Het niets en vele ietsen

—Anne Beeksma
Melanie Bonajo, AFTERLIFE, THE UNEXPLORED CONTENT (2011).

Museum Tot Zover is een klein, maar ambitieus museum. Het is het enige uitvaartmuseum dat Nederland rijk is. Het lijkt een curieus en macaber onderwerp voor een museum. Maar Museum Tot Zover straalt vooral nuchterheid uit. De vormgeving is strak maar speels en geen enkel aspect van de dood is hier taboe. Daarvan getuigen ook de flyers met daarop een bouwplaat van een doodskistje voor de hamster of kanariepiet.

Naast een permanente opstelling over de omgang met de dood in Nederland, presenteert Tot Zover tijdelijke exposities. Voor de tentoonstelling Afterlife is werk van veertien kunstenaars samengebracht rond het thema ‘het hiernamaals’. Wat is er, of, wat is er niet? In de catalogus schrijft conservator Babs Bakels dat het beeld van het hiernamaals in Nederland grofweg kan worden opgedeeld in twee stromingen. Er is niets of er is iets; het beeld van een oneindige leegte tegenover een laatste verblijfplaats van de ziel. Dit laatste begrip is niet bepaald vastomlijnd. Er wordt binnen de maatschappij druk gezocht naar dat concept dat de notie van het christelijke paradijs, met cherubijntjes en groene velden, kan vervangen. De veelheid van de ‘ietsen’ worden in de tentoonstelling onder andere vertegenwoordigd door Melanie Bonajo (1978), Dane Mitchell (1976) en Susan MacWilliam (1969) en het grote niets wordt vertegenwoordigd door bijvoorbeeld Sarah van Sonsbeeck (1976), Xu Bing (1955) en Satijn Panyigay (1988).

In de eerste zaal valt de installatie van Bonajo op. Met onder andere een keukentrap, plumeaus, lippenstiften en foto’s heeft zij zorgvuldig een visueel spektakel opgebouwd, dat verschillende associaties oproept. Het is occult, met vreemde symbolen, kaarsen en foto’s van naakte lichamen; kleurrijk, ergens speelt een foto van een palmboom een rol; en banaal, door alle huishoudelijke objecten die zijn samengevoegd. Onderdeel van dit werk Afterlife, the Unexplored Continent, is een reader die op een aantal plaatsen bij de installatie is gelegd. In de reader staan gedeeltes van gesprekken die Bonajo voerde met mediums, gecontacteerd via mediumhotlines. Door aan de dames aan de andere kant van de lijn vragen te stellen als: “Hoe moet een kunstwerk over het hiernamaals eruit zien?”, doorbreekt zij de cold reading methode die deze mediums gebruiken. Veel fantasie hebben de mediums niet: één van hen adviseerde Bonajo het hiernamaals middels Google Afbeeldingen te zoeken. Het werk maakt duidelijk dat de hotlines geen vat hebben op het hiernamaals en dat hun middelen om houvast te bieden in het heden liggen. Het verlangen naar houvast zien we trouwens ook in een object in de vaste opstelling in een andere museumzaal. In een rijk gedecoreerde vitrine is een boeket van mensenhaar te zien uit 1871. De macabere bloemetjes en vlechtjes, versierd met stras en parels, stonden ooit bij een gezin thuis om de familieleden te herinneren aan hun roots. Als een familielid overleed, werden er bloemen toegevoegd. Zo bleef een stukje van hun sterfelijk lichaam toch in het nu.

Het contrast tussen het uitbundige werk van Bonajo met het ernaast geplaatste verstilde, maar intense werk van Bing, Where Does The Dust Itself Collect?, is groot. De vloer is bedekt met duizenden fijne deeltjes, die ooit onderdeel waren van de Twin Towers. Xu Bing heeft ze in Afterlife zo geplaatst dat er in het stof een poeziëregel te lezen is:

“As there is nothing from the first
Where does the dust itself collect?”

Het is een regel uit een gedicht van zenmeester Huineng uit de zevende eeuw. De zenmeester reageerde met dit gedicht op een ander gedicht, waarin een spiegel als metafoor voor de ziel werd gebruikt en stof als metafoor voor menselijke beslommeringen. Huineng maakte korte metten met deze metaforen. Het ‘niets’ kun je niet terugbrengen tot een metafoor. Het ‘niets’-begrip waaraan Bing met dit werk refereert, kan een oneindig geruststellend gegeven zijn. Maar de kennis dat het stof dat in de zaal van Afterlife ligt uit de laatste momenten van duizenden mensen bestaat, zorgt dat het niets tijdelijk heel ver weg is.

Buiten op de begraafplaats De Nieuwe Ooster is de grens tussen dood en leven tastbaarder dan binnen. Tussen de graven zijn zes kunstwerken geplaatst. De aanwezigheid van de dood wordt plotseling wrang als ik op een werk van Leonid Tsvetkov (1980) afloop. Van foto’s in het museum weet ik dat het een grijzige piramidevormige sculptuur betreft. Als ik dichterbij kom, blijkt het echter een zandhoop te zijn. Ernaast een gapend leeg graf – een vergissing die makkelijk gemaakt is op de begraafplaats. In Search of the Other van Tsvetkov is twintig meter verderop. Het is een ingegraven ruimte, die deels boven het gras uitsteekt. Het werk functioneert als een camera obscura. Via een smal trappetje betreed je de onderwereld en in het aardedonker verschijnt een spookachtig beeld van de buitenwereld op de muur. Het werk voegt een fysieke beleving toe aan het conceptuele kader van de tentoonstelling. Beleving, concept en filosofisch kader zorgen er – samen met de hoge kwaliteit van de werken – voor dat Afterlife een rijke ervaring is die nog dagenlang resoneert. Epicurus verwonderde zich over angst voor het hiernamaals. De eeuwigheid voor je geboorte heeft toch ook geen negatieve weerslag op je bestaan, waarom zou je iets vrezen dat je niet kan ervaren?

Xu Bing, WHERE DOES THE DUST ITSELF COLLECT? (2004).
Leonid Tsvetkov, IN SEARCH OF THE OTHER (2011). Foto's: Teo Krijgsman