Beste flaneur,

Noor Nuyten
Mark Manders, VOORTMANHUIS, GENT (2012). Foto: Dirk Pauwels

Gent is een idyllische stad voor een romantisch weekendje weg. Neem de tuin van de bekende Sint-Pietersabdij, waar jong en oud, in alle rust, kunnen zonnen, studeren, bijpraten en de komende vijf maanden leesvoer halen. Elke dag, behalve maandag, is  de tijdelijke openluchtbibliotheek in de Sint-Pietersabdij toegankelijk. Iedereen kan hier boeken lenen in ruil voor een vrijwillige donatie aan 11.11.11; een Belgische ontwikkelingsorganisatie. Eenmaal een boek uitgezocht kun je ongestoord in de abdijtuin lezen. De kunstenaar van dit werk, Massimo Bartolini (1962) heeft, door de kwaliteiten van de tuin uit te buiten, een utopische plek gecreëerd.

Het streven naar utopie lijkt de drijfveer achter TRACK. De tentoonstelling,  samengesteld door Philippe Van Cauteren, artistiek directeur van S.M.A.K en Mirjam Varadinis, curator hedendaagse kunst in Kunsthaus Zürich, bevat werken van 41 kunstenaars verspreid over de historische stadsdelen van Gent. Het enige dat de kunstenaars van TRACK gemeen hebben is dat zij allen een dialoog aangaan met de omgeving. Volgens Van Cauteren ‘zal TRACK geslaagd zijn wanneer het finaal een denkspoor achterlaat over de hedendaagse stedelijke realiteit’. De verdere inhoud van de tentoonstelling mag door de bezoeker zelf ingevuld worden, iets dat de Belgische kunstwereld typeert; een te theoretische onderbouwing is taboe, kunst moet zelf spreken.

Langzaamaan verspreiden de verhalen over TRACK zich door de stad: over de buurman die aangenaam verrast was door een kunstwerk in zijn favoriete antiekwinkel, de bezoeker die verdwaalde in Gent omdat zij zich liet verleiden door de middeleeuwse straatjes die onverwachts veranderden in een doolhof, het pand dat al jaren leeg bleek te staan en de kunst zelf die de één teleurstellend vindt en de ander een openbaring. Kortom, TRACK is een tentoonstelling voor iedereen, zelfs als je geen rittenkaart hebt gekocht kan je, met behulp van de krant De Standaard vele kunstwerken ontdekken. Toch is er een soort bezoeker voor wie TRACK tijdverspilling zou kunnen zijn. Dat is degene die geamuseerd wil worden, die enkel wil consumeren. Voor TRACK is namelijk het tegenovergestelde, een actieve houding, een engagement, nodig.

Omdat de wijken waarin TRACK zijn intrek heeft genomen verspreid liggen, zijn er fietsen te huur bij S.M.A.K en op twee treinstations. Elke wijk heeft een meetingpoint waar informatie te verkrijgen is. Een daarvan is CAMPO Victoria, op anderhalve kilometer afstand van het huis Voortman, waar een installatie van Mark Manders (1968) te vinden is. Dit is een huis met geschiedenis, die Manders zich eigen heeft gemaakt. De vroegere bewoner, een voormalige directeur van een textielfabriek, lijkt nog rond te zwerven in het huis, al is het enkel de protserige huisstijl. Als bezoeker bemerk je dat er jarenlang niemand de sierlijke trapleuning, gemarmerde muren en houten vloeren heeft aangeraakt. De werken van Manders zijn als vanzelfsprekend aanwezig. Manders bouwt al sinds zijn achttiende aan zijn mentale ‘zelfportret als gebouw’, een gebouw met verscheidene ruimten. Hier heeft Manders zeven kamers gevuld. In elke kamer is een andere opstelling van bronzen en kleien mens- en dierfiguren, zelfontworpen kranten, dagelijkse objecten en tekeningen te vinden. Manders lijkt te schrijven met deze objecten; te dichten met beeld. Veel elementen uit Manders vroegere werk zijn terug te zien, maar dat is niet storend. Zoals de kunstenaar zelf zegt: ‘Er is geen verschil in hetgeen ik vierentwintig jaar geleden maakte en wat ik gisteren heb gemaakt’. In dit gebouw staat de tijd stil, alsof er iemand zijn adem heeft ingehouden.

Aan de andere kant van de weg is de volgende locatie gelegen, de Maria Goretti kerk, met werk van Benjamin Verdonck (1972). In tegenstelling tot het huis Voortman is dit gebouw nog volop in gebruik; bij binnenkomst kan de bezoeker verrast worden door een verwelkomend orgelgeluid. Hoewel het geluid geen onderdeel is van het werk abc van Verdonck, gaat het er wel een interactie mee aan. abc bestaat uit het oudst bekende Nederlandse liefdesversje, ‘Hebban olla vogala nestas’, geschreven met nagebootste massaproducten die zijn gebruikt als letters uit het alfabet en opgesteld op een plank aan de muur.

Elke locatie heeft charme. TRACK lijkt alle bijzondere plekken in Gent te hebben benut. Behalve de Sint Baafs Kathedraal in het hartje van Gent. Deze locatie is gereserveerd voor Jan Hoet en Hans Martens met hun, zoals ze het zelf communiceren, ‘gratis tentoonstelling’, genaamd Sint-Jan. De geest van Hoet’s tentoonstellingen Chambre d’amis en Over the edges waart nog rond in Gent en komt veelvuldig naar boven in de vorm van geromantiseerde verhalen waar TRACK, soms tevergeefs, tegenop moet boksen. Deze verhalen maken TRACK en Gent uniek, zij zijn het bewijs van een stad die om kunst geeft en waar met overtuiging word gestreden voor cultuur.

Ook Nederlandse kunstenaars trekken ten strijde voor cultuur. Zoals Erik van Lieshout (1968), die gedurende de periode van TRACK zijn intrek neemt in een leegstaand winkelpand in de Dampoortstraat. In zijn nieuwe behuizing toont hij openlijk zijn frustraties over de radicale bezuinigingen van de Nederlandse overheid. Het is een ware beleving om het winkelpand binnen te stappen. De vloer van de ruimte is opgehoogd waardoor de keuken half in de grond wegzakt en het toilet onbruikbaar is geworden, waardoor je als bezoeker het besef van de menselijke maat kwijtraakt. Deze verloren realiteitszin lijkt nauw verbonden met de openlijke kritiek op het huidige kunstklimaat. Hopelijk blijft van Lieshout nog even op deze barricade staan.

Naast het geven van expliciete kritiek zijn er ook Nederlandse kunstenaars die gestaag blijven bouwen aan een socialere wereld, zoals Bart Lodewijks (1972). Gedurende TRACK laat Lodewijks zijn sporen achter in de Zonder-naam straat: krijttekeningen bestaande uit zorgvuldig gezette lijnen die de architectuur, de Gentenaren en de bezoekers met de kunst en vooral met elkaar verbinden. Lodewijks werkwijze weerspiegelt het fundament van TRACK. Gedurende vijf maanden zal TRACK een zorgvuldig gewoven web creëren, dat de grens tussen publiek- en private ruimtes laat vervagen. Ieder kan onderdeel worden van dit web: welkom in Gent!

Bart Lodewijks, A PROJECT WITHOUT NAME (2012). Foto: Gonzales

Wanneer je het nieuwe boek – de vleeswording van zijn doctoraat – van Camiel van Winkel (1964) in je handen krijgt, is het eerste wat je leest een paradox: During the Exhibition the Gallery will be Closed. Wat? Juist. De titel verwijst naar het werk Closed Gallery Piece dat conceptueel kunstenaar Robert Barry in 1969 in drie verschillende steden uitvoerde, waaronder Amsterdam. De ambigue titel past uitstekend bij Van Winkel’s betoog: conceptuele kunst wordt gekenmerkt door paradoxen die tot op heden onopgelost blijven. Waarom vindt Van Winkel het relevant om vandaag de dag naar deze kunststroming te kijken?

Het boek is samengesteld uit zeven essays die de auteur in de periode 2001-2010 voor verschillende gelegenheden heeft geschreven. De essays verschillen behoorlijk in lengte, inhoud en stijl. Sommige zijn thematisch, terwijl andere een meer historische benadering volgen. Van Winkel heeft ervoor gekozen om de essays in drie delen te presenteren. Deze zijn getiteld: Unfortunate Implications, Conceptual Art in a Visual World en Conceptual Art and Photography. Het eerste deel beslaat een vroege fase in zijn onderzoek met teksten uit 2001 en 2002. In de inleiding geeft Van Winkel aan dat hoewel de term ‘conceptuele kunst’ toen nog geen prominente plaats innam in zijn onderzoek, beide teksten wel al onderwerpen aansnijden – zoals de dominantie van informatie en de groeiende rol van bemiddelaars in de kunstwereld, die een belangrijke rol zijn gaan spelen in zijn latere onderzoek. Door de teksten in hun pure vorm te presenteren, zonder ze te actualiseren, wil de auteur laten zien hoe het conceptualisme zijn onderzoek heeft beïnvloed.

Volgens Van Winkel zijn de hedendaagse kunstproductie en -receptie nadrukkelijk verbonden met het conceptualisme. Het conceptualisme bracht namelijk structurele veranderingen met zich mee, die de kunstwereld voorgoed veranderden. Een voorbeeld hiervan is dat zelfs lang na het conceptualisme het idee van de scheiding tussen het ‘concept’ en de ‘uitvoering’ van een werk, is blijven bestaan. Van Winkel laat de hedendaagse kunst omstreeks 1970 beginnen, toen het conceptualisme haar piek bereikte. Deze periodisering maakt van de hedendaagse kunst een nadrukkelijk ‘postconceptueel’ fenomeen in de dubbele betekenis van het woord: het is de kunst die zowel volgt op, als voortkomt uit, het conceptualisme.

Van Winkel geeft aan dat een scheiding zoals deze altijd een artificieel karakter heeft en daarin heeft hij gelijk. Wat zijn de voordelen van zijn periodisering? Door de conceptuele kunst – en haar erfenis – vanuit het perspectief van de hedendaagse kunstproductie en -receptie te beschouwen, wordt niet alleen de beweging zelf, maar ook de gevolgen van de beweging op de kunstwereld in ogenschouw genomen. Dit biedt de lezer niet alleen een rijker beeld van het conceptualisme, maar legt ook veel onopgeloste zaken van de huidige kunstproductie en -receptie bloot.

Een van de onopgeloste zaken die in Van Winkel’s studie veel ruimte krijgt is de huidige crisis in de kunstkritiek. Van Winkel doelt op het feit dat er tegenwoordig geen objectieve kwaliteitscriteria meer bestaan voor de beoordeling van kunstwerken. Volgens de auteur is deze crisis te herleiden tot het conceptualisme, waar een objectief waardeoordeel voor het eerst onmogelijk werd omdat de uitwerking van een werk ondergeschikt werd geacht aan het concept – het credo “Any result is a good result.”

Met dit credo maakte het conceptualisme de professie van de kunstcriticus niet alleen belachelijk; ze maakte hem ook precair. Volgens Van Winkel is deze bestaande situatie nog nooit echt in ogenschouw genomen door hen wie het aangaat. Van Winkel bepleit dat dit urgent moeten gebeuren: “It is all the more pressing that critics, theoreticians and historians set themselves the task of developing ‘post-conceptual’ criteria for judging contemporary works of art in a convincing way.”

Volgens de auteur moeten de paradoxen en consequenties van de conceptuele kunst aan het licht worden gebracht en worden geaccepteerd. Van Winkel leidt onder meer de crisis in de kunstkritiek terug tot haar oorsprong in het conceptualisme. Er moet worden geaccepteerd dat er niet langer vaste maatstaven zijn, zowel voor de productie als receptie van kunst. Van Winkel benadrukt dat het creëren van nieuwe dogma’s ook zeker geen oplossing is. Zijn studie doet de lezer beseffen waar de kunstproductie en -kritiek staat en hoe ze in deze situatie terecht is gekomen.

Hoewel de inhoud van Van Winkel’s studie veel stof tot nadenken biedt, is er wel het een en ander op te merken aan de opbouw van het boek. Zo is de introductie de enige tekst die speciaal voor deze publicatie is geschreven, en deze is helaas rommelig. Van Winkel besteedt veel ruimte aan het verantwoorden van zijn keuze de essays niet te actualiseren. Al lezende merk je dat deze verantwoording ook nodig is: er zijn veel overlappingen in informatie en hoewel de essays afzonderlijk erg interessant zijn en rijke analyses bevatten, zijn ze niet altijd even relevant voor het argument dat Van Winkel met deze studie wil maken. Daarnaast is er relatief weinig aandacht voor conceptuele kunstwerken zelf, want hoewel de auteur veel afbeeldingen van conceptueel werk laat zien, worden deze bijna nergens concreet in verband gebracht met zijn betoog.

Desondanks is During the Exhibition the Gallery will be Closed een informatief en toegankelijk boek. Diegenen die meer willen weten over conceptuele kunst, haar doelstellingen en uitwerkingen, zijn bij Van Winkel aan het juiste adres. Ook voor kunst professionals is de studie een aanrader. Het boek kan gezien worden als het begin van een nieuw pad voor de kunstgeschiedenis; een pad dat terugblikt en probeert te begrijpen hoe het zich tot dusver ontwikkeld heeft en waar het in de toekomst naartoe zal gaan. Hoewel Van Winkel’s bevindingen soms nihilistisch kunnen overkomen, is er, naar mijn mening, geen reden tot treuren. De situatie van het postconceptualisme heeft argumentatie en redenatie namelijk belangrijker gemaakt dan ooit tevoren. Zowel kunstenaar als criticus kunnen niet zomaar overal mee weg komen, ze moeten hun mannetje kunnen staan en zich kunnen verantwoorden voor hun (artistieke) keuzes. “Not just any result is a good result!”

Camiel van Winkel
Valiz, Amsterdam
ISBN 978-90-78088-56-1
€25,00 

De kunst van de subsidie

Marjolein van de Ven
Midden: Robin de Goede, RUIN VALUE (2010) (Foto: Rob Kollaard, courtesy Stroom Den Haag)

Kunst- en architectuurcentrum Stroom in Den Haag investeert op verschillende manieren in het kunstklimaat van de stad. Het subsidieert kunstenaars, organiseert tentoonstellingen, helpt bij het vinden en regelen van goedkope atelierruimte en heeft een uitgebreide bibliotheek en kenniscentrum. Ook heeft het aandacht voor de toekomstige generatie Haagse kunstenaars. Zo is de PRO Invest subsidie, die vanaf 2007 bestaat, bedoeld om de net afgestudeerde kunstenaar te helpen bij zijn eerste professionele stappen. Door het indienen van een werkplan kan er een bedrag tot 5000 euro worden aangevraagd. Als criteria gelden de kwaliteit van het werk en de wijze waarop het project bijdraagt aan het culturele klimaat van Den Haag. Dat kan op allerlei manieren, van een sociaal geëngageerd kunstproject tot betrokkenheid bij een kunstenaarsinitiatief of een cultureel tijdschrift.

PRO Invest is ook de reden voor de tentoonstelling Return on invest, die momenteel bij Stroom te zien is. Zoals de naam al doet vermoeden is de tentoonstelling een retrospectief van wat er is voortgekomen uit deze subsidie. Negen van de ongeveer veertig kunstenaars, die de afgelopen jaren geld hebben ontvangen, laten werk zien. Daarnaast geeft een randprogramma inzicht in wat de hedendaagse kunstenaarspraktijk inhoudt. Zo geven de kunstenaars zelf rondleidingen door de tentoonstelling, kunnen er atelierbezoeken worden bijgewoond en worden er enkele lezingen gegeven. Met dit gecombineerde programma wil Stroom laten zien dat de kunstenaarspraktijk aan het veranderen is. Dat kunstenaars tegenwoordig vaak meerdere bijbaantjes hebben om zichzelf te ondersteunen en aan allerlei projecten tegelijkertijd werken, zonder er veel aan te verdienen.

Buiten het feit dat de negen kunstenaars waarvan werk wordt getoond allemaal de PRO Invest subsidie hebben ontvangen, is er geen overkoepelend thema. Er is een breed scala aan werkwijzen en uitgangspunten te zien: schilderijen, kleine installaties, projecties, videowerken, een muurreliëf en zelfs een geluidswerk. De onderwerpen lopen uiteen van gefilmde desolate bunkers en geluiden uit een vliegtuig, tot de documentatie van een groeiende projectie op het Haagse stadhuis en een video met vragen over het kunstenaarschap. De werken lijken zonder duidelijke logica door de ruimte verspreid. In eerste instantie is dit desoriënterend. Waar is het begin? Uiteindelijk blijkt de afwisseling juist verfrissend. Omdat er geen titelbordjes of verwijzingen zijn naar wat door wie is gemaakt, wordt de toeschouwer overgelaten aan zijn waarnemingsvermogen (en het kleine tentoonstellingsboekje). Het bekijken van de werken wordt een soort ontdekkingstocht, waarbij af en toe het ene werk in het andere overloopt, of er juist compleet mee contrasteert. Soms leidt dit tot kruisbestuivingen tussen de werken. De video van Robin de Goede (1978), waarin beelden van verlaten bunkers op een strand worden afgewisseld met het ruisen van de zee, combineert bijvoorbeeld erg mooi met de wat ongemakkelijke werken van Lilian Kreutzberger (1984). Bij de vele ruimtes die Kreutzberger tekent en schildert gaat het over dat wat er niet is: de utopie die de mens voor zichzelf probeert te creëren en de leegte die daaruit voortkomt. De ritmische en rustgevende geluiden uit de koptelefoon bij het werk van De Goede, krijgen een andere betekenis als ze worden gecombineerd met de ruimten in het werk van Kreutzberger die op de muur ernaast hangen. Het verstilde krijgt ineens een vleugje wanhoop.

Ook de in eerste instantie eenduidige presentaties van de foto’s van Magdalena Pilko (1979) en de nabijgelegen assemblage Vanilla options (it has begun to sprout) van Basten Stokhuyzen (1984) hebben een interessante wisselwerking op elkaar. Beiden werken roepen op tot het leggen van relaties, maar waar Stokhuyzen materiaalstudies gebruikt als leidraad voor een verhaal, zoomt Pilko met haar foto’s van architecturale patronen extreem in op details en laat ze juist het verhaal achterwege. Natuurlijk combineren niet alle werken zoals gewenst. Het geluidswerk van Nishiko (1981) – een soundtrack van per ongeluk opgenomen geluiden dat volgens het tentoonstellingsboekje door de hele ruimte is te horen – is iets te subtiel en wordt overstemd door de andere werken. Het werk van Stokhuyzen is juist weer iets té aanwezig. De negen collageachtige installaties die door de hele tentoonstelling te vinden zijn zorgen weliswaar voor een visuele rode draad door de tentoonstelling, maar het zou spannender zijn als het er wat minder waren geweest. Per stuk bekeken zijn de materiaalonderzoek-achtige collages, deel van een project waarmee Stokhuyzen een parallel probeert te trekken tussen de rol van de hedendaagse kunstenaar en de obscure praktijken in de financiële wereld, overigens wel intrigerend.

Om het tweeledige van Return on invest mee te krijgen is het zeker interessant het tentoonstellingsbezoek te combineren met een van de activiteiten van het randprogramma. In de tentoonstelling zelf wordt er namelijk weinig inzicht gegeven in hoe de praktijk er voor deze kunstenaars uitziet. Dat is op zich niet erg, maar juist omdat het concept mooi inspeelt op het transparanter maken van de financiële investering en dat wat daaruit voortkomt, had er wellicht nadrukkelijker verwezen kunnen worden naar de activiteiten. Maar, al met al geeft de tentoonstelling een mooie kijk in de diversiteit van de hedendaagse (Haagse) kunstscene en is er zeker een positieve ‘return’ wat betreft de productie. Hopelijk is er volgend jaar nog een vervolg mogelijk.

Robin de Goede, RUIN VALUE (2010) (Foto: Robin de Goede)
Magdalena Pilko, INTERVIEWING ORNAMENTS (2012) (Foto: Maaike Lauwaert, courtesy Stroom Den Haag)
Basten Stokhuyzen, VANILLA OPTIONS (IT HAS BEGUN TO SPROUT) (2012) (Foto: Maaike Lauwaert, courtesy Stroom Den Haag, Courtesy: Panopticum Berlin)

Bellen in een blauwe badjas

Lise Lotte ten Voorde

De telefoon gaat: het is voor Ruth. Echtgenoot Nigel brengt haar de nieuwe draadloze telefoon. Terwijl hij naar de badkamer loopt, grist hij zijn camera van het dressoir. Zij weet hoe laat het is wanneer Nigel op de deur klopt en slaat snel een handdoekje om voor hij afdrukt.

Ruth on the phone van Nigel Shafran bestaat louter uit beelden. Beelden van Ruth aan de telefoon, gemaakt tussen 1995 en 2004. Ze zijn niet bijzonder goed belicht of genuanceerd van kleur. Het papier waarop ze gedrukt zijn is eigenlijk net iets te geel; de kleur van archieven. Hoewel de composities evenwichtig zijn, hebben de beelden iets weg van snapshots. Ze horen misschien niet thuis in een boek, zijn wellicht niet eens met die gedachte gemaakt.

Dat de foto’s acht jaar later zijn gepubliceerd, biedt ruimte voor speculatie. Is er iets gebeurd met Ruth? Is ze ziek of misschien zelfs dood? Nigel Shafrans andere werk werpt enig licht op de situatie. Hij is geïnteresseerd in scenario’s van het alledaagse, in het ‘gewone Londen.’ En waar manifesteert zich dit beter dan thuis, waar je subject nauwelijks opkijkt van jou en je camera?

Ruth belt ongestoord door, het liefst in een verschoten blauwe badjas en slippers met dikke zolen. Zittend in een rieten stoel bij een ladekast, aan tafel of naast het aanrecht, het snoer volledig uitgerekt. Zelfs tijdens het uitblazen van de kaarsjes op een verjaardagstaart. Zo nu en dan schermt ze haar gezicht af, vaak is ze verdiept in het telefoongesprek, soms krijgt de fotograaf een stralende glimlach.

Er is iets oprechts aan haar glimlach. Die is bedoeld voor de man achter de camera. Het is geen lach zoals modellen die hanteren; zij lachen door de camera heen naar ons, de consument. Zo’n vrouw is Ruth niet. Ze draagt spijkerbroeken en slobberige truien, af en toe een bloemetjesjurk. Er is nooit een spoortje make-up te bekennen. Ze lijkt altijd aan het werk of in verbouwing te zijn. Last van de papierstapels op haar bureau of de stofzuiger op haar bed heeft ze niet.

De ruimte (een atelier?) waarin Ruth telefoneert, inclusief de spullen daarin, verandert voortdurend van uiterlijk. De ruimte is klein en lijkt het enige vertrek te zijn waarin ze zich begeeft. Zeldzame doorkijkjes naar een keuken (een groot wijnrek op de koelkast) weerleggen dat beeld. Een fiets in de gang, een helm op het hoofd en een kaart van Londen aan de muur doen eveneens vermoeden dat Ruth heus wel buiten komt.

Soms is een foto ongeloofwaardig. Zoals die ene waarop Ruth net van haar fiets lijkt gestapt – muts nog op, handschoen nog aan de vrije hand. Ze staat alweer te bellen. Is ze verslaafd? Of kon ze haar bestemming niet vinden en is ze huiswaarts gekeerd om een telefonische routebeschrijving in te winnen (Google Maps bestond nog niet)? Misschien heeft Nigel haar gevraagd te doen alsof, for the sake of variety.

Op de laatste serie foto’s is Ruth zwanger. Ze draagt nog altijd haar slippers met gekruiste banden en dikke zolen. Midden in de chaos van een verhuizing zit ze met de benen over elkaar geslagen in een kuipstoeltje. Op haar knie balanceert een enorme ronde, halflege doos bonbons. Waarom eindigt het boek juist hier? Ligt het aan de nieuwe levensfase, of is Shafran het lopen beu?

Het boek is in de eerste plaats een ode aan Ruth. Aan haar onverstoorbaarheid, aan de gulle lach op een onbewaakt ogenblik. Tegelijk is het een ode aan het verleden, aan de telefoon-met-snoer. Maar bovenal is het een lofzang op het alledaagse, op de kleine dingen right under your nose. Door de komst van de draadloze telefoon en het mobieltje is telefoneren verschoven van iets intiems naar iets vluchtigs. Van iets waarvoor je de tijd neemt omdat je er stil bij moet zitten, naar iets waarbij enkel nog nog in steekwoorden gecommuniceerd hoeft te worden. In de loop van tien jaar is er zodoende ook voor de fotograaf iets veranderd: hij moet Ruth opeens achtervolgen om haar vast te kunnen leggen.

Al met al is Ruth on the phone een vrij klassiek boek. Onder de beschermende flap heeft het een gemêleerd grijs linnen kaft en letters in goudfolie. Deze sobere vorm is noodzakelijk voor het intieme onderwerp, dat zittend in een kuipstoel – met bonbons binnen handbereik en de mobiele telefoon op stil – moet worden bekeken.

RUTH ON THE PHONE
Nigel Shafran
Roma Publications, 2012
ISBN 9789077459768
www.nigelshafran.com

Werk in uitvoering

Nynke Besemer
Theo Jansen bij zijn ANIMARUS VERMICULUS

Net buiten het centrum van Dordrecht ligt de wijk Stadswerven, een oude buurt die de komende jaren wordt omgevormd tot woonwijk. En wat is er nodig om een vervallen buurt weer tot leven te laten komen? Kunstenaars! Terwijl de komende jaren de buurt wordt getransformeerd, krijgt de Biesboschhal in deze wijk tijdelijk de functie van tentoonstellingsruimte, DordtYart genaamd. Van buiten oogt de voormalige machinehal van de scheepswerf verlaten, maar binnen leeft het weer. Zodra ik binnenkom, begint een wand met kisten te schudden en opeens valt mij op dat er nog meer herrie is. Waar vroeger fabrieksmachines kabaal maakten, zijn nu kunstenaars hard aan het werk met allerhande gereedschappen.

Elf kunstenaars zijn gevraagd om werk te tonen en ter plekke te maken voor de openingstentoonstelling Kunst Werkt. Die titel kan letterlijk worden genomen, er werken kunstenaars en de kunst werkt; er is beweging, geluid of interactie. Veel kunstwerken veranderen bovendien gedurende de tentoonstellingsperiode. Monumentum van de vorig jaar afgestudeerde Xandra van der Eijk (1985) bestaat uit pigmenten die naar beneden vallen op een vier meter lang papier. Verspreid over enkele dagen druppelt dit naar beneden. De pigmenten mengen niet, maar drukken elkaar weg, waardoor er een ritme van kleuren ontstaat.

Lopend door DordtYart voel ik mij alsof op een ontdekkingstocht. DordtYart is alles wat ik niet verwacht van een tentoonstellingsruimte. Dit is geen witte ruimte waar je keurig en stil langs kunstwerken loopt. Er is geen routing. Het is echt nog een grote hal, met her en der kunstwerken, een enkel wit muurtje, onaffe kunstwerken en kunstenaars die aan het werk zijn.

Buiten staat Pyranography van Zoro Feigl (1983) opgesteld. Dit werk bestaat uit grote glazen bollen, gevuld met water. Zonlicht dringt door de bollen, naar de blokken hout erachter. Het brandt streepjes in het hout. Zo wordt het verstrijken van de tijd gedurende de tentoonstelling vastgelegd. Weer binnen duw ik een strandbeest van Theo Jansen (1948) voor me uit. Zodra je er tegenaan duwt, begint dit kinetische gevaarte met zijn vele ‘poten’ te lopen. Jansen is geïnteresseerd in looptechnieken en maakt grote sculpturen die, zelfs door de wind, in beweging kunnen worden gebracht. De kunstenaars zijn nog aan het werk, dus misschien ziet het er over een maand wel heel anders uit, wat een gangbare institutionele routing natuurlijk ook overbodig maakt. Nu loop je van de ene naar de andere kant. Of kijk je nog eens achterom en komen de verschillende werken alsnog samen.

Sommige kunstenaars die aan het werk zijn, willen er graag over vertellen. Zo attendeert Hans van Koolwijk (1952) mij erop dat ik zijn werk kan bespelen. Terwijl hij doorgaat met het maken van een nieuwe fluit, loop ik rond in zijn installatie Duizendfluit die bestaat uit vierentwintig kisten met daarop fluiten. Zodra je op een knopje op de kist drukt, speelt de fluit een toon. Muziek! Van Koolwijk vertelt over zijn fascinatie voor geluid en wijst op zijn aquakleurige Klankkaatser verderop in de hal. Het doet mij denken aan een grote ovale ufo. Binnenin staan klanken en kleuren centraal. Van Koolwijk speelt met kleuren, die geleidelijk veranderen en het plafond oneindig laten lijken.

Naast de tentoonstellingsruimte beschikt DordtYart ook over drie artists in residence plaatsen, die steeds voor drie maanden worden ingevuld. Recent sloten Maurice Bogaert (1975), Hélène Julliet (1985) en Adriaan de Viliers (1984) hun werkperiode af met een presentatie van hun werk. En er is meer werkruimte voor andere kunstenaars. Zo werkt Maartje Korstanje (1982) er nu aan een grote sculptuur voor het gemeentehuis in Hardenberg. Er hangt een A4’tje met de beschrijving van de opdracht en de uitvoering ervan, maar eigenlijk vertelt Korstanje het net zo graag zelf.

Het initiatief DordtYart brengt de machinehal weer tot leven en biedt veel mogelijkheden en ruimte aan kunstenaars. Al deze kunstenaars varen weer uit en maken vervolgens plaats voor nieuwe tentoonstellingen en kunstenaars. De Biesboschhal is voor acht jaar gereserveerd als tentoonstellingsruimte, daarna komt de echte transformatie. Tot parkeergarage. De beweeglijke, veranderlijke kunstwerken van Kunst Werkt passen perfect op deze industriële plek. Ze trekken de aandacht en laten letterlijk van zich horen. Andere kunst zou wellicht wegvallen in deze enorme hal. Kunst Werkt maakt mij nieuwsgierig naar komende tentoonstellingen in DordtYart en wat die met de ruimte zullen doen. In de winter is Dordtyart gesloten, dus de volgende tentoonstelling zal in het voorjaar van 2013 openen. Wederom met kunstenaars die ter plekke de handen uit de mouwen steken. 

Bewondering als beroepskeuze

Bob van der Sterre
Jan Wattjes, STATUE OF A PAINTER (2012)

Trots zijn op je vak is één ding, maar als je je vakgenoten afbeeldt op een sokkel, dan heb je toch wel last van bewonderingsdrang. Jan Wattjes (1981) heeft er geen moeite mee om het te tonen en schildert beroemde schilders als beelden. 

Een man staat op een sokkel met een dramatische lucht achter hem, van dieprood tot pikzwart, staart de kijker in het gezicht. Een rode gloed suggereert dat een lage zon van de zijkant op hem schijnt. Het maakt hem majestueus. Minstens zo majestueus als een beeld ergens op een Madrileense boulevard, of een triomfantelijk beeld van Goya. 

De boodschap is duidelijk: dat is nog eens eerbetoon! Jan Wattjes – misschien bekend van zijn deelname aan het tv-programma De Nieuwe Rembrandt – vat die verering samen in een standbeeld van Jozef Israëls, een van zijn favoriete schilders. Die houdt in een donkere omgeving een kwastje vast en wordt daarbij minachtend bekeken. Een toeschouwer heeft een stok met een doodshoofd in zijn handen.

Maar Wattjes vereeuwigt zijn kunstenaars niet alleen maar als statig standbeeld. Op een kolossaal doek, met een typische, rauwe gele ondergrond, komt de Londense dandy kunstenaar Sebastian Horsley op de kijker afgelopen. Er is een portret van Walter Sickert. En ten slotte is op een van de doeken een onbekende kunstenaar levend op een sokkel afgebeeld. Midden in een bos, dat wel.

Een van de beste werken is Uniform of the painter. Een lege jas en hoed, zwevend boven een sokkel, maken duidelijk dat de kunstenaar in Wattjes’ ogen een jas aandoet om zijn rol te spelen. Het is een verrassend lichtvoetig werk dat ongetwijfeld door medekunstenaars met een grinnik zal worden ontvangen.

Het is bijna naïef, deze bewondering voor ‘oude schilders’ in een tijd waarin het schilderen lijkt te zijn ingehaald door kunstenaars die hun eigen bed als kunstwerk presenteren, ‘vragen stellen over de multimediale samenleving’ via video-installaties, of anarchistische ratten spuiten op stadsmuren.

Wattjes lijkt ons te willen herinneren aan hoe de schilders van weleer ooit met kwasten tekeer gingen, en welke paden ze geëffend hebben. De onbegrepen progressievellingen van destijds worden nu zonder verdere vragen als grote meesters beschouwd. Het Gemeentemuseum in Den Haag haakt hier toevallig bij aan met een expositie die ‘Gewoon schilderen’ wordt genoemd.

Maar Wattjes’ motivatie om schilders te eren is een stuk eenvoudiger. In een aflevering van De Nieuwe Rembrandt legt hij uit dat zijn belangrijkste reden om met verf te werken het schilderen zelf is. Hem interesseert vooral de textuur van verf op doek. ‘De beschouwer moet geboeid kunnen worden op lange termijn’, licht hij toe.

Dan moet je ook onderwerpen hebben om op dat doek te schilderen. En net als vele kunstenaars voor hem, kiest hij voor zijn fascinaties: bestaande schilderijen. Dus op zoek naar een eigen stijl, is hij van zijn inspiratiebronnen zijn oeuvre gaan maken. Zo ging hij op zoek naar zijn artistieke voorvaderen in een reeks over studio’s van kunstenaars en de families van kunstenaars. Een logisch vervolg lijkt dan ook de kunstenaars zelf als onderwerp te nemen. 

Hij speelt daarmee een spelletje met de nuchtere Nederlandse toeschouwer – voor wie die bewondering voor kunstenaars nou eenmaal niet altijd makkelijk afgaat. Voor de meeste Nederlanders is kunst tegenwoordig iets om op te schelden. Je kunt beter bezuinigen op die linkse hobby’s.

Maar de bewondering is bij Wattjes ook genetisch bepaald: de invloed van Wattjes vader, die zelf ook schilder was, danst rond in het oeuvre. Al eerder werd in de reeks ‘studio’s’ een belangrijke plek ingeruimd voor de atelier van zijn vader. Een van de geschilderde standbeelden heet dan ook Father. Je zou hem de pater familias van Wattjes’ kunstenaarsfamilie kunnen noemen.

Zoals voortplanting kopiëren van mensen is, zo is het kopiëren van schilderijen het voortzetten van bestaand kunst-DNA. Kopiëren is opmerkelijk belangrijk in het werk van Wattjes. Zo herhaalt hij het portret van Horsley, dat hij al had geschilderd in de reeks over families van kunstenaars. De studio van zijn vader komt hier ook terug in een detail. En het kan nog letterlijker. Zo kopieerde hij een door Jozef Israëls gekopieerd zelfportret.

Is Wattjes niet te veel bezig met de kracht van andere kunstenaars, om vervolgens zijn eigen kracht te vergeten? Is hij niet wat te bescheiden? Niets van dat alles. Het lijkt me dat de inspiratiebronnen gezonde bijrollen hebben in zijn eigen schilderswereld, en het kijken naar anderen, dat is duidelijk Wattjes’ grote kracht. Je zou het een gezonde variant kunnen noemen van Phillip Akkerman, die in allerlei stijlen zelfportretten schildert.

Juist dankzij zijn inspiratiebronnen bespeelt Wattjes een uiterst divers register van stijlen, soms haast magisch-realistisch (het eerder genoemde ‘uniform of the painter’), soms rauw en donker, soms licht en kleurrijk, zelfs vrij letterlijk herinnerend aan de expressionistische stijl van Van Gogh (met name de dikke lagen textuur op de portretten van Arthur Rimbaud en Walter Sickert). 

Hoewel de mix van stijlen in de portretreeks intrigeert en individueel sterke werken oplevert, wordt het geen bevredigend geheel. Een doek als van Horsley is compleet anders van toon dan de standbeelden met donkere luchten. Het is ook soms alsof de humor in het werk van Wattjes nog niet helemaal zuiver klinkt; de ene keer tref je een soort slapstick, de andere keer is het jammerlijk afwezig.

Je zou bijna denken dat een groepje kunstenaars samen deze expositie heeft gemaakt. Maar wie weet, is dat juist een groot compliment voor iemand die de verering voor zijn kunstenaarsfamilie voor alles plaatst.

Gezamenlijk uit het niets

Huib Haye van der Werf

“Everything in this house, or in this hole – whatever you prefer to call it – must be decided together: what we mean by culture, as well as the contents and methods on how to organize such cultural activities. Obviously we’ll have to expect some chaos in the beginning: it is inevitable. This happens every time there is a desire to do something new, to rethink old problems and solve them in a new way.”

In het fictief verslag van de totstandkoming van het utopische Centre Beaubourg draagt de verteller met de bovenstaande woorden een kolossaal casco bouwwerk – drieënvijftig verdiepingen diep onder het hoogculturele Centre Pompidou in Parijs – over aan de inwoners van de stad. Het doel van deze overdracht is om een mogelijkheid te creëren waar alternatieve vormen van cultuur kunnen ontstaan. In Centre Beaubourg staat alles leeg en het is aan de toekomstige gebruikers deze in te richten, te programmeren en te beheren. Al snel wordt de chaos van besluiteloosheid, cynisme en individualisme vervangen door een gemeenschap van verschillende gebruikers en culturen die collectief handelen – van omaatjes die potten en taarten bakken tot schilders en motorbendes. Iedereen doet gezamenlijk zijn part, geld bestaat wel maar louter als een gereedschap en net als alle andere gereedschappen in dit ondergrondse bolwerk wordt het gedeeld met iedereen. Begrippen als hoog- en laagcultuur vallen weg, eigendom wordt relatief, winst bestaat niet en besluiten worden door middel van consensus genomen. De kaalheid en ongewis aan het begin dit experiment is het potentieel wat leidt tot een andere manier van denken over cultuur en maatschappij. Het leidt daarmee tot een nieuwe toekomst voor iedereen die er aan mee doet.

Waarom raak ik toch geprikkeld bij het lezen van een verhaal als dat van Centre Beaubourg door de gedachte dat als maar een paar juiste mensen anders denken, alles ook anders kán worden? Ondanks alles wat de afgelopen jaar in Nederland cultuurland heeft plaatsgevonden geloof ik nog altijd in een betere toekomst. Maar waarom heb ik die hoop? Waarom denk ik dat Nederland zijn weg terug zal vinden naar een land die cultureel vooruitstrevend is? Een land die visionaire kunst en creativiteit voortbrengt niet omdat het een industrie is maar omdat het belangrijk is om kritisch te kunnen denken?

Ik lijk wel gek. De verkiezingen komen er weer aan, de peilingen slaan je weer om de oren, en die beloven niet veel goeds. Een barmhartiger visie lijkt binnen bereik, maar vooruitstrevendheid kunnen wij voorlopig nog vergeten. De maatschappij is nu gefocust op behoud, en wordt beheerst door de angst de zaken niet erger te laten worden, waardoor al het andere secundair is. Dat geldt zeker voor kunst en cultuur. Aan de politieke horizon is geen enkele mogelijkheid te zien om de bezuinigingen van een jaar geleden terug te draaien, en erger nog, de maatschappij wil het ook niet. Wat doe je dan als kunstenaar, als curator, als schrijver of als bezoeker? Alles is nu goed afgeknot en ongewis dus ik zeg laten wij de potentie hier in gaan vinden om opnieuw te beginnen. Laten wij opnieuw het experiment aangaan en zien wat ons cultureel bindt.

Binding moet wel beginnen binnen het vakgebied zelf. De lobby van de beeldende kunst tegen het neoliberaal en technocratisch beleid en de bezuinigingen van het afgelopen kabinet kwam moeizaam op gang. Velen eisten alles terug te draaien, anderen hebben zich direct willen aanpassen aan de realiteit van het politiek besluit. Met beide schiet je weinig op. Teruggaan naar wat het was betekent het niet onder ogen willen zien dat de maatschappelijke urgentie voor kunst is afgenomen. Louter mee gaan in het politiek sentiment dat kunst en creativiteit een industrie van markt en bezoekersaantallen is – die zijn eigen broek op moet houden – bevestigt dat de kunst zich door de politiek laat sturen. Maar kunst moet zich juist tot de samenleving verhouden, en – waar nodig – tegengas produceren. Kunst moet weer de maatschappelijk visionair worden en dat kan alleen wanneer het weer zijn eigen belang begrijpt en daarin gelooft. Dit proces betreft alle spelers: kunstenaars, instellingen, curatoren, wetenschappers, galeries, en zo verder. Maar dit belang is niet direct afhankelijk van hoeveel een kunstwerk waard is, of hoeveel bezoekers een tentoonstelling trekt en zelfs niet op hoeveel plekken een kunstenaar zijn werk wel of niet toont. Deze getallen zijn allemaal middelen in dienst van een groter doel, namelijk het herpositioneren van de kunst in de maatschappij, gebaseerd op een visie.

Hier hebben wij voorbeelden voor nodig, en de kaalslag is ten minste de aanzet geweest voor een aantal goede initiatieven. Platform BK is druk bezig alle groepen die zich hebben uitgesproken tegen de veranderingen in het culturele landschap te verenigen om tot een gezamenlijk belang te komen. Kunstenaars Wouter Oosterholt en Elke Uitentuis zijn in samenwerking met Ernst van den Hemel bezig het idee van de Meent, een collectief aangekochte locatie die door consensusbesluitvorming geprogrammeerd zal worden. De hoeveelheid samenwerkingen tussen instellingen – zowel programmatisch als structureel – is sterk toegenomen sinds de bezuinigingen. Uiteraard als gevolg van een financiële situatie, maar het leidt wel tot gedeelde visies en nieuwe manieren van werken. En dat is ook terug te zien in de stijgende hoeveelheid coöperaties die zich oprichten (en waar ikzelf ook deel van uitmaak), waarbij een gedeelde overtuiging van de maatschappelijke betekenis van kunst de basis is van het samenwerken en het aanscherpen van elkaars ideeën. Kortom samen staan wij sterker.

Bij het Centre Beaubourg kwamen er alleen maar meer mensen bij. Zelfs de infiltranten die voor verschillende marketingbedrijven en overheidsinstellingen werkten bleven ondergrond en lieten hun oude waardesystemen achter zich. Het zou wat zijn als in Nederland de cultuur weer zo groot wordt dat de markt en overheid moeten volgen. Beter nog, dat hun waardesystemen ook aangepast zouden moeten worden waarbij kort financieel gewin het aflegt tegen gemeenschappelijkheid en maatschappelijke betekenis. Centre Beaubourg had 54 verdiepingen tot hun beschikking en raakte plots vol. Nederland heeft 16,7 miljoen mensen en 41,526m2 tot zijn beschikking. Wie doet mee?

THE LIFE AND DEATH OF MARINA ABRAMOVIC (Foto: Lucie Jansch)

In het Muziekgebouw aan ‘t IJ loop ik tegen de zo vertrouwde beeltenis van Marina Abramovic (1946) aan. In het kader van het Holland Festival, en in samenwerking met het NIMk, zijn in de entree van het gebouw vier van haar werken tentoongesteld. Ik word verwelkomd door drie videowerken die deel uitmaken van het spirituele The Kitchen Series, dat werd opgenomen in de keuken van een Spaans klooster. Om de hoek tonen zestien monitoren op rij de legendarische kunstenaar door de jaren heen, beginnend bij een performance uit de jaren ’70 en eindigend in 2002.

Ik herinner me een interview dat Vogue Nederland onlangs met Abramovic had. Een vreemd interview, waarbij de sarrende en trekkende interviewster toch een paar interessante uitspraken had weten te ontlokken aan de kunstenares die doorgaans louter haar paradepaardjes berijdt. Aan het einde van het interview biechtte Abramovic haar liefde op voor mode en chocola. Bij aanvang van het interview hamerde ze nog op de ernst van kunst: “Ik heb een duidelijk doel in het leven. Ik ben niet geïnteresseerd in huwelijken of kinderen. Mijn bestemming is om de menselijke geest op een hoger plan te brengen.” Die weg naar de geest gaat niet via de hersens maar via het hart. Verderop in het interview zegt ze: “Mensen willen kunst altijd bekijken op een intellectuele manier, maar wat ik doe is erg emotioneel.”

Emotioneel, doodernstig, intens – zo zou je vooral het vroege werk van Abramovic goed kunnen omschrijven. Geen van die omschrijvingen lijken echter te passen bij The Life and Death of Marina Abramovic, de meest prestigieuze voorstelling die het Holland Festival dit jaar programmeerde. Ditmaal trad Abramovic dan ook niet op als maker, maar als onderwerp. Aan theaterlegende Robert Wilson de taak om haar door een akelige jeugd getekende leven te vertalen naar het podium. Hij doet dat aan de hand van oogstrelende, traag voortbewegende tableaus vol raadselachtige mystiek.

Acteur Willem Dafoe biedt tegenwicht aan die ambiguïteit. Als verteller deelt hij op meer letterlijke wijze de voorvallen uit Abramovic’ leven met het publiek. Pas later, dwalend door de krochten van het internet, ontdek ik hoe barstensvol verwijzingen het stuk zit: naar eerdere uitspraken van Abramovic´, naar performances, naar een ander stuk dat over haar leven werd gemaakt.

Lopend langs Abramovic’ Video Portrait Gallery in het Muziekgebouw aan ‘t IJ, valt me op hoe de aard van haar werk door de jaren heen is veranderd. De hang naar drama uit haar beginperiode maakte plaats voor zelfspot. The Onion laat zien hoe Abramovic huilend een ui eet terwijl ze strak naar de hemel kijkt, daarmee haar eigen devote houding tegenover kunst op de hak nemend. De laatste jaren heeft haar werk opnieuw een transformatie ondergaan. Haar performance The Artist Is Present is een zoektocht naar de essentie van een performance – en daarmee een zoektocht naar puurheid.

Diep ernstig is Abramovic nog steeds, devoot ook. “Ik ben bang voor pijn maar ik leg mijzelf pijn op omdat ik wil weten waar ik bang voor ben, wat pijn is en hoe je controle kunt krijgen,” zegt Abramovic in een interview dat in mei in De Groene Amsterdammer verscheen. Hoewel zij het over pijn heeft is ‘controle’ het sleutelwoord. In The Life and Death of Marina Abramovic zit de controle in de nauwgezetheid waarmee de voorstelling is opgebouwd; in Wilsons streven naar perfectie.

In de verhalen van verteller Dafoe wordt over pijn gerept, maar dat is dan ook de enige impliciete verwijzing naar de thema’s in het werk van Abramovic. Van de aard van haar werk, de ernst en de intensiteit, is niets terug te vinden. Ja, er is een overeenkomst tussen de traagheid van het stuk en de lange duur van Abramovic’ performances. Maar bij Abramovic voert dat trage tempo de spanning tot het uiterste op. Bij Wilson sust het de kijker in een prettige slaap. De anekdotes over het veelbewogen leven van de kunstenares zijn boeiend maar blijven niet meer dan anekdotes. De fantasierijke scenografie verwondert maar raakt niet.

Wat wél raakt is de muziek – prachtige nieuwe liedjes van popzanger Antony en traditionele Slavische liederen van de zanggroep van Svetlana Spacic. En aan het slot, in de tweede sterfscène van de avond, weet Wilson het stuk alsnog boven de anekdotiek uit te tillen – letterlijk! Boven drie witte kisten zweeft een drietal in wit gestoken vrouwen: in het midden Abramovic zelf, ernaast twee gemaskerde dubbelgangers. Door het licht dat recht van boven komt, maken hun lichamen kleine, ronde schaduwen op de graven. Dit is de geest die blijft dralen als het leven voorbij is. Op de valreep weet Wilson te ontroeren, wanneer verwondering plaatsmaakt voor emotie.

THE LIFE AND DEATH OF MARINA ABRAMOVIC (Foto: Lucie Jansch)
THE LIFE AND DEATH OF MARINA ABRAMOVIC (Foto: Lucie Jansch)
THE LIFE AND DEATH OF MARINA ABRAMOVIC (Foto: Lucie Jansch)

De stad als oplossing

Roel Griffioen
Hoofdtentoonstelling MAKING CITY in het NAi. Foto: Ossip van Duivenbode

Hoe stad te maken in de 21ste eeuw? Dat is de kernvraag van de 5e editie van de Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam (IABR), getiteld Making City. De stad accommodeert onze toekomst, dat is zeker. Nu al woont meer dan de helft van de wereldbevolking in de stad, en in 2050 geldt dat naar verwachting voor zeven van de negen miljard aardbewoners. Volgens sommige voorspellingen zal Delhi bij het sluiten van de eeuw het krankzinnige aantal van 95 miljoen inwoners huisvesten. Nadenken over de toekomst impliceert dus nadenken over de stad. 

Hoe we in de nabije toekomst ‘stad maken’ klinkt misschien als een simpele vraag, maar die eenvoud is misleidend. Als het vormgeven van steden ooit voorbehouden was aan architecten en stedenbouwkundigen, dan is die tijd nu definitief voorbij, claimt de IABR terecht. De stad is een extreem complex krachtenveld geworden waarin bestuurders, beleidsmakers, marktpartijen, ontwerpers en burgers samen ervoor moeten zorgen dat onze toekomst gewaarborgd wordt.

De complexiteit van het vraagstuk wordt gereflecteerd in de programmatische complexiteit van de IABR. Het programma omvat naast de hoofdtentoonstelling in het Nederlands Architectuurinstituut (NAi) in Rotterdam allerlei randexposities, in locaties uiteenlopend van Rotterdam en Almere tot São Paulo en Istanboel. Per editie lijkt de IABR de A van Architectuur verder te ontgroeien.

Eerdere afleveringen droegen een duidelijke handtekening van een uit de architectuur afkomstige curator, zoals Francine Houben, Adriaan Geuze en Kees Christiaanse. Nu is er een internationaal team van curatoren geformeerd, onder leiding van IABR-directeur George Brugmans. Naast Brugmans bestaat het team uit topambtenaar Henk Ovink (Directeur Nationale Ruimtelijke Ordening, Ministerie van I&M) en Joachim Declerck (Architecture Workroom Brussels) en de zogenaamde ‘local curators’, namelijk architectenbureau ZUS [Zones Urbaines Sensibles] te Rotterdam, MMBB Arquitetos in São Paulo en Asu Aksoy van de Bilgi Universiteit in Istanbul. Wouter Vanstiphout heeft als houder van de leerstoel Design as Politics (TU Delft) een kleine tegendraadse tentoonstelling ingericht in de Hofbogen in Rotterdam.

De agenda puilt uit van debatten, lezingen, fietstochten, workshops, openingen enzovoorts. Daarnaast staan er publicaties op stapel en is er samen met de VPRO een heel rooster van tv- en radioproducties om de festiviteiten heen gepland, onder de titel ‘Leve de Stad!’.

In de hoofdtentoonstelling van Making City in het NAi zijn 35 projecten van over de hele wereld bijeengebracht, uiteenlopend van stedelijke verdichtingsstrategieën in Zurich, watergebruik in Cairo en ‘intensieve laagbouw’ in Groningen. Herman Kossmann van bureau Kossmann.dejong is aangetrokken om van al deze voorbeelden een ronkende expositie te maken. Making City is een multimediaal spektakelstuk geworden, met veel technologische foefjes, theaterrekwisieten, interactieve installaties, lichteffecten, video’s, et cetera. Wagner’s Gesamtkunstwerk meets Klokhuis – je moet er van houden. 

Slim is in ieder geval de opzet van de tentoonstelling als een kleine stad, met thematische wijken (People, Profit en Planet), een stratenplan en een centraal plein. Zo is er toch structuur aangebracht in de bonte verzameling projecten. Installaties hebben de vorm gekregen van straatmeubilair – zoals een telefooncel en een bushokje – en thema’s worden via grote billboards aangeprezen. Op banners prijken slogans en internationale experts declameren op een groot filmscherm één voor één wat de stad allemaal voor voordelen kan bieden.

Voordelen, want dat is het pleidooi van Making City: de stad moet niet als probleem moet worden gezien, maar als oplossing. Dat is een interessante omkering. Dikwijls wordt de stad beschouwd als veroorzaker van armoede en ongelijkheid. Fout, zegt de IABR. De stad is juist katalysator van de culturele, sociale en economische emancipatie van haar bewoners. Ander voorbeeld. Verstedelijking wordt vaak gelijkgeschakeld met vervuiling. Ten onrechte, stelt de IABR. In de stad wordt welvaart geproduceerd, en met een aanzienlijk lagere ecologische footprint dan op het platteland. De stad heeft de toekomst. 

Die boodschap komt overigens maar deels over. Herman Kossmann heeft veelvuldig in zijn trukendoos gegrepen, maar dat voorkomt niet dat Making City een tentoonstelling is die veel geduld en energie vergt van de bezoeker. De mooi-weer-verhalen zijn vermoeiend, en doen vermoeden dat de tentoonstelling vooral een middel is voor beleidsmakers hun eigen stad weer een boost te geven.

Interessanter dan de hoofdtentoonstelling zijn de zogenaamde Test Sites van de IABR. Via die Test Sites in Istanbul, São Paulo en Rotterdam legt de organisatie de wil aan de dag om, in eigen woorden, “vieze handen te maken”. Samen met lokale stedelijke overheden en marktpartijen zijn allianties gecreëerd om projecten te ontwikkelen. In Rotterdam gebeurt dat in Rotterdam Central District, het gebied tussen het Weena, het Hofplein en het Centraal Station. Ooit was dit het prestigieuze zakencentrum van de stad, nu is het een achterkant, gewrongen in een wurggreep van infrastructuur en geplaagd door leegstand. Architectenbureau ZUS, dat deze Test Site ‘cureert’, wil via kleine ingrepen het vergeten gebied een kwaliteitsimpuls geven. Denk daarbij aan de lancering van een tijdelijk café (de Biergarten), de aanleg van dakakkers op gebouwen, de oprichting van een fabriek voor straatmeubilair en de verbetering van de ontsluiting van het gebied via een voetpad dat dwars door twee gebouwen heen steekt. 

Niet alle geïnitieerde projecten komen van de grond – de veelbesproken Luchtsingel, een door crowd funding gefinancierde voetgangersbrug, lijkt wel héél langzaam te vorderen. Dat maakt niet uit, het gaat immers om het testen van nieuwe strategieën om de stad weer van onderaf vorm te geven. In een van de sterkste installaties in de tentoonstelling in het NAi wordt de noodzaak van het werk van ZUS op heldere wijze verbeeld. Om je heen zie je een getekend panorama van de stedelijke realiteit. Boven je hangt een wolk van alle officiële documenten die over Rotterdam Central District verschenen zijn: alle beleidsstukken, rapporten en ambitieverklaringen. Het zijn gescheiden werelden, die ZUS weer met elkaar in overeenstemming probeert te brengen. Op Rotterdamse wijze, zou je kunnen zeggen. Geen woorden, maar daden.

IABR, TEST SITE ROTTERDAM, DAK AKKER. Foto: Ossip van Duivenbode
IABR, TEST SITE ROTTERDAM, PASSAGE. Foto: Ossip van Duivenbode

Met Bollmann naar Berlijn

Lise Lotte ten Voorde

Misschien is het maar goed dat Boudewijn Bollmann (1983) geen traditionele foto-opleiding heeft gevolgd. Het had zijn spontaniteit de das om kunnen doen. Bollmann leerde zichzelf fotograferen na een studie Concept & Creatie aan de Hogeschool Communicatie. Hij heeft een ontwapenende persoonlijkheid en is oprecht geïnteresseerd in de wereld en de mensen om hem heen. Hierdoor lukt het hem schijnbaar altijd precies dat vast te leggen wat hij ziet, zonder de aarzelingen die de confrontatie met een fotoapparaat soms teweeg brengt. Zijn beelden zijn zonder poespas en impulsief.

Bollmann wordt aangetrokken tot zwervers en andere personen aan de rand van de maatschappij. Zij keren dan ook veelvuldig terug in zijn foto’s. Worden wij met de neus gedrukt op de feiten die wij doorgaans negeren, of schetst de fotograaf een vertekend beeld van de werkelijkheid? Hoe ruw is de stad eigenlijk? De foto’s worden vergezeld door illustraties en droogkomische, in aandoenlijk jongenshandschrift geschreven teksten. Ze zijn een combinatie van feiten en observaties waarvan je nooit zeker weet of ze ironisch of serieus zijn.

Sinds zijn afstuderen publiceert Bollmann regelmatig reportages en registraties op websites, in tijdschriften (GUP, Vrij Nederland) en in zelfgemaakte boekjes onder de naam Twisted Streets. Twisted Streets (inmiddels ook Bollmans alias) is een serie zelfgemaakte zines op klein formaat die met onregelmatige tussenpozen verschijnt in een oplage variërend van 30 tot 1000. Op nummers 8 en 10 na zijn de uitgaven gratis. In de eerste zeven afleveringen stonden de bewoners van Eindhoven centraal, maar de laatste drie uitgaven draaiden om een stad: Rotterdam, New York en in nummer 10 Berlijn.

In plaats van zijn beelden nin onbeperkte oplage op internet aan de man te brengen, presenteert Bollmann zijn werk analoog aan een specifiek publiek. Gaandeweg zijn de boekjes ingewikkelder van vorm geworden. De aanvankelijke noodzaak om goedkoop te drukken met behulp van een kopieermachine nam af, waarna alle mogelijkheden open lagen. Er was een tijd dat dit soort kleine handgemaakte boekjes nog wel eens over het hoofd gezien werd, omdat de kwaliteit ervan onzeker was: foto’s moesten in kleur, scherp en liefst zo groot mogelijk. Inmiddels zou je kunnen spreken van een heuse trend, waarvan Bollmann de voorhoede vormt.

Voor Twisted Streets #10 reisde Bollmann een jaar geleden met wat vrienden naar voormalig Oost-Berlijn om in een week tijd nieuw werk te maken en te exposeren. Hij verwerkte zijn eigen initialen in de parodiërende titel Der BBR, 5 portraits (shot in former East Berlin). In Berlijn beleefde hij vijf avonturen die hij summier samenvatte in vijf drieluiken, steeds bestaande uit een portret, een beschrijving van de ontmoeting (die soms een uur, soms een nacht en soms een hele dag duurde) en een door de geportretteerde gemaakt tekeningetje. Bollmann maakte op basis daarvan iets nieuws, bijvoorbeeld de wielrenner die zijn fiets omhooghoudt voor de Fernsehturm, zodat die op een penis lijkt.

De drieluiken werden gezeefdrukt in zwarte inkt met een grof raster, met rood als steunkleur op grijsbruin karton – de kleur die je goed kunt associëren met de grindstuc van Oost-Duitse woonkazernes. Twisted Streets #10 is als een set ansichtkaarten van een avontuurlijke reis vol ontmoetingen. In tegenstelling tot de typische ansicht zijn ze zeer veelzeggend. Bekijk ze na elkaar en je ziet Bollmann door de straten van Berlijn schuimen, metro’s in- en uitstappen, mensen aanspreken en in stamelend Duits een portret maken van een onwillige passant. Alsof je er zelf bij was.

#10 is meteen het laatste nummer van Twisted Streets. Ooit bedacht Bollmann dat hij tot dit ronde getal wilde gaan en niet verder. Door een door anderen verkeerd ingestelde snijmachine mislukte ironisch genoeg een deel van de oplage van deze meest luxe uitgave tot nu toe. Bollmann gaat deze overmacht gebruiken als uitgangspunt voor een hernieuwde, écht definitieve versie van het laatste nummer. Hij denkt aan een geknutselde oplossing, met toevoeging van enkele anekdotes over die week in Berlijn in de zomer van 2011. En dat is dan weer helemaal in lijn met hoe het ooit begon.

TWISTED STREETS #10 / DER BBR
Boudewijn Bollmann, 2011/2012
www.twistedstreets.nl

Still uit WALS IN DE WIJK, binnen het Nationale Canta Ballet (2012) Credits: Esther Polak en Ivar van Bekkum

Naar aanleiding van het 50-jarig bestaan van het Nationaal Ballet kreeg choreograaf Ernst Meisner de vrije hand om een unieke choreografie te maken met zestig fotogenieke Canta’s; de populaire of juist tot ergernis leidende rode invalidewagentjes. Het Nationale Canta Ballet vond plaats op 28 juni in het Westerpark in Amsterdam. Die avond rijden de Canta’s uit heel Nederland de Gashouder binnen om gezamenlijk te gaan walsen. Als ik op de website kijk naar aanvullende informatie kom ik tot mijn verrassing een aantal GPS-video’s tegen van walsende Canta’s.

De video’s zijn gemaakt door het kunstenaarsduo Esther Polak en Ivar van Bekkum. Als een van de eerste kunstenaars dook Esther tien jaar geleden met haar project Amsterdam RealTime op GPS als medium. Tegenwoordig houdt ze zich samen met Ivar bezig met Google Earth (GE) als medium. Tijdens een gesprek met haar probeer ik achter haar fascinatie voor deze nieuwe media te komen en te horen hoe haar nieuwe samenwerkingen bevallen.

Annet Dekker (AD): Te beginnen met het Nationale Canta Ballet, wat is jullie rol hierin?

Esther Polak (EP): Onze inbreng staat dit keer heel erg in dienst van de performance. Het kader van wat er verteld moet worden is daarmee heel duidelijk. In de laatste paar jaar zijn we enorm veel te weten gekomen over de mogelijkheden van geografische datavisualisatie en die gaan wij nu op verschillende manieren inzetten.

Wat er op de website plaatsvindt is een soort remake of herhaling van mijn eerdere project Amsterdam RealTime, maar nu voor een groot publiek. Ivar en ik hadden al langer de wens om een keer met een choreograaf samen te werken aan de GPS-routes. De choreograaf heeft een wals ontworpen op basis van de psycho-geografie en alle Canta-eigenaren in Nederland zijn uitgenodigd om die wals, op een compositie van Scanner, te rijden. Een aantal hebben wij opgenomen met een GE logger en dat zijn hele mooie visualisaties geworden.

Bij de voorstelling in de Gashouder wilden we graag het gevoel overbrengen dat alle Canta’s uit Nederland richting het Westerpark Amsterdam rijden. Uiteindelijk is besloten om op zes grote schermen routes weer te geven; enkele worden ingezoomd waarbij je de wals van de Canta’s in hun eigen buurt ziet rondrijden op de maat van de wals. Het mooie is dat in iedere buurt een andere tekening tevoorschijn komt. Van deze verticale blik gaan we op een gegeven moment over naar een vogelvluchtperspectief zoals we dat gedaan hebben in een eerdere film, dus het gaat van 2D naar 3D en dan zie je de ‘Canta-bollen’ richting het Westergasterrein rijden.

AD: De stap van GPS naar GE kan ik enigszins volgen; kort door de bocht gaan beide over plaatsgebonden gegevens.Toch heeft GE heeft nog veel meer mogelijkheden, bijvoorbeeld als sociaal platform.

EP: Wij vinden GE met name daarom interessant, het is een massamedium dat opeens door heel veel mensen gebruikt wordt. De enige manier om die ruimte te verkennen is door het als medium te gaan zien en er werk in te maken. Ik vind het interessant dat zo’n cartografisch massamedium ontstaat en dat je dat kunt gebruiken. De Bosatlas is net zo goed een medium, maar door de vorm die het had kon je er veel minder zelf mee doen. GE is een openbaar platform dat iedereen kan gebruiken om informatie uit te wisselen, hierdoor is ‘de atlas’ ineens een medium geworden. Veel mensen plaatsen ook YouTube video’s erop, waardoor het eigenlijk een soort geografisch journaal of krant wordt.

AD: Sinds een paar jaar bekijken jullie hoe je GE kunt gebruiken om verhalen te vertellen, documentaires te maken – eigenlijk breng je het terug naar het oudere medium van film. Hoe gaan jullie daar mee om?

EP: Eigenlijk vrij opportunistisch, we zijn op dit moment vooral nieuwsgierig naar alle mogelijkheden en GE is een ideaal podium om onze fascinatie voor GPS-registraties, het vastleggen van mobiliteit, uit te proberen. Bij onze eerdere GPS-werken speelden herinneringen een grote rol. De GPS-registraties zijn te vergelijken met fotografie en film, waarbij het ook gaat om het vastleggen van de realiteit als herinnering. Fotografie en film hebben zich ondertussen ontwikkeld op hele andere vlakken, onder ander het vertellen van verhalen, drama etc., en wij vragen ons nu af of GPS een vergelijkbare potentie in zich heeft – iets dat we nu misschien nog niet zien of herkennen.

Kan iets abstracts als GPS data verhalend of juist autonoom beeldend zijn? Kunnen GPS-data mensen ontroeren? Dit zijn totaal verschillende benaderingswijzen, maar we willen beide kanten gaan onderzoeken en kijken hoe ver we komen en wat we ontdekken, wat je ervoor nodig hebt. In GE kunnen we eindeloos experimenteren met visualisaties, waarbij we gebruik maken van conventies en esthetiek uit film en fotografie, maar ook uit cartografie en landschapsverbeelding.

AD: Kun je een voorbeeld noemen, hoe gaat dit eruit zien?

EP: Tijdens een masterclass van MediaFonds/Sandberg hebben we in samenwerking met documentairemaker Corinne van Egeraat drie verschillende films in elkaar gezet. Met name Airborn is goed gelukt en krijgt veel reacties. Je ziet daarop de duikvlucht van een parachutespringer. De vlucht of route is weergegeven in rode bollen, en door daar met de virtuele camera in GE andere kanten te laten zien krijgt het een hele eigen en krachtige dynamiek. Aan de ene kant is er de suspense van de val en door de omkering van de camera zie je een abstractie van alle ballen die heel erg poëtisch is omdat je terugkijkt naar waar je vandaan komt. Je blijft het spoor, de herinnering, zien wat iemand heeft afgelegd, en die bollen verbeelden dat op een interessante manier.

AD: Die omkering in de film is heel interessant, het moment dat de suspense vervangen wordt door abstractie. Tegelijkertijd proberen jullie ook meer autonoom en abstract werk te maken in GE, bijvoorbeeld het project What’s done cannot be undone, een experimentele datafilm die in de traditie van landschapskunst staat.

EP: Ja dat klopt, omdat GE nog zo’n nieuw medium is willen we niet nu al een vaste artistieke keuze maken; we zitten nog midden in een proces. En dat proces verandert steeds zodra we weer met iemand anders werken, omdat er steeds andere vragen gesteld worden. What’s done cannot be undone was een vraag van Julie Dassaud van Kulter voor Bolo K, een kunstroute in Amsterdam West. Julie gaat er vanuit dat alles op basis van notaties gezien kan worden. Zij had onze visualisatie in Google Earth van heliumballonnen gezien en zagen daar ook een relatie met muzieknoten in – alsof er muzieknoten door de lucht vliegen. Ze nodigden ons uit om met componist Huba de Graaff te werken. We wilden een verhaal vertellen over het Eramuspark waarbij we twee kenmerken van het park naar voren wilden halen, de mix tussen Engelse landschapsstijl en Franse tuinarchitectuur en het contrast tussen stedelijke en landelijke geluiden.

Daarna zijn we gaan nadenken vanuit de partituur; wat is het en hoe kunnen we die interpreteren? De partituur heeft vier coupletten waarin steeds dezelfde gebeurtenis plaatsvindt, en met ieder nieuw couplet komen er meer bollen omhoog uit het park. Omdat de camera vier keer rondom het park gaat verschijnen de bollen steeds net anders omdat ze niet helemaal gelijk lopen met de gebeurtenis. Je vliegt er dus steeds anders omheen waardoor je de gebeurtenis net vanuit een andere kant ziet. Als je de sculptuur helemaal wilt snappen moet je er dus steeds opnieuw naar kijken.

AD: Jullie lijken vooral de conventies van film uit te proberen. In hoeverre gebruiken jullie de esthetische kwaliteiten van het medium?

EP: Het is interessant om te zien dat je bij een documentaire besluit om klassieke filmconventies uit te proberen waardoor mensen dat zien en herkennen en de potentie ervan zien. Maar we gebruiken GPS-data ook om prints of sculpturen te creëren. Het gaat dan niet om de verbeelding van een route die gemaakt wordt, maar om het creëren van een vorm. Door te werken met andere mensen ontstaan er steeds weer nieuwe ideeën en vormen. De parachute-film was bijvoorbeeld op meerdere vlakken erg interessant en heeft veel nieuwe aanknopingspunten opgeleverd.

AD: Maar gaat het dan niet snel toe naar vormgeving, praktische toepassingen of vertalingen maken?

EP: Ja, maar tegelijkertijd geeft het ons de mogelijkheid om weer nieuwe dingen te ontdekken en bedenken, wij willen bijvoorbeeld graag een 3D-sculptuur maken van zo’n parachute sprong, met een 3D-printer, en dan het liefst in brons. We hebben eerder ook tekeningen gemaakt met opdikkende inkt zodat ook blinde mensen routes konden voelen. Dat is het leuke van werken met zo’n nieuw medium dat het een dat je doet leidt tot volgende ideeën en je kunt dat proces niet helemaal van te voren bedenken. Het veld wat nog ontdekt moet worden is nog zo breed en wij proberen daar steeds kleine stukken van uit.

Het voordeel is ook dat we nu met z’n tweeën zijn waardoor we veel meer aankunnen. Het gaat sneller en wordt esthetisch zorgvuldiger afgewerkt. Toen ik nog alleen werkte was ik op een gegeven moment klaar met een project. Het komt op zo veel verschillende manieren door je handen en door de tijdsdruk heb je geen tijd om afstand te nemen waardoor een laatste afwerking vaak niet meer gedaan wordt. Daarvoor heb je een frisse blik nodig.

AD: Is dat ook eigen aan jullie manier van werken, meer proces dan object gericht?

EP: Voor een groot deel wel. Als je binnen ‘mediakunst’ werkt wil je steeds opnieuw dingen helemaal van het begin af uitvinden, van het coderen tot het zoeken naar een manier waarop je het allemaal kunt financieren. Je bent op heel veel verschillende lagen, vaak tegelijkertijd, aan het innoveren en tegen de tijd dat het dan eindelijk werkt heb je een nieuw idee, dat soms ook uit het proces voortkomt, en wil je weer iets anders doen. De laatste stap naar een perfecte presentatie bleef dan vaak hangen. Juist ook omdat je van pionieren houdt en niet van inlijsten. Nu we met z’n tweeën werken kun je taken en aandacht verdelen en wordt alles uiteindelijk zorgvuldiger.

De introductie van de tv-uitzending van het Nationale Canta Ballet is hier te bekijken: http://vimeo.com/45185575

Still uit het Nationale Canta Ballet (2012) Credits: Esther Polak en Ivar van Bekkum
Still uit AIRBORNE (2010) Credits: Esther Polak en Ivar van Bekkum