Ourhouse (2010-)

Tessa Verheul
Nathaniel Mellors, OURHOUSE EPISODE 3: THE CURE OF THE FOLLY (2011) Courtesy: Matt's Gallery, Monitor en Galerie Diana Stigter.

Nathaniel Mellors (1974) werkt sinds enkele jaren aan de (geplande zesdelige) videoserie Ourhouse, die draait om de Maddox-Wilson familie, woonachtig in een Brits landhuis. Al in de eerste aflevering Ourhouse: Games wordt het leven van Daddy, Babydoll en hun zonen Faxon en Truson stevig verstoord door het personage The Object, een oudere man die boeken verslindt. Hoewel hij grotendeels onzichtbaar blijft voor de familie is zijn invloed duidelijk merkbaar. 

Met het opslokken van de boeken verandert The Object de personages en hun onderlinge relaties, waardoor zij van de ene in de andere absurdistische situatie terechtkomen. In de tweede aflevering Ourhouse: Class eet The Object The Classic Slum, een boek over de Britse working class, en in aflevering drie, The Cure of Folly, verorbert hij een boek over de Vlaamse schilderkunst. Fragmenten uit deze boeken worden door The Object onderdeel van het script van Ourhouse.

Ik ontmoet Mellors in het Cobra Museum, waar hij op dat moment zijn nieuwe presentatie Ourhouse: The Nest opbouwt. Bevlogen vertelt hij over de serie en de karakters: ‘The Object is een soort feedback loop binnen het verhaal. Het vernietigt en genereert het verhaal tegelijkertijd.’ 

De videoserie valt op door haar ongebruikelijke vorm. Ourhouse is geïnspireerd op de structuur van een drama- of soapserie. De afleveringen vormen een vervolgverhaal maar kunnen ook afzonderlijk worden bekeken. Mellors refereert aan de Britse scenarioschrijver Dennis Potter die televisie omschreef als een open haard, het middelpunt van ieder huis. Zelf groeide hij op tijdens ‘the golden era’ van de Britse televisie en is hij bekend met deze traditie van kwalitatief hoogstaande, maar kleinschalige, komedie- en dramaseries. Het entertainmentgehalte van deze series, dat volgens hem nogal eens ontbreekt in hedendaagse kunst, is voor Mellors van cruciaal belang. Maar wat hem het meest fascineert aan deze televisieseries is het idee van de microkosmos; een interne logica die wordt gecreëerd en in stand gehouden en die niets meer met de werkelijkheid te maken heeft. Het landhuis wordt een vacuüm waar het ene verhaal uit het andere ontspruit. 

Aflevering drie, The Cure of Folly, die onlangs in een door Mellors samengestelde tentoonstelling werd gepresenteerd in SMART Project Space, is hier een goed voorbeeld van. Terwijl Daddy lijkt door te draaien en Babydoll op zoek is naar een boek, eet The Object een boek over de schilderkunst van de Vlaamse Primitieven. De schilderijen De hooiwagen en De keisnijding van Hieronymus Bosch (1450-1516) verschijnen hierdoor als scènes in Ourhouse. Zelf verzon Mellors het personage The Hek, een dominante techno-feminist, die de mannelijke karakters tot een theatrale processie dwingt: op zoek naar de stone of madness. 

De soms ziekelijke fascinatie voor objecten loopt als een rode draad door de verschillende afleveringen van Ourhouse. Naast de aanwezigheid van het karakter The Object, heeft het naïeve karakter Truson een obsessie voor een Venusbeeld dat hij via Ebay aanschaft, maar waarvan de grootte direct verraadt dat het een replica betreft. In The Cure of Folly verkoopt hij het beeld aan de onbetrouwbare Addison, die hem er de vijftien afgehakte vingers van Christus voor teruggeeft. Wat Truson niet vermoedt maar de kijker wel te zien krijgt, is dat Addison ‘in werkelijkheid’ deze vingers zojuist amputeerde van de handen (en voeten!) van zijn assistenten. Deze scene illustreert de geestige en onbegrijpelijke wendingen die de serie soms neemt.

Om het idee van een microkosmos te benadrukken wordt de tijdspanne van Ourhouse bewust vaag gehouden. ‘Het zou zich tijdens één dag kunnen afspelen, maar ook tijdens tien jaar.’ Mellors verwijst naar de film The Hour-Glass Sanitorium van de Poolse regisseur Wojciech Has, waarin karakters zich verliezen in verschillende verhaallijnen en realiteitslagen. De karakters in Ourhouse zitten als het ware opgesloten met elkaar. Voor personages The Hek en Uncle Tommy geldt dit zelfs letterlijk: ‘zij zitten gevangen in een televisiescherm’.

Vanwege omstandigheden – de zwangere actrice was uitgerekend tijdens de productiedagen (waarover Mellors glunderend zegt: ‘dat zie je niet vaak in series, en de zwangere buik geeft het karakter extra mystieke lading’) en de acteur die Uncle Tommy speelt was gecast voor een film van Steven Spielberg – konden zij niet tijdens de draaidagen aanwezig zijn. Deze toevalligheden pakten goed uit: ‘hierdoor ontstaat een realiteit binnen een realiteit’. 

Ook taal vormt een belangrijk thema in de serie. Karakters verzinnen zelf woorden, willen boeken begraven, proberen te schrijven en te lezen maar kunnen hun boeken niet vinden, en verzanden vooral in miscommunicatie. Mellors studeerde zelf een blauwe maandag Engelse taal en literatuur en begon met het schrijven van scenario’s voor zijn broer die als stand-up comedian werkte. De kunstenaar is vooral geïnteresseerd in de fysieke effecten van taal en de invloed van taal op menselijk gedrag.

Even belangrijk als taal is zijn fascinatie voor sculptuur en ruimtelijkheid. Hij kan dan ook niet wachten om fragmenten uit deel vier van Ourhouse: The Nest te tonen in de vorm van een installatie, waarin een aantal personages wordt verbeeld in vier sculpturen gemaakt van gaas en kranten. ‘Ik negeer hier het idee van de serie en selecteerde verschillende fragmenten over objecten en sculptuur’. Video is dan ook geen vaste vorm voor Mellors. Hij maakt nieuwe montages van het materiaal en personages kunnen uit de serie ontsnappen en opduiken in de vorm van een robot of sculptuur.

Mellors’ werk vloeit moeiteloos van het ene medium over in het andere en personages en thema’s komen veelvuldig terug, maar ook lijkt hij met zijn nieuwe presentatie juist bezig het oorspronkelijke idee van de Ourhouse-videoserie, het geplande onderwerp van ons gesprek, te veranderen. Inmiddels zijn vier van de zes afleveringen geproduceerd met financiële steun van het Filmfonds en Fonds BKVB. Maar of de laatste twee afleveringen gemaakt gaan worden is nog de vraag. ‘Ik voel de behoefte om dieper op het script en de karakters in te gaan, en af te wijken van het oorspronkelijke plan. Het zou gekker en vermakelijker kunnen.’

Wat hem dan ook bijzonder aanspreekt aan The Nest in het Cobra Museum is de enigszins ruwe presentatievorm. Zijn films, allemaal tot stand gekomen met behulp van een professioneel team, zijn ergens misschien wel iets te gelikt naar Mellors’ smaak. ‘Van mij mag het vreemder zijn,’ concludeert Mellors zelf over zijn toch al niet alledaagse videoserie. 

De tentoonstelling Nathaniel Mellors – The Nest in het Cobra Museum te Amstelveen loopt nog tot en met 4 maart 2012.

Nathaniel Mellors, OURHOUSE EPISODE 3: THE CURE OF THE FOLLY (2011) Courtesy: Matt's Gallery, Monitor en Galerie Diana Stigter.
PASSPORT CONTROL (1988), op de achtergrond DOUBLE STILL LIFE (2009)

Mark Wallinger (1958) kijkt zes keer recht de camera in, één keer heeft hij zijn vingers naar zijn ogen gebracht om die tot spleetogen te trekken. Op deze pasfoto’s, afgedrukt op posterformaat, zien we de kunstenaar, gekleed in een onopvallend geruit overhemd, een stropdas en een bril. Met viltstift heeft hij zijn zelfbeeltenis vervolgens veranderd in die van verschillende etnische stereotypen, zoals een Jood, een Arabier of een Afrikaan. In Passport Control uit 1988 staan Wallingers eigen identiteit en de Britse identiteit ter discussie. De dunne scheidslijn tussen classificering en stereotypering is nog steeds akelig actueel. 

MARK is de eerste solotentoonstelling van de Britse kunstenaar Wallinger, wiens politiek geëngageerde kunst sterk leunt op gevonden visueel materiaal en gevoel voor woordgrapjes. De naam van de tentoonstelling verwijst bijvoorbeeld niet alleen naar de kunstenaar, maar ook naar zijn streven een merkteken, een markering, op de wereld achter te laten. 

Vergelijkend kijken, zoals bij Passport Control, keert terug in Double Still Life. Het bestaat uit twee statige identieke boeketten in identieke vazen op identieke sokkels. Refererend aan de kunsthistorische traditie van vanitas en memento mori, blijken de prachtige boeketten bij nadere beschouwing niet zo vergankelijk. Ze zijn namaak, gemaakt van kunstzijde. Bovendien zie je als je dichterbij komt steeds meer onderlinge verschillen; elke bloem, elk blaadje heeft ondanks de industriële productie zijn eigen vorm. Niets is wat het lijkt bij Wallinger. Met Passport Control nog op het netvlies, lijkt Wallinger de problematische kanten van groeperen en categoriseren te willen benadrukken. 

State Britain (2007), waarmee Wallinger in 2007 de Turner Prize won, is het pièce de résistance van de tentoonstelling. Het is een indrukwekkende installatie, bestaande uit een 43 meter lange muur van verzamelde protestborden die getuigen van persoonlijke bevlogenheid. En toch wringt er iets. Het oogt te netjes en te duidelijk gespatieerd. Wat ontbreekt is de rauwe echtheid die achter de borden schuil zou moeten gaan. Net als de zijden bloemen blijken de protestborden nagemaakt te zijn. Het werk is ontstaan vanuit Wallingers frustratie dat schrijvers, kunstenaars en de pers zo weinig aandacht schonken aan de inperkingen van de vrijheid van meningsuiting en hun lauwe houding tegenover de oorlog in Irak. Er leek nog maar één actievoerder te zijn, vredesactivist Brian Haw. Hij bivakkeerde vanaf 2001 op Parliament Square om tegen de oorlog in Irak en ander onrecht te protesteren. Door de invoering van een wet waarmee protestacties tegen de Britse regering gemakkelijk konden worden opgeheven, werd ook dit laatste protest bedreigd.

Wallinger stelde voor het protest te reproduceren voor zijn tentoonstelling in Tate Britain in april 2006. Op basis van de ruim 700 foto’s die Wallinger op Parliament Square nam, maakten 15 medewerkers van productiebedrijf Mike Smith Studio gedurende een half jaar de protestborden minutieus na. Op 23 mei 2006 werd Haw verwijderd van Parliament Square en werden zijn borden door de politie vernietigd. Het politieke belang van de installatie van State Britain in Tate Britain nam hierdoor alleen maar toe. Met de opkomst van de huidige Occupy-beweging lijken er inmiddels vele nieuwe Haws te zijn opgestaan. Ook de Occupiers uiten hun onvrede over de marginale rol die zij door het politieke establishment toebedeeld krijgen in de vorming van de maatschappij en worden in de publieke opinie eveneens niet echt serieus genomen. 

Dit werk dat symbool staat voor mensen die bewust kiezen en pogen iets te veranderen, hoe zinloos of inefficiënt het ook moge zijn, contrasteert mooi met het fotowerk The Unconscious. Een dertigtal foto’s van mensen die, slapend in het openbaar vervoer, zich van hun weerloze kant tonen. Zij proberen niets en zijn zich nergens van bewust, zelfs niet van de fotograaf. De foto’s heeft Wallinger van het internet geplukt. Hij kiest een passieve rol. De fotograaf heeft de privacy van de slaper geschonden, Wallinger niet. Hij is onschuldig. 

In één van de kabinetten van De Pont wordt de vijf-kanaalsvideo Landscape with the Fall of Icarus (2007) getoond, die is gebaseerd op het gelijknamige schilderij dat eerder werd toegeschreven aan Pieter Breughel (circa 1525-1569). Op elke monitor zien we in een korte loop, een op internet gevonden filmpje van iemand die de zwaartekracht tart. Ondanks dat de gefilmde mensen aan een koord zijn verbonden, falen ze toch en vallen telkens. Het zijn tragikomische filmpjes, waarvan de tragiek, hoe langer je ernaar kijkt, steeds meer gaat overheersen. Ik houd mezelf voor dat ik bewuster sta tegenover het lot van het moedige individu dan de omstanders in het oorspronkelijke schilderij, die gewoon verder gaan met hun werk.

Dat is wat Wallinger doet; hij trekt zowel zijn eigen positie als die van de toeschouwer in twijfel. Hij breekt een lans voor Haw, voor Icarus, voor de eenling die tegen de bierkaai vecht, voor het individu dat zijn eigen weg kiest. Zijn rol als kunstenaar is eenzelfde. Hij streeft naar een betere wereld binnen het beperkte vocabulaire van de kunst en weet dat daarmee politieke veranderingen zullen uitblijven. Wij staan de Haws niet en masse bij en Wallinger gaat niet letterlijk op de barricades. Wij zijn niet onschuldig. Wallinger is niet onschuldig. Maar de poging op zich is al heel wat waard.

THE UNCONSCIOUS (2010)
STATE BRITAIN (2007)
MARK (2010)

Occupy of vacant?

Bik van der Pol

Leegstand is lucratief, een groeimarkt. Heel veel ruimte is permanent onttrokken aan het stedelijk leven en wordt beheerd door steeds meer commerciële antikraakbeheerders en bevorderd met de zegen van overheid, woningstichtingen, ontwikkelaars en ons belastingstelsel. Dit is contraproductief. Als alles vast getimmerd wordt door regulering is er niets mogelijk: geen improvisatie, geen tijdelijkheid, geen beweging. Onze stedelijke omgeving wordt meer en meer door de markt en een bijna hysterisch respect voor private belangen bepaald en gestuurd, maar leidt tot grote verliezen op het gebied van de andere bouwstenen die de basis vormen voor wat een stad ook nodig heeft: een creatieve en sociale dynamiek.

Vacant NL, ‘where architecture meets ideas’, heeft dit goed begrepen. Dit project, ontwikkeld voor de Architectuurbiënnale van Venetië in 2010, toont de visie van Rietveld Landscape op de grote leegstand van publieke gebouwen in Nederland. Het is een pleidooi om deze leegstand (zeker in het licht van de huidige crisis een maatschappelijke zaak) productief te maken en in te zetten als stimulans voor creativiteit en innovatie onder het adagium: ‘geen subsidie maar sleutels’. De Dutch Atlas of Vacancy, weerslag van diepgravend onderzoek, geeft een goed gedocumenteerd overzicht van alle leegstaande gebouwen, inclusief locaties en eigenschappen.

Maar, hoe vacant is Vacant NL eigenlijk? Waar de Occupy-beweging een horizontale organisatie is waar iedereen die dat wil vrij toegang heeft tot kennis, houdt Vacant NL de vergaarde kennis angstvallig exclusief. De tweejarige masteropleiding bij het Sandberg instituut, een educatieve denktank die zich buigt over de potentie van leegstand als aanjager van stedelijke veranderingen, genereert weliswaar nieuwe opgaven voor een zorgvuldig geselecteerde groep studenten, maar de Dutch Atlas of Vacancy is geen studieboek dat zomaar door iedereen geraadpleegd kan worden. Integendeel: er is slechts een handvol gedrukt en ze liggen als kostbare facsimile in een afgesloten vitrine tentoongesteld, veilig afgeschermd tegen al te nieuwsgierige ogen. Toegang tot de bijeengebrachte feiten wordt het publiek onthouden.

Rietveld Landscape heeft een esthetisch beeld van publieke leegstand gecreëerd, maar zij benut niet de kans om deze informatie te laten groeien tot breekijzer voor verandering. De problematiek wordt wel beleefbaar gemaakt voor het publiek, maar zij kan en mag niet meedenken over de invulling van al deze leegte. De macht is en blijft bij de specialisten. De rol van tentoonstellingsmaker en het eigen succes lijkt belangrijker, want wie nodigt uit tot creativiteit, en wie verdeelt daadwerkelijk de sleutels? Vacant is hier een schijnvertoning; openheid van informatie – overigens wel met behulp van publieke middelen vergaard – wordt niet werkelijk tot inzet gemaakt. Kennis is macht. Exclusiviteit van kennis is meer macht. Alles bij het oude dus.

In 1979 hield het kunsttijdschrift Artforum een onderzoek onder New Yorkse kunstenaars naar hun publiek. Teruglopende belangstelling voor kunst was een belangrijke kwestie geworden nadat het stof opgetrokken was van de haast tot mythische proporties uitgegroeide jaren van het SoHo-effect (1). Instellingen vroegen zich af wie hun publiek eigenlijk was, waar ze naartoe ging als ze niet naar het museum kwam, waarom ze niet kwam en de gevolgen daarvan voor hun bestaansrecht. Kunstenaar Vito Acconci zag twee mogelijkheden weggelegd voor de kunstruimte. Haar te gebruiken als taal (als drager van betekenis) óf haar in te zetten als ruimte waar kunst zich ‘voordoet’; een plek waar – tijdelijk – een gemeenschap gevormd of bijeengeroepen kan worden met een bijzondere bedoeling. Kunst fungeert dan een beetje als een voorwendsel. Dergelijke momenten zijn precair, maar kunnen leiden tot daadwerkelijke verankering in hoe we de publieke sfeer ervaren.

Hierin ligt ook de kracht van de Occupy-beweging: zij brengt mensen bijeen die in verschillende werkgroepen de deelname aan democratie opnieuw uitvinden vanuit het idee dat het delen van praktische en theoretische kennis niet alleen tot self-empowerment leidt maar ook tot maatschappelijke veranderingsprocessen. Ook hier is kennis macht, maar anders dan Vacant NL creëert Occupy wel open en ongelimiteerde toegang tot kennis. Herziening van het denken over ‘het publieke’ en het inzetten van haar belangrijkste activa (ruimte als open source en gebruikers als prosumers) is noodzakelijk (2). Niemand is gebaat bij leegstand. Als het kapitaal van een stad bestaat uit de relatie tussen ruimte en gebruikers, hoe wordt dat kapitaal dan tot meerwaarde? Dit vergt een verandering van mentaliteit en is urgent, want wat doet permanente leegstand met de ervaring van inwoners van een stad?

De huidige crisis, voor een groot deel veroorzaakt door speculatie in onroerend goed toont aan dat de modellen van economische vooruitgang hebben gefaald. We moeten naar een andere relatie tussen ‘het publieke’ en ‘de ruimte’, met een primaire focus op menselijk kapitaal in plaats van panden, want daar is – getuige de leegstand – meer dan genoeg van. De wijze waarop Google informatie kapitaliseert kan tot inspiratie dienen. Zij geven informatie gratis weg en creëren daarmee niet alleen een zoekmachine voor de groeiende internetgemeenschap; ook een enorme hoeveelheid bedrijven en organisaties willen zich graag aan Google verbinden omdat zij gezien willen worden door haar gebruikers.

Dit open source netwerk vertoont een ‘sterk indirect netwerkeffect’: de waarde van een systeem hangt af van deelname en van de hoeveelheid applicaties. Tegelijkertijd wordt de waarde van een applicatie vergroot als het op een populair besturingssysteem draait. Een netwerk wordt dus steeds waardevoller naarmate meer mensen deelnemen en er een intense bundeling ontstaat die weer een positieve feedback genereert. Dit veroorzaakt weer een netwerk van concurrenten, die bijdragen aan verbetering van het systeem, enzovoort.

Open source genereert zo steeds meer activiteit. Het netwerkeffect is inzetbaar als open gebruik van vacante ruimte waardoor meer mensen zich engageren. Daardoor ontstaat ook, als toevallig bijproduct, een levendig cultureel klimaat, voortkomend uit de meerwaarde van leegstand zelf. Zo kan blijvend verdiend worden aan dit ‘weggeefmodel’. Occupy daagt de samenleving uit kennis werkelijk vrij te geven en laat zien dat kracht is gelegen in het exploreren en exploiteren van openheid. Provisorisch: gemeenschappen moeten zichzelf kunnen vormen. Niet als beeld of installatie, maar als prepared accident (3). Dat dat ook gepaard gaat met verlies aan controle en macht, soit.

(1) 
Vernoemd naar de gentrification in de New Yorkse wijk SoHo waarbij kunstenaars in de jaren zeventig kleine fabrieken en pakhuizen omvormden tot lofts en zo, ironisch genoeg, hebben bijgedragen aan de verandering en opwaardering van deze wijk.

(2)
Prosumer is een samentrekking van de woorden professioneel of producent met het woord consument. De term heeft meerdere tegenstrijdige betekenissen: het bedrijfsleven ziet de prosumer (professionele consumenten) als een markt met een passieve rol, terwijl economen de prosumer (producent en consument) als meer onafhankelijk van de reguliere economie zien: iemand die bij het proces is betrokken krijgt en neemt een actievere rol.

(3) 
Architect Cedric Price spreekt over de paradox van het prepared accident, het voorbereide ongeval, waarbij een strategie van een heel precieze planning wordt ingezet om toeval niet alleen te laten gebeuren maar ook te bevorderen.

Rijst met kip zonder saus

Lise Lotte ten Voorde

Het gaat goed met illustrator Tim Enthoven (1985). Hij studeerde in 2010 af aan de DesignAcademy in Eindhoven, won meteen twee prijzen en werkte al voor de VPRO Gids, New York Times Magazine en Items. Zijn afstudeerwerk Binnenskamers verscheen in 2011 als beeldroman. Met dit boek geeft Enthoven een eigenzinnige draai aan het genre, waarbij de lezer voortdurend in het ongewisse blijft over het waarheidsgehalte van wat verteld wordt.

Binnenskamers speelt zich voornamelijk af in de studentenkamer van hoofdpersoon Tim, die uiterlijke gelijkenissen vertoont met zijn schepper. Als het verhaal begint heeft Tim, student illustratie, zijn kamer al drie maanden enkel verlaten om te douchen en eten te halen – rijst met kip zonder saus, elke dag – bij Li’s Garden. Zijn dagelijkse routine bestaat uit ontbijten, douchen, poepen, eten, tekenen, tandenpoetsen en slapen. Zo rijgen de dagen zich aaneen, slechts van elkaar verschillend door ongewenste ontmoetingen op weg naar Li’s Garden.

Die rigide herhaling komt ook terug in de tekeningen. Drie spreads lang tekent Enthoven dezelfde routines, waarbij alleen de tekst het verloop van de tijd verraadt. Tot Li’s Garden op een ongelukkige maandag gesloten is en Tim uitwijkt naar MacDonalds. Hij loopt echter drie oud-studiegenoten tegen het lijf die hem meetronen naar een feestje, waar hij wordt voorgesteld aan een meisje dat tuitknaks (kleine sigaren) blijkt te roken – Tim staat bekend om zijn liefde voor dikke sigaren, naast het drinken van Schnapps.

Enthoven illustreert Tims obsessie voor het meisje door haar gezicht steeds groter te tekenen, terwijl haar pupillen veranderen in zijn gezicht. Eenmaal thuis wordt Tim geplaagd door onrustige dromen waarin het meisje, megagroot en met kwaadaardige grimas, haar vagina over zijn hoofd laat zakken. Ook bij daglicht heeft hij last van visioenen. Hij vlucht naar buiten, de al even onbetrouwbare buitenwereld in, bezoekt een prostituee en belt Paul, de vriend die hem eerder vreselijk teleurgesteld heeft.

Binnenskamers leest als een beatroman met de sfeer van een misdaadreconstructie. Enthoven heeft duidelijk zichzelf als uitgangspunt genomen voor deze knappe karakterschets, waarvan vorm en inhoud volledig op elkaar aansluiten. De tekenstijl is sober maar gedetailleerd, en wordt rommeliger zodra de buitenwereld Tims leefomgeving binnensijpelt: twee of meer figuren in dezelfde kleine kamer die een wirwar aan gedachten en controleverlies illustreren. Het spaarzame kleurgebruik (roze, ‘huidskleur’ en blauw), onderstreept de droomstaat waarvoor ze wordt ingezet. Enthovens gezichten drukken veel uit, de omgeving weinig, waardoor veel ruimte overblijft voor eigen interpretatie.

Door het gebruik van ritme, vlakverdeling (ook de plaatsing van de tekeningen op de pagina is van betekenis) en minieme verschillen tussen tekeningen, volgt het verhaal eerder een filmische structuur dan die van een klassieke (beeld)roman. Het doet wat denken aan Stanley Kubricks fantastische verfilming van A Clockwork Orange (1971), onder meer vanwege de invloed van strips op die film. Natuurlijk is Enthovens kleurenpalet er niet mee te vergelijken, maar het symbolische gebruik ervan wel degelijk. Dat geldt ook voor de associatieve maar gecontroleerde manier van werken en het belang van visioenen. Het verhaal is lang niet zo gruwelijk, maar minstens zo verontrustend – het lijkt slechts een kwestie van tijd voor Tim zijn beheersing zal verliezen.

Binnenskamers, Tim Enthoven
Bries/De Harmonie (2011)
ISBN: 9789061699903
www.timenthoven.nl

Micha Patiniott

Om een beetje mee te tellen in de internationale kunstwereld moet je als stad toch wel minstens drie satellietbeurzen hebben. Voor het eerst hebben ze dat ook in Rotterdam begrepen. De selectie is dit jaar keihard geweest: veel buitenlandse galeries kregen voorrang, waaronder een opvallende hoeveelheid uit België. Maar Re:Rotterdam, één van de drie andere beurzen in een leegstaand pand van Rijkswaterstaat, is allesbehalve een beurs voor refusés. 

Acht verdiepingen (waarvan de eerste wordt bewoond) telt het gebouw aan De Boompjes. De plafonds zijn laag, de vloerbedekking grijs, de trappenhuizen bedompt. Het prachtige panorama over de Maasboulevard, met aan de rechterkant de Erasmusbrug, maakt gelukkig heel veel goed. De vijfde verdieping staat geheel in het teken van bijna alle kunstenaars van de voormalige MKgalerie Rotterdam/Berlin. Met het geld van de verkoop wordt een fonds opgericht voor de tweejaarlijkse MK Award, die in het leven is geroepen ter nagedachtenis van de in 2011 overleden galeriehouders Emmo Grofsmid en Karmin Kartowikromo. Tanya Rumpff maakte een prachtige selectie. 

De werken van Ditty Ketting ogen speels en fris, in tegenstelling tot de moderne Op art waar ze aan doen denken. De foto’s van Marleen Sleeuwits zijn ook bij LhGWR te zien, waar ze onlangs nog een mooie solotentoonstelling had. Haar beelden van kartonnen constructies en kleurige vlakken in de ruimte hebben soms een wel erg hoog Thomas Demand-gehalte, maar zijn desalniettemin het noemen waard. Ook is er interessant fotografisch werk van onder andere Bert Danckaert, Wim Bosch en Aram Tanis. De schilderkunst is met Mischa Patiniott een goede kunstenaar rijker. 

‘I just realized I don’t care’ staat er op het T-shirt van een wat agressief ogende jongeman. Zijn blauwe ogen stralen niets anders uit dan pure agressie. Eigenlijk hebben alle personages in de schilderijen van Marie Civikov diezelfde soort onverschilligheid in hun ogen. Ze kijken je wel aan, maar tegelijkertijd dwars door je heen. Communiceren doen ze liever via slogans op hun kleding. Ook Hinke Schreuders communiceert graag met tekst. Op kleine blokjes aan de muur is in geborduurde letters een aantal citaten te lezen die afkomstig zijn uit de aanstootgevende roman Histoire d’O van Pauline Réage, een Franse klassieker uit 1954 over een vrouw die door haar vriend in een bordeel wordt geprostitueerd. De ruimte ernaast bevindt zich een merkwaardige installatie van Lotte Geeven, een interessant beeld in al zijn eenvoud. Absurd mooi zijn de donkere houtskooltekeningen van Sandro Setola. Kortom: ook op de andere verdiepingen zijn er absoluut hoogtepunten.

Met een opvallend kleine organisatie -een handjevol enthousiaste mensen van Galerie10 in Utrecht- is het gelukt in korte tijd de beurs op poten te zetten. Vooral hun eigen netwerk van kunstenaars, initiatieven en een handjevol sponsors hebben hieraan bijgedragen. 

Met mooie woorden staat op de website: ‘Re:Rotterdam, is a reply/ response/ reaction to certain practices within the art. It is a re-ordering of the art fair/market and the establishments surrounding them. A re-focusing.’ Dat laatste is een tikkeltje overdreven, want zoveel wordt er niet gereflecteerd op de bestaande kunstmarkt en wat eromheen gebeurt. Re:Rotterdam biedt geen ‘alternatieve’ of nieuwe inzichten. Het is vooral een beurs die, als satellietbeurs van Art Rotterdam, een aantrekkelijk alternatief biedt aan veel kunstenaars en jonge kunstinitiatieven, mede door de lagere standprijzen. Voor de bezoeker toont het vooral iets waar we allemaal zo vreselijk veel behoefte aan hebben: dat er in Rotterdam echt iets gebeurt. 

Lotte Geeven
Hinke Schreuders
Sandro Setola

Erotisch iconoclasme

Alexander Mayhew

Op een beurs voor hedendaagse kunst verwacht je niet snel met schilderijen of sculpturen van oude meesters te worden geconfronteerd. Daarvoor is de TEFAF in Maastricht ongetwijfeld een betere bestemming. Het blijkt echter een onverwacht genoegen om een blik te werpen op werken die de eeuwen hebben overleefd temidden van een veelheid aan kunstwerken die de geschiedenis gevoeglijk zal vergeten.

De oude meesterwerken zijn niet fysiek aanwezig, maar worden bij Wilfried Lentz getoond in een fotoserie getiteld After Image van de Zweedse kunstenaar Matts Leiderstam (1956). Het zijn foto’s van opengeslagen tentoonstellingscatalogi of kunstboeken met reproducties van historische schilderijen en sculpturen. Op elke foto zie je één of meerdere handen met vergrootglazen de aandacht richten op specifieke gedeeltes van de reproducties. In eerste instantie is het onduidelijk waarom er eigenlijk wordt ingezoomd op deze gedeeltes. Wanneer je echter wat langer door het vergrootglas blijft turen, isoleren de getoonde fragmenten zich van het werk waar ze deel van uitmaken. Ze gaan een eigen leven leiden en vertellen een heel ander  verhaal dan het oorspronkelijke werk. Tot je eigen verbazing lijkt een drakenstaart in een schilderij van Jan Steen zich om te vormen tot een enorme fallus, een vulkaan in het werk van Michael Wutky tot een vurige vulva. Zelfs in de plooi van het gewaad van de Heilige Theresia van Bernini’s beroemde sculptuur lijkt een vaginale opening te worden gesuggereerd.

Het eerste wat je als toeschouwer denkt is dat het aan je eigen dirty mind zal liggen; dat je door onze overgeseksualiseerde maatschappij zodanig bent geprogrammeerd dat je overal iets seksueels meent te ontwaren. Deze notie wordt mede in de hand gewerkt door de wetenschappelijke, bijna documentaire manier waarop het werk wordt gepresenteerd. De foto’s lijken afkomstig uit een archief en te dienen als ondersteuningsmateriaal voor een academische these, niet als voeding voor puberale onderbroekenlol. Leiderstam is per slot van rekening gepromoveerd in de kunsten en beweegt zich in het veld van het de laatste jaren zo veelbesproken artistic research. Voor hem betekent artistic research zowel het reeds bestaande opnieuw verkennen, als geheel opnieuw beginnen, het openen van een nieuw veld. Wanneer er puur sprake zou zijn van een wetenschappelijk onderzoek zou de esthetisering in de After Image serie kunnen ontbreken, maar deze is wel degelijk te bespeuren in de verschillende gekleurde ondergronden waar de boeken in de foto’s op rusten. Deze zijn zorgvuldig gekozen om aan te sluiten bij de kleuren van de onder de loep genomen kunstwerken.

Leiderstam laat je dingen zien die door de conventionele kunstgeschiedenis als oninteressant of irrelevant worden beschouwd en creëert hiertoe werken die de toeschouwer zelf aanzetten om op onderzoek uit te gaan. Hiermee verandert hij op slag de blik en daarmee de relatie die de toeschouwer met de gereproduceerde werken heeft. Hij brengt visuele weerhaakjes aan waardoor de werken memorabeler worden dan ze op zichzelf al zijn; ze krijgen nieuw leven ingeblazen. Wanneer ik nu in Rome de in katzwijm liggende Theresia bezoek zullen mijn ogen richting haar rechterschouder glijden en zal ik mij afvragen of Bernini die plooi van haar gewaad daar bewust zo heeft vormgegeven of dat ik mij laat verleiden door Leiderstams erotische interpretatievermogen.  

Out of Control

Alexander Mayhew

Overdragen van de regie, hoe ver kun je daar als kunstenaar in gaan? Out of Control brengt een tiental kunstenaars bij elkaar die bewust de artistieke besluitvorming uit handen geven. Sommigen maken hierbij gebruik van methodische processen, anderen weer van toeval. De zwart-wit zelfportretten van de onlangs overleden Roman Opalka tonen bijvoorbeeld op ingehouden, maar indringende wijze zijn natuurlijke veroudering. Roger Hiorns hing een soort keramische stalactiet aan het plafond. Uit de bovenkant ervan komt een voortdurende stroom zeepsop zetten, die langzaam naar beneden glijdt. Hedwig Houben heeft de uiteindelijke vorm van een sculptuur zelfs aan het publiek overgelaten door te vragen wat ze van de door haar voorgestelde sculptuur vonden en hoe het beter zou kunnen. Out of Control laat zien dat het balanceren tussen specificiteit en toevalligheid op intrigerende manieren vorm kan  krijgen. (AM)

Een tour in 500 woorden

Maaike Lauwaert
Rumiko Hagiwara, IN PRAISE OF SHADOWS

Twee veelgehoorde redenen om niet naar een beurs te gaan zijn de drukte en de slechte kunst. Dat laatste is zeker niet altijd per definitie waar. Daarom in 500 woorden een tour langs goede, conceptuele, experimentele, vaak niet echt commerciële kunst op Art Rotterdam. De nummers in dit artikel corresponderen met die op je plattegrond. Met deze tour kan je doen alsof je in een druk en warrig ingericht groot museum bent, waarbij je nu eenmaal vaak op tenen trapt als je achteloos wat kijkafstand tot een werk wilt nemen.

Via wat wel de meest slechte beursingang ter wereld moet zijn kom je binnen in de New Art Section voor jonge galeries. Geniet bij Arcade (72) van het slungelige werk van Maria Zahle: vormen in badzeep-achtige kleuren die nog wel suggereren aan bruikbaarheid maar dat duidelijk niet zijn. Draai 180 graden en vind bij Sommer & Kohl (74) de betonnen uitsparingen van de Nederlander Jaroen Jacobs. Trek een diagonale lijn naar Jeanine Hofland (76) voor de humoristische presentatie van Rumiko Hagiwara. Steek via lift en WC door naar deel twee van de benedenruimte. Meteen links zit Torri (70) met een prachtige installatie schilderijen van Jean-Baptiste Bernadet.

Ga dan diagonaal links en kijk even achter de muur van Rod Barton Gallery (67) voor een klein werkje van Bas van den Hurk. En dan een trits sterke presentaties: op 66 zit VidalCuglietta met een solopresentatie van de in Brussel wonende Miks Mitrevics, meteen gevolgd door Galerie Tatjana Pieters (65) met een al even sterke solo van de Belg Adriaan Verwée, dan New Galerie (64) die met Ryan Trecartin en Lizzie Fitch goed aansluit bij de tentoonstelling bij MAMA in Rotterdam en de rij wordt gesloten door Lüttgenmeijer (63) die straf werk toont van George Henry Longly.

Boven, op de verdieping met de meer gevestigde galeries, is het soms wat meer zoeken en vaker het hoofd gebogen houden. Bovenaan de eerste trap kies je links, gaat het hoekje om et voilà, twee mooie werken van Valérie Mannaerts bij Elise Platteau & Cie Galerie (45). Van hieruit ga je schuin links naar Office Baroque Gallery (11) met een ingetogen groepsopstelling van onder andere Kirsten Pieroth die boeken kookte en het kookvocht in potjes en bokalen deed.

Ever verder rechtdoor bij Peres Projects (15) hangt een indrukwekkend werk van Amy Dicke. Steek hier recht over en vindt bij Martin van Zomeren (28) een groepstentoonstelling die opvalt door het materiaalgebruik van onder andere Navid Nuur, Martijn Hendriks en Katja Mater. Ga terug naar Peres Projects, loop rustig rechts met de bocht mee en vind daar aan het einde van de gang bij Ellen de Bruijne Projects (21) een verrassende duopresentatie van Klaas Kloosterboer en Suchan Kinoshita.

Weer rechts mee de bocht om halt houden bij Galerie Micheline Szwajcer (31) die een goede verzameling Belgische kunstenaars presenteert: Ann Veronica Janssens, Jos de Gruyter & Harald Thys, Koenraad Dedobbeleer. Rechts de hoek om en bij Fons Welters (36) aan de buitenmuur even de twee metalen muurwerken van Magali Reus bekijken. Dat was het. Draai 180 graden en je staat voor de bar. Welverdiend.

Miks Metrevics, LET'S GO FOR A WALK? I DON'T KNOW. IT'S ALREADY LATE. OKAY, JUST AROUND A LAKE (2012)
Adriaan Verwée
Klaas Kloosterboer
Dana Lixenberg, BURGEMEESTER OUDE PEKELA (2011)

Het vernieuwde Amsterdam Museum, gehuisvest in het voormalig Burgerweeshuis – één duik verwijderd van de mensenmassa in de Kalverstraat – biedt onderdak aan de foto’s die Dana Lixenberg (1964) maakte in het kader van Document Nederland. Lixenberg fotografeerde voor deze jaarlijks terugkerende opdracht een indrukwekkend tijdsdocument bij elkaar over een beroepsgroep die in de kunst doorgaans niet aan bod komt: de burgemeestersploeg van Nederland, en zijn habitat.

Burgemeesters? Het onderwerp is misschien niet erg sexy. Eerder een tikkeltje truttig zelfs. Alles wat met burgemeesters te maken heeft, riekt immers naar spruitjes en stroperige gemeentepolitiek. Waarom dan dit onderwerp? Misschien dat de keuze voor dit onderwerp past  in de maatschappelijke opleving van het kleine geluk; de buurtbetrokkenheid, de inburgeringscursus en het particuliere initiatief, het zijn allemaal zaken die te maken hebben met Hollands bestuur op de vierkante millimeter. Met dit onderwerp brengt Document Nederland dan ook daadwerkelijk een ode aan de actualiteit. De expositie is wat mij betreft een relevante verbeelding van onze huidige binnendijkse oriëntatie.

Wat doet de burgemeester zoal volgens Lixenberg? De burgemeester anno vandaag is een wat ambivalente figuur. Aan de ene kant staat hij (of zij) in de regenteske traditie van het Nederlandse ambt, waarin hij vanouds een echte hoogwaardigheidsbekleder is en een machtige spil in de koopmanseconomie (hier en daar zijn in de foto’s de verwijzingen naar dit verleden te vinden). Aan de andere kant is hij diender van het algemeen belang in de modernere traditie van de verzorgingsstaat, waarin de bestuurder vooral niet te ver van ons af moet staan. De Nederlandse burgemeester laat zijn ambtsketen liever in de kast hangen, hij moet er immer voor waken dat hij niet gezien wordt als elitair. Het gevolg: de burgemeester begeeft zich dagelijks in de modder van onbenulligheden, inclusief lintjes knippen en thee met plakjes koek.

Lixenberg neemt de dubbelzinnigheid van deze situaties stevig op de korrel. Eén van de meest treffende foto’s is de bijeenkomst van een afsluiting van de inburgeringscursus waarbij de burgemeester in kwestie aan het hoofd van de kantinetafel zwijgend zijn slagroomgebakje naar binnen schuift. Pijnlijk en geestig tegelijk: de beste man heeft natuurlijk wel betere dingen te doen, maar de burgemeester neemt ook zijn meest wereldlijke taken uiterst serieus. Een sterk verantwoordelijkheidsgevoel is de hedendaagse burgemeester dus niet vreemd. 

Wat betreft de portretten heeft Lixenberg geprobeerd om deze gewetensvolle houding eer aan te doen. De burgervaders en -moeders zijn nogal dicht op de huid gefotografeerd, maar Lixenbergs blik is vrijwel nooit onsympathiek, al neemt ze soms de ijdelheid op de hak. Bijvoorbeeld bij de burgemeester van Leerdam die als gevolg van zijn glanzende teint meer tijd onder de zonnebank lijkt door te brengen dan in zijn kantoor. 

Lixenberg gaat graag te werk als een taxidermist, als iemand die dieren opzet en ze met huid en haar vereeuwigt. Haar figuren lijken soms bruut gevangen in een moment van onoplettendheid; geschoten wild. Om de prooien heen schept Lixenberg nauwkeurig de compositie van de omgeving. Alles valt op zijn plek en elk detail wordt uitgelicht,  tot de kleinste rimpel. Het is een confronterende stijl die deze manier van werken oplevert, maar als beeldtaal lijkt ze goed te passen bij de idealen van directheid en transparantie van de Nederlandse bestuurder: het politieke dier heeft immers niks te verbergen.

Wat dat betreft is het aardig dat naast Lixenberg ook een expositie van het werk van Bartholomeus van der Helst (1613-1670) wordt getoond. Van der Helst was een portretschilder van de Amsterdamse elite in de Gouden Eeuw en heeft in die hoedanigheid ook enkele burgervaders vastgelegd. Zoals je mag verwachten zijn deze statig afgebeeld, als krachtige volksmenners staren ze ons aan, tronend vanuit een donkere achtergrond. Vanuit huidig perspectief vormen ze de rechtgeäarde vertegenwoordigers van de VOC-mentaliteit, gevlucht uit de dromen van Balkenende. Ze zijn in hun voorkomen én in de waarden die ze vertegenwoordigen bijna tegenovergesteld aan de verschijningen van Lixenberg.

Foto’s en schilderijen zijn altijd moeilijk te vergelijken, maar wat betreft de evolutie van de burgemeester ontstaat onder één dak toch een interessante confrontatie. Wie op zoek gaat naar een pendant van de gestrenge regenten uit de Gouden Eeuw tussen de foto’s van Lixenberg, ontmoet slechts de barse blik van burgemeester en socialist Meindert Schollema uit Oude Pekela, Oost-Groningen. Doe hem denkbeeldig een molensteenkraag om en u begrijpt dat de blik van toen nog voortleeft in het hoge, brakke land.

Dana Lixenberg, BURGEMEESTER RYAN PALMEN TIJDENS NATURALISATIE INWONER HILVARENBEEK (2011)

Museum Het Domein presenteert en verzamelt werk van kunstenaars die als antropologen kijken naar de huidige sociaal-maatschappelijke en politieke context, die bruggen bouwen tussen verschillende culturen of die anderszins een sterk onderzoekende houding en engagement aan de dag leggen. Het presentatie- en verzamelbeleid van Het Domein sluiten sterk op elkaar aan: uit vrijwel iedere tentoonstelling wordt werk aangekocht voor de collectie. De aanwinstententoonstelling omvat werk van onder anderen Roger Ballen, Fernando Bryce, Jota Castro, Mel Chin, Mark Dion, Remy Jungerman, Arthur Kleinjan, Shirin Neshat, Lara Schnitger, Javier Téllez, Sarah Vanagt, Roy Villevoye en Bárbara Wagner. De aanwinsten van Mark Dion en Javier Téllez zijn op te vatten als een vooruitblik: Het Domein heeft tentoonstellingen van hun werk gepland in de komende jaren. (AvH)

Een reflecterend spel

Dorothé Orczyk
Annie Wu, THE SELF-AWARE ALPHABET (2011)

Om het einde van het jaar te vieren werd Annie Wu (1984) door Rongwrong uitgenodigd om in hun tentoonstellingsruimte werk te exposeren. Het kleine Amsterdamse initiatief voor kunst en theorie is gevestigd in het voormalige atelier van de overleden kunstenaar Raoul Dohmen, nabij de Nieuwmarkt.
Omdat de ruimte tijdens de kerstvakantie zou sluiten, koos Wu voor een kleine interventie die ook buiten openingstijden zichtbaar zou zijn. Ze plaatste haar werk op de ramen van het pand, waardoor niet alleen bezoekers, maar ook toevallige passanten het kunnen bekijken.

Voor The Self-Aware Alphabet, het werk dat ze voor deze gelegenheid maakte, gebruikte Wu het thema van viering, dat zij associeert met spelletjes. Ze plaatste twee transparante woordzoekers van ongeveer 150×100 cm op de ramen van de tentoonstellingsruimte. Met de deur in het midden en de ramen aan weerszijden van de ingang lijkt het geheel enigszins op een opengeslagen puzzelboek. De metafoor van een puzzelboek is bewust gekozen. Doordat Wu’s interventie bestaat uit twee woordzoekers komt de nadruk te liggen op het spel en wordt het decoratieve element van het werk ondergeschikt gemaakt.

Met de titel, The Self-Aware Alphabet, verwijst de kunstenaar naar de functie van spiegels en reflecties en het tonen van het eigen spiegelbeeld. Dit komt voort uit de vraag wat het resultaat zou zijn wanneer een letter gespiegeld wordt. Op basis van dit gegeven zijn voor beide puzzels alleen maar symmetrische letters gebruikt. Door de symmetrie van de letters op de ramen kan het werk vanuit verschillende perspectieven bekeken en gelezen worden. De interventie heeft dus geen voor- en/of achterkant.

Waar het bij reguliere woordzoekers draait om het vinden van de juiste woorden, is dat voor The Self-Aware Alphabet niet relevant. De letters zijn willekeurig geplaatst en de gevonden woorden hebben geen betekenis. Zoals Wu het zelf verwoordt: ‘the text is performing itself’. Wu’s interesse in spellen is momenteel specifiek gericht op woord- en cijferspelletjes. Aanvullend op de woordzoekers had ze bij Rongwrong initieel ook een zelfontworpen dobbelspel willen tonen. Dit plan ging niet door omdat het onderdeel uitmaakte van een te creëren spellentheater. Wegens gebrek aan tijd en het ontbreken van subsidie werd het afgeblazen.

Het dobbelspel, getiteld Chance/Chance (Chance divided by Chance), bestaat uit een plastic kubus gevuld met zes rode dobbelstenen. Op elke zijde van deze dobbelstenen staat een letter. De letters zijn gekozen uit de woorden one, two, three, four, five, six. Om een cijfer te kunnen gooien moet de worp alle letters van dit cijfer bevatten, bijvoorbeeld O N E voor 1.

Teksten, maar ook tekstuele performativiteit spelen een belangrijke rol in Wu’s werk en komen samen in haar kunst en grafische ontwerpen. Opvallend is dat al haar werk vasthoudt aan een bepaalde esthetiek, vaak in de vorm van schema’s en diagrammen. Een voorbeeld van een werk met beide eigenschappen is Abstract Algorithm – Mediations on how to generate a Probable Result within a Problematic Obstacle by throwing 2 Dice. Hiervoor stelde Wu zes regels op voor het dobbelen met dobbelstenen. Een van de regels is ‘A throw of the dice will never abolish chance’. In een raster van zes bij zes vakken heeft ze de uitkomsten in cijfers gestempeld. Het resultaat van dit proces werd door Wu vastgelegd in een schematisch overzicht.

Haar interesse in het spelelement komt voort uit haar zoektocht naar de verschillende aspecten van logica, systemen en functionaliteit. Wu ziet graag dat haar werk een doel dient. Voor haar is het belangrijk dat haar werk een secundaire functie heeft naast het puur esthetische element. Kunst als decoratie staat haar niet aan, met als gevolg dat voor haar de gebruikswaarde steeds een rol speelt. In dit opzicht zijn spelletjes een perfect onderzoeksgebied, aangezien ze elementen van interactie, strategie en oplossingen bevatten.

In The Self-Aware Alphabet komen al deze factoren samen. Hoewel het werk strak is vormgegeven, heeft het geen puur decoratief karakter door zijn gebruikswaarde in de vorm van een spel. In die zin blijft Wu trouw aan haar eigen spelregels, maar een Kans-kaart zou een leuke verrassing zijn.