En altijd is er weer die suggestie van een aanwezigheid. Je ziet ze nergens, maar je voelt dat ze daar ergens verscholen moeten zitten. Mensen. En dan van het soort dat onbeschrijflijke dingen doet in het duister. Het feit dat je ze niet kunt zien maakt hun aanwezigheid alleen maar drukkender. In de nachtschilderijen van de Rijksacademie- en Rietveld student Maurice Braspenning laten ze alleen hun sporen achter. Maar ze zijn ongrijpbaar en vreemd zoals buitenaardse wezens in films, wier bestaan ook alleen wordt vermoed door achtergelaten bewijzen. Braspenning schilderde dat soort menselijke bewijzen al in 1998. Noord- Amerikaanse vishutjes op bevroren meren hadden een desolaat interieur, slechts bevolkt door artefacten als cd’s, glazen en een koptelefoon. In de donkere stadslandschappen die in het Leidse CBK hangen, laten ‘mensen’ hun aanwezigheid op een andere manier blijken. Ze hebben het licht aangelaten. In de serie is telkens een streep ijskoud wit te zien, boven in een, voor de rest donker, kantoorgebouw. Maar dat licht geeft nergens openheid van zaken, integendeel. Het tekent eerder de contouren van een mysterie, prikkelt de nieuwsgierigheid en verhoogt zo de frustratie over iets dat zo zichtbaar moet zijn maar dat we desondanks nooit te weten zullen komen. Net als bij zijn donkere weergave van auto’s. Braspenning heeft ze met ferme vegen terugggebracht tot hun bijna abstracte essentie. Een dikke trefzekere baan markeert een bumper. Een draai met de kwast is de achteruitkijkspiegel. Ze worden in al hun duistere glorie bijna geheel opgeslokt door de nacht. Zoals dat hoort bij een monster in de schutkleuren van zijn inktzwarte habitat. Ware het niet dat de twee koplampen oplichten als gloeiende kolen. Ze staren je aan met de dreiging van een spookachtige anonimiteit. Een groot zombie- achtig zwijgen. Zitten er mensen in de auto? Misschien. Misschien ook niet. Meer informatie krijg je niet.

In Braspennings universum is bijna alles negen maanden onheilszwanger. De ramp kan elk moment worden geboren. Een ander doek met twee witte vlekken gericht op de toeschouwer tegen een (alweer) nachtelijke hemel draagt als titel: Spookrijder. Zelfs de lieflijke konijntjes, wier ogen oplichten door maanlicht, ontspringen de dodendans niet. Mocht een argeloze vluchtige kijker er nog iets idyllisch in willen zien, de titel helpt hem/haar wel uit de droom in de nachtmerrie: ‘Christmas is coming’.

Maar nergens is de dreiging grijpbaar. Braspenning bedekt en verhult. Maar laat altijd wel een gaatje open om je nieuwsgierig te houden. Hij zorgt voor het kiertje tussen je vingers als je naar een spannende film kijkt. Maar je zult er geen plattitudes als bloed zien. Daar is hij te veel master of suspense voor. En zijn doeken zijn erg populair. Tijdens de open dagen bij de Rijksacademie, waar hij sinds vorig jaar staat ingeschreven, verkocht hij bijna al zijn werk. Van de achttien doeken die in het CBK hangen zijn er al tien verkocht.

In een interview met het Leidsch Dagblad vertelde de Leidse kunstenaar dat het nummer ‘What is he building in there?’ van Tom Waits een onuitputtelijke bron van inspiratie is. Het relaas van een paranoïde man die de duistere werkzaamheden van zijn buurman wil onderzoeken. En ook verlaten industrieterreinen kunnen hem bekoren. Allicht. De plekken waar het contrast tussen menselijk ingrijpen en hun fysieke afwezigheid waarschijnlijk het grootst is. Ze zijn er wel, maar je ziet ze niet. Net zoals op zijn doeken.

De enige prominente aanwezige in het werk van Braspenning is de trage suggestie die als zwarte stroop van zijn doek druipt. Zelfs in zijn portretten, een genre waar je haast niet aan identificatie en dus geruststelling kunt ontkomen, weet Braspenning er een draai aan te geven. De pompbediende is geen stereotype in een kleurige nylon overall. Het gezicht is zo donker en ondoorgrondelijk als van een woestijnnomade in de schaduw van zijn capuchon. In het gelaat zijn nauwelijks nog een paar gezichtstrekken te onderscheiden.

Het heeft zijn gevolgen. Wie het rubberen bootje van het doek ‘Dinghy’‚ aanschouwt in fel geel, dobberend in zuurstokroze (bloed?), gaat vanzelf kwade gedachten krijgen en vraagt zich af of het lijk onder het zeil ligt. In tegenstelling tot dat Waitsnummer dat eindigt met de regel ‘We have a right to know’, zullen we het nooit te weten komen. We krijgen van Braspenning niet meer dan dat beetje licht waarmee je schaduwen en silhouetten schetst. Want die zijn nog altijd dreigender dan de volledige duisternis.

MAURICE BRASPENNING, NIEUW WERK

CBK, Hooglandsekerkgracht 19/21, Leiden

Asemiha B. unplugged

Anne van Driel

Het moet na zo'n drie kwartier geweest zijn, dat hij naast me aanschoof. Tot die tijd had Semiha Berksoy, de tachtigjarige Turkse opera-ster, mijn aandacht gehad. Onvermoeibaar had ze verhaald over haar jeugdliefde – een veel oudere, socialistische dichter, die vanwege zijn kritische geschriften in de gevangenis was beland. Met gevoel voor dramatiek had ze beschreven hoe zij – de dag dat hij bij haar langskwam op de thee – de stad had afgeschuimd voor een nieuwe jurk en een tafelkleedje van Turkse zijde. Tweeëntwintig was ze toen. En aan de foto's die ze toonde te zien: een beeldschone diva. Nu trachtte ze voorbije tijden te doen herleven met twee vuurrode cirkeltjes op haar rimpelige wangen en de lippen stevig in de verf gezet. Een verlepte bloem, de vleesgeworden vergane glorie. En ook al schitterden haar ogen ontroerend, bij het oeverloos oprakelen van haar gepassioneerde verleden: een nogal ouwe gek.

Hij kwam naast me zitten toen Semiha haar relaas onderbrak voor operageschalm. Drie kwartier verstreken en nog zeven uur te gaan. Want zolang duurt ‘Semiha B. Unplugged' , de onversneden documentaire van videokunstenaar en filmmaker Kutlug Ataman (Istanbul, 1961), die nu bij Galerie Akinci in Amsterdam op een groot scherm te zien is. Zeven uur en drie kwartier om in rafelige homevideo- stijl te tonen hoe Semiha om de haverklap van kostuum verwisselt, gekleed in gehavende operajurk of louter in knellende lingerie vanaf haar bed een relaas afsteekt dat schippert tussen feit en fictie, tussen haar persoonlijk levensloop en de rollen die zij vertolkte op het toneel.

Ook hij had zijn liefde verloren, stak de man naast me opeens van wal. Drie roerige jaren had het geduurd, en vorige week was ze opeens vertrokken. Schijnbaar zonder reden. Onbeschaamd vertelde hij over die afgelopen jaren, geëmotioneerd hoe heftig zijn verdriet nu was. Sorry, zijn adem walmde naar alcohol, ja: hij had geprobeerd zijn ongeluk te verdrinken. En sorry vooral dat hij me opzadelde met onbenullige details uit zijn leven, verexcuseerde hij zich.

Na drie kwartier.

Hoe Semiha haar levensverhaal vervolgde is me ontgaan. Hoe ze vertelde over de manier waarop ze ‘de sociale normen van haar omgeving had geweigerd en haar eigen identiteit en vrijheid had proberen te veroveren' of ‘het systeem van onderdrukkende sociale structuren ontvlucht was door transformatie van haar identiteit' – ik geloof niet dat het me meer had kunnen boeien dan het vertoog van de man naast me. Drie kwartier schokkerige videobeelden hadden tot nog toe slechts onbetekende details zonder duidelijke richting gebracht. Niet minder dramatisch gebracht dan het verdriet van de man naast me, en -op momenten- niet minder gênant.

Waarom dacht Ataman dan toch zeven uur en drie kwartier te moeten uittrekken voor het levensverhaal van Semiha? En waarom filmde hij dat in een tamelijk onaantrekkelijke, quasi-klungelige stijl? Om het puur en onversneden te doen ogen waarschijnlijk, ongeregisseerd en van toevalligheden aan elkaar hangend, zich traag ontwikkelend – zoals het leven zelf. Maar waarom was het leven zelf dan – net nog – zovele malen overrompelender, meer prikkelend en schrijnend?

"Het gaat in videokunst alleen maar om de vorm, niet om de inhoud. Alle aandacht gaat naar hoe het verteld wordt, niet naar het wat", zei de man die niet van videokunst zei te houden bij ons afscheid. Het was het enige onzinnige dat hij in drie kwartier te melden had.

SEMIHA B. UNPLUGGED, t/m 10 feb

Galerie Akinci, Lijnbaansgracht 317, Amsterdam, di-za 13-18 uur

Buren

Marieke van Hal

Dat Brabant veel talenten herbergt, is wel gebleken tijdens de laatste Olympische Spelen. De ene na de andere medaille werd door een Brabo in de wacht gesleept. Of bijzondere Brabantse bekwaamheden ook in de beeldende kunst te vinden zijn, dat is met de groepstentoonstelling ‘Buren', die nu in het Eindhovense Van Abbemuseum te zien is, onderzocht. Vijftien jonge kunstenaars met een maximale leeftijd van vijfendertig jaar zijn geselecteerd op grond van hun roots in het Brabantse land. Is er dan iets als kunst met een zachte g?

Dat blijkt niet het geval, zo staat ook in de catalogus. Gelukkig hebben de tentoonstellingsmakers dit gewoonweg geconstateerd. ‘Buren' is een potentiële staalkaart van een generatie jonge beeldend kunstenaars, die elk eventueel Brabantse accent heeft verloren. De exposanten zijn dan wel allen in de provincie Noord-Brabant geboren of hebben op een kunstacademie gezeten in Breda, Den Bosch of Tilburg, gezamenlijke thema's of overeenkomstige drijfveren zijn er niet. De enige bindende factor is diversiteit. Een diversiteit aan vormen, onderwerpen en technieken die de tijdsgeest in de beeldende kunst op dit moment typeert, maar ‘Buren' ook tot een allegaartje maakt.

Zo is er oud en nieuw werk, goed en minder goed, speciaal voor deze tentoonstelling gemaakt gelegenheidswerk, en werk met een tijdelijk karakter, vaak zijn dit ruimtelijke installaties. Ook zien we dat allerlei oude en nieuwe media met elkaar zijn gecombineerd. Een mooi voorbeeld is de cd-rom installatie ‘Indifference to the Truth' van Mathilde ter Heijne. Ze digitaliseerde vijfhonderd transparante potloodtekeningen. Met de muis kan de bezoeker makkelijk door een labyrint van ruimtes bewegen. Een muisklik op een menselijk figuur geeft in een flits een schokkend mediabeeld weer. Van gruwelijke martelingen, liquidaties of massamoorden waar dan ook ter wereld. De flits, veel te kort om te bevatten, lijkt ons te wijzen op de grote hoeveelheid en daardoor geringe impact van dit soort beelden in de media. Doen ze ons nog wat?

Jeroen Offerman, die sinds zijn studie aan het gerenommeerde Goldsmiths College in Londen woont, heeft eveneens oude ambachten aan hedendaagse technieken gekoppeld. Hij knutselde een videoschilderij in elkaar. Bij de entree zien we een projectie van de Nunmead-begraafplaats in Londen. Later in de expositie wordt duidelijk waarom dit praktisch stilstaande videobeeld intrigeert. In een zaal zien we een cameraopstelling die de begraafplaats, bestaande uit geknipte en geplakte foto's op een tafel, registreert. Een monitor met wolkenlucht dient als achtergrond. Van Alexandra Rouppe van der Voort zijn ondermeer foto's uit de serie ‘Ode aan mijn vader' te zien, belangrijk werk in haar oeuvre maar ons eigenlijk al wel bekend. Haar fotobeelden waarin ze zichzelf en naaste omgeving grimeert en portretteert, hebben een sterk zelfonderzoekend karakter. Wineke Gartz, William Speakman en Dirk van Lieshout maakten installaties of omgevingswerken, ruimtes ingericht om het publiek een ervaring mee te geven of in een andere realiteit te betrekken. In deze categorie is Van Lieshout's ‘Sedate FM', een samenwerkingsproject met Grace Ndiritu, het meest geslaagd. De bezoeker kan zich uitleven op allerlei verplaatsbare houten objecten al dan niet bedekt met kunstgras. Koptelefoons geven elke plek in de ruimte een andere dimensie.

Een fascinerende douchecel hoog tegen de muur kan via een gefiguurzaagde trap worden bereikt. Marc Bijl demonstreert dat er ook plaats is voor humor in de beeldende kunst, ook al vindt hij het zelf vreemd dat mensen zijn werk geestig vinden. "Ik word er namelijk niet vrolijker van", zegt hij. En dat is te zien. Hij heeft zichzelf als een pop uitgebeeld. In het zwart gekleed en met het tijdschrift Flash Art in zijn jaszak, zo ligt hij languit met een fles in zijn hand op de grond. Kunstmoe. Openingen zijn hem teveel geworden. Met dit alter ego beeld geeft hij ironisch commentaar op zichzelf en het kunstwereldje om hem heen. Niets geen romantisch kunstenaarsbestaan, lijkt hij te zeggen. In tegenstelling tot de eerder genoemde ‘omgevingswerkers' doet Bijl geen moeite om een andere realiteit te creëren en heft hij de scheiding tussen het werkelijke leven en de artificiële wereld van de kunst zoveel mogelijk op. Dat doet hij door een openbare afvalbak gevuld met fietsresten neer te zetten en deze te betitelen als ‘Compositie met vuilnisbak en fiets'. Ook bouwde hij een muurtje met daarachter troep en blacklight, een door junks ingenomen plek. En als zodanig uit het leven gegrepen.

Het Van Abbemuseum blinkt uit in zijn tentoonstellingen met een signalerend, vaak internationaal karakter. Daarnaast heeft het museum in het verleden met regelmaat aandacht besteed aan kunst uit de regio. Ook nu heeft het weer aan zijn plicht voldaan. Een typisch Brabantse stijl is gezocht, maar niet gevonden.

BUREN, t/m 4 feb

Van Abbemuseum, Vonderweg 1, Eindhoven, di-zo 11-17 uur

Op een groot meer ligt een witte boot voor anker. Een klein bootje ligt gemeerd aan de oever. Het lijkt alsof de opvarende de speedboot heeft verlaten met het roeibootje. Zoeken naar deze varensgast is niet nodig, want helemaal vooraan op het werk staat een meisje, getooid met zonnebril waarmee ze recht de camera in kijkt. Haar hele reis van de geankerde boot via het kleine bootje naar de positie in het beeld is gemakkelijk te reconstrueren.

Úna Henry (1971) exposeert deze tekening, die een onderdeel is van haar werk waarin de herinnering aan een voorbijgaande gebeurtenis centraal staat. Henry is Noord-Ierse, en woont en werkt al enkele jaren afwisselend in Nederland en Noord-Ierland. De uitnodiging voor de expositie bij Galerie Cokkie Snoei is getooid met een takje lavendel, op zijn plaats gehouden door een vergeeld stukje plakband met daarnaast de tekst: ‘The smell of this makes you calm'. Levensecht ziet het eruit en de behoefte om eraan te ruiken is sterk. Bij nadere controle echter blijkt het takje een foto te zijn en geheel geurloos.

De expositie bestaat uit digitale tekeningen en foto's. Aan de ene kant hangen de digitale tekeningen: de zwarte lijnen zijn getekend, gescand en vervolgens ingekleurd op de computer. Door de overheersende zwarte lijn en de heldere kleuren lijken de werken op striptekeningen. Alleen ontbreekt overal de tekstwolk. Het beeld spreekt voor zichzelf.

De tekeningen uit de reeks ‘All the things he gave her' doen denken aan foto's uit een reismagazine of een modereportage. Een meisje staat aan een waterlijn in een geposeerde contra post houding, een schouder hoog opgetrokken en een arrogante blik in de ogen als van een fotomodel. Op verschillende tekeningen staan dezelfde jongen en hetzelfde meisje afgebeeld. Het thema van boten en water keert ook meermalen terug. Het meisje van de waterlijn staat met zonnebril en zeilboot in de hand voor een huis, of is vanaf de rug gezien aan het wandelen in een luxe villawijk. De jongen met felblonde haren peddelt rond in een rode boot, met zijn brede blanke rug tastbaar dichtbij. Henry trekt de toeschouwer het beeld in, geeft hem de plaats achter de peddelaar en draagt zo de ervaring van het kanotochtje over. Een andere tekening laat de beide zonnebrildragende hoofdpersonen zien, staand op een verlaten bergweg, de scooter die ze daar bracht prominent in beeld.

De dingen uit de titel van de expositie, ‘All the Things he gave her', zijn terug te vinden op de foto's en bestaan onder andere uit een Italiaans treinkaartje, een klavertje vier, een bebloede tissue. Onder een klavertje vier, met plakband op zijn plaats gehouden staat in blauwe viltstift geschreven: ‘never never fuck flower'. Een uitgedroogde bloem heet in hetzelfde handschrift: ‘Passionflower'. De teksten geven een intimiteit aan de objecten mee.

Fotoprints en digitale tekeningen vormen beide een onderdeel van het relaas van Henry. Een leeg bed, maar ook een uitgebloeide passiebloem. Een kanotocht, een strandhuisje met een stoel die wacht op de persoon die er een ogenblik geleden nog in zat. Het meisje, op de rand van het bed met het hoofd in de handen. Al deze onderdelen vormen samen een verhaal van passie op vakantie, een avontuur dat uiteindelijk eindigt.

Úna Henry neemt haar persoonlijke belevenis als onderwerp. Hierin wijkt zij niet af van het werk van bijvoorbeeld de Engelse kunstenaar Tracy Emin, die met haar beslapen bed en een tent, geborduurd met de namen van al haar bedpartners, ook haar eigen leven centraal stelt. Henry's werk is minder uitgesproken biografisch. Zij laat ruimte voor interpretatie en invulling met de elementen die zij aanreikt in haar foto's en tekeningen. Niet specifiek háár leven staat centraal, maar een avontuur van een verliefd stel. De werkwijze geeft Henry's tekening iets glads mee. Deze gladheid zorgt ook voor een meer universele lading, dan bijvoorbeeld het beslapen bed van Emin heeft. Het bekijken van Emins bed, geeft je het gevoel een voyeur te zijn van het persoonlijke leven van Tracy Emin, de kunstenaar. Henry laat een beeldverhaal zien zonder tekst, zonder haken en ogen die van het verhaal een persoonlijk relaas maken. Dit wordt echter deels goedgemaakt door de fotoprints van droogbloemen, tissues en klavertjes vier. Deze fotoprints gaan vergezeld van korte, met de hand geschreven regeltjes, die de intimiteit van dagboeknotities hebben.

De ervaringen en emoties die ze deelt zijn noch direct, rauw, noch ongepolijst. De media die Henry hanteert, gaan uit van foto' s en objecten. Maar de foto's en objecten krijgt niemand te zien. Door te tekenen wat foto is en te fotograferen wat object is, past Henry een filter toe. De droogbloemen en treinkaartjes, de foto's van de vakantie, ze worden niet daadwerkelijk tentoongesteld, maar na bewerking met computer en camera vormen ze blauwdrukken van een herinnering.

ÚNA HENRY, t/m 4 feb

Cokkie Snoei, Mauritsweg 58, Rotterdam

Intimate Spaces

Lotte Haagsma

Intimiteit is de glimp van een slipje, net zichtbaar onder het rokje van een lezend meisje in de trein. Intimiteit spreekt uit het beeld van de man, aan tafel in een restaurant, die je vanuit het halfduister aankijkt. Intimiteit is de beslotenheid van het interieur, in warme tinten roze en groen, met frontaal in beeld een wulpse bank van rood skaileer. Maar intimiteit spreekt ook uit de manier waarop foto's van flats en kantoren op klein formaat zijn gepresenteerd. De fotowerken van Hans Aarsman, Uli Martens, Wijnanda Deroo en Nico Bick zijn te zien op de groepstetoonstelling Intimate spaces bij Galerie Van Kranendonk in Den Haag.

De foto's van Nico Bick, klein van afmeting en op houten blokken geplakt, staan kriskras op een houten tafel opgesteld. Niet alle beelden zijn naar de toeschouwer toegewend en dus moet je moeite doen om ze goed te zien. De hoge kantoor- en flatgebouwen die Bick fotografeert staan steeds centraal in beeld, terwijl de gebouwde omgeving zo veel mogelijk is genegeerd. De camera is echter niet scherpgesteld op de flats en kantoren, maar op de voorgrond: een grasveld bijvoorbeeld of een weg, waardoor iets van de zakelijkheid die deze gebouwen meestal uitstralen is weggevallen. De torens krijgen zo een bepaalde zachtheid, een vriendelijkheid, waar ze gewoonlijk niet mee worden geassocieerd.

Anne-Meike van Willegen heeft haar foto's in twee dikke, stevig gebonden boeken gestopt. Op een enkele uitzondering na zijn de foto's zeer klein afgedrukt. Met handschoenen aan (ter bescherming van de boeken), sla je één voor één de dikke bladen om en ontdek je prachtige beelden. De foto's hebben een sterke compositie die Van Willegen combineert met een helder kleurgebruik. De kracht van de compositie ligt in de afgewogen keuze voor een uitsnede. Op de foto met de oude mensen zijn hun voeten en schouders weggelaten, waardoor de relatie tussen de twee lijven des te krachtiger overkomt. Het oog wordt niet afgeleid door onnodige ruis. Uit haar beelden spreekt een grote aandacht, voor de wereld om haar heen, die aan kleine details een enorme zeggingskracht meegeeft. Soms zijn een aantal foto's bij elkaar op een bladzijde geplaatst en ontstaat een verhaal. Het zijn kleine verhalen: over lopende mensen, reflecties in het water, twee schapen in een wei, een kussen scheef op de bank… In het werk van Van Willegen herken je een terloops soort intimiteit.

De meer voor de hand liggende intimiteit in de foto's van Hans Aarsman, Uli Martens en Wijnanda Deroo is in het werk van Bick en Van Willegen niet terug te vinden. De foto's van deze laatste twee zijn over het algemeen formeler; strenger van vorm en compositie en minder ‘snapshot'. Juist de ‘intimate spaces' uit de titel van de tentoonstelling zijn terug te vinden in hun werk. De ruimte tussen twee voeten en de stoep bij Anne-Meike van Willegen en de ruimte tussen de kijker en de torens op blokjes van Nico Bick.

Van Kranendonk presenteert fotowerken die uiteenlopen in onderwerp en stijl, maar bij alle fotografen is veel aandacht voor vorm, kleur, scherpte, compositie en materialiteit te herkennen. Realisme is het uitgangspunt, er is geen sprake van vervreemding of vervorming, alleen van een onverwachte blik. De fotografen verhalen van verwondering over het alledaagse, de bekende wereld om ons heen. De vertrouwdheid van een schouder, een tafelkleed met bloemetjes, een hond op je bed…

INTIMATE SPACES, Hans Aarsman, Wout Berger, Nico Bick, Wijnanda Deroo, Bertien van Manen, Uli Martens, Maarten Wetsema en Anne-Meike van Willegen, t/m 22 feb

Galerie Van Kranendonk, Westeinde 29, Den Haag

Kadootje van de kunstenaar

Angelique Spaninks

Advertenties en (kunst)tijdschriften, foto's en logo's, tekst en beeld. Voor kunstenares Mieke van Schaijk (32) uit Den Bosch is het allemaal materiaal. Al zes jaar knipt en plakt zij haar 'sculptures' waarin kunst en het alledaagse samenkomen met behulp van de computer bij elkaar. Daarbij voelt zij zich echter nog altijd meer beeldhouwster dan grafisch vormgever, een principieel verschil. Toch zou zij haar werk liever niet in tentoonstellingen maar in tijdschriften laten circuleren. En dat zou ook zeker niet misstaan.

Er zijn namelijk weinig beeldhouwers die zo plat werken als Mieke van Schaijk, zoals het overzicht van haar werk dat momenteel in de Eindhovense Krabbedans te zien is duidelijk maakt.

Suggestie, daarom draait het in het werk van Van Schaijk. Zij kleit of giet niet, zij hakt of bouwt niet; zij tekent en print, zij schrijft en klikt net zo lang tot de meest uiteenlopende plaatjes en teksten gezamenlijk een fictief beeld weten op te roepen. Een techniek die ze als student ooit in een workshop afkeek bij de in zware poëzie grossierende conceptkunstenaar Lawrence Weiner maar inmiddels lichtvoetig naar haar eigen hand heeft weten te zetten.

Van Schaijks eerste reeks volgens dit principe gemaakte werken betrof een serie affiches met teksten waarin kunst met een grote K gekoppeld werd aan dagelijkse beslommeringen. 'Mieke removes the poster she made with Lawrence Weiner and doesn't know what to do today',zo meldt er een. Een nogal persoonlijk maar ook relativerend statement over het moeizame eerste gekrabbel van een jonge kunstenaar waarbij het niet moeilijk is om je de prille creatieveling zittend op een krukje enigszins vertwijfeld in haar nog lege atelier voor te stellen.

'Mieke shows a sculpture' heette vervolgens de reeks waarin ze voortbouwend op de ingeslagen weg niet alleen teksten maar ook beeldmateriaal begon te sprokkelen en mixen. Hierin fungeerde zij niet alleen zelf, als kunstenaar die anderen een beeld laat zien al is het slechts in hun gedachten, ze betrok ook andere mensen (haar nichtje Nini en een vriendin die Nicole heet) en meer of minder bekende kunstenaars (Cindy Sherman, Rosemarie Trockel en H.W. Werther) bij haar show. Stuk voor stuk liet zij ze in een soort fictieve handeling verwikkeld raken die een vrij bizar tafereel tot gevolg heeft. Wat bijvoorbeeld te denken van een Rohrschach vlek met daaronder de zin: 'Rosemarie Trockel had her period' of van de bloederige vraag of Jean B, gehuld in vorstelijk gewaad, ‘will ever seperate Cindy Shermans head from Cindy Shermans body' als ware het een historisch drama voor in de bioscoop.

En vreemdst van al: Wie is toch de S.E. van Rossum die een bruidsjurk maakte van honderd gekleurde vaatdoeken aan elkaar gestikt met een gouden draad? Het blijkt een oud mede-student van Van Schaijk te zijn die haar dit plannetje ooit in een onbewaakt ogenblik verklapte. Echt gemaakt heeft ze de jurk nooit, maar omdat Van Schaijk met het idee aan de haal is gegaan en het in woorden gevat over een zeventiende eeuws genreschilderij plakte, bestaat ie nu toch een beetje.

Overigens vormen bovenstaande voorbeelden zomaar een greep uit de enorme stroom aan plaatjes en zinnen die de afgelopen jaren uit Van Schaijks gecomputeriseerde beeldhouwerspraktijk gerold is. Er hadden net zo makkelijk tien andere voorbeelden kunnen staan. Vertwijfeld en leeg als het gaat om nieuwe plannen en projecten lijkt Van Schaijk dan ook in al de jaren na haar afstuderen nauwelijks geweest. Zo maakte ze in 1996 samen met Job van Bennekom een serie imaginaire maar daarom niet minder prikkelende covers voor kunstenaarsinitiatief Hooghuis in Arnhem en in 1998 een serie bewerkte interieurs van bekende kunstenaars die ze ‘leende' uit kunsttijdschriften als Frieze en Art in America. En afgelopen jaar had ze de beschikking over een atelier in het Duitse Mönchengladbach met ter afsluiting van deze werkperiode een publicatiebudget. In een doorsnee catalogus had zij echter geen zin, ze zag meer in een speelser aanpak en dus bracht ze in eigen beheer een kwartetspel op de markt. 'Happy families' heet het doosje met acht maal vier speelkaarten vol suggestieve statements en plaatjes die zich in de loop der jaren ergens op Van Schaijks harde schijf genesteld hebben. Dat oogt niet alleen minder gewichtig maar heeft ook iets sociaals, vindt zij. Wie geen zin meer heeft om te kijken, kan nog altijd een spelletje doen. Dat past wel bij deze tijd.

Toch ziet het er naar uit dat Van Schaijk met het kwartet een periode heeft afgesloten. Haar meest recente reeks bestaat namelijk uit drie grote foto's, nauwelijks bewerkt en zónder tekst. ‘Posing with a sculpture' heten ze en daarbij speelt niet langer alleen haar naam een rol, de kunstenares is haar eigen model geworden. Pontificaal en een beetje ongemakkelijk poseert zij, zoals de titel al aangeeft, in verschillende alledaagse outfits voor verschillende beelden van andere makers. Echt indrukwekkend zijn de beelden niet, ze ademen de jaren zeventig en ontstijgen het decoratieve nauwelijks. Maar ook de kunstenares is geen toonbeeld van wat je je bij een model voorstelt. Toch roepen ze gecombineerd in de foto's een sfeertje op dat bijna naadloos aansluit bij dat van de hippe magazines waar je in een beetje gesorteerde kiosk mee wordt doodgegooid. Het is dan ook geen toeval dat het juist ook in die bladen (BLVD, Purple, Dazed&Confused) allemaal om poseren en suggestie draait. En zo weet Van Schaijk ook zonder tekst haarfijn dat wat haar fascineert in de eigentijdse media en al wat oudere kunst op een herkenbare en ontwapenende manier naar zich toe te trekken. Een kado om naar te kijken.

THE PRESENT IS A GIFT, Mieke van Schaijk, t/m 18 feb

De Krabbedans in De Witte Dame, Willemstraat 10, Eindhoven

Het kwartet ‘Happy Families' (ISBN 9090138757) is verkrijgbaar bij Sooneditions tel/fax 073-6901126.

Opnieuw

Martijn Verhoeven

De Stichting Kunst en Openbare Ruimte, kortweg SKOR, heeft er sinds kort een piepklein expositiehuisje bij, waar projecties ‘s avonds en ‘s nachts aan de buitengevel kunnen worden bekeken. Op die manier probeert ze kunst in een publieke ruimte onder de aandacht te brengen. Lisa May Post is als een van de eerste kunstenaars aan de beurt en het moet gezegd: het werk van Post leent zich uitstekend voor een dergelijke presentatie. Het veroorzaakt ook meteen veel vragen en reacties van toevallige, verbaasde voorbijgangers.
‘Is dit een nieuwe reclame?'
‘Meneer, ik kan hier echt geen chocola van maken.'
‘Oh kijk mama, nou begint de film weer opnieuw. Nog even kijken!'
Waarschijnlijk is het de eenvoud van Posts beelden dat ze vaak zo lang in je hoofd blijven rondspoken. In de film ‘Trying' bijvoorbeeld, onlangs nog te zien in het kader van de gemeentelijke aankopen van het Stedelijk Museum, probeert een keurig geklede dame keer op keer tevergeefs op de rug van een dikke olifant te klimmen. Haar enige hulpmiddel is een stijgbeugel die onder de buik van het dier hangt. Hoeveel moeite ze ook doet het rimpelige gevaarte te bedwingen, het lukt haar maar niet zich aan de riem op te rekken en haar been over de rug van het beest te slaan. Het dier ondertussen heeft er geen enkele aandacht voor en blijft stoicijns voor zich uit kauwen. Een treurig maar tegelijkertijd droogkomisch beeld dat zich snel in je geheugen nestelt. Zo ook met de film ‘Visitors' bij de SKOR. In deze film dragen de personages barokke kostuums die gemaakt zijn van dezelfde bruinrode Perzische tapijten waarmee ook de ruimte is aangekleed. De muren, de vloer, ja zelfs de stalen buismeubelen zijn bedekt met het wollige materiaal waardoor de personen bijna als kameleons opgaan in hun omgeving. De personages, een vrouw en twee mannen, voeren voor de toeschouwer heel bestudeerd allerlei handelingen uit. De vrouw kruipt achterwaards en zoekt vervolgens beschutting bij een van de twee mannen. De andere man gaat languit op de vloer liggen. Vervolgens wordt er een zeer kort nietszeggend dansje uitgevoerd.

Allemaal handelingen waar je schouderophalend aan voorbij zou kunnen lopen. Maar Post bezit de eigenaardige kracht je vast te houden. En zie: je moeite wordt beloond: als je het filmpje een tweede en derde keer beziet, dringt zich een ander beklemmender en fascinerender beeld aan je op: het lijkt dan alsof de personages tegen hun zin in de ruimte terecht zijn gekomen (hoe lang geleden al wel niet?) en met elkaar hebben afgesproken dat ze zich constant tegen de eeuwigdurende verveling zullen verzetten. De camera speelt daarbij een cruciale rol: de film begint met een haarscherpe close-up van een schouderpartij en zoomt vervolgens steeds meer uit totdat we als kijker het hele tafereel kunnen overzien. Aan het einde zoomt de camera weer in op de rug van een van de personages. Door de camera alleen maar in en uit te laten zoomen en geen moment het accent op bepaalde handelingen te leggen, versterkt Post nog eens het gevoel dat de handelingen zich eindeloos kunnen voortslepen.

Er gaat geen bevrijdende deur open, er komt nooit een vierde persoon bij, de deur blijft altijd op slot. Punt uit.

VISITORS, Lisa May Post, tot 11 jan

SKOR, Ruysdaelkade, hoek Stadhouderskade, Amsterdam

(Van 11 jan t/m 18 feb BETT van Roman Signer)

Een beetje valt het toch wel tegen als je bij Stichting Outline binnenloopt. Een wervend persbericht en het vooruitzicht van een tentoonstelling van kunstenaars uit Manchester, samengesteld door een curator met de illustere naam Yuen Fong Ling, hebben de verwachtingen hoog gespannen. Bij binnenkomst moeten die verwachtingen worden bijgesteld. Wat hier hoogstens te zien is, is een sympathiek initiatief van een kleine tentoonstellingsruimte die z'n best doet om eens wat anders te brengen dan het geijkte. Opnieuw kijken dus. In een kleine klaver-drie ruimte hangt een aantal werken aan de muur, draait een tweetal video's, flikkert een stroboscoop en staat een aantal objecten middenin de ruimte. De muren van de ruimte zijn volgekalkt met ‘droodles', achteloze tekeningen, van het graffiti initiatief Doodlebug. Bij navraag blijkt dat ook de bezoekers van de stichting inmiddels een bijdrage hebben geleverd aan de tekeningen op de muur die overigens grappig maar nauwelijks boeiend zijn. Aan deze volgekalkte muren hangen werken van onder anderen Frank Flowers, Lisa Holden en Paul Needham. Vooral de twee laatstgenoemden trekken de aandacht.

Holden exposeert een viertal foto's, portretten van haarzelf in steeds een andere vermomming. Met ‘Me as mum, Me as dad, me as Paul en me as Jennifer' zet Holden een denkbeeldige familie neer waarin melancholie en drama een rol lijken te spelen. Paul Needham's werk vervolgens, is een ontdekking. Het bestaat uit zes middelgrote glasschilderingen die losjes tegen de muur leunen: één verkeerde beweging en ze liggen in gruzelementen. Op deze schilderingen zijn afbeeldingen te zien, opgebouwd uit enkele grote kleurvlakken in oranje en zwart. Het zijn voornamelijk lege landschappen waarin een enkeling figureert. Volgens het persbericht moet er van de schilderingen een onheilspellende sfeer uitgaan; maar juist de vrijblijvendheid van de voorstelling wekt sympathie op.

De video van Chris Morgan tenslotte is het laatste werk in deze tentoonstelling dat enigszins kan overtuigen. Een man van middelbare leeftijd in uniform danst in een kleine, lege discotheek naar hartelust op de tonen van een oude discodeun. Volgens het persbericht zou het gaan om een ‘oude nicht' maar of dat zo is of niet, het voegt weinig toe aan de betekenis van het werk. De overige deelnemers, dat zijn er acht, kunnen nauwelijks bekoren. Dat is òf omdat het werk niet tot zijn recht komt òf omdat het werk niet meer compleet is of omdat het gewoonweg weinig boeiend is. Zo zou er van Mark Briggs een super 8 film moeten draaien maar die is er niet. Hetzelfde geldt voor een videoregistratie van ‘Bono and Sting' – van de artiest die onder die naam schuil gaat had ik graag wat gezien. Er is geen video en de site waarnaar verwezen wordt is buiten gebruik. De Variable D Gallery zou "een raam naar de toekomst presenteren met een virtuele 3D poster", maar de ordinaire posters waarmee de ramen van de tentoonstellingsruimte nu zijn afgeplakt zijn bijna een belediging van het gezond verstand. Al met al valt er dus nogal wat af te dingen op het statement van curator Yuen Fong Ling uit Manchester: "An exhibition in a constant state of emotional chaos and confusion, a theme park for doubt and insecurity". Toch is het zo dat Stichting Outline met deze tentoonstelling van actuele Britse kunst voorlopig nog het voordeel van de twijfel verdient, al was het alleen maar omdat ze iets anders hebben gebracht dan het gros van de galeries in Nederland.

APOCALYPSE NOW AND NEXT WEEK

Stichting Outline, Oetewalerstraat 73, Den Haag

Politiek

Rob Perrée

Er is een pot met geld die verdeeld moet worden. Hoe verdeel je die pot? Dat laat je doen door een commissie van deskundigen onder voorzitterschap van een mislukte politica. Die moest nog een baantje hebben. Dat was haar toegezegd bij haar gedwongen afscheid. Die zich onafhankelijk noemende commissie laat je instrueren (lees indoctrineren) door een jonge, speelse staatssecretaris die met de kunst omgaat alsof het een vriendinnetje is: eerst kijkt hij er verbaasd naar, dan raakt hij opgewonden, vervolgens speelt hij er een tijdje mee, tenslotte schuift hij het verveeld aan de kant. Dan komt de commissie tot een advies. Een deskundig advies. Het kunstvolk mort en gaat de straat op. De staatssecretaris schuift het advies glimlachend door naar de Tweede Kamer. Die beslist immers. Democratie heeft zijn voordelen, vooral bij hete hangijzers. In dat parlement zitten de échte deskundigen. De kleine partijen laten, bij gebrek aan beter, de landbouwwoordvoerder het woord doen, maar de regeringspartijen hebben heuse kunstwoordvoerders. De heer Nicolaï van de VVD is secretaris van de Raad voor Cultuur geweest. Hij beschikt dus over een uitgebreide notulenkennis. Bovendien toont hij zich in het dagelijks parlementsleven een man met smaak. Zijn pakken zijn niet door een erop uitgestuurde echtgenote gekocht, hij koopt ze zelf in de P.C. Over zijn goede smaak valt niet te twisten. De heer Dittrich van D66 deelt het bed met een kunstenaar, dus die weet hoe het voelt om kunstenaar te zijn. Bovendien heeft hij verstand van alles waar de televisie en de radio behoefte aan heeft. Hij is het politieke testbeeld van de Nederlandse televisie. Wakker worden zonder zijn zalvende stem op Radio 1 is als wakker worden zonder zwarte koffie.

Mevrouw Belinfante van de PVDA heeft echt verstand van kunst, dus die mag niks zeggen, want haar mening zou die van de speelse staatssecretaris -ook PVDA- wel eens in de schaduw kunnen stellen. Het parlement speelt boos en verontwaardigd. We mochten eens denken dat een kamerlid van de straat is. Hij mag dan geen verstand hebben van kunst en cultuur, een cultuurbarbaar is hij zeker niet. Het gevolg? De Tweede Kamer rammelt een beetje met de geldpot. Hier wat meer, daar wat minder. Het resultaat. Meer van hetzelfde. Het kunstvolk is moe van het morren en geeft zich over.

Nu, een paar maanden later, opeens een uitspraak van meneer Melkert. Ad is het slimste jongetje van de PVDA-klas. Een kleurloos rood jongetje met de allure van een tegen zijn pensioen aan zittende boekhouder. De beoogd opvolger van vadertje Kok. Als ik niet wist dat hij een Feyenoord-fan was, zou ik moeten concluderen dat alles menselijks hem vreemd was. Hij vond het uiteindelijk toch erg onbevredigend gegaan allemaal. Hoe verzint hij het. Hij heeft een beter idee. De grote politiek zet voortaan alleen de grote lijnen uit en laat de uiteindelijke beslissingen over aan de lagere overheden. Een geweldig idee. Dus die zich discjockey noemende schreeuwlelijk van Leefbaar Utrecht bepaalt nu hoeveel het Centraal Museum krijgt, het voortbestaan van Lokaal 01 in Breda is afhankelijk van die nijvere bakker die sinds gister het middenstandsbelang behartigt namens Leefbaar Breda, Het Domein in Sittard moet zich waarmaken tegenover een notoire huizenmelker van Leefbaar Sittard, etc. Nee, Ad Melkert kun je om een boodschap sturen. Ik ga nog hevig verlangen naar die ijdele Nicolaï, die mediageile Ditrich en die zwijgende Belinfante. Waarom blijft de politiek niet van de kunst af? Ze heeft toch voldoende andere zaken om haar handen aan vuil te maken of haar vingers aan te branden?

Doodslag op verjaardag

Wilma Gerlings

In Arti et Amicitiae was onlangs de jubileumtentoonstelling Sandberg Zoveel te zien van het Sandberg Instituut. Het Amsterdamse instituut voor autonome kunst bestaat 10 jaar en om dat heuglijk feit te vieren stelde Arti et Amicitiae haar zalen ter beschikking. Maar er was veel meer aan de hand dan alleen feestvreugde. Het Sandberg kreeg in Arti et Amicitiae ‘carte blanche' om eens flink uit te pakken, te tonen wat ze waard is met meer dan 40 potentieel en zeer bekende kunstenaars die onder haar gelederen onderwijs genoten hebben, om Staatssecretaris Rick van der Ploeg op andere gedachten te brengen. Want wat wil het geval: tegen het advies van de Raad voor Cultuur in, tegen zijn eigen opvattingen in en ondanks het succes van Sandberg 5: het televisieprogramma met de Een-Minuten, het succes van kunstenaarsinitiatievenmanifestatie ‘de Kunstvlaai' en ondanks het succes van ex-studenten als Joost Conijn, Florian Göttke, Job Koelewijn, Gijs Müller, Alexandra Rouppe van de Voort en Femke Schaap, heeft Van der Ploeg recent besloten dat het aantal studenten gehalveerd moet worden. Dit betekent concreet sluiting van Sandberg 2/Mariakapel in Hoorn en Sandberg 3 in Nagele, geen vervolg op ‘Vier de Kunstvlaai', einde van de Een-Minuten en het einde van tijdschrift De Verenigde Sandbergen.

Dat legde een grauwsluier over de feestvreugde. Het heeft iets Kafkaesk. Je kunt nog zo de tegenpartij proberen te overtuigen van je gelijk, maar al pratende hoor je jezelf en is het of de grond onder je voeten al langzaam wegzakt.

Hoe meer argumenten je ter sprake brengt ter bevestiging van je gelijk, des te meer er tegen je gebruikt worden. Het Sandberg heeft niet heel veel, maar wel Zoveel argumenten. Ik ben benieuwd of de Staatssecretaris er een zelf kent of heeft gezien. Kent hij de dynamiek van de Kunstvlaai, de enige manifestatie die alle kunstenaarsinitiatieven van Nederland aanspreekt, aantrekt en verenigt? Als hij er zelf nog niet geweest is omdat hij het ieder jaar ook druk heeft tijdens de Pinksterdagen, dan mag ik toch aannemen dat hij de lovende kritieken in de kranten heeft gelezen en zo alle edities vanachter zijn bureau op de voet heeft kunnen volgen.

Weet hij van de uitwisselingen tussen buitenlandse studenten en die van het Sandberg Instituut? Of van de internationale projecten in de Mariakapel in Hoorn, de voormalige thuishaven van De Achterstraat en nu het Sandberg 2? Kennelijk gaat het hem niet om kunst, en niet om de harde cijfers. De bezoekersaantallen van de massaal bezochte Kunstvlaaien zijn bij Jos Houweling zo op te vragen en het aantal ex-studenten dat aan internationale tentoonstellingen deelneemt, in buitenlandse ateliers verblijft, voor kunstpijzen als die van het VSB genomineerd zijn of wel prijzen als de Prix de Rome gewonnen hebben en bijvoorbeeld door het Amsterdamse Fonds zijn voorgdragen voor de jaarlijkse Gemeente Aankopen van Amsterdam en nog meer key figures zijn zo te achterhalen uit De Verenigde Sandbergen.

Het mes moest in de taart. Het was een mooie verjaardag. Florian Göttke onthulde in een installatie het geheim van de mysterieuze landschappen op video (t/m 10 december is werk te zien in het Stedelijk Museum, For Real). Gijs Müller stelde zich nog eens voor als trouwe vriend. Joost Conijn, wiens film ‘Vliegtuig' in De Fabriek, De Appel en op Manifesta 3 in Ljubljana is vertoond, toonde een nieuw staaltje vliegkunst. Er was zoveel, en meer. Hoog in de nok van de videozaal was de astronaut van Femke Schaap in eerste instantie aan het oog onttrokken. Wie eenmaal het licht ratelende geluid van de oude, voor haar werk zo typerende filmprojector hoorde, zag dan ook meteen de projectie van een astronaut op een piepschuimen plaat hoog boven zich hangen. De projectie volgde niet overal nauwkeurig de vorm van de plaat dus hier en daar ontstonden felgekleurde, scherpe naden. De astronaut die vooralsnog gewicht- en bewegingloos in het heelal zweefde, maakte plotseling een salto. Zijn vorige houding was bevroren in het piepschuim. Het geprojecteerde beeld kromp ineen en vulde vervolgens weer langzaam de piep schuimen plaat. Na deze salto stopte de projectie en was de astronaut verdwenen. (t/m 10 december is een prachtig werk van haar te zien in het Stedelijk Museum, For Real, zie ook verderop de rubriek: Tube's Choices)

Zoveel meer. De videoloop van Job Koelewijn liep onverstoord verder. Koelewijn sprong of zijn leven ervan af hing. Af en toe kwam zijn hoofd of kruin tevoorschijn uit een groot gat in de grond. Als hij hoog genoeg sprong, dan kon je net zijn gezicht zien; om het vervolgens weer te zien verdwijnen en je vertwijfeld achter te laten, kijkend naar een zwart gat. Ik denk aan Sandberg en haar volgende verjaardag. Is er volgend jaar een Lustrumvlaai? Krijgt de Een-Minuten-Tentoonsteling die nu nog de wereld rondreist een vervolg? Ziet De Verenigd Sandbergen haar derde jaargang? Wat mij betreft wel.

SANDBERG ZOVEEL

Arti et Amicitiae, Amsterdam 

www.sandberg.nl

De bindende factor binnen de tentoonstelling ‘I.C.I.' in W139 te Amsterdam is site specific werk. Dat betekent dat de geselecteerde kunstenaars speciaal voor deze tentoonstelling een werk hebben geproduceerd dat is geïnspireerd op de ruimte. Met een dergelijk uitgangspunt is het gewicht dat op de specifieke werken komt te liggen niet gering. Immers, zij verwijzen naar niets anders dan hun plek in en ten opzichte van de bestaande ruimte. En moeten in staat blijken daar een nieuwe ervaring in op te roepen.

Tussen voor- en achterzaal tekent zich binnen dit gegeven een scheiding af. De voorzaal is door de Franse kunstenaar Guillaume Leblon omgebouwd tot een environment waarin verschillende media samenkomen. Een kartonnen ‘kastsculptuur' waarin vanuit verschillende uitgespaarde nisjes licht schijnt, wordt gecomplementeerd door een tegenovergeplaatst ‘afdakje' aan de wand. De strak vormgegeven objecten vormen een merkwaardig interieur met een opeenstapeling van keien in de hoek, een aan de wand bevestigde radiator, een vreemde uitstulping in het tapijt en een raam dat een wat troosteloos zicht biedt op de straat door de voortdurende stroom van waterstraaltjes die er langs sijpelt. Een filmprojectie van een wandeling door de ruïne van de modernistische villa Cavroix in Zuid Frankrijk, maakt de installatie tot een overtuigend geheel.

De suggestie van een situatie binnenshuis waarin natuurlijke principes even ongepast als op hun plaats zijn, is verrassend.

De doorgang tot de achterzaal steekt enigszins af tegen deze veelbelovende entree. Het werk van Krijn de Koning dat voor- en achterzaal met elkaar verbindt, gaat een relatie aan met de rommelige barruimte, of Kulturbierkeller zoals het persbericht meldt, van W139. De Koning is in dit soort onmogelijke situaties meestal op zijn best, maar hier loopt de sculptuur, hoe ingenieus ook, onverbiddelijk op tegen de rommeligheid van de ruimte. Hij kan door de gebrekkige, onafgewerkte materiaalkeuze geen spannend tegenwicht bieden. In de achterzaal wordt het nog moeilijker. De werken die hier als reactie op de ruimte zijn gemaakt, eerder een vraag dan een vaststelling, kunnen de strijd met de immense achterzaal over het algemeen niet aan. De kunstenaars nemen in dat geval hun vlucht tot een afgeleide van hun eigen werk en trekken zich van de ruimte nog maar weinig aan. Een uitzondering hierop vormt het werk van Peter Stel. Static Flux, een ‘niet inklapbaar klapgordijn', dat onderaan een van de dakramen is bevestigd, nodigt uit om de functie van licht in relatie tot ruimte te herformuleren. Zijn poging krijgt echter geen bijval van de overige werken. De Ierse kunstenaar Una Henry heeft weliswaar gebruik gemaakt van bepaalde aspecten van de tentoonstellingsruimte, maar de langs de vloer geprojecteerde videobeelden van twee drentelende damesschoenen met een handtas in de WC's van W139, zijn in de grote achterzaal nauwelijks site specific te noemen. Ook de in-situ tekening van Erik Odijk, die doorgaans een mooi evenwicht met de omringende ruimte vormt, blijft in deze context teveel een plaatje aan de wand.

Het minst op zijn plaats is misschien wel de bijdrage van de Oostenrijkse kunstenaar Michael Blum. De installatie die hij maakte – een samenstelling van twee videoprojecties in een verduisterd paviljoentje, diaprojecties en een leestafel met economische tijdschriften en kranten – is gebaseerd op een onderzoek dat hij sinds enige tijd doet naar de strategieën van macht in onze samenleving. In een van de video's zien we humoristische beelden van de kunstenaar in een ski-oord terwijl hij probeert Das Kapital van Marx te ontleden. Het op zich interessante werk was waarschijnlijk beter tot zijn recht gekomen buiten de dwingende thematiek van de ruimte. Jammer is dat de achterruimte niet, zoals voor- en tussenruimte, door één kunstenaar is vormgegeven. Een eenheid in gedachten en vormtaal zou de ruimte zeker krachtiger hebben getransformeerd, en van een coherente aansluiting op het thema hebben voorzien.

ANRI SALA CHRISTIAN JANKOWSKI, FILM AND VIDEO WORK, t/m 7 jan

De Appel, Nieuwe Spiegelstraat 10, Amsterdam

Soap uit de twilightzone

Pablo Cabenda

Geef het (de suggestie van) seks, spanning en sensatie als je wilt dat je film op grote schaal aanslaat. Geef het publiek een warm lijk in het bos, waar de kijker behoedzaam naartoe wordt geleid door een samenzwerende cameravoering en soundtrack. Wie galerie Stroom in het Haagse Centrum voor Beeldende Kunst inloopt, ziet het lijk al liggen (recht vooruit) en hoort de muziek (alomtegenwoordig). Ingrid Mol heeft voor haar filmset/installatie Set 7 alleen de belangrijkste ingrediënten bewaard: de drie S-en. De film zelf is nooit uitgevoerd maar de soundtrack is er wel. Strijkers van zoethout afgewisseld met Wagneriaans gebulder gecomponeerd door Danny Wijermans die de filmmuziek voor films als Zusje en Temming voor zijn rekening nam. De mise en scene voor moord – want dat is het – lijkt bevroren om de toeschouwer de gelegenheid te geven de ruimte aan een grondig onderzoek te onderwerpen. Een whodunnit in 3d. De wanden geven een lieflijk heuvellandschap van het fictieve Italiaanse dorpje Broncoli weer. Maar wat daar doorheen kruipt staat ermee in schril contrast. Monsters gemaakt van lillend vlees (de daders?), een gat in de muur waar zich iets onbeschrijflijks doorheen heeft gewurmd, genetisch gemanipuleerde stofzuigers met uitwendig groeiende organen. En natuurlijk het stuk bos met bijbehorend lijk. Verderop nog een dode die gezelschap wordt gehouden door een wanstaltig grote wrat. Het is duidelijk, hier is iets vreselijks gebeurd. De Plaats des Onheils is een plek vol stille getuigen die om aandacht schreeuwen. Een miss Marple of een Hercule Poirot uit de Twilight Zone (Scully en Mulder?) zou zijn/haar vingers erbij aflikken. En verbeelden we het ons, of is er inderdaad gedonder op de soundtrack te horen.

Set 7 (zogenoemd omdat er zeven personages in Mols ‘verhaal' voorkomen) is een bizarre wereld vol suggestie, vragen en aanwijzingen. Set 7 schetst het soapachtige verhaal van een overmoedige regisseur (Gaby, lijk 1) die in het dorp Broncoli een studio laat bouwen waar hij met zijn crew kan werken en wonen. Acteurs, schrijvers, componisten, kunstenaars, architecten en de operazangeres Germaine die Gaby in bed probeert te krijgen. De samenwerking verloopt stroef en alle acteurs en schrijvers haken af. De componist blijft en door genenmanipulator/kwade genius Frits worden gewoon nieuwe acteurs ontworpen. En dan gaat het afschuwelijk mis, want zo gaan die dingen. Met de bloedige gevolgen gestold in de tijd. Mol die eerder al video's maakte, bekende de toeschouwer niet de ruimte te gunnen om in een expositie vrijblijvend van plaatje naar plaatje te pendelen en dan weer naar het volgende werk. Mol probeert de toeschouwer letterlijk vast te houden. Zo ook hier. Als de aandacht dreigt te verslappen duikt er weer een nieuw stukje informatie op. Naast de beelden die de microkosmos van het CBK bevolken hangen uitvergrote stripachtige plaatjes van de personages aan de muur en maken stukken ‘script', die zijdelings iets vertellen over de hoofdpersonen, deel uit van het decor.

Diva Germaine die de hoofdrol zou spelen in Gaby's film wordt beschreven als extravert, wantrouwend en emotioneel. Ze is onaantastbaar maar hunkert naar contact. Als ze haar lippen tegen die van haar onbereikbare liefde – haar spiegelbeeld – plaatst, verzucht ze dat ze nog nooit zo lekker heeft gezoend.

Ze vreet in een vlaag van psychische bulimia haar telefoon op. Om daarna verzadigd te concluderen dat ze nu pas echt onbereikbaar en alleen is. Regisseur Gaby is onbezonnen, bitter, dol op geld, vrouwen, dure aftershave en heroïsche muziek. „Leitmotiven wil ik horen, veel en duidelijk". Op een van de prenten aan de muur zegt hij: „Regisseurs slapen niet, schatje. Die neuken de hele nacht door." Iets verderop hangt een plaat van het Anjapersonage. De notuliste staart doodgemoedereerd voor zich uit terwijl iemand een peuk op haar hoofd uitdrukt. En je weet als ervaren detective zeker dat dat de hand van Gaby moet zijn. Zelfs een beschrijving van de soundtrack ontbreekt niet. „Een onderaards gegrom vanuit de bassen moet ons meevoeren in de duistere spelonken van de ziel. Totdat de fluit als een witte duif de bevrijdende tonen van het licht bezingt."

Mol stoeit op alle fronten met stereotypen en cliché's en maakt ze zich eigen met een geestige bizarre invulling en een eigenzinnige mix van sculptuur, tekst en muziek die elkaar aanvullen en zo een verhaal vertellen dat louter bestaat uit circumstantial evidence, indirecte bewijzen. In een rechtszaak werkt het niet maar in een (suggestie) van film is het des te spannender en levert Mol een eigen bizarre soapopera.

SET 7, Ingrid Mol, t/m 30 dec

Stroom Haagse Centrum voor Beeldende Kunst, Toussaintkade 55, Den Haag