De stad als speelplaats

Stefan de Graaf
Klimkoepel (oorspronkelijk ontwerp: Aldo van Eyck) voor het Van Eesterenmuseum

Wie heeft vroeger niet ondersteboven gehangen aan een klimkoepel of rondjes getuimeld aan het duikelrek? Dat deze alledaagse vanzelfsprekendheid staat voor een bijzondere periode uit de Amsterdamse stedelijke ontwikkeling, getuigt de tentoonstelling in het Van Eesterenmuseum.

Het Van Eesterenmuseum is geen doorsnee museum. Het heeft een binnen én een buiten. Gesitueerd in Amsterdam Nieuw-West, in een voormalig schoolgebouw aan de Burgemeester De Vlugtlaan, biedt het gebouw een venster op de nabijgelegen omgeving, haar architectuur en stedelijke inrichting. Het binnen biedt geen veelbelovend uitzicht of een panoramisch perspectief, maar geeft een impressie van het plan en de persoon achter de naoorlogse stadsuitbreidingen van Amsterdam. De vaste tentoonstelling in het museum is een hommage aan visionair stedenbouwkundige Cornelis van Eesteren (1897 – 1988). Buiten is het échte museum. Wie dat ook zo wil ervaren kan onder leiding van een gids deelnemen aan de wekelijkse wandelingen door de buurt.

Ik besluit nog even binnen te blijven, omdat ik nieuwsgierig ben naar de tijdelijke tentoonstelling De Speelse Stad. Deze presentatie gaat over de ruim 700 speelplaatsen die Aldo van Eyck (1918 – 1999) ontwierp voor Amsterdam. Voor de ingang staan enkele speelobjecten, zoals klimkoepel, duikelrek en klimtrechter. Van Eyck geloofde in het ‘tussen’. Tegenstellingen als binnen en buiten bestonden voor hem niet. Zo moest bijvoorbeeld de openbare ruimte net zo goed een thuis bieden als een huis dat doet. Dat laatste heeft hij in de praktijk kunnen brengen bij het ontwerpen van plaatsen in de stad waar kinderen zich thuis voelen en waar naar hartelust gespeeld kan worden.

Wat begon als een experiment – Van Eyck werd in 1947 gevraagd een speelplaats te ontwerpen voor een Amsterdams plein – werd een succesnummer. Door de enorme vraag bestond Amsterdam binnen afzienbare tijd uit een netwerk aan plaatsen waar de ware aard van de homo ludens zich kon uiten; hij noemde zijn speelplaatsen ‘werktuigen voor de verbeelding’. Maar vooral ook moest het plan de op straat spelende kinderen, in het nauw gedreven door de auto, in veiligheid brengen. Overigens heeft dit uitgangspunt van veiligheid zich uiteindelijk – door verscherpte veiligheidseisen van toestellen en speelplaatsen – weer tegen de speelplaats gekeerd. Maar ook verpaupering en herbestemmingen leidden tot een (voorlopige) terugval.   

De tentoonstelling is informatief, voorziet in historisch feitenmateriaal en is daardoor ook afstandelijk. Met veel wandteksten vergezeld van archiefbeelden, een rijk gedocumenteerde informatiemap, een maquette van de speelplaats aan de Zeedijk, enkele krantenartikelen en documentaires wil de tentoonstelling met name informeren over de ontwerper, het ontstaan, vergaan en herstel van de speelparadijzen.

Maar, zo kun je je afvragen, wat was de waarde van deze speelplaatsen voor de sociale cohesie binnen de stad? Zijn deze speelplaatsen een concrete uiting van de hernieuwde aandacht voor de creativiteit van het kind, die door tijdgenoten van Van Eyck (zoals Constant), stromingen (onder andere Cobra en Dada), psychologen (Sigmund Freud, Jean Piaget) en cultuurwetenschappers (Johan Huizinga) aandacht kreeg? Kreeg hiermee de rol van het spelen, de creativiteit en ontdekkingsdrang van het kind een volwaardige en centrale plek binnen de volwassen leefwereld? Zijn de speelplaatsen de vroege voorlopers van de ‘creatieve stad’? Hoe heeft Van Eyck zijn visie op architectuur kunnen realiseren aan de hand van eenvoudige en ordinaire speelplaatsen?

Op deze vragen geeft de tentoonstelling geen antwoord. Ik besluit het binnen te verruilen voor het buiten. Aansluitend op deze tentoonstelling is namelijk een route uitgestippeld langs speelplekken in Amsterdam Nieuw-West. De fietstocht leidt langs oorspronkelijke, verdwenen en aangepaste speelplaatsen van Van Eyck. Bij het afleggen van de route stel ik mezelf de vraag wat hij bedoeld kan hebben met zijn uitspraak dat speelplaatsen ‘werktuigen voor de verbeelding’ zijn.

Vanaf het fietspad dat het Gerbrandypark doorkruist worden kleurrijke beelden zichtbaar. Dichterbij gekomen zie ik dat een sprookjesachtige poort toegang geeft tot een binnenruimte omgeven door fantasierijke beelden, met in het midden een pierenbad. Het bad is een oorspronkelijk ontwerp van Van Eyck. De beelden daaromheen zijn van de Koerdische kunstenaar Hoshyer Rasheed (1971): een bank die uitnodigt om op te zitten (omdat er al mensfiguren hebben plaatsgenomen), een uitsteeksel aan een glanzend en spierwit figuur, dat meteen dienst doet als stoel. Deze speelplaats heet De Kleine Kameleon. Ik kan me voorstellen dat deze plek bij mooi weer vergeven is van spelende kinderen en lezende moeders. Nu is het leeg en straalt het een serene rust uit.

Voor Van Eyck moesten de middelen – om de verbeelding van het kind aan te spreken – eenvoudig zijn in vorm, dit hield het spel zuiver en eigen. Rasheed is met zijn ‘aanpassing’ een stap verder gegaan. Hij heeft de buurt betrokken bij de totstandkoming van de speelplaats en heeft kinderen laten participeren in dit werk. Het spel ging vooraf aan het ontstaan van de plek. Daardoor spreekt het ook tot de verbeelding als er niet wordt gespeeld. Wie de entree betreedt loopt allereerst voorovergebogen over een mozaïek van kindertekeningen, om met een diepe buiging door de toegangspoort het domein van het kind te betreden. De verbeelding van het kind heeft een vaste vorm gekregen binnen dit werk.

Aan de Sloterplas is een speelplaats in ontwikkeling, geen gewoon speelterrein met klimrekken en wipkippen, maar een natuurspeeltuin. De term ‘speelnatuur’ heeft opgang gemaakt om aan te duiden dat de natuur tot de verbeelding spreekt: ze nodigt uit tot het spelenderwijs doen van ontdekkingen. Als spelelement zet het aan tot beweging, maar het dient ook een educatief doel: wil je zien hoe (water)planten kunnen bijdragen aan een beter (water)milieu? Maar de gemiddelde natuurspeeltuin biedt nog meer, het moet namelijk ook een ervaringsplek zijn met veel groen en begroeiing, je moet je namelijk ook een beetje een Tarzan in de jungle wanen. De ‘werktuigen van de verbeelding’ van Van Eyck hebben hier plaats gemaakt voor ‘het decor voor het avontuur’. Maar ook op deze plek zullen kinderen zich thuis voelen.

Hoshyer Rasheed, Aldo van Eyck, DE KLEINE KAMELEON, 2010
Hoshyer Rasheed, DE KLEINE KAMELEON (detail, toegangspoort), 2010

Ego #13

Basje Boer
en Willem, recto

‘Ik ben geen fotograaf, ik ben een beeldend kunstenaar die gebruikmaakt van het medium fotografie.’

Het klinkt heel aanstellerig maar het is natuurlijk wel waar. Enerzijds heb je de portretfotograaf, de fotograaf die graag ‘schildert met zijn camera’, de observator, de voyeur. Anderzijds heb je de conceptualist die hét penseel van de 21e eeuw hanteert: fotografie. Vaak zegt deze ook iets óver fotografie, of óver de manier waarop we kijken. De kunstenaar die geen foto’s maakt maar het medium fotografie inzet, is niet alleen conceptueel bezig maar ook postmodern.

Op Willem Popeliers website staat het letterlijk: ‘Willem Popelier is a visual artist who uses photography.’

In 2010 reisde Popelier zonder camera naar Florida maar kwam terug met een fotoalbum vol ongebruikelijke vakantiekiekjes: veel beelden van beveiligingscamera’s, portretten geschoten door de professionele fotografen van Disneyland en snapshots van wildvreemden waarop Popelier in een hoekje opduikt.

Elke foto is een zoekplaatje: Vind de kunstenaar. En daar staat hij weer, die bruinharige jongen met zijn rugtas om. Alleen, te midden van zoveel camera’s.

Echt bekend werd Popelier met zijn boek en Willem. Documentatie van een jeugd, dat genomineerd werd voor de Dutch Doc Award 2011. In het boek legt Popelier zijn jeugd – en daarmee ook die van zijn tweelingbroer – vast, aan de hand van zakelijke portretten van alle betrokkenen, stambomen, voorwerpen, brieven en jeugdfoto’s.

Popeliers broer deed uiteindelijk afstand van het project. Zijn gezicht werd onherkenbaar gemaakt door een roze vlak, zijn naam door een zwarte variant. Er blijft een lege plek over voor de naam van de kunstenaar: en Willem.

Op de voorkant van het boek staat het hoofd van Popeliers broer, waarvan alleen nog het stekeltjeshaar, de kin en de oren te zien zijn. Op de achterkant kijkt de inmiddels vertrouwde kop van de kunstenaar je aan. Automatisch vouw je het boek open, zodat de hoofden een duoportret vormen. Je probeert je een voorstelling te maken van de man die verborgen gaat achter dat vleeskleurige vlak. Je projecteert er ogen op, een neus, lippen. Het gaat je daarbij niet om de gelijkenissen met de broer links maar juist om de verschillen.

Wat zou er – behalve het stekeltjeshaar – anders zijn aan die broer? Zijn blik, waarschijnlijk. En wat nog meer? Je kan je voorstellen dat het project zo begonnen is, met een man die zich afvroeg: Wat maakt mij anders dan mijn tweelingbroer? Een vraag die als vanzelf volgt op: Wie ben ik?

Popelier is geen fotograaf, hij gebruikt het medium fotografie. Hij maakt geen zelfportretten, hij gebruikt zichzelf als model. En zegt op die manier iets over identiteit. In het geval van en Willem blijkt er meer aan de hand te zijn.

Vanaf vierjarige leeftijd groeiden Popelier en zijn broer in verschillende gezinnen op: een dramatische scheiding waarvan de oorzaak andermaal achter kleurvlakken verscholen gaat. Misschien ging Popelier wel helemaal niet op zoek naar dat wat hem van zijn broer onderscheidt. Misschien ging hij juist op zoek naar de overeenkomsten die hun band bevestigen.

en Willem, documentatie van een jeugd

Willem Popelier

Idea Books, Amsterdam

ISBN: 9789460830112

en Willem, verso

Een groep blinden krijgt toestemming om beelden van dictator Franco te bevoelen, en zo de dictator als het ware voor het eerst te zien. Sommige blinden die op latere leeftijd het zicht verloren, herinnerden zich de beelden uit het verleden. De Spaanse kunstenaar Fernando Sanchez Castillo (1970) bedacht dit concept, dat te zien is in zijn video Tactica. Naast deze video zijn er in zijn eerste galerie-solo in Nederland nog een video en werk in diverse andere media te zien. Zijn vaderland en de verbeelding hiervan in kunst speelt daarbij altijd een rol. (MvD)

Het werk van Shaun Gladwell (1972) was in 2009 de Australische inzending voor de Biënnale van Venetië. Daar toonde hij ondermeer de video Apologies 1 – 6, waarin een anonieme motorrijder telkens halt houdt bij doodgereden kangoeroes aan de rand van de snelweg in de woestijn van centraal Australië. De motorrijder stopt bij de dode dieren en voert steeds hetzelfde ritueel uit: hij verwijdert het puin en de insecten van het karkas, waarna hij het lichaam optilt en het over de weg het beeld uitdraagt. Deze treffende mengeling van ernst en absurdisme tref je ook aan in de andere vijftien videowerken die nu bij Schunck* in Heerlen worden getoond. Het levert een energieke, kwajongensachtige tentoonstelling op, die tegelijkertijd een gedegen overzicht geeft van wat Gladwell de laatste tien jaar heeft geproduceerd. (AM)

Wereldbeelden in duikvlucht

Véronique Hoedemakers

De Occupy Wall Street-demonstraties hebben ook Utrecht bereikt. ‘Occupy Utrecht’ staat op een bord bij een paar tentjes bij het stadhuis. Een platte, ongebreidelde vorm van kapitalisme en privatisering sleept ons sinds 2008 van crisis naar crisis. Als ‘rijke westerlingen’ moeten we nog wennen aan de gevolgen – armoede en werkloosheid – op ons eigen continent.

Een paar straten van Occupy Utrecht verwijderd onderzoekt BAK binnen hun meerjarige programma Former West de veranderde positie van het Westen in de wereld. Met de val van het communisme in 1989 als uitgangspunt onderzoekt Former West de rotsvaste posities van waaruit wij de wereld decennialang bekeken, maar die sinds dat jaartal op drift zijn geraakt. Denk aan de drie-eenheid Westen, Oosten en Derde Wereld, maar ook aan het neoliberalisme en het neokolonialisme. Via artistieke uitgangspunten van kunstenaars probeert Former West de oude percepties te herpositioneren om tot een ‘farewell to the bloc mentality’ te komen, waarbij de wereld niet meer beschouwd wordt vanuit vaste coalities.

Binnen dat kader is de tentoonstelling Spacecraft Icarus 13 te zien. De tentoonstelling presenteert volgens het persbericht artistieke posities van kunstenaars die ‘reflecteren op alternatieve toekomstige visies en op politieke en culturele modellen die zijn ontstaan in reactie op de nieuwe situatie van na de Koude Oorlog’. Curator Cosmin Costinas koos daarbij voor posities afkomstig uit culturele en politieke contexten die ‘elders’ zijn ontstaan, ‘buiten de versimpelde ideologische strijd tussen het zogenaamde Westen en Oosten’. Ook richt de tentoonstelling zich op ‘de mutaties en herhalingen van vooruitgang zoals die zich de afgelopen twintig jaar in de nieuwe machtsgeografie hebben voorgedaan.’

Concreter dan dit wordt het jammer genoeg niet. Nergens worden heldere voorbeelden gegeven van de genoemde modellen, artistieke posities of de mutaties en herhalingen van vooruitgang. Daar komt bij dat het begeleidend schrijven vergaande kennis suggereert van internationale economische en politieke ontwikkelingen. Bij een documentaire foto van Omar Meneses (1964) waarop huispersoneel in een luxe villa te zien is, staat dat het beeld duidelijk verwijst naar de massale opstanden in Mexico tegen de ratificatie van de Noord-Amerikaanse Vrijhandelsovereenkomst. Die informatie is niet aan de foto zelf af te lezen. Het denkkader dat je bij aanvang van de tentoonstelling wordt geboden blijft bovendien even ondoorgrondelijk als het onderzoeksthema. Fragmenten van een viertal films bevatten volgens het begeleidend schrijven ‘bepaalde ideeën en taal die door het einde van de Koude Oorlog min of meer in onbruik zijn geraakt’. Ze zouden illustreren dat in de Koude Oorlog specifiek gebruik werd gemaakt van film om ideeën over vooruitgang na de dekolonisatie te communiceren. Om welke ideeën en taal het gaat en met betrekking tot welk fragment blijft onduidelijk.

En toch maakt de tentoonstelling bij eerste indruk nieuwsgierig. Dat ligt aan de hoge kwaliteit van de werken van bovendien internationaal gerenommeerde kunstenaars. De internationale oriëntatie van BAK en hun constante keuze voor zeer goede kunstenaars is voor Utrecht en voor Nederland een verademing. Spacecraft Icarus 13 bestaat uit een weloverwogen mix van documentaire, film, fotografie, schilderkunst, installatie en sculptuur. De titel verwijst naar het werk Icarus 13 van de Angolese kunstenaar Kiluanji Kia Henda (1979). Met een fotoserie suggereert hij de eerste geslaagde ruimtereis naar de zon, een Angolese missie nota bene. Ironie, fictie, maar ook de fotoserie zelf – met bestaande wonderlijke bouwwerken in Angola van de Sovjets uit de tijd van de Koude Oorlog – maken het tot een prachtwerk. In het voorwoord van de tentoonstellingsbrochure schrijft Maria Hlavajova dat de werken in de tentoonstelling gaan over de noodzaak van het denken buiten de kaders van de huidige neoliberale stroming van vooruitgang om zodoende ‘verval en verwarring’ te zaaien. Waarom er verval en verwarring moet worden gezaaid is een raadsel, het neoliberale systeem doet dat op dit moment zelf al. Maar met het denken buiten de kaders van datzelfde systeem schept Hlavajova wel een helder kader voor de tentoonstelling. De gedroomde ruimtereis is daar een prachtig voorbeeld van.

Toch blijft het abstractieniveau van de tentoonstelling hoog en de werken binnen het concept moeilijk te duiden. Van de Chinese Lin Yilin (1964) is een instabiele muurconstructie te zien. Tussen de stenen stak ze geldbiljetten. Dit werk confronteert je met je eigen functioneren binnen het financiële systeem, maar de instabiele constructie maakt dat je je hebberigheid bedwingt. De muur kan van alles symboliseren, maar wat wordt niet duidelijk.

De werken die zich enkel verhouden tot de kunstgeschiedenis zijn nog moeilijker uit te leggen binnen het tentoonstellingsconcept. Zoals de muurschildering van Federico Herrero (1978) die in zijn werk laveert tussen abstractie en figuratie. Van Cristina Lucas (1973) is een video te zien waarin zij een re-enactment opvoert van een legende die afkomstig is uit het atelier van Michelangelo en die gaat over het raadsel van de (artistieke) schepping. Tijdens het creëren van zijn beroemde Mozesbeeld zou Michelangelo het beeld met een hamer op de knie hebben geslagen en gevraagd hebben waarom het niet tegen hem sprak. Lucas zien we een replica van het beeld met een hamer toetakelen. Moegestreden lijkt zij zich bij het zwijgen neer te leggen. In het werk van Lucas is niet alleen de legende uitgelopen tot een waar gevecht, er wordt volgens de curator ook een emancipatiestrijd gevoerd met de dominante, mannelijke, Europese kunstcanon. Als bezoeker krijg je het gevoel dat dit werk wat geforceerd binnen het wollige thema van de tentoonstelling is gesleept. Het lijkt immers vooral in te gaan op de mystiek van de scheppingskracht.

Wat deze tentoonstelling leert is dat ideologieën niet eenduidig zijn, dat de wereld niet meer te verdelen is in links of rechts, rijk of arm. En dat je uit onverwachte hoek verrast kunt worden door ambities en wereldbeelden die je zelf ook nastreeft. Zoals de kunstenaars van Spacecraft Icarus 13 de wereld voorbij haar vaste kaders bekijken, proberen ook de bezetters van Wall Street en Utrecht voorbij een vastgeroest financieel systeem te komen.

Foto's: Liselotte Habets

Face Value focust op de waarde van het onafhankelijke experiment en/of onderzoek in het creatieve ontwerpproces. Vier gevestigde ontwerpers zien in deze tentoonstelling af van hun commerciële bestsellers, winnende huisstijlontwerpen of pakkende logo’s, en tonen juist het werk waarin wordt gezocht, geaarzeld en gefaald. Welke waarde hebben autonomie, authenticiteit en oorspronkelijkheid voor de praktijk van productontwerper Bertjan Pot, grafisch ontwerpers 75B, designer Sophie Krier en modeontwerper Marga Weimans?

Face Value richt zich op de herevaluatie van het autonomievraagstuk voor het ontwerpproces. Welke rol speelt onafhankelijk onderzoek, zonder zicht op mogelijke toepassingen, zonder belang, zonder opdrachtgever, in de ontwikkeling van het werk van de ontwerper? In de tentoonstelling presenteren vier prominente Rotterdamse ontwerpers hun autonome onderzoek als structureel onderdeel van hun praktijk. (AvH)

Fotografie: Leo van Velzen

Domeniek Ruyters beschreef dans in een kort artikel op de website van Metropolis M ‘Drama Queen, Robert Morris in Museum Abteiberg’ als ‘een met betekenis overladen beweging die tegelijkertijd niet veel meer wil betekenen dan zichzelf.’  Niet meer betekenen dan zichzelf, vraag ik mij dan af, kan dans niet meer zijn dan dat? Op zondag 13 november vond in de Rotterdamse Schouwburg de première plaats van de nieuwste voorstelling van het gezelschap Conny Janssen Danst. Ter ere van het 20-jarig jubileum van danseres, choreografisch brein en naamgeefster Conny Janssen werd onder de naam Life-Live! een compilatie gemaakt van twee eerdere voorstellingen: Nr. One (2002) en Common Ground (2010).

Regelmatig worden de grenzen tussen verschillende artistieke disciplines door kunstenaars en curatoren subtiel, dan wel hardhandig afgetast. Zo beschreef ik eerder het concept van de tentoonstelling To All Tomorrows Parties in het Rotterdamse TENT, waarbij naast performancekunstenaars ook choreografen uitgenodigd waren om een werk te maken. De vraag of het hier om een volwaardig kunstwerk ging werd niet opgeworpen; een verrassende gelijkstelling van disciplines die niet altijd even snel met elkaar in verband worden gebracht. Maar niet alleen in musea en expositieruimtes worden de vruchten van kruisbestuiving geplukt, ook Conny Janssen zoekt met haar voorstellingen naar raakvlakken met de beeldende kunst en architectuur.

Kunstenaar Robert Morris plaatste in 1961 een hoekige pijler op het toneel die, voordat het object omviel, eerst een aantal minuten als sturende ‘stageprop’ dienst deed bij de dansvoorstelling: het begin van de abstract geometrische sculpturen waarmee hij later furore zou maken. Hoewel Morris vanwege zijn achtergrond als professioneel danser en echtgenoot van choreografe Simone Forti al een relatie met de danswereld had, tekent zijn interventie voor de sterke verweving van dans en moderne kunst in de jaren ’60. Morris stond een lichamelijke relatie ten opzichte van de beeldende kunst voor. Kijken doe je niet alleen met je ogen, maar ook met je lichaam dat automatisch gestuurd wordt door de absolute vormen van de kunst. 

Nooit eerder ervoer ik zo sterk de dynamiek van abstracte kunst als zittend in de pluche stoelen van de schouwburg. Daar waar Ruyters geen betekenis zegt te vinden buiten deze lichamelijke expressievorm, voel ik stedelijke allure en intermenselijke emoties. De decorstukken zijn daarnaast minstens even imposant en sturend als de Columns van Morris dat ooit waren. Zes met spiegelfolie bedekte schansen flankeren de acht dansers van Nr. One. Soms doen die schansen dienst als glijbaan, maar bovenal zijn het coulissen die de bühne automatisch het einde van de zichtlijn maken. Je ogen glijden keer op keer met een lekker vaartje van de glijbaan, om uit te komen bij de dansers in het midden. Duetten en trio’s worden afgewisseld met opzwepende groepsdelen waarin zowel de eigenheid van de individuele dansers behouden blijft, als ook een samenvloeiing van lichamen tot stand komt. De dansers lijken wel een perpetuum mobile wanneer vier handen een ander lijf voortstuwen, of wanneer iemand zwevend rent, waardoor de werkelijkheid vertraagd lijkt. 

Tijdens de pauze verandert het podium in een landschap van plastic stoeltjes, waarover de live bespeelde elektrische gitaar haar klanken uitstrooit. Her en der zitten dansers verdwaasd op zo’n plastic tuinstoel. Verder staat op het toneel een glazen plantenkas waarin de DJ draait. Common Ground werd in 2010 opgevoerd bij het oude station Hofplein in het centrum van Rotterdam. Zij die de legendarische uitvoering in de stromende regen bijwoonden, hebben deze nog ferm in het geheugen gegrift staan. In de schouwburg kan die kosmopolitische sfeer onmogelijk opnieuw opgeroepen worden, wat enigszins afbreuk doet aan het origineel. Maar hoewel ietwat getemd, is deze overzichtstentoonstelling van het oeuvre van Conny Janssen een serie uitverkochte zalen meer dan waard.

Fotografie: Leo van Velzen
Fotografie: Leo van Velzen
Fotografie: Leo van Velzen
Gert Jan Kocken, BECELAIRE 1917 (WASHINGTON 2005) en DEPICTIONS OF BERLIN 1939-1945

In het atelier van Gert Jan Kocken zie ik een aantal reeds bekende fotowerken. Hij toonde deze vorig jaar tijdens zijn solotentoonstelling in het Stedelijk Museum Schiedam. Mijn oog valt als eerste op een amateuristisch geaquarelleerd, lieflijk ruïnelandschap in een verguld lijstje. Dit onschuldige werkje bevindt zich nu in de zwaarbewaakte bewaring van het Pentagon. Het werd namelijk in de Eerste Wereldoorlog  geschilderd door Adolf Hitler.

De onbevredigende uitkomst van deze oorlog deed Hitler uiteindelijk besluiten de politiek in te gaan en Duitsland te ‘redden.’ Op het A4’tje naast de foto lees ik dat Hitler de roem van het machtige Romeinse rijk wilde evenaren. Er diende een betekenisvolle architectuur te worden gebouwd die, als ze zou vervallen, dezelfde status zou krijgen als de door hem geliefde ruïnes uit de oudheid.

Hofarchitect Albert Speer vormde Hitlers streven om tot de theorie van de ‘ruïnewaarde’ en ontwierp de toekomstige wereldstad Germania. Het is terug te vinden op Kockens indrukwekkende foto van een landkaart van Berlijn waarover een wirwar van gekleurde lijnen ligt. Kocken heeft foto’s van bijna vijftig kaarten van Berlijn met zowel aantekeningen van de Duitsers als van de geallieerden door middel van eindeloos herschalen, knippen en plakken bij elkaar gebracht in één fotowerk. Dat deed hij eerder ook met kaarten van Rotterdam en van Amsterdam, waarvan de laatste is aangekocht door het Stedelijk Museum Amsterdam.

Kocken vertelt dat Germania middenin het door de Amerikanen te bombarderen gebied ligt, waar toevalligerwijs ook de gevluchte joodse Albert Einstein woonde. Hoewel wordt vermeld welke kaarten zijn gebruikt, maakt dat het beeld niet minder complex. Het frustreert me dat er eigenlijk te veel informatie is om te bevatten, maar het maakt tegelijkertijd duidelijk dat er niet één uitleg of verhaal is. Kocken weet het beeld net zo gelaagd te maken als de onderliggende geschiedenis zelf.

Ook het nieuwe werk Draft (work in progress) is een complex beeld. Kocken probeert door middel van gevonden correspondentie de ontwikkeling en het werpen van de eerste atoombom op Hiroshima te bevatten. Het meterslange fotobeeld verandert mijn blik van kijker in die van lezer; brieven, speeches en de handgeschreven toelichtingen van Kocken rijgen zich aaneen.

Ik lees een brief van Einstein aan president Roosevelt, zie een persverklaring waar het woord Hiroshima later met de hand is ingevuld. Het gestempelde woord topsecret keert meerdere malen terug, telkens met een pennenstreek doorgehaald. Ik word mij bewust van de mensen achter deze documenten en vraag mij af in hoeverre zij de gevolgen van hun handelingen destijds konden of wilden overzien.

Piloot Paul Tibbets kon zijn handelen later nog steeds niet in perspectief plaatsen. Als een celebrity signeerde hij ansichtkaarten van de paddenstoelvormige explosie die hij zelf had veroorzaakt. Blijkbaar zag hij zichzelf en zagen anderen hem als de held die de Tweede Wereldoorlog beëindigde. Kockens foto van een dergelijke ansichtkaart combineert een enorme esthetische aantrekkingskracht met een achterliggende geschiedenis die minder mooi is dan het plaatje doet vermoeden. In deze schurende discrepantie ligt de kracht van zijn werk.

Met het tonen van de reeds bekende fotowerken zoals de aquarel en de Tibbets-ansicht, geeft Kocken zijn nieuwe werk context en de kijker een chronologisch te volgen verhaal. Daaruit blijkt zijn tentoonstellingservaring en de rol die hij het publiek toekent. Kocken maakt met zijn complexe en pakkende beelden duidelijk dat elke geschiedenis verschillende kanten heeft, mogelijk te veel om te bevatten. Zijn werken tonen niet alleen omslagpunten in de geschiedenis, zij vormen ook omslagpunten in je begrip van het beeld. Je kijkt, je leest en de twee informatiesoorten vallen samen in een nieuw begrip dat in het geheugen beklijft.

Gert Jan Kocken, BATTLE OF BERLIN 1945
Gert Jan Kocken, BATTLE OF BERLIN 1939-1945 en DRAFT (WORK IN PROGRESS) (2011)
Gert Jan Kocken, I AGREE
Gert Jan Kocken, REENACTMENT OF THE HIROSHIMA BOMBING

RijksakademieOPEN 2011: Min Oh

Merel van Tilburg
Min Oh, DAUGHTER (2011) (Foto: Willem Vermaase)

‘Min Oh is een verhalenverteller’, staat te lezen op het bordje naast het atelier van de Zuid-Koreaanse kunstenares. De video Daughter die in het atelier wordt getoond is een loop van een paar minuten. Afhankelijk van wanneer je de film binnenvalt, zie je een klein blond meisje van een jaar of zes de volgende handelingen verrichten.

In een spaarzaam ingerichte kinderkamer trekt het meisje een blauwe mok onder het bed vandaan. Ze neemt de mok op schoot – we zien haar op de houten vloer uitgestrekte benen van bovenaf – en haalt er een eindeloze slinger witte papieren vouwsels uit, die nog het meest lijken op kleine koksmutsen. Het meisje tooit zich met de papieren slinger, die zich in een volgend shot heeft omgetoverd tot een klokvormig jurkje. Bij elke beweging hoor je het ritselen van papier.

Het meisje springt op en neer op de houten vloer, waarop papieren stroken zijn gespannen die een elastiekspel vormen. Op het ritmische gebonk van de sprongen reageren zowel deze ‘elastieken’, als het witte vaatwerk in een bruinhouten kastje verderop.

De witte kopjes en kannen, zo zien we in een ander shot, beginnen zelfstandig halve slagen te draaien in hetzelfde ritme. Het spel breekt af wanneer het meisje opschrikt van een geluid buiten de kamer. Haar blik suggereert dat er een volwassene in de buurt is, die de kinderlijke spelwereld verstoort.

Dan zet het meisje zich aan een tafel, inmiddels gekleed in een Alice in Wonderland-achtig witkatoenen jurkje. Het kleurschema op de tafel is even sober als dat van de kinderkamer:  op een wit tafelkleed staat een glas met blauwe potloden, ligt een bovenmatig groot opgerold geel meetlint en steken spelden uit een geelgehaakt lapje – referenties aan handwerk, traditioneel gereserveerd voor vrouwen. Het meisje knipt stroken in witte vellen papier, maar doet dat onhandig. Ze heeft de perfect geknipte papieren slinger dus niet zelf gemaakt: misschien bestond de slinger zelfs enkel in haar fantasie. 

Hier begint duidelijk te worden wat voor soort verhalenverteller Min Oh is. Het geluid van de video volgt duidelijk een cyclisch ritme van crescendo en decrescendo. Tijdens het elastiekspel worden het gebonk van voetjes en gekletter van servies steeds harder, om dan weer af te bouwen. In de stille momenten vallen de geluiden van de voorwerpen des te meer op: het geknisper van papier, het geknip van de schaar, het staccato gekletter van servies. Op geen enkel moment echter horen we het lichaam van het meisje. Geen zuchtje, geen geknipper van oogleden.

Het gaat Min Oh dus duidelijk om de interactie met de dingen. Die dingen nemen op dit moment in de video ook de overhand. Wanneer het meisje opstaat van tafel en op haar tenen naar het servieskastje loopt, beweegt een kan op een bijzettafel zijn schenktuit als een snavel met haar mee. Amélie Poulain is niet ver weg.

In een nieuw crescendo lijkt het servies in de kast inmiddels bezig aan een wilde dans, en het meisje stapelt boeken op de grond om het kastje open te kunnen maken. Inderdaad beweegt het serviesgoed luid ratelend en rinkelend in de rondte. Een ‘laatste’ shot omkadert het uitdrukkingsloze kindergezicht met op de achtergrond, onscherp, in de kast ronddraaiend serviesgoed. 

Min Ohs verhaalstijl is elliptisch en suggestief. Door het gebruik van close-ups en afsnijdingen wordt veel aan de verbeelding van de beschouwer overgelaten, die zelf moet invullen wat er zich buiten het kader afspeelt. Eenzelfde effect wordt bereikt door de elliptische montage, waarbij gebeurtenissen die zich afspelen tussen de shots niet worden ‘verteld.’

Wat de uiteindelijke inhoud is van dit verhaal, blijft al even suggestief. Het uitgangspunt van de video was het thema ‘rituelen.’ Inderdaad spoort dit korte verhaal over de fantasiewereld van het kind aan tot nadenken over de menselijke aandrang om het leven ritmisch te ordenen, en greep te krijgen op de vermaledijde dingen door middel van rituelen. Maar helemaal zeker weet je natuurlijk nooit of de kopjes zich niet omdraaien zodra je de kast dichtdoet. 

Min Oh, DAUGHTER (2011) (Foto: Willem Vermaase)
Roderick Hietbrink, THE LIVING ROOM (2011)

Een typische doorzonwoning op een rustige zomerse dag. Het weer maakt de naam van de woning waar. In de doorzonwoning een tot in de details uitgewerkt interieur vol huislijke objecten. Niets springt er echt uit, maar tegelijkertijd lijkt niets zomaar aanwezig te zijn. Stilletjes focust de camera in op delen van het interieur en je aandacht wordt gevestigd op iets heel alledaags, daarna op iets anders alledaags. De zon schijnt, er klinkt een piepend geluid. Dan komt er traag een boom het huis in. Horizontaal, wortels eerst. Zie hier het begin van het videowerk The Living Room (2011).

Roderick Hietbrink (1975) presenteert verschillende werken tijdens de open ateliers van de Rijksakademie. Zijn onderwerpen en technieken lopen uiteen, maar de vervreemding komt in al het werk terug. Zo toont het videowerk My father’s nature (2011) een verzamelaar van opgezette dieren, die hen zo dood als een pier ergens in een bos uitzet.

Elders is een ruimte gevuld met verwijzingen naar harlekijnen. De tekst bij het werk spreekt over een droom waarin een jongen naar huis fietst en ontdekt dat er iets niet klopt: iedereen heeft huis en haard verlaten en in het huis wonen nu vijf harlekijnen. Een projectie toont een harlekijn die steeds de trap op loopt maar de bovenste trede nooit haalt, omdat hij voor hij boven is weer springt naar de onderste trede. In een hoek leunt een levensgrote blauwe ruit uit het harlekijnenpak tegen de muur.

Het zijn vervreemdende werken waar je zonder veel weerstand deel van uit gaat maken. Door de helderheid van het werk accepteer je ongemerkt dat je afstand hebt genomen van je normale situatie. Door de drie werken zo tentoon te stellen lijken woorden als ‘(t)huis’ en ‘natuur’ veel ongrijpbaarder dan je voor ogen had. In ieder geval hebben ze een vreemde relatie ten opzichte van elkaar, getuige het werk The Living Room waar boom en doorzonwoning elkaar ontmoeten.

De boom komt horizontaal langzaam het huis binnen om het aan de achterzijde weer te verlaten. Onderweg verdrukt hij meubilair en sleurt lampen en kleinere objecten mee. Maar ook de boom zelf moet er aan geloven en takken laten breken. Het trage en rustige beeld van deze onontkoombare beweging doet bijna nachtmerrieachtig aan. Bijna, want het absurde ervan maakt het ook weer luchtiger, eerder een verontrustende droom. Je moet lachen, maar tegelijkertijd merk je dat dat niet helemaal past. Het is namelijk hoe dan ook gewelddadig.

Wanneer je de expositieruimtes van Hietbrink verlaat, ontwaak je uit de  droom en ben je weer gewoon in de Rijksakademie. De smalle gangen zijn vol bezoekers die allemaal hun best doen om zo veel mogelijk van de 65 expositieruimtes te bezoeken nu het nog kan. De dreigende sluiting wegens bezuinigingen ligt namelijk als een verwoestende boom te wachten om een onontkoombaar spoor van vernieling door het instituut te slepen. Lijkt  die vervreemdende, verontrustende droom toch werkelijkheid te zijn…

Roderick Hietbrink, MY FATHERS NATURE (2011)
Roderick Hietbrink, HARLEQUIN LEANING FIGURE (2011)
Roderick Hietbrink, THE LIVING ROOM (2011)
Michiel Ceulers (2011)

Abstracte schilders zijn dit jaar dun gezaaid op de Rijksakademie. Een prettige uitzondering is de jonge Belg Michiel Ceulers (1986, Waregem). Je zou zijn werk bijna een nieuwe naam willen geven, iets als ‘neo’ of ‘hardcore’ abstract. Want wat is dat eigenlijk nog anno 2011, abstract? “Tegenwoordig zit er geen ideologie meer achter, juist dat vind ik interessant.”

Zelfbewust en zeker van zijn zaak stapt Michiel Ceulers zijn atelier binnen. Ik heb ervoor gekozen hem wat vragen te stellen. Dat was aanvankelijk niet de bedoeling, maar een droge omschrijving van dit werk alleen zou niet werken. Daarvoor is het net iets te ontoegankelijk, en bovendien zeer uiteenlopend wat betreft vorm en kleurgebruik. Variërend van duizelingwekkende diagonale strepen, tot monotone kleurvlakken die slordig over elkaar heen zijn geschilderd.

Ceulers, keurig gekleed in kobaltblauwe smoking en prachtig glanzende schoenen, laat me een uitnodiging zien voor zijn nieuwe tentoonstelling in de Antwerpse galerie Maes & Matthys. De foto toont een tatoeage op zijn bil: het poppetje Wally met rood zwart gestreepte trui, die je vroeger als kind uit dichtbevolkte plaatjes moest zien te vissen. “Ik zag ooit een aflevering van The Simpsons, waarin Wally een kleine rol speelt. Op een foto staat hij plotseling helemaal alleen op het strand. ‘Man, he’s not even trying anymore!’ is het commentaar van Bart Simpson. Ik heb een werk in de show vrijwel dezelfde titel gegeven: Sometimes it feels like we’re not even trying anymore. Een verwijzing naar mijn werk, waarin het figuratieve als een echo terugkomt. De strepen in Wally’s trui vormden daarbij een inspiratiebron.”

Zo kijkend naar Ceulers’ werk zijn het vooral de strepen die terugkomen: een figuur als Wally is niet welkom in de strenge abstracte vormentaal die hij over het algemeen hanteert. Zijn leeftijd in acht nemend – 24 lentes jong – moeten we concluderen dat het hier gaat om een nieuwe uitvinding van dat wat ooit abstracte schilderkunst werd genoemd. Ceulers kan dit alleen maar beamen. “De abstractie in mijn werk is niet meer ontstaan vanuit een ideologie, of vanuit een strenge politieke of filosofische overtuiging. Je kunt gewoon een paar vegen op een doek zetten en het is ‘abstract.’

Maar wat is dat anno 2011? Niet het zwarte vierkant van Malevich, die de wereld om hem heen abstraheerde om zo een utopische taal te creëren. Voor die mensen was abstractie een vorm van religie. Een way of life. Tegenwoordig zit er geen ideologie meer achter, juist dat vind ik interessant. Die tegenstrijd: het geeft vrijheid, het is radicaal, maar ook weer helemaal niet. Ik geloof erin, maar het is heel moeilijk om er een statement over te formuleren. Eigenlijk is dat er gewoon niet. Dat kan ook een statement zijn.”

Op vrijwel ieder schilderij zijn resten zichtbaar die zijn werkwijze lijken te verraden. Twee daarvan zijn op dezelfde manier tot stand gekomen. Eerst spuit hij spraypaint op het doek, waar vervolgens met tape een raster op wordt gelegd. Zo ontstaat het negatief, dat hij vervolgens bedekt met witte olieverf. Als het droog is worden sommige delen met een paletmes weg geschraapt. “Ik heb te maken met een raster, oftewel een mathematisch probleem. Hierbij gaat het me niet om de expressie. Je kunt het vergelijken met een ets. Het is een afruk van een procedé, niet van een gevoel.”

Oké, misschien geen gevoel, maar dan wel esthetiek? “Herhaling is altijd esthetiek, zoals Duchamp ooit zei. Als je stront herhaalt ontstaat er ook esthetiek. Maar dat is niet mijn uitgangspunt. Voor mij ligt de bevrediging meer in de strijd met het materiaal. Dat er ergens iets begint te wringen. Iets wat weerstand oproept in mijn lichaam, omdat ik me afvraag wat dat dan precies is. Die weerzin, dat is voor mij persoonlijk de esthetiek.”

JE SUIS LÀ, zo luidt de titel van zijn tweede soloshow in Antwerpen – een verwijzing naar het fortuinlijke moment waarop je Wally tussen de massa ontwaart. Op een schilderij staat het met grote, speelse blokletters geschreven. Het is een van de zeldzame werken waarop daadwerkelijk letters prijken. In zijn atelier in Amsterdam hangt een andere versie: ADIEU AMSTERDAM. Eenzaam hangt het werk aan een stukje muur aan de raamkant.

“De letters zijn banaal en stompzinnig. Abstract werk vergt een bepaalde serieusheid. Misschien dat ik hier heb geprobeerd om wat meer evenwicht en nuchterheid te creëren. Als we de Rijksakademie verlaten, moeten we een werk doneren. Ik wil graag dit werk afstaan als een afscheidspresentje. Eigenlijk is het een hele slechte grap. Je moet het zien als een poster met een aankondiging van iets, niet meer dan dat.”

Michiel Ceulers (2011)
Michiel Ceulers (2011)
Michiel Ceulers (2011)
Leidy Churchman (2011)

De Amerikaanse schilder Amy Sillman schreef in 2011 in Artforum (‘AB-EX and Disco Balls: In Defense of Abstract Expressionism II’) dat ze met een gerust hart kon sterven na het zien van het werk van de veel jongere Amerikaanse schilder Leidy Churchman. Haar bericht aan de wereld was gehoord en ‘gestural art’ was in goede handen bij kunstenaars zoals Churchman.

Het werk waar Sillman in het bijzonder aan refereert is de video Painting Treatments uit 2010 (deze was recent te zien bij Annet Gelink galerie in Amsterdam). De video toont een performance waar geen publiek bij aanwezig was. Er zijn wel mensen te zien in de video, maar die vormen een soort levend canvas waar Churchman, samen met Anna Rosen, op schildert, dingen op legt, tegen aanduwt, en composities mee maakt. De lichamen zijn soms naakt, of half naakt en bedekt met handdoeken en andere soorten textiel. Hun sekse is verwarrend. Borsten boven en harige mannenbenen onder. De lichamen verworden in deze video tot een groot abstract expressionistisch schilderij. De soundtrack van de video is het geluid van het smeren, gooien, pletten en duwen.

In zijn studio in de Rijksakademie en in de gang bij de bibliotheek toont Churchman twee nieuwe video’s. Ze doen denken aan Painting Treatments maar dan zonder het levende canvas. In zijn studio is New Video te zien, een loop van grofweg 5 minuten waarop Churchman met voorwerpen zoals houten slangen, een bril zonder glazen, een riem of stok een schilderij maakt. Maar het is natuurlijk niet echt een schilderij. Het is misschien meer een levend tableau, een compositie, een collage. En dit versmelten van stijlen en conventies is waarschijnlijk ook wat Churchman bedoelt wanneer hij in zijn artist statement schrijft dat het laveren tussen veronderstelde tegenstellingen (zoals bijvoorbeeld tussen schilderen, sculpturen en video) hem aantrekt; hij ziet er een humor in die ook het leven kenmerkt. 

Zijn video’s zijn inderdaad op een verrassende manier humoristisch. Wanneer hij langzaam een riem het beeld induwt alsof het een meesterlijk gebaar is, of een bril oppakt door een stok in het lege frame te steken of met een Captain Hook-achtige haak wat onhandig dingen rond duwt. Het zijn kleine, misschien inderdaad wel wat klungelige gebaren, die samen tot een geweldige constellatie leiden.

Naast de twee video’s presenteert Churchman ook een aantal nieuwe schilderijen. Een serie van vijf werken die van klein naar groot naar klein hangen, springen er meteen uit als je de studio binnenloopt. In een naïeve, volkse stijl heeft Churchman willekeurige Duitse graven geschilderd. Het gras en de bomen rond de graven zijn exuberant groen, de bloemen op de graven extatisch rood. Speelt Churchman in zijn video’s met de conventies van het Abstract Expressionisme, als een onzichtbare Pollock gooit, duwt, trekt hij van buiten het frame verf en objecten de compositie in, met deze schilderijen roept hij de huislijke sfeer op van amateurschilderijen van landelijke taferelen. Dit geeft de graven, en de dood die het impliceert, iets lieflijks en zachtaardigs. Ook dit kan, om ook maar met Sillman te eindigen, je hart geruststellen.

Leidy Churchman (2011)
Leidy Churchman (2011)
Leidy Churchman, NEW VIDEO (2011)