Werk: Peggy Franck

Noor Mertens
Peggy Franck, SUDDEN PARALLELS BETWEEN THE SKY AND THE CONCRETE (2012) Foto: Gert Jan van Rooij

Peggy Francks (1978) solotentoonstelling Sudden Parallels between the Sky and the Concrete in 2012 bij Galerie Fons Welters liet in gecondenseerde vorm zien wat de belangrijkste thema’s binnen haar werk zijn. De tentoonstelling was geen combinatie van losstaande twee- en driedimensionale elementen, maar een geënsceneerde, ruimtelijke installatie. Franck speelde, net zoals in haar overige werk, met fragmentering en het effect van spiegeling, waarbij realiteit en illusie niet duidelijk van elkaar zijn te onderscheiden. Ook had de tentoonstelling als het ware een transparant, immaterieel en een zwaarder, materieel element in zich: aan de ene kant een rij schilderingen op spiegelend papier, afwisselend gecombineerd met foto’s van dezelfde spiegelende schilderingen, die nauwelijks van elkaar te onderscheiden waren. Aan de andere kant een houten systeemvloer als ‘podium’ met daarop een deels uitgerolde rol groene, transparante folie, op zijn plaats gehouden door twee stenen. In de hoek van de ruimte enkele houten kisten met nog meer stenen. ‘Het is een glorieuze tentoonstelling die me nog lang zal heugen,’ schreef Alex de Vries als reactie op de tentoonstelling.

NM: Hoe zie jij de verhouding tussen de foto’s en werken op papier enerzijds en de twee ruimtelijke compilaties met stenen anderzijds?

PF: De werken op spiegelend papier komen voort uit een periode waarin ik schilderde op dragers zoals acrylaat, metaal en hout. In tegenstelling tot de glasheldere reflecties van normale spiegels zijn de reflecties van de spiegelende vellen papier wolkig van karakter, wat een enigszins vertekend of schilderachtig beeld geeft. Terwijl ik simultaan werkte aan verschillende schilderingen op dit papier en de wanden van mijn atelier ermee volhingen, raakte ik gefascineerd door de reflecties van de ruimte in deze vellen. Dit ben ik gaan vastleggen met mijn camera. Een terugkerend element in de foto’s die hieruit voortkwamen was de vloer van mijn atelier. Deze vloer was deels bedekt met een houten parket, een overgebleven dansvloer van de dansschool die voordien in het pand gehuisvest was. Het ‘podium’ zoals jij het omschrijft, is een kopie van die dansvloer uit mijn atelier. De parketvloer in de galerie reflecteerde als het ware ‘live’ in de beschilderde vellen spiegelpapier, waardoor in combinatie met de foto’s een complexe gelaagdheid ontstond. Door de lineaire opeenvolging van de werken aan de wand ging de toeschouwer, die ook zichzelf gereflecteerd zag in de spiegelende schilderijen, de installatie als een sequentie beleven. Hierdoor ontstond een beweging met een zeker choreografisch karakter. De stenen op de vloer en in de kratten zijn zowel geslepen als ongeslepen waardoor ze spiegelend of mat zijn. Ik zag hierin meteen een verwantschap met de werken aan de wand.

NM: De kisten met stenen waren afkomstig van jouw familie, waardoor ze een wat beladen materiaal leken. Zie jij dat zelf ook zo?

PF: De kisten met stenen hebben jarenlang in het huis van mijn grootouders gestaan. Ik kreeg de stenen opnieuw te zien nadat mijn oma was overleden, kort voordat ik werd uitgenodigd om een solotentoonstelling bij Fons Welters te maken. De stenen werden oorspronkelijk in Australië gedolven door een Indonesische vriend van mijn grootouders, waarna hij ze naar Nederland stuurde met de bedoeling ze hier te verkopen. Dit gebeurde uiteindelijk niet en de stenen bleven onaangeroerd liggen in het huis van mijn grootouders. Naast de formele verwantschappen met de schilderingen op het papier en de fotografische werken waar ik in die periode aan werkte, zag ik in de geschiedenis van de stenen ook aansluiting met het idee van beweging waar we net over spraken. Ik beschouw de stenen dan ook niet als beladen, integendeel: samen met de overige elementen in de tentoonstelling wordt een beweeglijk spel gegenereerd dat eerder licht van karakter is.

NM: Je werkt in verschillende media, maar welk medium is jou het meest eigen? Is fotografie zo aantrekkelijk omdat het jou de kans biedt om ruimtelijke compilaties te maken en te variëren en spelen met standpunten?

PF: Het zoeken naar een soort onbevangenheid is een cruciaal deel van mijn werkproces. Ik beperk mij daarom ook niet tot één medium. Fotografie is voor mij een ideaal gereedschap om allerlei verschillende lagen, technieken en media, maar ook enscenering en realiteit vast te leggen in één beeld.

NM: Tegelijkertijd werd je afgelopen jaar genomineerd voor de Wolvecampprijs, de tweejaarlijkse nationale prijs voor de schilderkunst. In de bijbehorende tentoonstelling liet je onder andere een monumentaal, geschilderd drieluik zien, getiteld The Castaways. In hoeverre gaat het jou (nog) om het geïsoleerde medium op zichzelf? Hoe bepaal je welk medium geschikt is voor een bepaald onderdeel van jouw werk?

PF: Alles gaat samen. Schilderkunst heeft altijd een grote rol gespeeld binnen mijn werk. In mijn assemblages, foto’s en installaties maak ik gebruik van schilderkunstige elementen: compositie, kleur, licht, etc. Maar ik zie mijzelf niet als een schilder in de strikte zin van het woord, ik maak beelden. Ik kan wel uitleggen hoe ik tot het schilderen zelf ben gekomen; het was vooral de ongedwongenheid van restanten verf die op een muur achterbleven bij het weghalen van een installatie enerzijds en van verftoetsen die ik impulsief had gezet op materialen en objecten anderzijds, die ik wenste te vertalen naar het werkvlak van een schilderij. De context van de Wolvecampprijs leek mij geschikt om dit op een grotere schaal te tonen, het werk The Castaways is hiervan een resultaat.

NM: De tentoonstellingsinstallaties kunnen zo decors zijn uit jouw foto’s. Jouw werk wordt in verschillende recensies beschreven als het ‘ruimtelijk maken van een tweedimensionale foto’. Dat betekent dat het startpunt van jouw werk in de fotografie zou liggen. Klopt dat wel? En komen jouw tentoonstellingsinstallaties ook daadwerkelijk voort uit de decors die je in eerste instantie voor je foto’s maakte?

PF: Het lijkt me een enigszins beperkte omschrijving van het werk dat is voortgekomen uit enkele vroege tentoonstellingen. Destijds maakte ik wel vaker assemblages in mijn atelier die ik vervolgens fotografeerde. Die foto’s en andere materialen en objecten nam ik mee naar de tentoonstellingsruimte om er ter plekke nieuwe installaties mee te ontwikkelen. Maar het was echter nooit zo dat het startpunt van mijn werk in de fotografie lag.

NM: Binnen de verschillende tentoonstellingen waaraan je deelnam en de verschillende installaties die je hiervoor maakte, komen dezelfde soort objecten voor, zoals draperieën van stof en spiegelend of transparant materiaal. Het heeft te maken met tonen en verhullen, realiteit en suggestie. Hoe kijk jij hier tegenaan? Ligt deze thematiek in het verlengde van de rol die jijzelf en de toeschouwer in jouw werk spelen? En wat is de rol van de titel – die meestal beschrijvend is – binnen deze ‘knipoog naar het theater’?

PF: Tonen en verhullen of realiteit en suggestie zijn zeker thema’s binnen mijn werk. In de foto’s waarin ik zelf figureer zijn deze aanwezig, maar zeker ook in de meer ruimtevullende installaties zoals die bij Fons Welters. De toeschouwer werd zich door zijn reflectie in de spiegelende vellen bewust van zijn aanwezigheid, waardoor hij een rol in het werk speelde. Misschien dat je daardoor denkt aan het theater, maar dit is niet iets waar ik direct mee bezig ben. De thema’s die je noemt zijn echter ook grote thema’s in andere kunstvormen waar ik mij eerder toe verhoud, zoals de schilderkunst. De titels komen voort uit een verlangen om een andere ingang te bieden tot de veeleer abstracte, materiële wereld die ik creëer. Ze zijn voor mij eerder suggestief dan concreet beschrijvend, waarmee ik een meer emotionele, gevoelsmatige zijde in het werk wil aanraken.

NM: Begin februari opent een solotentoonstelling in OUTPOST gallery in Norwich. Wat zal je daar laten zien?

PF: De titel van de tentoonstelling is A Household without Responsibilities. Over wat ik er precies ga tonen wil ik niet meteen iets kwijt anders zou het weleens A household with responsibilities kunnen worden.

Peggy Frank, THE CASTAWAYS (2012) (wand), REINTRODUCING THE FAMILIAR (2012) (houten objecten)

Foundland is het multi-disciplinaire kunst- en designbureau van Ghalia Elsrakbi (SY) en Lauren Alexander (SA) in Amsterdam. Met een achtergrond in grafisch ontwerp, kunst en schrijven geeft Foundland kritische reacties op actuele thema’s. Terwijl ze zich begeven in de wereld van reclame, drukwerk, internet en offline kunstruimtes, ontdekken ze interessante verhalen over Disney, SpongeBob en afvallige soldaten. 

AD: Wat betekent de naam Foundland?

LA: Foundland is voor ons een denkwijze over het creëren van een ruimte die gebruikt kan worden als een platform om na te denken over (visuele) ideeën. Voor ons staat ruimte in verband met politieke scenario’s, maar ook met virtualiteit; alle verschillende plekken die we bewonen.

GE: Foundland heeft ook te maken met het vinden van iets, over het ontdekken van iets nieuws, het op zoek gaan naar wat schuilgaat achter dingen. Wij zijn met name geïnteresseerd in speculatie. We speculeren over beelden en hun betekenis, om op die manier iets onverwachts te vinden.

AD: Wat proberen jullie te vinden en te vertellen?

LA: We willen verhalen die steeds terugkomen in  de media op een nieuwe manier vertellen, om zo een alternatief perspectief te bieden.

GE: Met de installatie Journey to Ard al Amal (The Land of Hope), die we presenteerden tijdens Impakt Festival in Utrecht, zijn we bijvoorbeeld gaan kijken naar de rol van populaire personages en animaties, in relatie tot onze voorstelling van helden en schurken. We hebben de geschiedenis van cartoons onderzocht en het bleek dat veel westerse iconen zijn gesynchroniseerd in Japans en Arabisch en dat veel cartoonfiguren zijn afgeleid van Walt Disney. Dit lijkt in eerste instantie niet politiek, maar toen we zagen hoe cartoons worden gebruikt in Syrië en andere plaatsen kwamen er interessante kwesties boven. Hieruit hebben we een verhaal geconstrueerd dat de huidige situatie reflecteert. We hebben gezocht naar de relatie tussen de manier waarop mensen stripfiguren nu zien en hoe ze verankerd zijn in herinneringen. Wat wij uiteindelijk presenteren is een soort denkbeeld van hoe de dingen zouden kunnen zijn, misschien als alternatief voor het kijken naar het nieuws.

AD: Welke beelden hebben jullie precies gezien en hoe hebben jullie ze (her)gebruikt?

LA: Bij deze installatie hebben we ons gericht op het voorbeeld van de Apocalyps en hoe die is beschreven in het Arabische stripverhaal Adnan & Lina. In een eerder onderzoeksmagazine, Simba, the last Prince of Ba’ath country, hebben we beeldmateriaal en personages van Arabische websites gehaald en gespeculeerd over appropriation, het moment voordat de originele afbeeldingen gefotoshopt werden. Ook hebben we een verband gelegd tussen het plotseling opduiken van westerse stripfiguren in nieuwsbeelden en hoe activisten een cartoonidentiteit op internet gebruiken. 

GE: Tegenwoordig worden enorm veel westerse stripverhalen bewerkt; in Syrië worden bijvoorbeeld beelden van Mickey Mouse of SpongeBob op muren geschilderd. In een lezing die we naar aanleiding hiervan gaven vroegen we ons af of het wel dezelfde Mickey Mouse uit onze kindertijd is die we zien, of dat het ergens anders voor staat. We hebben de beelden vergeleken en verbonden aan de manier waarop dergelijke iconografie wordt hernomen en gebruikt door activisten en de heersende macht. Dergelijk hergebruik van symbolen en afbeeldingen en hoe historische gebeurtenissen soms worden omgezet in totaal iets anders vinden we erg interessant. 

AD: Er bestaat ook een lange en populaire traditie van autonome animatie in het Midden-Oosten, kijken jullie daar ook naar? 

LA: Cartoons hebben een hele andere functie in bijvoorbeeld Syrië en Zuid-Afrika. In tegenstelling tot in Nederland, vormen ze een grote bedreiging voor de machthebbers. De regering vervolgt bijvoorbeeld voortdurend politieke cartoonisten zoals de Syrische Ali Farzat en de Zuid-Afrikaanse Zapiro omdat hun cartoons bestaande machtsstructuren ondermijnen. 

GE: Er zijn inderdaad veel kunstenaars die politieke cartoons of satirische statements maken, maar bij deze Disney-tekenfilms draait het om het ontdekken van het verborgen verhaal van een afbeelding. Wij erkennen de cartoons vanuit zowel een westers als een lokaal perspectief. Door het leggen van verbanden en het vertellen van een ander verhaal willen we een nieuw perspectief en een beter begrip van wat er werkelijk gebeurt bieden.

Zelf ben ik voornamelijk opgegroeid met Japanse Manga, maar momenteel is vooral Disney alomtegenwoordig. Dit heeft ook te maken met politiek, omdat in de tijd dat Hafez Al-Assad president van Syrië was er niets aan Amerikaanse cultuur te vinden was. Toen hij stierf opende zijn zoon het land enigszins voor de westerse markt en werden er Amerikaanse programma’s uitgezonden. Maar alles is gesynchroniseerd in het Arabisch, waardoor kinderen het niet perse als iets Amerikaans herkennen. Ook worden verhalen en woorden soms aangepast, zodat ze meer betrekking hebben op Arabische landen.

LA: Het verband met Amerika is niet direct duidelijk. Waar we ook achter zijn gekomen, is dat figuren als SpongeBob en Mickey Mouse vooral vriendelijke personages zijn. Ze zijn je vriend en ze helpen je.

GE: Dat is ook de reden dat ze worden gebruikt in dit freedom fighting proces. Het zijn ‘je vrienden’ die de vlag van de vrijheid dragen en ze worden gebruikt om een soort identificatie te creëren met de boodschap die ze willen dat je ziet. Ik bedoel, het is moeilijk om deze figuren te haten of niet te vertrouwen, omdat ze de afspiegeling van vriendelijkheid zijn. De afbeelding van een politicus of een andere held die een persoonlijk verhaal vertelt kan gemakkelijk aangetast worden, maar een cartoonafbeelding is onaantastbaar. Het spreekt kinderen aan die betrokken zijn bij de revolutie. Al deze beelden bestaan uit meerdere lagen en ze roepen interessante vragen op. We zijn niet op zoek naar het ware antwoord, want uiteindelijk maken we ons eigen verhaal.

AD: Kun je spreken van een soort universeel populisme?

GE: Er zijn veel verschillende beelden, in Syrië zijn afbeeldingen van ‘de Leeuw’ en ‘de Vader en de Zoon’ populair, maar ook bijvoorbeeld standbeelden die je ziet in openbare ruimten. Deze worden allemaal in een digitale vorm gegoten en gaan deel uitmaken van de revolutie. Mensen denken vaak dat het nieuwe beelden zijn, maar als je ze vergelijkt met de oorspronkelijke weerspiegelt het in hoge mate de ideologie van het regime. Door ze in een andere context te plaatsen, proberen we mensen te dwingen om de beelden en de verhalen in twijfel te trekken.

LA: Ik was in Zuid-Afrika toen we bezig waren een propagandatekst om te zetten in een fictief interview en ik vroeg mijn moeder om het te lezen. Ze zei: ‘Dit is wat de overheid altijd vertelde tijdens de apartheid, ik herken dit.’ Dit gaf heel duidelijk de universele context weer. We zijn zo gewend aan reclame en iconografie dat we het niet in twijfel trekken en vaak de betekenis negeren.

AD: Wat is jullie nieuwe context?

LA: Tot nu toe is ons werk gepresenteerd in een westerse context binnen het kader van festivals of kunstruimten.

GE: We wilden het aan een westers publiek laten zien, maar nu willen we ook zien hoe het werkt als we naar Syrië of het Midden-Oosten gaan. Dit zal een uitdaging zijn, want we moeten een manier zien te vinden om het weer terug te vertalen. We hebben bijvoorbeeld al een paar keer geprobeerd teksten te publiceren, maar de verwachting is heel anders. Verhalen worden daar veel directer en letterlijker verteld; je zegt precies wat je bedoelt, niet op de manier zoals we het hier doen, namelijk tussen de regels door lezen.

AD: Is dat ook de reden waarom jullie op zoveel manieren werken, van installaties en print tot lezingen en video?

LA: Ja, een groot deel van ons werk gaat over het experimenteren met hoe visuele informatie werkt. We beginnen vaak met ‘iets’ dat we online hebben gevonden. We vinden een heleboel informatie en dan gaat het om het vinden van het juiste moment, tijd en plaats om het te presenteren.

GE: Elke keer proberen we te bepalen wat de beste manier is om onze boodschap te presenteren. Het is interessant om het gehele onderzoeksproces bloot te leggen; het is niet alleen een eindresultaat dat wordt gepresenteerd. Nu zijn we bijvoorbeeld bezig met het verzamelen van een heleboel films over afvallige soldaten die het officiële Syrische leger verlaten en toetreden tot het vrije leger. Wat ons opvalt, is dat het vrije leger alleen online zichtbaar is, op YouTube. Wij zijn geïnteresseerd in hoe een identiteit van een leger dat echt bestaat en allerlei soorten activiteiten uitvoert, voornamelijk plaatsvindt op YouTube. We willen verhalen verzamelen om mensen te helpen dit beeld te begrijpen, waarom ze worden gemaakt, en om na te gaan denken over wat dit voor ons betekent.

AD: Herinneringen ophalen en mensen confronteren? 

GE: Toen we begonnen met het cartoonproject merkten we dat mensen online hun identiteit verbergen achter populaire cartoonmaskers. Het ging echt over hoe mensen internet gebruiken.

LA: We ontdekten dat het gebruik van internet niet altijd gaat over de technische functies van connectiviteit, distributie, uploaden en ‘liking’

GE: Bijvoorbeeld Syriërs gebruiken internet vooral voor emotionele steun. Een paar maanden geleden was er in heel Syrië geen internetverbinding, wat emotioneel gezien heel veel betekende omdat mensen in het buitenland de binnenlandse berichten niet meer konden lezen. De revolutie is niets zonder deze contacten. Ineens werd er een Facebook-campagne gestart met de naam ‘Hier is Damascus’. Aanvankelijk begreep ik het niet, maar het bleek om een verwijzing te gaan naar een gebeurtenis die in de jaren 60 in Caïro heeft plaatsvonden. Terwijl het land in oorlog was met Israël werden de radioverbindingen verbroken en was er geen communicatie in de stad. Toen veranderde Damascus de naam van hun radio station in ‘Cairo radio’. Een politiek statement, zoals een re-enactment, werd nu gemaakt op Facebook. Internet bestaat uit allerlei verschillende lagen, van het nadenken over geschiedenis tot het tot leven brengen van gebeurtenissen. 

Vertaling Engels-Nederlands: Mart Dekkers

Voor meer werk en updates van Foundland raadpleeg de website www.foundland.info.

Fotografie: Pieter Kers voor Impakt
Fotografie: Pieter Kers voor Impakt
Maarten Rots, YELLOW FLOWERS (2013)

Aan het Krugerplein in Amsterdam-Oost zit BERM Collectief: een sympathiek kunstinitiatief dat Lotte Nijhof en Marieke Zwart oprichtten na hun afstuderen aan de Rietveld Academie. Er zijn ateliers en regelmatig worden jonge, nog niet gevestigde kunstenaars uitgenodigd er te werken en exposeren. Het niveau van de tentoonstellingen wisselt – wel worden bezoekers van openingen altijd even hartelijk ontvangen met zelfgemaakte gehaktballen. De DIY-mentaliteit is kenmerkend voor BERM en de exposerende kunstenaars, net als experimenteerdrift en sociale betrokkenheid. 

Onlangs opende de tentoonstelling Esthetics of the self-timer and other works with found images van Maarten Rots (1982). De titel geeft precies aan wat er te zien is: kunstwerken die zijn opgebouwd uit gevonden beeldmateriaal. Uitgangspunt voor de werken vormt Rots’ enorme collectie oude dia’s, bij elkaar gesprokkeld op rommelmarkten en in kringloopwinkels. Hij selecteerde fascinerende familiekiekjes van vakanties, foto’s en interieurs uit vervlogen tijden, die qua vorm of inhoud een interessante overeenkomst hebben. Zo bestaat de imposante installatie Yellow Flowers uit vijftien diaprojectoren die door middel van een collageachtig panorama een gelaagd beeld vormen van een gezin in een ouderwets interieur met bloemetjesgordijnen, bruine meubelen en een vrouw onder een droogkap. De beelden overlappen; dezelfde personen en elementen uit de woonkamer, zoals een bos felgele bloemen, zijn steeds opnieuw te zien. Samen schetsen ze een nostalgisch, sferisch beeld van het interieur en haar bewoners.

Het werk in de ruimte ernaast is juist heel klein: een enkele dia, niet geprojecteerd, maar in een diaviewer aan de muur. Dit dwingt de bezoeker het beeld van heel dichtbij met één oog toegeknepen te bekijken. Het effect is vergelijkbaar met het loeren door het gat in de deur van Marcel Duchamps Étant Donnés: als ultieme voyeur sla je een intiem tafereel gade. De dia toont een jonge vrouw die op de grond ligt, naakt op enkele sieraden na. Haar hoofd is niet zichtbaar. De dia is beschadigd, het beeld vertoont kreukels en gaten. Rots trof de dia op straat aan. Het maakt nieuwsgierig naar het verhaal erachter: wie fotografeerde deze vrouw zo teder, en waarom bleef haar hoofd buiten beeld? Hoe is het liefdevolle portret op de stoep beland? En hoe toevallig is het dat deze juist werd gevonden door een kunstenaar die met oude dia’s werkt?

Het meest omvangrijke werk in de tentoonstelling is Esthetics of the Self-timer, waarin foto’s bijeen zijn gebracht die het resultaat zijn van mislukte pogingen met de zelfontspanner. Een dia waarop de fotograaf zich net te laat bij een groepsportret probeert te voegen, bracht Rots op het idee om dit soort foto’s te verzamelen en te onderzoeken. Hiervoor struinde hij het internet af. Waar sommigen beweren dat de digitale camera de mislukte foto liet uitsterven, bewijst de collectie digitale zelfontspannerfoto’s van Rots het tegendeel. Het is fascinerend dat mensen deze foto’s op internet zetten; blijkbaar zijn veel fotografen niet kritisch en uploaden ze geheugenkaarten in hun geheel naar Flickr of andere sites.

De afbeeldingen zijn in een ruimtevullende installatie gearrangeerd, waarbij een ordening is aangebracht tussen verschillende zaken die mis kunnen gaan bij zelfontspanner-foto’s. Zo is er een grote collage van foto’s die de rug tonen van de wegrennende fotograaf. Ook zijn er unheimische portretten van vrouwen die zichzelf in hun woonkamer hebben gefotografeerd, uitdrukkingsloos, waarschijnlijk om hun outfit te kunnen bekijken. De installatie bevat ook veel grappige beelden, zoals foto’s waarop honden niet meewerken aan een familieportret, of waar net een scootmobiel voor de camera langs rijdt. Tevens is er een reeks met niet kloppende composities door verkeerde plaatsing van de camera: deze foto’s selecteerde en arrangeerde Rots op grafische wijze. 

Esthetics of the Self-timer is een verrassend sterke tentoonstelling. Maarten Rots eigent zich beeld van anderen toe, en gebruikt dat materiaal naar eigen zeggen zoals een schilder verf gebruikt. Hij laat het ongewone in gewone foto’s zien. De betekenis van de beelden verandert zodra ze vanuit de privésfeer in het publieke domein belanden. Het werk roept vragen op over je eigen familiealbums: zou het erg zijn wanneer die na je dood op straat belanden? En waarom zetten we foto’s zo massaal op internet, waar iedereen ermee aan de haal kan gaan? Het loont de moeite af te reizen naar het Krugerplein: een bestemming die nog buiten de gangbare Amsterdamse kunstroutes ligt, maar in de toekomst wel eens een vaste stop zou kunnen worden.

Maarten Rots, ESTHETICS OF THE SELF-TIMER (2013)
Maarten Rots, overzicht (2013)

BYOB, overdaad schaadt

Constantijn Smit

In haar reactie op mijn recensie van Bring Your Own Beamer (BYOB) in Tubelight #84 stelt Fenna van de Berg dat BYOB meer is dan een cultureel feestje, en een specifieke functie heeft die het publiek leert om te gaan met nieuwe en ontregelende zintuiglijke ervaringen. De overvloed aan beeld en geluid moet de bezoeker laten wennen aan de nieuwe wereld, doordrenkt van internet en fragmentarische in-your-face media. Deze ‘culturele normaliseringsmachines’ lijken allemaal aan te sturen op gewenning door middel van overdaad. De bezoekers van de Trans-Siberian Railway Panorama, de Moviedrome en nu BYOB worden overladen met veel en snel beeld en geluid. De vraag is of een dergelijke methode tot culturele gewenning wel het doel moet zijn van de autonome kunst.

Het dystopische toekomstbeeld dat ik schets in mijn stuk is vooral het gevolg van het in het extreme doorvoeren van de huidige bekende weg. Alle hierboven genoemde evenementen zijn soortgelijke snelle samenvattingen van de tegenwoordige tijd. In deze vorm zou een moderne supermarkt ook een culturele normaliseringsmachine zijn voor de klant van de kruidenier uit het verleden. Of een expositie als een trendwatcher die de toekomst probeert te voorspellen, aan de hand van het extrapoleren van het heden.

Natuurlijk zal een dergelijke confrontatie met overdaad een functie hebben voor het begrip van de wereld waarin wij nu leven. Maar het doel van kunst is mijns inziens niet ‘gewenning’. Kunst dient eerder de vervreemding. Juist de autonome kunst zou in staat moeten zijn om te breken met de dagelijkse werkelijkheid en het toekomstbeeld dat hierop gebaseerd is. Kunst die zodanig verschilt van het bekende heden, dat het (aanvankelijk) niet te vatten is binnen de huidige kaders.

Bring Your Own Beamer is ideaal als open platform voor de experimenten van kunstenaars, en heeft zeker een goede (en leuke) functie naast de bestaande instituten. Toch denk ik dat de bovengenoemde niet-te-vatten kunst niet tot volle wasdom kan komen bij BYOB. Het spektakel en de kakofonie van het totaalkunstwerk zal altijd de boventoon voeren die mogelijke nieuwe kunstervaringen in de weg staat.

Dit is een reactie op Fenna van den Bergs ingezonden artikel BYOB, meer dan een feestje. Hierin reageerde zij op Constantijn Smits recensie Een dystopische caleidoscoop, verschenen in Tubelight #84.

BYOB, meer dan een feestje

Fenna van den Berg
Transsiberian Railway Panorama (1904)

Door Bring Your Own Beamer te typeren als een dystopische caleidoscoop doet Constantijn Smit de expositie tekort. Dat is jammer, want als Gesamtkunstwerk én als open platform voor de individuele kunstenaar is BYOB interessant.

Culturele normaliseringsmachines, zo worden ze door Petran Kockelkoren getypeerd: evenementen die ervoor zorgen dat het publiek leert wennen aan onbekende en ontwrichtende zintuigelijke ervaringen. Kockelkoren, hoogleraar Kunst en Technologie aan de Universiteit Twente, gebruikt in zijn boek Techniek: kunst, kermis en theater (2003) het Trans-Siberian Railway Panorama als voorbeeld. Aan het begin van de vorige eeuw werd de trein, samen met het landschap dat met grote snelheid aan de treinreiziger voorbijtrok, in de vorm van een attractie tentoongesteld. De bezoekers van de wereldtentoonstelling in Parijs konden plaatsnemen in nagemaakte treincoupés. Al kijkend naar voorbij rollende geschilderde panorama’s beleefde men een gesimuleerde treinreis en de daarbij optredende desoriënterende ervaring. Het publiek maakte zich een nieuwe, tot dan toe onbekende zintuigelijke beleving eigen.

In het huidige digitale tijdperk moeten we een weg zien te vinden in de chaos van gefragmenteerde informatie en beelden die via de nieuwe media op ons af komt. We zullen ons in de toekomst bevinden in een wereld die omgeven en doordrenkt is van informatie, aldus Rafaël Rozendaal die het concept van BYOB bedacht. Net als de eerste treinreizigers raken we gedesoriënteerd door de voorbijrazende stroom aan informatie en zijn we uit het lood geslagen bij de snelle introductie van nieuwe technologieën. Om vertrouwd te raken met deze ontregelende zintuigelijke ervaring van een niet-weg-te-klikken vorm van internet hebben we culturele normaliseringsmachines nodig. Het is dan ook fijn dat BYOB, de moderne variant op het Trans-Siberian Railway Panorama, zijn werk doet. Op vermakelijke wijze kunnen we vertrouwd raken met een nieuwe manier van zien, horen en voelen.

De opgewektheid waarmee Rafaël Rozendaal een glimp probeert te tonen van een toekomst doet denken aan het technologisch optimisme waarmee experimenteel filmmaker Stan Vanderbeek in 1963 de Moviedrome ontwikkelde. Om de visuele horizon te verbreden en de visuele ervaring te versterken, en op die wijze uiteenlopende werelden dichter tot elkaar te brengen, projecteerde Vanderbeek op de binnenwanden van een koepelvormig gebouw een voortdurende mix van willekeurig geselecteerde nieuwsbeelden, televisiereclames, found footage en Hollywoodfilms. De foto’s uit 1965 van de Moviedrome tonen het publiek liggend op de vloer omringd door een chaos aan beelden en apparatuur.

De sfeer en de entourage zijn vergelijkbaar met die van BYOB in de voormalige fabriekshal in Utrecht. Constantijn Smit beschrijft deze als chaotisch, leuk en vooral informeel. Rozendaal noemt het een viering van de nieuwe wereld waarin wij leven. Beide zijn beschrijvingen die associaties met een feestje oproepen. De interactie met het publiek die vereist is om het feestje compleet te maken verhoogt het entertainmentgehalte en maakt van BYOB een waar spektakel. De stem van een curator die de kwaliteit van het getoonde werk kan waarborgen ontbreekt, en zo ontstaat een beeld dat zich steeds verder verwijdert van het klassieke begrip van een kunsttentoonstelling. Wanneer BYOB als geheel wordt beschouwd en de culturele normaliseringsmachine zijn werk heeft gedaan, bestaat het gevaar dat dit evenement uiteindelijk verwordt tot vermakelijk maar oppervlakkig amusement.

Als bezoeker van BYOB kun je twee dingen doen: je laat je onderdompelen in het audiovisuele spektakel van het geheel, of je maakt aandachtig en geconcentreerd een rondje langs de individuele werken. Ik besloot het laatste te doen en werd mij bewust van een heersende do it yourself mentaliteit. Gecombineerd met de mogelijkheden van digitale media zorgt deze instelling ervoor dat kunstenaars voortdurend op zoek zijn naar gelegenheden om hun werk te verspreiden en te tonen, zonder tussenkomst van een galerie of museum – instituten die zich in het algemeen moeilijk verhouden tot mediakunst. BYOB hoeft de bestaande expositieruimtes of musea niet te vervangen, maar functioneert als democratisch platform voor de mediakunstenaar prima naast de bestaande instituten. De artistieke intentie van de deelnemende kunstenaars voorziet BYOB van inhoud, waarmee het evenement meer is dan oppervlakkig vermaak.

Dit is een ingezonden reactie op Constantijn Smits recensie Een dystopische caleidoscoop, verschenen in Tubelight #84.

Moviedrome (1965)
Zarina Bhimji, WAITING (2007). Courtesy Zarina Bhimji

Monumentale projecties. Haarscherpe shots van vervallen architectuur uit een koloniaal verleden. Een indrukwekkende soundtrack van diep, donker geroffel en galmende samples van buitengeluiden, historische speeches, vogelgeroep en zang. Zo zou je de films van Zarina Bhimji (1963) kunnen omschrijven.

Bhimji is fotograaf, filmmaker en installatiekunstenaar. In haar werk onderzoekt ze locaties met een koloniaal verleden; hierbij hanteert ze een documentaire benadering die feitelijkheden registreert, maar afziet van commentaar. Op deze manier laat Bhimji de poëtische en esthetische elementen van een plaats (zoals kleur, textuur en ritme) de hoofdrol spelen. 

Voor haar werk Waiting (2007) week Bhimji niet af van deze benadering. De film begint met een shot van een vervallen plafond van golfplaten terwijl de soundtrack een gekletter van regen suggereert. De camera beweegt langzaam door het interieur van een oude fabriek vlakbij Nairobi, Kenia. Er valt licht door de open ramen en door de gaten in de muren. Verder ligt de fabriek bezaaid met stof en witblond, vlassig sisal. Sisal, ooit een van de belangrijkste Keniaanse exportartikelen, is een bladvezel dat wordt gewonnen uit een Agaveplant voor de productie van touw. Het werd in de 19e eeuw naar Afrika  gebracht onder het Britse en Duitse koloniale bewind. De film toont hoe het zonlicht en de wind met het engelhaarachtige materiaal spelen. 

In de eerste plaats een formele keuze, vertelt Bhimji tijdens een interview, pas na haar reis door Kenia verplaatst ze zich voor de montage van het materiaal in de positie van een jonge Afrikaan in een koloniale omgeving en associeert ze de dikke bossen sisal met het gesneden haar van Europese kolonialisten.

De film wordt begeleid door een indringende soundtrack. Het ritmische getik van roestig metaal, geluidsfragmenten van golven die op de branding slaan en het wrijvende geluid van een dikke donsdeken, transformeren het open interieur in een reeks claustrofobische ruimtes.

Yellow Patch (2011) is een losse schets over de handels- en migratieroute tussen India en Oost-Afrika, een onderwerp uit Bhimji’s familiegeschiedenis. In het begin van de twintigste eeuw kon haar vader, zoals veel Indiërs onder het Brits gezag, reizen vanuit India naar de grenzen van het koloniale rijk van Groot-Brittannië. 

De eerste beelden van de film tonen het Victoriaanse interieur van een verlaten Brits administratiekantoor in Mumbai. Vervolgens zien we een statig huis in de regio Gujarat (aan de grens van Pakistan), waarbij de aandacht met name is gevestigd op het verval en afwezigheid van de bewoners. De film sluit af met beelden van de havenstad Mandvi, waar veel Indiase immigranten aan boord gingen voor hun reis naar Afrika. In totaal bestaat het werk uit verschillende shots van vier locaties die met een traag tempo en zorgvuldig camerawerk in beeld worden gebracht. Door het ontbreken van informatie is de film een visueel scala van geografische plekken.

De soundtrack is net als in Waiting indrukwekkend en immersief: Naast diep gerommel, alsof muren bewegen en de aarde uiteensplijt, horen we voice samples van spirituele en politieke leiders uit het postkoloniale verleden. 

De kracht van het werk van Bhimji zit in de combinatie van documentatie en sensatie. Hierin schuilt echter een gevaar: wanneer de balans doorslaat raakt de toeschouwer oververmoeid van het een of het ander. De Kunstenaar heeft tijdens het maken van Yellow Patch deze valkuil niet helemaal weten te omzeilen. De film doet sterk denken aan The Leopard (Western Union: Small Boats) (2007) van de Britse kunstenaar Isaac Julien. Net als Bhimji brengt hij op esthetische wijze de problematische geschiedenis van een migratieroute in beeld. Met de vele locaties, de cinematografische muziek en het glossy camerawerk is Yellow Patch met een duur van bijna een half uur misschien net iets teveel van het goede. 

Waiting heeft een sterkere focus door één duidelijke protagonist (de sisal) die op de eerste plaats beeldend interessant is, maar tegelijkertijd het verhaal vertelt over een koloniale economie. Deze korte film van bijna acht minuten is hierdoor een interessante tussenvorm tussen beeldend experiment en narratief, ofwel: het verhoudt zich tussen een schilderij en een film. 

* De tentoonstelling van Zarina Bhimji is opgesplitst in twee delen: van 17 november tot 3 februari toonde de Appel Yellow Patch, van 5 februari tot 31 maart is Waiting te zien.

Zarina Bhimji, WAITING (2007). Courtesy Zarina Bhimji
Zarina Bhimji, YELLOW PATCH (2011). Courtesy Zarina Bhimji
Zarina Bhimji, YELLOW PATCH (2011). Courtesy Zarina Bhimji
Elian Somers, KALININGRAD - BORDER THEORIES (2009-2013)

Border Territories; zo zou de huidige fototentoonstelling in Stedelijk Museum Bureau Amsterdam van de architect en fotografe Elian Somers (1975) ook genoemd kunnen worden in plaats van Border Theories. In de tentoonstelling onderzoekt Somers de eeuwige strijd van de Russen om hun territoria te behouden en uit te breiden. Dit doet ze aan de hand van drie verschillende steden, namelijk de stad Birobidzjan gelegen in het Joodse Autonome Oblast dat grenst aan China, de havenstad Kaliningrad aan de Oostzee, en de stad Joezjno-Sachalinsk gelegen op een eiland ten noorden van Japan. Aan de hand van deze steden legt Somers de bouwkundige gelaagdheid van het land vast. Met andere woorden: de verschillende stadia van bouwprocessen, zowel sloop en wederopbouw, staan centraal in haar foto’s.

Ze doet dit op een haast mystieke wijze. De foto’s zijn bijna allemaal genomen alsof de fotografe haar positie innam vanaf een ruime afstand, veelal omsluierd door de woest begroeide natuur en gehuld in een deken van mist. De weelderige natuur die de gebouwen op Somers’ foto’s omsluiten geven een gevoel van romantische verlatenheid in tegenstelling tot het deprimerende gevoel dat de betonbouw van de Sovjet-Unie meestal geeft. De beelden hebben een poëtische lading, omdat ze doen denken aan het sublieme karakter van Engelse landschapstuinen, maar ze zijn rauwer door de moderne flatgebouwen. Alsof de stedelijke bebouwing en natuurlijke begroeiing niet uit zichzelf op organische wijze met elkaar zijn versmolten, maar misschien wel geheel gepland en uitgestippeld zijn.

Niet alleen door de manier van fotograferen, maar ook door de gebouwen die Somers heeft vastgelegd, lijken de reeks foto’s onderdeel te zijn van één stedelijk gebied. In de foto genomen vanaf een heuvel, zien we een deel van de stad Birobidzjan gelegen in Zuidoost-Rusland aan de grens met China. De veelheid aan identieke witte flats in de foto hebben vreemd genoeg veel weg van de bebouwing van het op 9000 kilometer afstand gelegen Kaliningrad, die Somers in een tweeluik toont. Als forten lijken de identieke flats de grenssteden te bewaken, waardoor de politieke geschiedenis van deze plekken in de foto’s wordt benadrukt. Somers onthult hiermee de politieke macht die gepaard ging met de architectonische aanblik en stadsplanning in de Sovjet-Unie.

Naast de zelfgenomen foto’s bestaat de tentoonstelling ook uit archiefmateriaal. In het midden van de ruimte hangen bedrukte panelen met plattegrondschetsen van Birobidzjan uit de jaren ’30 van de twintigste eeuw van de Zwitserse architect Hannes Meyer. Het is de eerst gebouwde Joodse stad ter wereld op Russisch grondgebied. Het wekt nieuwsgierigheid op over waarom de Joodse gemeenschap dit gebied van Rusland kreeg toegewezen. Omdat het tegen de Chinese grens aan lag? Omdat het ver verwijderd was van de dichtbevolkte landen in Oost-Europa? Het onderzoekende karakter van Somers’ documentatie van de overeenkomsten en verschillen tussen de drie grenssteden wordt hiermee versterkt en zet de bezoeker aan tot het denken over hoe de Russen omgaan met hun territoria en de bevolkingsgroepen die er wonen.

Het is echter een zwart-wit foto van Kaliningrad die tijdens de tentoonstelling het meest in het oog springt. De foto toont het rauwe karakter van de Sovjet stad. Voormalige betonstructuren van ogenschijnlijk één of meerdere viaducten, rijzen als heilzame blokken uit een braak liggend stuk van het stedelijke gebied, omringd door torenhoge flatgebouwen. De met sneeuw bedekte stadsscherven lijken op littekens en geven tegelijkertijd een soort stilte weer, waar je als toeschouwer al gauw langer dan een minuut naar blijft staren.

Het onderzoekende karakter van de tentoonstelling zet de bezoeker aan zich te verdiepen in deze vergelegen en onbekende grenssteden, en dan wordt de titel van de tentoonstelling Border Theories duidelijk. Somers’ fotoreportage is een ware zoektocht naar het achterhalen van gelijkenissen tussen de drie steden en het blootleggen van politieke gebeurtenissen die in de loop van de geschiedenis centraal stonden bij deze grenssteden, en die zich zullen blijven herhalen.

Elian Somers, BIROBIDZHAN - BORDER THEORIES (2009-2013)
Elian Somers, YUZHNO-SAKHALINSK - BORDER THEORIES (2009-2013)
Roger Hiorns, ZONDER TITEL (2011)

De Britse kunstenaar Roger Hiorns (1975) blijkt een man van het grote gebaar in zijn solotentoonstelling in De Hallen. Met vliegtuigmotorblokken, koeienhersenen, bewerkte keukenklokken en door bezoekers te bekogelen met muntgeld verbeeldt hij thema’s als leven en dood, religie en kapitalisme. Het museum plaatst zijn werk in een kunsthistorische traditie door twee installaties van legende Joseph Beuys (1921-1986) parallel te programmeren. Maar biedt deze kleine presentatie voldoende kader om het complexe werk van Hiorns te duiden?

De verwantschap tussen Hiorns en Beuys blijkt bij De Hallen in eerste instantie uit een keuze voor robuuste en dierlijke materialen. Volgens het museum delen Hiorns en Beuys een fascinatie voor ‘processen, rituelen en spiritualiteit’ maar aan de hand van de geselecteerde werken (en door het gebrek aan extra uitleg) overtuigt deze stelling niet. In de benedenzaal staat een werk dat Hiorns speciaal ontwierp voor De Hallen, het bestaat uit drie verschillende stadsbankjes en twee grote motoren. Af en toe neemt een naakte acteur plaats op een van de objecten en steekt hij een klein vuur aan. Het branden van het vuur bepaalt de lengte van de performance; zodra het vuur gedoofd is verdwijnt de acteur.

Boven vinden we Strassenbahnhaltestelle/Tramhalte (1976) van Beuys, een installatie van ijzeren rails, cilinders, stangen en een zuil. Het ijzeren afgietsel van een monument, een herinnering uit Beuys’ jeugd, ligt uitgestald op de vloer. Maar buiten de eerste visuele overeenkomsten, blijft de vergelijking tussen de twee conceptuele kunstenaars te abstract. Wat opvalt is juist het contrast in toon. Waar Beuys poëtisch is zoals ook in de installatie Voglie vedere I miei montagne (1971), klinkt in het veel brutalere werk van Hiorns spot door. Door middel van een verborgen installatie bekogelt hij haast pesterig de bezoekers met muntgeld waarop het woord ‘God’ is weggestanst.
   
Hiorns werk laat zich echter wel goed duiden als we de frictie tussen organische en mechanische elementen beschouwen. Waar dit contrast in de benedenzaal wordt gecreëerd door het lichaam van de performer en de motoren, is de sfeer in de bovenzaal meer morbide. Op de grond liggen organische zonnecellen als krioelende insecten op een hoop. Aan de andere kant ligt een stapel blauwe contactlenzen. Met deze werken lijkt Hiorns zich af te vragen in hoeverre het onderscheid tussen organisch en niet-organisch eigenlijk wel bestaat. In dit opzicht doet Hiorns’ werk sterk denken aan de Franse filosoof Gilles Deleuze, die in veel van zijn theorieën een zelfde argument maakt. Zo spreekt de laatste onder andere van een ‘lichaam zonder organen’, dat geen hiërarchisch afgesloten entiteit is, maar in verbinding staat met een eindeloos netwerk van invloeden van buitenaf en daardoor ook als niet-organisch kan worden opgevat. Waar de filosoof natuurkundige methodes en theorieën toepaste op geesteswetenschappen, gaat Hiorns als scheikundige binnen de kunst aan de slag.
   
Een voorbeeld van een kruising tussen organisch en niet-organisch voor Deleuze is het kristal, dat ook een belangrijk element vormt in het oeuvre van Hiorns. In 2008 maakte de Brit furore met zijn installatie Seizure, die hem een jaar later een nominatie voor de Turner Prize opleverde. Voor Seizure bewerkte hij een appartement met 90.000 liter kopersulfaat. Uit het materiaal groeiden Yves Klein-blauwe kristallen die de woning tot grot transformeerden. De Hallen toont twee vergelijkbare objecten met de door Hiorns gecreëerde natuurlijke kristallisatie; een motor op een houten structuur waar ook een wekker in staat, en een ander met een motor en een voetbal. Hoewel enkel op microscopisch waarneembaar niveau, blijven de kopersulfaatkristallen doorgroeien, de cellen kunnen zich eindeloos blijven delen.
   
Maar Hiorns toont vooral ook organen zonder lichamen. Een serie minimalistische doeken van 40 bij 40 cm lijkt op het eerste gezicht onbewerkt. Maar wie beter kijkt ziet dat een doorzichtige laag verf op het witte doek is aangebracht. Het blijkt het sap van koeienhersenen te zijn. Naar verluidt bezocht de kunstenaar de koeien in het abattoir en sprak hij tegen ze net voor het moment dat zij gedood werden. Hiorns geloofde dat door zijn ingreep zijn beeld zou worden opgenomen in de hersenen van de koe. Het onzichtbare sap op de doeken zou op moleculair niveau zijn evenbeeld tonen. Niet alleen deze schilderijenserie is met het hersensap bewerkt, ook een aantal sculpturen van schuimrubber en een installatie bevatten het materiaal. Het lichamelijke materiaal is vleselijk aanwezig maar heeft ook iets steriels. Vies en schoon tegelijk, weerzinwekkend én aantrekkelijk.
   
Het is niet de vorm of thematiek die het werk van Hiorns interessant en aantrekkelijk maakt. Het is niet de brutale toon, de platte humor of de schrikeffecten. Maar juist dat wat daarachter schuilt, het conceptuele en methodologische. Zoals je bij sommige sciencefictionfilms door de show-effecten moet kijken om de achterliggende thema’s en het grotere plaatje te zien, zo werkt het ook bij Hiorns. En juist ook op het conceptuele en het performatieve vlak zijn er verschillende vergelijkingen te trekken met het werk van Joseph Beuys. Het is een gemiste kans dat De Hallen niet de keuze heeft gemaakt voor werk van Beuys waarin juist de overeenkomstige interesse in alchemistische processen wordt geduid. Nu vormen de installaties een genealogische verwijzing in plaats van een adequaat kader.

Roger Hiorns, ZONDER TITEL (2011)
Roger Hiorns, ZONDER TITEL (2008)

De maat der dingen

Barbara Visser

Tijdens het protest tegen de bezuinigingen op de kunsten bleek vrijwel niemand bij machte om het belang van kunst op een goede manier in woorden (kaalslag!), aantrekkelijke beelden (sexy!) of effectieve acties (schreeuw!) om te zetten. Iemand schreef dat het ontluisterend was dat een hele beroepsgroep gediplomeerde kunstenaars een reclamemaker moest inroepen om een actie te bedenken. Point taken, maar wat deed ik zelf eigenlijk?
   
Als beeldend kunstenaar zou er niets makkelijker moeten zijn dan iets aardigs over kunst te zeggen. Maar het valt me zwaarder dan ik dacht, waarschijnlijk komt dat door de voorspelbaarheid van het uitgangspunt. Iets negatiefs zeggen zou veel makkelijker zijn, conflict is per definitie spannender dan consensus. Wie was ook weer de beroemde schrijver die, gevraagd naar auteurs die hij zelf bewonderde, zei: ‘ik lees niet. Ik schrijf’? Dat was arrogant en vast en zeker gelogen maar ik snap het wel. Dingen zeggen die het wezen van je vak omcirkelen – terwijl je werk daarvan het beste bewijs zou moeten zijn – dat blijft wringen.

CHAOS OF KANS
De afgelopen maanden schreef ik met een collega aan een scenario, waarbij we ons voorstelden hoe de kunstwereld er over tien jaar uit zou zien wanneer de door de politiek ingeslagen weg vervolgd zou worden, en dit lijkt inderdaad het geval. Zoals in veel speeches en publicaties van boze en teleurgestelde makers, borrelde ook hier het woord kaalslag als vanzelf op. Een term die de situatie met een krachtig gebaar neerzet door het oproepen van een desolaat landschappelijk beeld. Dat er een hoop gaat veranderen staat vast. Het is een proces waarvan we over 10 jaar pas echt zullen zien wat de gevolgen zijn. Zien we dan kaalslag, totale chaos of juist radicale vernieuwing?
   
Met het scenario wilde ik een handreiking doen aan mensen die zich afvragen waar het nu precies om draait bij het geheimzinnige kunstgenootschap. Ik stelde me voor dat de tekst een soort kaart zou kunnen zijn om opnieuw een spoor te ontdekken dat de achterblijvers nog ergens vaag bekend voor zou komen. Door hen te laten reizen, alleen met de blik over de kaart en daarop de wildste ervaringen te projecteren. Geen Art for Dummies, maar een plan waarmee de toeschouwer zelf een route zou kunnen uitstippelen.
  
TOESCHOUWERS VERSUS SUPPORTERS
Terwijl ik het woord toeschouwer opschrijf dwalen mijn gedachten af. Opeens is het woord meer dan een achteloze klank. Een toeschouwer is een stilstaande figuur, een passieve kijker aan wie de actie voorbij trekt. De toeschouwer staat langs de weg wanneer de kunstenaar passeert, als getuige van diens exhibitionisme. Maar het kan nog erger: in dat geval heeft de toeschouwer zich verplaatst naar het wegrestaurant verderop, met het idee dat de actie ook wel van achter het raam te volgen is, mocht het nodig zijn. Wanneer je gelukkig bent met het onderzoeken van de wereld en het vormgeven aan de representatie daarvan, is dat voor de kunstenaar geen reden tot frustratie. Nu echter blijkt dat de passieve toeschouwer de kunst als oneetbare kers op de slagroomtaart naast het schoteltje heeft gelegd, en de politiek overeenkomstig handelt, realiseert de kunstenaar zich plotseling, dat hij niet alleen toeschouwers, maar ook supporters nodig heeft.

GEDATEERDE TOEKOMST
Terug naar ons toekomstscenario ‘2023’. De setting zag er aanvankelijk somber uit: geruïneerde musea, verkrotte galeriepanden, verarmde kunstenaars en stuurloze curators. Maar zoals wel vaker met toekomstscenario’s, klonk wat we geschreven hadden niet verlicht en visionair maar juist wild gedateerd. De oubolligheid van het toekomstbeeld had twee duidelijke oorzaken: het is altijd een samenstelling van reeds bekende elementen uit verleden en heden, en ieder doemscenario wordt door conservatieve gevoelens opgeroepen: angst voor het onbekende. En als er iets is waar de kunstenaar van leeft, dan is het wel de zucht naar het ontdekken van het onbekende, hoe klein en op het eerste gezicht onbetekenend ook.
   
Al schrijvend kwamen we al snel tot de slotsom dat de donkere wolkenlucht die we schetsten ongeloofwaardig overkwam. Het sombere beeld ging voorbij aan een van de belangrijkste kwaliteiten van de kunst, de eigenschap die haar status en vrijheid geeft maar ook eenzaam en onbemind maakt: onafhankelijkheid en wendbaarheid.
   
Door middel van onze gemankeerde fantasie proberen we ons een beeld te vormen van ons toekomstig professioneel landschap. De zeventiende-eeuwer maakte zijn schilderijen al ‘uyt den gheest’ – verf in een tube kwam pas tweehonderd jaar later op de markt. En net zoals wij veertigers tien jaar geleden eerst naar huis fietsten om te kunnen telefoneren, moest de landschapsschilder op een holletje naar zijn atelier om het landschap en de wolkenlucht te schilderen die hij eerder had waargenomen. De onbedoelde winst daarvan was dat de schilder het idee van dat landschap kon weergeven zoals hij het zich wilde herinneren, niet hoe het landschap er werkelijk uitzag. Door die projectie onderscheidt het werk zich van de louter vakkundig nageschilderde werkelijkheid. Het is geen verzinsel, maar een projectie van de wereld, door de ogen van de kunstenaar.
   
Het belang van kunst is moeilijk te overschatten. Zonder kunst hadden we niet het rijke perspectief op onszelf en de wereld dat we nu hebben. Dat durf ik te zeggen, want ik ben zelf kunstenaar. Wanneer je met dit soort subjectieve maatstaven aankomt om een belang te verdedigen sta je tegenwoordig behoorlijk voor schut, dus houden de meesten wijselijk hun mond. Data en gemiddelden zijn een belangrijk maatschappelijk kompas: alle denkbare keuzes worden erop gebaseerd, ook al geven behaalde resultaten uit het verleden, zo wordt er altijd met een dun stemmetje bij vermeld, geen garantie voor de toekomst.
   
De veranderlijkheid, flexibiliteit en inventiviteit van kunst is haar grootste troef en valkuil tegelijk: voor laag-ingewijden lijkt het op een spel waarvan de regels steeds veranderen. Het feit dat de enige regel is dat er geen regels zijn (…..), werkt in het beste geval desoriënterend voor een publiek dat in toenemende mate wil weten waar het aan toe is, en in het slechtste geval als een rode lap op een stier. Maar wat belangrijk is, is dat er dingen kunnen en mogen bestaan die niet in staaf- of taartdiagrammen passen. Die zich aan het alomtegenwoordige ‘meten = weten’ onttrekken. Hoewel dat op het moment niet als kwaliteit op zichzelf wordt gezien, kan ik op dit moment eigenlijk geen betere definitie van beschaving bedenken!
   
DE MARKT ALS DE MAAT DER DINGEN
Tijdens het documentairefestival IDFA zag ik een Russische film getiteld Tomorrow. Een Russische regisseuse had me de avond ervoor verteld hoe dramatisch slecht de situatie daar was voor film- en andere makers. Tomorrow liet zien dat het iemand tegen de klippen op toch gelukt was. Het was een lange film, negentig minuten, maar de creditlijst was de kortste die ik ooit gezien heb: ‘Regie’, ‘Camera’, ‘Scenario’, ‘Montage’ en ‘Productie’: Andrey Gryazev. Inderdaad, met een redelijke camera en een scherpe blik kun je zonder geld een heel eind komen.   

Regisseur Gryazev volgde anderhalf jaar lang een groepje leden van de Russische kunstenaarsclub Voina (‘Oorlog’), waarvan ook de drie vrouwen van Pussy Riot, recent veroordeeld tot twee jaar werkkamp, deel uitmaakten. De enige werkwijze die voor hen, in het Rusland van vandaag, relevantie heeft, is om uit protest tegen de zittende macht hun tijd te steken in het organiseren en uitvoeren van verregaande vormen van sabotage, die vaak meer op vandalisme lijken dan op kunst. Alle raffinement is weggesleten. Of het goede kunst is ligt aan de maatstaf die je gebruikt. Niet naar de westerse maatstaven waarbij concept, esthetiek en verhandelbaarheid centraal staan. De maatschappelijke relevantie van dit onbeholpen gerommel is echter hoog, gezien de bijval die de groep vanuit de samenleving krijgt.
   
Natuurlijk gaat de kunstenaar door, ook tegen de wind in, misschien zelfs wel twee keer zo hard. Dat lijkt een oplossing, zij het dat deze tijdelijk van aard is. Want wat daarin niet wordt meegenomen – en dat ligt voor de hand als je de problemen op de geld- en vastgoedmarkt beziet – is dat de samenleving op cultureel krediet gaat leven bij de producenten van beeld, muziek, tekst. De eerste jaren zal men opgetogen zijn over zoveel initiatief en professionaliteit in de kunsten. ‘Zie je wel dat het kan?!’ horen we dan. Maar de sfeer die kan ontstaan wanneer het cultuurkrediet te laag wordt of de inflatie te hoog, kan de armoedige grimmigheid krijgen van een maatschappij waarin de markt de enige maat der dingen is geworden. Laten we hopen dat er iemand is die ook daar aan denkt.

Dit essay is een Weerwoord dat is geschreven op verzoek van Platform Beeldende Kunst: www.platformbk.nl. ’Weerwoord’ is een initiatief van Platform BK en geeft richting aan het debat rondom kunst en cultuur. Tubelight biedt met enige regelmaat ruimte aan Platform BK voor de publicatie van Weerwoord binnen de rubriek ‘Betoog’.

Handjeklap met champagne

Willemijn van der Zwaan
Supertrash, winter 2013/2014

Vorige week draaide het circus van de fashion week in New York op volle toeren. De blogs staan vol met foto’s van fashionista’s die door de sneeuwstorm naar de shows proberen te komen, en van de nieuwste collecties van ontwerpers als Alexander Wang, Jason Wu en Prabal Garung. Amsterdam beleefde zijn fashion week al weer een paar weken geleden. Dat is voor mij als modeliefhebber een vreemd evenement. Amsterdam valt buiten de hegemonie van New York, Londen, Milaan en Parijs en heeft dus weinig in te brengen op internationaal modegebied. Maar aan de andere kant is het plaatselijk talent niet te versmaden, zoals ook dit seizoen weer bleek.

Claes Iversen toonde een krachtig en elegant silhouet, terwijl de sprookjesachtige creaties van Dennis Diem niet zouden misstaan op de catwalk in Parijs.  Uiteraard waren er ook epische dieptepunten om van te smullen, zoals de Supertrash show, waar modellen in goedkope sm-toga’s op versierde Segways de catwalk op en neer reden. Mijn persoonlijke hoogtepunt van deze Amsterdam Fashion Week was echter dat ik voor het eerst voor een ‘echte’ modeshow was uitgenodigd. Ik mocht naar de show van Marga Weimans: een visueel spektakel, waar de meest ingenieuze architectonische stukken voorbij kwamen op de catwalk.

Terwijl ik daar op de zesde rij zat (een mens is meteen op zijn plaats gezet), kijkend naar wonderbaarlijke creaties en opgesmukte BN’ers front row, moest ik denken aan een artikel van modejournalist Maya Singer waarin ze stelt dat er altijd wel ergens op de wereld een fashion week bezig is. Een modeweek is een evenement waar ontwerpers hun kleding tonen aan inkopers en de pers, wat gepaard gaat met veel modepaparazzi bij de ingang van shows en feestjes tot in de late uren. New York, Londen, Milaan en Parijs zijn van origine dé steden waar de belangrijkste merken hun collecties showen tijdens modeweken, maar door de globalisering van mode de laatste jaren hebben ze niet langer het alleenrecht op talent. De fashion weeks van steden als Stockholm, Berlijn, Kopenhagen en Sydney hebben eveneens een plek op de modekalender verdiend als podia voor upcoming plaatselijke ontwerpers.

Bij de kunstversie van de modeshow, de kunstbeurs, is een vergelijkbare evolutie te zien. In de jaren zeventig bestonden er drie belangrijke beurzen: Art Cologne, Art Basel en Art Actuel in Brussel. Meer waren niet nodig. Ruim veertig jaar later worden er  wereldwijd bijna 200 beurzen per jaar georganiseerd en steeds komen er weer nieuwe bij. Daarnaast zijn er in de laatste decennia zo’n honderd internationale biënnales uit de grond gestampt, die weliswaar niet bedoeld zijn als commercieel evenement, maar wel direct samenhangen met de ontwikkelingen in de kunstmarkt en wat daarin aangeboden wordt.

Er zijn meerdere redenen voor de exponentiële groei van kunstbeurzen de laatste jaren: de noodzaak om een nu-of-nooit situatie te creëren om te wedijveren met veilinghuizen en een manier om het globale bereik van een galerie te vergroten. Beurzen zijn zo essentieel geworden voor de kunstverkoop dat je als galerie gedwongen bent mee te doen, wil je overleven.  Liefst moet een galerie door meerdere beurzen per jaar geaccepteerd zien te worden, die verspreid zijn over meerdere continenten, waar men steeds weer nieuw werk aanbiedt. Dit beursmodel legt een grote druk op galeries: het kost veel geld en mankracht om mee te kunnen doen aan de belangrijkste edities en ook om nieuw werk te kunnen tonen.

Net als fashion weeks bieden tegenwoordig ook art weeks een podium aan lokaal talent. Niet zozeer op de kunstbeurzen zelf, want voor beginnende kunstenaars is het niet makkelijk bij een grote galerie terecht te komen. Wel worden er vaak talloze randevenementen georganiseerd waar de drempel wat lager is om binnen te komen.  Neem Art Rotterdam onlangs: naast het main event in de Cruise Terminal waren er Re:Rotterdam op het Blaak, Art at the Warehouse en Raw Art Fair aan de overkant van de Cruise Terminal en Object Design Fair in het NAi. Kortom: de hele stad stond in het teken van kunst en design tijdens deze Rotterdam Art Week. Dat heeft gewerkt; Art Rotterdam trok een record aantal van 16.000 bezoekers, waarvan de andere initiatieven zeker een graantje van meegepikt hebben.

Rotterdam is niet de enige met zo’n art week. Zo vond vorige week de eerste editie plaats van de Stockholm Art Week (twee weken na Stockholm Fashion Week), waarin verschillende beurzen tegelijkertijd werden georganiseerd, zoals de hedendaagse kunstbeurzen Market en Supermarket, en de eerste editie van PhotoMarket, een fotobeurs in het Fotografiska fotomuseum waar acht van de bekendste fotogaleries ter wereld voor zijn uitgenodigd.

Zowel de mode- als kunstweken zijn fenomenen die veel van hun deelnemers vergen: modejournalisten en inkopers moeten de hele wereld afreizen op zoek naar het nieuwe modetalent en om op de hoogte blijven van de laatste trends. Galeriehouders moeten op hun beurt de aarde rond om mee te doen aan de ene na de andere beurs. Toch levert al die moeite veel op. De shows en beurzen zorgen voor reuring in de tent en ze creëren een buzzy atmosfeer die mensen aantrekt. Veel bezoekers komen vooral voor een hip evenement, maar gaan (al dan niet gepland) alsnog naar huis met een kunstwerk of het voornemen die ene jas aan te schaffen. Ouderwetse handjeklap, kortom – maar dan met veel champagne.

Marga Weimans, winter 2013/2014
Art Rotterdam (Foto: Art Rotterdam)
Art at the Warehouse (Foto: Sophie Zürcher)
Erwin Olaf, BERLIN, PORTRÄT 01 (2012)

Erwin Olaf (1959) geniet al jaren internationaal aanzien dankzij zijn indrukwekkende technische beheersing van de fotografie. Het leverde hem in 2011 de Johannes Vermeer Prijs op voor zijn oeuvre, dat mode-, reclame-, en autonoom werk omvat. Het prijzengeld gebruikte hij om zich te storten in het Berlijn van de jaren 1920 en ’30. De resulterende serie, Berlin, wordt getoond in het Museum voor Moderne Kunst Arnhem.

De serie wordt prachtig ingeleid door een parallelle expositie van neorealistische schilderkunst met de wel erg pseudo-poëtische titel In de schaduw van morgen. ‘Morgen’ is in dit geval de Tweede Wereldoorlog, waarvan de neo- of magisch realisten de dreiging voelden en in hun werk verbeeldden door vooral veelvuldig te verwijzen naar de dood. Berlin handelt over dezelfde tijdsperiode en Olaf liet zich in zijn beeldtaal beïnvloeden door magisch realisten als Carel Willink en Pyke Koch. Hij deelt hun voorliefde voor vervreemdende symboliek en een vergelijkbare dreiging is voelbaar – al gaat deze bij Olaf niet verder dan donkere tinten en Nazi-achtige uitdossingen. De deprimerende boodschap moet bovenal niet te letterlijk, maar wel mooi worden verpakt.

Olaf is zelf de eerste om toe te geven dat hij een estheet is. Diepgang lijkt slechts een bijkomstigheid; het zintuiglijk genot staat voorop. De filmische beelden zijn inderdaad oogstrelend, maar de steriele perfectie gaat vaak ten koste van boodschap en emotie. Gelukkig praat Olaf immer gemakkelijk en verhelderend over zijn werk. Zo ook in de “making of” van zijn laatste serie. In een korte documentaire leren we onder meer dat de vele trappen die hij in Berlijn moest beklimmen erg zwaar voor hem waren vanwege een longaandoening. Dit wetende voelen we ineens de benauwdheid wanneer we hem de trappen bestijgend op de rug zien in Olympia Stadion Westend, Selbstporträt. Kenmerkend voor zijn artistieke voorkeuren is echter ook de manier waarop hij zijn gespierde zwarte model laat poseren: ‘Zet je benen wat meer zó, dan komen je spieren beter uit.’

Een belangrijk aspect bij portretten is de blik van de geportretteerde. In deze serie kijken de afgebeelde personen recht in de camera, of naar elkaar, of helemaal weg. Dat maakt de portretten eenvoudig en begrijpelijk; de zelfverzekerde wijze waarop een strak gekleed jongetje en meisje ons vanuit hun stoelen aankijken maakt de beschouwer ongemakkelijk en onderdanig. De fotograaf draait de rollen tussen kinderen en volwassenen om, een geinig trucje dat de kinderen erg sterk maakt, maar de volwassenen eendimensionaal in hun onderdanigheid. Dit gegeven is moeilijk te verbinden met de motivatie die Olaf zelf voor zijn serie geeft: volgens hem is onze (crisis)tijd vergelijkbaar met het interbellum, en het hedendaagse Berlijn zou net als toen het centrum van Europa zijn. Genoeg reden om je lens op deze stad te richten, maar hier zien we niet erg veel van terug. Berlijn wordt door Olaf vooral gebruikt als nieuw decor voor zijn versie van magisch-realistische schoonheid.

Berlin wordt vergezeld door twee eerdere fotoseries. De personen die figureren in de dubbelserie Dusk en Dawn (2009) kijken, in tegenstelling tot die in Berlin, wezenloos en afwezig in het niets. In de series Rain (2004), Hope (2005) en Grief (2007) was dat nog nieuw en verfrissend, nu dreigt het al een trucje te worden. Met een beetje goede wil zijn deze blikken contemplatief te noemen, maar ze roepen vooral een erg gratuit en inhoudsloos gevoel van kunstzinnigheid op. Het is dan ook een verademing dat Olaf zijn onderwerpen in Keyhole (2011) volledig durft te laten wegkijken. De afgewende blikken geven blijk van schaamte en bewerkstelligen anonimiteit, wat goed past bij de thema’s van voyeurisme en kindermishandeling. De installatie waarbij de bezoeker door een sleutelgat moet spieken om een beeld te zien van een ouder die wel erg intiem met zijn of haar kind omgaat, roept wonderwel gevoelens van schaamte en ongemakkelijkheid op, maar beroept zich niet op het gemakkelijke shockeffect waar Olaf in zijn beginjaren zo van hield. Waar Dusk en Dawn met hun respectievelijk volledig zwarte en witte interieurs niet veel meer zijn dan een – geslaagde – stijloefening, blijkt Keyhole een emotionele lading te bezitten die we in Olafs werk nog niet vaak zagen.

Wanneer Olaf het eenvoudig houdt, is hij op zijn sterkst. De grotere scènes bieden de meeste fotografische mogelijkheden, maar schieten inhoudelijk tekort. Wat doet een trieste clown op een duikplank in een mistig zwembad (Stadtbad Neukölln)? Dit lijkt vaagheid om de vaagheid. Er is geen verhaal en er zijn te weinig aanknopingspunten om het verhaal zelf te creëren. Op esthetisch vlak is hij echter wederom feilloos, en werkt hij gestaag door aan het verder simplificeren van zijn beeld. Wanneer je in zoverre je eigen beeldtaal hebt gevonden als Olaf in de laatste jaren, is radicaal vernieuwen niet meer nodig. Uitdiepen is het devies. Verveling ligt echter op de loer, en Olaf moet oppassen dat hij niet te gemakzuchtig wordt. Gelukkig toont hij zich bewust van zijn valkuilen: ‘Moet je zo voor oppassen met ensceneren, dat je niet een one-trick pony wordt. Je moet blijven zoeken.’

Erwin Olaf, BERLIN, PORTRÄT 05 (2012)
Erwin Olaf, THE KEYHOLE, KEYHOLE 1 (2011)
Erwin Olaf, BERLIN, STADTBAD NEUKÖLLN (2012)