When summer has almost gone. Een gesprek met Cokkie Snoei en Hans Sonnenberg

—Caroline de Bie

Cokkie Snoei: Het was 1990 of ‘91 – daaromtrent.
Hans Sonnenberg: Wat wij eigenlijk gewild hebben is een manifestatie ieder jaar in centrum west, dat het allemaal te belopen is. Er zitten natuurlijk ook galeries aan de andere kant van Rotterdam en niet dat we daar nu niets mee te maken willen hebben, maar je kan de mensen niet naar de Benthuizersstraat sturen als ze hier geweest zijn. Wij zitten natuurlijk allemaal bij elkaar.
CS: Het was misschien ook een heel klein beetje het idee wat ze toen in Amsterdam deden met First Blossom, om debutanten te laten zien. Maar in Amsterdam zijn ze na twee keer gestopt en wij gaan nog steeds door.

Ieder jaar net voor de herfst organiseren rond de tien galeries uit Rotterdam West ‘en petit comité’ hun manifestatie; ooit begonnen als idee bij Cokkie Snoei en de toenmalige galeriehouders Berrie Koedam van RAM en Rian van Rijsbergen om met oud en nieuw een soort nieuwjaarsreceptie te houden. Maar er kwam iets uniekers voor in de plaats: een groot aantal verzamelaars en relaties wordt door de galeries uitgenodigd voor een gezamenlijke lunch, waarna men tot 6 uur de tijd heeft alle galeries af te lopen.

HS: De mensen hebben het altijd op prijs gesteld om één uur daar (de lunch – CdB) te komen want ze kleden zich er speciaal op. Nee, dat was echt een feest en dan zie je dus al die verzamelaars en relaties van ons, die met elkaar praten. We hebben er toch altijd ook het voordeel van dat ze op die dag wel wat kopen.
CS: En om te laten zien, naar de verzamelaars toe, dat je samenwerkt, dat je niet alleen voor je eigen winkeltje aan het praten bent. Er zit dit jaar nu ook een nieuwe galerie bij, die uit Amsterdam is gekomen, Singel 74. Het is voor hem interessant dat hij op deze wijze meteen wordt opgenomen in ons circuit.
HS: En omdat onze manifestatie in september valt, hebben we die naam van de Doors genomen: When Summer Has Almost Gone.

Op 21 augustus, de dag van dit gesprek, lijkt de herfst al ruim ingezet te hebben. Het wordt nog afwachten of de galeries hun manifestatie op 13 september niet moeten omdopen in When Summer Has Long Gone. De uitnodiging laat het bijpassend beeld zien: aan de vloedlijn nog slechts één zonnebader op een verlaten strand en op de voorgrond twee andere late genieters, maar met de kleren aan. Weemoed naar de goede tijden.

Bijna was het dit jaar niet doorgegaan. De reeks werd vorig jaar onderbroken voor Canal du Nord, een uitwisselingsprogramma tussen Rotterdamse galeries en galeries uit Parijs. Galerie RAM zou coördineren. Sonnenberg vindt het een flop geworden: Het is zo’n éénrichtingsverkeer geworden. Rotterdam heeft alles betaald en er werd hier alleen maar Frans gesproken; van Rotterdammers in Parijse galeries was geen sprake. Snoei relativeert: Het was ons niet geheel duidelijk dat het gecombineerd moest worden met When Summer has Almost Gone. Toen hebben we gezegd, oké laten we Canal du Nord maar in plaats van When Summer Has Almost Gone doen. Maar dat werd niet op tijd geregeld.

Behalve de ‘gap’ (Sonnenberg) die Canal du Nord in de jaarlijkse programmering van When Summer Has Almost Gone sloeg, trok ook de Rotterdamse Kunststichting (RKS) conclusies uit de tegenvallende actie.

CS: Omdat we deze keer geld van de RKS moeten ontberen, hebben we het wat versimpeld. We wilden het allemaal wel graag door laten gaan dus nu betalen we het gewoon zelf.
HS: Maar dan kan je niet nog eens voor fl.4000,- de gasten laten eten.
CS: Maar: wat we wél doen is een gezamenlijke actie, waardoor je in één galerie al een voorproefje kunt krijgen van wat er in de andere galeries te zien is.
HS: Behalve de eigen tentoonstelling hangt er dan bij elke galerie dezelfde serie foto’s in een standaardformaat. Iedere galerie zoekt daarvoor een werk uit, dat in oplage gemaakt wordt.

Thema van When Summer Has Almost Gone waren altijd de debutanten – niet zozeer jonge kunstenaars als wel de nieuwkomers bij een galerie, die tijdens When Summer Has Almost Gone hun eerste presentatie in Rotterdam kregen. Nu schuift het thema ‘fotografie’ daar bovenop. Aan de ene kant gaf Galerie Fotomania een voorzet. Maar Snoei en Sonnenberg betreuren ook het wegvallen van de Rotterdamse fotobiënnale.

CS: Vroeger had je toch meer wat grotere manifestaties rondom de fotografie, die van buiten het Foto-instituut of Perspektief kwamen. Maar het lijkt wel of die zich steeds meer terugtrokken in hun eigen instituut. (Voor de goede orde: niet het Foto-instituut – CdB) Dus nu hebben we zelf maar een soort fotobiënnale georganiseerd.

When Summer Has Almost Gone heeft de negen galeries carte blanche gegeven om ieder hun eigen interpretatie van fotografie uit te dragen.

HS: Ik zou zelf nooit voor fotografie gekozen hebben. Ik doe alleen fotografie als het Rotterdamse Foto-instituut met de biënnale komt en dan zet ik mijn Jean-Marc Spaans altijd in. Cokkie is er wel in gespecialiseerd en die heeft daar veel meer ervaring in.
CS: Ik heb zelf twee ruimtes en dus twee fotografen.

Op de foto’s van Henk Tas staan in felle kleuren rubberen mensjes in een geënsceneerde ruimte. Of het zijn portretten, gezichten die ternauwernood uit de drukversierde randen naar voren komen. Of eenzame ogen. Taferelen, omkaderd door opvallende gouden lijsten.

HS: Ik kom met Henk Tas en Henk Tas ensceneert de dingen. Dus die fotografeert iets wat hij alleen maar kan fotograferen en kijk, ik ben een typische schilderijen-galerie en dus niet voor fotografie maar wat Henk Tas doet, ligt in het verlengde van wat mijn kunstenaars doen. In plaats van het penseel hanteert Tas de fotocamera om zijn enscenering weer te geven. Dat is ook de reden dat ik voor Henk Tas gekozen heb én omdat het een Rotterdammer is die hier eigenlijk geen vaste galerie heeft. Dus voor mij snijdt het mes aan twee kanten. En nu komt hij, uitgesproken bij mij, met nieuw werk, hij fotografeert nu weer bloemen op een bepaalde manier. Hij heeft een zijstap op dit moment waar hij erg gelukkig mee is. Dus ik denk dat het nog een primeur wordt voor de mensen die het werk van Henk Tas wel kennen; het zal mensen verbazen.
CS: Risk Hazekamp ensceneert en mijn andere kunstenaar, Phoebe Maas, registreert, maar toch weer anders dan een persfotograaf of een documentaire fotograaf dat zou doen. Maas fotografeert alledaagse situaties vanuit een onalledaagse invalshoek, waardoor het een heel ander effect krijgt, waardoor je juist hele poëtische beelden krijgt. Het is heel voelbaar, ze fotografeert bijvoorbeeld een wond, die weer gehecht is en je kunt niet precies zien waar die (wond – CdB) op het lichaam zit – je ziet een stuk spijkerbroek – en je denkt gelijk: auw! Of twee mensen die ze dan van hier (Snoei wijst op borsthoogte) tot halverwege de benen heeft gefotografeerd, zodat je alleen die oude handen ziet waar de nadruk op gelegd wordt. Dat soort kleine details. Het is figuratief maar wordt daardoor bijna abstract.

Phoebe Maas geeft de ‘tussen-momenten’ weer – het stuk blote rug dat boven het hemd uitkomt, een foto snijdt een vrouwenlichaam af tot romp naast het lege motorpak op het bed, twee gesleten schoenzolen met daarachter, onscherp, het vreemd gebogen lichaam in een blauwe jurk. Plaats: een kamer, een bank, een bed. Lichaam: intiem, erotisch, te kijk. Twee handen op een perzisch tapijt en daartussen een voet in pump. De lege nachtjapon die aan de lijn wappert, verbeeldt een leven.

De foto’s van Risk Hazekamp hebben de scherpe lijnen en kleuren van een Avenue-reportage over cowboys in Mexico – zachtbruin leer en diepblauw denim; maar ze tonen ook de blik van het meisje van Manet tijdens het ‘Déjeuner sur l’herbe’.

CS: Hazekamp fotografeert zichzelf heel vaak in de figuur van een cowboy, daarbij gaat het om de paradox van aantrekkingskracht en afstoting binnen de conventionele man/vrouw verhoudingen. De paradox leidt tot een vlucht uit de werkelijkheid, een verheerlijking van een verleden dat nooit bestaan heeft. En enerzijds zit er, zeg maar, dat cowboyverleden in en anderzijds meer een schilderkunstig verleden van de vorige eeuw. Die soort mix. Ze kan zichzelf als cowboy zo fotograferen zoals dat op een romantisch schilderij ooit gedaan is. Heel vaag voel je die verwijzing nog.

Er is een de foto waar Hazekamp op bed de houding van Manet’s model aanneemt, maar ze imiteert de cowboy op het schilderij boven haar.

HS: De fotografie is altijd een beetje in de schaduw gebleven en na de Ducumenta van ‘77, toen daar ontzettend veel fotografie is getoond, toen is de balans misschien een beetje te ver doorgeslagen en ja, iedereen die fotografeert is fotograaf.
CS: De beeldend-kunst-fotografen interesseert het vaak niet of het scherp is, of er schaduwen in zitten, of het licht/donker contrast groot is. Ik ken een kunstenaar die voor fotografie een werkbeurs wilde hebben en dan gaan ze inderdaad lopen zeuren dat het niet scherp is. Bijvoorbeeld. Maar dat was in zijn geval gewoon totaal onbelangrijk. Het concept moest goed zitten. Die mensen (van fotografie – CdB) zitten vanuit een heel fotografisch-technische invalshoek te kijken.

HS: Ik ken een amateur, een tandarts, die gewoon vrijdag vrij neemt en dan ligt-ie drie dagen op z’n buik en die man kan waanzinnig goeie foto’s maken. Die noemt zichzelf ook kunstenaar en hij is altijd zwaar beledigd geweest als zijn fotografie niet als kunst werd gezien. Ik vind fotografie natuurlijk wel kunst. Maar of dat alleen door kunstenaars gemaakt wordt, dat vind ik moeilijk. En: een foto is een multiple. Je kunt op een gegeven moment natuurlijk zeggen: ik ga niet verder dan vijf stuks. Maar het maakt voor sommige mensen de foto wat minder aantrekkelijk.

HS: Eigenlijk dachten we dat de RKS wel zo vriendelijk zou zijn om ons weer wat geld te geven. Het zou bijvoorbeeld zo ontzettend veel leuker zijn als je in de landelijke dagbladen iedere week je advertenties hebt, en dat kan nu niet.
CS: Op dit moment liggen de galeries niet zo goed bij de RKS. Ze zijn toch plotseling doller op een soort evenementachtige dingen die buiten de bestaande instituten als galeries plaatsvinden.
HS: We worden toch te veel gezien als commerciële instellingen.
CS: Terwijl ze donders goed weten dat het heel moeilijk is om als galerie een bestaan te hebben; en dat het goed is voor alle evenementen als er goeie galeries zijn die af en toe activiteiten ontplooien. Om te zorgen dat Witte de With bevolkt wordt, moeten er ook interessante galeries omheen zitten. Dus ik vind het persoonlijk een beetje stom van ze…
HS: Het is zonder meer onaardig en eigenlijk beledigend want wij zitten dag en nacht klaar…
CS: Ook als galeries zijn we al bestaande instituten: dus als wij iets meer willen doen dan ons programma, zou het heel normaal zijn als wij daar ook in gesteund worden.
CS: Voor When Summer Has Almost Gone bestaat zelfs landelijk belangstelling. Ik ben bestuurslid van de Galeriebond Nederland en die vinden het ook in-teressant om gezamenlijk, in heel Nederland, iets dergelijks als onze manifestatie – een soort debutantententoonstelling – te kunnen organiseren.
HS: Het is ook leuk om al die mensen (verzamelaars – CdB) bij elkaar te krijgen en dat ze elkaar leren kennen, dat ze elkaar een beetje aanwakkeren van: ‘Ik heb er al drie van die kunstenaar’ en ‘O, ik heb er nog maar twee’ – dat ze elkaar animeren.

WHEN SUMMER HAS ALMOST GONE, Risk Hazekamp, Phoebe Maas, Henk Tas, Romy Finke, Els Snijder, Tim Gutt, Marjan Laaper, Hans Wilschut, Charl van Ark, Mechtild Frisch, Regula Maria Müller, Dorothee Von Windheim, 13 september t/m 12 oktober ‘98

Cokkie Snoei, Galerie Delta, Galerie Fotomania, Galerie Liesbeth Lips, MK Expositieruimte, Galerie Phoebus Rotterdam, Rotterdam