Nou doet u het weer

Mariska van den Berg, Rune Peitersen

Op de voorpagina van NRC Next van vrijdag 4 januari was een afbeelding te zien van een kunstenaar met een balk voor zijn ogen en gezicht. Eronder de kop ‘Beste Cultuursector, zo gaat het niet langer’ en een oproep aan de culturele sector om zich eindelijk te laten ‘zien’. Binnenin de krant stonden vier foto’s van succesvolle kunstenaars ter illustratie van een artikel van hoogleraar culturele economie Arjo Klamer. Hierbij de kop ‘Houdt er iemand van ons?’ De dag ervoor was dezelfde tekst al te lezen in NRC Handelsblad en ook daar werd de kunstenaar neergezet als een probleemkind. 

In het stuk houdt Klamer een betoog over wat hij ‘het gesprek met de kunst’ noemt. Al geruime tijd stelt hij dat kunst als een gesprek gezien moet worden en dat de kunstwereld dat gesprek veel actiever zou moeten aanzwengelen en ruimte moet bieden aan de (veronderstelde wens) naar meer betrokkenheid van het publiek. Klamer vindt dat de kunstwereld zich op afstand houdt en nog steeds te weinig mensen letterlijk ‘aanspreekt’. 

Wat Klamer, het NRC en NRC Next over het hoofd zien, is dat de kunstenaar en de kunstsector wel degelijk het gesprek proberen te voeren, maar dat er weinig aandacht voor is binnen de reguliere media. Er wordt al jarenlang in de sector zelf gesproken over vernieuwing en publieksbereik. Al bijna 10 jaar geleden initieerde het Fonds BKVB de discussie over kunstsubsidies en de maatschappelijke relevantie van kunst, resulterend in de publicatie Second Opinion. Dat krijgt op het moment opnieuw vervolg in het beleid van het Mondriaan Fonds waarvan ‘zichtbaarheid, samenwerking en opdrachtgeverschap’ de nieuwe peilers zijn. 

En wat te denken van de discussie over maatschappelijke thema’s zoals die wordt aangejaagd door kunstenaars als Jonas Staal of Tinkebell? Of hoe Artists in Occupy Amsterdam een belangrijke rol speelden in de Occupy-beweging. De schoonmakersactie ‘Schoon genoeg’ is een ander krachtig voorbeeld van nieuwe vormen van samenwerking in, dit geval tussen vakbonden en kunstenaars. En wie zijn het die de ‘slechte’ wijken in worden gestuurd om voor een verbetering van de leefbaarheid te zorgen en economische groei aan te jagen? Het zijn steeds opnieuw kunstenaars die worden verondersteld zich niet alleen te verhouden tot maatschappelijke problemen maar ook een bijdrage aan de oplossing ervan te leveren. Denk aan de (overigens zelf-geïnitieerde) projecten van Jeanne van Heeswijk in de Rotterdamse Afrikaanderwijk of Fatform in de Amsterdamse Bijlmer. De kunstenaar intervenieert met overtuiging in de samenleving en doet dat volgens Steven ten Thije, curator van het Van Abbemuseum in Eindhoven, in grotere getale dan ooit tevoren! 

Sinds een jaar bestaat Platform Beeldende Kunst, een organisatie van kunstenaars en geestverwanten die zich inzet om vanuit de eigen positie een bijdrage te leveren aan ‘het gesprek’ met de media en politiek. Sterker nog, we hebben een ‘responsteam’ dat met regelmaat reacties en essays schrijft – gebaseerd op feiten en een reëel beeld van de huidige kunstenaarspraktijk – om zich met heldere argumenten in het debat mengen. De stukken worden geschreven en ingezonden aan de media om ze te plaatsen. 

Dat Arjo Klamer beweert dat de kunstwereld niet meedoet in het gesprek is onjuist. Wat hij lijkt te bedoelen als hij het over dat gesprek heeft, is dat de kunstwereld naar hem moet luisteren. Zo viel de respons op zijn boek Pak aan hem tegen. Maar hoe kan het ook anders, als de ‘oplossingen’ die geboden worden steeds uit de koker van de marketingstrategie komen: betrek het publiek met facebook-acties, betere branding of biedt jezelf aan ter adoptie door een bedrijf. Vanuit het gezichtspunt van een econoom een begrijpelijke redenatie, maar het roept de vraag op waarom steeds opnieuw aan Klamer podium wordt geboden als expert in de media. Waarom niet eens een onderzoeker als Gerard Marlett die ook andere aspecten belicht, of nog beter iemand uit de kunstwereld zelf? De waarde van kunst is niet uitsluitend monetair uit te drukken, en het blijven herhalen van vrij vage uitkomsten van een eenzijdig gericht onderzoek doet het gesprek geen goed. 

Wie nieuw leven wil blazen in de verstandhouding tussen de cultuursector en het publiek, de politiek en de media – met excuus voor de generalisering – doet er goed aan om te erkennen dat kunst geen doorsneeproduct is, dat de kunstwereld daarmee een eigen realiteit kent en bovendien waarden vertegenwoordigt die niet uitsluitend materieel uit te drukken zijn. Nieuwe variaties op het oude marketing-denken; oude en nieuwe ideeën die er uitsluitend op zijn gericht om het product aan de man te brengen zijn belangrijk, maar niet afdoende. Er is behoefte aan daadwerkelijke nieuwe ideeën en heldere uitspraken over de positie en de rol van de kunstenaar in de samenleving. En die komen in het beste geval voort uit inzicht in de aard en waarde van de kunsten(sector) zelf. Op basis van dat inzicht en feitelijk onderzoek naar zowel economische als immateriële waarde kan ‘het gesprek’ in de toekomst met overtuiging en passie gevoerd worden.

‘Weerwoord’ is een initiatief van Platform BK en geeft richting aan het debat rondom kunst en cultuur. Tubelight biedt met enige regelmaat ruimte aan Platform BK voor de publicatie van Weerwoord binnen de rubriek ‘Betoog’. Deze en andere responsen zijn terug te lezen op www.platformbk.nl.

Kill All Your Darlings

George Vermij

Luc Sante (1954) is een schrijver en criticus die meer bekendheid verdient in de lage landen. Je zou hem kunnen beschouwen als een cultschrijver, ware het niet dat de waarde van het woord cult zwaar aan inflatie onderhevig is. Sante is oud genoeg om het vervallen New York van de jaren 70 te hebben meegemaakt, waar punkers en kunstenaars op braakliggende terreinen hun wildste fantasieën ongestoord uit konden leven. Maar wie is hij eigenlijk?

Sante werd in België geboren, waarna zijn ouders in de jaren 60 de oversteek naar de Verenigde Staten waagden. Hij groeide op in het land van de ongekende mogelijkheden en als buitenstaander was het onvermijdelijk gefascineerd te raken door de Amerikaanse cultuur. Die fascinatie vindt de lezer terug in Kill All Your Darlings, een verzameling essays die Sante schreef voor onder meer The New York Review of Books en the Threepenny Review. In deze stukken toont Sante zijn erudiete nieuwsgierigheid. Hij is geen specialist, maar een bescheiden en gepassioneerde liefhebber. Een drop out die zijn diverse passies als kostbare brandstof gebruikt voor zijn essays. Sante heeft een zintuig voor datgene dat vergankelijk is in een cultuur. Het afval dat verdwijnt, maar nog iets zinnigs kan zeggen over een tijdsgewricht: oude ansichtkaarten, mislukte rockabilly-bands of de morsige kaften van vergeten pulpromans die nooit meer worden herdrukt.

In zijn stuk The Ruins of New York opent Sante met een visioen van een metropool bedekt met een laag vulkanische as. Als een soort modern Pompeii wordt de stad vervolgens door moderne archeologen verkend. Het vormt een stilistisch middel om een tijdscapsule te creëren van New York in 1985. Een tijd waarin bohème en decadentie plaats maakten voor het grote geld. In My Lost City gaat hij verder terug in de tijd en begint hij met zijn verwondering over Rem Koolhaas’ boek Delirious New York. Sante schrijft vervolgens over zijn eigen ervaringen in de stad in de jaren 70: “The New York I lived in (…) was rapidly regressing. It was a ruin in the making. (…) If you walked east on Houston Street from the Bowery on a summer night, the jungle growth of vacant blocks gave a foretaste of the impending wilderness, when lianas would engird the skyscrapers and mushrooms would cover Times Square.”

Van de metropool is het een paar bladzijden verder naar andere obsessies, zoals jazz, de blues en popmuziek. In I Heard Buddy Bolden Say schrijft hij over de schimmige grondlegger van de jazz, Buddy Bolden. Een man die in het New Orleans van het einde van de 19de eeuw bekend zou staan als een lastpak en relschopper, maar muziek maakte als geen ander voor hem. Bolden raakte vervolgens in vergetelheid om pas later te worden herontdekt. Het is wonderbaarlijk wat Sante, ondanks het gebrek aan tastbare feiten over Bolden, weet te bereiken. Hij neemt je mee in een van de zweterige jazztenten in New Orleans: “As more and more people crowd in, the heat rises and the air circulation slows to an ooze, and the air gradually becomes a solid, a wall composed of smoke and sweat and beer and rice powder and Florida water and bay rum and musk and farts.”

Dan komt Bolden met zijn band: “By now they are powerfully loud, and the inside temperature is unbearable, and the people on the floor are doing the Shimmy and the Ping Pong and the Grizzly bear, shouting and stomping, losing articles of clothing, some dropping down cold along the wall.”

Kill All Your Darlings bevat ook sterke autobiografische essays. De mooiste is The Injection Mold, waarin Sante terugdenkt aan zijn eerste serieuze baantje in een fabriek: “My job was maddening, and I was constantly exhausted from the combination of a full day of high school with an eight-hour evening of work and frequently a few hours’ partying afterward, and I stoked my rage by reading Céline—but I was impressed with myself. I needed the money and didn’t have other prospects, let alone entrée to glamorous sinecures the way some of my friends did, but the job was in part a role I was playing. I was being a badass and a hard case, converting into defiance the fact that my parents were poorer than almost anyone else’s parents in our comfortable New Jersey suburb. Working at the factory the night of the senior prom, I enjoyed a strange feeling of triumph….”

En dan is er zijn melancholische maar kritische ode aan de sigaret Our friend the cigaret: “We smoked in the office and at the beach, in the waiting room and at the hair salon, in the art gallery and at the stadium. We smoked in bed: just after waking and just before sleep, after making love and sometimes during it. We often smoked without being aware we were smoking.”

Naast deze persoonlijk getinte stukken is er in Kill All Your Darlings nog ruimte voor essays over de receptie van Robert Mapplethorpe’s foto’s, de tekeningen van Victor Hugo en typisch Belgische fascinaties als Hergé en René Magritte.

Sante’s verdere output, afgezien van Kill All Your Darlings, is bescheiden, maar zeer de moeite waard. Er is het mooie autobiografische boek Factory of Facts over zijn Belgische roots en in Low Life geeft hij een uitgebreide geschiedenis van de prostitutie, criminaliteit en alcoholisme in het oude New York. Hij schrijft nog steeds voor The New York Review of Books en heeft een blog waar hij helaas niets meer op post: ekotodi.blogspot.com. Gelukkig staan daar nog wel de zes delen op van het prachtige Not Fade Away waarin hij fictie en memoires versmelt in een ontroerend portret van een vrouw die hij ongetwijfeld heeft liefgehad. Voor de nieuwsgierige lezer zijn er dus nog genoeg mogelijkheden om een gevarieerd oeuvre te ontdekken van een schrijver die door kunstcriticus Peter Schjeldahl terecht wordt gezien als levende meester van de Amerikaanse letteren.

Luc Sante
Yeti Publishing, Portland, Oregon, 2007
ISBN: 9781891241536 

Sander in the City

Lise Lotte ten Voorde

‘Stadse verwonderingen’, dat is hoe Sander Uitdehaag zijn drijfveer om te fotograferen omschrijft. Al gedurende zijn academietijd raakte hij in de ban van de stad, van de voor iedereen toegankelijke geheimen die zij herbergt. Hij ontwikkelde een zwakke plek voor de levens die zich tegelijk en naast het zijne afspelen, de choreografie van het verkeer, de solodans van een vrouw in een rode duffelse jas. Daarvan wilde hij kijkers deelgenoot maken, hen zijn eigen speur-en-sta-stil-tocht laten herbeleven voor een intensere ervaring van de dagelijkse omgeving.

Uitdehaag kwam er op een bepaald moment achter dat hij foto’s, ook zijn eigen, het meest waardeerde als ze hem verrasten, als er iets van toeval in het beeld was geslopen. Hij experimenteerde om daar zoveel mogelijk van in zijn foto’s te krijgen. Zo gaf hij zijn camera eens aan een blinde man. Elke keer als Uitdehaag vast zat in een file of een trein vol forenzen, stuurde hij de blinde man een sms: “Nu!” “Nu!”, zei ook de metalen stem van de dame in diens telefoon. Waarop de man de camera uit zijn zak haalde en afdrukte. Uitdehaag moet gefantaseerd hebben over wat er op die foto zou staan. Door het moment te kiezen werd hij op afstand toch onderdeel van een stadse scene. Als ware hij een regisseur, of God.

In A publication in the name of P komen stad, fantasie, regie en toeval samen. Het is een experiment waarvan niemand weet wat de parameters zijn, wie de wetenschapper en wie het proefkonijn. P bestaat niet echt, schrijft de eveneens verzonnen A.J., die met een niet nader benoemde man middels correspondentie werkt aan de vertelling van de fictieve dwalingen van een verzonnen karakter. Ze wisselen ideeën en een stroom documenten uit, tot het abrupt eindigt. Dan duikt er een doos op met dagboeken, plattegronden, aantekeningen, foto’s en een paar (van het wandelen?) afgedragen schoenen. De hoofdvraag is: zijn onderzoeker en bedacht proefkonijn samengesmolten?

Hiermee gaat het boekje op zakformaat van start. Het staat vol met schetsen, foto’s, kaarten, krabbels en lijsten met dingen waar een wandelaar zich in potentie over zou kunnen verbazen. De dingen uit de doos van P. Hoewel alles erop wijst dat je in de maling wordt genomen, doen die eerste paar pagina’s goed hun werk; ze planten je in een fictieve stad op een gefantaseerde zolderkamer naast een niet bestaande doos vol verzonnen schatten.

Maar naarmate meer pagina’s volgen, neemt de verwarring toe. De ‘gevonden documenten’ lijken willekeurig over de pagina’s verspreid. Aantekeningen zijn onleesbaar, er bestaat te weinig samenhang. In plaats van het leven van een straatslenterend persoon binnen geleid te worden, hetgeen de titel suggereert, worden je slechts puzzelstukjes van dat verhaal aangereikt. Je krijgt de verbazing van de maker, niet de wonderlijke avonturen van P. Je krijgt een bouwpakket. En dus knaagt er iets. De inleiding belooft een avontuur, een speurtocht naar P of de onbekende persoon die de doos heeft achtergelaten. Een verklaring, een bloedstollende ontknoping. Maar nee, je moet het doen met je eigen interpretatie.

Uitdehaag en Gers zouden een voorbeeld kunnen nemen aan Any resemblance to existing persons is purely coincidental/Stories of mister Wood uit 2006 van Martine Stig en Vanessa van Dam, waarvoor de makers uit verschillende echte mensen een karakter hebben geschapen. Hun eigen wandelingen dienden als uitgangspunt. Hoewel realiteit en fantasie hier veel dichter bij elkaar liggen, zijn de mogelijke wendingen veel onvoorspelbaarder dan dit van nul verzonnen verhaal. Toch is er ook een positieve keerzijde. Je kunt A publication in the name of P namelijk ook interpreteren als aansporing om beter om je heen te kijken, je meer te verwonderen. De werkelijkheid biedt aanknopingspunten genoeg, ook voor een fantasie. Daar kunnen we best wat hulp bij gebruiken af en toe, en Uitdehaag zou een prima gids zijn.

A PUBLICATION IN THE NAME OF P
Sander Uitdehaag en Ilke Gers
Dutch Art Institute (2012)
ISBN: 978 94 90294 44 1

Soul Snatchers

Maaike Lauwaert
Martin Westwood, THESE HANDS ARE MATCHING MODELS (2011)

Dit is waar onze ziel verwerkt wordt; tot geld – waardeloos geld; tot beelden op schermen – betekenisloze, contextloze, overdadige beelden; tot dingen, spullen, materiaal, niets. Ik voel me hol en en ook een beetje leeg als ik uit NEST naar buiten loop. Alsof ik ontmenselijkt ben. Material World toont een generatie kunstenaars die werkt rond de waarde en betekenis van materialen en voorwerpen in onze huidige, kapitalistische samenleving: objectfetisjisme, de status van voorwerpen. Het resultaat is dat de nadruk ligt op dingen. Voorwerpen die gekenmerkt worden als ‘clean en minimalistisch’ met aluminium en geborsteld staal, overheersende grijstinten en industriële of technologische onderdelen: schermen, scanners, delen van een autocarrosserie.

Material World is consistent en helder samengesteld. Soms lijken de individuele werken en kunstenaars zelfs deel van een continuüm te worden, gaan ze als het ware in elkaar over. Eigenlijk passen ze net iets te goed bij elkaar, liggen in taal en vorm in elkaars verlengde. Daardoor weet je als kijker niet altijd zeker waar Anne de Vries (1977) stopt, Rubén Grilo (1981) begint en Magali Reus (1981) het overneemt. De kunstenaar die het meeste afwijkt in materiaalgebruik, tactiliteit en strategie is Martin Westwood (1969). Denk bruin. De kleur van de aarde, van de natuur, van de antimachine of supermachine. De enige kunstenaar die er een beetje bij hangt, waarvan het werk onvoldoende tot zijn recht komt, is Trisha Donnelly (1974). Terwijl de andere kunstenaars volop ruimte krijgen, is er van haar één abstracte video te zien, een soort vormen en lijnenspel, die ook nog een beetje verstopt zit.

Dat de werken en kunstenaarsposities in elkaar overgaan blijkt precies de opzet van de tentoonstellingsinrichting te zijn. Het vastgeroeste uitgangspunt dat werken van kunstenaars altijd duidelijk van elkaar te onderscheiden moeten zijn wordt hier aan de tand gevoeld. Material World toont bovendien werken waarbij het object prevaleert boven de mens. Dit prevaleren boven kan je doortrekken naar de maker, de auteur. Curator Nanda Janssen: “De identiteit van de maker is hier ondergeschikt aan het object.” Maar als bezoeker heb je soms toch het verlangen de individuele posities van de kunstenaars te kunnen onderscheiden en je vraagt je af of zo’n keuze niet meer in het belang van de curator dan de deelnemende kunstenaars is genomen.

Material World leunt sterk op de recent geformuleerde object-georiënteerde ontologie (Object Oriented Ontology), een object gedreven zijnsleer (zie bijvoorbeeld Graham Harman en Timothy Morton). In deze gedachtevorming is niet langer de mens het centrum van de wereld maar bestaan mensen en dingen op gelijke voet. Aan beide wordt dezelfde of evenveel status en agency toegekend. Mensen zijn gewoon een ding, niet meer of minder belangrijk dan andere dingen. Janssen vertelt me hier over nadat ik de tentoonstelling al heb gezien en het is frappant hoe haar ideeën over dit project ook echt zo acuut voelbaar zijn. Dat ik me ontmenselijkt voelde is niet gek wanneer ze vertelt over haar fascinatie met een post-human machinic feel.

Terwijl OOO uitgaat van een soort gelijkheid of nivellering tussen mens en object, gaat Material World over de dominantie van het ding boven de mens. Dat ding is niet alleen een statusding, het is vaak ook een werkinstrument of een tool voor entertainment. Deze dingen – laptops, schermen, scanners, iPads, touchpads, auto’s, vliegtuigen – zijn ook eigenlijk een beetje onze slavendrijvers. De rekken van De Vries, die het midden houden tussen dwang- en bodysculpt-rek, zijn symptomatisch voor deze objectdominantie. We trainen onze lichamen en ziel, schuren ons harnas, verplaatsen ons zwaartepunt van lichaam en ziel naar scherm en beeld. Van bloed, zweet, pis en spuug zijn we schoongeborsteld en gepolijst. De natuur, luxe-natuur in dit geval, met asperges, een oesterschelp, citroen en avocado, is teruggebracht tot de helle kleuren waarmee printer- en scannerfabrikanten hun kleurechtheid aanprijzen, tot de achtergrond van een reclame, tot een woordenlijst. Voor deze kunstenaars is een onderscheid tussen machinaal vervaardigde dingen en natuur duidelijk niet meer relevant: OOO.

De werken in Material World hebben dan ook iets ongenaakbaars, afstandelijk, zonder twijfel en onzekerheid staan ze daar. Een beetje macho ook wel. Het zijn beheerste en ingehouden werken, de energie is gekanaliseerd, zonder uitspattingen. Ik mis de passie en voel te veel de rationaliteit, ik mis de mens.

Arme mens. We hebben het zelf gedaan. Want kwamen de ‘body snatchers’ nog ’s nachts de onoplettende burger inlijven, hier hebben we willens en wetens onze ziel afgestaan. En elke dag weer. Deze werken reflecteren op en komen voort uit een objectcentrisch (en dus niet een antropocentrisch) systeem dat we mee hebben groot gemaakt, dat we samen hebben opgetuigd. Blij als we zijn met onze machines van oneindige connectiviteit en immer werkzaamheid. Hoe sterk Material World ook in elkaar zit, je wilt er niet te lang in vertoeven.

Magali Reus, DOUBLE DIGITS (2012) Courtesy: Galerie Fons Welters, Foto: Jhoeko
Anne de Vries, SNEAKERNET 2.0 - WELCOME (2012) Foto: Jhoeko

Mens en dier

Ceciel Stoutjesdijk
Charlotte Dumas, RINGO, ARLINGTON NATIONAL CEMETERY, ARLINGTON, VIRGINIA (2012) Courtesy: Galerie Paul Andriesse

Een kleine twintigtal foto’s laat ons bij binnenkomst in Galerie Paul Andriesse het paard in al zijn schoonheid zien. Tegen een gitzwarte achtergrond fotografeerde de Nederlandse fotografe Charlotte Dumas (1977) grijs- en sneeuwwitte paarden. Op een sobere wijze en zonder veel prijs te geven over de plek die hen omringt, heeft zij deze dieren in al hun puurheid vereeuwigd. Het ene paard kijkt je in het halfduister recht aan, het andere heeft zijn hoofd laten zakken en verkeert in diepe slaap op een bed van stro. Mede door het licht-donker contrast en de eenvoudige compositie zijn het sterke, ietwat mystieke beelden die ook de niet-paardenliefhebber zullen intrigeren. Het is vertederend en fascinerend om een dier, dat vooral om zijn kracht en souplesse wordt gewaardeerd, ditmaal te zien terwijl het zich volledig ontspant en overgeeft aan de slaap. Dumas heeft zich gedurende verschillende fotosessies op een militaire begraafplaats nabij Washington DC. (het Arlington National Cemetry) in de stallen naast de paarden gevleid die na een dag hard werken waken, op het punt staan in slaap te vallen, of ontwaken. Elke dag brengen deze paarden gesneuvelde militairen naar hun laatste rustplaats. Deze specifieke context is een belangrijke aanvulling op hetgeen de foto’s zelf laten zien.

Met deze informatie in het achterhoofd maken ook de beelden die in de tweede ruimte worden getoond meer indruk. Hier zijn dezelfde paarden tegen dezelfde zwarte achtergrond te zien, ditmaal niet gefotografeerd, maar gefilmd. Dit eerste videowerk van Dumas heeft veel weg van haar fotografische werk door de identieke verstilling en sereniteit van het beeld. Trage, aaneengeschakelde beelden passeren de revue. Op sommige momenten lijkt het nog steeds alsof je naar een foto kijkt, doordat de verschillende shots steeds in 1 take zijn opgenomen en de camera zelf niet beweegt. Maar dan opeens trilt er één ader in de hals, wordt een been schokkend verschoven of opent een paard zijn ogen. Meer dan bij de foto’s krijg je als kijker het gevoel dat je op een ietwat voyeuristische manier het paard aan het bespieden bent tijdens een moment van totale overgave en het verlies van het bewuste. Dit heeft aan de ene kant te maken met de geringe afstand waarmee Dumas de paarden heeft vastgelegd. Als kijker zit je dicht op de huid van het paard en heb je het gevoel fysiek aanwezig te zijn op de plek waar het dier zich bevond. Aan de andere kant komt dit doordat de paarden door hun lighoudingen en kwetsbaarheid bijna iets menselijks hebben, waardoor je je vanzelf met de beesten gaat vereenzelvigen. Als toeschouwer vraag je je af hoe het kan dat van nature uitzonderlijk alerte dieren zich volledig hebben overgeleverd aan Dumas en haar camera. Het lijkt erop dat de kunstenaar een intieme band met deze paarden heeft opgebouwd met wederzijds vertrouwen en overgave als gevolg.

Het verbond tussen mens en dier intrigeert Dumas dan ook. Een belangrijk motief in haar werk is de wijze waarop ‘de mens dieren gebruikt en misbruikt, zoals hij dat ook met zijn eigen soort doet’. Haar totale oeuvre bestaat uit verschillende reeksen dierenportretten van bijvoorbeeld wolven, (politie)honden en -paarden. Hierbij gaat het voor haar vooral om de verwantschap en wisselwerking tussen mens en dier, die gedurende de gehele geschiedenis op elkaar gewezen zijn. Daarmee is de drijfveer van haar werk in één klap duidelijk. Dumas wil op een subtiele manier door middel van haar dierportretten vooral de (vaak tragische) geschiedenis en relaties tussen mens en dier verbeelden, waarbij de toeschouwer door onder andere de tedere en menselijke manier van portretteren zich met de beesten identificeert. Dat deze boodschap er niet te dik bovenop ligt maakt deze beelden juist zo sterk. De vereenzelviging en de onderliggende betekenis komen vanzelf.

Charlotte Dumas, PETER, ARLINGTON NATIONAL CEMETERY, ARLINGTON, VIRGINIA (2012) Courtesy: Galerie Paul Andriesse

Een hedendaags rariteitenkabinet

Annelieke van Halen
Jeroen Kuster, OFFICINAM PRIMUS (2012) (Foto: Charlotte Schleiffert/Bas Czerwinski)

Robotica ontwikkelt zich razendsnel. De meeste functies van het menselijk lichaam kunnen door robots worden uitgevoerd. Maar wat gebeurt er als robots ook een geweten hebben en kunnen voelen? Opruimrobot WALL•E, het hoofdpersonage uit de gelijknamige Pixar sci-fi animatiefilm, is zelfbewust en wordt verliefd op de hightech robot EVE. Het liefdesverhaal speelt zich af tegen een achtergrond van een verlaten en vervuilde aarde, bevolkt door de afgestompte, aartsluie mens. De robot heeft hier menselijkheid, de mens is mechanisch en geestdood.

De essentie van het menselijk bestaan houdt wetenschappers wereldwijd bezig. Wat is het onderscheid tussen leven en dood? En is deze bron van het leven te beheersen? Deze vragen vormen het vertrekpunt van de groepstentoonstelling Transformation in Garage Rotterdam. In de lichte tentoonstellingsruimte waan je je in een laboratorium: komkommerplanten met grote klankkasten, een vissenfoetus in een kastje van plexiglas, een afgesneden mensenvinger met elektroden en allerhande glazen potten met dieren- en plantensoorten staan her en der verspreid. Het wekt direct je nieuwsgierigheid: Wat is de achterliggende gedachte van deze objecten?

De tentoongestelde werken zijn te verdelen in drie thema’s: de verhouding mens-dier, de mens en kunstmatig leven en ten slotte de verhouding natuur-tijd. Voor My Dearest Cat Pinkeltje moest de kat van Tinkebell (1979) het ontgelden: de kunstenaar brak diens nek en maakte een handtas van zijn vacht. Hiermee wil Tinkelbell de hypocrisie rond dierenleed onder de aandacht brengen. Dit werk is wel een heel letterlijke verbeelding van het onderscheid tussen leven en dood: de kunstenaar is degene die bepaalt. Een ander werk waarin de verhouding tussen mens en dier centraal staat, is Officinam primus van Jeroen Kuster (1971). Glazen potten en stolpen, reageerbuizen en injectiespuiten gevuld met organismen; het lijkt een opstelling uit een negentiende-eeuws natuurhistorisch museum. Deze wonderlijke verzameling is een samenstelling van bestaande en fictieve diertjes. Sommige doen denken aan wezens uit Ridley Scotts klassieke sciencefiction/horrorfilm Alien: ze zijn amorf, zwart glanzend en fossielachtig. Fascinerend zijn deze organismen, die je laten stilstaan bij de hedendaagse manipulatie en maakbaarheid van de natuur door de mens.

Ook Uli Westphal (1980) laat je nadenken over hoe de mens met natuur omgaat. Dieren worden gekloond en gekruist; met Westphals lichtbak Chimaerama kun je zélf soorten kruisen. Althans, in beeld. Door op drie knoppen te drukken, kun je respectievelijk kop, middenstuk en staart van diersoorten met elkaar kruisen tot allerhande hybriden. En over hybriden gesproken: werk van Koen Vanmechelen (1965) kan dan niet ontbreken. Hij is beroemd vanwege zijn voortdurende Cosmopolitan Chicken Project, waarmee hij een super-bastaardkip tracht te fokken, die de genen van alle kippensoorten ter wereld in zich heeft. In Transformation toont hij The Walking Egg, een glanzend gouden reuzenei. Het ei verwijst naar een non-profit project van Vanmechelen dat in samenwerking met een vruchtbaarheidsspecialist fertiliteitsprogramma’s in derdewereldlanden ondersteunt. Volgens Vanmechelen draagt de kruisbestuiving die met de globalisatie gepaard gaat bij aan een sterkere soort. Hybriditeit, identiteit en voortplanting zijn belangrijke thema’s in zijn werk.

Een fantasierijke bijdrage in de context van de verhouding tussen de mens en het kunstmatige leven wordt geleverd door Floris Kaayk (1982). In zijn pseudodocumentaire Metalosis Maligna wordt de gelijknamige aandoening besproken, waarbij een bacteriële infectie ervoor zorgt dat metalen implantaten in het menselijk lichaam tot groei komen. Verschillende stadia van de aandoening komen in beeld, waarbij het menselijk lichaam wordt overgenomen door robotica. Kaayk speelt meesterlijk met de verwachtingen van de kijker: de korte wetenschappelijke film – compleet met BBC voice-over – begint zeer geloofwaardig, maar gaat geleidelijk over in sciencefiction en horror.

De horror van Painting and Singing Object van Martin uit den Bogaard (1944) is van een geheel andere orde. Hier ligt dood organisch materiaal te rotten. Met afgrijzen lukt het amper om naar de verschrompelde, afgesneden vinger te kijken. In het andere glazen kastje ligt een foetus van een bruinvis. Uit den Bogaard zegt over deze werken: “Het zijn eigenlijk ‘levende’ beelden! Die verandering kan ik laten zien door de organismen aan te sluiten op een computer, die de fluctuerende elektrische impulsen omzet in steeds wisselende beelden en een zangtoon die voortdurend hoger of lager wordt.” Bij Uit den Bogaard is de grens tussen leven en dood helemaal niet zo zwart-wit. Dode materie brengt nog energie voort.

Bijdragen die wat minder goed passen binnen het thema van Transformation zijn de werken die de verhouding tussen natuur en tijd onderzoeken. Michiel van Overbeek (1954) presenteert met zijn Clock een alternatieve tijd: dit uurwerk loopt zowel tegen als met de klok mee en begint te lopen op het moment dat je de klok passeert. Ook de installatie van Ronald van der Meijs (1966) is interactief: wanneer je op een knop drukt, brengen drie klankkasten brommende tonen voort. De toon wordt bepaald door de grootte van de komkommer die is gekoppeld aan het instrument. De vrucht groeit door aan de komkommerplant, gestimuleerd door groeilampen. Met het verstrijken van tijd zal de toonaard veranderen.

Opvallend is dat het merendeel van de kunstenaars van Transformation is vertegenwoordigd in de collectie van de Belgische Verbeke Foundation. Voor wie deze werken daar nog niet heeft gezien, is Transformation een bezoek waard. De tentoonstelling stoot af en trekt aan, daagt de bezoeker uit om de werken aan een onderzoekende blik te onderwerpen. Deze sci-fi en horror bekijk je niet vanuit je veilige bioscoopstoel maar krijg je bij klaarlichte dag voorgeschoteld. Verwondering en afschuw gaan hand in hand, als in een hedendaags rariteitenkabinet.  

Overzicht TRANSFORMATION (Foto: Bas Czerwinski)

Omgaan met fantasie

Renata Ananias
Scholen in READING ROOM (2006-2009) van Germain Kruip. Courtesy: Gert Jan van Rooij, Museum De Paviljoens

Museum de Paviljoens moet er helaas aan geloven. Vanaf 1 juli 2013, wanneer de laatste twee tentoonstellingen zijn beëindigd, sluiten de deuren voor het publiek. Het museum ontvangt geen subsidie meer en kan op de huidige plek niet langer voortbestaan. De plaatselijke kranten in Flevoland berichtten dat de activiteiten op het gebied van kunsteducatie en landschapskunst worden overgeheveld naar de Hectare Cultuur, een nieuw ontwikkeld concept voor het Kunstliniegebouw in Almere. Ook De Paviljoens zal onder deze paraplu gaan vallen.

De Gemeente Almere ziet toekomst in de Hectare Cultuur, als bundeling van de verschillende culturele instellingen. Het is op dit moment alleen nog niet duidelijk hoe – en of – deze samenvoeging gaat plaatsvinden. Wat er met de museumfunctie gaat gebeuren, en wie er zorg gaat dragen voor De Collectie Almere is ook nog niet helder. Hoeveel musea voor hedendaagse kunst heeft de nieuwste stad van Nederland dan nog over? Ironisch genoeg geen een. 

Gelukkig benadrukken de laatste twee tentoonstellingen alles wat goed is aan Museum De Paviljoens. Een indrukwekkende verzameling werken, tentoongesteld in de zeer bekende Aue Paviljoens van de Vlaamse architecten Paul Robbrecht en Hilde Daem. Artistiek en zakelijk directeur Macha Roesink heeft in de tentoonstelling People can only deal with the fantasy when they are ready for it. De Paviljoens 2001-2012 een selectie aanwinsten uit solotentoonstellingen uit de periode 2001-2012 samengebracht. De titel onthult al dat er een beroep wordt gedaan op de verbeeldingskracht van de bezoeker. Je komt in aanraking met zeer diverse werken, die de werkelijkheid op een andere wijze presenteren.

Bij de entree van het museum is een plattegrond met informatie over de tentoonstelling verkrijgbaar. Hierin staat ook te lezen wanneer alle werken zijn aangekocht, en waar zij voor het eerst te zien waren. Een handig overzicht van de totstandkoming van de collectie. Verder is volledig afgezien van het plaatsen bordjes met namen, of tekst en uitleg. De werken lijken hierdoor niet nadrukkelijk in de ruimte te zijn geplaatst en lijken een vast onderdeel van het interieur van De Paviljoens. 

Zo doe ik bij een toiletbezoek een ontdekking. De site-specific installatie Safe Zones No 11 van Jonas Dahlberg (1970) bevindt zich vóór en in de toiletten van De Paviljoens. Op een monitor aan de buitenkant van de ruimte is het interieur van het toilet te zien. Inderdaad, een moment waarop je je afvraagt of een bezoek echt noodzakelijk is. In het werk van Dahlberg staat centraal hoe toeschouwers de ruimte beleven, en hoe bekeken worden in een openbaar gebouw het menselijk gedrag beïnvloedt. Het werk roept relevante vragen op over privacy, veiligheid en het toenemende aantal surveillancecamera’s in openbare gebouwen. 

Een aantal geselecteerde werken behandelt het thema tijd. De indrukwekkende installatie Reading Room van Germaine Kruip (1970) bijvoorbeeld, waarin binnen een tijdsbestek van vier minuten een hele dag lijkt te verstrijken. Of de video-installatie Trembling Time van Yael Bartana (1970), waarin het monteren van stilstaande en bewegende beelden doet lijken dat de tijd volledig wordt stilgezet. In de opmerkelijke performance en installatie Table van Yael Davids (1968) wordt het verstrijken van tijd aanschouwelijk gemaakt door middel van menselijke aanwezigheid. Haar tafel lijkt een statisch decor, totdat hij door performers wordt bemand. Hun inzet verandert een alledaags object in een kunstwerk. Een tafel en vier personen lijken hier volledig met elkaar versmolten. Alleen het haar op de achterkant van de hoofden is nog zichtbaar. Het tafelkleed wordt gevormd door aan elkaar genaaide witte overhemden en achterhoofden. Het tafelblad beweegt zachtjes en er klinkt gefluister; een statisch object wordt tijdelijk bezield. 

Een werk wat zeker niet gemist mag worden is Jump van Job Koelewijn (1962). Deze verrassende installatie stelt de bezoeker in staat om kortstondig in een andere realiteit te stappen. Verstopt achter een onopvallend wit deurtje is een kleine afgesloten ruimte, waarvan de wanden uit spiegels bestaan. De bodem is bedekt met gras en in het midden is een klein slootje, waar je overheen kunt springen. Heel even lijkt het alsof je middenin een uitgestrekt polderlandschap staat, omringd door talloze weerkaatsingen van je eigen spiegelbeeld. Koelewijn spreekt met zijn werken vaak zoveel mogelijk zintuigen aan; de geur van gras en klei is hier sterk aanwezig. 

People can only deal with the fantasy when they are ready for it. De Paviljoens 2001-2012 maakt duidelijk wat een goed aankoopbeleid Museum De Paviljoens in de afgelopen elf jaar gehad heeft. Ook laat de tentoonstelling zien dat de prachtige architectuur van De Paviljoens nog steeds voldoet aan de actuele tentoonstellingseisen voor een museum voor hedendaagse kunst. De tentoonstelling is niets anders dan een verzameling zeer originele werken, op een prachtige wijze tentoongesteld in bijzondere architectuur. Deze laatste tentoonstelling is dus zeker een bezoek aan Almere waard, maar omdat ik weet dat het een afscheid betreft, ga ik verontwaardigd naar huis. Bezit van enige mate van fantasie wordt steeds vaker verward met het hebben van een waanidee.

Op elke eerste zondag van de maand vindt de performance Table van Yael Davids plaats, 13.00 tot 16.00 uur en is er een toelichting op de tentoonstelling door een museumdocent.

Yael Davids, TABLE (1997). Performance tijdens de opening op 1 december 2012. Courtesy: Jordi Huisman, Museum De Paviljoens
Christiaan Bastiaans, SLEEPING FROM BONE TO SOIL (2005) en Barbara Visser, LE MONDE APPARTIENT A CEUX QUI CE LEVENT TOT (2002-2006). Courtesy Jordi Huisman, Museum De Paviljoens
Fia Cielen, DWELLER ON THE TRESHOLD (2012-2013), Courtesy Fia Cielen en Galerie Annette De Keyser, in coproductie met De Brakke Grond, Fotografie: VANDOORN Photography

In een donkere ruimte speelt een film begeleid door frivool pianospel. Er is een schedel van een dier te zien die langzaam lijkt te kristalliseren. De schedel verandert geleidelijk en soms abrupt van kleur. De toeschouwer hoeft zich enkel te verwonderen over de beelden die beangstigend en tegelijkertijd fascinerend zijn. Het is precies wat de Vlaamse beeldend kunstenares Fia Cielen (1978) in haar eerste solotentoonstelling Myths of the Near Future in Vlaams Cultuurhuis de Brakke Grond te Amsterdam probeert te bewerkstelligen.

Cielen is van mening dat in onze huidige samenleving te weinig plaats wordt geboden voor echte verwondering. Volgens haar hebben de wetenschap en techniek de mensheid geholpen de wereld te leren begrijpen, maar daarmee is de verwondering gestorven. In de tentoonstelling biedt Cielen, als liefhebber van de donkere romantiek, ruimte aan de teloorgang van de verwondering. De bezoeker moet zich daarom een weg banen door de duisternis. De nachtzijde van het bestaan toont zich belangrijker dan de heldere ratio. De ratio ontkent immers het bestaan van mysteriën, waardoor het geen kans biedt voor betovering of vervoering. 

De expositie concentreert zich voornamelijk op sculpturen, die in de verschillende ruimtes dramatisch worden uitgelicht. Het zijn koraalachtige structuren op sterk water en gekristalliseerde schedels afkomstig van beesten geplaatst onder stolpen. De vreemde objecten worden allen op sokkels gepresenteerd, waardoor de toeschouwer als het ware dwaalt door een rariteitenkabinet. De objecten lijken daardoor naar een ander universum te verwijzen, waar de natuurwetenschap uit het verleden en fantasieën over de toekomst met elkaar zijn versmolten.

Met een zwarte kubus weet Cielen de ratio van de bezoeker te bevragen en een kinderlijke nieuwsgierigheid op te wekken. Voor de bezoeker bij deze kubus kan komen, moeten twee sculpturen gepasseerd worden. De sculpturen zijn allebei dieren van de nacht; een katachtige en een uil. De beesten zijn zo donker als de ruimte en alleen hun ogen lichten op. Beide sculpturen zijn geplaatst op een hoge sokkel, waardoor ze lijken te functioneren als sfinxen: Het mythologische wezen dat heiligdommen bewaakt. Op de kubus is een patroon van licht waarneembaar. Degene die de wachters passeert ziet dat het licht voortkomt uit de kubus. Dit nodigt uit tot een nadere bestudering van het object. Gedreven door de nieuwsgierigheid ontstaat het besef dat de kubus een klein aandoenlijk wezen van goud herbergt. Maar door de sfeer die Cielen om het gouden schepsel heen heeft gecreëerd en doordat het wezentje versteend is in actie, geeft het kunstwerk de bezoeker een unheimisch gevoel.

Dit gevoel komt terug bij het bezichtigen van de enige tekening in de tentoonstelling. De tekening bevat alleen donkere kleuren, en heeft ook een mysterieus dierlijk wezen als onderwerp. Het wezen zijn verschijning is enigszins beangstigd, maar doordat het wezen fijn is getekend, wordt een contrast gecreëerd. De kleine oplichtende oogjes, de aaibare vacht, nemen de vrees voor het wezen weg. Het is dat monster dat lang geleden onder je bed woonde. Zo maakt Cielen iets wat voortgekomen is uit angst en temt het tot een lieflijke fantasie.

Met Myths of the Near Future weet Cielen bezoekers mee te nemen in een droom, waar de verwondering wordt opgeroepen en de ratio uitgebannen. Toch blijven de methoden om de bezoekers in vervoering te brengen duidelijk zichtbaar; de duistere ruimtes, de theatrale belichting en de hoge sokkels. Maar de werken van Cielen zijn meer dan enkel een ervaring, doordat in haar werk het spel tussen de ratio en de verwondering zichtbaar is. Ze is in staat de tegenstellingen licht en donker te verenigen, waardoor ze een wonderlijke wereld creëert van weerzinwekkende schoonheid.

Fia Cielen, DUSTY OLD BONES, FULL OF GREEN DUST (2008) Courtesy Fia Cielen en Galerie Annette De Keyser, in coproductie met De Brakke Grond, Fotografie: VANDOORN Photography
Fia Cielen, MYTHS OF THE NEAR FUTURE II (2013), Courtesy Fia Cielen en Galerie Annette De Keyser, in coproductie met De Brakke Grond, Fotografie: VANDOORN Photography

Beauty

Roos van der Lint
An-Sofie Kesteleyn, A LAMB NAMED BEAUTY (2007-heden)

Twee meisjes met rood haar staan naast elkaar in het gras tussen de madeliefjes, half in de schaduw, half in de zon. Ze zijn verkleed als prinsesjes, de een in een roze, de ander in een blauwe jurk, afgezet met bonten en kanten rouches. Hun handen houden ze kuis in elkaar gevouwen, voor hen in het gras ligt een roze kroontje. Het glazuur van je tanden staat op springen bij het zien van zoveel zoetheid.

De jonge fotografe An-Sofie Kesteleyn (1988) zag de destijds tienjarige tweeling Gwendolyn en Kimberly buiten spelen en raakte gefascineerd. Niet alleen door hun rode haar, maar vooral door de liefde voor elkaar die zij herkende. Kesteleyn, in 2011 afgestudeerd aan de Koninklijke Academie van Schone Kunsten in Gent, fotografeerde de meisjes door de jaren heen. Soms afzonderlijk, maar meestal samen. In De Brakke Grond hangt een selectie van de serie met de hartverwarmende titel A lamb named Beauty. Deze snoezige meisjes hebben namelijk ook nog een lammetje, genaamd Beauty, en poseren voor Kesteleyns camera met konijnen, honden, poesjes, kuikentjes en een duif.

De Amerikaanse fotografe Diane Arbus (1923-1971) toonde met haar beroemde foto Identical Twins, Roselle, New Jersey (1967) dat mensen nooit precies hetzelfde zijn, ook tweelingen niet. Ondanks de witte kraagjes en banden in het identiek gekapte haar lijkt de tweeling door Arbus’ lens namelijk helemaal niet op elkaar. Waar de ogen van het ene meisje wijd open staan en haar mondhoeken een voorzichtige glimlach vormen, hangen de oogleden van haar zus chagrijnig naar beneden. Het commentaar van de vader van de tweeling op de foto is veelzeggend: “We thought it was the worst likeness of the twins we’d ever seen.”

De vergelijking tussen de eeneiige tweeling in de foto’s van Kesteleyn is niet tegen te gaan. Gwendolyn en Kimberly, Kimberly en Gwendolyn – de foto’s in De Brakke Grond zijn niet voorzien van titels – lachen en fronsen los van elkaar. Een glimlachend meisje heeft haar arm door die van haar serieuze zus gestoken en houdt haar hand vast. Terwijl je door de twee expositieruimtes in De Brakke Grond loopt groeien de meisjes langzaam op. Waren ze eerst opvallend vaak naakt, later dragen ze bikinibroekjes met pijpjes wanneer ze liggen te zonnen op een handdoek. Als ze ouder zijn verdwijnen de sproeten achter make-up. Nog later zien we helemaal geen gezicht meer, alleen het rood van het haar en een grote rookwolk uit de mond van een van de meisjes. Twee lichtbakken op het eind tonen de meisjes nu, met diepe decolletés.

“Je moet niet naar mensen kijken als naar zoekplaatjes” schreef Erik Jan Harmens in zijn gedicht Heel dat op een muur van de tentoonstellingsruimte staat geschreven. Het is lastig om het ‘zoek de verschillen’-perspectief los te laten, maar dat levert wel wat op. De wereld waar de meisjes in leven bijvoorbeeld, die Kesteleyn met het maken van de portretfoto’s ook vastlegde. Op een foto waarin de meisjes in onderbroek op de bank liggen zien we tevens wat er op de salontafel ligt: haarborstels, afstandsbedieningen en een fles zonnebrandcrème. Het beeld van een snikhete zomerdag doemt op: te warm om naar buiten te gaan, met de gordijnen dicht televisie kijken.

Op een andere foto zit een meisje in een roze pyjama op haar bed Beauty de fles te geven. Ze houdt de speen van de fles geconcentreerd in de gaten en kijkt of het dier wel goed drinkt. Als je je ogen van dit bijna religieuze beeld los kunt weken is daar het decor van een tienerkamer; cd’s, spijkerbroeken op een hoop, een berenknuffel. Fascinerend is de rij Furbies op een plank. Weet u nog, de Furby? Dat pluche robotdier dat je moest knuffelen, kietelen en kon laten slapen door je handen voor zijn oogjes te houden? Geïntroduceerd in 1998, met lege batterijen datzelfde jaar nog opgeborgen of weggegooid? De verstreken tijd staat bij de meisjes verzameld op een plank.

De tweeling gaf hun lammetje de naam Beauty, maar het is niet schoonheid waar het in de foto’s van Kesteleyn om draait. Ze ontving voor A lamb named Beauty de Zilveren Camera 2012 in de categorie Portretten. Eerder maakte ze American Portraits, een fotoserie met Amerikaanse kinderen. Het is ook hier niet het verontrustende beeld, zoals we gewend zijn in de hedendaagse documentairefotografie, maar het vastleggen van de ontroerende alledaagsheid van de tienertijd waar Kesteleyn zich mee onderscheidt.

Maar dan, in de jaarlijkse fotobijlage Observatorium schrijft De Volkskrant over A lamb named Beauty: “Hun wereld stortte in toen ze drie jaar geleden naar aparte internaten werden gestuurd.” Een internaat, het schrikwoord van iedere puber. Niets van gezien op de tentoonstelling. En het wordt nog erger. De moeder van de tweeling vertelt in een interview met de krant dat de meisjes een slechte jeugd hebben gehad, met een vader die hen misbruikte en nu een niet geringe gevangenisstraf uitzit. Waarschijnlijk heb ik het romantische beeld van twee prinsesjes met een lammetje nu ook voor u met de grond gelijk gemaakt. Waarschijnlijk vond de fotografe het toch nodig dit verhaal bij de serie te laten verschijnen: de bijlage kun je in De Brakke Grond gratis meenemen. Weg onschuld. Een nieuwe werkelijkheid verschijnt, een omgeving die wegviel op de foto’s van Kesteleyn, maar die toch al die tijd bestond.

Wat is er gebeurd met Beauty? Het lammetje staat nu als dik schaap in de wei, geportretteerd op een lichtbak in De Brakke Grond. Ouder worden is een eenzame aangelegenheid en beauty is daarbij niet het eerste woord dat in je opkomt.

An-Sofie Kesteleyn, A LAMB NAMED BEAUTY (2007-heden)
An-Sofie Kesteleyn, A LAMB NAMED BEAUTY (2007-heden)
Axel Straschnoy, PLANETARIUM STILLS #15 (2012)

Afgelopen winter – in de Argentijnse zomer – was in een klein en draagbaar planetarium in het Museum voor Moderne Kunst in Buenos Aires (MAMBA) het Noorderlicht waar te nemen. Het figureerde in een korte film van de Argentijnse kunstenaar Axel Straschnoy (1978), speciaal gemaakt voor de koepelvormige bioscoop.

In de film zien we Axel Straschnoy en een bevriende fotograaf op ontdekkingsreis naar Kilpisjärvi, één van de meest noordelijke regionen van Finland, met als doel het Noorderlicht vast te leggen op camera. Tijdens een tocht van twintig dagen richtten ze zeven nachten hun camera op de hemel, met een uitstekend resultaat; maar liefst vijf nachten was het Noorderlicht waarneembaar. Het planetarium is het ideale projectievlak: de koepelvormige architectuur biedt immers een letterlijke vertaling van de sterrenhemel.

De film is meer dan een vertoning van het magische en kleurrijke licht. De film is ook een verslag van de wijze waarop het licht wordt vastgelegd. In een simpele narratieve structuur zien we de twee mannen het ruwe landschap van Lapland betreden, door de sneeuw ploegen, hout hakken, hun handen warmen aan het vuur en op zoek naar de ideale plek om de camera in de sneeuw te planten. En dit alles gefilmd door een camera die opneemt in een hoek van 180°. Je afvragen wat er zich ‘achter’ of ‘naast’ de camera afspeelt is dus niet nodig, aangezien het totale uitgestrekte sneeuwlandschap in beeld is gebracht. Het enige wat de toeschouwer moet doen is een fixatiepunt kiezen op het grote ronde scherm.

Axel Straschnoy komt van oorsprong uit Buenos Aires. Zes jaar geleden verliet hij Argentinië om zich in Helsinki te vestigen, waar hij sindsdien woont en werkt. In de film lijkt hij – in lijn met het negentiende-eeuwse romantische beeld van de kunstenaar als ontdekkingsreiziger – zijn geadopteerde thuisland te verkennen, te onderzoeken en vast te leggen. Hierdoor keert hij een specifieke geschiedenis om: dit keer is het een Zuid-Amerikaan die Europees grondgebied ‘ontdekt’. Daarnaast is de film een onderzoek naar het planetarium als medium, technologie en architectonisch type. Naast de film Kilpisjärvellä vullen, onder de noemer Planetarium Project, twee fotoseries het onderzoek naar het wetenschappelijk gebouw aan. Hoewel de twee onderdelen – de film en de foto’s – elkaar ondersteunen, hebben ze ook beiden een sterk autonoom karakter.

De film Kilpisjärvellä manifesteert zich als een onderzoek naar het gebruik van het medium en een experiment met deze manier van documentatie. Mede door de time-lapse techniek reageert het beeld op elke beweging van de camera en zijn de beelden soms wat schokkerig. In samenwerking met het ongekunstelde narratief geeft dit de film een eigen en ongelikt karakter. Het is duidelijk dat de kunstenaar zonder script werkte en – behalve de hoop het noorderlicht op camera te kunnen vangen – geen voorafbepaald idee had van hoe de film eruit moest komen te zien.

Ook het overige werk van Straschnoy kenmerkt zich door een experimenteel en onderzoekend karakter. Nauw verwant aan process art gaat het in Straschnoys werk niet per definitie om het uiteindelijke resultaat, maar ligt de nadruk op het proces, de productie en de perceptie. Zo toverde hij eerder voor Camera (2007) een galerieruimte om tot een grote camera, waarbij het publiek het medium letterlijk betrad bij binnenkomst en onderdeel werd van een ‘work in progress’. En hing hij voor Contextos de Exhibición de un Marco Negro (2007) in de tentoonstellingsruimte een zwarte lijst op waarachter een camera schuilde, die de context van zijn eigen tentoonstelling(en) documenteerde. Het meest opvallende werk is wellicht The New Artist (2008), waarvoor hij – in samenwerking met een groep kunstenaars en wetenschappers – twee robots tegenover elkaar positioneerde in een tentoonstellingsruimte. De één als toeschouwer en de ander als kunstenaar: robotkunst voor robots.

Onderzoek naar verschillende media en hoe deze in verhouding staan tot productie en perceptie ligt dus aan de basis van Straschnoys artistieke praktijk. Hij bedrijft een ‘praktische filosofie’, die hij zelf omschrijft als “build it, try it and see what happens”. In de praktijk houdt dit in dat hij de rol aanneemt van een kunstenaar/wetenschapper, die altijd op zoek is naar een (voor hem) nieuw medium. In dit geval had Straschnoy zijn pijlen gericht op het planetarium als medium. In zijn Planetarium Project verkent hij dan ook, zowel door middel van film als fotografie, diens mogelijkheden en beperkingen.

Anders dan de meer didactische films die we van het planetarium gewend zijn, creëerde Straschnoy met Kilpisjärvellä een film die zich baseert op cinematografische conventies en een artistiek karakter heeft. Straschnoy’s film laat het planetarium als ‘bioscoop’ een nieuwe rol aannemen. Het is dus niet enkel het bekijken van het spectaculaire noorderlicht wat intrigeert. Vooral ook de keuze van locatie, vorm en medium maken het bekijken van de film tot een bijzondere ervaring.

Op 17 maart is Kilpisjärvellä te zien in het planetarium van Rotterdam: www.planetariumrotterdam.nl
Van 17 maart t/m 24 april exposeert Axel Straschnoy bij Galerie Mirta Demare in Rotterdam: www.mirtademare-art.nl

Axel Straschnoy, PLANETARIUM STILLS #5 (2012)
Axel Straschnoy, PLANETARIUM STILLS #12 (2012)

‘Het was een gemoedelijke tijd, minder hard en commercieel dan tegenwoordig. Tegen het eind van de dag was het zoete inval’. ‘De kunstwereld is supercommercieel geworden. Het idee is ontstaan dat je alleen nog maar succesvol kan zijn als je heel veel geld verdient. Dat is funest.’ Aldus twee uitspraken van Amsterdamse galeriehouders in het boek Positioning the Art Gallery, waarin een meerstemmige beschouwing wordt gegeven over het idealistisch ingestelde en op topkunst georiënteerde segment van de Amsterdamse galeries voor hedendaagse kunst. De auteurs spreken de intentie uit om het niet over de entrepreneurgaleriehouder te hebben, maar volgens het model van kunsthistoricus Robert Jensen over ‘een altruïstische pleitbezorger voor het algemeen belang die beweert niet alleen geleid te worden door het verdienen van geld, maar die een bepaald soort kunst wil voorstaan’.

In zes essays van diverse auteurs wordt aan de hand van thematische vragen de galeriewereld tegen het licht gehouden. Hoe verhouden galeries zich tot de lokale en de internationale markt? Op welke wijze positioneert de galeriehouder zich in het kunstenkrachtenveld van onder andere de overheid, musea, markt, publiek en kunstenaar? Wat beweegt iemand om een galerie te openen? Met welke kunstenaars werkt men graag samen en waarom? De essays zijn aangevuld met krantenknipsels, archiefbeelden van tentoonstellingen en manifestaties en groepsfoto’s van galeriehouders, die de lezer een mogelijkheid geven om de sfeer van diverse tijdperken te proeven. De vaak poëtische statements van galeriehouders – waaronder Paul Andriesse, Kees van Gelder, Jack Tilton en Fons Welters – die verspreid in het boek zijn opgenomen, bieden een kijkje achter de schermen.

In het eerste essay geeft Noor Mertens een schets van de geschiedenis van de hoofdstedelijke galeriewereld. De progressieve negentiende-eeuwse galeriehouder is voornamelijk een gedreven kunstliefhebber die zich omringd ziet door geharde kunsthandelaren. De toon is daarmee gezet: de galeriehouder wenste meer te zijn dan een kunsthandelaar, bijvoorbeeld door een al dan niet tijdelijke ontmoetingsplek te creëren voor intellectuelen en kunstenaars. Vervolgens geeft Jan van Adrichem in zijn essay een bevlogen analyse van de galeriehouders in de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw. Hij beschrijft de galeries van Riekje Swart, Art & Project en Helen van der Meij als eenzame promotors van nieuwe kunststromingen zoals bijvoorbeeld conceptuele kunst. Van Adrichem maakt interessante opmerkingen over de banden die de galeriehouders hadden met kunstenaars en met de overheid. Hoewel de galeriehouders op hun gevoel en passie voor kunst afgingen, lieten ze hun visie over de koers van de galerie dikwijls beïnvloeden door de mening van bevriende kunstenaars. Onder anderen Jan Dibbets en Ger Van Elk brachten de Nederlandse galeries in contact met klinkende internationale namen als Sol LeWitt en John Baldessari. In die tijd ontpopten het Rijk en het bedrijfsleven (bijvoorbeeld PTT), zich tot grote kunstverzamelaars, met name van jonge Nederlandse kunstenaars. Ook riep de overheid cultuurfondsen in het leven. Dat alles gaf de Nederlandse galeries een ongekende voorsprong op hun buitenlandse collega’s.

De jaren ’80 tot en met heden neemt Dominic van den Boogerd voor zijn rekening. Dat de huidige directeur van De Ateliers dicht op de huid van het galeriewezen zit mag blijken uit de korte interviews waarin diverse galeriehouders openhartig met hem in gesprek gaan. Dat geldt zelfs voor de commerciële kant van hun werkzaamheden, een gespreksonderwerp dat normaliter wordt gemeden. De galeriehouders, die inmiddels over de kunstenaars in hun bestand spreken als ‘de stal’, dragen vaak financieel bij aan de productie van kunstwerken zonder enige zekerheid te hebben of die werken ooit verkocht zullen worden. Men werkt met bekwame assistenten en ambieert internationale prestige. Daarom toont men vaak internationale kunstenaars of vertegenwoordigt men Nederlandse kunstenaars op internationale kunstbeurzen zoals Art Basel. Men is kritisch over de toenemende commercialisering van de kunstensector. Een triest gegeven is dat de gewilde internationale beurzen de galeries meer beoordelen op basis van de verzamelaars die ze aan zich weten te binden, dan op de kwaliteit van de getoonde kunst. Voor nieuw bloed in de stal wendt men zich vaak niet meer tot bevriende kunstenaars maar tot postacademische instituten zoals de Rijksakademie en De Ateliers.

Het internationalisme van de galeriehouders wordt door Olav Velthuis in zijn betoog als ideologie bestempeld. Volgens hem brengt het internationalisme de galeries in een spagaat tussen de lokale en de internationale reikwijdte, omdat ze niet over de middelen en netwerken beschikken om wereldwijd te opereren. Met deze stelling zijn de galeriehouders het grotendeels eens; ze kunnen tegenwoordig moeilijk concurreren met goedgeoliede internationale topgalerieën. Kunsthistorica Tineke Reijnders schrijft over kunstenaars die bewust niet tot een stal willen behoren en hun werk liever tonen in de vele kunstenaarsinitiatieven en presentatie-instellingen die Amsterdam rijk is en waar ze zelfstandig of samen met curatoren werken. Voor die kunstenaars is zelfs de idealistisch ingestelde galeriehouder een belichaming van de ontzielende commercie. Xander Karskens stelt dat kunstenaars zich wel degelijk laten leiden door de markt omdat ze werk blijven produceren dat goed bij idealistische galeries past. Kunstenaars beseffen zich terdege dat nationale en internationale musea belangrijke klanten van die galeriehouders zijn en dat een museale aankoop aan prestige bijdraagt, waardoor de prijs van hun kunstwerken stijgt.

Positioning the Art Gallery geeft een helder beeld van het Amsterdamse galeriecircuit en werpt een kritische kijk op de commercialisering van de kunst. De platformfunctie van de hedendaagse Amsterdamse galerie blijft in deze publicatie helaas wat onderbelicht. Dit vloeit voornamelijk voort uit de praktijk, aangezien het creëren van verdiepende ontmoetingsplekken door de galeriehouder niet tot de hoogste prioriteit wordt gerekend. Die positie laten ze vaak over aan kunstenaarsinitiatieven, musea en presentatie-instellingen. Maar de aanhoudende economische crisis en versoberde subsidies voor de cultuursector eisen flexibiliteit en innovatie van de gefragmenteerde Nederlandse kunstwereld. De toekomst van het fenomeen van de idealistische galerie in Amsterdam ligt wellicht in nieuwe samenwerkingsverbanden en versterking van de platformfunctie van de galerie. Deze publicatie vormt daarbij zowel een informatief naslagwerk als een visitekaartje voor de idealistische galeriehouders die Amsterdam rijk is.

POSITIONING THE ART GALLERY
HET AMSTERDAMSE GALERIEWEZEN IN EEN INTERNATIONALE CONTEXT
Noor Mertens, Astrid Vorstermans (red.)
Valiz, Amsterdam (2012)
ISBN: 978-90-78088-39-4

Meer dan een tegenhanger

Sietske Roorda
Louise te Roele, ZWERM (2012)

Kunstbeurzen zijn vaak overweldigend en daardoor soms frustrerend: door de immense hoeveelheid kunst kun je als bezoeker niet anders dan vluchtig kijken. De nieuwe beurs Unfair Amsterdam is daar een uitzondering op. Geboren uit de val van Art Amsterdam, is deze beurs meer geworden dan slechts een tegenhanger.

Unfair is opgezet door de drie jonge kunstenaars Adam Nillissen (1983), Peter van der Es (1985) en Boris de Beijer (1986). Vers van de academie en vol ambitie om de kunstwereld te veroveren, zagen ze beurzen en instellingen verdwijnen en daarmee ook platformen voor jonge kunstenaars. In plaats van zich bij deze situatie neer te leggen, vatten ze het plan een kunstbeurs op te richten die juist jonge kunstenaars een podium biedt. Met Mister Motley-redactrice Heske ten Cate werd een selectie gemaakt van dertig kunstenaars die maximaal vijf jaar geleden zijn afgestudeerd.

Hoewel sommige kunstenaars zich al hebben weten te binden aan een galerie, spelen galeries op deze beursvloer geen rol: het zijn de kunstenaars die zichzelf vertegenwoordigen. De afwezigheid van galeries heeft een egaliserend effect op de beursvloer. Al het werk wordt in neutrale witte hokken gepresenteerd, zodat je niet per stand in een compleet andere sfeer terechtkomt. Ook is afgeweken van de traditionele ‘straat’ met stands die je kunt betreden of voorbijlopen. Unfair kiest voor een dynamische inrichting die je ongedwongen langs alle deelnemers leidt. Deze opstelling maakt de beurs in tegenstelling tot vele andere zeer overzichtelijk. Omdat elke kunstenaar zijn eigen afzonderlijke ruimte heeft, zijn de omstandigheden om de werken te bestuderen optimaal.
  
Gelukkig, want er wordt veel mooi en interessant werk gepresenteerd dat uitdaagt om te blijven kijken. Zo zijn er de hyperrealistische foto’s van Louise te Poele (1984) die voedsel, vuilnis en opgezette dieren tonen; verstild in een moment van actie, wat het werk een surrealistische en sprookjesachtige dimensie geeft. Het schilderij Sisyphus – (II) — Six (2013) van Niek Hendrix (1985), die viermaal hetzelfde stilleven van de zeventiende-eeuwse schilder Pieter Claesz. in verschillende tinten grijs schilderde, laat de letterlijke gelaagdheid van het schilderen zien.

Een speelser karakter heeft de fotoserie En Vogue (2013) van Willem Popelier (1982), een reeks zelfportretten in poses van covermodellen van de Nederlandse Vogue. Zo demonstreert de in het zwart geklede fotograaf wat een bizarre houdingen en vreemde gezichtsuitdrukkingen de modellen eigenlijk aannemen op modefoto’s. Ook het interactieve werk Visually Impaired (2012) van Carina Hesper (1983) valt op. Wrijvend over de ogenschijnlijk monochroom zwarte foto’s, tovert de warmte van je hand portretten tevoorschijn van blinde en slechtziende kinderen in China. Zo wordt niet alleen het kijken, maar ook het voelen benadrukt.

Ondanks de ideologische achtergrond en speciale aandacht voor inrichting blijft Unfair Amsterdam in essentie een beurs: er kan gekocht worden. Uit sommige prijslijsten blijkt al snel dat je niet over een dikke spaarrekening hoeft te beschikken om een mooi werk mee naar huis te kunnen nemen, waardoor Unfair ook voor jonge kunstverzamelaars een aantrekkelijke plek is. Door deze laagdrempeligheid, de kleinschaligheid van de beurs en het wekken van sympathie bij andere instanties zijn de drie jonge kunstenaars meer dan geslaagd in hun missie. Ontstaan uit ongenoegen over het huidige kunstklimaat, is Unfair daaraan een waardevolle toevoeging.

Niek Hendrix, SISYPHUS-(II)---SIX (2013)
Carina Hesper, VISUALLY IMPAIRED (2012)