DEAD DROPS (2010)

Met zijn kunst creëert Aram Bartholl interacties tussen publieke en private, online en offline werelden. Hij is geïnteresseerd in de manier waarop het fysieke leven het digitale leven beïnvloedt en vice versa. Dit leidt soms tot komische situaties waarbij mensen achtervolgd worden door tekstballonnen met uitspraken van chatrooms of de naam van hun avatar, maar ook serieuze projecten zoals de China Channel Firefox add-on: ‘experience the censored Chinese Internet at home’. 

Ik sprak Aram Bartholl toen hij in Amsterdam was voor een presentatie op het uitverkochte FITC Amsterdam. Het event met de slogan ‘Design.Technology.Cool Shit.’ maakte me nieuwsgierig naar wat Aram voor ons in petto heeft. Ik kende Aram met name van zijn performances op mediakunst festivals en workshops. Dit lijkt echter iets heel anders. 

AD: Je lijkt je in allerlei verschillende gebieden te begeven, toch vertoont je werk een grote mate aan consistentie. Hoe kies jij je platforms? 

AB: Het is een mix. Net zoals ik graag grenzen overschrijd in mijn werk, wissel ik ook graag verschillende soorten platforms af. Van het presenteren op meer technische, webgerelateerde conferenties tot design conferenties, als het exposeren in kunstgaleries en musea of mediakunstfestivals. Niet dat ik van het één naar het andere ga, het gebeurt eerder tegelijkertijd. 

AD: Dat is een interessante benadering, hoe past deze zienswijze in je werkproces? Laten we het werk Highscreen als voorbeeld nemen. Waarschijnlijk hebben maar weinig mensen dit gezien omdat het een eenmalige performance was, uitgevoerd in opdracht van ARTE Creative, een online initiatief dat ongeveer een jaar geleden is opgericht. 

AB: Ja, het is inderdaad een goed voorbeeld dat het midden houdt tussen straatkunst, mediakunst en moderne kunst. Toen ze mij indertijd benaderden, organiseerde ik tentoonstellingen in internetcafés: SPEED SHOW. Ik wilde met deze ‘internetplek voor één avond’ een internetgalerie te maken. Met Highscreen wilde ik dit idee verder uitwerken en het letterlijk naar de straat brengen. Zo kwam ik op het idee om netkunst op CRT-monitoren te laten zien die op straat zijn achtergelaten. 

Ik wilde de veroudering van technologie ter discussie stellen, het fenomeen dat een beeldscherm of computer die erg duur en gloednieuw is maar vijf jaar meegaat, waarna het op straat wordt gedumpt omdat het onbruikbaar is geworden. Ik vind dat fenomeen van ‘speed waste’ erg interessant. Digitale technologie is een wegwerp artikel omdat de ontwikkeling zo snel gaat. Zo ben ik ook op de titel gekomen. Een van de schermen was van het merk Highscreen en zo werd de titel een eerbetoon aan dit apparaat. Ik heb een aantal schermen bijeen gezocht en laat daarop een netkunstwerk zien, daarna pak ik mijn spullen en verlaat het scherm. Dat moment betekent het absolute het einde van dat apparaat. 

AD: Je geeft ze een laatste eerbetoon! 

AB: Het is een performance en in dit geval was het ook de documentatie van de voorstelling die belangrijk werd. 

AD: Waarom vind je de documentatie zo belangrijk?

AB: Ik vind het documenteren belangrijk omdat het aantoont dat iets is gebeurd. Veel mensen kennen bijvoorbeeld de video Shoot (1971) van Chris Burden die zich door zijn assistent in zijn arm laat schieten, maar waarschijnlijk hebben maar heel weinig mensen de werkelijke performance met eigen ogen gezien. Dit geldt natuurlijk voor veel performance art in de jaren ’70; het blijft bestaan door de documentatie ervan. Ik heb voor Highscreen een speciale video gemaakt, hoewel ik het nu misschien anders aan zou pakken. Ik wilde heel graag een authentieke video maken, waarin het niet gaat om de beeldkwaliteit en de kwaliteit van de vormgeving maar om de situatie zelf, om wat er op dat moment gebeurt. 

AD: Vind je het te gelikt, ligt er teveel nadruk op de video als documentatie?

AB: Het zit tussen een authentieke documentatie van een voorstelling en een geregisseerde video in. Ik heb geen echte duidelijke keuze gemaakt. Wanneer je bijvoorbeeld te vaak wisselt van camerahoek kan het snel ‘over-geregisseerd’ worden. Als ik een voorstelling geef op een festival, is het ook leuk dat er soms mensen zijn die een beetje staan te kijken en het dan vastleggen met hun telefoon. De video van Higscreen is ook een beetje vreemd, omdat we eerst de monitoren op straat zien, naast vieze muren of straatvuil. Samen met de kabels die je ziet, wordt je geconfronteerd met technologie in de stedelijke ruimte. Maar het dan opnieuw vertonen als een video is ook vrij absurd, alsof je netkunst op straat brengt en dan weer terug naar video.

AD: Binnen jouw performance Highscreen laat je netkunstwerken van vier andere kunstenaars op de computerschermen zien. Waarom heb je gekozen voor deze specifieke werken?

AB: Het is een mix van klassieke werken, zoals JODI’s 404-page een verwijzing naar het einde is: ‘page not found’.  Ik wilde dit laten zien omdat veel mensen deze eerste netkunstwerken niet kennen. Het is niet heel nauwkeurig samengesteld; veel is door toeval ontstaan. Cory Arcangel’s Mario Clouds bijvoorbeeld, dat niet eens echt netkunst is, paste er goed tussen omdat er sneeuw lag op een van de schermen die ik vond. En dat sprak mij aan, het paste. 

AD: Voor mij is het vermaak met een vleugje ironie, veel van je andere werken hebben ook die donkere humor in zich. 

AB: Dit doe ik niet bewust, maar het hoort bij mijn werk, dat klopt. Maar grappig proberen te zijn in de ‘reguliere’ kunstwereld wordt vaak niet echt gewaardeerd of serieus genomen. Maar op het internet, waar ik me als kunstenaar heb ontwikkeld, werk je voor een specifiek publiek. Omdat je je tot het internetpubliek richt werkt dat op een andere manier, met zeker meer humor. Het speelt ook met het begrip populaire cultuur; je richt je tot dat grootschalige publiek en probeert ze een beetje te provoceren. Ik laat de ironische kant van veel dingen zien, wat naar mijn idee meer effect heeft dan een serieuze of ernstige invalshoek. Niettemin kent Highscreen, net als mijn andere werk, naast de leuke kant altijd meerdere lagen, meer serieuze thema’s waar over gediscussieerd kan worden, zoals veroudering van technologie. En dat maakt het meer dan alleen maar grappig.

AD: Bij één van je laatste tentoonstellingen was ik verbaasd over de hoeveelheid videodocumentatie naast bijna al je verschillende werken. Wat wil je zeggen met deze documentatievideo’s? Op een bepaalde manier zijn ze anders dan Highscreen, dat eerder een weergave van een performance is, terwijl deze video’s neigen naar eigengemaakte instructie video’s waarvan je er duizenden op internet kunt vinden. 

AB: Ik heb een groeiende reeks doe-het-zelf video’s. De meeste duren één tot twee minuten. Ik gebruik dit formaat graag omdat het gericht is op video’s met verschillende doeleinden, zoals het tonen van klassieke technieken tot hacking praktijken, of het fungeert als puur entertainment. Voor mij zijn deze video’s een manier om iets te leren en verschillende technologieën te onderzoeken. En het is interessant om te zien dat het een ontwikkeling op zich is en invloed heeft op hoe de dingen normaal gesproken gaan. 

AD: Hoe bedoel je dat?

AB: Kijk bijvoorbeeld naar de veranderingen binnen de muziek- en filmindustrie; daar drijft het businessmodel ze tot wanhoop, omdat het niet langer werkt. Bijvoorbeeld, vroeger gaf ik jou een glas, en dan heb jij het en ik niet meer. Maar tegenwoordig kan ik jou een bestand toesturen en dan hebben we het allebei. We zitten in een postindustrieel tijdperk van ‘home fabrication’ en dat is mijn werkveld.

AD: Het delen van informatie en het maken van video´s en opzetten van platforms doet me ook denken aan je vroegere werk Dead Drops, die overal ter wereld in de muren van musea en galeries verschijnen. 

AB: Dat was letterlijk bedoeld als platform, een manier om data uit te wisselen. Maar het werd heel anders ontvangen. Toen ik bijvoorbeeld naar het MoMA in New York ging, wilde ik de Dead Drops buiten in de muur van het MoMa plaatsen, maar dit was natuurlijk niet mogelijk. Ik mocht zelfs geen foyers of andere openbare ruimten gebruiken. In eerste instantie stelden ze voor om de Dead Drops in een frame te plaatsen, uiteindelijk kwamen ze in de muur van de tentoonstelling terecht. 

AD: Een frame?

AB: Ja, een frame, zodat de flash drives zijn ingelijst achter glas. Uiteraard heb ik geprobeerd uit te leggen dat er een andere bedoeling achter zat. Maar ik denk dat het meestal een automatische reactie is van dit soort instituten; ze hebben in de gaten dat er iets interessants aan de hand is, maar ze proberen ook vast te houden aan hun eigen format. 

AD: Terwijl jij het tegenovergestelde probeert te doen, in zowel je projecten waar je de virtuele wereld integreert met de echte wereld, als in de presentatie van je werk, maak je met je volgende werk een overstap naar weer een ander veld?

AB: Eigenlijk wel ja, ik heb een opdracht voor Rhizome waar ik nog steeds mee bezig ben. Het is een model voor een computer game plattegrond uit Counter Strike. Het idee is om het na te bouwen als een echt gebouw. Het zou in Irak moeten komen te staan, of in een ander land dat niet echt voor de hand ligt om te bezoeken. Ik moet nog uitzoeken hoe ik het beste de financiering rond kan krijgen. Misschien is crowd sourcing een idee. 

Vertaald uit het Engels door Mart Dekkers.

STRP, MU en Baltan Laboratories organiseren van 6 tot 8 juni een masterclass met Aram Bartholl en David Darts: The Future of Offline Filesharing. Meer informatie en reserveren via www.baltanlaboratories.org en www.mu.nl.

HIGHSCREEN (2011)
SPEEDSHOW (2010)

Japan zien en dan sterven

Lise Lotte ten Voorde

De Nederlandse fotografe Karianne Bueno (1979) ging naar Japan. Met de foto’s die ze er maakte stelde ze Haiiro samen: een slim vormgegeven leporello die bladert als een boek. Haiiro (‘grijs) is een bitterzoete kennismaking met een door Tsunami en kernramp getroffen land. Haar werk is zowel feit als fictie. Haar beelden zijn echt: alles wat de camera registreert bestaat, of het nu geënsceneerd is of niet. Toch bekruipt je bij elk beeld dat je bekijkt, of het nu een rijstplant of scheepstouw is, een beladen gevoel. Het is iets in de manier waarop Bueno de foto’s ordent, de uitverkozen beelden die samen het emotionele verslag van haar fotografische reizen vormen.

Hetzelfde geldt voor het inmiddels uitverkochte boek Asper, waarin de fotografe haar herinneringen aan een Vlaams Scheldedorp in beeld brengt. Enerzijds is het een logboek van de tijd die ze daar met vrienden doorbracht, anderzijds een vertaling van het beklemmende dorpsgevoel en de angst over een verkrachting die er plaatsvond. Ook Haiiro koppelt een reisverslag aan een interpretatie van een veel beschreven en gefotografeerd land. Bueno deinst er niet voor terug juist (ook) de clichébeelden te kiezen. Zelfs wie nooit in Japan is geweest kan zich zomaar voorstellen dat dit is wat je daar aantreft. Karpers, rijstvelden, de eeuwige mist boven een land in zee, wier en vsm-bergen – echter geen bloesems, karaokebars, Harajuku meisjes of direct zichtbare sporen van door radioactiviteit aangetaste natuur.

Het uitzicht op een baai vanuit een met schrootjes betimmerde kamer combineert ze met (vermoedelijk) door water aangetaste stapels kranten: de kleur- en vlakverdeling toont een troosteloze overeenkomst tussen beide situaties. Talloze pannendaken, met hier en daar een boom, lijken samen een kabbelend wateroppervlak waaronder slechts wat planten te bespeuren zijn. Voor mensen is amper plaats; het overwegende grijs en groen lijkt nauwelijks bestemd voor bewoning.

Tekst speelt een belangrijke rol in Bueno’s werk. Als haar beeldkeuze en sequentie hun sturende werk niet doen, dwingen haar woorden je wel in een bepaalde sfeer. Ze balanceren op het randje van sentimenteel, gaan daar soms misschien zelfs overheen. Je zou het daarom als hysterisch meisjesgedoe kunnen bestempelen, maar toch is dat niet storend. Bueno is simpelweg een kei in het maken van beeldselecties en het vinden van de juiste woorden – waarbij ook het werk van de vertaalster niet onderschat moet worden.

Als je de leporello uit zijn harde, met linnen omspannen kaft haalt – waarin hij op zijn plaats wordt gehouden door een zwart elastiek – en hem uitvouwt tot zijn volledige 255 cm, valt het kleurverloop op. Dat gaat van groen naar blauw naar grijsbruin. De eerste en de laatste foto blijken samen een vergezicht te vormen, met op de voorgrond groepjes jonge Japanners die op een zwart kiezelstrand hun picknick hebben uitgestald. Het kan ze kennelijk niets schelen dat de zon zich niet laat zien en hun zitvlak geteisterd wordt door steentjes.

Japan is een perfect onderwerp voor een fotoboek. De Japanse fotografie wordt al jaren vooral in boeken
getoond en papier speelt daar een grote rol in kunst en dagelijks leven. Bueno liet zich allerminst hinderen door die wetenschap, maar heeft zich er juist aan overgegeven. Haar Japan is niet per se aantrekkelijk, haar stemming (soms pijnlijk) melancholisch – alsof ze op zoek is naar een plek om te sterven. Het is aantrekkelijk je daar in onder te dompelen, te dobberen op een grijze zee onder een grijze hemel en je te laven aan het naderende bitterzoete einde. Laten we er vanuit gaan dat Bueno nog meer mooie boekjes gaat maken. Zo niet, dan is Haiiro een waardig einde, een prachtig requiem voor Japan en Bueno zelf.

HAIIRO
Karianne Bueno
Schaden.com, 2011
ISBN: 9783932187957
www.kariannebueno.nl

Grenzeloos bestaan

Emmy Rijstenbil
Lara Gasparotto, ZONDER TITEL (2010)

In galerie Stieglitz19 te Antwerpen vind je mensen die de rafelranden van het leven opzoeken. Die duiken in water wanneer het uitkomt, slapen waar ze moe zijn geworden en feesten waar het hen goeddunkt. De getoonde foto’s geven een inkijk in een leven met veel vaart en een onstilbare dorst naar het testen van grenzen. Er is veel naakt, exhibitionisme ligt op de loer, maar het is in een aftastende fase. In dit leven, het nu-leven, loopt de jonge Luikse fotografe Lara Gasparotto (1990) met haar camera’s rond. 

Er is amper afstand tussen Gasparotto en de onderwerpen. Ze maakt deel uit van het nu-leven. Een jonge vrouw met een bloeddoorlopen oog kijkt brutaal in de lens, een meisje in een schuimend bad heeft een bloedneus, de kleding waarmee iemand al feestend in slaap is gevallen vertelt een heel verhaal en Gasparotto legt het messcherp vast.

Niet alleen de fysieke grenzen worden afgetast, maar ook die van het blootstellen. De gefotografeerden laten veel, erg veel, van zichzelf zien. Soms met opgetrokken schouders, soms met een trotse blik die ook onzekerheid verraadt. Maar nooit zonder duidelijk voor ogen te hebben dat dit precies is wat ze nu willen doen, onzeker of niet. Niet zelden word je aangekeken met een blik die lijkt te zeggen: “ik kan jou ook nog wel aan”.

Net als de afgebeelde onderwerpen lijkt Gasparotto ook zelf te experimenteren, in haar geval met de wijze waarop ze de foto’s maakt en ontwikkelt. De sporen van stof op de negatieven zijn zichtbaar. Sommige foto’s zijn overbelicht, vaag of een groezelige kopie van een origineel. Het versterkt het beeld van een leven in volle vaart

De tentoonstelling heeft iets prettig voyeuristisch, zonder stiekem gedoe. Het werk van Gasparotto heeft het frontale karakter van een facebookpagina: diegene die door haar gefotografeerd wordt is zich vaak bewust van de fotografe en handelt ernaar. Soms is zelfs het fotograferen en gefotografeerd worden de enige situatie die zich voordoet, en is de potentiële toeschouwer van de foto’s de belangrijkste aanwezige in het gefotografeerde moment. In dat leven waarvan wij de sporen aanschouwen is alles en iedereen al weer op weg naar de volgende pieken en dalen. Wij blijven achter in de flarden die dat leven vatten. Maar dat is niet erg. De flarden zijn zo sterk dat je even deel uitmaakt van Gasparotto’s grenzeloze bestaan. Het wordt nergens duidelijk waar alles zich precies afspeelt, maar des te meer doet haar werk een beroep op je verbeeldingskracht.

Metaforisch is een foto van een bochtige blauwe glijbaan op het strand. Ergens tegen het einde van de glijbaan ontbreekt een gedeelte. Het speeltoestel lijkt er te staan als een uitnodiging en waarschuwing tegelijk. Enjoy the ride, maar onderweg ga je er misschien aan ten onder. 

Naast de tentoonstelling in Stieglitz19 is werk van Gasparotto tot 6 mei te zien tijdens de Internationale Biënnale van Fotografie en Visuele Kunsten Luik, getiteld ONLY YOU ONLY ME. Images de l’amour, amour de l’image. In het kunstencentrum Les brasseurs art contemporain wordt een onuitgegeven verzameling van haar werk in een groepstentoonstelling rond intimiteit getoond. Tijdens deze tentoonstelling komt haar eerste publicatie uit, Sleepwalk (bij uitgeverij Yellow Now).

ONLY YOU ONLY ME. 
Images de l’amour, amour de l’image
Internationale Biënnale van Fotografie en Visuele Kunsten Luik
t/m 6 mei
diverse locaties, Luik
www.bip-liege.org

Lara Gasparotto, ZONDER TITEL (2010)
Lara Gasparotto, ZONDER TITEL (2011)

De kunst van het afleiden

Willemijn van der Zwaan
The Sartorialist

Mijn grootste zonde is uitstellen. Ik begin pas aan de afwas wanneer de ontstane schimmel zich vormt tot oesterzwammen en mijn belastingaangifte wordt elk jaar steevast op 31 maart gedaan. Mijn concentratiestoornis komt vooral naar boven als het gaat om schrijven. Het is alsof ik alleen kan presteren als mijn deadline zo dichtbij is dat ik er misselijk van word. Ik kan mezelf uren bezig houden met de allergrootste onzin, zo lang het maar niet datgene is waaraan ik eigenlijk mijn aandacht zou moeten besteden.

Het liefst spendeer ik mijn tijd achter de computer, zodat ik nog de illusie in stand kan houden dat ik die dag écht iets ga doen. Mijn getalm kan zich uiten in mijn gênante verslaving aan ongezonde hoeveelheden kattenfilmpjes op Youtube en artikelen op Wikipedia, wat de fijne bijkomstigheid heeft dat ik altijd win met Triviant. Wat ik echter het liefst doe, is plaatjes kijken: foto’s van goed geklede mensen, gesnapt terwijl ze bellend onderweg zijn naar hun volgende afspraak of buiten staan te wachten tot de volgende modeshow begint, een nonchalante sigaret in de hand.

Mijn voyeurisme is begonnen met The Sartorialist, het pseudoniem van fotograaf Scott Schuman. Al vanaf 2005 legt hij de mooiste en meest modebewuste mensen vast in zijn woonplaats New York en publiceert de resultaten op zijn website. Hoewel street style fotografie veel weg heeft van paparazzifotografie, zijn de foto’s van Schuman alles behalve dat: zijn stijl is gelikt en getuigt van respect voor zijn onverwachte modellen. Die aanpak heeft van zijn blog een daverend succes gemaakt. Hij fotografeert nu overal ter wereld, vaak in opdracht van gerenommeerde modetijdschriften als Vogue en W.

Het bleef voor mij niet bij The Sartorialist. De triomf van Schuman heeft vele anderen geïnspireerd om ook een street style blog te beginnen, dus mijn verslaving kon verder gevoed worden. Jak&Jil, gestart door fotograaf Tommy Ton, staat bekend om zijn interessante perspectieven en haarscherpe close-ups van accessoires en schoenen. Zijn smetteloze stijl heeft hem een bijbaantje bezorgd bij Style.com, de grootse modewebsite op aarde. Voor het Amerikaanse warenhuis Club Monaco heeft Tommy Ton zelfs een eigen tassenlijn (handig voor die grote Nikon die alle bloggers met zich mee moeten zeulen).

Garance Doré gebruikt haar gelijknamige blog als haar dagboek, dat ze deelt met haar publiek. Ze toont snapshots van mensen die ze op straat tegen komt, maar ook van haar walgelijk goed geklede vrienden. Af en toe schrijft ze een verhaaltje over haar favoriete badpak of over haar liefde voor Converse sneakers. Deze persoonlijke benadering heeft haar meerdere reclamecampagnes opgeleverd, als fotograaf en model, voor merken als Moschino, Kate Spade en Petit Bateau.

Dit zijn slechts twee voorbeelden van de honderden blogs die louter gewijd zijn aan het documenteren van mensen op straat in geweldige outfits. Ik heb er een dagtaak aan ze allemaal bij te houden. Tijdens het eindeloze doorklikken op websites, springt er eens in de zoveel tijd een beeld uit dat zijn doel overstijgt. Het is dan niet zomaar een plaatje van iemand in leuke kleren, maar een echt fotografisch kunstwerk. De blogger heeft dan bereikt wat Henri Cartier-Bresson the decisive moment noemde: het punt waarop alle elementen binnen het fotokader bij elkaar komen en het volmaakte beeld vormen.

De amateurfotograaf is voor even een Cartier-Bresson, André Kertesz of Helen Levitt; fotografen die bekend staan om hun humanistische documentaire stijl. Hun foto’s tonen het dagelijkse stadsleven op een weergaloos optimistische manier, zonder dat het sentimenteel wordt. De bloggers zijn eigenlijk hun erfgenamen. Ze laten ons het moderne stadsleven zien, ook al is dat vooral het leven van de geprivilegieerde medemens.

Zo is de cirkel rond. Ik zoek een vlucht van de dagelijkse deadlines in blogs vol mooie, slanke, rijke en vooral goed geklede mensen – tot dat ene perfect vastgelegde moment mij volop geïnspireerd weer terug naar de realiteit brengt. Kunst schuilt overal, ook in afleiding.

Le 21ème Arrondissement, New York's Street Style Blog
Helen Levitt, NEW YORK, ca. 1940
Henri Carier-Bresson, BRASSERIE LIPP ON ST. GERMAIN-DES-PRÉS, 1969 (Courtesy: Henri Cartier-Bresson/Magnum Photos)

Van het Vondelpark naar de oevers van ’t IJ: het spectaculaire nieuwe pand van EYE werd onlangs geopend door Koningin Beatrix. De tentoonstellingsruimte van 1200 m2 wordt officieel in gebruik genomen met de tentoonstelling Found Footage: Cinema Exposed. Deze is gewijd aan kunstenaars en filmmakers die gevonden televisie- en filmfragmenten, internetbeelden of dvd’s in een nieuwe context plaatsen. Onder hen bevinden zich gerenommeerde beeldend kunstenaars als Anri Sala, David Claerbout, Wolf Vostell en Pablo Pijnappel. Aernout Mik en Christoph Girardet ontwierpen voor de gelegenheid een nieuwe installatie, met de omvangrijke EYE-collectie als uitgangspunt. Bij de tentoonstelling is een uitgebreid randprogramma met lezingen en filmvertoningen georganiseerd. (YJ)

Discursief: ja, gezellig!

Jaring Dürst Britt

Bij zijn aantreden als nieuwe voorzitter van de Raad voor Cultuur in november 2011 gaf voormalig omroepbaas Joop Daalmeijer aan een echte cultuurliefhebber te zijn. Wel liet hij daarbij aantekenen dat hij zo zijn voorkeuren had. Dansvoorstellingen, theater en ‘levende muziek’, daar beleefde hij veel plezier aan. Musea voor beeldende kunst hadden hem echter nooit zo kunnen bekoren, die bezocht hij hoogstens in het buitenland. Hij gaf aan dat hij er de concentratie niet voor op kon brengen en dat hij na tien minuten ietwat ongedurig door de zalen te hebben gewandeld zich doorgaans richting museumwinkel of museumcafé begaf. 

Bij het horen van de naam ‘de Appel’ dacht Daalmeijer louter aan het Haagse toneelgezelschap en niet aan de Amsterdamse presentatie-instelling. Sterker, de term presentatie-instelling was hem volkomen onbekend. En vanaf het moment dat een NRC-journalist hem op het bestaan van dergelijke wonderlijke clubs had geattendeerd, repte hij steevast van ‘musea zonder collectie’. Een lekkere binnenkomer in de wereld van de hedendaagse kunst. Na Halbe Zijlstra zou opnieuw een sleutelfiguur binnen de cultuurpolitiek het ontberen van kennis van zaken niet als een tekortkoming maar juist als een pré zien voor zijn functioneren.

Het is het afgelopen jaar duidelijk geworden dat de aanstaande bezuinigingen op cultuur de gemiddelde Nederlander weinig kunnen schelen. Hoewel ze nooit een voet over de deur van een tentoonstellingsplek of een atelier hebben gezet nemen niet alleen Henk en Ingrid, maar ook Jan-Jaap en Nicolien gretig termen als ‘subsidievreters’, ‘kliederaars’ en ‘linkse hobby’ in de mond. Daarbij was tot voor kort de lobbypositie van al wat onder het kopje presentatie-instellingen te scharen valt (kunstenaarsinitiatieven, tentoonstellingsruimtes en kunstmedia) zo’n beetje nul komma nul. Omdat men de bui al zag hangen, begonnen echter een aantal instellingen in 2010 met het treffen van voorbereidingen voor het oprichten van een centraal aanspreekpunt voor de landelijke politiek. De oprichtingsvergadering van De Zaak Nu – zoals de nieuwe belangenbehartiger van dit pluriforme veld ging heten – vond plaats vlak voordat staatsecretaris Zijlstra begin juni 2011 zijn bezuinigingsuitgangspunten bekend maakte.

Het begint er dus op te lijken dat de Nederlandse kunstwereld de gelederen aan het sluiten is om gezamenlijk ten strijde te trekken voor lijfsbehoud. Echter kan ik mij nog steeds niet aan de indruk onttrekken dat ‘de kunstwereld’ bestaat uit meerdere kunstwereldjes die het vertikken om van tijd tot tijd eens bij elkaar over de vloer te komen. Er lijkt een zeer hardnekkige afbakening van territoria te zijn, gebaseerd op tegengestelde polen als ‘objectmatig’ vs. ‘procesmatig’, ‘commercieel’ vs. ‘onafhankelijk’ en ‘gezellig’ vs. ‘discursief’. Vorig jaar november bijvoorbeeld plaatste website Trendbeheer een link naar een persbericht van het Mondriaanfonds over het toekennen van programmasubsidies voor 2012. Gedurende de dagen erna leek een aantal figuren de thread aan te grijpen om eens lekker te zeiken op Metropolis M en – laat ik even kort door de bocht gaan – ‘gelijkgestemde’ instellingen als Witte de With en BAK. 

Was het een vergeldingsactie voor een ietwat zure passage over Trendbeheer van Domeniek Ruyters, hoofdredacteur van Metropolis M, een jaar eerder in een artikel in De Volkskrant over de blogcultuur in de kunstwereld? Of was het een Pavlov-reactie die bij beide kampen, die de ander bij voorkeur typeren als respectievelijk ‘plat’ en ‘onbegrijpelijk’, maar niet uit te bannen is? Waar dergelijke reflexen ook door veroorzaakt mogen worden, ze zijn onmiskenbaar voorbehouden aan een select clubje ingewijden. Want zowel het grote publiek als de gemiddelde locale politicus heeft geen zicht op de piketpaaltjes, waarmee de diverse instellingen hun eigen gezindtes afbakenen. Alles wat niet op Herman Brood, Ans Markus of Kees Verkade lijkt, wordt door de meerderheid van de Nederlandse bevolking onder het kopje ‘ingewikkeld, ontoegankelijk en dus oninteressant’ geplaatst. Een willekeurig CBK is al een brug te ver.

Nu de komende maanden Zijlstra’s bezuinigingen concrete vormen aan gaan nemen – niet in de laatste plaats omdat ze door gaan sijpelen naar lagere overheden, die locale relevantie van presentatie-instellingen voor hun stad tegen het licht gaan houden – is het juist van belang om allianties te sluiten met partijen die andere artistieke posities innemen. Nadat ik vorig jaar op het nippertje een complete gemeentelijke subsidiestop voor Nieuwe Vide in Haarlem heb weten af te wenden, ben ik met een negental andere Haarlemse tentoonstellingsruimtes om de tafel gaan zitten. Van een piepjong kunstenaarsinitiatief als Horizonverticaal tot een prachtmuseum als De Hallen, van een ‘klassieke’ kunstenaarsvereniging als De Vishal tot een gespecialiseerde fotogalerie als ICM; iedereen heeft in het verleden wel eens de tong naar de ander uitgestoken, maar nu ziet iedereen de kansen die samenwerking vanuit eigen identiteit kan bieden. 

De hieruit voortgekomen Haarlemse Lente, die op 16 maart zijn eerste editie zal beleven, brengt verschillende partijen uit de ‘kunstketen’ bijeen. Met het organiseren van verschillende openingen op hetzelfde moment hopen we niet alleen meer bezoekers te trekken, maar tevens bij locale politici de aandrang de kop in te drukken om verschillende soorten instellingen met elkaar te laten fuseren. Eén van de unique selling points van de presentatie-instelling is namelijk de onmisbare rol die zij binnen de ontwikkeling van een kunstenaar speelt, vergelijkbaar met wat een productiehuis is voor het theater. 

Iemand als Navid Nuur zou niet na zijn tweede fase opleiding aan het Piet Zwart instituut meteen zijn opgepikt door galeriehouder Martin van Zomeren, zo rap bij De Hallen te zien zijn geweest, op de cover van de catalogus van de meest recente editie van de Biënnale van Venetië terecht zijn gekomen of een uitnodiging voor een solo in het Centre Pompidou in 2013, hebben ontvangen, als hij niet kilometers had kunnen maken bij ondermeer Moira, Stroom, 1646, Mariakapel, Billytown en de Cacaofabriek. Wanneer nu de afzonderlijke schakels in de keten de handen ineenslaan, kan deze ketenwerking een stuk makkelijker inzichtelijk worden gemaakt.

En zo kom ik aan het eind van dit stuk weer uit bij Joop Daalmeijer, die nog nooit van een presentatie-instelling als de Appel had gehoord. Sommigen zullen de handen voor de ogen hebben geslagen en in geweeklaag zijn uitgebarsten, maar gelukkig pakte Ann Demeester, directeur van de Appel, de telefoon om Daalmeijer uit te nodigen voor een kop koffie en om haar toenmalige tentoonstelling te bezoeken. Uit dit kennismakingsgesprek vloeide een door De Zaak Nu georganiseerde tournee voort, waarbij Daalmeijer gedurende twee dagen vijf steden aandeed om kennis te maken met zo’n veertig vertegenwoordigers van zeer uiteenlopende clubs. Sommige één op één, andere als collectieve ontbijtsessies, lunchbijeenkomsten of borrels. 

Daalmeijer heeft een blog geschreven over de ontmoeting met de presentatie-instellingen, waaruit blijkt dat hij de kennismaking zeer op prijs heeft gesteld en dat hij nu weet wat voor vlees hij in de kuip heeft. De ietwat sarcastische toon ten opzichte van de onwetende Daalmeijer die ik in mijn eerste alinea bezigde, had ik misschien dan ook kunnen laten varen. Wat ik nu wel van harte hoop is dat de instellingen die bij zijn spoedcursus naast elkaar aan tafel hebben gezeten, elkaar voor de gelegenheid eens diep in de ogen hebben gekeken en elkaar als strijders voor dezelfde zaak hebben geïdentificeerd.

Het blog dat Daalmeijer schreef naar aanleiding van zijn ‘kennismakingstournee’ is te vinden op: 

www.cultuur.nl/10/85/actueel/blog-joop-daalmeijer.aspx

Ego #15

Basje Boer
Cindy Sherman voor MAC Fall Colour

De dichter is melancholicus bij uitstek. Hij huilt bij wat lelijk is, maar ook bij wat mooi is, juist bij wat mooi is, omdat hij weet: alles is tijdelijk. Menno Wigman, huidig stadsdichter van Amsterdam, is zo’n dichter. Hij dweept met het verstrijken van de tijd, torst zijn oude ziel al sinds zijn kindertijd, wachtend op de midlifecrisis waar het nu eindelijk van gekomen is. In Tot mijn pik, het openingsgedicht van zijn nieuwste bundel Mijn naam is Legioen, projecteert hij zijn melancholie op een zeker lichaamsdeel dat hem ook al geen plezier meer bezorgt.

Alles is tijdelijk, Wigman leest het zelfs op zijn eigen lichaam. In Lelijk zijn we schrijft hij: Lelijk, zo lelijk, ja, steeds lelijker / bewegen we ons door de binnenstad. / De goede handel die ons lichaam was / vervloog en bijna elke winkelruit / verspreekt zich en beledigt nu je hoofd. Het klopt, want mooi zijn we altijd pas achteraf gezien, op foto’s van jaren geleden. Pas met het verval komt het besef en – belangrijker – de behoefte erover te schrijven. In schoonheid schuilt geen kunst, zo weet de dichter, wel in het verdwijnen ervan.

De Nederlandse kunstenaar Erich Wichman (1890-1929) schilderde een kop met open mond, zwevend in aardetinten: een zelfportret. Ergens herinnert het aan Munch’ De schreeuw, maar de uitdrukking klopt niet: deze man is voorbij de schreeuw. Na wanhoop komt radeloosheid. Het is een weerbarstig, confronterend werk. De zachte kleuren mogen de bekleding dan wel complimenteren, het mag niet boven de bank. In de kunst mag je niet praten van mooi en lelijk: de termen zijn te bot, het onderwerp te complex. Maar intussen neemt mooi de overhand in behaagzieke musea, terwijl ik pleit voor lelijk.

Ik krijg bijval uit onverwachte hoek. Make-upmerk MAC huurde Cindy Sherman in voor de reclamecampagne voor hun make-uplijn van herfst 2011. De combinatie is even wonderlijk als vanzelfsprekend. MAC profileert zich al jaren als eigenzinnig en met haar zelfportretten is Sherman de ongekroonde koningin van het verkleedpartijtje. Maar in termen van schoonheid is MAC mooi en Sherman lelijk. Het resultaat van dit ongebruikelijke huwelijk is een serie van drie foto’s, waarop Sherman achtereenvolgens poseert als ordi cougar, sippe clown en eeuwig meisje: typetjes en toch geen clichés; grappen zonder een punchline. Typisch Sherman.

Op het blog van literair tijdschrift Tirade postte Menno Wigman het zelfportret van Wichman. ‘Bij een zelfportret van Erich Wichman’ luidt de kop boven zijn gedicht Het licht is als het licht: En op een dag verlies je je gezicht, / vult elke spiegel zich met vormloos ik. / Een traanzak zie je, hangvlees, haarverlies, / maar geen gezicht.

Ik die dacht zo lekker bot tegen de draad in te denken, ik met mijn mooi en lelijk: ik heb het bij het verkeerde eind. Het gaat natuurlijk helemaal niet over schoonheid, het gaat over transformatie. Wigman met zijn verval; Shermans verkleedpartijtjes; de essentie van make-up. Roze wangetjes van de slaap kunnen nog zo mooi zijn, beschilderen willen we onszelf. Een ander willen we worden.

HET LICHT IS ALS HET LICHT van Menno Wigman is hier in zijn geheel te lezen.

Erich Wichman, ZELFPORTRET (1925)
MAC-display
William Forsythe, THE FACT OF MATTER (2009) in MOVE: CHOREOGRAPHING YOU, Hayward Gallery, Londen (Foto: Alastair Muir)

“My dancing is as real as any dance” – Olafur Eliasson

De laatste editie van dansfestival Springdance in Utrecht richt zich op de interactie tussen hedendaagse dans en beeldende kunst. Dat onderwerp is natuurlijk niet nieuw, maar speelde dit jaar een grote rol in musea, galeries, theaters en vooral het werk van kunstenaars zelf.

Zo kon het geïnteresseerde publiek onlangs terecht bij Hayward Gallery in Londen of Haus der Kunst in München voor de voorstelling Move: Choreographing You, met sculpturen, decorstukken en installaties die konden worden geactiveerd door de bezoeker. Ook kon men afreizen naar het Parijse Centre Pompidou, waar de tentoonstelling Danser sa Vie een uitgebreide selectie toonde van schilderijen, sculpturen, installaties, audiovisuele en choreografische werken die kunst en dans onderzochten op basis van een gedeelde interesse in het bewegende lichaam.

Op haar beurt leidt Springdance de bezoeker naar het Centraal Museum voor een dansperformance van Avdal & Shinozaki in de museumkantoren, terwijl de staf rustig doorwerkt. Ondertussen vindt in de studio van het museum een doorlopende installatie van Ibrahim Quraishi plaats. Twee performers, opgesloten op een filmset, krijgen te maken met kruisbestuivingen tussen het menselijke en het dierlijke, en tussen een droomwereld en sociale eenheid. In zijn performance I-On ontmoet de Roemeense kunstenaar Ivo Demchev de Oostenrijkse kunstenaar Franz West, door te battelen met de voornamelijk ready-made sculpturen in combinatie met dans, muziek en liedjes. Volgens Franz West zelf worden de objecten pas kunstobjecten als iemand er iets mee doet.

De herleving van wederzijdse interesse tussen de kunsten is een actueel feit. Tegelijkertijd veroorzaakt het verwarring, omdat het steeds moeilijker wordt te definiëren wat termen als choreografie,  sculptuur, dans en installatie vandaag betekenen. Interacties tussen choreografen en beeldend kunstenaars worden tegenwoordig weer geïnitieerd vanuit beide kanten. Choreografen werken met objecten en lichamen als sculpturen en formeel materiaal, terwijl beeldend kunstenaars geïntrigeerd raken door de transformatie van het object in dans als een fysieke taal en mathematisch tekensysteem.

Beide zijn zich er van bewust dat het toneelpodium een plaats van live actie in een speciale situatie is, waarbij iedereen en alles een performer kan zijn – bezoekers, schijnwerpers, toneelgordijnen, mengpanelen en kunstobjecten. Bovendien beginnen ze de neutraliteit van de white cube te verlaten, en maken ze verrassende optredens in onverwachte omgevingen als kantoren, treinstations en winkels. Of het nu gaat om een choreograaf, performer of beeldend kunstenaar: voor velen is de keuze voor een specifiek medium duidelijk niet langer bepalend bij de aanvang van een nieuw project. In plaats daarvan wordt deze beslissing gevormd aan de hand van de context. Kunst als een homogeen systeem lijkt tot het verleden te behoren (als het ooit al bestond).

Twee jaar geleden opende Springdance met Boris Charmatz’ Musée de la Danse in BAK Utrecht. Dit was een expositie zonder kunstwerken, maar met kunstenaars. Er kwamen geen objecten, foto’s, sculpturen of installaties aan te pas, slechts lege ruimtes gevuld met gebaren, lichamen, verhalen en dans die de bezoekers zowel letterlijk als in hun eigen verbeelding zagen. Dit jaar sluiten we het festival af met Symphony X, een hybride muziekstuk van componist Ari Benjamin Meyers, waarvoor beeldend kunstenaar Tino Seghal een immaterieel decorontwerp maakte. Het format van een concert wordt op losse schroeven gezet door het publiek uit te nodigen de fysieke uitputting van de musici zelf mede te ervaren.

Voor mij bieden beide optredens of evenementen, hoe je ze ook wilt noemen, een (terug)blik op de toekomst. Ze gebruiken traditionele vormen van theater en beeldende kunst slechts als een echo of referentie voor een nieuw soort ontmoeting met het publiek, die veel verder gaat dan de traditionele publieksreceptie. Deze makers betrekken toeschouwers in kunstconsumptie, door het museum en het podium om te toveren in een speeltuin: een plaats voor ontdekkingen, oefeningen, kritiek en plezier, een plaats voor wisselwerking met kunst door fysieke betrokkenheid. Deze interactie tussen kunstenaar, kunstwerk en publiek die strikt gedefinieerde grenzen en regels overschrijdt, vormt het avontuurlijke veld waarin het nieuwe festival, een fusie tussen Springdance en Festival aan de Werf, vanaf 2013 zal opereren.

Bettina Masuch is artistiek leider van Springdance.

Heine Avdal & Yukiko Shinozaki, FIELD WORKS - OFFICE
Ibrahim Quraishi, WILD LIFE TAKE AWAY STATION
Boris Charmatz, MUSÉE DE LA DANSE (2009) in BAK Utrecht
Ari Benjamin Meyers & Tino Seghal, SYMPHONY X

Sporenonderzoek

Heleen Huisman
STUDY COLLECTIONS VI (2010)

Botten, schedels, een tombe en rottende lijken in het museum: het klinkt onaangenaam en luguber. De tentoonstelling Matthew Day Jackson: In Search of… in GEM, museum voor actuele kunst, doet echter allesbehalve somber aan. De vele botten en schedels die Jackson gebruikt, maakt hij namelijk van glanzend koper of glas; hij schildert ze met Yves Klein Blauw, of hij plaatst ze zwevend in een fragiele staalkabelconstructie, omgeven door spiegels en neonlicht.

Matthew Day Jackson (1974) is een bijzonder veelzijdig kunstenaar die geen vaste techniek of discipline vertegenwoordigt. Hij onderzoekt in zijn werk de hedendaagse westerse samenleving aan de hand van de geschiedenis. In samenwerking met MAMbo in Bologna en Kunstmuseum Luzern brengt GEM de eerste grote solotentoonstelling van deze Amerikaanse kunstenaar in Europa. In Den Haag zijn installaties, sculpturen, foto’s, videowerk en collages te zien. 

Jacksons werk draait om de derde wet van Newton: op een actie volgt een evenredig grote reactie. Steeds gaat het om de sporen die de mens achterlaat in zijn omgeving, en hoe die geschiedenis vormen. De kunstenaar neemt je mee op onderzoek. Als een cultureel antropoloog met een onorthodoxe visie verbindt hij ogenschijnlijk ongerelateerde onderwerpen met elkaar en schrijft zo zijn eigen geschiedenis. Deze concentreert zich op Jacksons eigen referentiekader: de recente Amerikaanse historie. 

Zijn startpunt lijkt te liggen bij de kernbombardementen op Hiroshima en Nagasaki die de Verenigde Staten in augustus 1945 uitvoerden. Zo maakte hij onder de titel August 6, 1945 een serie grote reliëfs van verbrand hout en gegoten lood, met daarop plattegronden van gebombardeerde steden. Zowel inhoudelijk als formeel doen de grote panelen sterk denken aan het donkere werk van Anselm Kiefer (1945), die in zijn werk steevast de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog liet terugkeren. Eén van de werken uit August 6, 1945 is onlangs aangekocht door het Gemeentemuseum Den Haag en toont een plattegrond van Peenemünde, het Duitse testgebied voor de V2 bom. Vanuit de lucht gezien lijkt het stuk land op een doodskop, en daarmee blijkt een tweede thema in Jacksons werk aangeboord: het antropomorfe.

De eerder genoemde menselijke resten zijn namelijk nooit menselijk, maar slechts imitaties en afgietsels. Sterker nog, veel van de figuren bestaan uit artefacten die slechts binnen hun context de associatie met de mens oproepen. In de spiegelglazen kist van The Tomb (2010), gedragen door acht kolossale astronauten, ligt bijvoorbeeld een romp van vijgenhout, een schedel die lijkt te bestaan uit kunststof, een zeisblad als rechterbeen en een beenspalk (ontworpen door Charles en Ray Eames voor de Amerikaanse marine) als linkerbeen. In dezelfde ruimte hangt een fotoserie getiteld The Lower 48 (2010). Jackson fotografeerde in elk van de zuidelijk gelegen achtenveertig staten van Amerika een rots die op een gezicht leek. De kunstenaar speelt op die manier met het verlangen van de mens zijn reflectie te zien; zichzelf te (her)kennen. 

Ook de menselijke neiging tot annexatie speelt een rol in Jacksons werk. Dat is niet alleen te zien in zijn oorlogsgerelateerde werk, maar komt tevens tot uiting in zijn interesse in de Amerikaanse maanlanding. De foto van de eerste voetafdruk op de maan keert in zijn werk regelmatig terug en hij maakte zelfs een gigantisch drieluik van het fluwelig grijze oppervlak van de maan. De titel, Reflections of the Sky (2010), is een van de vele kunsthistorische referenties in de tentoonstelling; in dit geval een verwijzing naar een drieluik met dezelfde afmetingen van Claude Monet, Reflections of Clouds on the Water Lily Pond (1914-1926).

Toe-eigening kan zo eenvoudig zijn als ergens je stempel op drukken, een impressie achterlaten, zoals de Amerikanen de eerste voetsporen op de maagdelijke maan zetten. Toch zijn er nog steeds veel mensen die geloven dat de VS die eerste maanlanding in 1969 geënsceneerd hebben in hun haast de Sovjet-Unie voor te zijn: het filmen van een voetafdruk op een grijzige bodem is eenvoudig te doen. Jacksons reliëf oogt erg realistisch, het is dan ook verrassend te ontdekken dat het gewoon uit met laser bewerkte gipsplaat bestaat. Op die manier vervagen de grenzen tussen realiteit en fictie, en zoals bij elke complottheorie schiet er onwillekeurig door je hoofd: ‘Zou het dan toch?’. 

In het souterrain van het museum zijn de drie films te zien die de tentoonstelling haar naam geven. In het drieluik In Search of… Eidolon; In Search of… Ghosts en In Search of… Zombies (allen 2011) valt alles op zijn plaats. In Search of… was de titel van een Amerikaanse televisieserie, uitgezonden in de jaren zeventig, waarin bovennatuurlijke fenomenen en andere mysteries werden onderzocht. Jacksons films zijn hier hilarische parodieën op. In eerste instantie lijken ze misschien een bombardement van vrije associatie en slechts absurdistisch bedoeld.

Maar wie goed oplet, ziet dat in de films tegelijkertijd Jacksons werk van context voorzien wordt. In In Search of… Ghosts bijvoorbeeld, gaat het over de achtergebleven energie van mensen als ze dood zijn, die kan ingrijpen in de wereld van de levenden. En daar draait het om in Jacksons werk: residu, afdrukken, overblijfselen, reflecties, echo’s en reststraling. Het gaat om de nalatenschap van ons eigen leven en handelen. Klein als de tekening van Jacksons zoon die in de laatste tentoonstellingszaal hangt, of groot als de impact van een atoombom. 

AUGUST 6, 1945 (2011)
THE TOMB (2010)

Anouk in Wonderland

Lise Lotte ten Voorde

Anouk Kruithof (1981, Dordrecht) heeft een abonnement op arbeidsintensieve publicaties, hoewel die benaming de lading niet geheel dekt. Haar uitgaven zijn eerder kruisbestuivingen tussen object, pop-up boek, installatie en, vooruit, boek. Haar nieuwste publicatie A head with wings lijkt op geen van haar voorgaande, maar ook dat is des Kruithofs: steeds opnieuw vindt ze zichzelf uit.

De Amerikaanse uitgeverij waarbij het boek verscheen, Little Brown Mushroom, is het geesteskind van fotograaf Alec Soth. Hij nodigt fotografen uit een publicatie te maken met een vooraf vastgesteld formaat, kaft en bindwijze. Bovendien is er de verplichting tot het gebruik van tekst (‘storytelling’). Anouk Kruithof had nog nooit een verhaaltje geschreven, maar met wat hulp en een flinke dosis pioniersgedrag bleek die voorwaarde allerminst beperkend.

A head with wings kwam in twee maanden tot stand. Kruithof gebruikte hiervoor onder andere foto’s die ze ooit van een man in een Berlijns park had gemaakt. Hij leek niet in orde, zag en praatte tegen dingen die er niet waren, onderwijl druk gebarend. Het interesseert haar, dit soort innerlijke werelden die boven komen drijven. Ze knipte deze foto’s uit, combineerde ze met ander materiaal uit haar archief, plakte ze op karton, herschikte ze en fotografeerde het geheel.

Het resultaat is een nauwelijks waarneembare diepte die vervreemdend werkt. Neem daarbij de eveneens merkwaardige achtergronden van balken en rotsen en je hebt een hallucinante fototrip gone bad. Het verhaal – dat maar ten dele is afgestemd op de beelden – draagt in hoge mate bij aan die trip, ondanks Kruithofs merkbare onervarenheid in het schrijven. Bewegende muren die in sponzen veranderen, zwarte gaten, visioenen van een leger spionnen, een opmerkelijke erotisch-gewelddadige vriendschap en een hoop vertwijfeling.

De fotografie is hoofdzakelijk in zwart-wit, afwisselend gedrukt op de A5-pagina’s van het boekje en op uitvouwbare miniposters van glanzend papier. Met elke bladzijde die je omslaat krijg je een nieuwe verrassing voorgeschoteld – een parallel met het verhaal waarin de verteller langs een bakstenen schutting loopt die van vorm verandert en achter elke hoek nieuwe personages ten tonele tovert. Kruithof verbleef tijdens het maakproces in New York voor een residentie: misschien dat haar ontdekkingstocht aldaar ook door het verhaal schemert.

De sfeer van het boek doet wat denken aan die van Lewis Carrolls Alice in Wonderland, maar A head with wings is ook verwant aan popart en surrealisme. Je vraagt je af: is dit tot stand gekomen door het gebruik van geestverruimende middelen, of is de geestestoestand van Kruithof in gevaar? Probeer vooral niet te begrijpen waar het over gaat, maar dompel je onder in de door Kruithof geschapen wereld, bevolkt door bizarre personages.

De expliciete vormgeving neigt richting té, maar gaat het randje niet over. Voor de kenners zijn er verschillende verwijzingen naar eerder werk te ontdekken, maar die kennis is niet essentieel om dit werk te kunnen waarderen. De publicatie eindigt met een uitvouwposter waarop een explosie van gekleurde rookwolken te zien is, met in de hoek de vage contouren van een daklijst. Wachten we op de volgende gedaantewisseling, of blijven we staren naar dit beeld om de trip nog even voort te laten duren?

A HEAD WITH WINGS
Anouk Kruithof
Ontwerp: Hans Seeger
Little Brown Mushroom, 2011
ISBN: 9780983999003
www.anoukkruithof.nl

Een filmpje van het boek is hier te zien

Christoph Schlingensief, ANIMATOGRAPH - ICELAND EDITION (HOUSE OF PARLIAMENT/ HOUSE OF OBSESSION) (2005) Foto: Victor Nieuwenhuijs

Tegenover de kunstenaar staat een man. Hij vraagt: “Waarom doe je dit? Hoe leg ik dit uit in het buitenland?” Christoph Schlingensief (1960-2010), Duits theatermaker, filmer en kunstenaar bijt het ’m nog net niet toe: “Waarom vertel je ze niet de waarheid?” Die waarheid is dat in 2000 de centrumrechtse populistische partij van Jörg Haider in het gedoogkabinet zit van Oostenrijk, om ruim baan te geven aan xenofobie, aan een grimmiger maatschappij waarin niet iedereen welkom is.

Schlingensief nam dat als aanleiding voor zijn project Ausländer raus – bitte liebt Österreich. Zes dagen lang, onder de vleugels van de Wiener Festwoche georganiseerd, stond er een container in het centrum van Wenen met zogenaamde illegalen. Volgens de wetten van tv-programma Big Brother kon het publiek stemmen wie er weg moest. Degene die weggestemd werd, zou het land worden uitgezet. Explosief materiaal, waarvan het velen niet duidelijk was of de FPÖ van Haider betrokken was, of het nou links of rechts was, fictief, ironisch of bloedserieus. 

De documentaire over Schlingensiefs project draait nu in expositieruimte BAK. De expositie is op zijn beurt weer onderdeel van het langerlopende onderzoeksproject Former West, waarin machtsverhoudingen en misstanden in Europa en de wereld kritisch onder de loep worden genomen. In de film zien we Schlingensief door een megafoon praten en discussiëren met omstanders. We zien politieke prominenten als Daniel Cohn Bendit het spreekgestoelte beklimmen om hun mening te geven. Withete ouderen die bijna uit hun vel springen, beschuldigen met het schuim op de lippen Schlingensief ervan Oostenrijk te kakken te willen zetten. Of wat te denken van de linkse demonstranten die de ‘asielzoekers’ bevrijdden. Maar wat betekent vrijheid, vraagt een medewerker zich terecht af, als je terug moet in die maatschappij vol xenofobie, terug naar een leven in de illegaliteit? Dit project, dat alles en iedereen op scherp zette, lijkt door de recente ontwikkelingen in Nederland alleen maar te winnen aan urgentie. 

Schlingensief overschreed met graagte grenzen van burgermansfatsoen en lapte stereotyperingen aan zijn laars: zo liet hij bekeerde neonazi’s in een toneelstuk meespelen. Spel, politiek, kunst en leven werden een onlosmakelijke brij waar Bertolt Brecht nog jaloers op zou raken. Maar ook: echte discussie en verhitte gemoederen. Menig geëngageerd kunstenaar zal jaloers zijn geweest op dat Schlingensiefeffect. Hoe kom dat tot stand? Is Schlingensiefs werk succesvol doordat hij zijn projecten soms pontificaal in de openbare ruimte neerplantte, waar de wetten anders zijn dan die voor kunst? Vaak verdwijnt de angel uit een werk, als iets kunst blijkt te zijn. 

De gedrevenheid van de maker is minstens zo belangrijk, die überdeutsche, Wagneriaanse zwaarte is Schlingensiefs handtekening. Die zien we ook in BAK: De Animatograph – Iceland Edition (House of Parliament/ House of Obsession) (2005) is een ronddraaiende installatie, vol chaos en gekte. Aan de wanden langszij tetteren tv-schermen. Een man met een witte pruik vervoegt de zin I want to destroy parliament. De draaischijf is volgebouwd met een fragmentarisch huis: veelbetekenend staat in het midden een toiletpot, als afvoerputje van de samenleving. De sofa in de woonkamer heeft als gast een uitgebluste lappen pop. Geluid vult de zaal, theatraal licht en overal draait, beweegt en pulseert het. 

De installatie werd voor het eerst in IJsland getoond, in combinatie met theatrale performances. IJsland heeft het oudste parlement ter wereld, stelt de website van Thyssen-Bornemisza, de kunstinstelling die de installatie in bruikleen heeft gegeven. En dat gegeven speelt een rol, onder meer in performances, die de spot drijven met officiële handelingen door een grappig mini-presidentje. Maar we moeten het vooral doen met suggesties en diepe onderbuikgevoelens van naderend onheil. Het is niet helemaal na te gaan waar die onrust nu door aangewakkerd wordt. Ja, er zijn hints, zoals het communiqué van de Icelandic Party dat oproept om je DNA aan de Icelandic Gene Database af te staan. En, alsof raszuiverheid niet ernstig genoeg is, staat er ook nog omineus boven: Forced sterilization of all Icelandic Democrats – now.

Dat zit niet goed, dat is duidelijk. Het IJsland zoals de theatermaker/kunstenaar dat weergeeft, lijkt een bakermat voor antidemocratische haat; alleen de eigen cultuur en mythologieën worden gevierd. Deze Animatograph is met wat inlevingsvermogen te zien als een uitvergrote pars pro toto van de duistere kanten van het oude Europa. Schlingensief kan zich zo aardig staande houden tussen andere Duitse grootheden als Hermann Nitsch, Jonathan Meese en Anselm Kiefer, voor wie verleden en heden ook een onlosmakelijk en loodzwaar verbond aangaan.