Een dystopische caleidoscoop

Constantijn Smit
BYOB Utrecht (2012)

De beroemde curator Walter Hopps (1932-2005) organiseerde in 1978 de tentoonstelling Thirty-Six Hours in het Museum of Temporary Art in Washington DC. Thirty-Six Hours was een expositie van anderhalve dag waaraan iedereen deel kon nemen. Hopps gaf ieder werk een plaatsje in het museum; de enige eis was dat het door de deur zou passen. In de rij die zich tijdens de expositie vormde, stonden beroemde kunstenaars zij aan zij met volstrekt onbekende kladderaars. Dit was niet de gebruikelijke exclusieve tentoonstelling maar een volledig inclusieve expositie waar iedere zelfbenoemde kunstenaar de kans kreeg om met een vooraanstaande curator te “werken”.

Nu is er een moderne variant op Thirty-Six Hours. Bij Bring Your Own Beamer, afgekort BYOB, mag iedereen zijn eigen beamer meebrengen om zijn werk de ruimte in te “beamen”. BYOB is een idee van de Braziliaans-Nederlandse kunstenaar Rafaël Rozendaal. In 2010 organiseerde Rozendaal samen met kunstenaar Anne de Vries de eerste BYOB-avond, in Berlijn. Sindsdien is het eenvoudige concept in rap tempo bezig de wereld te veroveren. Inmiddels zijn er BYOB-events georganiseerd van Amsterdam tot Perth en van Heerlen tot Bogota. Niet verwonderlijk, de drempel om een BYOB-expositie te organiseren is laag en het resultaat is overweldigend. BYOB staat garant voor een caleidoscopisch en zintuiglijk spektakel.

Op 14 december 2012 vond er een BYOB-avond plaats in het voormalig industriële complex NUtrecht in Utrecht. De avond was georganiseerd door SETUP, een organisatie gericht op het stimuleren van digitale cultuur, Liefhebber, een grafisch vormgever, en FIBER, een online platform voor digitale kunst en elektronische muziek, en is waarschijnlijk een van de grootste BYOB-evenementen in Nederland tot nu toe. In het schijnsel van tientallen beamers vormde de voormalige fabriekshal een kruispunt tussen het internet van YouTube en old school MTV. Alle mogelijke video’s, animated GIF’s, cinematographs, 2D- en 3D-animatie, lichtkunst, fotografie en interactieve installaties schreeuwden om aandacht. Elk vrij stukje muur en plafond werd gebruikt. De chaos was compleet door de eindeloze meters kabels en snoeren, de rondslingerende laptops en de precair balancerende beamers op tafels, ladders of stoelen waartussen de bezoeker zich een weg moest banen. Ook was er een overdaad aan geluid. Uit speakers in alle soorten en maten klonken soundtracks en geluidseffecten. Bij welke films de audio hoorde was soms moeilijk te bepalen, vooral vanwege een DJ die plaatjes stond te draaien. Voeg hier nog een bar aan toe en het beeld is compleet. Een BYOB-avond is het summum van gefragmenteerde internetkunst en kunst die vooral wil vermaken; een vrijplaats voor creatievelingen om te experimenteren met hun geprojecteerde werk. In deze chaos vielen vooral de interactieve werken op, bijvoorbeeld de installatie van het LightUpCollective waarbij drie kunstenaars met licht op één van de bezoekers tekenden en het live geïmproviseerde geometrische lichtschilderij van This Is Awesome. Beide werken speelden met de mogelijkheden van de beamer als medium.

Een BYOB-avond kan beter gewaardeerd worden in zijn totaal. BYOB is een expositie als gesamtkunstwerk die daarnaast dienst doet als cultureel verantwoorde uitgaansgelegenheid. Kortom, een BYOB-avond is vooral informeel en leuk. Op zijn website www.byobworldwide.com schrijft BYOB-initiator, kunstenaar Rafaël Rozendaal, dat de BYOB een viering is van de nieuwe wereld waarin wij leven. Een poging om de computer los te weken van het scherm en een glimp te laten zien van een toekomst waarin informatie onze gehele leefwereld omgeeft en doordrenkt. Zijn opzet lijkt geslaagd. Maar zijn statement brengt ook de tekortkoming van BYOB voor het voetlicht. Een BYOB-expositie is een feestje dat een ode is aan het veelzijdige, maar tegelijkertijd fragmentarische en oppervlakkige, internet.

De expositie is zeker geen ideaal platform voor de individuele deelnemende kunstenaars. Het objectief beoordelen van afzonderlijke werken in de chaos van BYOB is namelijk onbegonnen werk. Het achterhalen van titel, maker en achtergrond is al vrijwel onmogelijk. In het kabaal en de diversiteit vallen vooral de spectaculaire of interactieve werken op. Moeilijke, conceptuele of minimalistische werken worden snel overschreeuwd door een lawaaierige buurman. Een gebrek aan een curator wordt hierdoor pijnlijk zichtbaar. Er wordt niet gekeken naar de inhoud van de werken en hoe deze het beste tot hun recht komen: de kunstenaar en zijn werk zijn onderdeel van een groter geheel, dat er op is gericht de bezoeker zo veel mogelijk af te leiden. De hand van Rozendaal blijft duidelijk herkenbaar. Het werk van deze internetkunstenaar combineert projecties met spiegels of scherven. Ruimten verworden zo tot een immense caleidoscoop. Dit roept de vraag op of BYOB een open platform is voor kunstenaars ongeacht hun achtergrond of dat het een kunstwerk van Rozendaal is dat zichzelf voortplant via andermans werk.

BYOB is daarmee te veel een feestje en te weinig kunst. Dat zou je kunnen zien als een decadent symptoom van onze internetcultuur. De toekomstvisie die Rozendaal met BYOB toont, is dystopisch. Het is een niet-weg-te-klikken vorm van internet waar alle fragmenten tegelijkertijd indruk proberen te maken op de toeschouwer. Wat er mist, is een nieuw perspectief. Juist de verheffing die kunst zou kunnen tonen, krijgt binnen BYOB geen ruimte.

Tussenstop

Christine Bax
Installatieoverzicht THE FUTURE THAT WAS (2012)

Bij het woord ’toekomst’ hoort een voorspelling, maar zodra we dingen bedenken die in de toekomst plaats zouden kunnen vinden, bestaan ze al, zij het in onze gedachten. Dit doet denken aan de film Horizons Behind uit 1963, waarin de hoofdpersoon, Lara, op weg is; waar naartoe, dat blijft de hele film onduidelijk. We zien haar steeds in een ander motel, waar ze koffie drinkt en toast met eieren eet: ‘Sunny side up, please. Keep the sunny side up!’

In één van de laatste scènes praat ze met een vreemdeling. Ze vertelt hem over haar toekomstverwachtingen. Op het moment dat ze dat doet, zien we haar verwachtingen op het scherm waargemaakt worden: vrouwen in metallic pakjes in een kantoorachtige setting, ruimteschepen, megasteden op de maan… De vreemdeling geeft haar het volgende antwoord: ‘There’s nothing left to invent anymore, Lara. Everything has been invented already.’ Wanneer de vreemdeling dit zegt, zoomt de camera in op de verschrikte ogen van Lara. Ze kijkt zoals het gemiddelde meisje in een horrorfilm kijkt, wanneer ze het lijk aantreft in de gangkast. Die blik is onvergetelijk. Komt de schrik van het karakter Lara, of is het de schrik van de actrice zelf, die zich ineens beseft dat ze voor eeuwig in een film vast kan blijven zitten, wanneer deze al te bekend wordt? Zal alles altijd hetzelfde blijven?

Lara’s verwachtingen blijken niet reëel. Ze sprak in Horizons Behind over het jaar 2000, maar niets ervan is werkelijkheid geworden. Haar toekomstbeeld bestaat – het staat immers op film – maar het blijkt meer beeld te zijn dan toekomst. Wat moeten we met een toekomst die in feite slechts tot het verleden lijkt te behoren? Bestaat de gedroomde toekomst dan nog wel? En zo niet: slaat het idee ‘we hebben geen toekomst’ niet al onze verwachtingen bij voorbaat dood? De titel van de groepstentoonstelling The Future that Was in Smart Project Space, samengesteld door kunstenaar Gabriel Lester, suggereert in ieder geval iets dergelijks. Mochten we de verschillende manieren waarop de toekomst voorspeld kan worden indelen in beter, slechter, of hetzelfde, dan neemt deze tentoonstelling het laatste standpunt in: de toekomst is circulair, het is een teruggang naar het verleden.

Deze circulariteit keert in de tentoonstelling in verschillende werken terug. Het lukt Sisyphus in Marcel Jankovics’ (1941) gelijknamige animatie eindelijk om zijn steen de heuvel op te rollen. Aldaar aangekomen, rent hij na een kort uitrusten weer naar beneden, om een volgende steen de heuvel op te rollen. Terug bij af, of: verspilde moeite. In The Oracle van Pedro Barateiro (1979) heeft het orakel de vorm van een oroborus, een slang die in zijn eigen staart bijt. Opnieuw is er sprake van een cirkel. In Zoro Feigls (1983) A Long and Winding Road to Nowhere in Particular wordt een ronde strook plastic eindeloos verbogen. Steeds een andere vorm, die uiteindelijk toch hetzelfde blijft. De toekomst, zo lijkt de curator met deze werken te suggereren, is een cirkel die onherroepelijk steeds weer terugkeert op hetzelfde punt. Als dat zo is, wat bevindt zich dan in de holte van de cirkel? En erbuiten? 

Je kunt je in het uiterste geval afvragen of Lester de tentoonstelling wel had moeten maken, wanneer hij gelooft in zijn eigen cirkelredenatie. In de toekomst die het verleden is, is alles immers al een keer gemaakt. Maar als de betekenis van de tentoonstelling als geheel ligt in het beschouwen van de cirkel, betekent het dat de tentoonstelling zelf buiten deze cirkel valt. Zijn er dan wellicht nog meer dingen die erbuiten vallen?

Ik moet denken aan die keer (in de toekomst), dat ik een vreemdeling tegenkwam in een motel (langs de weg), en hem vertelde over de toekomst van zijn eigen film, waar niemand ooit van gehoord scheen te hebben. Niets. Nul. Hij zei (hij zou zeggen): ‘Everything has already been invented. But Lara’s dead. She never watched you watching her on film. If time would be going round, (hoe wist hij nou van de rondgaande tijd?), couldn’t it be egg-shaped? An egg that was round ’n round ’n round as well, until you ate it. (In a motel perhaps, while you are on your way to something unknown)?’

Zoro Feigl, A LONG AND WINDING ROAD TO NOWHERE IN PARTICULAR (2012). Courtesy Ogms, Sofia, Bulgarije
installatieoverzicht THE FUTURE THAT WAS (2012). Fotografie: Niels Vis

Fingerspitzengefühl

Laura Mudde
Kianoosh Motallebi, REALITY HAS A NAME (2012), (still)

De Rijksakademie is bij uitstek de plek voor kunstzinnig onderzoek. Interessant hierbij is dat kunstenaars steeds vaker in gesprek gaan met experts uit andere disciplines. Dergelijke initiatieven worden door de Rijksakademie momenteel bevorderd. Een visie bezegeld door een partnerschap met onder andere Philips, het KNAW en TNO. Kunstenaars worden gezien als aanjagers van innovatie en een nauwere samenwerking met technische experts uit andere vakgebieden moet leiden tot nieuwe mogelijkheden. Veelbelovend die samenwerking tussen kunst en wetenschap! Maar hoe ziet een dergelijke combinatie eruit? En gaat het wel primair om innovatie?

Kianoosh Motallebi (1982) is één van de kunstenaars die als voorbeeld wordt gegeven voor het ‘nieuwe werken’. De projecten van Motallebi vertrekken veelal vanuit theorieën en vraagstukken die afkomstig zijn uit de exacte wetenschappen. Zijn werk gaat in op de relatie tussen de theoretische verklaringen van de wereld om ons heen en onze zintuiglijke ervaring hiervan. Een voorbeeld is Terrestrial Ball uit 2011: een klein en teer balletje gemaakt van de vierennegentig elementen die natuurlijkerwijze op aarde voorkomen. Het is wonderbaarlijk om te zien dat dit kleine balletje al deze elementen representeert.

Tijdens RijksakademieOPEN is Motallebi’s recente videowerk Reality Has a Name te zien. Dit werk refereert aan de natuurkunde en neemt de recente ontdekking van het Higgs-deeltje als startpunt. De video is een bewerking van een YouTube-filmpje waarin professor John Ellis (werkzaam bij het CERN in Genève en al vanaf de jaren zeventig betrokken bij de zoektocht naar het Higgs-deeltje) uitlegt wat een Higgs-deeltje is. De visuele metaforen die Ellis gebruikt, laat Motallebi intact. De professor is in de videobewerking gereduceerd tot zijn vingertoppen in de vorm van tien bewegende, groene stippen. Hierdoor is Reality Has a Name een eclectische verzameling van beelden geworden, die haast in willekeurige volgorde worden afgewisseld. De visuele metaforen uit het YouTube-filmpje worden losse flarden: een psychedelisch geheel van verschillende natuurkundige symbolen, fragmenten van iemand die naar beneden skiet of die door diepe sneeuw loopt. Willekeurige referenties die telkens afgewisseld worden met tien groene stippen die op een grijs vlak voorbij dansen.

Motallebi heeft het geluid van het oorspronkelijke YouTube-filmpje weggelaten, waardoor de videobewerking een totaal andere functie krijgt. In plaats van dat Reality Has a Name iets uitlegt, wordt veel aan de verbeelding van de toeschouwer overgelaten. Dit lijkt een omslag van honderdtachtig graden, maar in wezen komt het videowerk zo dichter bij de werkelijkheid. De metaforen die worden gebruikt om een moeilijke theorie uit te leggen, zijn immers nooit een één op één vertaling van de werkelijkheid. Als toeschouwer moet je altijd een denkstap maken om de uitleg te begrijpen en toe te passen op de wereld om je heen. Precies deze denkstap wordt gethematiseerd door Motallebi.

Is Reality Has a Name een voorbeeld van de wijze waarop kunstenaars aanjagers kunnen zijn van innovatie? Ik denk het niet. Volgens mij maakt het videowerk invoelbaar hoe ver abstracte, wetenschappelijke theorieën af staan van de zintuiglijke beleving van de wereld om ons heen. En dat is niets nieuws, ook niet voor de wetenschappers die dergelijke theorieën ontwikkelen. Het is ook maar de vraag of Motallebi de wetenschappers een nieuwe kijk op de zaken wil geven. Reality Has a Name is immers gebaseerd op een YouTube-filmpje, waarin op een laagdrempelige manier een moeilijke theorie wordt uitgelegd. Informatieoverdracht staat centraal. In het originele filmpje worden de verschillende beelden gebruikt om iets op een eenduidige manier over te brengen. In de video van Motallebi wordt de toeschouwer met dezelfde beelden juist gestimuleerd om eigen associaties en interpretaties te maken. In Reality Has a Name wordt geknipoogd naar de grote claims van wetenschappers. Een relativering die wordt versterkt door de discrepantie tussen de stelligheid van de titel en het fragmentarische karakter van de video. Het samengaan van kunst en de exacte wetenschappen levert in het geval van Motallebi dus vooral nieuwe ideeën op voor de kunst en haar publiek. De kunstenaar ontleent zijn beeldtaal aan een wetenschappelijke presentatie en ook de primaire vraag ‘does reality have a name?’ heeft in dit geval een natuurkundig fundament.

Wat mij in het videowerk het meest fascineerde, waren de tien dansende groene stippen. De stippen lijken te hypnotiseren, te bezweren: alsof een magiër een truc aan het uitvoeren is. Net zoals de psychedelische combinatie van natuurkundige symbolen ook wel wat wegheeft van waarzeggerspraktijken of tarotkaarten. Zo houden zowel het oorspronkelijke YouTube-filmpje als Motallebi’s bewerking iets van de magie van wetenschap en kunst in stand. Iets ongrijpbaars dat de toeschouwer in verwarring brengt, maar als het goed is ook in verwondering. Wellicht is verwondering juist wel wat nodig is in een tijd waarin vooral zekere antwoorden worden geëist, terwijl de realiteit zoveel weerbarstiger is.

Deze recensie komt voort uit de schrijfworkshop kunstkritiek, geleid door Rob Perrée, welke plaatsvond tijdens de RijksakademieOPEN. 

 

Kianoosh Motallebi, TERRESTRIAL BALL (2011)
Kianoosh Motallebi, REALITY HAS A NAME (2012), (still)
Kianoosh Motallebi, REALITY HAS A NAME (2012), (still)

Vieze knietjes

Lise Lotte ten Voorde

Vreemde vogels zijn het, de mannen die zich in hun kunstpraktijk bezig houden met onze gevederde vrienden. De wijze waarop zij dat doen is vaak te scharen onder één of meerdere van de volgende perspectieven op het onderwerp: obsessief,  gastronomisch, of wetenschappelijk. Daarnaast komt er steevast enige jongensachtige vasthoudendheid aan te pas, en lak aan vieze knieën van wachten in de bosjes.

Kunstenaar Martin Brandsma (1972, Weststellingwerf) is zo’n vasthoudende jongen. Als kind bewaarde hij dozen vol veren onder zijn bed. En geef hem eens ongelijk met al die kleuren die je niet voor mogelijk houdt, en dat fascinerende gedrag: vliegen! Niet voor niets droegen sjieke 19e-eeuwse dames veren op hun hoed. Deze omstreden praktijk zou overigens later leiden tot de oprichting van de Vogelbescherming.

Martin Brandsma concentreert zich sinds vier jaar op één specifieke, eigenlijk vrij saai ogende soort: de klapekster. De klapekster is lichtgrijs met witte buik, heeft zwarte vleugels en een soort zwarte bandietenstreep over de ogen. Hij is solitair, zoekt altijd het hoogste topje in een boom en jaagt op kevers, muizen, kikkers en jonge vogels die hij vervolgens aan stekels in een struik spietst om ze op te peuzelen. Niet echt een gezellig type om als buurman te hebben. Misschien ook dat hij daarom nauwelijks nog voorkomt in Nederland als broedvogel.

Het is dus niet gemakkelijk om klapeksters te zien in Nederland, maar Martin Brandsma zag er toch een hoop, tenminste tweeëndertig. Voor het werk Identities tekende hij de in Friesland geobserveerde eksters in een gestandaardiseerde vorm (een soort kleurplaat die hij steeds anders invulde), waardoor hij subtiele verschillen ontdekte waarmee de vogels te identificeren zijn. Brandsma bewees daarmee niet alleen zijn tekentalent en engelengeduld, maar droeg bovendien bij aan het in kaart brengen van een bedreigd dier.

Voor Martin Brandsma is de klapekster meer dan een natuurverschijnsel: het is zijn muze. Wat hem precies aantrekt kan hij niet zeggen, maar met het maken van werk hoopt hij meer grip te krijgen op dat waarom. Hij tekende ze, verzamelde hun braakballen, trad via sjamanistische rituelen met ze in contact en volgde ook meer wetenschappelijke routes om hun gang te doorgronden. Zo ook voor het boek kwieht.

In kwieht (dat roepen klapeksters als ze de weg kwijt zijn) zijn de trektochten en verspreiding van de klapekster het onderwerp. Op het oog is het een verzameling ansichtkaarten van het nietszeggende soort dat je vanaf een vakantieadres naar je tante stuurt. Op de eerste een staaltje Belgisch spoorwerk in zwart-wit; op de laatste een Texels kerkje in een rand van wolkenlucht. Nergens een klapekster te bekennen.

In tien maanden van intensieve arbeid verzamelde Brandsma ansichtkaarten van de 154 plekken waar de klapekster sinds 1890 is gesignaleerd, plekken buiten zijn natuurlijke habitat. Elke afbeelding correspondeert met de datum en locatie van de waarneming die in wetenschappelijke publicaties zijn vastgelegd. Hij heeft een vrij behoudende smaak, die klapekster: Scandinavië, de Engelse kust, de Hollandse eilanden. Zo nu en dan wijkt er een uit naar Israël, Kenia of Borneo. Het is of de klapekster die kaarten zelf heeft verstuurd, als fysieke vertalingen van zijn ‘kwieht’: kom me hier maar zoeken.

Zoals het een echte verzamelaar/ kunstenaar/bioloog betaamt, heeft dit onderzoek geleid tot een wat compulsieve ordening met aangename visuele kwaliteiten. Wie niet houdt van het noorden, kan met dit boekje en een beetje fantasie toch een reisje maken. Zonder vieze knietjes.

Martin Brandsma
KWIEHT (2012)
www.martinbrandsma.nl

Saskia Noor van Imhoff, UNTITLED (2011), Jeanine Hofland Contemporary Art, Foto: Gert Jan de Rooij

De eerste keer dat ik werk van Saskia Noor van Imhoff (1982) zag, was bij Jeanine Hofland Contemporary Art te Amsterdam. In de galerieruimte had Van Imhoff met ongelijksoortige objecten en verschillende media een complexe installatie gebouwd. Een trechtervormige sculptuur bood zicht op filmbeelden gemaakt in het depot van het Stedelijk Museum Amsterdam. In het persbericht werd gesuggereerd dat het Van Imhoff niet te doen is om de uiteindelijke vorm van een werk, maar om het ordeningsproces dat eraan ten grondslag ligt. Als kunstenaar richt ze zich op classificatiesystemen, op de wijze waarop interpretaties en betekenisgeving tot stand komen. Daarbij opereert ze als een soort archivaris; ze ordent zonder daaruit conclusies te trekken.

Dit ordenings- en archiveringsproces kwam bij Jeanine Hofland het meest direct naar voren in de eerder genoemde filmbeelden. Hierop was haar afstudeerwerkwerk van de Gerrit Rietveld Academie te zien, die ze tijdelijk opsloeg in het depot van het Stedelijk Museum. De onderdelen werden voor deze gelegenheid volgens de archiveringsprincipes van het Stedelijk geordend. In de tentoonstelling waren de filmbeelden gecombineerd met de fysieke installatie die Van Imhoff in de ruimte had gemaakt. Twee- en driedimensionale beelden liepen zodoende door elkaar heen.

Afgelopen zomer nam ze in haar installatie voor Intentional Stance, de eindpresentatie van De , de kunstcollectie van dit instituut als onderzoeks- en tentoonstellingssubject. Momenteel is haar werk te zien in de groepstentoonstelling The Research and Destroy Department of Black Mountain College in W139.

Noor: Hoe kwam het werk bij Jeanine Hofland tot stand en wat hield de samenwerking met het Stedelijk Museum in?

Saskia: De installatie is ontstaan toen ik mijn eindexamenwerk, dat in 2008 werd aangekocht door de Verbeke Foundation, drie jaar later de-installeerde. Deze de-installatie wekte mijn interesse in het conserveren van objecten. Ik heb vervolgens gekeken naar verschillende methodes die in musea worden toegepast op het gebied van conservering. Bij het Stedelijk bleken ze te archiveren op basis van grootte en materiaal. Het interesseerde mij dat bij dit ordenings- en conserveringsproces de hele artistieke context vervalt. Het depot van het museum, de plek waar dit proces plaatsvindt, wilde ik met mijn project weer in een artistieke context plaatsen. Ik heb het museum benaderd met de vraag of ik mijn werk van de Verbeke Foundation tijdelijk bij hen kon onderbrengen om het te ordenen aan de hand van hun systeem. De onderdelen waaruit mijn installatie bestond kwamen uiteindelijk te liggen naast het werk van een kunstenaar, dat inhoudelijk niets met het mijne te maken had, maar wel dezelfde grootte en materiaalkeuze kende. Wanneer je het hebt over de verschillende manieren waarop je een werk kan lezen, dan was dit archiveringsproces de meest feitelijke manier om het te interpreteren.

N: Kon je nog sturen in dit ordeningsproces?

S: Ik heb er voor gekozen het systeem te volgen van Het Stedelijk Museum. Dit systeem schreef helemaal voor hoe het werk gearchiveerd diende te worden. Dit was zeer bepalend voor het filmscript. De film zelf is een onderdeel geworden van de hele installatie bij Jeanine Hofland. In de opstelling zie je een trechter waarbij ik speel met de maatvoering. Je krijgt de film vanuit verschillende kijkposities gepresenteerd.

N: Binnen je werk pas je documentatie- en duplicatiemethodes toe. Waarom?

S: Elk onderdeel van mijn eindexamenwerk heb ik in de aanloop naar de tentoonstelling bij Jeanine Hofland inderdaad fotografisch vastgelegd of gefotokopieerd. Daarmee heb ik het werk zelf vermenigvuldigd, maar dan in een andere vorm, in een ander medium, waarmee ik mij afvraag wat de definitie van het origineel is. Die foto’s zijn zowel onderdeel geworden van de installatie als van de publicatie die hierover gemaakt is. Dit boek heeft in de tentoonstelling op zijn beurt weer een functie als fysieke drager van de installatie zelf. Met dit fotograferen bevraag ik mijn werk zonder iets te concluderen. Ik ben archeoloog van mijn eigen werk.

N: Voor zowel de tentoonstelling bij Jeanine Hofland als voor De Ateliers schiep je eerst de voorwaarden die je daarna volgde.

S: Ik zoek inderdaad kaders waarbinnen ik werk. Dit doe ik door specifiek te kiezen voor één onderwerp zoals bijvoorbeeld de collectie van De Ateliers of het depot van het Stedelijk Museum. Hierop pas ik vervolgens mijn spelregels toe.

N: Hoe verhoud je je tot het onderwerp dat je dan kiest?

S: Bij de installatie die ik maakte voor Intentional Stance lagen originele werken van anderen tussen delen van mijn werk. De hiërarchie tussen de verschillende kunstwerken was bijna onzichtbaar. Mijn eigen werken waren een reactie op de collectie van De Ateliers en lieten zien hoe ik deze collectie lees. Ik verdiep me daarmee in een context, in dit geval de collectie van De Ateliers, die ik vervolgens herschik. Alsof het een boek is waarvan je woorden herschikt en er nieuwe aan toevoegt. Samen vormen ze een nieuw verhaal dat altijd ‘waar’ is, maar dat door mij wordt gedestilleerd en getoond.

N: Door je te verhouden tot zo’n collectie maak je in plaats van een site-specifieke installatie, een zogenaamd contextspecifieke installatie. Bij een andere tentoonstellingsplek, zoals Jeanine Hofland, is er niet zo’n context.

S: Ik wil geen historiserend werk maken. Het was voor mij ook niet van groot belang dat het de kunstcollectie betrof van De Ateliers. Ik vond het juist goed dat dit er bijna niet meer toe deed in de uiteindelijke installatie. Een bedrijfscollectie heeft mij benaderd om iets te doen met de specifieke omgeving in hun hoofdkantoor. Ik vertaal het nu zo dat het er enkel indirect mee te maken heeft. Het werk mag niet illustratief worden. Een tentoonstellingsplek is voor mij daarentegen wel heel belangrijk. Een expositie is namelijk het moment van het ‘vastmaken’ en in context brengen van een werk.

N: In de installatie die je maakte voor De Ateliers leek de tentoonstelling zelf tevens het onderwerp. In de installatie waren niet alleen kunstwerken te zien, maar ook sokkels, een muur, enzovoorts.

S: Dat is ook zo. De werken worden opnieuw bevraagd door met de ‘regels; van het tonen te experimenteren. Hoe kijken we naar iets? Welke positie neemt het fysieke werk in binnen een ruimte? En wat is ons perspectief? Bij De Ateliers had ik onder andere een werk van Marlene Dumas op de grond gelegd. Niet iedereen zag dat het een Dumas was. Ik vind het fascinerend hoe de door mij gemaakte opstelling de betekenis van een werk kan beïnvloeden. Daarnaast heb ik de looproute van het publiek in deze installatie sterk bepaald. Door een nieuwe muur te plaatsen en de gelige vloer in een neutrale grijze kleur geverfd. Normaal doorkruis je de grote zaal in De Ateliers tegen de klok in, maar door mijn installatie liep je met de klok mee. Ik had er een trechtervorm in gebouwd: je liep eerst in deze trechter, werd geconfronteerd met een foto waarop de gehele installatie is gefotografeerd vanuit een perspectief die je als toeschouwer niet kan innemen. Vloer wordt muur en andersom. Pas bij het uitlopen van de trechter zag je de fysieke objecten.

N: Wat is het verschil tussen jouw positie en die van een curator?

S: Het grote verschil is dat ik een bepaalde context gebruik als materiaal voor mijn werk. De collectie van De Ateliers is als het ware de grondstof. Ik blijf graag zo dicht mogelijk bij mijn rol als archivaris. Ik vraag mij steeds af: “wat is context, wat is waarheid en hoe kijk je naar de wereld.” Mijn werk is altijd onderdeel van dat wat al bestaat, van de geschiedenis die aan mij vooraf gaat. De autonomie van de kunstenaar stel ik daarmee ter discussie. Ik wil geen conclusies trekken, ik wil niet het ultieme systeem uitvinden. Zodra dat gebeurt, zal ik er misschien wel mee stoppen. Dat zal mijn werk zich in zijn eigen staart bijten.

Saskia Noor van Imhoff, UNTITLED (2011), Jeanine Hofland Contemporary Art, Foto: Gert Jan de Rooij
Saskia Noor van Imhoff, INTENTIONAL STANCE (2012), De Ateliers, Foto: Gert Jan van Rooij
Saskia Noor van Imhoff, INTENTIONAL STANCE (2012), De Ateliers, Foto: Gert Jan van Rooij

The Afronauts

Jan Peter Verhagen

“I’m getting my spacemen acclimatised to space-travel by placing them in my space capsule everyday. It is a 40 gallon oil drum in which they sit, and then I roll them down a hill. This gives them the feeling of rushing through space…”

In 1964 ontstond in de jonge onafhankelijke staat Zambia de ambitie om op internationaal niveau mee te tellen door een ruimteprogramma op te zetten. Edward Makuka Nkoloso, een docent natuurkunde, werd in dat jaar directeur van de Zambia Academy of Sciences. Zijn doel was om elf Zambianen (tien mannen, één vrouw) en een kat de ruimte in te sturen. Een vergeten geschiedenis die door fotograaf Christina de Middel (1975) in samenwerking met editor Laia Abril en ontwerper Ramon Pez nieuw leven is ingeblazen. Zij publiceerden daartoe het fotoboek The Afronauts waarin op intuïtieve wijze deze tot de verbeelding sprekende geschiedenis wordt gerecreëerd.

Het boek maakt gebruik van diverse vertelstrategieën. In de eerste plaats in tekst; een tweetal brieven informatie over het ruimteprogramma. Deze brieven zijn onderdeel van een uitgebreidere briefwisseling. Ze zijn opgevouwen in het boek ingebonden, waardoor men gedwongen wordt ze te openen om te lezen. De brieven hebben betrekking op het ruimtevaartproject, maar zijn afkomstig van derden. Een minister informeert naar aanleiding van een krantenbericht hoe het gaat en we lezen een korte mededeling van een ander ministerie dat het project door de regering nooit serieus is genomen. Enige informatie van een directe betrokkene geeft het boek niet. Hierdoor wordt een zekere afstand bewaard. Ook treft men in het boek een krantenknipsel met als titel We’re going to Mars. Dit artikel is geïllustreerd met een foto van een Zambiaan met een glazen stolp op zijn hoofd. Dit roept vragen op: waar komt dit artikel vandaan ? Voor welke doelgroep is het geschreven? Is het echt gepubliceerd? Het boek geeft hier geen antwoord op. Een tweede vertelling bestaat uit tekeningen en kaarten. Een kaart van Lusaka, de hoofdstad van Zambia, is gemarkeerd met opmerkingen als believe, convince, dream. Tekeningen geven informatie over de werkkleding van de astronauten waar onder andere een surrender button, hypnotic belt en coconut water tank onderdeel van blijken te zijn.

De derde vertellaag is de fotoserie. Deze is gemaakt in een savanne, waar astronauten in gebatikte pakken rondlopen. De serie bevat portretten, landschappen, close-ups van ‘afronauten’, oude ‘ruimteschepen’ en een olifant. De Middel, die ook werkzaam is als modefotograaf, lijkt hier de grens tussen modefotografie, documentaire fotografie en autonome fotografie af te tasten. Haar speelse benadering en de kleurrijke stoffen die niet direct binnen de context passen neigen naar een fashion shoot. De close-ups en landschappen, die vaak voorkomen in documentaire fotografie, geven daarentegen een traagheid en gewicht aan de serie.

De serie kleurenfoto’s wordt een aantal keer onderbroken door pagina vullende snap shots, die contrasteren met de gestileerde fotoserie. De afstand tussen lezer en het onderwerp wordt hierdoor verkleind. Een foto van personen in witte pakken die door een dorp van lemen hutten lopen maakt het idee om naar Mars te gaan in deze context banaal en zo wordt de absurditeit van het ruimteprogramma letterlijk zichtbaar. Hoewel de authenticiteit van de foto’s sowieso betwijfeld kan worden, zijn het juist deze foto’s die je met de neus op de feiten drukken. De grens tussen fictie en realiteit staat onder druk. De vraag of er daadwerkelijk een initiatief is geweest in Zambia voor zo’n ruimtetrip blijft onduidelijk. Je blijft je afvragen of niet alles gewoon verzonnen is.

De Middel, Abril en Pez vertellen een verhaal over een verlangen naar een plek die de meeste bewoners op aarde nooit daadwerkelijk zullen bezoeken. Dit doen zij door een postkoloniale geschiedenis te gebruiken binnen het kader van een soort sprookje. The Afronauts zoekt niet naar een politieke confrontatie, maar gebruikt een geschiedenis uit de opbouw na de West-Europese kolonisatie als context. Daarom kan dit boek niet slechts worden afgedaan als een fantasierijk non-fictie project. Het is een project dat verwijst naar een periode in de geschiedenis die nog steeds te weinig aandacht krijgt. Door een verhaal te kiezen dat bijna onwerkelijk lijkt en door dit op deze manier te presenteren, word je geconfronteerd met je summiere en zeer waarschijnlijk onvolledige en sterk gekleurde kennis van een zeer recent verleden.

The Afronauts zoekt de confrontatie op een elegante en uitdagende manier. Door de ruimtevaart, een immer actueel menselijk verlangen, als onderwerp te nemen, wordt de kijker gemakkelijk onderdeel van het verhaal. De Volkskrant publiceerde recentelijk dat het in 2023 mogelijk zou moeten zijn om real time te kijken naar een variatie van Big Brother op de planeet Mars. Een Nederlandse producent heeft hier oren naar en meent het te kunnen realiseren. Deze toekomstvisie is al even imaginair als de brieven die we in The Afronauts terugvinden. Alleen zullen de astronauten in 2023 hoogstwaarschijnlijk niet worden blootgesteld aan een van de heuvel afrollend olievat.

Christina De Middel, Laia Abril en Ramón Pez
Tekst van Kojo Ngué
Uitgegeven in eigen beheer, 2012
ISBN: 978-84-615-8596-0

Isaac Julien, TEN THOUSAND WAVES (2010)

Het nieuwe, indrukwekkende onderkomen van het filmmuseum aan het IJ biedt meer ruimte om te exposeren dan het oude pand. Na een weliswaar succesvolle maar conventionele tentoonstelling over Stanley Kubrick is de expositie Expanded Cinema gewaagder van opzet. Uitgangspunt voor de tentoonstelling vormt het gelijknamige boek van de Amerikaanse mediatheoreticus Gene Youngblood uit 1970, waarin hij pleit voor een cinema die zich verruimt ten opzichte van de beperkingen en conventies van de commerciële film. De tentoonstelling Expanded Cinema omvat het werk van drie kunstenaars die met hun filminstallaties hun eigen invulling geven aan die term.

Isaac Juliens (1960) Ten Thousand Waves is van de tentoongestelde werken visueel het meest overdonderend, door zijn gebruik van negen schermen verspreid door de ruimte. De filminstallatie heeft een tragisch incident waarbij illegale Chinese gastarbeiders verdronken aan de Engelse kunst als uitgangspunt. De installatie bestaat uit duizelingwekkende stormbeelden van het hedendaagse China, afgewisseld door nagespeelde scènes die zijn gesitueerd in het Shanghai van de jaren dertig. Actrice Maggie Cheung doemt verscheidene malen op als de zwevende godin Mazu, de Chinese beschermheilige van zeelieden.

Als kijker loop je door de ruimte en verschuift je focus voortdurend van de ene projectie naar de andere. Indringend zijn de bijna abstracte beelden van de Engelse kust gemaakt door een reddingshelikopter en de begeleidende geluidsband met de communicatie tussen reddingsploegen. Dit vormt de enige directe hint naar het incident en het contrasteert sterk met de meer filmische scènes die zich afspelen in de jaren dertig.

Juliens filminstallatie is imposant en zeer stijlvol vormgegeven, maar niet altijd even coherent. Bepaalde elementen komen over als onnodige toevoegingen. Ondanks de kritiek op de negatieve effecten van het kapitalisme in China blijft Ten Thousand Waves gevangen in zijn eigen caleidoscopische spektakel. Dit lijkt Julien zelf te bekritiseren als hij de kijker getuige maakt van het productieproces van de installatie. Maggie Cheung is in een aantal scènes te zien voor een grote groene achtergrond, waardoor wordt geïllustreerd hoe de illusie van zweven tot stand komt. Toch voelt dit als een makkelijke formalistische truc om aan te tonen dat film een kunstmatig proces is. Alhoewel Ten Thousand Waves cinema wel verruimt door zijn gebruik van meerdere schermen komt de boodschap niet goed aan door de bombast van de installatie. Om een beter idee te krijgen van de problematiek omtrent het incident biedt de traditionele, gedramatiseerde documentaire Ghosts van Nick Broomfield, die enkele jaren geleden in de zalen te zien was, in feite meer verheldering.

Fiona Tans (1966) werken zijn in vergelijking met Isaac Juliens filminstallatie subtieler en sterker. Van Tan zijn de werken Saint Sebastian en A Lapse of Memory te zien. A Lapse of Memory is een filmportret van een teruggetrokken man gespeeld door de acteur Johan Leyssen, die als kluizenaar woont in een gigantisch vertrek versierd met overdadige oriëntalistische decoraties. Een voice-over van een vrouw zorgt voor een metaniveau binnen dit werk. Zij vertelt over de productie van een film waarvan de man de hoofdpersoon is. De voice-over gaat gaandeweg in op de onduidelijke identiteit van de man en vertelt dat hij kampt met geheugenproblemen. In één versie van een levensverhaal is hij een Chinees die naar het westen is geëmigreerd. In een andere versie is hij een westerling die naar China is afgereisd en daar iets traumatisch heeft ervaren.

Tan heeft de film opgenomen in het Royal Pavilion, het excentrieke plezierpaleis dat George IV in de negentiende eeuw liet bouwen in Brighton. Het chinoiserie interieur van het paleis toont het geïdealiseerde, romantische beeld dat toen heerste van China als een exotisch luilekkerland. Tan filmt de versieringen in verhullende close-ups om te illustreren hoe de kijk op een andere cultuur gebaseerd kan zijn op pure fantasie. De hoofdpersoon lijkt gevangen te zijn in dit denkbeeldige China, maar zijn kluizenaarschap en geheugenverlies tonen aan dat hij de grip op de werkelijkheid en zijn identiteit kwijt is geraakt. Dit wordt ook nog eens versterkt doordat de film geen duidelijk begin of einde kent.

Yang Fudongs (1971) The Fifth Night (2010) is een filminstallatie bestaande uit zeven naast elkaar staande schermen. Op alle schermen is dezelfde scène te zien, maar vanuit meerdere perspectieven. Verschillende personages zijn van scherm tot scherm te observeren, zoals een wachtende vrouw en twee mannen die over een plein dwalen en roken.

Ondanks de overdaad aan projecties is The Fifth Night minder ontzagwekkend dan Isaac Juliens installatie. Deels komt dat door de opstelling. Je moet langer kijken voor je in de film opgaat. Fudong hanteert een klassieke filmstijl door middel van zwart-wit beelden en een art direction die de jaren dertig nabootst. De beelden zijn op het eerste gezicht vooral aantrekkelijk vanwege hun esthetiek, je wordt namelijk niet afgeleid door een verhaal of een conventionele narratieve structuur. Vervolgens zie je als kijker verbanden en raak je geneigd zelf een verhaal te creëren uit de gefragmenteerde beelden van de installatie. Fudong betrekt je in het productieproces van de film. De toeschouwer is minder passief dan in een bioscoopzaal. Het knappe van de installatie is dat de magische illusie van de film behouden blijft, terwijl je wel gaat nadenken over de complexe kunstmatigheid daarvan.

Al met al is Expanded Cinema een geslaagde expositie en een goed begin voor het tentoonstellen van werken die de grenzen en beperkingen van cinema pogen te verkennen. Verder is de presentatie van de installaties voortreffelijk in haar beeldkwaliteit. EYE toont daarmee dat het de middelen heeft om zijn ambities waar te maken. Het perfecte moment dus om cinema te verruimen.

Isaac Julien, TEN THOUSAND WAVES (2010)
Fiona Tan, A LAPSE OF MEMORY (2007)
Yang Fudong, THE FIFTH NIGHT (2010)
Yang Fudong, THE FIFTH NIGHT (2010)
Anthony Huberman by Stroom Den Haag

Met het drie maanden durende programma Expanded Performance laat Stroom nieuwe horizonten van het begrip ‘performance’ zien. Een term die vooral benut wordt om een discipline te duiden, blijkt meerdere interpretaties te kennen. Anthony Huberman – directeur van The Artist’s Institute, New York – sprak op 11 oktober jongstleden een variant uit van zijn tekst Take Care en relateerde het begrip niet aan vorm, maar aan handeling. Performance als (institutioneel) gedrag. Het is immers niet alleen wat iemand doet, dat van belang is, maar ook de manier waarop iemand iets doet.    

In Take Care verwijst Huberman naar Fischli & Weiss’ bekende werk How To Work Better dat bestaat uit een door de kunstenaars opgestelde lijst met daarop tien manieren om beter te werken. Goed gedrag is niet alleen van belang voor curatoren en kunstenaars, maar ook voor kunstinstituten. Waar grotere instituten als Tate Modern en MoMA de kapitalistische pijlers van succes volgen – grootsheid, bekendheid, veel geld en invloed – bepleit Huberman een alternatief. Hoe zou het zijn om buiten het kapitalistische systeem van groot, groter, grootst te opereren? Wat zou er gebeuren als succes niet afgemeten zou worden aan bezoekersaantallen, inkomsten en faam, maar aan iets anders? Kun je als instituut, kortom, wel succesvol zijn buiten de kapitalistische logica?    

Het is van belang om te benadrukken dat Huberman zich niet uitspreekt tegen de grotere instituten en de wijze waarop ze opereren. Hij geeft aan dat het MoMA en de invloed die dit museum heeft – veel geld, veel middelen en een groot bereik – zelfs hoognodig zijn. Deze instituten maken het immers mogelijk om grote retrospectieven te realiseren. Ze laten een grote groep mensen kennismaken met een kunstenaarsoeuvre. Door hun dominante positie bepalen deze instituten echter in grote mate wat er getoond wordt en waar over wordt gesproken. Daarnaast gedragen ze zich als volleerde businesses en vormen ze qua gedrag geen uitzondering op de rest van de bedrijfswereld.    

In contrast hiermee propageert Huberman het idee dat de kleine kunstinstellingen (waar ook Stroom zichzelf toe rekent) zich juist maladjusted dienen te gedragen, onaangepast aan de context waarin ze zich bevinden. Zo kunnen ze tegen de kapitalistische logica ingaan door te kiezen voor andere opties: om klein te blijven in plaats van te groeien of om minder zichtbaar te zijn in plaats van internationaal bekend. Men kan denken aan de praktijk van instituten als The Artist’s Institute in New York, Castillo/Coralles in Parijs of Pro Choice in Wenen. Deze instituten nemen risico’s: niet alleen met wat ze tonen, maar ook met de wijze waarop ze opereren.    

Als Nederlands voorbeeld neemt Huberman BAK, Basis voor Actuele Kunst in Utrecht. BAK is tegendraads. Het kiest ervoor om langere tijd, zelfs meerdere jaren, aan één thema te werken. Een aanpak die ingaat tegen de kapitalistische logica van next, next, next. Daarnaast opereert BAK op kleine schaal en stelt het zich redelijk onzichtbaar op in de stad. Wil je naar BAK, dan moet je er naar op zoek zijn, je komt het niet zomaar tegen en je wordt ook niet naar binnen gelokt door een gelikte PR-afdeling. Dit gedrag heeft als resultaat dat BAK een klein publiek heeft, wat wellicht door de huidige Nederlandse politiek – met Halbe Zijlstra voorop – als onsuccesvol kan worden beschouwd. Dit publiek is echter wel betrokken, het wordt gevormd door mensen die er willen zijn en die het programma intensief volgen.

Hubermans tekst (en lezing) Take Care vormt een belangrijke inspiratiebron voor het huidige programma van Stroom. De curatoren van Expanded Performance presenteren geen kant en klare tentoonstelling, klaar voor consumptie. Ze gaan in tegen de gangbare manier van tentoonstellen. Dit doen ze onder andere door niet zes (zo’n beetje de standaard duur voor tentoonstellingen van dit bescheiden formaat), maar twaalf weken de tijd te nemen voor hun programma. Daarnaast presenteren ze geen eindproduct, maar blijft de tentoonstelling voor de duur van het project letterlijk en figuurlijk in beweging. Er zijn kunstwerken die met de tijd mee evolueren (Adrien Tirtiaux, Thomas Heyer & Jacob Kunst) en er is zelfs een werk dat van week tot week verandert (Vlatka Horvat). Ook zal de tentoonstellingsgids pas gedurende het project zijn definitieve vorm aannemen.    

Wanneer opzettelijk afgeweken wordt van de gangbare paden van succes, dan krijgt het anderszijn van een betreffende instituut een politieke functie. Het toont ons zicht op een andere werkethiek, een mogelijk andere werkelijkheid. Nu de infrastructuur voor kunstinstellingen zwaar onder druk is komen te staan en men gedwongen wordt zich te voegen naar de bedrijfslogica, is het meer dan ooit belangrijk om alternatieven te bieden. Dit geeft Expanded Performance urgentie. Hoewel ik Hubermans opvattingen omtrent de kleine kunstinstelling alleen maar kan bejubelen, zal aan de hand van het toekomstige programma van Stroom moeten blijken hoe deze aanpak in de praktijk werkt. Voor nu ben ik verheugd dat Stroom het risico neemt!

Jonas Lund, THE PAINTSHOP .BIZ (2012). http://thepaintshop.biz

Sinds een paar jaar verkent de Zweedse kunstenaar Jonas Lund de dimensie tijd op het web en probeert hij na te gaan wat de invloed is van standaard sociale netwerksites zoals Facebook op onze beleving. Daarnaast is hij bezig met het opzetten van een nieuw businessmodel voor kunstenaars: The Paintshop.biz. Genoeg redenen om iets meer over zijn fascinaties te horen.

AD: Kun je me iets vertellen over je achtergrond?

JL: Vanaf mijn zestiende heb ik me bezig gehouden met fotografie; ik bracht veel tijd door in de donkere kamer. Tijdens mijn studie aan de Rietveld Academie was fotografie het onderwerp van gesprek. Omdat er zo’n nadruk op werd gelegd wilde ik verder kijken; fotografie als medium werd voor mij op een bepaald moment te beperkt. Tegelijkertijd ging ik me ook bezig houden met commerciële programmering en het bouwen van websites, wat van invloed was op mijn artistieke werk. Wat mij aantrok in de computer is dat het zo veel sneller is dan andere media. Fotografie heeft een bepaalde traagheid terwijl het werken met internet als medium een direct resultaat geeft: je maakt, klikt, bewaart, verstuurt en verspreidt vrijwel binnen een paar minuten. Het lijkt op de Jamaicaanse muziekindustrie in de jaren 60 waar muziek ’s ochtends werd opgenomen en ’s avonds al op de radio te horen was.

En eerlijk gezegd zit ik liever achter de computer. Het is gewoon gemakkelijker. Ik hoef alleen maar naar Facebook, Twitter, Google of mijn email te gaan om voortdurend nieuwe mogelijkheden te ontdekken. Daarnaast hou ik van het begrip online-ness, om deel uit te maken van een community. De online community is heel open. Het is een groep mensen die op de een of andere manier met elkaar verbonden zijn, door te exposeren op dezelfde tentoonstellingen of omdat ze dezelfde interesses delen. 

AD: Je bent nu zo’n twee jaar bezig met het maken van internetkunst. Je eerste werken gingen voornamelijk over de formalistische elementen van de computer. Ze doen denken aan de eerste experimenten van kunstenaars zoals JODI. Is er een specifiek verband?

JL: Eerlijk gezegd was het meer een experiment; pas achteraf ontdekte ik meer verbanden. Voor mij was het een manier om ergens achter te komen, te ontdekken wat er mogelijk was. Het was nog heel ongepolijst en ik ben nu eigenlijk aan het nadenken over een tweede versie van Blue Crush (2011), om het bij te schaven. Ik denk dat de meeste mensen niet veel weten over de geschiedenis van internetkunst of over de projecten die gemaakt zijn, omdat het meeste slecht gedocumenteerd is of niet toegankelijk meer is. 

AD: Wat vind je op dit moment het interessantst aan het web? 

JL: Vooral de beleving ervan interesseert mij. Hoe je bijvoorbeeld het online fenomeen Facebook ervaart. Wat is de werkelijke beleving binnen een geprefabriceerd format; hoe beïnvloedt zo’n structuur deze beleving? Ik wil mensen graag op een andere manier laten denken over of kijken naar wat ze doen. Niet op een educatieve wijze, maar door het onderzoeken van verschillende gebieden en vraagstukken.

AD: Je hebt dit jaar een online performance gedaan, Selfsurfing. Mensen konden een Chrome-extensie op hun computer installeren die jouw browser in real time kloonde op hun computer. De performance duurde 24 uur, waarin de kijker jou surfend op het internet kon bekijken. Het project was een voortzetting van je eerdere werk I’m Here And There (2011) waarin mensen de online locaties konden zien waar jij geweest was. Ik denk dat je met Selfsurfing meer wil focussen op de ervaring van het browsen, maar zou je daar iets meer over kunnen vertellen? Welk aspect van jouw beleving probeerde je over te brengen?

JL: Het weerspiegelt het idee van willekeur. Bij interactie met (sociale) netwerksystemen gaat het meer om toevallige ontmoetingen dan het idee om iets specifieks te vinden. Op een gegeven moment kun je alle veranderingen die constant plaatsvinden binnen sociale netwerken niet meer bijhouden, daarom check je het af en toe en als de top entry je niet interesseert log je weer uit. Met prime time televisie was dit heel anders, daar gaat je interesse uit naar specifieke zenduren, maar tegenwoordig zijn tijd en keuze willekeurig geworden. Dus de enige cultuur die overgebleven is is willekeur, en dat probeer ik met deze projecten over te brengen: hoe meer willekeur hoe beter.

AD: In veel van je werk is tijd een terugkerend thema, het maakt zelfs vaak deel uit van de meeste titels van je werk. In je project 1,164,041 Or How I Failed In Getting The Guinness World Book Of Record Of Most Comments On A Facebook Post (2012) gebruik je javascript dat ononderbroken draait in een poging om in het wereldrecordboek te komen met de meeste comments op één Facebook bericht. Met Selfsurfing baken je het heel duidelijk af – 24 uur. Maar op welke manier zie jij tijd als willekeurig? Kun je meer vertellen over jouw ideeën over tijd?

JL: Een computersysteem heeft geen idee van tijd, maar alles wat je doet is een time-based performance, of je nou aan het chatten bent via Skype of IRC of emails aan het typen bent. Deze paradox vind ik interessant. De projecten zijn een manier om tijd terug te brengen in het computergebruik. Door een geschreven algoritme of script te draaien om te zien hoe het ervaren wordt, zoals mijn project 1,164,041. En bij de Selfsurfing-performance gaat het om de willekeurige beleving van het browsen en van mij live meemaken op je computer. Dat is wat er gebeurt binnen dit soort netwerken. Desondanks is het tijdsaspect belangrijk, ik wilde dat de performance een begin en een eind had. Dat is belangrijk omdat er specifieke momenten zijn waarop je de computer aan en uit zet, maar in de tussentijd is er alleen maar willekeur, je zit gevangen in het netwerk. En dan krijgen we te maken met tijdloosheid, samen met en versterkt door, de oneindige stroom van content. Toen ik eraan begon dacht ik dat het hoe dan ook ergens zou stoppen, dat ik vast zou komen te zitten zonder ideeën, maar dat gebeurde niet. Telkens als ik naar Google of Facebook of Twitter ging kwam er iets nieuws tevoorschijn waardoor ik verder bleef gaan. Zelfs in tijdloosheid is de content oneindig, dus het gaat ook om de productie van content in deze sociale netwerken, wat een andere relatie heeft tot tijd dan hoe wij het herkennen of herkenden. Ik ben geïnteresseerd in dit duratieve aspect van het internet en hoe het zich verhoudt tot onze opvatting van tijd. 

AD: Je maakt ook werk offline, gaat het om het vertalen van wat er online staat? 

JL: De uitdaging is om van de offline-presentatie meer te maken dan alleen een gimmick of een vertaling. Dat moet het overstijgen. Een goed voorbeeld vind ik You Tube as a Sculpture (2009) van Constant Dullaart, waarin hij, na zijn YouTube play buttons, een fysiek kunstobject heeft gemaakt, dat daarna weer werd opgenomen op video door anderen en op internet is gezet. Hier hebben we te maken met de overgang van online naar offline, maar de essentie ging over de comment culture die online plaatsvindt. 

Als je iets tastbaars maakt heeft het in een bepaald opzicht een meerwaarde. Dat ligt niet in het feit dat meer mensen het kunnen zien, omdat je werk online meestal door meer mensen wordt gezien dan in een galerie, maar zodra het offline is wordt het iets wat je ook daadwerkelijk kunt aanschaffen. Het verandert in een object, een bezit, en dat is de meerwaarde van het tastbare. Ik denk ook dat door het maken van dit soort bewerkingen en het te verbinden aan internet mensen zich ervan bewust worden dat er ook online kunst te vinden is, omdat nog steeds veel mensen dit niet weten. 

Vertaling Engels – Nederlands: Mart Dekkers

Jonas Lund, 1,164,041 OR HOW I FAILED IN GETTING THE GUINESS WORLD BOOK OF RECORDS OF MOST COMMENTS ON A FACEBOOK POST (2012). http://1164041.com
Jonas Lund, BLUE CRUSH (2011). http://bluecrush.me
Jonas Lund, I'M HERE AND THERE (2011). http://imhereandthere.com
Daido Moriyama, IT (2006)

Huis Marseille valt niet meteen op tussen de statige grachtenpanden aan de Keizersgracht. Toch kennen de meeste Amsterdammers de instelling wel. Het is het eerste fotografiemuseum van Nederland met een eigen collectie. Met een klein team brengt Huis Marseille sinds 1999 tijdelijke tentoonstellingen rond fotografie. Het museum koestert die kleinschaligheid. In dit gastvrije Amsterdamse huis kun je heerlijk dwalen.

‘Viewpoint’ betekent zowel gezichtspunt, perspectief, mening, standpunt als uitzichtpunt. Die gelaagdheid komt op verschillende manieren naar voren in de gelijknamige tentoonstelling bij Huis Marseille. It, een zwart-wit foto van een oog van Daido Moriyama (1938), onthult hoe de blik zowel object als subject is, foto en fotograaf, camera en film, curator en kunstwerk. Kunst laat zich bekijken, geeft inspiratie en nodigt kunstenaars uit om onderling naar elkaar te verwijzen, zo schrijft de begeleidende tentoonstellingstekst. De ondertitel Exposeren onder de loep komt in de tentoonstelling minder duidelijk uit de verf. Volgens de tentoonstellingsfolder gaat Viewpoint namelijk over de emotie van het kijken, het verzamelen van foto’s, echo’s uit het verleden en de kruisbestuiving der kunsten. Dat is behoorlijk veel. Zowel collectiestukken als het publiek ‘moeten’ volgens de inleiding blootgesteld worden aan andere verbanden dan die van de conventionele chronologische, monografische of stilistische tentoonstellingsmodellen. De zes expositieruimtes zijn dan ook a-chronologisch ingericht rond thema’s. In deze samenstellingen laten de foto’s zich prima bekijken. Het is echter niet volledig helder wat de thema’s zeggen over het exposeren van fotografie zelf – behalve dat Viewpoint een alternatieve tentoonstellingsmodel laat zien.

In de ontvangstzaal hangt achter een fluwelen gordijntje een serie foto’s uit 1886. Samen onthullen ze de atletische beweging van een speerwerper. De fototechnicus Ottomar Anschütz (1846 – 1907) ontwikkelde een supersnelle ontspanner en creëerde zo een sequentie van bewegende beelden. De beweging van de geworpen speer is in deze beelden nagenoeg grijpbaar. Naast deze beeldsequentie is te zien hoe Antoinette Nausikaä (1973) rolstoelen op een boulevard vastlegde, of eigenlijk net niet, de oudjes zijn bewogen. ‘Afstand en het ongrijpbare’ zijn de openingsthema’s voor de tentoonstelling, een goede binnenkomer.

Juist in het kleine tuinhuisje staat het thema ‘Utopia’ centraal, een thema dat je in tentoonstellingen dikwijls ziet opduiken. De hier tentoongestelde foto’s hebben misschien meer lucht en licht nodig dan ze krijgen in deze ruimte, anderzijds hebben ze hier wel hun eigen wereld. De misleidende mogelijkheden van het fotografische medium worden door de kunstenaars ten volle benut. Zo blijkt de sacrale wereld van James Casebere (1953) een maquette. De grofkorrelige foto van Popel Coumou (1978) werkt als een enigmatische filmscène. De ogenschijnlijk herkenbare locatie wordt onwerkelijk door de rode schaduwen en ondefinieerbare functie. Wat gaat hier gebeuren? Waar is deze plek? De foto blijkt in werkelijkheid gemaakt te zijn van een eigen kleibouwsel dat Coumou analoog fotografeerde.

De verbinding die het thema ‘Overvloed en onbehagen’ maakt met Amsterdam, verwijzend naar Simon Schama’s boek over de Gouden Eeuw, is een aangename verrassing in een tentoonstelling die veel internationaal georiënteerde kunst brengt. Hoewel de rechthoekige vorm van het souterrain er misschien niet geschikt voor is – de open ruimte verhindert een mogelijke routing – volgt deze zaal de parabel van overvloed die tot destructie leidt. In de foto’s zelf is dit causale verband niet altijd aanwezig en dat verzwakt de thematische binding. The Guilty, een foto van Sylvie Zijlmans (1964), maakt weer wel nieuwsgierig. Wat hebben deze meisjes gedaan dat ze zo schuldbewust, bijna berustend, deze perfecte waterstroom over zich heen laten komen?

De grote zaal is bestemd voor thema ‘Saints & Sinners’. Het werk Ordinary Public Consistory van Luc Delahaye (1962) onderzoekt massagedrag. De imposante kerkarchitectuur op de foto werkt verdovend. De rode kardinalenkleden onderdrukken de individuele autonomie. De foto zelf is formeel al even krachtig als de mechanismen die Delahaye ermee aan de kaak stelt. Een video van Sven Augustijnen (1970) laat zien hoe drie mannen de kunst van het zakkenrollen leren. Groepsgedrag dat niet kritisch wordt bekeken, het hersenloos meedoen, komt vaker terug. Foto’s van Cor Jaring (1963) die zijn eigen schedel doorboort, een ingreep waarmee vroeger krankzinnigen werden behandeld, schudden wel even wakker.

Het fascinerende thema ‘Making and Unmaking Selfs’ wordt onderzocht in de tuinzaal. Reflectie, identiteit en zelfbewustzijn komen op interessante wijze terug in verschillende dwarsverbanden. Een foto van een lege bioscoopzaal maakt de filmprojectie zelf tot hoofdonderwerp. Hierin weerspiegelen foto’s waarop mensen zijn vastgelegd. Valérie Belin (1964) presenteert haarscherp gefotografeerde modellen als archiefstukken van een typenstudie, David Slijper (1967) laat de actrice Fan Bingbing naar haar vergankelijke schoonheid in de spiegel kijken en Sam Samore (1963) toont filmische foto’s van breekbare acteurs. In het bovenkamertje is het ontroerende videowerk I see a woman crying (Weeping Woman) van Rineke Dijkstra (1959) te zien. Centraal staat Picasso’s schilderij van Dora Maar uit 1937. Het portret krijgt figuurlijk vorm door de interpreterende zinnen van de gefilmde Britse kinderen die zich langzaamaan thuis beginnen te voelen bij het voor hen in eerste instantie vreemde werk.

Omdat de thematische verbindingen afwisselend in conceptuele, formele, esthetische en misschien zelfs illustrerende aspecten gezocht worden en het overkoepelende thema veel aspecten wil omvatten, kan Viewpoint rommelig overkomen. Maar ook dat is een huiselijke charme. Het maakt de thema’s minder dwingend en laat daarmee ruimte voor eigen associaties, terwijl toch de lijnen van de collectie enigszins geopenbaard worden. Of daarmee werkelijk het exposeren zelf onder de loep wordt genomen is de vraag. Viewpoint toont vooral hoe het ambitieuze Huis Marseille zich met een mooie collectie en goede bruikleencontacten internationaal positioneert vanuit lokale wortels. Evenals vele vroegere en huidige bewoners van de Amsterdamse grachtenpanden staat het huis open voor diversiteit, samenwerking en vernieuwingszin.

Antoni + Alison, CHOCOLATE BOX (2002)
Jochen Lempert, OISEAUX-VÖGEL (1997-2004)
Valérie Belin, UNTITLED (2007)
Popel Coumou, UNTITLED (2008)

Van souvenir tot monument

Alexander Mayhew
Michael Hughes, SOUVENIR, SOUVENIR (1999-)

Een souvenir is een object dat iemand verwerft omwille van de herinneringen die hij er mee associeert, aldus Wikipedia. Door Van Dale wordt het simpelweg omschreven als aandenken of herinneringsgeschenk. In de tentoonstelling Souvenir: herinneren als object gaat 38CC in op de verschillende betekenissen, associaties en connotaties van het begrip souvenir en wil het duiden als iets wat meer is dan een plat, massaal geproduceerd voorwerp.

Hoewel fotografie in de tentoonstelling overheerst, lopen de zes bijeengebrachte kunstenaars wat betreft hun werkwijze zeer uiteen. Degene die het dichtst bij het souvenir als toeristisch product blijft, is fotograaf Michael Hughes (1952). Voor de serie Souvenir, souvenir fotografeerde hij overal ter wereld goedkope, in massa geproduceerde souvenirs, die hij zodanig plaatst dat het origineel achter het souvenirtje verdwijnt. Bijvoorbeeld een ansichtkaart van de Acropolis voor de echte Acropolis, of een felgekleurd ijsje in de vorm van de scheve toren van Pisa voor diezelfde toren. Ook al zou je het af kunnen doen als een flauwe gimmick, door de variëteit en seriematigheid weten de foto’s niettemin te boeien en toveren ze gewild of ongewild een glimlach om je mond.

Serieuzer en meer documentair is het werk van Korrie Besems (1961). De van haar getoonde foto’s zijn afkomstig uit haar boek Verzonnen verleden, waarin zij een beeld schept van de neotraditionalistische architectuur in Nederland. Hierin worden allerlei als traditioneel beschouwde bouwstijlen met elkaar gecombineerd. Haar foto’s tonen nieuwbouwwijken die lijken terug te willen grijpen op een tijd die eigenlijk nooit heeft bestaan; de tijd toen geluk nog heel gewoon was. Elke authenticiteit is echter verdwenen en de wijken ogen beklemmend. Besems toont feilloos aan hoe onbetrouwbaar en door de tijd gekleurd onze herinneringen kunnen zijn.

Een wat ongelukkige keuze is het werk van Thomas Elshuis (1961). In 1998 erfde hij van een familievriend twintigduizend dia’s die de man tijdens zijn reizen tussen 1960 en 1995 had geschoten. Dit dia-archief is het vertrekpunt voor Elshuis’ fotowerk. Hij scant de dia’s en bewerkt deze vervolgens met de computer tot nieuwe beelden. Het doet denken aan wat Hal Foster in zijn beroemde, gelijknamige essay een archival impulse noemt. Foster ziet bij deze historisch/archivalisch georiënteerde kunstenaars een voorkeur voor het aan elkaar verbinden van dingen die, uit wetenschappelijk of kritisch oogpunt, niet aan elkaar verbonden kunnen worden. Een zekere onthechting uit welke representatieve orde dan ook is het gevolg. Deze onthechting leidt bij Elshuis echter jammer genoeg niet tot enig nieuw visueel of inhoudelijk inzicht.

Charmant ogend en zorgvuldig samengesteld zijn de IJslandboeken van Ria van Eyk (1938), die op een zeer persoonlijke wijze haar eigen souvenirs vormen van een reis die ze in 2002 naar IJsland maakte. Ze combineert telkens een foto van een geiser met ter plaatse verzamelde vulkaanaarde, die ze in minimalistische grids op papier aanbrengt. Het past naadloos in de land art-traditie van Richard Long, die bijvoorbeeld ook door een jongere kunstenaar als Esther Kokmeijer wordt voortgezet.

Van een hele andere orde is het werk Een krantenfoto als souvenir? Proposal no. 25 van Anno Dijkstra (1970). In een aparte ruimte, de kluis van het voormalige hoofdkantoor van metaalbedrijf Koninklijke Fabriek F. W. Braat waarin 38CC is gevestigd, liggen een kleine 120 wassen sculpturen van een dode Pim Fortuyn op de grond. De beeldjes zijn gebaseerd op de overbekende krantenfoto van de vermoorde politicus op het Mediapark in Hilversum. Wat als eerste opvalt is dat de sculpturen zeer nauwkeurig en vakkundig zijn uitgevoerd. Elk beeldje is apart gegoten en is daardoor net iets anders dan zijn buurman. Er is hier absoluut geen sprake van massaproductie. Desalniettemin worden de beeldjes als souvenir aangeboden aan het publiek: je mag een beeldje uitzoeken en na afloop van de tentoonstelling gratis mee naar huis nemen. De beeldjes zijn inmiddels allen vergeven. Het doet je afvragen wat men er thuis mee gaat doen. Welke herinneringen associëren mensen met dit souvenir? Dijkstra heeft weliswaar een controversieel onderwerp te pakken, maar stelt de zeer legitieme vraag wat het met mensen doet wanneer een herinnering wordt vormgegeven in een object. Zoals hij zelf zegt, heeft een beeld een grotere impact: je moet je er fysiek toe verhouden. Een foto kun je gemakkelijker opzij leggen. Nu wordt je verplicht er een opvatting over te hebben. Het werk van Dijkstra is daarmee het minst vrijblijvende van de tentoonstelling.

Het thema van de dode man vindt een vervolg in de sculptuur The Man from Delft van Folkert de Jong (1972). Dit beeld van een half zwevende dode Willem van Oranje lijkt zeer op zijn plaats in Delft waar hij in 1584 werd vermoord door Balthasar Gerards. Niettemin is de afstand tot het hedendaagse publiek groter dan bij een Pim Fortuyn die de meesten van ons zich nog levend herinneren – hoe hedendaags het door De Jong gebruikte materiaal, styrofoam en polyurethaanschuim, ook mag ogen. Mede door zijn levensgrote formaat lijkt het souvenir hier tevens over te gaan in een monument. Hoe visueel aantrekkelijk ook, binnen deze tentoonstelling herinnert het te letterlijk en eenduidig aan een historische gebeurtenis. Een lot dat de meeste monumenten helaas eigen is.

38CC lijkt zich terdege te beseffen dat één tentoonstelling niet genoeg kan zijn om het gekozen thema uitputtend te behandelen en zal het daarom ook in de volgende groepstentoonstelling aan de orde laten komen. Onder meer de Spaanse kunstenaar Fernando Sanchez Castillo zal deelnemen, van wie je kunt verwachten dat hij de politieke insteek van Anno Dijkstra op een waardige wijze zal opvolgen.

Anno Dijkstra, EEN KRANTENFOTO ALS SOUVENIR? PROPOSAL NO. 25 (2012)
Folkert de Jong, THE MAN FROM DELFT (2011)