Op een nazomerdag in 2010 kwamen vanuit binnen- en buitenland mensen naar het kleine dorp Ottoland in de Alblasserwaard voor een sportief kunstproject van de Spaanse kunstenaar Maider López (1975). De grote toestroom was af te lezen aan de rits auto’s die langs de Polderweg stond geparkeerd. Er was zelfs een bus ingezet om iedereen naar deze afgelegen plek in het Zuid-Hollandse landschap te vervoeren.

Een dag van tevoren waren er witte krijtlijnen uitgezet op dit zompige landschap. Zo lagen er vier speelvelden – dwars over slootjes – in het grasland speelklaar voor een toernooi dat lijkt op voetbal en dat Polder cup heet. De kaarsrechte slootjes snijden speelvelden af, zodat er vakken ontstaan die de spelers tijdens het spel niet mogen verlaten. Zo kreeg het begrip flankspeler een nieuwe betekenis, doordat deze zich slechts op de één meter brede strook langs de volledige lengte van het veld kon bewegen. 

De uitgave Polder cup – A project by Maider López is een aantrekkelijk visueel resumé van dit evenement. Het boekje is uitstekend vormgegeven in de sfeer van Polder cup. Afbeeldingen zijn net als het speelveld doorsneden. Daarnaast overheerst de kleur van fris zomergras. In plaats van een volledig verslag van dit kunstproject, staat er in de publicatie een beknopt essay van Ilse van Rijn over het belang van het spel. Volgens haar veranderde Polder cup de weilanden van een stabiele plaats in een dynamische ruimte. De bal doet altijd onverwachte dingen. Van Rijn betoogt dat het project als een blauwdruk voor verandering gezien kan worden worden. 

Curator Theo Tegelaers ziet het doel van het project in het creëren van nieuwe beelden, die vragen stellen bij het publieke en de relatie tussen gemeenschap en individu. In zijn korte bijdrage in de publicatie geeft hij aan dat dit de artistieke ambitie van López is. De zwik artistieke voetbalbeelden herdefiniëren volgens Van Rijn het landschap en volgens Tegelaers de gemeenschap die daar gebruik van maakt.

Het is zeer de vraag of het spel en de beelden ervan daartoe in staat zijn. Het project Polder cup heeft veeleer het landschap en de gemeenschap die er gebruik van maakt genegeerd. Het gaat er vanuit dat de polder en de gemeenschap statische gegevens zijn die enkel door Polder cup in beweging kunnen komen. Daardoor toont zowel de publicatie als het kunstproject weinig begrip voor het landschap zelf. Dit is een gemiste kans, want door hier wel rekenschap van te nemen had het project zijn artistieke doel om het polderlandschap in te zetten als ruimte voor verandering wellicht kunnen bereiken. 

Nergens komt naar voren dat het polderlandschap in de historie een unieke plaats inneemt. Behalve als het speelveld voor het balspel en als metafoor voor de Nederlandse bureaucratische cultuur wordt de polder niet aangehaald. Het door dijken omgeven laagland is meer dan een metafoor voor de Nederlandse manier van het politieke midden zoeken. Het polderlandschap wordt al meer dan vijf eeuwen op een kunstmatige wijze gevormd met polders en andere waterwerken. Het landschap heeft zich door de eeuwen heen ontwikkeld doordat er telkens weer nieuwe mogelijkheden waren om het land te maken of te gebruiken.

Ook de polder in Ottoland draagt geschiedenis in zich. Het is een landschap dat door de eeuwen is gevormd door gemeenschappen en individuen en nu nog steeds gevormd en gereguleerd wordt door een gemeenschap. Het besef dat de polder verandert vanwege nieuwe maatschappelijke functies van het landschap had van Polder cup een interessanter project kunnen maken.

Als de auteurs van Polder cup zich bewust waren geweest van deze geschiedenis, had het doel om kritische vragen op te werpen overtuigend kunnen zijn. Nu is de publicatie slechts een visueel en artistiek onderzoek. De nieuwe, flitsende beelden in het boek kunnen geen vragen over een gemeenschap stellen. De vluchtige relaties die door een eendaags voetbaltoernooi zijn veroorzaakt, hebben weinig betekenis vergeleken met de gemeenschappen die het polderlandschap hebben gevormd. De deelnemers van Polder cup hebben te weinig communiteit om überhaupt vragen over gemeenschap te stellen. Een dergelijke samenlevingsvorm bestaat ook niet uit een aantal willekeurige voetbalploegen die een spel spelen, maar eerder uit een verzameling mensen die op sociaal, cultureel en politiek vlak van elkaar afhankelijk zijn. 

Kortom, het kunstproject heeft aantrekkelijke beelden opgeleverd en de polder misschien wel een nieuwe betekenis gegeven. Maar deze betekenis staat in het niet bij de waardevolle geschiedenis die het landschap in zich draagt en continueert in de huidige generatie. Het is leuk om bij een wilde actie in de blubber te belanden, maar dit kan evengoed onderdeel zijn van een amateur voetbaltoernooi. Daardoor doet Polder cup zichzelf tekort. Desondanks is de publicatie een aardig aandenken aan een wat eigenaardige zaterdag in Ottoland. 

Post-Editions en SKOR | Stichting Kunst en Openbare Ruimte
ISBN: 9789080640856 Spaans/Baskische uitgave
ISBN: 9789080640801 Engels/Nederlandse uitgave 

Stel je voor: een robuuste, industriële onderzeebootloods die van binnen bezaaid is met donsveertjes. In de enorme ruimte staan grote objecten opgesteld, waaronder een zestien meter hoge lampenkap, een 43-delig klokkenspel en een futuristisch vakantiehuis. Dit alles is te ervaren in een loods op de RDM Campus in de havens van Rotterdam: De Onderzeebootloods. Vroeger een plek om boten te bouwen, nu een tentoonstellingshal, dankzij de samenwerking tussen Museum Boijmans van Beuningen en het Havenbedrijf Rotterdam. Speciaal voor deze ruimte bedacht de in Turkije geboren Armeense kunstenaar Sarkis (1938) de installatie Ballads (2012) waarvoor hij zich liet inspireren door de architectuur, het havengebied en verschillende figuren uit de kunstgeschiedenis.

Wanneer Sarkis de ruimte voor het eerst in de winter bezoekt, is de vloer dankzij  enkele ontbrekende dakramen bedekt onder een laag sneeuw. Het doet hem denken aan de zeventiende-eeuwse witte kerkinterieurs van de Nederlandse kunstschilder Pieter Jansz. Saenredam. De kerk als devote plaats, maar ook als ontmoetingsplek, is dan ook een centraal thema in het werk. Ook klapt Sarkis in zijn handen, om de akoestiek van de plek te beluisteren. Hierna besluit hij dat muziek een rol moet spelen in dit werk. Deze inspiratie leidt tot een installatie met een ambiance die zich verhoudt tot zowel de mystieke sfeer van een kerk als de onderwaterwereld.

Opvallend is de cilindrische lampenkap van 16 meter hoog, beplakt met witte veren. De lamp (een lichtspot) beweegt met de ademhaling van de kunstenaar op en neer. De omhoogtrekkende beweging van de spot verwijst naar het opzuigen van het water rondom de loods. Het blauwe licht van enkele TL-lampen en de met kleurfolie bedekte zijramen moeten dit effect versterken, al is het door het daglicht van boven niet overtuigend. De keuze voor de 60 witte fietsen onder de lampenkap is een succes. Sarkis nodigt hiermee  de bezoeker uit om op een vrije manier -als het ware in een gewichtloze staat, zoals in het water- de rest van de installatie te ervaren. 

Dan wordt je gelokt door de klanken van een muziekstuk van John Cage. Het klavier, het toetsenbord van het 43-delige klokkenspel, wordt als het ware door een onzichtbare hand bespeeld. Het instrument, ondersteund door achttien boomstammen die vanaf de vloer het plafond raken, is door zijn afmeting imposant en het geluid is magnifiek. De relatie met de kerkinterieurs is door de godsdienstige sfeer van de muziek spot on. Het stuk Litany for the Whale van Cage, dat gebaseerd is op de roep van de walvis, gaat tegelijkertijd een natuurlijke relatie aan met voormalige functie van de loods en de verbinding met het water. 

Dan is er nog de Futuro, een gedurfd ontwerp voor een vakantiehuis uit 1968, dat vorig jaar bij de aankoop voor de Boijmans-collectie omschreven werd als een ‘ufo’. Nu worden films van Sarkis erin vertoond. Het lijkt een beetje alsof het voor de gelegenheid  bestempeld is als onderwatervoertuig. Achteraf blijkt, wanneer je het tekstboekje leest, dat het bouwjaar van de Futuro een belangrijk jaar was voor Sakis. Hij ontmoette toen een belangrijke inspiratiebron: de Duitse kunstenaar Joseph Beuys. Sarkis maakte naar aanleiding van deze ontmoeting de vilten sloffen waarmee je de Futuro nu mag betreden.

Helaas heeft de installatie teveel onderlinge verbanden en losse associaties om een echt heldere boodschap uit te dragen. Sommige elementen zijn ook wat zwak uitgevoerd, zoals de love seat met uitzicht op het klokkenspel. Gastconservator Nicolette Gast noemt het bed voor stelletjes in haar lezing tijdens de opening, maar de ruimte die je via een trap kunt bereiken, is matig benut met het karige bed en een slideshow van Saenredam’s schilderijen. 

De ervaring van een totaalinstallatie, of een Gesammtkunstwerk zoals de museumwebsite doet vermoeden, valt dan ook een beetje tegen. Het idee van het Gesammtkunstwerk zit vooral verstopt in een nieuwsgierig makend beeld: La Rencontre de Arnold Böcklin avec Captain Sarkis (1987). De sculptuur bestaat uit een boot die is gevuld met neonletters en slierten uit cassettetapes met daarop Die Walküre van Richard Wagner.

De tentoonstelling sluit af met een ronde tafel waarop in neonletters staat vermeld: ‘LAAT HIER IETS VAN U ZELF ACHTER/ LEAVE A PIECE OF YOURSELF’. Een verwijzing naar Christus? Een rituele handeling? Zoals het drinken van water uit de twaalf watertanks die door de gehele ruimte staan opgesteld? Toch is niet alles raadselachtig en ingewikkeld. De intelligente, doorwrochte verwijzingen staan in contrast met de luchtige manier waarop je door de installatie heen mag fietsen. En door deze interessante tegenstelling is dit werk van Sarkis alsnog een aangename verrassing.

Foto's: Ernst Moritz

Niet kunnen schilderen

Maarten Steenhagen
Damien Hirst, SKULL WITH ASHTRAY AND LEMON (2006/2007) Courtesy: Damien Hirst & The Wallace Collection

Damien Hirst is niet mijn favoriete kunstenaar. Toch wil ik zijn onlangs geopende overzichtstentoonstelling in Tate Modern voor geen goud missen. Een dikke twee jaar terug maakte Hirst namelijk indruk op me toen ik in de Wallace Collection (Londen) half toevallig tegen zijn No love lost, blue paintings (2006-2008) aanliep. Dit is een serie zwartgallige olieverfschilderijen die Hirst, bij wijze van uitzondering, helemaal zelf vervaardigde. Hij maakt er bepaald geen geheim van dat assistenten zijn oeuvre produceren. Het merendeel van zijn werk bestaat ook nog eens uit ready mades of assemblages. Voor de precieze aanblik van de vlinderschilderijen, dode koeien en schedels in zijn tentoonstellingen is Hirst dus eigenlijk nooit meer dan indirect verantwoordelijk. Slechts de gedachte erachter is van hem: de uitvoering laat hij bijna principieel aan anderen over. Het is dan ook een bescheiden traktatie om eindelijk werk te zien dat volledig van zijn hand is. Ieder detail valt ineens aan hemzelf toe te schrijven.

Voor de duidelijkheid: het resultaat is bedroevend. Ik ben niet de eerste die opmerkt dat No love lost een pijnlijk artistiek onvermogen blootlegt. Wat er destijds dan toch zo’n indruk op me maakte? Precies de manier waaróp deze schilderijen slecht zijn. Hoewel David Hockney Hirst onlangs nog bekritiseerde om zijn afkeer van vakmanschap, stelt No love lost wat mij betreft een interessanter probleem ter discussie. Telkens als ik die schilderijen zie kan ik niet anders dan aan het boekje On not being able to paint van Marion Milner denken. In deze studie uit 1950 vraagt Milner zich af hoe het komt dat zij als amateurschilder niet verder komt dan onbevredigend broddelwerk. “Van kinds af aan wilde ik al leren schilderen,” zo schrijft ze. “Maar zelfs na het opdoen van enige technische vaardigheid in het weergeven van hoe dingen eruit zien, zijn mijn pogingen altijd vastgelopen in een labyrint van onzekerheden over wat een schilder nu eigenlijk probeert te doen.” Om te ontdekken wat er mist in haar werkwijze, besluit Milner zich te verdiepen in het creatieve proces zelf.

Ze begint daartoe te experimenteren met ‘vrij tekenen’, een techniek die bekend werd door het surrealisme en op veel kunstacademies nog altijd wordt toegepast. Zonder vooropgezet plan laat ze haar tekeningen ontstaan, om die vervolgens te voorzien van uitgebreid commentaar. Ze analyseert wat er tot stand is gekomen en hoe tevreden ze daarover is. Al snel blijken de vrije tekeningen veel natuurlijker en beter. Normaal gesproken begon ze vanuit een idee: “Tijdens het tekenen zei ik dan tegen mezelf: hier maak ik een boom, hier een hond, een hond ziet er toch zo uit? Ik vraag me af of dat klopt: hoe ziet een lopende man eruit?” De resultaten van deze conservatieve werkwijze waren zonder uitzondering gekunsteld en onnatuurlijk. De vrije tekeningen zijn serieuzer, overtuigender en drukken bovendien onverwachte gedachten uit; gedachten die ze niet bewust in haar hoofd had overwogen, maar die zich desondanks op papier hadden geuit.

Het vrije tekenen doet Milner voor het eerst inzien dat denken en uitvoering blijkbaar samen moeten vallen, wil het resultaat enige artistieke waarde hebben. Wat iedere creatieve handeling volgens haar kenmerkt is dat er geen ‘geestelijke’, maar juist een lichamelijke vorm van denken aan ten grondslag ligt. Als werkwijze is dat beangstigend: over onze geest hebben we directe controle, maar ons lichaam maakt deel uit van een vreemde buitenwereld. Van jongs af aan zijn we dan ook gewend ons veilig met het geestelijke te identificeren, terwijl de kunstenaar precies deze opvatting over het zelf moet verwerpen. De werkelijke schilder, concludeert Milner, heeft geaccepteerd simpelweg te behoren tot een lichamelijke wereld.

Terug naar die middag in de Wallace Collection. Hirsts No love lost hangt zwaarmoedig en doods tegenover me. Het werk is drammerig en saai. Maar juist de angst waarover Milner speculeert valt me erin op. In Hirsts verfgebruik zie je de vrees om zich het schilderen toe te eigenen. Duidelijk zijn de trekken van een conventionele werkwijze zichtbaar: “Hier maak ik een asbak, hier een schedel, zo ziet een schedel er uit, toch?” Hirst poogt een vooropgesteld plan uit te werken, denken en uitvoering gescheiden te houden. Maar net als Milner komt hij niet verder dan een gekunsteld en onnatuurlijk resultaat. Ergens blijft hij dus angstvallig vasthouden aan een veilige, maar impotente scheiding tussen de gedachte achter een werk en de realisatie ervan. Sterker nog, dit is het aspect van zijn kunstenaarschap waarop hij prat gaat: hij bedenkt het kunstwerk, anderen voeren het uit. Als we Hirst moeten geloven, speelt het werkelijke creatieve proces zich enkel af in het hoofd. Volgens Milner is het onwaarschijnlijk dat zo’n werkhouding tot een waardevol kunstwerk kan leiden. Dit is waarom ik zijn tentoonstelling in Tate Modern voor geen goud wil missen: ik hoop er te ontdekken of ze gelijk heeft.

Marion Milner, THE TURKEY-CONDUCTOR (FREE DRAWING)
Damien Hirst, MOTHER AND CHILD DIVIDED (1993) Courtesy: Damien Hirst
Ad van Rosmalen en Freek Lomme, EEN / A ROSA POETICA (2011)

Op de witte muur in kunstcentrum Onomatopee speelt zich een dialoog af waar je middenin valt. “As far as me and everyone else is concerned, you’ve determined that that’s the way it is, and with such absolutism that there’s no room for doubt.” Een andere stem: “It’s doubt, pure doubt mate. If you see it as absolutism, then you aren’t understanding what I’m doing with my work. The most ideal situation is when it becomes empty, the work, when I can no longer say that I mean this or that by it.” Deze intrigerende zinnen worden afwisselend geprojecteerd bij een van de vier namen op de muur. Hoewel ze vrij lastig zijn te volgen, maken ze nieuwsgierig naar het toneelstuk waaruit ze afkomstig zijn en dat Onomatopee nu als publicatie presenteert: Een rosa poëtica.

Ad van Rosmalen, verbonden aan AKV|St. Joost, schreef Een rosa poëtica al in 2007 op uitnodiging van en óver de vier kunstenaars wiens werk en persoonlijkheden hij goed kent. Iris Bouwmeester, Thomas Bakker, Arjan Janssen en Simon Kentgens vormen samen het Bredase kunstenaarscollectief Stichting Rosa. Zij delen een ateliercomplex en organiseren af en toe gezamenlijke tentoonstellingen. Hun werk en houding is echter verschillend. En juist dat nam van Rosmalen als uitgangspunt voor een tekst over kunst, levenskunst, kunsttaal en de kunstenaar. 

Het resultaat is uiterst origineel. In een gesprek waarin werkelijkheid en fictie door elkaar lopen laat hij de personages die op de Rosa-kunstenaars zijn gebaseerd reflecteren op elkaars en hun eigen werkhouding, terwijl ze een groepstentoonstelling voorbereiden. Zo wordt een rake schets gegeven van de huidige kunstpraktijk en de mogelijke rollen die de kunstenaar zich kan aanmeten.

Arjan is de modernist, Iris de pragmaticus, de analyticus is Simon en Thomas de formalist. Hun discussie is een pleidooi voor onderling begrip en getuigt tegelijkertijd van het ‘overmatig zelfbewustzijn’ (zoals kunsthistoricus Camiel van Winkel het in zijn voorwoord noemt) dat de hedendaagse kunstenaar kwelt. Wanneer alle mogelijkheden open liggen moet immers ook voor elk nieuw kunstwerk verantwoording worden afgelegd. Daarbij wisselen persoonlijke overtuigingen, frustraties en twijfels elkaar telkens af. De kunstenaars zijn het met elkaar eens dat ze niet zomaar wat kunnen doen. Alhoewel Iris zich tegen het einde begint af te vragen: waarom eigenlijk niet? 

In Onomatopee manifesteren deze toneelteksten zich mooi in de ruimte. Naast de ‘verfilmde’ dialoog – een geslaagde visualisatie – zijn vier atelierfoto’s uit de publicatie tentoongesteld. Deze studio-inkijkjes geven weinig prijs. Ze hebben iets weg van theaterdecors in afwachting op het eigenlijke schouwspel. Daarnaast is een aantal recente werken van de Rosa-kunstenaars opgenomen in een ingetogen en uitgewogen presentatie die het opengevouwen boek omringt. Ze vormen geen flauwe illustratie bij de tekst, maar zijn de bronnen ervan. Het esthetische werk van Bakker spreekt het meest tot de verbeelding. Een dia van een berglandschap is zo geprojecteerd dat hij samenvalt met een op de muur geboetseerd reliëf, waardoor een spannend verdubbelend spel van vorm en licht ontstaat.

Verder toont Janssen twee minimalistische tekeningen die het platte vlak ordenen. De organische vorm van schuimrubber en was die zich krachtig om een tralieraster klemt is van Bouwmeester. En het meest humoristische, of juist serieuze, gebaar komt van Kentgens, die een vervreemdende alledaagsheid tentoonspreidt met constructies van kaas. Zijn het zandlopers? Door de warmte van de spotlights boven hen is er tijdens de opening één zwetend in elkaar gestort. 

De uiteenlopende werken gaan verrassend goed samen. De opvattingen van hun makers mogen (in Van Rosmalens tekst tenminste) dan wellicht iets botsen, maar niet één werk overschreeuwt het andere. Jammer dat de flaptekst van het boek en het persbericht van de tentoonstelling zo vaag zijn: “…artistieke kracht is gelegen in de communicatie die volgt op de bereidheid je wezen op de agenda te plaatsen…”

Dit strookt niet bepaald met de levendigheid van de gevatte dialogen in Een rosa poëtica. Het zou zonde zijn als deze abstracte taal de bezoeker afschrikt om naar Onomatopee af te reizen, want hier gaan reflectie en concrete kunstwerken nu juist zo fijn hand in hand. Er is een bijzondere, gelaagde situatie ontstaan; een tekst over vier kunstenaars, hun werk en een opkomende tentoonstelling zijn eerst uitgegroeid tot toneelstuk, vervolgens tot publicatie en nu dus tot een tentoonstelling met werk van deze kunstenaars. 

De verchroomde bronzen ‘plastic’ tas die bij de uitgang staat is tenslotte misschien wel de verbindende factor van dit alles. Naast een werk in de ruimte is deze oudere sculptuur van Kentgens ook onderwerp van een heftige discussie over kunst en de werkelijkheid in Een rosa poëtica. In Onomatopee staat dit vreemde object als het ware klaar om opgepakt en meegenomen te worden. Met een tas vol visuele én tekstuele bagage ga je weer naar huis.

BOEK: 
EEN / A ROSA POËTICA
Ad van Rosmalen, Freek Lomme (red)
Onomatopee
ISBN: 9789078454809, €12,00

Simon Kentgens, CONSTRUCT (2012)
Simon Kentgens, TAS (2003)

Met ABC primer – Rainbow series eigenden Cobbenhagen Hendriksen (ons gouwe ouwe designersduo) zich hun eigen typografie, ontwerp gerelateerde oplossingen en esthetiek, die ze in de afgelopen jaren inzetten in werk voor verschillende opdrachtgevers opnieuw toe. Een alfabet bestaande uit 26 verschillende gezeefdrukte posters in de kleuren van de regenboog is het resultaat, waarbij hun ABC-primer (A staat voor Awareness, B voor Beauty, C voor Commitment, enz.) leidend was. De reeks posters is een kleurrijke mix van schetsen, ideeën, projecten en voorstellen, ontstaan door met karakteristieke elementen uit hun eigen ontwerppraktijk te spelen en deze te hergebruiken in een andere context. ABC primer – Rainbow series werd in het weekend van 30 maart – 1 april 2012 gelanceerd in Magazijn (Amsterdam). Vanaf 21 juni zal de serie te zien zijn op de 25th International Brno Biennal of Graphic Design in Brno, Tsjechië. Maar wie ze al eerder wil zien (en kopen!) moet naar de website van het designersduo waar alle posters mooi gerangschikt zijn op pallets. (NM)

Van lichaam tot danser

Cynthia Jordens
Trisha Brown, FLOOR OF THE FOREST (1970) (Foto: Kristof Vrancken)

Verwacht op SuperBodies, de 3e Triënnale voor Beeldende Kunst, Dans, Mode en Design in Hasselt, geen perfecte lijven, groteske lichamen of een kritisch verhaal over de heersende schoonheidsidealen in mode en reclame. Hoewel de titel lijkt aan te sluiten bij de wijze waarop het extreem perfecte, heroïsche, extatische lichaam in de media grossiert, tracht curator Pieter T’Jonck (1960, Oostende), juist verwondering op te roepen over hoe ongewoon ons eigen lichaam is.

Op vijf verschillende locaties in Hasselt wordt een indrukwekkende line up van veelzijdige kunstenaars met werk vanaf de jaren zestig getoond, die met elkaar vervlochten zijn in vele kunstvormen. Zo is de Triënnale onder meer een lofzang op enkele sleutelfiguren uit de hedendaagse dans, die laten zien dat hun expressie niet aan één discipline is gebonden. In de performance Floor of the forest van Trisha Brown (1936) bewegen dansers zich horizontaal door een netwerk van touwen en felgekleurde kledingstukken, waardoor de eenvoudige handeling van aan- en uitkleden tot een spectaculaire actie wordt getransformeerd. Ooit merkte Brown op dat ze “haar lichaam bewoog als was het een potlood”, wat mooi te zien is in één van haar series van tekeningen. Dansend en met houtskool in haar handen en voeten geklemd liet ze haar choreografie achter op een vel papier.

William Forsythe (1949) toont in Suspense hoe zijn bewegingen worden belemmerd, terwijl hij is verwikkeld in een strijd met een kluwen van koorden. In Forsythes installatie The defenders part II is het de bezoeker wiens bewegingsvrijheid wordt ontnomen. Kronkelend door een ruimte gevuld met schots en scheef geplaatste passpiegels probeer je een glimp van je spiegelbeeld op te vangen, terwijl je onbewust je eigen bewegingen choreografeert.

Mooi is dat het ene werk het andere lijkt op te roepen. De hoekige metalen, schelpvormige Bichos van de Braziliaanse kunstenaar Lygia Clark (1920-1988) hebben geen definitieve vorm en vragen om manipulatie van de toeschouwer. Ook Ernesto Neto’s (1964) installatie Life is a relationship bestaat uit geometrisch gevormde sculpturen, in dit geval van soepele stoffen, die slechts bestaan in het moment van interactie met de bezoeker.

Een andere kunstenaar die de fysieke betrokkenheid van het publiek uitvoerig heeft onderzocht is Franz West (1947). Zijn organisch gevormde Passstücke van gips en papier-maché zijn gebruiksvoorwerpen zonder een duidelijke functie en naar eigen inzicht te gebruiken als sportattribuut, sieraad, prothese of erotisch hulpstuk. Ook de betoverende installatie Pavillon van de Belgische kunstenaar Lawrence Malstaf (1972) brengt de bezoeker, wellicht indirect, in beweging. De reusachtig wervelende witte vlag verandert de omgeving continu van vorm en doet denken aan het op de wind dansende plastic zakje in de film American beauty.

Verwondering over het eigen lichaam vraagt om een actieve houding van de bezoeker, volgens de curator. Dat ook een aantal kunstenaars uit de regio hier wel raad mee weet, blijkt uit de interactieve installaties van onder meer Eric Joris (1954) en Marloeke van der Vlugt (1971). Beide kunstenaars bewegen zich op het grensvlak van theater, performance en beeldende kunst en maken de bezoeker het doelwit van hun technologische bevindingen. Joris toont met zijn installatie NoHorizon het verlangen om te willen verdwijnen in een foto, tekening of schilderij. Omringd door een projectie van een gerasterde horizon met een continu veranderend perspectief bevind je je in een ruimte die steeds minder tastbaar wordt.

Ook Van de Vlugt toont met haar intieme performance Series patchmakers #1 een fascinatie voor technologie. Eén voor één betreed je een ronde afgesloten ruimte waar de kunstenaar zich bevindt. Op haar lichaam zijn sensoren bevestigd die na aanraking toegang bieden tot videobeelden van gebeurtenissen uit haar verleden of mogelijke ervaringen in de toekomst. Van der Vlugt toont het menselijk lichaam als interface.

Hoewel het een trend is in de hedendaagse kunst om het lichaam van het publiek bij een kunstwerk te betrekken, was dit in de jaren zestig een revolutionaire gedachte. Sindsdien is de ervaring van een kunstwerk niet langer uitsluitend passief en contemplatief, maar kan ook lichamelijk zijn. Het lichaam stond de afgelopen jaren vaker centraal in tentoonstellingen over dans en beeldende kunst.

In Danser sa vie (Centre Georges Pompidou, Parijs, 2011-2012) werd de twintigste-eeuwse fascinatie van dansers en kunstenaars voor het bewegende lichaam belicht. On line. Drawing through the twentieth century (MoMA, New York, 2010-2011) onderzocht hoe de ontwikkeling van de lijn als expressief medium in de beeldende kunst werd beïnvloed door de fascinatie van kunstenaars voor dans. De expositie Move: Choreographing you (Hayward Gallery, Londen, 2010-2011) toonde de wederzijdse beïnvloeding tussen dansers en kunstenaars vanaf de jaren zestig en transformeerde de dappere bezoeker van een toeschouwer in een danser.

Ook in SuperBodies worden de revolutionaire denkbeelden vanaf de jaren zestig voor het voetlicht gebracht en is er, evenals in de Hayward Gallery, een belangrijke rol voor de bezoeker weggelegd. Treffend is dat in een omvangrijke tentoonstelling over het lichaam, het juist het lichaam is dat veelal afwezig lijkt te zijn. Het lichaam van het publiek vormt in dat geval de geheime sleutel tot de completering van een werk, de ene keer als artistiek materiaal van de kunstenaar, de andere keer door je er als toeschouwer volledig in onder te dompelen.

Vele ervaringen in SuperBodies zijn individueel en subjectief en ontstaan in een context van ruimte en tijd. De tijdelijkheid lijkt een directe link naar de tijdelijkheid van het bestaan, of zoals Nietzsche ooit zei: “Alles wat weegt, zou licht moeten worden; alles wat lichaam is, danser; alles wat geest is, vogel.”

Lawrence Malstaf, PAVILLON (2011) (Foto: Kristof Vrancken)
Eric Joris, NO HORIZON (2012) (Foto: Kristof Vrancken)

Traditionele tijdskameraden

Eveline Nieuwveld
Josh Smith, UNTITLED (2008 en 2009)

Comrades of time ontleent zijn titel aan het gelijknamige artikel van Boris Groys in e-flux (2009). Hier beschrijft de filosoof hoe enkel time-based art – kunst met tijdsverloop, zoals video en performance –  zich kan profileren als hedendaags, als een ‘kameraad van de tijd.’ Waar canonieke kunstvormen  als schilderen, beeldhouwen en tekenen gebaseerd zijn op tijd als een solide basis, houdt time-based art zich juist bezig met tijd die zich op het randje van verloren bevindt, omdat zij niets productiefs voortbrengt. Groys noemt dit excessive time: gerekte, verlengde tijd, die volgens hem van belang is voor hedendaagse kunst en niet samengaat met de traditionele kunstvormen.

Curator Bas van den Hurk lijkt Groys’ standpunt ter discussie te stellen: Comrades of time presenteert voornamelijk canonieke kunstvormen. De tentoonstelling vindt plaats in het nieuwe Project Space Tilburg. Bij binnenkomst vallen zeven schilderijen van Josh Smith op, waarbij delen van het canvas onbenut blijven. Verderop hangt een gehavende grijzige deur van Gedi Sabony, die uit de muur lijkt te komen. Is het werk plat of driedimensionaal? Schilderij of sculptuur?

In de ruimte achter Sibony’s werk zijn een installatie van Rachel Koolen en een werk van Koen Delaere te zien. Koolens Selfportrait in drag (2012) bestaat uit een videoloop met afwisselend beelden van een kunstbeurs, grote winkelketens en rasters. Daarnaast liggen opgestapelde houten platen met hooi erop, daarover een vlechtwerk van vuilniszak-achtig materiaal. Het schilderij van Koen Delaere wekt een bijna impressionistische indruk door de pastelkleuren en borstelachtige textuur. Om de hoek beplakte Thomas l’Anson een muur met grafische prints, waarin cryptische tekstjes te ontwaren zijn.

Amanda Ross-Ho bouwde haar ruimtelijke werk Triangles and Teak Reams (2010) op uit meerdere driehoeken, terwijl een herenkostuum van Bas van den Hurk is gedrapeerd over een handdoekenrek. In een apart kamertje wordt de video Bodies of Society (2006) van Klara Lidèn getoond, waarin ze een fiets met een ijzeren buis bewerkt – de ruimte waarin de film is opgenomen lijkt erg op die waarin de video te zien is. De monitor is naar de straatkant gericht en daardoor ook vanaf buiten te bekijken; de video draait ‘s avonds door. De in museale instituten of tentoonstellingsruimtes altijd voelbare scheidslijn tussen binnen en buiten wordt door dit werk nog eens benadrukt.

Ondanks het uiteenlopende materiaal- en mediumgebruik, gaan de geëxposeerde werken onderlinge verbanden aan zonder elkaar te overheersen. Dit geldt bijvoorbeeld voor de borstelige textuur van Delaeres schilderij en het hooi uit Koolens installatie, of de opmerkelijke details in de ogenschijnlijk strakke werken van Ross-Ho, l’Anson en van den Hurk.

Boris Groys’ bewering dat de canonieke kunstvormen zijn gebaseerd op tijd als solide gegeven lijkt hier in Project Space niet op te gaan. Wie om de werken heen loopt, merkt dat ze voortdurend van vorm veranderen en vanuit meerdere perspectieven te bekijken zijn. Elk gaat een eigen relatie aan met de beschouwer, waarbij subject en object steeds van plaats wisselen. Hierdoor kunnen deze ‘traditionele’ kunstwerken onmogelijk geplaatst worden in de tijdsquarantaine die Groys voorstelt. Hoewel de complexe thematiek een deel van de bezoekers zal ontgaan, zijn de getoonde kunstwerken met recht “comrades of time” te noemen.

Rachel Koolen, SELFPORTRAIT IN DRAG (2012)
Koen Delaere, UNTITLED (2012)
Thomas l'Anson, SOMETHING MATTERED (2012)
Klara Lidèn, BODIES OF SOCIETY (2006)

De game-industrie is uitgegroeid tot een van de grootste entertainmentindustrieën ter wereld. Grafisch ontwerpers, musici, filmmakers en scenarioschrijvers werken aan de ontwikkeling van de meest uiteenlopende videogames, die in toenemende mate een inspiratie voor kunstenaars vormen. In Museum Hilversum zijn ondermeer FLX van Han Hoogerbrugge en Sander van der Vegte en Sollmann van Marcel van Eeden en Jorrit de Vries te spelen. Om het ontwerpproces inzichtelijk te maken zijn er zowel schetsen als documentaires over de ontwikkeling van deze videogames te zien. Van Sollmann staat tevens de maquette opgesteld. Beide games zijn het resultaat van een driejarig research project dat werd geïnitieerd door het Stedelijk Museum en het mediacollectief Submarine Channel. In dit project werd het concept van artistiek auteurschap binnen de context van videogames onderzocht door de samenwerking tussen kunstenaars en ontwerpers van games te bevorderen. (AM)

Het meest bekende plastic zakje in de kunst is ongetwijfeld het in de wind dansende exemplaar in de film American beauty. Dat zakje heeft nu echter concurrentie gekregen dankzij een van de foto’s van de Zuid-Afrikaanse kunstenaar Guy Tillim. In Viaduto do chá vangt hij een stel passanten die in ochtendhaast voorbij lopen. Een van hen heeft een plastic tasje in zijn hand dat naar achter zwaait en door de manier waarop het tasje licht weet te vangen in een verder grijzige foto wordt het de blikvanger van de foto. “Jeetje, wat een mooi plastic zakje,” ben je haast geneigd te denken. Verbluffende details vormen het vast kenmerk van Tillims foto’s, die de natuur en soms het stedelijke landschap van diverse werelddelen tonen. (MvD)

Het kunstenaarsduo Wim Hardeman (1958) en Onno Schilstra (1961) werkte zes jaar in stilte aan een serie tekeningen die zich tot op de dag van vandaag uitbreidt. Onder de naam Panopticum Berlin leggen zij een verzameling tekeningen aan die – wanneer ze gelijktijdig tentoongesteld worden – zo’n veertig meter muur zou bestrijken. In het kleine Haagse centrum voor actuele kunst JCA DE KOK werd gekozen voor een selectie uit deze uitdijende serie. Het begin van een panorama ontvouwt zich.

Panopticum Berlin biedt onderdak aan twee typen tekeningen. Op de één zien we lege gebouwen, op de ander de mens die afwijkt van de norm, freaks of nature, exotische dieren en andere abnormaliteiten. De tekeningen zijn elkaars negatief; Schilstra zet de architectuur met zwarte inkt op wit papier, Hardeman tekent de portretten met witte inkt op zwarte gesso.

De naam van het project is een verwijzing naar een gevangenistype waar vanuit één punt alle gedetineerden in de gaten gehouden kunnen worden. Door de constructie van ruimte, licht en zichtlijnen is het mogelijk om de gevangenen te observeren zonder dat zij weten of en wanneer dat gebeurt. Het panopticum baseert zijn macht op de gedachte dat alleen al de mogelijkheid van observatie de mens in het gareel houdt. De toevoeging Berlin verwijst naar de gedeeltelijke thuisbasis van de kunstenaars. In deze stad heeft het observeren van mensen een geschiedenis die nog steeds voelbaar is.

Maar de titel roept ook associaties op met circustenten en kermisattracties. In de negentiende eeuw stond het panopticum namelijk synoniem voor het tentoonstellen van de zogenaamde freaks of nature – die Hardeman als onderwerp voor zijn tekeningen neemt. Op de eerste wereldtentoonstellingen heerste het verlangen naar een panoramische weerspiegeling van de wereld in al zijn wonderbaarlijkheid. Reuzen, dwergen, negers en dwazen werden geëxposeerd in het kader van de wetenschap. Wat echter begon als het streven naar een wetenschappelijke ordening, eindigde als een kermis.

Op de tekeningen van Hardeman zien we een Afrikaanse stam met bolle buiken of een zotte vrouw die verwilderd om zich heen zwaait. Deze portretten van het zogenaamd ‘abnormale’ zijn net als de negentiende-eeuwse attracties geen brede afspiegeling van de wereldpopulatie, maar een onderzoek naar eigenaardigheden.

De naam Panopticum Berlin blijkt daarom een goede keuze. Wat we zien is namelijk geen panorama – ondanks het wijde perspectief van Schilstra’s tekeningen – maar een panoptische blik en de uitwerking daarvan. Een sturende blik die controleert en waar macht vanuit gaat. Niet alleen in de koepelgevangenissen, maar ook in bibliotheken, fabrieken, musea, directiekamers van grote bedrijven en de openbare ruimte. Schilstra toont met de keuze voor publieke plekken dat niet alleen gekken en gajes op deze manier gereguleerd worden; de samenleving is sterk gedisciplineerd en verlangt dat iedereen voldoet aan de norm.

Met hun project raakt het duo aan het werk van Michel Foucault. In Discipline, toezicht en straf beschrijft de Franse filosoof het panopticum als een systeem waarin de macht geobjectiveerd is in de architectuur. Het idee dat men onder permanent toezicht staat, leidt hierin tot geciviliseerd gedrag. Maar de vraag is wat beschaving is en wie dat bepaalt – de geschiedenis wijst uit dat wat nu als normaal beschouwd wordt radicaal kan veranderen.

Het is aan de buitenstaander om weerstand te bieden aan de dwingende macht van de panoptische blik. Sommige individuen in de tentoonstelling lijken hierin te slagen. Naast de weergave van een verlaten balzaal hangen de portretten van een viertal oude mannen. Ze trekken ongemakkelijk aan de panden van hun jas. Hun onzekerheid wordt zichtbaar, maar zij weten zich staande te houden onder de blik van het systeem. De verloren grandeur van de ruimte vormt een alternatief kader voor de mannen. Het verleden biedt een context waarin we de oudjes weer als volwaardige mensen gaan beschouwen.

Panopticum Berlin openbaart hier een vertroebeling van de koele en objectiverende blik waar het panopticisme van afhankelijk is. Opvallend genoeg zijn het in de rest van de expositie niet de portretten, maar vooral de verlaten hoofdkwartieren van bewakers en surveillanten die een gevoel van menselijkheid oproepen. De smoezelige vitrage in een meldkamer oogt zo troosteloos dat de toeschouwer een gevoel van medelijden bekruipt. Het keurig opgestapelde servies in een bewakerspost verraadt een huiselijkheid die niets te maken heeft met de afstandelijke blik van de systeemtrouwe bewaker.

Volgens Foucault zijn kunstenaars in staat om het abnormale van waarde te laten zijn. Ook kunnen zij de onvermoede verbanden in de aanwezige ordening openbaren en bestaande denksystemen ondermijnen of vernieuwen. Panopticum Berlin toont het verband tussen het achttiende-eeuwse panopticum, het negentiende-eeuwse rariteitenkabinet en de teksten van Foucault. De dubbelbeelden van de kunstenaars worden helaas nog nergens actueel.

Alleen wanneer de tekeningen een hedendaagse betekenis krijgen, zullen ze in staat zijn om bestaande denksystemen te ondermijnen. Wellicht kunnen ze in een volgende expositie een nieuw panorama ontsluiten, waarin men kan ontsnappen aan iedere vorm van toezicht. Niet alleen voor gekken en gajes, maar voor eenieder die zich wel eens bekeken voelt.

Time After Sometimes

Maaike Lauwaert
Uta Eisenreich, CONFUSION, GREEN (2012) (deel van TIME AFTER SOMETIMES)

Bij het zien van het werk van Uta Eisenreich (1971) vraag ik me altijd af hoe zij de wereld ziet. Het kan niet anders of zij ziet de dingen, dagelijkse gebruiksvoorwerpen, kleuren en composities, anders dan wij dat doen. Als het waar is (en ik denk van wel), dat alle goede kunst ons de wereld toont zoals we haar nog niet kenden, dan geldt dat zeker voor het werk van Eisenreich. De wereld die zij ons toont voelt intuïtief aan als logisch, kloppend, ordelijk en toch begrijp je haar universum niet altijd meteen.

Naar haar werk kijken betekent dan ook constant puzzelen in verwoedde pogingen te begrijpen. Alsof de sleutel tot het ontrafelen heel dicht binnen handbereik is (warm, warmer, heet) ga je het werk te lijf als een rebus, een ‘zoek de tien verschillen’-spelletje of zelfs als een psychologische test waarbij je snel moet zeggen wat er veranderd is in een beeld (koud, kouder, ijskoud). Het zou te simpel zijn te denken dat het begrijpen van haar werk enkel in dat puzzelen lag. Eisenreich speelt semiotiek op Olympisch niveau. 

Eisenreich is misschien wel het meest bekend om haar foto’s van vanitasachtige composities met generieke voorwerpen, welhaast universele afbeeldingen van Het Ei, De Lepel, De Bal. Bij Ellen de Bruijne PROJECTS in Amsterdam toont ze een serie nieuwe composities onder de titel Time after sometimes. De foto’s zijn stillevens van een perfect stuk chocoladetaart, een opgekrulde en dan weer uitgestrekte regenworm, een cracker en koffielepeltje tegen helle achtergrondkleuren en vaak geschikt op een formica tafel.

De compilaties bevatten niet alleen direct herkenbare gebruiksvoorwerpen, maar ook bevreemdende voorwerpen zoals een stuk been en een soort doodle van klei met punaises als oogjes. Kleine verschillen tussen twee foto’s en verwarring over de grootte van het tableau, geven de foto’s een zeker trompe-l’oeil-gehalte. Het werk is strak, niets wordt aan het toeval overgelaten, maar het is zeker niet koud of afstandelijk. Eisenreich toont ook twee posters, twee videowerken en een geluidswerk. Dat laatste bestaat uit een mannenstem die op vrij monotone, neutrale wijze klanken en geluiden uitspreekt.

Tijdens de opening van de tentoonstelling vond er een performance plaats die al deze werken als het ware samenbracht. Naast een groot projectiescherm zit de man met de stem (hij heet Michael Blass blijkt later) die klanken produceert. Op het scherm zien we in afwisselende ritmes en volgordes de protagonisten uit de stillevens in zwart-wit voorbij komen. Aha: de klanken van het geluidswerk horen bij de voorwerpen op de foto’s; een lekke bal klinkt als psssst. De man leest als het ware de voorwerpen.

De performance bouwt rustig op, de man zegt de klank die bij het getoonde voorwerp hoort vier keer achter elkaar. Het porseleinen katje klinkt als aah, aah, aah, aah (het geluid dat we maken als we iets schattig of lief vinden). De speelkaart met een pin-up erop leidt tot ooh, ooh, ooh, ooh. Het omgestoten koffiekopje is hey! hey! hey! hey! Gaandeweg wordt het spel tussen beeld en geluid complexer. De beelden wisselen elkaar sneller af en de man moet vaker tussen klanken switchen: fietspomp: pffff, wekker: prrrr, vlieg: zzzz, regenworm: ieuw, sleutel die wordt teruggevonden onder De witte raaf: ah! Hij heeft elk geluid zodanig onder controle dat het tempo en het snelle schakelen hem niets lijken te doen. En ook hier denk je soms dat er een verhaal wordt verteld, zoek je de logica achter deze volgorde van beelden en klanken. Het houten locomotiefje wordt vast niet voor niets gevolgd door een wolk van witte, pluizige wol. Alsof zijn rookpluim is gaan liggen om even uit te rusten. 

Het beeld-klankspel doet onmiddellijk denken aan het werk van de Franse taalwetenschapper Ferdinand de Saussure (1857-1913). Hij was de grondlegger van onze huidige taalkunde, de vader van de semiotiek en de eerste die diepgaand onderzocht hoe taal ons begrip van en onze grip op de wereld vormgeeft. Zijn werk kan in dit korte bestek geen recht worden gedaan, maar er zijn twee belangrijke grondslagen van zijn denken die relevant zijn voor het werk van Eisenreich (ze citeert hem niet voor niets op de website van Ellen de Bruijne PROJECTS). 

Het eerste is de tweedeling die De Saussure maakt tussen signifiant en signifié. De signifiant is het concrete teken zelf, het (gesproken of geschreven) woord (‘appel’ bijvoorbeeld) of een afbeelding daarvan. De signifié is het mentale concept waarnaar dat concrete teken verwijst: dat kan een stuk fruit zijn, het logo van Apple, de stad New York of de appel van de zondeval. Dat een teken naar een bepaald ding of concept verwijst is een afspraak en dus arbitrair, volgens De Saussure. Het tweede is het onderscheid dat De Saussure maakt tussen langue en parole. Langue staat voor de geschreven structuur van woorden en tekens (en die tekens bestaan dus uit zowel een fysieke betekenaar als een mentale betekenis) en parole voor gesproken taaluitingen. 

Het complexe spel tussen betekenaar, betekenis, geschreven en gesproken taal wordt op de spits gedreven in de posters die Eisenreich samen met Julia Born (1975) voor deze tentoonstelling maakte. Het zijn een soort ‘A is een Aapje’-posters voor gevorderden. Onder de afbeelding van de chocoladetaart (de signifiant of betekenaar) staat bijvoorbeeld het woord minute (de signifié of betekenis) wat verwijst naar hoe snel je de taart zou willen opeten (tenminste, als dat het concept is dat het teken taart bij jou oproept). De ‘m’ is rood want staat voor de mmmh-klank die bij een lekker stuk taart hoort (parole of gesproken taal). 

Wat Eisenreich als geen ander weet te doen en waardoor ze de wereld toont zoals we haar nog niet kenden, is het arbitraire en hoogstpersoonlijke van tekensystemen vertalen op een visueel aantrekkelijke – vreemd genoeg ook tactiele – en vaak grappige, speelse en absurde manier. Dit is hoe zij de wereld ziet, ordent en betekenis geeft. Waarom de regenworm, de bril en de fietspomp samen met een ei en driehoek op de foto staan? Het blijft een raadsel. Maar wel een productief raadsel dat energie losmaakt doordat je blijft zoeken naar oplossingen, verklaringen en manieren om te begrijpeen.

Uta Eisenreich, TIME AFTER SOMETIMES. Performance bij Ellen de Bruijne PROJECTS