De tentoonstelling, waarvoor geput is uit de ruim 4 miljoen boeken tellende collectie van de universiteit, geeft een prachtig overzicht van ruim zes eeuwen boekdrukkunst. Het oudste boek dateert uit 1471, het nieuwste uit 2010.

Een aantrekkelijke tentoonstelling maken van boeken is niet gemakkelijk. De boeken moeten in speciale vitrines liggen waarin temperatuur en luchtvochtigheid precies op het juiste niveau worden gehouden. Er even in bladeren is natuurlijk onmogelijk. Om enig overzicht en begrip voor de ontwikkelingen van het boek te bieden, ontkom je niet aan een chronologische lijn, die snel saai kan worden. Maar de tentoonstellingsmakers van ontwerpbureau Experimental Jetset hebben dit probleem opgelost door boeken per thema te rangschikken op speciale tafels naast de chronologische opstelling in vitrines. Ze maken daarbij gebruik van het systeem dat we kennen uit bibliotheken.

Zo ligt er op tafel nummer 500 (wetenschap), naast een prachtig vogelboek van John Gould uit 1848, een  vogelgids uit de jaren zeventig. De verschillen geven een goed beeld van hoe technologische en maatschappelijke ontwikkelingen de vorm van het boek hebben bepaald. In de bij deze tentoonstelling verschenen publicatie Het gedrukte boek, een visuele geschiedenis is te lezen dat Gould zich gespecialiseerd heeft in het schilderen van vogels. In 1838 reisde hij naar Australië rom materiaal te verzamelen voor een standaardwerk over dit onderwerp. Terug in Londen publiceerde hij elke drie maanden in kleine oplage een aflevering van The Birds of Australia. Lezers konden zich hierop abonneren en ondanks de hoge prijs verkocht het goed.

De uitgaven waren dan ook heel begerenswaardig. De illustraties zijn prachtig gelithografeerd, een in die tijd nieuwe techniek waarmee je veel losser en schilderachtiger kon werken dan met de tot dan toe gebruikelijke ets- en graveertechnieken. Gould laat zien dat hij, behalve een geweldig ambachtsman en kunstenaar, ook een kenner was van het onderwerp: geen detail is hem ontgaan. De vogelgids die ernaast ligt is voor een miljoenenpubliek gedrukt. De vormgeving van Massimo Vignelli, een modernist in hart en nieren, is helder en overzichtelijk. Foto’s helpen bij het determineren van vogelsoorten. Het boek is hier een nuttig gebruiksvoorwerp, de vormgeving staat helemaal in dienst van de functie. Als het niet meer actueel is of de bladzijden laten los, gooi je het weg.

De laatste zes eeuwen zijn de functie, inhoud en het lezerspubliek drastisch veranderd. Maar lopend langs de vitrines van de tentoonstelling valt op dat de vorm van het boek min of meer hetzelfde is gebleven. We gebruiken nog steeds dezelfde ingrediënten als in 1471: een informatieve titelpagina en een duidelijk herkenbare tekst. Klassieke regels over bladwit, marges en interlinie die de verhouding tussen tekst en papier bepalen zijn nog steeds de basis voor elk boek, tijdschrift en krant. Letters uit de 16e en 18e eeuw als de Garamont, Baskerville en Bodoni gebruiken we nog dagelijks in programma’s als Word.

In zaal 3, waar de 20e eeuw aan bod komt, gebeurt echter iets bijzonders. Stramienen en blokken tekst verdwijnen en maken plaats voor een spel van losse grafische elementen. Letters worden gebruikt als illustratie en illustraties beperken zich niet langer tot het keurig toebedeelde blokje naast de tekst. Het zijn kunstenaars die zich nu uitdrukkelijk met boeken bemoeien en net als op andere terreinen gaan experimenteren. Voor het eerst zijn het niet meer de drukkers, de precieze, getalenteerde ambachtslieden, die bepalen hoe het boek eruit komt te zien. 

In de tentoonstelling zijn onder andere typografische experimenten van de Italiaanse futurist Cangiolli te zien. Letters en woorden in uiteenlopende groottes, gewichten die vrij zweven over de pagina. Ze vormen een grappige illustratie van een dikke vrouwenkont. Boeken en typografie zijn ineens niet meer zo serieus. Andere opvallende boeken zijn van de hand van Fernand Léger, El Lissitzky, Theo van Doesburg en Hendrik Werkman.

Later in de 20e eeuw, onder invloed van het modernisme, krijgt het boek een meer zakelijke vorm. Boeken worden nu goedkoop geproduceerd en hebben als belangrijke functie grote groepen mensen van informatie te voorzien. Daarvoor is een heldere vormgeving essentieel. Vooral deze rol van het boek wordt de laatste jaren overgenomen door internet. Het boek zal zich weer opnieuw moeten uitvinden. De boeken uit de 21e eeuw die in deze tentoonstelling te zien zijn geven daarvan alvast een voorproefje. Deze boeken zijn met zoveel liefde en aandacht vormgegeven en gedrukt, dat het stuk voor stuk kleine kunstwerkjes zijn.

Het boek is dood. De boekverkoop is de laatste twee maanden met 20% gedaald. We willen geen kasten vol boeken, maar modern meedoen met de laatste trends. We willen tablets, smartphones en andere gadgets, want het gedrukte boek is uit. Maar er is een toekomst voor het boek: niet meer als het functionele gebruiksvoorwerp van een aantal jaren geleden, maar als een bijzonder kunstwerk dat gevoeld, geroken en beleefd kan worden. De kwaliteit van de vormgeving zal alleen maar belangrijker worden. Illustratoren en vormgevers kunnen hun borst nat maken.

Massimo Vignelli, THE AUBUDON SOCIETY FIELD GUIDE TO NORTH AMERICAN BIRDS (1977, New York)
Francesco Cangiolli, CAFFECONCERTO: ALFABETO A SOPRESA (1919, Milaan)
El Lissitzky, VLADIMIR MAJAKOVSKI, DLJA GOLOSA (1923, Berlijn)

Hollandse banaliteit

Jan Peter Verhagen
Hans van der Meer, NEDERLAND - UIT VOORRAAD LEVERBAAR, LOCHEM (2009-2011)

In zijn boek Hollandse Taferelen stelde fotograaf Hans Aarsman dat een lantarenpaal even mooi kan zijn als een panorama of een koffiekopje: “Niet altijd… je moet het leren zien. Het kan een tijdje duren voor je zover bent en als je het eindelijk onder de knie hebt, dan ontsnapt het weer. Omdat er geen regels voor bestaan, en je dacht even van wel. Dan is het weer tijd voor nederig zijn en opnieuw beginnen met kijken als beginneling.”

Alledaagse elementen, die Aarsman gebruikt als middel om opnieuw te kijken, komen veelvuldig voor in de foto’s van Hans van der Meer (1955) in zijn solotentoonstelling Nederland – Uit voorraad leverbaar in het NAi. De foto’s presenteren Nederland op zijn normaalst. Zonder cynisch te worden registreert van der Meer winkelstraten, pleinen, parkeerterreinen, gevels en interieurs in de ‘grootstedelijke kleine stad’. Hij merkt op dat de stad het platteland is ingetrokken. Dit vertaalt zich onder andere in gestileerde horeca gelegenheden waar semi-luxueuze broodjes besteld kunnen worden. Ook zijn er de grootstedelijke aspiraties bij de inrichting van pleinen en winkelstraten.

Dit allemaal om de kleine stad als merk te kunnen positioneren, wat in de praktijk lijkt te leiden tot een typisch Nederland. In dit typische Nederland zijn binnen- en buitenruimten opgebouwd uit en ingericht met geprefabriceerde elementen afkomstig uit catalogi van een beperkt aantal aanbieders. Of het nu gaat om de stoeptegel, de lantarenpaal, de stoel, de wipkip; al deze onderdelen komen voort uit vaststaande concepten en zijn terug te voeren tot een beperkt aantal keuzen.

De tentoonstelling met een ruimtelijk ontwerp van TomDavid Architecten begint met een enorme lichtbak waar productfoto’s uit genoemde stedelijke catalogi te zien zijn. Vervolgens hangen Van der Meers foto’s op de eerste verdieping van de architectonische structuur met de beeldzijde naar elkaar toe. Hoewel de beelden uit verschillende steden afkomstig zijn heb je het gevoel dat je naar één stad aan het kijken bent. De repeterende elementen in de foto’s dragen hier in hoge mate aan bij. Langzaam bekruipt je het akelige gevoel dat Nederland bijna overal hetzelfde oogt. Dit gevoel ontstaat echter niet zozeer door de invulling van de buitenruimte met het meubilair uit de catalogi. Het zijn de steeds terugkerende winkelketens met hun schreeuwerige huisstijl, die de bestaande architectuur en het straatbeeld domineren.

Een willekeurige foto uit de serie toont een plein met links op de voorgrond een vestiging van de Wibra; op de achtergrond een winkelcentrum met voor iedereen bekende drogisterijen, bakkerijen en banken. Lantarenpalen, bankjes, straatstenen en mensen vullen het plein. Op de voorgrond staan twee vrouwen met elkaar te converseren, verderop staat er één te bellen. Daarnaast staat een vrouw, van wie het onduidelijk is waar ze op wacht. Een koppel in bijna op elkaar afgestemde kleding loopt richting het winkelcentrum. Mensen zitten op bankjes. In de gehele fotoserie bevolken deze ‘figuranten’ een groot deel van de straatbeelden. Soms alleen en soms in groepjes houden ze zich bezig met alledaagse dingen. De banaliteit straalt er vanaf en het liefst ren je zo hard mogelijk weg van deze non-places.

Van der Meer lijkt echter te willen zeggen dat in plaats van je te verzetten je deze plekken ook kan omhelzen door er opnieuw naar te kijken. Hiermee lijkt hij een oplossing aan te dragen die overeenkomsten vertoont met de methodologie van Hans Aarsman. Met een gepaste nederigheid ontdek je dan dat de kracht zit in het feit dat in alle foto’s dezelfde objecten worden gepresenteerd. Eén foto geeft dit niet bloot, maar als serie wordt er een aanzet gegeven tot een dialoog over de structuren achter deze taferelen. Er opent zich een fascinerende wereld die wordt bevolkt door beleidsmakers, ambtenaren, architecten en winkeliers. De vraag werpt zich op wie de beslissingen neemt ten aanzien van onze stedelijke omgeving en hoe diegenen er in slagen landelijk tot zo een mate van eenvormigheid te komen.

Maar net nu ik denk het een beetje onder de knie te hebben en de foto’s als serie te begrijpen, realiseer ik mij dat het ik weer kwijt raak. Ik vraag mij af of deze foto’s niet gewoon de enorme saaiheid van de Nederlandse kleinstedelijkheid representeren en daar een treffende aanklacht tegen zijn. De analytische foto’s van Hans Aarsman waren revolutionair en zijn inmiddels onderdeel geworden van de Nederlandse ‘fotografische identiteit’. De serie van Van der Meer toont een nieuwe Nederlandse identiteit; rauw, saai, zorgwekkend. Nu verzetten we ons daartegen, maar over twintig jaar zal het ons waarschijnlijk vertrouwd aandoen als het Nederland van vroeger. Dat mag op zijn minst angstwekkend worden genoemd.

Hans van der Meer, NEDERLAND - UIT VOORRAAD LEVERBAAR, WINSCHOTEN (2009-2011)

Onder leiding van de nieuwe directeur Suzanne Wallinga wil TAG in Den Haag meerdere rollen spelen; niet alleen als tentoonstellingsruimte, maar ook als platform, onderzoekscentrum en laboratorium. Speculatie is daarbij het kernwoord, omdat speculeren voor Wallinga gelijkstaat aan het anticiperen op mogelijkheden. Het komende jaar zal TAG samenwerkingsverbanden aangaan met onder meer Ragnar Kjartansson en Zilvinas Landzbergas. De huidige tentoonstelling Double or Nothing onderzoekt artistieke methodes, die de autoriteit van personen, instituten en objecten tegelijkertijd zowel vergroten als ondermijnen. Het fenomeen van persoonlijke en materiële transformatie staat centraal in de getoonde video-installaties van Eileen Maxson, Leidy Churchman en A.K. Burns. Een mooie opmaat voor een veelbelovend jaar voor TAG. (AM)

The sacred stash (2010)

Alexander Mayhew
Joncquil, THE SACRED STASH (2010)

“But as all things are to be, it came to it’s end, and the confetti poured over. The lights came back on and people started to leave, it snapped into me that I had to find my hat. I found my hat, filled it with confetti and left the venue.” Deze woorden zijn afkomstig van Emillio Daniel, een tiener uit Maleisië, die in januari 2011 in Singapore voor het eerst in zijn leven een concert bijwoonde van de Amerikaanse band Green Day. Hij plaatste een uitbundig verhaal over deze voor hem zo belangrijke ervaring op internet. Zijn relaas eindigt met de volgende woorden: “FYI, I still keep the confetti, I swear ! :)”.

Confetti en hoeden zijn thema’s die regelmatig terugkeren in de schilderijen en sculpturen van de Haagse kunstenaar Joncquil (1973). Wanneer je het recente werk The Sacred Stash (2010) bekijkt, dat bestaat uit een omgekeerde zwarte bolhoed gevuld met gekleurde confetti, overvalt je eenzelfde feestelijk gevoel dat spreekt uit de hierboven aangehaalde woorden van Emillio. Het werk kan zowel getuigen van een geweldige gebeurtenis als anticiperen op iets magisch wat nog moet aanvangen. Het drukt zowel een intense herinnering uit aan een voorbije ervaring als een onbedwingbaar verlangen naar iets onbekends dat nog plaats gaat vinden.

Een soortgelijk verlangen spreekt uit Joncquils fascinatie voor fotografie en met name voor het verwachtingsvolle moment waarop in de donkere kamer langzaam vanuit het niets een beeld opdoemt. Zijn werkmethode bij het schilderen lijkt hier sterk mee samen te hangen. De uiteindelijk zichtbare beelden zijn niet van tevoren uitgedacht, maar groeien langzaam onder zijn handen. Door de beweging van de kwast komen vormen op, die vervolgens naar voren worden gehaald en langzaam overgaan in herkenbare figuren en symbolen. Veelal lijken de schilderijen op fotonegatieven, omdat de onderwerpen licht worden gehouden, de achtergrond donker en er gebruik wordt gemaakt van één kleur; bruin, roze, blauw of groen. Joncquils installaties kenmerken zich door eenzelfde soort monochromie. De objecten in zijn installaties worden dikwijls in één kleur gespoten, waardoor ze bijna tweedimensionaal ogen en in die zin zeer dicht tegen zijn schilderijen aanschuiven.

De afgebeelde figuren en symbolen in Joncquils schilderijen hebben op het eerste gezicht weinig met elkaar te maken. Dit geldt ook voor de objecten in zijn installaties. Ze vormen surrealistische taferelen, die sterk doen denken aan de door uitzinnige fabeldieren bevolkte schilderijen van de 15e-eeuwse Hieronymus Bosch. Ook in het werk van Joncquil zijn dieren volop aanwezig; zo duiken regelmatig honden, paarden en vogels op als protagonisten. Zelf zegt hij dat dit geen bewuste keuze is, ook al raakte hij als kind reeds gefascineerd door een reproductie van De Schimmel (1646) van Philips Wouwerman die bij zijn grootouders in het trapgat hing. Zelf zegt hij dat de vormen die tijdens het schilderen ontstaan gemakkelijk overgaan in dieren. Daarnaast roepen dieren heel directe reacties op. Een toeschouwer kan en durft gemakkelijker associaties te leggen, omdat het niet direct over hemzelf lijkt te gaan.

Interessant is dat de symbolische betekenis van bepaalde dieren verandert met de tijd. Een uil wordt tegenwoordig als een wijs dier beschouwd, maar nog niet eens zo heel lang geleden werd de uil als dom gezien, omdat hij ’s nachts wanneer het donker is gaat jagen. Deze verschuiving in betekenis geldt ook voor beeldmotieven als vlaggen, bloemstillevens en doodshoofden die Joncquil in zijn werk gebruikt. Dergelijke symbolen kunnen voor toeschouwers vaak een voor de hand liggende betekenis oproepen, die voornamelijk verbonden is aan de huidige tijd. Daarmee ontgaan aan de toeschouwer de gelaagdheden in betekenissen die dit soort symbolen in de loop van de tijd hebben verzameld.

Een puntige witte kap over iemands hoofd, zoals te zien op Joncquils schilderij The Confetti Ceremony (2010), zal eerder associaties oproepen met het bekende beeld uit de Abu Ghraib gevangenis of met de Ku Klux Klan, terwijl historisch gezien dit soort kappen zijn wortels heeft in de 13e en 14e eeuw. Deze zogeheten capirote werd gedragen door Spaanse geselmonniken. In de 19e eeuw zie je de capirote bijvoorbeeld terug op het schilderij Procesíon de disciplinanentes (1812-1819) van Francisco de Goya, waarop een aantal van deze monniken zichzelf tot bloedens toe geselt. Het toont een aspect van de Spaanse samenleving waar Goya zich tegen verzette, omdat hij het zag als een terugval naar de middeleeuwen. Bijgeloof was in de 19e eeuw nog wijdverbreid in de Spaanse cultuur en men was bijzonder gevoelig voor verhalen over heksen en geheime genootschappen.

Joncquil lijkt zich in zijn werk te willen verzetten tegen de ontoereikendheid van het collectieve geheugen en een gebrek aan historisch besef, maar tegelijkertijd ondermijnt hij met veel plezier symbolen en onderwerpen die al eeuwenlang in de kunstgeschiedenis worden gebruikt. Zo deinst hij er niet voor terug het portret van Paus Innocentius X van Diego Vélazquez na te maken met vanillevla, yoghurt, mayonaise, ketchup en chocola (1 Second Painting, 2005) of het hoofd van een porseleinen Mariabeeldje te verpakken in een bol van elastiekjes (Better a dove in the hand than the whole world in your head, 2011).

Zijn werken staan open voor meerdere interpretaties; het zijn geen verhalen met een kop en een staart, maar uitnodigingen aan de toeschouwer tot het maken van een eigen verhaal. De door Joncquil geleverde ingrediënten, hoe feestelijk soms ook, mogen echter niet te lichtvaardig door de toeschouwer worden opgevat. Het dragen van een bolhoed mag tegenwoordig getuigen van een excentriek individualisme, nog niet zo lang geleden was het een teken van massale alledaagsheid.

Stof tot nadenken

Willemijn van der Zwaan
Gabrielle 'Coco' Chanel in één van haar geliefde 'marinières'

Mijn naam is Willemijn en ik heb een streepjesfetisj. In kledingwinkels loop ik direct af op het eerste gestreepte item wat ik zie. Wanneer ik gedachteloos in de kantlijn van een notitieboekje zit te tekenen, zijn het meestal streepjespatronen. Mannen worden voor mij vele malen aantrekkelijker wanneer ze iets gestreept aanhebben. Terwijl ik laatst de was opvouwde, ging ik eens tellen hoeveel gestreepte kledingstukken in mijn kast liggen. Negentien. 

Streepjes betekenen dan ook veel voor mij. Ze doen me denken aan vakanties van lang geleden naar Bretagne en Normandië, aan het gebreide setje dat mijn moeder droeg voor haar huwelijk en aan het matrozenshirt dat mijn oma als jonge vrouw op zeilvakanties droeg. Daarnaast is er het  droomelement: in een gestreept shirt waan ik me Coco Chanel op een trip naar de Franse noordkust met haar Britse minnaar, of Brigitte Bardot (dit vereist veel fantasie) die op het strand van Cannes de paparazzi gek maakt in haar marinière.

Patronen spelen een belangrijke rol in ons dagelijks leven. Kleding is de makkelijkste manier om jezelf te uiten en een print versterkt het effect nog eens. Zo kun je welvaart tonen door jezelf in te hullen in van logo’s doordrenkte kleding en accessoires, zoals een T-shirt met in hoofdletters ‘Chanel’ erop, of een tas met de welbekende Louis Vuitton-print. Of je doet net alsof, door op vakantie in Marmaris een neppertje op de kop te tikken. Een melancholisch karakter kun je uitdragen door enkel zwart te dragen, maar in combinatie met een schedelprint-sjaal wordt je statement nog duidelijker. Ook het tegenovergestelde is mogelijk: draag ruitjes mét streepjes mét stipjes mét bloemetjes om de wereld jouw extraverte persoonlijkheid te tonen, zonder een woord te hoeven zeggen.

Toch zijn deze pogingen tot non-verbale communicatie amateuristisch vergeleken bij de patronen die Vlisco produceert. De stoffen van het oer-Hollandse bedrijf, dat vooral produceert voor de Afrikaanse markt, vielen me jaren geleden al op bij een tentoonstelling in het Modemuseum Antwerpen over de invloed van Afrika op de mode. Gewoon omdat de Vlisco-prints  zo vrolijk en kleurig zijn, en het merk een aparte geschiedenis heeft: opgezet in Helmond in 1846 om machinaal geproduceerde batikprints naar Nederlands-Indië te exporteren, maar via Ghanese soldaten vanaf 1876 vooral populair onder welgestelde West-Afrikaanse vrouwen. Het actuele eerbetoon van het Museum voor Moderne Kunst Arnhem (MMKA) aan Vlisco, Six Yards, liet me echter kennis maken met andere aspecten van de stoffen en met name de patronen.

In de tentoonstelling zie ik meteen waarom de Nederlandse stoffen zo ver weg hun plek hebben gevonden: ze horen thuis in Afrika. De felle kleuren zouden totaal misstaan in onze grauwe Noord-Europese omgeving. Ze hebben zon nodig. De getoonde foto’s van Viviane Sassen (1972) bevestigen dat voor mij. De kleuren in haar werk lijken intenser te worden in het Afrikaanse licht. Van de Brits-Nigeriaanse kunstenaar Yinka Shonibare (1962) zijn installaties te zien, waarin hij speelt met de schijnbare discrepantie tussen Afrikaanse patronen en de Westerse cultuur. Van de Vlisco-stoffen maakt hij zeventiende-eeuwse kleding die wordt gedragen door hoofdeloze mannequins in bizarre opstellingen, zoals twee mannen die met musketten schieten op een net vol eieren tussen hen in. Het gebruik van de patronen geeft zijn werk een wrang postkoloniaal tintje. 

In de expositie wordt ook de documentaire Verbal Fabrics van Annegriet Wietsma en Erik Willems getoond, over Vlisco en de relatie van het bedrijf met Afrika. Verkoopsters van de stoffen in Ghana, Ethiopië en andere West-Afrikaanse landen vertellen geanimeerd over de stoffen en de status die het geeft om in Vlisco rond te lopen. Daarnaast blijken de patronen op de stoffen symbolische functies te hebben. Hoewel Vlisco sommige ontwerpen maakt met een metafoor in gedachten, worden anderen door de bevolking zelf geïnterpreteerd, waardoor een patroon per regio van betekenis kan verschillen. 

Een van de verkoopsters geeft uitleg: een stof met een totaal abstracte print betekent dat het meer pijn doet als een vriendin over je roddelt dan iemand die maar een kennis is. Een andere, waarop een vogeltje uit een kooi vliegt, is een waarschuwing van de vrouw voor haar vreemdgaande man: als jij erop uitgaat, doe ik hetzelfde. Een die mij erg fascineerde was een voorstelling van een lachende, wat dikkige vrouw omringd door zes bougies. Dit staat voor extreme welvaart, want een auto met zes bougies heeft een sterke aandrijving en is dus erg duur.

Na het zien van de film bekeek ik de expositie met meer aandacht. Ik bestudeerde de patronen extra goed, misschien kon ik de achterliggende gedachte zelf raden. Prints met mobiele telefoons en potloden, uitgebreide bladerpatronen en zelfs hele jungledorpen vol wilde dieren, prikkelden mijn fantasie. Wat voor spannende allegorie of symboliek zou er bijvoorbeeld achter een Escheriaanse vissenprint zitten? Ik verliet het museum met een gelukzalig gevoel van verbondenheid: of je nu een jonge student uit Utrecht bent of een getrouwde vrouw in Nairobi, we willen allemaal een persoonlijk verhaal vertellen met onze kleding.

SIX YARDS GUARANTEED DUTCH DESIGN is nog t/m 6 mei te zien in het Museum voor Moderne Kunst Arnhem.

Vrouwen in Vlisco
Viviane Sassen, PARASOMNIA (2010)
Yinka Shonibare, EGG FIGHT (2009) (Foto: Stephen Friedman Gallery)
Vlisco-patroon 'Six bougies'

De wereld als breukvlak

Gerben Bakker
LIME HILLS (QUARRY SERIES) (1986-91)

Het Amsterdamse museum voor fotografie Huis Marseille wijdt een overzichtstentoonstelling aan het werk van de Japanse fotograaf Naoya Hatakeyama (1958), getiteld Natural Stories. Deze titel is nogal cryptisch; wie uitgebreider kennismaakt met zijn werk zal misschien moeite hebben om de ‘natuurlijke verhalen’ te ontwaren. Is dat teleurstellend? Zeker niet. Hatakeyama is een fotograaf die van elke foto een intrigerende mise en scène maakt: monumentale beelden zonder een uitgesproken morele boodschap, die de harde confrontatie tussen mens en natuur tonen. Met alle geduld zoekt hij naar spectaculaire omgevingen of landschappen waarin de impact van menselijk handelen aan het licht komt. 

Op het eerste gezicht lijkt Hatakeyama vooral te worden gedreven door een typisch Japanse fascinatie voor gestileerdheid. In de serie Blast bijvoorbeeld toont hij registraties van gecontroleerde ontploffingen gemaakt met een op afstand bestuurbare camera. De rotsstukken vliegen je om de oren, maar wel met stijl. Hatakeyama laat zien hoe mooi materiële destructie kan zijn. Maar achter het ‘esthetisch vertoon’ en de vormgeving van deze serie gaat een diepere overweging schuil. Voor Hatakeyama is een landschap nooit zomaar een landschap. Elk landschap is een breukvlak, een intens strijdtoneel waarin een gewelddadige clash tussen mens en natuur plaats vindt. Zonder daarover sentimenteel te doen, registreert Hatakeyama hoe onze omgeving telkens wordt vervormd en weer een nieuw aanzicht krijgt. In de adembenemende foto Moon creëert Hatakeyama bijvoorbeeld een levend visioen van de wereld als totale stad. Afgezet tegen het volgebouwde aardoppervlak is de maan niets meer dan een nachtlampje dat zijn licht laat schijnen over de mens als kolonisator. 

Een substantieel deel van Hatakeyama’s werk is niet in Japan geschoten maar in Europa. Het ‘oudste werelddeel’ met haar industriële geschiedenis leent zich uitstekend als onderwerp voor Hatakeyama’s studies: vele landschappen zijn diep getekend door menselijke activiteit. Eén van de parels is het desolate kolenbekken van de Noord-Franse regio Nord-pas-de-Calais. Het mijnbouwgebied vormt de bron voor de serie Terrils waarin de gitzwarte kegels van de door mensen opgeworpen kolenbergen alle aandacht opeisen. Met een verwijzing naar Caspar David Friedrich overzien twee mensen op één van deze foto’s (Terrils #02607) de wijdse wereld vanaf een kunstmatige bergtop. Hatakeyama lijkt met de foto het romantische dogma van de natuur als ontembare, mensoverstijgende kracht onderuit te vegen. In zijn wereld liggen de verhoudingen precies omgekeerd. Het landschap vindt pas zijn bestemming als het is onderworpen en tot op het bot vervormd. 

Toch is de mens niet altijd de dominerende partij. Dit wordt duidelijk in het laatste, bijzondere deel van de expositie, waarin foto’s worden gepresenteerd die Hatakeyama maakte in het door de tsunami getroffen Japanse district Iwate. Door een speling van het lot werd Hatakeyama zelf op 11 maart 2011 meegezogen in dit natuurgeweld. Zijn geboorteplaats Rikuzentakada, een stadje aan de oostkust, werd weggevaagd en zijn moeder overleefde de ramp niet. Plotseling werd Hatakeyama zelf het epicentrum van het krachtenveld dat hij anders zo geduldig waarneemt. Dat gegeven moet hem voor een schier onmogelijke uitdaging hebben gesteld: hoe om te gaan met een persoonlijke tragedie die onderdeel uitmaakt van het grote verhaal dat je als kunstenaar wil vertellen.

Hatakeyama ging de uitdaging niet uit de weg. In het rampgebied fotografeerde hij zonder een trilling in zijn handen. Als een belangeloze functionaris van zijn camera ‘bewijst’ hij de aanwezigheid van het landschap, en het verscheurde landschap bewijst zichzelf – zonder opsmuk, zonder sensatie. Meer is niet nodig, zo moet Hatakeyama hebben gedacht. De foto’s zijn droger en feitelijker dan zijn eerdere series maar overtuigen daardoor des te meer. Misschien passen de foto’s bij een intuïtieve reactie op een ramp als deze, maar toch moet het ongelooflijk moeilijk zijn om ze zo te schieten. Hatakeyama laat zien dat hij zich volledig kan vereenzelvigen met zijn fotografische denkwereld. In deze wereld regeert hij over zijn onderwerp door een ruime afstand te houden en de zaken zo naturel mogelijk voor te stellen. Deadpan fotografie wordt dat ook wel genoemd: een vorm van verregaand realisme waarmee een fotograaf wil voorkomen dat foto’s ‘vervuild’ raken door sturende verhalen of emoties. Het paradoxale is dat de afstand en de stijl van Hatakeyama bij de beschouwer juist een gevoel van betrokkenheid oproept. Het maakt de onwerkelijke gevolgen van de tsunami invoelbaar op een niveau dat ‘gewone’ beelden van nieuws en krant nooit zullen kunnen evenaren. Zo weet Hatakeyama zonder emotioneel of persoonlijk te worden heel dicht op de huid van de kijker te gaan zitten. 

RIKUZENTAKATA, KESEN JUNIOR HIGH SCHOOL 2011.04.03 (2011)
TERRILS #02607 (2009)

In de huidige digitale wereld is, zowel vanuit artistiek als sociaal oogpunt, een hernieuwde interesse zichtbaar voor het behoud van kunst en informatie. Sommigen voorspellen een Digital Dark Age indien er nu niets gedaan wordt aan het beschermen van digitale data. Deze verwachting toont naast ongerustheid ook een dringende noodzaak ons bewust te worden van de korte levensduur van digitaal materiaal. Dat digitale data verschillen van analoog materiaal is bij veel mensen bekend, maar de praktijk wijst uit dat dit niet automatisch betekent dat er een nieuwe aanpak ontwikkeld wordt die het nieuwe materiaal als uitgangspunt neemt.

Musea en nationale archieven zijn de traditionele instituten die zorg dragen voor ons (cultureel) erfgoed; zij zouden daarom aangewezen zijn om deze uitdaging aan te gaan. In de praktijk blijkt echter dat vooral kunstenaars zich bezighouden met het ontwikkelen en uitproberen van manieren om hun werk te beschermen en vast te leggen voor toekomstige generaties. Constant Dullaart en Robert Sakrowski geven het voorbeeld. Samen hebben ze gewerkt aan een concept dat netkunst contextualiseert door gebruikers te filmen die via hun beeldscherm een interactie aangaan met netkunst. Ik vroeg hen of ze me iets meer konden vertellen over het project. 

A: Hoe kwamen jullie op het idee om netkunst te documenteren?

S: ‘Er zijn nog steeds geen echte oplossingen tegen de veroudering van hardware. Daarbij komt dat de tijd snel verstrijkt. Zodoende wilden we nu beginnen dit werk vast te leggen, en tevens kunstwerken uit het verleden die nog steeds online te vinden zijn. Wat we nu uitproberen komt als het ware erg overeen met een participatieproject. We zijn bezig met het opzetten van een videokanaal en gebruiken dit als platform, zodat mensen het gemakkelijk kunnen gebruiken voor het beschrijven en categoriseren van de inhoud.

In plaats van een eigen platform te maken, hebben we besloten om gebruik te maken van het bestaande platform YouTube. Voornamelijk omdat alles wat we nodig hebben daar al te vinden is; je kunt de geuploade videos gemakkelijk voorzien van commentaar door middel van omschrijving, categorie en tags. Het hele template is er al, waarom zouden we een nieuwe maken? We denken dat het makkelijker is voor mensen om te participeren en het zal ook makkelijker zijn om een community interest te creëren om het in leven te houden.’

A: Hebben jullie er over nagedacht om deze ideeën voor te leggen aan non-commerciële organisaties, musea of galerieën? Aangezien commerciële organisaties vaak niet al te betrouwbaar zijn, soms veranderen ze van de ene op de andere dag hun beleid. 

S: ‘Ja, daar hebben we over nagedacht, maar mijn ervaring is dat er geleidelijk een verandering plaatsvindt binnen commerciële organisaties. Het probleem met veel non-commerciële instellingen is vaak het budget. In het begin zijn ze erg enthousiast en lukt het ze misschien om subsidie te krijgen, maar op een gegeven moment stopt deze subsidie en wordt het project uitgesteld of houdt in het ergste geval op te bestaan.’ 

C: ‘Bovendien hebben non-commerciële organisaties nu eenmaal niet zoveel volgers. Het zou dan veel moeilijker zijn om een grote groep mogelijke mede-archivisten te bereiken, laat staan om ze mee te laten werken.’

S/C: ‘Daarnaast dagen we Google in zekere zin uit door te zeggen dat zij een verantwoordelijkheid hebben ten opzichte van deze inhoud. Ze ontvangen zoveel input en informatie van iedereen, waaraan ze zoveel geld verdienen, dat het nu tijd is om iets terug te doen.’

A: Vanuit het oogpunt van participatie geeft jullie idee over crowdsourcing daadwerkelijk iets terug aan het publiek. Niet alleen wordt hen gevraagd om informatie te verschaffen, maar nog belangrijker; het publiek krijgt zeggenschap over wat interessant is en wat niet. 

S: ‘Ja, wij vinden vooral het oogpunt van de toeschouwer interessant. Er zijn veel verschillende opvattingen over wat net art is en hoe we het moeten bewaren. Nu kunnen mensen gemakkelijk hun eigen visie documenteren. Ook wilden we het initiatief weghouden van afzonderlijke instituten – dit vermijdt elitarisme en laat het publiek dat de kunst beleeft beslissen wat interessant is. De instituten kunnen zo een reeds bestaand en getest template gebruiken.’

C: ‘We willen ons niet houden aan de norm van de kunstwereld. We willen kijken naar de manier waarop mensen het werk gebruiken, laten zien hoe zij er naar kijken, in welke omgeving, thuis of op kantoor, op de laptop of mobiele telefoon. Wij denken dat het werk zich eigenlijk afspeelt in de interactie van de gebruiker met de computer. Het komt in feite heel dicht in de buurt van een performance, we willen bepaalde momenten en de esthetiek van de tijd vastleggen. Niet alleen van het werk, maar ook hoe het werd ervaren. Het is niet alleen een levend archief, maar ook een open archief waarbij het publiek, zij die het werk gebruiken, beslissen wat ze willen bewaren voor de toekomst en op welke manier.’

A: Jullie stellen een standaard op over hoe je een screen capture maakt en hoe ze de hele omgeving kunnen documenteren. Waarom zou je mensen niet zelf laten bepalen hoe ze hun eigen beleving willen vastleggen?

C: ‘Om te zorgen voor een kleine mate van consistentie, zodat uiteindelijk de nadruk nog steeds op het gedocumenteerde werk ligt, en niet zozeer op een documentatievorm die daar van afleidt. We zijn nog steeds bezig met het onderzoeken van verschillende mogelijkheden. Om mensen een idee te geven van waar we naar streven, wilden we een voorbeeld geven, een template. Onze template is een over-shoulder shot die laat zien hoe iemand het werk/de computer gebruikt. We hebben geprobeerd om een webcam en een new desktop video te gebruiken om de expressie van de gebruiker vast te leggen, maar hebben besloten om er van af te zien omdat het een heel hard beeld geeft.

We zijn niet zozeer geïnteresseerd in hun emoties, maar we willen zien hoe ze het doen. Wat gebeurt er bijvoorbeeld, als het een tijdje duurt voordat iets geladen is, wat doen mensen in de tussentijd? Lopen ze weg, gaan ze iets anders doen? We willen tenslotte de subjectiviteit van het documenteren stimuleren. 

Ook willen we mensen nog bewuster maken van veranderingen binnen de richtlijnen, gebruikers actief laten kijken. Door het documenteren van oude werken in ´oude situaties´, de geschiedenis te laten herleven door oude programma´s door een emulator te halen en het na te bootsen met new desktop video, willen we onze toekomstige geschiedenis vastleggen zodat we later in staat zijn de geschiedenis te begrijpen.

We willen het werk behoeden voor de vergankelijkheid. En de tijd lijkt er nu perfect voor. De documentatie van ons leven overtreft het werkelijke leven. Mensen leggen hun hele leven vast met hun mobiele telefoon. Het is de tijd van tegelijkertijd doen en vastleggen. Documentatie is productie, en nu ook distributie.’

A: Waarom hebben jullie er voor gekozen om een videodocument te maken en geen gebruik te maken van specifieke software die ook de interactie kan vastleggen. Op die manier kun je de website plus alle interacties ervan blijven gebruiken. 

S: ‘Er zijn interessante tools in ontwikkeling waarvan screen capture er één is die we graag willen laten zien. En er zijn inderdaad mogelijkheden om de interactie vast te leggen en opnieuw af te spelen, maar wij vinden het interessant om te laten zien hoe mensen erop reageren. En het is niet aan ons om met een volledige oplossing te komen voor het archiveren van net art. We hebben gekozen voor dit format omdat we wisten hoe we het aan moesten pakken. In dit geval willen we niet het hele werk en de interacties behouden. We denken dat het voor het toekomstig publiek en toekomstige onderzoekers interessant en nuttig is om net art te zien en te beleven door hoe mensen indertijd interactie hadden met het werk.’

C: ‘Ik denk dat je het kunt vergelijken met vroege performance art, dat je waarschijnlijk ook alleen maar kent door middel van videodocumentatie.’

A: Hoe ziet jullie planning er uit? Wat gaan jullie als eerste doen om het publiek geïnteresseerd te krijgen? 

C/S: ‘Het idee is om nog meer voorbeelden te maken en zo een tentoonstelling en archief samen te stellen van oude en nieuwe kunstwerken, om te laten zien dat netkunstactiviteiten op meerdere manieren zijn vast te leggen.’

Vertaling: Martje Dekkers

Alle resultaten zijn te zien op http://net.artdatabase.org.

Dit driedaagse festival waarin dans, performance en beeldende kunst centraal staan beleeft dit jaar zijn derde editie. Het festival beoogt hedendaagse dans uit zijn conventionele context halen en de toegankelijkheid ervan vergroten. In de aanloop naar het festival zijn verschillende pop-up acties georganiseerd: zo werden toevallige voorbijgangers verrast door silent dancers die in de openbare ruimte een dansperformance gaven en zijn in de stad met krijtgraffiti dansdiagrammen geplaatst, bedoeld om voorbijgangers op speelse wijze aan het dansen te krijgen. Het programma bestaat uit onder meer performances van choreografen Amos Ben-Tal, Margret Sara Gudjónsdóttir, Ola Maciejewska en Willi Dorner. Ook worden er films vertoond van Cinedans en zijn interactieve installaties te zien van ontwerper Chris Kabel en kunstenaar Jennifer Townley. (AvH)

White cube in cyberspace

Jesse van Winden
Screenshot VIP Art Fair 2.0

Een overzichtsplattegrond, een exclusieve preview, rondleidingen, chatten met de galeriehouder. Uit alles blijkt dat de traditionele, fysieke kunstbeurs als model diende voor de VIP Art Fair 2.0, de ‘eerste online kunstbeurs ter wereld’. Tot voor kort waren beurzen ingebed in hun fysieke locatie. Daar zou vanaf nu wel eens verandering in kunnen komen. Er zijn minder faciliteiten, infrastructuur en organisatie nodig, terwijl er van transport- en verzekeringskosten geen sprake is. Een galeriehouder loopt dus veel minder risico.

Een plaats op VIP 2.0 is relatief goedkoop: met prijzen van 5.000 tot 20.000 dollar kun je voor grofweg de prijs van een grote advertentie in Artforum aanwezig zijn. Dat met de spanning en de hectiek ook een deel van de charme en voldoening van een ‘echte’ beurs verdwijnt, zal niet voor iedereen onoverkomelijk zijn. Een bezoek aan een website is immers zo gemaakt, de entree is een kwestie van een gratis gebruikersprofiel aanmaken en de beurs is gemakkelijk te doorzoeken op kunstenaar of prijsklasse.

In januari 2011 vond de eerste editie van de VIP Art Fair plaats. Die was niet succesvol. Vanwege aanhoudende technische problemen was de website slecht toegankelijk en viel de handel zwaar tegen. In de herkansing lijken alle groeipijntjes weggemasseerd en ontstaat er een duidelijker beeld van de aard en schaal van de onderneming. Er zijn 135 deelnemers uit de hele wereld, waarvan een groot aantal tot de top van de kunstwereld behoren, zoals Gagosian, Leo Castelli, Marian Goodman, White Cube en Shanghart. Nederland wordt vertegenwoordigd door Annet Gelink Gallery, die opvalt met een uitstekende groepspresentatie.

Er zijn transcendent-minimalistische werken van David Maljkovic en Wilfredo Prieto die doen verlangen om de originelen te zien. Meiro Koizumi’s video-installatie over de romantische variatie op gangbaar sociaal gedrag die televisie en film tentoonspreidt, doet uitkijken naar zijn aanstaande tentoonstelling in de galerie. Yael Bartana’s video The Recorder Player of Sheikh Jarrah toont een jonge Israëlische vrouw tijdens een solidariteitsprotest voor ontheemde Palestijnen uit Oost-Jeruzalem. Omgeven door soldaten speelt ze op een blokfluit de Internationale en het traditioneel hebreeuwse Ein li eretz a’heret (‘Ik heb geen ander land’). In een reactie geeft de galerie aan dat de beurs voor hen zeer goed is verlopen, met veel reacties en verkopen van kunstwerken in uiteenlopende media. David Zwirners blue-chipgalerie laat daarentegen een minder enthousiast geluid horen. Zwirner is teleurgesteld over zowel de verkoop als de gelegde contacten met verzamelaars.

Een groot minpunt van de beurs is dat het online-karakter totaal niet wordt uitgebuit. Het is bijvoorbeeld vreemd dat er niet veel meer video’s worden getoond. Op normale kunstbeurzen zijn deze impopulair, omdat het daar praktisch onmogelijk is langer dan een minuut geconcentreerd te kijken. Een computerscherm biedt echter zowel de afzondering als de rust om digitale bewegende beelden te bekijken. Want hoewel wij inmiddels gewend zijn kunst op internet te bekijken, toont VIP 2.0 op verkrampte wijze eens te meer dat de vertrouwde materialiteit en ruimtelijkheid van schilderijen en sculpturen zich uiteindelijk moeilijk naar een tweedimensionaal, digitaal medium laten transponeren.

Ook pogingen om de stands vertrouwder aan te laten voelen werken averechts. Men kan bijvoorbeeld op ‘scale’ klikken, waarna er een grijs silhouet van een poppetje naast het werk verschijnt. De suggestie van schaal is desalniettemin absurd, aangezien de denkbeeldige afstand van het silhouet tot het werk onbekend is. Wel kan erg ver op kunstwerken worden ingezoomd, maar videobeelden halen het Youtube-formaat nog niet eens. Internetkunstenaar Rafaël Rozendaal heeft bijvoorbeeld een solopresentatie bij Rhizome uit New York, waar zijn fraaie, als website opererende kunstwerken slechts met een kleine, statische afbeelding of via een link te bekijken zijn. Opvallend is ook hoe weinig galeriehouders gebruik lijken te maken van het feit dat de bezoeker meer nog dan in een fysieke ruimte volgens een vooraf bepaalde volgorde langs het werk wordt geleid.

Door niet genoeg van de voordelen van internet gebruik te maken, maar juist de fysieke beursconventies over te nemen in een digitale omgeving, stelt VIP 2.0 in artistiek opzicht teleur. De geïmpliceerde vergelijking tussen een white cube en een cyberspace is totaal niet haalbaar. De beweging naar de parallelwereld van het internet is echter niet te stuiten. VIP 2.0 heeft daarvoor als eerste een vorm gevonden die commercieel rendabel lijkt en het is goed mogelijk dat het de ogen op zich gericht kan blijven houden. Dit jaar staan er in ieder geval nog drie evenementen op stapel. Onafhankelijk van de retorische vraag of VIP Art Fair het experiment zal aanmoedigen of liever voor de grootste winstmarge zal gaan, lijkt het onvermijdelijk dat de online kunstbeurs zich tot een economisch levensvatbare vorm zal uitkristalliseren.

VIP Paper 19 t/m 21 april
VIP Photo 12 t/m 14 juli
VIP Vernissage 20 t/m 22 september

Eén haar, één narratief

Britte Sloothaak
Annaïk Lou Pitteloud, RULER (2012)

In de Dolores ruimte van Ellen de Bruijne Projects zijn twee werken van de Zwitserse kunstenaar Annaïk Lou Pitteloud (1980) te zien. Dolores is een kleine projectruimte naast de eigenlijke galerie en fungeert als een platform voor jonge kunstenaars die nog studeren of bezig zijn aan een vervolgfase. De curator van Dolores, Dorothé Orczyk, bezocht in 2011 het atelier van Pitteloud tijdens haar residentie aan de Rijksakademie in Amsterdam. Orczyk raakte geïnteresseerd in haar werk door de minimalistische verschijningsvorm en de procesmatige, weloverwogen werkwijze die eraan vooraf gaat. In haar atelier had de kunstenaar destijds een muur vol getekend met potloodlijnen van verschillende lengtes. Het was een zoektocht naar de juiste lengte voor een lijn die symbool staat voor de levenslijn. Dit onderwerp keert nu terug in de huidige presentatie in Dolores.

In het werk Ruler omvat een smalle, langwerpige container van doorzichtig acryl een lange haar. Het werk is gemonteerd aan de witte muur van de galerieruimte. De linkerkant van de donkere haar is tot het midden wit geverfd en verwijst naar de mens die vergrijst naarmate de jaren verstrijken, en naar de levenslijn zoals waarzeggers die in onze hand lezen. Maar in dit geval loopt de haar of levenslijn van wit naar donker, waardoor het werk in gedachten moet worden omgedraaid om het kloppend te maken met het idee van de chronologie van de levensloop. In werkelijkheid kan dit niet, het werk is immers gemonteerd aan de muur. In plaats daarvan wordt een mentale omdraai van de kijker verwacht, of zoals Pitteloud zegt: ‘By starting with white and ending up with black, this life line naturally tempts one to mentally flip the object around its central point, reversing the reading order to get back to a chronological storyline.’

Het tweede werk, Transposition, is enerzijds wel aanwezig in de Dolores-ruimte en anderzijds niet. Het is gebaseerd op de Proxemics-theorie van de Amerikaanse antropoloog Edward T. Hall uit 1963, die de sociale interacties tussen mensen indeelde in verschillende tussenruimtes en afstanden. Volgens deze theorie is de kleinste ruimte een zeer persoonlijke waarin men elkaar kust, aanraakt of toefluistert. Deze zou een afstand hebben van 15 tot 46 centimeter. De grootste afstand is die in de publieke ruimte waarin men contact heeft met onbekende mensen: vanaf 3,7 tot 7,6 meter en ver daarbuiten.

De theorie zelf is in de tentoonstellingsruimte nergens letterlijk zichtbaar. Wel is er een hand-out met een plattegrond van de galerie. Op de plattegrond staan op schaal de afstanden van Proxemics in cirkels rondom een denkbeeldig, onzichtbaar middelpunt in de galerie. De titel Transposition betekent ‘omwisseling’ of ‘hervorming’ en refereert aan de voetnoot die Pitteloud heeft toegevoegd aan de bestaande theorie. Deze voetnoot stelt voor het diagram om te draaien, waarbij de afstand die geldt voor private interacties ineens een ruimte wordt voor publieke interacties en andersom. Met deze aanpassing van de theorie maakt Pitteloud de bezoeker bewust van zijn eigen sociale ruimte en geeft daarmee een aanzet om deze zelf actief vorm te geven.

Het werk van Pitteloud is uitdagende materie, omdat het zich vooral afspeelt in het hoofd van de kijker. Toch kun je je afvragen of Pitteloud de juiste overwegingen heeft gemaakt om het verhaal van de levensloop en de theorie vorm te geven. Het werk Ruler doet vaag denken aan At This Moment Stanley Brouwn is at a Distance of x Foot van Stanley Brouwn (1935). Hij verwerkt vaak afstanden in stappen of meters in eenvoudige objecten. In zijn genoemde werk liggen linealen van verschillende lengtes op een tafel, waarbij ze dienen als maatstaf voor de conceptuele afstand tussen een bepaald punt en de kunstenaar. Net als Brouwn speelt Pitteloud een spel van beeld en associatie met eenheden die iedereen kent. Maar is het duidelijk genoeg dat de haar van Ruler een representatie is van de levenslijn? Hoewel de overgang van donker naar wit haar een voor de hand liggende verwijzing is, suggereert de tweedeling in een donker en een witgeverfd deel een tegenstelling. Wat voor een tegenstelling zou dat dan moeten zijn?

Het werk Transposition zorgt voor minder verwarring. Met de voetnoot eigent Pitteloud zich niet alleen een theorie toe, maar ook een (onzichtbare) ruimte voor sociale interacties. Het publiek krijgt hierin een bijzonder actieve rol toebedeeld. De theorie en het werk ‘bestaan’ niet alleen in de galerie, maar ook daarbuiten: op straat, in se supermarkt of op kantoor. In de tram besef je opeens wat jouw sociale relatie eigenlijk is met degene die op lichtelijk ongepaste wijze tegen je staat aangedrukt.

Annaïk Lou Pitteloud, RULER, detail (2012)
Annaïk Lou Pitteloud, TRANSPOSITION (2012)

Toen punk nog punk was

Michelle Gulickx
De Lullabies, PUNK IN UTREG (Foto: fotoBuffel)

Laatst liep ik op een ochtend langs Occupy Utrecht. Een man, 50+ en gehuld in ANWB-jas, dronk achter een kraampje zijn koffie. Een fietsende basisschooljongen stopte even. ‘Wat is dat meneer, Occupy?’ ‘Dat betekent ‘bezetten’. Wij zijn tegen heel veel dingen die slecht zijn in de wereld’, antwoordde de man. ‘Oh’, zei de jongen, en hij fietste weer verder. De man nam nog een slok van zijn koffie. Het was weer stil rond zijn kraam. 

‘Punk’s not dead’, schalde The Exploited ooit vol goede moed, maar dertig jaar later lijkt het schoppen tegen heilige huisjes toch te zijn gereduceerd tot een zacht tikken tegen de schutting. Anarchisme en anti-establishment zijn helaas nooit meer zo spannend geweest als tijdens de korte, maar vurige periode van de punk waarin veiligheidsspelden, hanenkammen en Sid Vicious menig kraakpand deden beven. Zoals het rebellen doorgaans vergaat worden ze uiteindelijk omarmd door de tegenpartij. Aan het Centraal Museum de eer, met een tentoonstelling die erin slaagt de hoogtijdagen van de anarchie op knappe wijze te institutionaliseren. 

God Save the Queen (GSTQ) plaatst de beeldende kunst van het Nederpunk-tijdperk in een decor van onder meer muziek, mode en collages uit dezelfde periode. Hieruit blijkt dat de punkbeweging op veel vlakken sterk werd gevoed door ontwikkelingen in het buitenland, waarbij met name Groot-Britannië en de VS inspireren tot volgen of afwijzen. Gordon Matta-Clark is een van deze voorbeelden en maakt ook nu nog indruk met de film Splitting (1974-1976); intense beelden van huizen die rigoureus in tweëen worden gezaagd. Ook in de werken van andere kunstenaars, zoals Jean-Michel Basquiat en Keith Haring, is eenzelfde intensiteit voelbaar. Het lijkt dan ook niet meer dan logisch dat het gevoel dat uit deze werken spreekt ook zijn sporen heeft achtergelaten op de Nederlandse kunstscene.

Een opvallende Nederlandse reactie op de kunst van over de grens is de Spray Armee, een groep Nederlandse kunstenaars waaronder René Daniëls en Rob Scholte, die reageert op de graffiti die op dat moment in de Verenigde Staten als kunstvorm wordt geïntroduceerd. Meer nog dan kunst an sich tonen de werken van deze groep de algehele vernieuwingskoorts die indertijd ontstaat in ateliers en kraakpanden en die zich in de beeldende kunst met name lijkt te uiten in wilde verfstreken en felle kleuren. Het werk van Max Natkiel is een prachtig aanvullend document dat de vernieuwingskoorts rond de muziekpodia vastlegt in foto’s van het Amsterdamse uitgaansleven: brutale pubers die, bezweet van een avondje vuige gitaarmuziek en gehuld in fascinerende punkensembles, onbekommerd de lens instaren. 

De tentoonstelling vangt met dit alles de sfeer en mentaliteit van de late jaren zeventig, maar het gaat pas echt leven in combinatie met de tentoongestelde tijdschriften, posters en collages die de punk in woord en beeld vangen. Ze geven een kijkje in een periode waarin ‘Godverdomme, wij blijven wonen’ en ‘Willen ze oorlog, krijgen ze oorlog’ gangbare posterleuzen zijn; een tijd waarin de bezoekers van het festival Rock Against Religion de dominee ongetwijfeld deden sidderen van angst. Harde woorden en zinnen zijn verpakt in collages en gekunstelde tijdschriften, die voor een hedendaags oog onbedoeld aandoenlijk aandoen en die het onmogelijk maken een gevoel van nostalgie te onderdrukken. Toch spreekt bovenal de energie en kracht van punk: alles moet anders, niets is te gek. 

De doe-het-zelf-mentaliteit, een van de pijlers van de punk en de grote kracht van GSTQ, geeft het Centraal Museum helaas ook aanleiding om een overbodige link naar het heden te leggen. ‘Doe-het-zelf was het mantra van die tijd, daarom kunnen bezoekers ook zelf aan de slag met onder andere analoog chatten, graffiti, buttons maken en een interactief drumstel’, luidt het persbericht. En ja, we kunnen ook analoog Facebooken. 

Waarom de samenstellers van GSTQ zijn gezwicht voor zo’n obligate 2.0-toevoeging is eigenlijk onbegrijpelijk als je bedenkt dat juist de tentoongestelde werken zelf voldoende zeggen over de verschillen tussen heden en verleden. Bovendien lijkt juist een tentoonstelling over punk uitermate geschikt om zonder poespas een brede – lees, jonge – doelgroep aan te spreken. Overigens, analoog Facebook behelst het prikken van zelfgeschreven briefjes op een prikbord. Het benadrukt eigenlijk een beetje hoe on-punk we met z’n allen zijn. 

Dominee Gremdaat sprak tijdens de opening van GSTQ de wens uit dat ooit weer een échte nieuwe golf van rebellie zal opstaan. Na de tentoonstelling gezien te hebben is het alleen maar te hopen dat we dat ooit nog zullen meemaken.

Keith Haring, UNTITLED (1983) (Foto: Centraal Museum)
Nikki Ilva en Nixe (Foto: fotoBuffel)