Céline Berger, WE DO APPEAR TO BE STRUCTURED (2012) (Foto: Willem Vermaase)

Wie niet goed oplet loopt er zo aan voorbij: het atelier van de Franse Céline Berger (1973). Op het eerste gezicht spreekt niets in deze ruimte de taal van een kunstenaarsruimte of presentatie. Er staat een grote, brede vergadertafel met tien bureaustoelen. Zwarte kunststofstoelen van Ahrend, ooit ontworpen door een bekende Nederlandse ontwerper. Je komt ze ook verder in het gebouw tegen, zoals ze wel vaker te vinden zijn op plekken waar een veelheid aan bureaustoelen nodig is, zoals kantoorgebouwen en andere bedrijfsruimtes. Op de vergadertafel staat een bos bloemen, veel verschillende bloemen, maar samen een boeket. Het is er schoon, en strak ingericht. Geen kunstenaarsruimte, dit. Deze plek spreekt corporate language. Althans, dat lijkt het te spreken.

Het is natuurlijk niet voor niets dat je er toch naar binnen loopt. Oké, er hangt een bordje aan de deur (“N49. Celine Berger”), maar de echte binnenlokkers zijn vooral kleine dingen die de taal van de bedrijfsruimte tegenspreken. Zo ligt er midden op de vergadertafel een rond en eindeloos lint van porselein met een tekst erop. Aan de muur hangen zwarte A4-vellen met kreten, en uit kleine luidsprekers klinkt het geluid van een schrijvende stift, soms aangevuld met menselijke stemmen. Mensen in een brainstormsessie, die het startpunt blijkt van een workshop over de risico’s van samenwerking tussen kunstenaars en  bedrijven. Af en toe een aanwijzing van de workshopleider of een opmerking van iemand. En of je koffie of thee wilt, of een sapje?

De processen in het bedrijfsleven, daar houdt Céline Berger zich mee bezig tijdens deze RijksakademieOpen. Niet geheel toevallig: Berger werkte twaalf jaar als ingenieur in het bedrijfsleven en richt zich pas sinds 2009 op haar kunstenaarschap. Als geen ander weet ze de blik van bezoekers te richten op dit voor de kunsten ongebruikelijke onderwerp. Door het uiterlijk van de ruimte kijk je voor het eerst echt naar iets waarin je je waarschijnlijk al duizend keer hebt begeven.

Je hoort de moderator van de brainstormsessie een zinnetje voorlezen van een van de deelnemers: “We do appear to be structured. I like that.” Tussen neus en lippen door zegt hij voor aanvang van de sessie de tafel naar het midden te hebben verplaatst, want die stond ietsje naar rechts. Aan de muur met zwarte A4-vellen staan de kreten “Unwritten knowledge”, “Too much focus on end result”, “Follow procedures vs. critical thinking” en “Fear of unknown”. Ze lijken uit de brainstormsessie te komen. Bij sommige kreten zijn ronde stickertjes geplakt, als om aan te geven dat deze kreet meerdere malen is genoemd. Je ziet de deelnemers al voor je, met post-its naar een bord lopend om hun woord, zin of idee ergens op dat bord een plek te geven. Sommige zwarte vellen zijn leeg gebleven.

Processen. In het bedrijfsleven worden ze in communiceerbare vormen gegoten, om er vervolgens mee aan de slag te gaan en resultaten te boeken. Céline Berger laat de resultaten voor wat ze zijn en focust op de vormgegeven processen zelf. Dat werkt. Het is heel interessant om te bedenken dat die processen waarschijnlijk al in onszelf aanwezig zijn, en als een pakketje liggen te wachten tot we ze aanspreken. Maar je vraagt je ook af hoe we weten of die systemen werken, en waar ze eigenlijk toe leiden. De mission statement-achtige tekst op het porseleinen lint op de vergadertafel krijgt in dit licht iets angstaanjagends: “We continually exceed our customers’ increasing expectations”. Geschreven op dit oneindige ronde lint klinkt het als een niet te stoppen op hol geslagen trein. Waarheen die trein rijdt lijkt niet eens erg relevant.

We do appear to be structured indeed. Hopelijk vindt deze focus op processen ook zijn weg naar het bedrijfsleven. Want als we echt begrijpen hoe wij werken, kunnen we de processen verbeteren. Echte innovatie laten plaatsvinden, met behulp van kunstenaars. Er is een glansrijke toekomst voor de kunsten weggelegd in het bedrijfsleven – in ieder geval voor Céline Berger. Dan zou ze daar niet als ingenieur moeten terugkeren, maar geheel vernieuwd als kunstenaar. Wie weet waar dat toe leidt.

Céline Berger, WE DO APPEAR TO BE STRUCTURED (2012) (Foto: Willem Vermaase)
Roderick Hietbrink, CLOUD CUCKOO LAND (2012) (Foto: Sanne Beemsterboer)

Tijdens de vorige RijksakademieOpen presenteerde Roderick Hietbrink (1975) een video-installatie. Dit keer maak je als bezoeker (on)bewust deel uit van de realityfilm Cloud Cuckoo Land, een verwijzing naar Aristophanes. Vorig jaar omschreef Emmy Rijstenbil het effect van Hietbrinks werk treffend: ‘wanneer je de expositieruimte van Hietbrink verlaat, ontwaak je uit de droom en ben je gewoon weer in de Rijksakademie.’ Dit jaar lijk je als toeschouwer echter te blijven hangen in een sluimerige droom, een stap die Hietbrinks artistieke onderzoek naar de geconstrueerde werkelijkheid verdiept.

Door een geblindeerd raam met de afmetingen van een filmscherm is een groep performers te observeren in een herkenbaar interieur met tafel, stoel, bank, spiegel en koelkast. Jij ziet hen, zij jou niet. Het geheel doet denken aan dertien jaar geleden, de dag dat Big Brother begon, een van de eerste realityseries in Nederland. Bij Big Brother stonden de camera’s achter eenzelfde geblindeerd raam om een groep mensen te observeren. In Hietbrinks werk neemt de toeschouwer de rol van de observerende camera over.

Al kijkend door het raam speelt zich een scène af. Een vrouw stopt met schrijven, leunt achterover en beweegt haar lippen. De man naast haar stopt met schrijven, en staart naar haar. De bekende filmmuziek uit Space Odyssee van Levi Strauss zou hier toepasselijk zijn: muziek die de toeschouwer voorbereid op een plot, die niet komt, of toch wel. Wat de personages met elkaar bespreken is onverstaanbaar – dat mag je zelf invullen. De jongen wendt zijn gezicht af en staat op, loopt naar de koelkast en pakt een pak perensap. Al turend uit het raam drinkt hij zijn sap op. In het ronde raam weerspiegelt de bank, waarop een meisje de Viva leest.

Plotseling lijkt er een ruzie te ontstaan. Een van de personages doet zijn jas aan en verdwijnt door de deur. De overige performers zetten bizarre maskers van vogelkoppen op, die rechtstreeks uit de film Rabbits van David Lynch lijken te komen. Gemaskerd gaat de groep, enigszins opgelaten, met stokken in de handen achter het verdwenen personage aan. Als bezoeker word je verleid achter de ‘kudde’ aan te lopen, nieuwsgierig naar wat er komen zal. Al volgend begeef je je op een grens; je schippert tussen toeschouwer en medespeler, je rol is ambigu.

In zijn studio is Roderick Hietbrink ondertussen bezig met het documenteren en observeren van dit cinematografische experiment, als basis voor een mogelijk nieuw werk. Hietbrink neemt een dapper risico door een werk te tonen met een dergelijk onvoorspelbaar karakter en verloop, iets wat de open dagen van de Rijksakademie verrijkt. Net als de performers wil je Hietbrinks werk blijven volgen. Het is een proces dat zich evolueert zonder uitgesproken verlangen naar een conclusie. Dat proces wil je niet missen – je wil erbij zijn.

Roderick Hietbrink, CLOUD CUCKOO LAND (2012) (Foto: Willem Vermaase)
Xue Mu, installatiezicht, detail (2012) (Foto: Willem Vermaase)

Achteloos liggen kleine, goedkope spulletjes uitgestald in een gang tussen twee ateliers. Het lijken gevonden massaproducten: kinderlijk, onschuldig, veel plastic. Alsof ze zijn neergelegd als vlucht uit de pretenties en de vervreemding die de kunstwereld, ook de prestigeuze Rijksakademie, soms omgeven. Wie de objectjes daar heeft geplaatst wordt duidelijk als blijkt dat beide aanpalende ruimtes worden gebruikt door de van oorsprong Chinese Xue Mu (1979). In de ene toont ze eigen werk, in de andere een samenwerkingsproject.

In de eerste kamer hangen drie grootformaat foto’s. Het is de volmaaktheid van spontaan gevormde stillevens die de kunstenares plots trof, op een bureau of in een verhuisdoos. De kleine ruimte dwingt je dicht bij de werken te staan, en het zijn zulke sterke uitvergrotingen dat ze zich om je heen uitstrekken. De fotografische tweedimensionaliteit ontneemt de assemblages hun tactiliteit. Het lijkt een poging impressie en expressie in elkaar op te laten gaan: ‘De indruk die de fysieke wereld op mij achterlaat te vatten, en opnieuw te materialiseren zodat anderen het tot zich kunnen nemen, dat is mijn taak,’ zoals Xue Mu het zelf uitdrukt. Om de hoek gebeurt iets vergelijkbaars. Daar tonen foto’s de bewegingen van twee dansers, die door middel van lampjes op het lichaam met een lange sluitertijd zijn vastgelegd. De ‘lichttekeningen’ die zo zijn ontstaan geven twee duidelijk verschillende bewegingsidiomen weer.

Een aanzienlijk deel van de bij ons bekende hedendaagse kunst uit China heeft een politiek karakter. Hierop heeft Xue Mu een tweeledige kritiek. Zodra de prijs van maatschappelijk geëngageerd werk stijgt wordt financiële waarde toonaangevend. De ‘spirit’, het potentiële effect op de belevingswereld van mensen, wordt geneutraliseerd tot iets materieels. Daarnaast betekent het verbeelden van politieke aangelegenheden in onze gemedialiseerde samenleving vooral het esthetiseren van het politieke. Kunst over politiek is iets anders dan politieke kunst, stelt de kunstenares. Een van de ideeën die ze op de muur van haar atelier heeft uitgeschreven, is dat politieke kunst gelijkstaat aan ‘being challenging’. Dat is geen pretentieloze gemeenplaats, zo blijkt uit het project in de andere ruimte.

Nadat verschillende collega’s, praktisch allen mannen, hadden verkondigd dat Xue Mu’s nonchalant bijeengebrachte kleine objecten pas echt ‘kunst’ zouden zijn in een groter formaat, nodigde ze hen uit ze dan maar groter te maken. De samenwerking bestond daarin, dat tien kunstenaars onafhankelijk uit tien verschillende originele kleine voorwerpen één kozen, die ze vervolgens opnieuw uitvoerden in techniek en formaat van eigen keuze. In de ruimte zijn zowel de ‘modellen’ als hun afgeleiden gepresenteerd. Dit project, A Childish Nothingness vs. Boy Blow Ups, is volgens de verklarende tekst geen vorm van participatiekunst, maar een kritiek op ‘masculiene criteria’ die bepalen of een object groot genoeg is voor de categorie ‘kunst’, groot genoeg voor de kunstmarkt, groot genoeg om over na te denken.

Kleine spulletjes, verzameld of zelf gemaakt, lijken voor Xue Mu te fungeren als spontaan gesmede sleutels naar de onbewuste zijde van de leefwereld: materialiteit waarin ongrijpbare indrukken liggen opgeslagen. De doelmatige schaalvergroting in één serie en het ter discussie stellen in de andere getuigt van een worsteling met stoffelijkheid in relatie tot de beleving ervan. Xue Mu’s werk problematiseert minstens twee paradoxen, en trekt de tegenstrijdigheden in twijfel – immaterialiteit tegenover materialiteit en impressie tegenover expressie.

Xue Mue, A CHILDISH NOTHINGNESS VS. BOY BLOW UPS, detail (2012) (Foto: Arif Kornweitz)
The Arbour Lake School geeft les aan leerlingen van de British School Amsterdam (2012). Foto: Cassander Eeftinck Schattenkerk

Lopend door de verlaten gangen van de deprimerende betonnen leerfabriek die tot voor kort het Sint Nicolaas Lyceum huisvestte, denk ik aan de open dagen van middelbare scholen; in elk lokaal presenteert een docent zijn vak aan een nieuwe lichting potentiële bruggers. Deze keer is de school echter in bezetting genomen door niet-commerciële kunstinstituten, kunstscholen en kunstinitiatieven uit binnen- en deze keer ook het buitenland. Je weet niet wat je kunt verwachten als je het lokaal binnenstapt, hoewel het dezelfde spanning van vroeger met zich meebrengt.

De nieuwe locatie van Kunstvlaai is een van de vele veranderingen die het festival heeft ondergaan ten opzichte van de voorgaande edities die tot nu toe in de Westergasfabriek plaatsvonden. Ondanks de grote bezoekersaantallen, wilde de organisatie van de Kunstvlaai dat het evenement meer een geheel zou vormen. Aan de curatoren Fleur van Muiswinkel (1981) en Natasha Ginwala (1985) werd gevraagd om van Kunstvlaai een coherent geheel te maken. Niet alleen is de opzet veranderd, ook hebben Van Muiswinkel en Ginwala het evenement een subtitel gegeven; INexactly THIS. De verschillende kunstinstellingen kregen bij hun aanvraag voor deelname de opdracht hierop in te gaan. Duidelijk blijkt dat de titel voor meerdere interpretaties vatbaar is.

Op de website van de Kunstvlaai wordt de titel uitgelegd als een verwijzing naar de onzekere tijden die de crisis met zich heeft meegebracht en hoe deze onzekerheid ook zijn weerslag heeft gehad op de hedendaagse kunstwereld met de afgelopen bezuinigingen op cultuur. Er zijn echter maar een paar kunstprojecten die direct naar dit thema verwijzen. Zo zijn Werkplaats Typografie en Kunstverein samen een project gestart waarbij ze de straat op zijn gegaan om aan buurtbewoners te vragen over wat zij denken wat er binnen hun muren eigenlijk gebeurt. De verschillende films met interviews zijn zowel een dappere poging van de instellingen om in contact te komen met de buurt, als een confrontatie met hun eigen (on)zichtbaarheid.

Een ander project steekt de draak met het huidige politieke populisme, is Wilderswebwinkel.nl van kunstenaar Dominique Himmelsbach de Vries. De marktkraam met fikse kortingen biedt alle mogelijke Wilders-merchandise van een Wilders-dekbed tot een Wilders-tuinkabouter en Hollandse tulpenthee verkrijgbaar; alles wat het hart van een PVV’er sneller doet kloppen. Hoewel deze twee kunstprojecten een interessante toevoeging zijn op het discours over de rol van kunst in onze maatschappij, is dit zeker niet de rode draad van de Kunstvlaai.

De titel INexactly THIS lijkt daarom veel meer te verwijzen naar het onzekere element dat kunst in zich draagt en dat gelijktijdig zorgt voor het experimentele en speelse karakter van kunst, dat op de Kunstvlaai terug te vinden is in de vele projecten, initiatieven, performances en screenings. Zeker de aanwezigheid van verschillende onderwijsinstituten draagt hieraan bij, zoals het concept Inside the White Whale van Vacant NL van het Sandberg Instituut. Dit biedt studenten de mogelijkheid om een kleine onderneming te starten vanuit hun eigen woonruimte, door een opvouwbare werkruimte gemaakt van zeil, zoals een kapperssalon, aan het plafond te hangen en naar believen omlaag en omhoog kan worden getakeld. Ook wordt er door verschillende kunstenaarsinitiatieven ter plekke werk gemaakt, waarmee ze hun lokaal omvormen tot studio, zoals kunstenaressen Kaj Osteroth en Lydia Hamman, uitgenodigd door kunstcentrum After the Butcher, doen. Tijdens het proces van het tekenen en schilderen vragen ze de bezoeker ook nog om feedback. Alles ligt dus open voor nieuwe voorstellen en nieuwe ideeën en eventuele veranderingen.

Het experimentele karakter van de vele werken lijkt dan ook goed aan te sluiten bij de nieuwe locatie, waar de curatoren Van Muiswinkel en Ginwala voor gekozen hebben. Zo presenteert kunstenaarscentrum Horizonverticaal kunst in een pikdonker fietsenhok. Nog een bijkomstigheid van de nieuwe locatie is dat de sporen die de vorige functie van het oude gebouw verraden in sommige gevallen optimaal worden ingezet. De installatie van kunstenaarsinitiatief P.ART of your life refereert aan de vroegere gebruikers van het gebouw. In de gymzaal hangen alle touwen en ringen in stilstand op het dode punt van de zwaai en de kleedkamer is gevuld met lege blikjes energiedrank. Alleen de leerlingen zijn spoorloos verdwenen.

Misschien dat het educatieve karakter van het oude gebouw ook invloed heeft gehad op de aanwezigheid van de vele kunstboekenwinkels, uitgevers, en door kunstenaars ingerichte leeszalen, zoals die van Rongwrong, PrintRoom, Reading Room en San Seriffe. Deze lokalen blijven echter vrij lege en statische ruimtes. De Kunstvlaai is niet de uitgelezen plek om te gaan zitten en lezen terwijl er een paar lokalen verderop performances, lezingen en screenings plaatsvinden. Deze ruimtes blijven ambigue plekken, waar het onduidelijk blijft wat de bezoeker er precies van mee moet nemen. Is het ter kennisgeving dat er over een bepaalde niche veel kennis is? En hoe zou de bezoeker door het kijken naar titels op een tafel of in een kast deze immense hoeveelheid kennis in zo’n kort tijdsbestek tot zich moeten nemen?

Ondanks dat er tijdens de Kunstvlaai soms grote contrasten te zien zijn tussen de statische ruimtes met kunst aan de muur, de leeszalen en de meer dynamische experimentele kunst projecten, performances en installaties, hoort het bij het karakter van de Kunstvlaai dat ze alles kan en mag omhelzen. De Kunstvlaai is zeker niet een coherent geheel geworden, maar dat zou het festival ook voorspelbaar en saai maken. De keuze voor een thema en nieuwe locatie versterken echter het experimentele en speelse karakter van het festival. De buitenlandse kunstinstellingen zijn eerder een uitbreiding en toevoeging aan het festival dan dat ze de boventoon voeren en het festival een internationaal karakter geven. Het zijn al deze veranderingen die zorgen dat de bezoekers elk lokaal weer vol spanning betreden.

Anne Katherine Sorup, Julien Debeij, Maria Gondek, Nadja Voorham, Maaike Stutterheim, Maze de Boer, P.ART of your life, AFTER THE BUZZ (2012). Foto: Cassander Eeftinck Schattenkerk
Installatie shot Printroom (2012). Foto: Cassander Eeftinck Schattenkerk
Repetitie voor performance FORGET THE KING, Salon Sur+ (2012). Foto: Cassander Eeftinck Schattenkerk
Detail van Agatha Gothe-Snape context-responsieve werken, Society, (2012). Foto: Cassander Eeftinck Schattenkerk
Susanne Kriemann, ONE TIME ONE MILLION (2009). Courtesy Bouwfonds Kunstcollectie van Rabo Vastgoedgroep. Fotografie: Wilfried Lentz Rotterdam

‘De omgeving van de mens is de medemens.’ Jules Deelder weet in deze catchy dichtregel een belangrijk element van de menselijke habitat te benoemen. Het is dan ook niet voor niets dat deze regel op de ruit van de expositie Habita(n)t  in de Rabo Kunstzone gedrukt is. De leefomgeving van de mens bestaat echter uit meer dan sociale samenlevingsverbanden. We verhouden ons ook tot onze fysieke leefruimte: we bewegen ons door gebouwen, kleine dorpen, grote steden en zelfs door de hele wereld. De tentoonstelling kaart de breedte van deze thematiek aan en stelt vragen als: ‘Hoe willen we met elkaar samenleven?´ en ´hoe verhouden we ons tot onze omgeving?’

Deelders invulling van het begrip omgeving komt het meest helder naar voren in het werk van Koos Breukel (1962). In zijn fotoserie Bergeijk (2005) wordt de band tussen de inwoners van het gelijknamige dorp vastgelegd. Hij portretteert groepsverbanden als de carnavalsvereniging, de harmonie, de kerk en de scouting die de dorpsbewoners met elkaar verbinden tot een hechte gemeenschap.

Toch ligt de focus in de tentoonstelling meer op de ruimtelijke leefomgeving van de mens en in mindere mate op intermenselijke relaties. Een werk dat op een speelse manier laat zien hoe mensen met hun leefruimte omgaan is Zonder titel (2012) van Paulien Oltheten (1982). Volgens haar vaste werkwijze beweegt ze zich als een beschouwer met oog voor subtiel menselijk gedrag door de hele wereld. Groeperingen van foto’s die ze wereldwijd maakte laten bijvoorbeeld zien hoe mensen staan te wachten tot ze kunnen oversteken. Opvallend zijn hierbij de charmante eigenaardigheden die we hierbij schijnbaar delen: van het vastpakken van een paaltje tot een bijna strelende hand die rust tegen het stoplicht. Deze werkwijze levert een reeks komische en poëtische observaties op over hoe de mens zich (ongemerkt) gedraagt in zijn omgeving. 

Een werk dat minder goed in de expositie past is Play (2009) van Martine Stig (1972). In Play is de stad voornamelijk een decor. In New York maakte ze documentaire beelden die ze vervolgens monteerde als een speelfilm waarin ogenschijnlijk een verhaal aan de gang is, al blijft het narratief ongrijpbaar. Het is een spannend werk; visueel past het mooi in de tentoonstelling, maar inhoudelijk biedt het in deze context weinig nieuwe inzichten. 

Wat opvalt is dat veel van het werk ons architectuur laat zien, zowel van binnen als van buiten. In veel gevallen is er amper of zelfs geen mens in beeld. Een aantal van de kunstenaars heeft vooral interesse in de architectonische erfenis van de vorige eeuw en zij lijken zich vooral af te vragen hoe we verder moeten met dat wat er al is. In de serie Guide to Ruined buildings in the Netherlands XIX – XXI Century (2008) van Lara Almarcegui (1972) laat ze ons kijken naar ruïnes in heel Nederland. Voor haar zijn dit ruimtes die ontsnapt zijn aan een behoefte van de mens om alles vorm te geven en bieden zo nog potentie voor later. Ook David Maljkovic (1973) is een kunstenaar die in het verleden speurt naar mogelijkheden voor de toekomst. In Images with Their Own Shadow (2008) onderzoekt de Kroaat de artistieke en intellectuele erfenis van het modernisme in zijn thuisland. Maljkovic doet dat hier door jongeren te filmen, met geopende mond en klaar om te spreken. Toch zeggen ze niets terwijl ze staan voor het werk van avant-gardekunstenaars uit de jaren 50. Het werk gaat meer over het aanwakkeren van idealisme en onze relatie met het verleden dan dat het direct de thematiek van deze expositie aansnijdt en je kunt je afvragen of het werk hier wel op zijn plek is.  

Meschac Gaba’s (1961) werk Sweetness (2006) gaat explicieter over samenleven in een stedelijke omgeving. Hij construeerde een stad van 9 bij 5 meter die louter bestaat uit gebouwen van suiker. Het is letterlijk een wereldstad met iconische gebouwen uit de hele wereld, maar ook met de schaduwkanten van deze steden zoals sloppenwijken. Zowel de vorm als het materiaal zeggen veel over samenleven, globalisering en internationale relaties. Zo is suiker een internationaal geliefd product, maar ook verbonden met een geschiedenis van kolonialisatie en slavernij.  

De curatoren spreken in een begeleidende publicatie over engagement als het conceptuele uitgangspunt voor de tentoonstelling, maar in dit geval is er slechts sprake van engagement light. De omgeving van de mens wordt natuurlijk mede gevormd door sociale, economische en politieke processen en leent zich uitstekend voor een geëngageerde benadering. Op een voorzichtige manier worden dan ook thema’s zoals de veranderingen in het beroep van vissers, het roerige stadsleven en globalisering behandeld. Maar wanneer de curatoren het hebben over deze expositie in de Rabobank Kunstzone als ‘neutraal gebied’ om zaken als de economische crisis en het kapitalisme te kunnen bekijken, mogen ze wel wat bescheidener zijn. Naast mijn twijfels over de neutraliteit van de expositieruimte van een bank als neutraal gebied, is deze discussie slechts in zeer milde, veelal impliciete vorm in deze vrij veilige tentoonstelling verstopt. Los van deze ambitie is Habita(n)t een plezierige tentoonstelling met goed werk en laat op een brede en gevarieerde wijze zien hoe de mens omgaat met zijn sociale en ruimtelijke omgeving met oog voor het verleden en de toekomst.

David Maljkovic, IMAGES WITH THEIR OWN SHADOW (2008). Courtesy Rabo Kunstcollectie. Fotografie: Gert Jan van Rooij
Paulien Oltheten, ZONDER TITEL (2002). Courtesy Bouwfonds Kunstcollectie van Rabo Vastgoedgroep. Fotografie: Paulien Oltheten
Meschac Gaba, SWEETNESS (2006). Courtesy collectie Meschac Gaba. Fotografie: Gert Jan van Rooij
Tim Mathijsen, UNTITLED, (2012). Foto: Henni van Beek

W139 pakt dit najaar uit met een groepstentoonstelling waar maar liefst 35 kunstenaars aan deelnemen. De beeldend kunstenaar en curator Jean Bernard Koeman (1964) bracht de groep jongelingen bijeen en creëerde een tentoonstelling rondom de thema’s verzamelen en onderzoek. Zijn uitgangspunt is verwerkt in de titel van de expositie The Research and Destroy Department of Black Mountain College. Het eerste gedeelte uit de titel verwijst zowel naar een onderzoekscomponent, als naar de militaire term Search and Destroy, en draagt dezelfde naam als de expositie van Koemans eigen werk in galerie Lumen Travo uit 2009. De tweede referentie komt van het befaamde Black Mountain College (Asheville, North Carolina, V.S., 1933-1959), opgericht vanuit het gedachtegoed dat de kunsten centraal staan in onze algehele, academische leerervaring, en dat kunstonderwijs gegeven zou moeten worden met het doel de gehele persoon te onderrichten. Kortom, de tentoonstelling snijdt brede thema’s aan met veel raakvlakken.

Dit baarde mij dan ook enige zorgen bij het bezoeken van de expositie in de Warmoestraat; de hoeveelheid kunstenaars – 35! – en de enorm ruime context waarin hun werken geplaatst worden. Ook het lezen van de begeleidende informatietekst levert geen eenduidige focus. Naast de associaties die de titel van de tentoonstelling oproept, dwingt de tekst om na te denken over de manier waarop kunst als kennisdrager kan fungeren. Hiermee wordt de onderzoekscomponent van de tentoonstelling naar voren geschoven door na te denken over welke rol kunst speelt in het communiceren van onderzoeksgerelateerde informatie. In de tekst wordt ook nadruk gelegd op de experimentele noodzakelijkheid van progressieve educatiemethodes. Dit verklaart de relatie met het Black Mountain College; het sterkste referentiekader van de tentoonstelling.

De tentoonstelling neemt, zoals verwacht, de gehele ruimte van W139 in beslag. Er zijn videowerken, muurschilderingen, een klein laboratorium, een geïmproviseerd keldertje, en er hangen zelfs werken aan het hoge plafond in de achterruimte. Toch doet de tentoonstelling geen moment aan als te vol. Er is genoeg ruimte om een dialoog tussen verschillende werken tot stand te brengen. Zo vormen de afzonderlijke werken van Saar Amptmeijer, Thomas Raat en Jonas Wijtenburg een interessant trio dat de tentoonstellingsruimte van W139 als beginpunt neemt. Amptmeijer maakte een landschap van PVC-buizen dat weelderig over de muren van W139 kronkelt. Hier schuin tegenover creëerde Raat een kolossale muurschildering, die dezelfde geometrische vormentaal spreekt als het werk van Amptmeijer. Ertussen staat de karakteristieke houten installatie van Wijtenburg, een delicate constructie die van vloer tot plafond strekt, en de ruimte tussen beide muren open lijkt te houden.

Minstens zo interessant is het werk van Rosa Sijben, die een speelse interventie verzorgde bij de tentoonstelling. Aan de hand van een onbekend object en een aantal weloverwogen instructies belandt de bezoeker buiten de tentoonstellingsruimte, waarna een interessante zoektocht begint. Hiermee benadrukt Sijben met haar interventie de ogenschijnlijke vanzelfsprekendheid waarmee we alledaagse dingen benaderen.

Veel van de werken van deze jonge generatie kunstenaars komen uitstekend uit de verf. Zoals het werk van Fabian Schröder, die met zijn bijzondere foto’s een mooie abstrahering van de urbane werkelijkheid tot stand weet te brengen. Of de multidisciplinaire installatie van Tim Mathijsen, die je voor even in een andere werkelijkheid plaatst en je doet nadenken over schoonheid en de idealen van onze maakbare maatschappij. De kunstenaars zetten aan tot participatie en weten een degelijk verhaal te vertellen zonder daarbij Wittgenstein of Derrida van stal te halen. Er ontbreekt echter in de tentoonstelling een duidelijke cohesie. Los van het feit dat de kunstenaars eind jaren zeventig of begin jaren tachtig geboren zijn, lijken de overeenkomsten in het werk dat zij maken vrij minimaal. Het brede thema dat tussen verzamelen en onderzoek schippert, biedt hierbij onvoldoende houvast.

Wellicht moeten wij ons dus meer richten op die speciale verwijzing naar het Black Mountain College, de school die met zijn experimentele educatiemethodes een bijzondere lichting kunstenaars zoals John Cage, Robert Rauschenberg en Cy Twombly afleverde. Zo bekeken is Koemans expositie een opsteker voor de toekomst, een bonte collectie spraakmakende afgestudeerden met genoeg interessante ideeën over de eigen onderzoekspraktijk en met een kritische reflectie op de rol van kunst in onze maatschappij.

Overzichtsfoto. Foto: Henny van Beek
Kees Boevé, MIJNLAND (2012), (voorgrond). Antonia Breme, UNTITLED (THE CAPTAIN GIVES THE ORDER TO HIS LIEUTENANT TO MARCH THE MILITIA) II, (2012), (daarachter). Thomas Raat, UNTITLED, (2012) (achtergrond). Foto: Henny van Beek
Daniel vom Keller, A MEETING IN SPRING FOUR YEARS AGO (2012), (voorgrond). Johan Henning, -OOPS-, (2012), (daarachter). Fabian Schröder, CITYSCAPE, (2011-2012), (muur). Foto: Henny van Beek

Schemeroorlog

George Vermij
Jonas Staal, WEES VRIJ... OF ANDERS (2012)

De tentoonstelling Café des Espérances heeft als ambitie om een ander perspectief op het fenomeen oorlog te bieden. Inspiratiebron voor de expositie vormt het boek Austerlitz van de Duitse schrijver W.G. Sebald waarin de hoofdpersoon door trauma’s wordt geplaagd. Het voornaamste uitgangspunt van de expositie is dat oorlog in vredestijd aanwezig is, maar dat deze aanwezigheid verborgen is en opnieuw zichtbaar moet worden gemaakt. Het is een interessante opzet die helaas niet goed wordt uitgewerkt in het Kunstfort bij Vijfhuizen.

In de eerste tentoonstellingsruimte word je als bezoeker geconfronteerd met een rommelige opstelling. Twee bureaus uit de serie werken History Is Made Of Different Shades Of Grey van Kevin van Braak (1975) grenzen aan verschillende bustes die deel uitmaken van een doorlopende performance van dezelfde kunstenaar. De twee bureaus hebben dezelfde kleur grijs, maar ze verschillen in formaat. Een van de bureaus heeft een monsterlijke grootsheid, die past bij de smaak van een megalomaan. Groot genoeg om een kaart van de wereld op uit te vouwen en om te spelen met ontelbare spooklegers.

Het komt daarom niet als een verrassing wanneer je leest dat het bureau een kopie is van Adolf Hitlers kolossale Schreibtisch. Het andere bureau dat kleiner en functioneler oogt, is van Josef Stalin. De strategie van toe-eigening die Van Braak hier hanteert is jammer genoeg iets te simpel in zijn symboliek en verrast daarom niet. Je vraagt je ook af hoe deze werken in relatie staan tot het idee van vredestijd, omdat ze al zo sterk zijn verankerd in de Tweede Wereldoorlog.

Actueler zijn de bustes die achter de bureaus staan en die behoren tot Van Braaks samenwerking met beeldhouwer Tony Fiorentino (1985). Fiorentino maakt gedurende de tentoonstelling portretkoppen van klei, die uiteindelijk bij het fort gebakken zullen worden. Elke kop is een CEO die een schakel vormt in het militair industrieel complex. De bedrijven die zij runnen maken winst door de productie en verkoop van nucleaire wapens. Een klein postertje dringt de bezoeker aan om in te grijpen.

Deze mengeling van kunst en activisme is ook terug te zien in twee werken van Jonas Staal (1981). In een korte video-installatie vliegen twee reclamevliegtuigjes op 5 mei over de Dam. Op hun banners staat de tekst ‘Wees vrij …of anders’. Deze video wordt gecombineerd met een diashow van protesterende mensen voor het Tweede Kamergebouw. Voor het andere werk Search Light plaatste Staal een zoeklicht op een hoog gebouw in Zagreb. Het zoeklicht werd gebruikt om mensen in het donker op straat te volgen. Een slideshow toont voorbijgangers die gevangen worden in een felle lichtcirkel alsof ze bespied worden door Big Brother.

De werken van Staal en Van Braak tonen de staat van oorlog die onder de oppervlakte van een democratie aanwezig is. Het militair industrieel complex verdient nog steeds geld met oorlogstechnologie en de liberale staat hanteert methoden om burgers op directe of indirecte wijze te controleren. De werken zijn ook de meest maatschappijkritische van de tentoonstelling, maar de boodschap wordt weinig vernieuwend gebracht en komt daarom als prekerig over. Dat totalitaire methodes en de wapenindustrie slecht zijn, is een behoorlijke open deur.

Geslaagder zijn de werken die ingaan op de ambiguïteit van oorlog. In Baden Pailthorpes (1984) video-installatie Formations VI lopen Amerikaanse soldaten en Arabische terroristen naast elkaar in een virtuele woestijn. Voor het werk hackte Pailthorpe een computersimulatie die voor trainingsdoeleinden wordt gebruikt door het Amerikaanse leger. Het werk is daarmee een virtuele détournement van militaire hardware. Aartsvijanden worden in de video verenigd in een lange marcherende colonne. Technologie lijkt beide partijen gelijk te schakelen en alle tegenstellingen te laten verdwijnen. Pailthorpes werk verliest helaas wel wat van zijn impact door het kleine scherm waarop het wordt vertoond.

Stefaan Decostere’s (1955) Warum wir Männer die Technik so lieben uit 1985 is een experimenteel tv-essay gemaakt voor de Belgische tv. In de film zijn de filosoof Paul Virilio en kunstenaars Jack Goldstein en Klaus vom Bruch aan het woord over onderwerpen die verband houden met oorlog en technologie. Decostere combineert deze interviews met een stortvloed van beelden en ideeën. Van de werken op de expositie zet deze film het meest aan tot denken. Oorlog is in de woorden van Virilio het laboratorium van de moderne tijd en de katalysator achter grote veranderingen. Het is daarom moeilijk om je simpelweg af te zetten tegen het fenomeen.

Het meest intrigerend zijn verschillende foto’s van Eva Olthof (1983), die goed geïntegreerd zijn in de ruimte van het fort. Rode draad vormt een Duits raketbataljon dat tijdens de Koude Oorlog op verschillende plaatsen was gelegerd. Een foto-installatie in een nauwe gang toont vertraagd het afvuren van een raket tijdens een oefening. In een andere ruimte worden grote foto’s van de gedenkkamer van het bataljon op tafels tentoongesteld. Bepaalde details zijn apart gefotografeerd. Uit de foto’s blijkt dat het bataljon waarde hecht aan oude symbolen en tradities. Je ziet afbeeldingen van Pruisische artillerie ten tijde van de Napoleontische oorlogen, archaïsche emblemen en vaandels; tekens en aandenkens die men gebruikt om oorlog menselijk te maken en een plaats te geven in de geschiedenis. Dit alles staat in de schaduw van de functie van het bataljon ten tijde van de Koude Oorlog en het technische en kille karakter van de oefeningen en het wapentuig.

In Olthofs werk liggen nostalgie, herinnering en de dreiging van vernietiging dicht bij elkaar. Haar werk resoneert het beste met de ondertitel van de tentoonstelling, die gaat over de hard- en software van oorlog, en het heeft de sterkste link met de boeken van Sebald waar fotografie wordt gebruikt om verborgen verbanden zichtbaar te maken. Die resonantie mist bij veel werken op de expositie. Wanneer een zo indringend onderwerp als uitgangspunt is genomen, is het jammer dat de tentoonstelling als geheel te vrijblijvend overkomt.

Eva Olthof, KRETA 1968 MAN BEJUBELT DER ERFOLG (2012)
Eva Olthof, overzichtsfoto
Daniela Bershan, ORBITOCLAST, 2012

Onlangs is kunstproject Fatform een paar meter verhuisd naar de verlaten parkeergarage Klieverink en het aangrenzende kantoorgebouw. Omringd door grote modernistische flats, geasfalteerde speeltuinen en een nieuwbouwwijk in ontwikkeling. Overtuigend stedelijk, zelfs bij zonnig weer grauw en gevoelsmatig ver verwijderd van alle gangbare kunstinstellingen. Op deze nieuwe locatie zijn Ad de Jong en Manuel Klappe (bekend van de monumentale sculptuurtentoonstelling Beeld Hal Werk uit 2010) uitgenodigd om met oprichtster Daniele Bershan en in samenwerking met ontwerper Bas Oudt de groepstentoonstelling Present Forever te realiseren. De groepstentoonstelling toont maar liefst vijfenvijftig overwegend Nederlandse kunstenaars en hun werken.

Als deelnemend kunstenaar zal het een uitdaging zijn om een werk te produceren voor deze ruimte. De licht hellende betonnen vloer van de parkeergarage geeft een indrukwekkende entree waarbij de werken bij binnenkomst aan de bezoeker opdoemen. De spiraalvorm van het ongedwongen looptraject over de vier parkeerdekken maakt dat de verschillende werken vanuit opmerkelijke standpunten zijn te bezichtigen. Sommige werken zijn hierdoor zelfs op meerdere verdiepingen aanwezig, zoals de installatie Orbitoclast van Daniela Bershan (1980). Dit fragiele houten skelet wordt van binnenuit verlicht en door middel van huishoudfolie bij elkaar gehouden. De kwetsbare constructie richt zich als een futuristisch insect over een hek naar het hoger gelegen parkeerdek. Waar je ook gaat staan, het is nooit mogelijk het werk in zijn geheel te zien.

De tentoonstellingsmakers hebben afgezien van veel tekst en duiding. Slechts de naam van de kunstenaar en de titel van het werk worden vermeld. Hierdoor is het aan de bezoeker om een route door de tentoonstelling te kiezen. Deze kan vrij door de ruimte dwalen, zich door de verschillende werken laten aantrekken en zich langzaam via de spiraalvorm naar het dak laten leiden. De enorme schaal en het enigszins morsige karakter van de parkeergarage geeft een unieke sfeer en leent zich uitstekend voor de vele installaties, sculpturen, schilderijen en tekeningen.

Het uitgangspunt van de tentoonstelling is dat de toekomst zich niet aandient maar gemaakt kan worden. De kunstenaars geven vanuit hun visie op kunst invulling aan dit gegeven. Er zijn hierdoor zeer verschillende werken in de tentoonstelling aanwezig die de uiteenlopende richtingen waarin hedendaagse kunst zich ontwikkelt concretiseren. Hoewel niet alle werken dezelfde kwaliteit hebben, zorgt de basisgedachte voor veel opmerkelijke werken die de tentoonstelling tot een uitbundige visuele ervaring maken. Het geheel voelt energiek en ongeforceerd, waarschijnlijk omdat de tentoonstelling niet gebukt gaat onder een al te dwingend thema.

Er is ook een opvallend aantal humorvolle werken. Bijvoorbeeld Goede bedoelingen van Jos Houweling (1943), waarbij een wand van een opgetrokken houten constructie vol hangt met felgekleurde vrolijke en soms moeilijk te duiden boodschappen in ansichtkaartformaat. Of de hilarische installatie MEKAAR Stalag, Gulag & hangtieten tussen 50 alleen maar nette tinten Grijs movie van Jonas Ohlsson (1967). Hoewel de titel anders doet vermoeden bevat de installatie geen film, maar verschillende teksten die met zwarte viltstift en markers op wit papier zijn geschreven. Een ode aan borsten voor hun rebellie tegen de zwaartekracht wordt afgewisseld met een uitleg over de kunstenaarspraktijk. De korte verhalen en opmerkingen zijn aan verschillende steunbalken en zuilen van de parkeergarage bevestigd. Zilverkleurige stalactieten hangen aan het plafond. In het midden staat een luie stoel waarop tepels zijn geschilderd. Als de bezoeker hierin plaatsneemt lijkt het alsof deze borsten heeft. Met de zaklamp, bevestigd aan een bijzettafel, kunnen de teksten beschenen worden als een absurd stripverhaal in het donker.

De tentoonstelling kent nog meer bijzondere bijdragen. Op het bovenste parkeerdek kan een golfballetje geslagen worden in The Field, an Exercise to Be an Optimist van Sachi Miyachi (1978). Deze getimmerde installatie confronteert de bezoeker met een totaal onmogelijke opgave. Wat je ook probeert, die bal gaat er niet in. Helemaal onderin de spiraal van de tentoonstelling is het opvallende werk Sovereign van Lotte Geeven (1980) zeker niet te missen. Een Daimler Sovereign ligt op zijn dak. Het lijkt of iemand een moment eerder de macht over het stuur heeft verloren en in deze ongelukkige situatie terecht is gekomen. Een hoogtepunt is de gelegenheid – om getimed op een eierwekker – de schetsboeken van Job Koelewijn (1962) maximaal  vijf minuten door te bladeren.

Bij Present Forever is het vooral directe ervaring en vrije interpretatie die telt. Een ongedwongen route door een geweldige locatie met een grote hoeveelheid sterke werken. Alle reden dus om deze zomer af te reizen naar deze bijzondere uithoek van Amsterdam.

Jos Houweling, GOEDE BEDOELINGEN, 2012
Lotte Geeven, SOVEREIGN, 2012

Vilein en surreëel

Lise Lotte ten Voorde
Elisabeth Tonnard, WE ARE SMALL (2012) (Courtesy: Johan Deumens Gallery)

Gehoorzamen, negeren, treiteren: het zijn denkbare reacties op een betuttelend briefje van je hospita. Kunstenaar/dichter Elisabeth Tonnard koos voor dat laatste. In We are small (formaat A6) publiceerde ze niet alleen het ietwat belachelijke briefje: ze bewerkte het met tipp-ex en deed een poëtische uithaal naar haar bemoeizuchtige hospita.

Elisabeth Tonnard (Leerdam, 1973) publiceerde sinds 2003 maar liefst vijfentwintig kunstenaarsboeken, variërend in grootte en oplage. Haar boeken zijn gebaseerd op literatuur of fotografie (in beide vakgebieden behaalde ze een graad), vaak zelfs op alle twee. In elke publicatie is een verantwoording over de bronnen opgenomen, waardoor je als lezer altijd kunt terugzoeken waarnaar je nu precies kijkt. Die informatie is niet nodig om het werk te kunnen waarderen, maar voegt wel een dimensie toe.

In We are small (2012) toont Tonnard taalvaardigheid, enige rancune en een vilein gevoel voor humor. Het briefje van de hospita sommeert haar geen kledingstukken meer voor het raam te drogen te hangen; de buren zouden kunnen gaan klagen. Op zonnige dagen kan het in de tuin, en of ze misschien wasknijpers nodig heeft? Je vraagt je af welk soort kledingstuk zoveel aanstoot geeft dat het de hospita doet besluiten de pen ter hand te nemen. Pikant ondergoed? Een door motten gefêteerde pyjama? Een reuze decente koltrui? Wat het ook was, Tonnards reactie is buitengewoon bevredigend: “Be hung or hang”, “We can’t  have you”, “The Neighbours eat your wishes”, “I aid or else I ail” en simpelweg “ha ha ha ha ha”.

De combinatie van beeld en literatuur was al eerder zichtbaar in Tonnards werk. In 2008 stuitte ze op een fotoarchief van Fox Movie Fash, een straatfotostudio die tussen 1930 en 1970 in San Francisco opereerde. Ze selecteerde foto’s van eenzame, nachtelijke voetgangers, allen met een opmerkelijk naar binnen gekeerde blik. Het deed haar denken aan de eerste zin uit Dante’s Inferno: “Midway along the journey of our life / I woke to find myself in a dark wood, / for I had wandered off from the straight path.” Dit is slechts een van de negentig verschillende vertalingen in het Engels. Tonnard combineert deze met evenzoveel archieffoto’s onder de titel In this dark wood.

Ook hier is het resultaat humoristisch en soms surreëel, zoals de foto van een nogal oenig ogende matroos met jampotbril die nog lang niet op de helft van zijn leven is. Er lijkt geen weg terug voor deze verloren personages, afgaande op het onherroepelijke zwart van de nacht en de terneergeslagen, vertwijfelde blikken. Als lezer zou je je enkel op het tijdsbeeld in de foto’s kunnen concentreren (fraai!), maar het geheel kan misschien ook geïnterpreteerd worden als kritiek op de consumptiemaatschappij: een meerderheid van de gefotografeerden draagt een tas met zojuist aangeschafte waren bij zich.

In Elisabeth Tonnards werk is het geheel duidelijk meer dan de som der delen. We are small en In this dark wood, maar ook andere publicaties, vormen een perfect huwelijk tussen rede (kennis) en intuïtie. Ze zijn slim zonder droog te worden, humoristisch én visueel aantrekkelijk. Dat kan zelfs die bemoeial van een hospita niet betwisten.

Elisabeth Tonnard
WE ARE SMALL, 2012
IN THIS DARK WOOD, 2008
www.elisabethtonnard.com

Elisabeth Tonnard, WE ARE SMALL (2012) (Courtesy: Johan Deumens Gallery)
Elisabeth Tonnard, IN THIS DARK WOOD (2008) (Courtesy: Johan Deumens Gallery)
Elisabeth Tonnard, IN THIS DARK WOOD (2008) (Courtesy: Johan Deumens Gallery)

De rode ambassadeur

Nathalie Hartjes

In een land ver van hier ligt Nederlands erfgoed keurig opgeborgen, en niemand die het weet. Roemenië klinkt mijlenver en enig besef van een gezamenlijke geschiedenis is door ruim veertig jaar communistische heerschappij volledig teniet gedaan. Het is een van die ongedefinieerde vlekken op de landkaart die nog altijd tot het ‘Oostblok’ behoort, en ‘slechts’ sinds 2007 tot de EU behoort. In de periode dat Roemenië zich net uit de klauwen van een dictatuur wurmde, werden de Nederlandse geschiedenislessen vooral ingevuld met verhalen over de Verenigde Staten, de VOC, Israël en natuurlijk de val van de muur. Hoewel de muur om was, bleef de interesse beperkt tot de ‘verloren’ Duitse deelstaat. Het halve continent dat daar achter ligt moet nog steeds herontdekt worden. Ook de stukjes van onze eigen geschiedenis die daar te vinden zijn hebben we laten uitgommen. 

Begin juni was ik in Sibiu, een kleine historische stad in de provincie Transsylvanië, op uitnodiging van het initiatief Curator’s Network – een samenwerking tussen een vijftal kunstorganisaties om ontmoetingen te faciliteren tussen kunstprofessionals wereldwijd en kunstenaars uit hun eigen lokale en vaak perifere context. Plekken in de marge van de huidige geschiedenis, steden die je makkelijk overslaat ten faveure van de grote musea, biënnales en marktplaatsen. Die plekken die je gezien moet hebben, omdat kennis van die plekken nu eenmaal het fundament van het huidige geschiedenisbeeld vormt. 

Totale verbazing aldus om in het pittoreske Sibiu – waar nog echte timmermansgezellen in vol ornaat door de straten wandelen – tegen een verzameling Vlaamse en Hollandse meesters aan te lopen. Het Brukenthal museum bezit een indrukwekkende collectie met werk van Cranach, Rubens, Hals en Van Eyck. Ja natuurlijk, ergens kriebelt een vaag besef van de Habsburgse heerschappij – de missing link tussen Oost en West op het continent Europa. Eeuwen gedeelde cultuur, weggestopt onder het stof der sovjetgeschiedenis. 

En terwijl er in Nederland kliklijnen worden opgericht om de ‘nieuwe’ oosterlingen buiten te houden – en als ze al binnen zijn te verwijderen – is het in het oosten dat ik word ingelicht over een voor mij nog onbekende Nederlandse volksheld. Liviana Dan is een kleine kordate vrouw die conservator hedendaagse kunst is in het Brukenthal museum en onder de dictatuur heldhaftig de censuur tartte. Tijdens het laatste diner zegt ze plots: “We were very thankful to have your ambassador here during the revolution, he did so much for us”. Wat? Wie? Een Nederlandse ambassadeur die van betekenis was voor Roemenië? We hebben toch helemaal niks met dat land te maken gehad sinds die ouwe Habsburgers?

Ze maakt me attent op Coen Stork, Nederlands diplomaat, die in 1988 in Boekarest werd gestationeerd. Veel keuze had hij niet. Hij had zich bij zijn meerderen mateloos impopulair gemaakt door zijn onconventionele gedrag op zijn eerdere diplomatieke posten. In plaats van zich te stortten in het plichtmatige expat-gebeuren, verkeerde hij liever in kringen van kunstenaars, schrijvers en filosofen. Kortom: wispelturig volk met weerbarstige ideeën. Of zoals Ambassadeur Lewe, Storks meerdere in zijn tijd in Zuid-Afrika, optekent in zijn functioneringsverslag:

“Nog opgemerkt moge worden dat de Heer Stork blijk heeft gegeven van een grote culturele belangstelling. In hoeverre hij echter culturele contacten en activiteiten werkelijk dienstbaar zou kunnen maken aan de bevordering van de Nederlandse belangen, kan ik niet beoordelen, noch in hoeverre hij weerstand zal kunnen bieden aan bepaalde politieke zuigkrachten, die zich juist in cultureel geïnteresseerde milieus zo dikwijls demonstreren.” 

Deze belangstelling wordt door Lewe geclassificeerd als onwenselijk en ongeschikt voor het bedrijven van diplomatiek werk, waar non-involvement voorop zou moeten staan. Storks carrière kenmerkt zich door de omkering van zijn rol als diplomaat. Een begaan mens, die zich afvraagt – en zich hard maakt voor – wat hij tijdens zijn temporaire verblijf kan doen. Cultuur speelt daarin altijd een belangrijke rol. Storks handel en wandel staat symbool voor de wijze waarop een marginale geschiedenis zich kan inschrijven in de Grote Geschiedenis. En daarmee gezien kan worden en erkenning kan krijgen – en de bijbehorende middelen om verandering teweeg te brengen. 

Het grootste gedeelte van Storks levensverhaal komt mij niet via Liviana ter ore. Ze blijft discreet en respectvol. Het is Stork zelf die spreekt, in de biografie van Peter Henk Steenhuis. En dat doet hij genadeloos eerlijk: zijn twijfels en misstappen komen ook aan bod. Hierdoor leest zijn biografie als een avonturenroman. Een held – niet zonder grillige randjes – die tal van opmerkelijke figuren ontmoet en zich daarbij altijd dienstbaar opstelt. Waar nodig en mogelijk stelt hij zijn eigen huis open om dissidenten een toevluchtsoord (en soms vluchtroute) te bieden. En dat zijn er – als ik het juist begrijp van Liviana – misschien wel veel meer geweest dan zwart op wit staan in de biografie.  

Geschiedenis is een kunstmatige interventie, maar het is wel de kennis op basis waarvan we onze volgende keuzes maken. Bij het optekenen ervan zijn er mensen die schrijven en mensen die knippen. Knippen blijkt makkelijker dan schrijven. Maak een selectie van de tien belangrijkste vertellingen en je vergeet er honderden. Coen Stork is nooit gediend geweest van een selectieve wereldbeleving. Terwijl de rest van de wereld hun ogen sloot maakte hij er een punt van om met zijn Amerikaanse collega’s Ted Nelson en John Miles elke dag bij het Rivoniaproces – tegen onder meer Nelson Mandela – te zijn. De doodstraf kon worden afgewend. 

Atheneum – Polak & Gennep, Amsterdam 2012
ISBN 978-90-253-6878-4 

Melanie Bonajo, AFTERLIFE, THE UNEXPLORED CONTENT (2011).

Museum Tot Zover is een klein, maar ambitieus museum. Het is het enige uitvaartmuseum dat Nederland rijk is. Het lijkt een curieus en macaber onderwerp voor een museum. Maar Museum Tot Zover straalt vooral nuchterheid uit. De vormgeving is strak maar speels en geen enkel aspect van de dood is hier taboe. Daarvan getuigen ook de flyers met daarop een bouwplaat van een doodskistje voor de hamster of kanariepiet.

Naast een permanente opstelling over de omgang met de dood in Nederland, presenteert Tot Zover tijdelijke exposities. Voor de tentoonstelling Afterlife is werk van veertien kunstenaars samengebracht rond het thema ‘het hiernamaals’. Wat is er, of, wat is er niet? In de catalogus schrijft conservator Babs Bakels dat het beeld van het hiernamaals in Nederland grofweg kan worden opgedeeld in twee stromingen. Er is niets of er is iets; het beeld van een oneindige leegte tegenover een laatste verblijfplaats van de ziel. Dit laatste begrip is niet bepaald vastomlijnd. Er wordt binnen de maatschappij druk gezocht naar dat concept dat de notie van het christelijke paradijs, met cherubijntjes en groene velden, kan vervangen. De veelheid van de ‘ietsen’ worden in de tentoonstelling onder andere vertegenwoordigd door Melanie Bonajo (1978), Dane Mitchell (1976) en Susan MacWilliam (1969) en het grote niets wordt vertegenwoordigd door bijvoorbeeld Sarah van Sonsbeeck (1976), Xu Bing (1955) en Satijn Panyigay (1988).

In de eerste zaal valt de installatie van Bonajo op. Met onder andere een keukentrap, plumeaus, lippenstiften en foto’s heeft zij zorgvuldig een visueel spektakel opgebouwd, dat verschillende associaties oproept. Het is occult, met vreemde symbolen, kaarsen en foto’s van naakte lichamen; kleurrijk, ergens speelt een foto van een palmboom een rol; en banaal, door alle huishoudelijke objecten die zijn samengevoegd. Onderdeel van dit werk Afterlife, the Unexplored Continent, is een reader die op een aantal plaatsen bij de installatie is gelegd. In de reader staan gedeeltes van gesprekken die Bonajo voerde met mediums, gecontacteerd via mediumhotlines. Door aan de dames aan de andere kant van de lijn vragen te stellen als: “Hoe moet een kunstwerk over het hiernamaals eruit zien?”, doorbreekt zij de cold reading methode die deze mediums gebruiken. Veel fantasie hebben de mediums niet: één van hen adviseerde Bonajo het hiernamaals middels Google Afbeeldingen te zoeken. Het werk maakt duidelijk dat de hotlines geen vat hebben op het hiernamaals en dat hun middelen om houvast te bieden in het heden liggen. Het verlangen naar houvast zien we trouwens ook in een object in de vaste opstelling in een andere museumzaal. In een rijk gedecoreerde vitrine is een boeket van mensenhaar te zien uit 1871. De macabere bloemetjes en vlechtjes, versierd met stras en parels, stonden ooit bij een gezin thuis om de familieleden te herinneren aan hun roots. Als een familielid overleed, werden er bloemen toegevoegd. Zo bleef een stukje van hun sterfelijk lichaam toch in het nu.

Het contrast tussen het uitbundige werk van Bonajo met het ernaast geplaatste verstilde, maar intense werk van Bing, Where Does The Dust Itself Collect?, is groot. De vloer is bedekt met duizenden fijne deeltjes, die ooit onderdeel waren van de Twin Towers. Xu Bing heeft ze in Afterlife zo geplaatst dat er in het stof een poeziëregel te lezen is:

“As there is nothing from the first
Where does the dust itself collect?”

Het is een regel uit een gedicht van zenmeester Huineng uit de zevende eeuw. De zenmeester reageerde met dit gedicht op een ander gedicht, waarin een spiegel als metafoor voor de ziel werd gebruikt en stof als metafoor voor menselijke beslommeringen. Huineng maakte korte metten met deze metaforen. Het ‘niets’ kun je niet terugbrengen tot een metafoor. Het ‘niets’-begrip waaraan Bing met dit werk refereert, kan een oneindig geruststellend gegeven zijn. Maar de kennis dat het stof dat in de zaal van Afterlife ligt uit de laatste momenten van duizenden mensen bestaat, zorgt dat het niets tijdelijk heel ver weg is.

Buiten op de begraafplaats De Nieuwe Ooster is de grens tussen dood en leven tastbaarder dan binnen. Tussen de graven zijn zes kunstwerken geplaatst. De aanwezigheid van de dood wordt plotseling wrang als ik op een werk van Leonid Tsvetkov (1980) afloop. Van foto’s in het museum weet ik dat het een grijzige piramidevormige sculptuur betreft. Als ik dichterbij kom, blijkt het echter een zandhoop te zijn. Ernaast een gapend leeg graf – een vergissing die makkelijk gemaakt is op de begraafplaats. In Search of the Other van Tsvetkov is twintig meter verderop. Het is een ingegraven ruimte, die deels boven het gras uitsteekt. Het werk functioneert als een camera obscura. Via een smal trappetje betreed je de onderwereld en in het aardedonker verschijnt een spookachtig beeld van de buitenwereld op de muur. Het werk voegt een fysieke beleving toe aan het conceptuele kader van de tentoonstelling. Beleving, concept en filosofisch kader zorgen er – samen met de hoge kwaliteit van de werken – voor dat Afterlife een rijke ervaring is die nog dagenlang resoneert. Epicurus verwonderde zich over angst voor het hiernamaals. De eeuwigheid voor je geboorte heeft toch ook geen negatieve weerslag op je bestaan, waarom zou je iets vrezen dat je niet kan ervaren?

Xu Bing, WHERE DOES THE DUST ITSELF COLLECT? (2004).
Leonid Tsvetkov, IN SEARCH OF THE OTHER (2011). Foto's: Teo Krijgsman