Van souvenir tot monument

—Alexander Mayhew
Michael Hughes, SOUVENIR, SOUVENIR (1999-)

Een souvenir is een object dat iemand verwerft omwille van de herinneringen die hij er mee associeert, aldus Wikipedia. Door Van Dale wordt het simpelweg omschreven als aandenken of herinneringsgeschenk. In de tentoonstelling Souvenir: herinneren als object gaat 38CC in op de verschillende betekenissen, associaties en connotaties van het begrip souvenir en wil het duiden als iets wat meer is dan een plat, massaal geproduceerd voorwerp.

Hoewel fotografie in de tentoonstelling overheerst, lopen de zes bijeengebrachte kunstenaars wat betreft hun werkwijze zeer uiteen. Degene die het dichtst bij het souvenir als toeristisch product blijft, is fotograaf Michael Hughes (1952). Voor de serie Souvenir, souvenir fotografeerde hij overal ter wereld goedkope, in massa geproduceerde souvenirs, die hij zodanig plaatst dat het origineel achter het souvenirtje verdwijnt. Bijvoorbeeld een ansichtkaart van de Acropolis voor de echte Acropolis, of een felgekleurd ijsje in de vorm van de scheve toren van Pisa voor diezelfde toren. Ook al zou je het af kunnen doen als een flauwe gimmick, door de variëteit en seriematigheid weten de foto’s niettemin te boeien en toveren ze gewild of ongewild een glimlach om je mond.

Serieuzer en meer documentair is het werk van Korrie Besems (1961). De van haar getoonde foto’s zijn afkomstig uit haar boek Verzonnen verleden, waarin zij een beeld schept van de neotraditionalistische architectuur in Nederland. Hierin worden allerlei als traditioneel beschouwde bouwstijlen met elkaar gecombineerd. Haar foto’s tonen nieuwbouwwijken die lijken terug te willen grijpen op een tijd die eigenlijk nooit heeft bestaan; de tijd toen geluk nog heel gewoon was. Elke authenticiteit is echter verdwenen en de wijken ogen beklemmend. Besems toont feilloos aan hoe onbetrouwbaar en door de tijd gekleurd onze herinneringen kunnen zijn.

Een wat ongelukkige keuze is het werk van Thomas Elshuis (1961). In 1998 erfde hij van een familievriend twintigduizend dia’s die de man tijdens zijn reizen tussen 1960 en 1995 had geschoten. Dit dia-archief is het vertrekpunt voor Elshuis’ fotowerk. Hij scant de dia’s en bewerkt deze vervolgens met de computer tot nieuwe beelden. Het doet denken aan wat Hal Foster in zijn beroemde, gelijknamige essay een archival impulse noemt. Foster ziet bij deze historisch/archivalisch georiënteerde kunstenaars een voorkeur voor het aan elkaar verbinden van dingen die, uit wetenschappelijk of kritisch oogpunt, niet aan elkaar verbonden kunnen worden. Een zekere onthechting uit welke representatieve orde dan ook is het gevolg. Deze onthechting leidt bij Elshuis echter jammer genoeg niet tot enig nieuw visueel of inhoudelijk inzicht.

Charmant ogend en zorgvuldig samengesteld zijn de IJslandboeken van Ria van Eyk (1938), die op een zeer persoonlijke wijze haar eigen souvenirs vormen van een reis die ze in 2002 naar IJsland maakte. Ze combineert telkens een foto van een geiser met ter plaatse verzamelde vulkaanaarde, die ze in minimalistische grids op papier aanbrengt. Het past naadloos in de land art-traditie van Richard Long, die bijvoorbeeld ook door een jongere kunstenaar als Esther Kokmeijer wordt voortgezet.

Van een hele andere orde is het werk Een krantenfoto als souvenir? Proposal no. 25 van Anno Dijkstra (1970). In een aparte ruimte, de kluis van het voormalige hoofdkantoor van metaalbedrijf Koninklijke Fabriek F. W. Braat waarin 38CC is gevestigd, liggen een kleine 120 wassen sculpturen van een dode Pim Fortuyn op de grond. De beeldjes zijn gebaseerd op de overbekende krantenfoto van de vermoorde politicus op het Mediapark in Hilversum. Wat als eerste opvalt is dat de sculpturen zeer nauwkeurig en vakkundig zijn uitgevoerd. Elk beeldje is apart gegoten en is daardoor net iets anders dan zijn buurman. Er is hier absoluut geen sprake van massaproductie. Desalniettemin worden de beeldjes als souvenir aangeboden aan het publiek: je mag een beeldje uitzoeken en na afloop van de tentoonstelling gratis mee naar huis nemen. De beeldjes zijn inmiddels allen vergeven. Het doet je afvragen wat men er thuis mee gaat doen. Welke herinneringen associëren mensen met dit souvenir? Dijkstra heeft weliswaar een controversieel onderwerp te pakken, maar stelt de zeer legitieme vraag wat het met mensen doet wanneer een herinnering wordt vormgegeven in een object. Zoals hij zelf zegt, heeft een beeld een grotere impact: je moet je er fysiek toe verhouden. Een foto kun je gemakkelijker opzij leggen. Nu wordt je verplicht er een opvatting over te hebben. Het werk van Dijkstra is daarmee het minst vrijblijvende van de tentoonstelling.

Het thema van de dode man vindt een vervolg in de sculptuur The Man from Delft van Folkert de Jong (1972). Dit beeld van een half zwevende dode Willem van Oranje lijkt zeer op zijn plaats in Delft waar hij in 1584 werd vermoord door Balthasar Gerards. Niettemin is de afstand tot het hedendaagse publiek groter dan bij een Pim Fortuyn die de meesten van ons zich nog levend herinneren – hoe hedendaags het door De Jong gebruikte materiaal, styrofoam en polyurethaanschuim, ook mag ogen. Mede door zijn levensgrote formaat lijkt het souvenir hier tevens over te gaan in een monument. Hoe visueel aantrekkelijk ook, binnen deze tentoonstelling herinnert het te letterlijk en eenduidig aan een historische gebeurtenis. Een lot dat de meeste monumenten helaas eigen is.

38CC lijkt zich terdege te beseffen dat één tentoonstelling niet genoeg kan zijn om het gekozen thema uitputtend te behandelen en zal het daarom ook in de volgende groepstentoonstelling aan de orde laten komen. Onder meer de Spaanse kunstenaar Fernando Sanchez Castillo zal deelnemen, van wie je kunt verwachten dat hij de politieke insteek van Anno Dijkstra op een waardige wijze zal opvolgen.

Anno Dijkstra, EEN KRANTENFOTO ALS SOUVENIR? PROPOSAL NO. 25 (2012)
Folkert de Jong, THE MAN FROM DELFT (2011)