Massa

Heleen Huisman
Paul McCarthy, BOSSY BURER (1991)

Ken je dat, dat je bij de grote gele ‘M’ (je weet wel, die fastfoodketen waarvan het logo wereldwijd bekender is dan het Christuskruis) een ongelooflijke schranspartij hebt zitten houden en dat je je daarna eigenlijk een beetje vies en misbruikt voelt? En nog veel erger natuurlijk: je wordt je ineens pijnlijk bewust van jouw insignificante deelname aan de massacultuur. Want massaal is het; waar ook ter wereld, er is altijd wel een vestiging van de Golden Arches in de buurt, waar de Coca-Cola rijkelijk vloeit en waar de pure beef patties met honderden per dag over de toonbanken gaan. In de voormalige McDonald’s aan de Grote Markt in Haarlem geeft Nieuwe Vide op passende wijze onze perverse relatie met voedsel weer in vijf videowerken. ‘Massa’ lijkt hierin steeds het sleutelwoord – met een nare bijsmaak.

In de video-installatie Tomatina / Tim van Raul Ortega Ayala (1973) bijvoorbeeld, laat de kunstenaar ons zien hoe weinig respect we in het westen nog voor eten hebben. De installatie bestaat uit twee video’s die in het gestripte restaurant tegenover elkaar te zien zijn. Een is een registratie van Tomatina: een enorm jaarlijks voedselgevecht in het Spaanse dorp Buñol, waarbij een uitzinnige mensenmassa in een uur 150.000 tomaten tot pulp smijt. De deelnemers bekogelen elkaar luid joelend met de tomatenprut die aan het eind van het festijn tot hun enkels zal reiken. Op de andere video is te zien hoe Tim Janus, een competitive eater, binnen afzienbare tijd een enorme berg hotdogs op weerzinwekkende wijze naar binnen werkt. Hij schuift de worstjes zonder brood per twee in zijn mond en doopt intussen de overgebleven broodjes in grote bekers water, om die er vervolgens achteraan te proppen. De hand van de kunstenaar is in het werk onzichtbaar. Hij spreekt geen oordeel uit, maar eigenlijk is dat hier overbodig. De combinatie van beide registraties maakt al dat ieder weldenkend mens de verspilling op de beelden niet anders dan lichtelijk beschaamd kan aanzien. 

Deze ultieme decadentie staat in schril contrast met het werk van kunstenaarsduo L.A. Raeven (1971), bestaande uit de tweelingzussen Liesbeth en Angelique Raeven. In het ontroerende werk Kelly wordt een meisje in New York gevolgd dat totaal geobsedeerd is door haar eigen massa. De geur van gebak alleen al jaagt haar schrik aan dikker te worden. Desondanks spendeert ze haar dagen met het obsessief afstruinen van de honderden traiteurs en supermarkten in de stad voor de gratis food samples. Door deze tactiek te volgen beperkt ze de overweldigende keuze aan voedsel in haar omgeving tot de kleine porties waarmee winkels je willen verleiden meer te kopen. Bovendien, redeneert ze in de voice-over, is het maar beter dat ze er niet voor hoeft te betalen, want dan hoeft ze zich minder schuldig te voelen. Als ze de buit uitstalt in haar keuken, neemt ze gekweld kleine hapjes van haar bijeengesprokkelde maaltijd. Kelly’s verhaal is weliswaar fictief, maar uit het leven gegrepen: haar personage werd door de kunstenaars samengesteld uit verhalen die zij lazen op een weblog voor mensen met een eetprobleem. 

De excessen komen tot een climax in het absurde Bossy Burger van Paul McCarthy (1945). De kunstenaar, grotesk uitgedost in een kokspak, Ronald McDonald-schoenen en een masker van Alfred E. Neuman (mascotte van het satirische tijdschrift MAD), lijkt in eerste instantie een optreden als televisiekok te gaan verzorgen. Maar bijna direct blijkt al dat zijn acties geen enkele relatie met koken of eten meer hebben. Met een reeks nutteloze, infantiele handelingen – hij staat een tijdje in een hoek van de ruimte om zijn as te tollen, of zo hard mogelijk een klapdeur tegen zijn hoofd te slaan – lijkt McCarthy te refereren aan bekende performances, zoals die van Bruce Nauman en Marina Abramovic´. Significant verschil is echter dat het in McCarthy’s werk ontbreekt aan de bittere ernst die spreekt uit deze vroege performancewerken. Sterker nog, de kunstenaar theatraliseert zijn acties tot het ridicule. Daarbij gebruikt McCarthy attributen die symbool staan voor massacultuur en consumentisme, zoals ketchup, wat inmiddels zijn handelsmerk geworden is. De kookinstructie ontaardt daardoor al snel in een volkomen idiote smeerboel van ketchup, mayonaise, stukken pijp en een kalkoenpoot; een parodie op de consumptiemaatschappij. 

Maar is de werkelijkheid dan minder absurd? Onlangs werd bekendgemaakt door de Verenigde Naties dat wereldwijd 868 miljoen mensen honger lijden, maar kennelijk vinden we het heel normaal, zelfs feestelijk, om achteloos enorme hoeveelheden voedsel op straat te gooien of in een zo kort mogelijke tijd naar binnen te stouwen. Daarover mag je je met recht wel een beetje smerig voelen. Dat er overal ter wereld wel een filiaal van de Golden Arches in de buurt is, is dan ook niet helemaal waar: van de honderdnegentien landen waar McDonald’s gevestigd is, bevinden zich er slechts drie op het Afrikaanse continent. Tegenover deze achteloosheid over ons eten staat de fixatie op ‘gezond eten’. Daarbij gaat de inmiddels gigantische dieetindustrie hand in hand met de massamedia, als promotors van het perfecte lijf en het bijbehorende perfecte leven. Beide extremen komen voort uit de overvloed, de massaliteit. Nieuwe Vide heeft de verschillende aspecten van de wijze waarop wij met voedsel omgaan treffend in de tentoonstelling verwerkt, zeker als je bedenkt dat het op de plek is waar – tot niet zo heel lang geleden – de massa zich kon voeden met nog meer massa: supersized porties patat en milkshakes. 

L.A. Raeven, KELLY (2005)
Raul Ortega Ayala, TOMATINA / TIM (2010). Courtesy: Nieuwe Vide

Even bellen voor betekenis

Robert-Jan Muller

De meesten hadden zich op z’n paasbest gekleed, begin oktober in het Paleis op de Dam, waar de Koninklijke Subsidies voor de Schilderkunst door koningin Beatrix werden uitgereikt.  De sfeer tijdens dit jaarlijks terugkerend evenement is altijd opperbest en heeft een hoog ons-kent-ons-gehalte onder de genodigden, met een glas witte wijn in de hand onder de Empire luchters in de Burgerzaal. In de wandelgangen wordt de kunst bekeken en gekeurd, af en toe door de art professionals ongenadig weggezet in een entre-nous. Of en waarom je wordt uitgenodigd is soms niet helemaal duidelijk, maar de guest list lijkt, net als in een hippe nachtclub, eerder een guess list.

Over een van de winnaars, uit beleefdheid laat ik de naam van de kunstenaar in het ongewisse, was iedereen in mijn omgeving het eens: dit is een heel goed schilderij en bovendien was het al eens tentoongesteld in een gerespecteerde kunstruimte. Voor mij was deze consensus nogal verontrustend, omdat ik het helemaal niet zo goed geschilderd vond; weliswaar een aansprekende voorstelling, maar de verfstreek zat er niet lekker op en in de hoeken ‘liep het werk weg’ in het niets. Laat ik daarbij direct bekennen dat ik in de jaren tachtig evenmin wegliep met de schilderijen van René Daniëls (in wiens galerie Paul Andriesse ik toen assistent was) en dat ik die mening later rigoureus moest bijstellen. Mijn onzekerheid werd nog gevoed door een mededeling, in mijn oor gefluisterd, dat de koningin een ander schilderij van dezelfde kunstenaar had aangekocht. En zij is warempel zelf ook kunstenaar.

Daar, in die wandelgang tussen de schilderijen en meningen, vroeg ik me af, wat zijn de criteria die je aanlegt bij het beoordelen van een schilderij, of van welk kunstwerk dan ook? ‘Kijken met je oren’ wil nog wel eens helpen wanneer je gemakzuchtig en onzeker bent. Maar val je op den duur niet door de mand als je er ook over moet schrijven? Wordt het oordeel gevormd door het feit dat je de kunstenaar persoonlijk kent of dat je je met het oeuvre identificeert? In dat laatste geval stel je je naast de kunstenaar op, en niet tegenover het kunstwerk. Van criticus word je verdediger, distantie is onmogelijk. Wat moet ik ervan denken als in een vaktijdschrift over het werk Transition van Gabriel Lester (op documenta 13) wordt beweerd dat je er emotioneel en intellectueel anders uitkomt, terwijl ik zelf alleen een halfronde buis in- en uitliep? Er wordt op zo’n moment door de auteur eerder aangegeven wat de kunstenaar er mee wil (een rite-de-passage blijkbaar), dan wat hij bereikt. De wil om ‘de kant van de kunstenaar te kiezen’ is blijkbaar zo groot, dat uitgangspunt en resultaat worden verward.

Soms heb ik wel eens het idee dat de kunstkritiek niet uitgaat van kijken maar van lezen. Ofwel: niet van het beeld maar van de tekst. Zelf bezoek ik nogal eens kijkdagen van veilingen, waar rijp en groen door elkaar hangt. Je ziet daar zowel kunst van het museale als het sub-museale niveau. Steeds word je er uitgedaagd een mening te vormen over kunstenaars met wie je onbekend bent. Je moet het doen met de summiere tekst die de veilingcatalogus biedt, maar in laatste instantie ga je uit van kijken.

In zijn recente artikel The Demise of Artnet Magazine and the Crisis of Criticism beschrijft  Michael Pepi hoe Artnet Magazine, in juni van dit jaar teloorgegaan, in 1996 begon online artikelen te publiceren. Het onderwerp was hoofdzakelijk ‘deskundige analyse van de kunstmarkt’ in een ‘direct, praktisch proza, dat werkte als een bezwering van de negatieve reacties op de zwaar theoretische art speak, die voor sommigen een doorn in het oog was.’ Met andere woorden, Artnet publiceerde begrijpelijke taal over kunst. Kunstcriticus Donald Kuspit maakte in datzelfde jaar tijdens een AICA congres (de Internationale Vereniging van Kunstcritici) het onderscheid tussen journalistieke kunstkritiek, die zich niet bezighoudt met de verdere reikwijdte van kunst, en de metafysische kritiek, die probeert ‘een nieuwe taal te ontwerpen’ om de dieperliggende aspecten van kunst te verwoorden. Artnet teksten vielen duidelijk in Kuspits eerste categorie, aldus Michael Pepi.  De tweede categorie viel onder de art speak, de teksten die het ‘algemene, oningewijde publiek van zich vervreemden.’ Mij trouwens ook vaak. Gelukkig heb ik dan een goede vriendin bij de Appel, die ik dan kan bellen: ‘Zeg, wat betekent nu ook alweer discursief?’ Of: ‘wat wordt er toch bedoeld met performativiteit?’

Kunstcritica Lynne Cooke liet tijdens hetzelfde AICA congres zien, dat het publiek allang was afgehaakt, want, ‘hoewel er meer soorten publiek zijn en er meer museumbezoek dan ooit is, is het blijkbaar geen activiteit die versterkt hoeft te worden met het lezen over kunst.’ Waarom zou je ook, wanneer de teksten niet lijken te gaan over wat je ziet, maar slechts een zelfde taal willen spreken. Ik ben er nog steeds verbaasd  over dat sommige kunstauteurs de ‘talige’ kant van kunst lijken te prefereren boven de visuele werkelijkheid. Daarbij komt, dat die nadruk vaak gepaard gaat aan de metafysische tekstualiteit waarop Kuspit duidt. Kunstkritiek moet liever geen hermetische alchemistenpot zijn. Daar komt nooit goud uit. In het Paleis op de Dam zei juryvoorzitter Wilma Sütö overigens dat de kunstkritiek, in deze tijd van verdachtmaking van de kunst en haar instituties, zich ook wel eens lovend zou mogen uitlaten. Onder kroonluchters, in het zachte licht en met uitzicht op gelivreide lakeien met dienbladen, vonden wij dat allemaal een heel goede suggestie.

Sober met een kwinkslag

Lise Lotte ten Voorde

Het ligt wat voor de hand, de vergelijking met Sheherazade, maar wat wil je met zo’n omslag. Twee met kohl omlijnde amandelvormige ogen, een sluier om het hoofd, een fonkelende speld op de revers van een zacht glanzend jasje, en dat alles in het grijsgroen dat met de Islam en het Midden-Oosten wordt geassocieerd. Ons model is bepaald koket bovendien; de lippen glimmend van de gloss, de kin iets naar beneden, een felle blik waarmee ze de kijker fixeert.

Kunstenaar/fotograaf Hana Miletić werd in 1982 geboren in Zagreb, maar verhuisde naar België waar ze in Antwerpen en Brussel kunstopleidingen volgde. Momenteel werkt ze ook als docent-assistent en onderzoeker op de LUCA School of Arts van de Vrije Universiteit Brussel. De combinatie van haar afkomst en interesse in theorie sijpelt vaak in meer of mindere mate door in haar visuele werk.

Met de geografische afstand tot haar onderwerp, dat vaak te maken heeft met Kroatië, is er ook een culturele afstand ontstaan. Ze herkent typische, maatschappelijke verschijnselen, maar kan er met de verwondering van een buitenstaander naar kijken, zowel in Brussel als in Zagreb. Het resultaat van haar arbeid is meestal sober maar met een kwinkslag, alhoewel dat laatste ook een interpretatie van de lezer kan zijn.

In haar meest recente publicatie Class of 2008 is ook zo’n interpretatiedilemma aan de hand. Miletić kreeg een serie portretten tot haar beschikking van de eindexamenklas van de enige Islamitische middelbare school in Kroatië, een land dat vooral veel christelijke inwoners heeft. Een tweede factor die de verzameling foto’s uitzonderlijk maakt, is het feit dat deze klas uit 2008 de enige is die ooit officieel op foto is vastgelegd door de school.

De portretten lijken veel op elkaar. De meisjes dragen eendere hijabs, jasjes en spelden; de jongens een donker pak dat steevast iets te ruim om de schouders hangt, een wit overhemd en een glimmende das bezaaid met lichte en donkere rechthoekjes. Alleen kapsels, brillen en de manier waarop de sluier is geknoopt variëren. De jongens kijken gemiddeld wat treuriger de lens in dan hun vrouwelijke klasgenoten, van wie niemand zo sprankelend de verwachting tart als het meisje op de omslag.

De foto’s zijn in zwart-wit gedrukt, de personages hard uitgelicht, waardoor een dreigende schaduw op de muur achter hen wordt geworpen. Waarom zijn er van deze groep wel foto’s? Welke hoop is op hen gevestigd? Welk onheil hangt hen boven het hoofd? En dan het element waarmee Miletić alles op zijn kop zet: een witte envelop vol kleurensnapshots. Van alle geportretteerden één. En wat blijkt: lachende gezichten, jongens tonen hun pasgeboren kind, motor of voetbaltrofee. Slechts drie van de tien meisjes dragen ook buiten school de hijab, de overige zeven poseren in verleidelijke poses. Er is niets over van de deprimerende sfeer in de officiële portretten.

Haalt Miletić een grap met ons uit, of bedoelt zij een politiek statement te maken over het verschil tussen beeld en werkelijkheid? Haar keuze voor de printtechniek, die het midden houdt tussen drukken en kopiëren en uitermate geschikt is voor hoge oplages zoals bij politieke pamfletten, zou op dat laatste kunnen wijzen. Voor een eenduidige conclusie is echter nog wat meer studie nodig. Vooralsnog is Class of 2008 een modern sprookje over lelijke eendjes en coming of age in ongewone omstandigheden, op intelligente, intrigerende en visueel aantrekkelijke wijze verteld.

Hana Miletić
CLASS OF 2008
Art Paper Editions, 2012
www.hanamiletic.com

Arqueologia del uso

Adriana Gonzalez Hulshof
Tatiana Mesa, ARQUEOLOGIA DEL USO (2011-)

De sluimerende provocatie van controle: hoe nauwelijks opgemerkte voorwerpen, die niet in de omgeving thuishoren, de ruimte veranderen. Havana, mei 2012. De zinderende hitte en de klamme lucht hebben hun weerslag op de stad. Mensen sjokken door de straten. Snakkend naar een zuchtje wind hangen de hoofden van passagiers uit de colectivo’s (collectief gebruikte taxi’s), schaterende schoolkinderen wachten op een bus en uit de vervallen huizen schalt reggaeton. Een dagelijks tafereel op de route vanaf El Puente del Hierro naar Havana Vieja, het oude centrum van de stad. Normaal gesproken niks bijzonders… tot vandaag. De ontdekking van een reeks kleine details maakt een verrassend verschil. Kleine oorbelletjes, verstopt in gaatjes van verkeerspalen, bomen, muren van huizen en naast winkelruiten, veranderen mijn beleving van dit traject.

Met deze op het eerste gezicht onopvallende aanpassingen in de publieke ruimte, die gezamenlijk het werk Arqueologia del uso vormen, verandert Tatiana Mesa (1981) haar omgeving in een onopvallende schatkist. De toevoeging van persoonlijke bezittingen als oorbelletjes, ringen of kettingen van zilver en goud aan de publieke ruimte – zonder enig spoor van afzender of van reden – voelt aan als een confrontatie tussen intimiteit versus openbaarheid. Wanneer je het eerste sieraad opmerkt, ga je ervan uit dat dit verloren is en dat de vinder het heeft opgehangen zodat het makkelijk vindbaar is voor de zoeker. Maar naarmate je meer sieraden ziet, begrijp je dat deze opzettelijk geplaatst zijn. Vragen rijzen op als: ‘Is dit toeval? Hoort dit daadwerkelijk hier? Waarom doet iemand dit?’ De afzender heeft heel bewust de omgeving gadegeslagen, als een kind dat dingen ziet waar volwassenen overheen kijken in de snelheid van het dagelijkse leven.

Arqueologia del uso bevindt zich niet alleen langs de routes die de kunstenaar dagelijks aflegt in de straten van Havana, maar ook in Mesa’s huis en in de huizen van haar vrienden. Gaten waarin schroeven hebben gezeten en verkleurde plekken op de muur waar voorheen schilderijen of spiegels hingen, verraden sporen en roepen beelden op van eerdere bewoners. Mesa laat de wanden onaangeroerd en accentueert daarentegen de imperfecties door ze te voorzien van een verfraaiing in de vorm van een sieraad. Door het accent dat Mesa middels zulke nietige voorwerpen legt, maakt zij de beschouwer bewust van de omgeving en verbindt ze mensen en herinneringen door de nadruk te leggen op hetgeen wat was en hetgeen dat is. Zo prikkelt de kunstenaar met Arqueologia del uso mensen om te zoeken naar tekens van het geleefde leven in ieders omgeving.

In Mesa’s oeuvre komen deze verbindingen ook expliciet tot stand door van te voren afgesproken overeenkomstige handelingen uit te voeren, actions, zoals het simultaan lezen van dezelfde passage uit een boek door twee geliefden, waardoor de kunstenaar en een dierbare worden verbonden, ongeacht locatie en tijd. De enige toegang die een buitenstaander heeft tot de actions zijn de sporen die zijn achtergebleven in de vorm van objecten: brieven, tegeltjes, aantekeningen en dergelijke, waaruit een verhaal kan worden opgemaakt.

Objecten spelen in Arqueologia del uso een transcendente rol, zoals in de rest van haar werk. In tegenstelling tot een groot deel van haar oeuvre, waarin Mesa het landschap als bron van objecten gebruikt, die voorheen als waardeloos of onopvallend werden beschouwd (afgebladderde stukjes verf, haarclipjes, gebroken sleutels, bierdopjes en snoeppapiertjes), voegt ze in Arqueologia del uso voorwerpen toe aan ditzelfde landschap. Eigenlijk vormen niet de objecten noch de ruimte, maar de tijdloze verbinding tussen mensen de essentie van haar werk. Ze dwingt mensen met haar in contact te treden. Zodra de toeschouwer dit eenmaal beseft, kan hij zich er niet meer aan onttrekken.

Tatiana Mesa, ARQUEOLOGIA DEL USO (2011-)
Tatiana Mesa, ARQUEOLOGIA DEL USO (2011-)

Verkooppraatje

Domeniek Ruyters

Het is altijd even schrikken als ik statistieken zie die aangeven hoeveel voorlichters er in Nederland actief zijn en hoeveel journalisten. Het laatste statistiekje dat ik zag gaf aan dat de verhouding in de politiek intussen tien op één is. Tien voorlichters op één politieke journalist! In andere sectoren zal het ongetwijfeld erger zijn. Je vraagt je af wat dat betekent voor de informatievoorziening in dit land. Gaan marketing en pr de plaats innemen van de journalistiek? Wordt het verkooppraatje de norm in een samenleving die straks niet meer weet dat informatie er op gericht is inzichten over te dragen en niet zozeer om iets te promoten? Of erger: zijn we misschien al in die situatie aanbeland?

Afgelopen jaren is er samen met de voorlichters een hele vloot aan bladen, programma’s en sites opgericht die het publiek klaar moeten stomen voor het ‘bewuste’ consumentenbestaan. Van Postbus 51 tot aan hele maandmagazines die banken, verzekeraars, de AH en de NS ons toesturen, van talloze websites tot alle mogelijke vormen van sponsoring en sluikreclame, dag in dag uit word je in alle media bestookt met verkapte verkooppraatjes van belanghebbende partijen. Al die pr en marketing kleurt onze perceptie op informatie zodanig dat ook de gewone journalistiek er karakteristieken van begint over te nemen. Alles moet sneller, korter, lichter, en bovenal positiever. Kritische stukken maken geleidelijk aan plaats voor feel good nieuws, human interest, consumenteninformatie, gesponsorde bijlagen en pagina’s vol foto’s met lachende gezichten. De scherpe analyse is verbannen naar de opiniepagina van kwaliteitskranten, terwijl recensies geleidelijk aan uit de media lijken te verdwijnen. Het pimpen van die stukken met bollen en sterren lijkt niet te kunnen verhinderen dat de gemiddelde lezer (en redacteur) de kritische bespreking meer en meer ziet als een vorm van folklore. Een journalistiek genre uit een andere tijd toen het onafhankelijke en goed beargumenteerde oordeel nog een belangrijke waarde vertegenwoordigde in het maatschappelijk verkeer en werd beschouwd als een middel om dichter bij de waarheid te raken.

In het tijdperk van de voorlichter leven we onder het regime van ‘positieve discriminatie’. Negatief nieuws wordt uitgebannen, minpuntjes weggemasseerd. Critici die ervan houden lekker tegendraads de vinger op de zere plek te leggen, worden meer en meer gezien als irritante outcast, asociale spelbrekers en zure nestbevuilers. Vaker dan de voorlichters met hun verkooppraatjes worden ze in diskrediet gebracht, alsof ze te kwader trouw opereren, ongefundeerd te werk gaan, of zomaar wat roepen. Typerend in dat opzicht is dat in Nederland niet de voorlichter maar de journalist doorgaat voor manipulator en leugenaar – met dank aan koningin Beatrix’ constatering over de pers dat de leugen regeert.

Wat betekent de toenemende invloed van de markt op de informatiecultuur voor de kunstkritiek? Ik vrees niet veel anders. Binnen de kunst heeft de kritiek het altijd zwaar gehad: er is in Nederland nooit veel geld naartoe gegaan. Iedere jonge kunsthistoricus weet dat er met schrijven geen droog brood te verdienen valt, met als gevolg dat schrijven over kunst traditioneel iets is wat je maar tijdelijk doet, om als je het een beetje in de vingers hebt zo snel mogelijk bij een goed betalende instelling aan de slag te gaan, als voorlichter bijvoorbeeld. Slechts een handvol critici kan een inkomen halen uit het schrijven.

Tegenover die critici staan in de Nederlandse kunst nog meer voorlichters dan in de politiek. Elke kleine instelling heeft wel een publiciteitsmedewerker, de grote instellingen zelfs een heel team. In de laatste twintig jaar zijn er bakken met geld naar pr en marketing gegaan, maar de kunstjournalistiek heeft alleen maar ingeleverd. Hoewel het belang van het discours in de kunst enorm is toegenomen, heeft de kunstjournalistiek er totaal niet van geprofiteerd. Er is wel meer geld gegaan naar instellingen, die daar eigen publiciteit van zijn gaan verzorgen. Waren de musea eind vorige eeuw al hun eigen museumkranten begonnen, in de afgelopen jaren hebben Witte de With, De Appel, BAK, Marres, Casco en Stroom allemaal voor kortere of langere tijd hun eigen ‘tijdschriften’ opgericht, soms gratis verkrijgbaar aan de balie. Al die publiciteit, hoe degelijk, verantwoord en intelligent ook, is geen kunstkritiek. Je zult er nooit een kritisch woord in aantreffen over de instelling zelf, of de collega’s waartoe de instelling zich wenst te verhouden. Het is hoe je het wendt of keert een vorm van zelfpromotie.

Niet alles is minder. Terwijl in de kunst de nadruk op pr en marketing groeit, is er dankzij het internet een omvangrijke blogsfeer ontstaan die de kritiek heeft gedemocratiseerd. Iedereen heeft tegenwoordig een mening en ventileert die ook, in soms uiterst professioneel verzorgde blogs. Je kunt het zien als een vorm van natuurlijke compensatie van een aan zelfpromotie verslaafd geraakte cultuur. Toch biedt het internet nog geen vervanging voor de professionele kunstkritiek. Zoals Thijs Lijster recentelijk terecht opmerkte in een tekst voor het boek Zonder titel; Amateur en professional in de kunst (Mondriaan Fonds, 2012), is de blogsfeer vooralsnog te gefragmenteerd om uit te groeien tot een factor van belang in het kritische debat. Alleen grote partijen, die een goed honorarium bieden voor de bijdragen (zoals e-flux journal), slagen erin het debat in de kunsten te sturen zoals de grote kunsttijdschriften altijd gewend waren te doen. Op de meeste andere sites vervluchtigt een mening zodra die geuit is – één retweet verder en niemand heeft het er nog over.

Hoewel het voorgaande misschien anders doet vermoeden, ben ik niet somber over de toekomst van de kunstkritiek. Ik denk dat de lastige situatie waarin de kritiek zich nu bevindt gaat verbeteren. Internet is bezig een nieuwe impuls te geven aan het denken over de positie van de kritiek, die – zoals ik ook kan aflezen van de statistieken van de website van Metropolis M – een enorm groot publiek bereikt. We zitten wel nog in een tussenfase, met tussenvormen, tussenmodellen, tussenplatforms, halfweg tussen papier en digitaal in. Er moet zich nog wel wat uitkristalliseren, met bijpassende verdienmodellen. Het zal misschien nog even duren, maar ik weet zeker dat de kritiek zich herstelt. Hopelijk dat de Nederlandse overheid bijtijds tot het inzicht komt dat ze de kritiek daar een beetje bij moet helpen. En misschien dat de meer kapitaalkrachtige partijen in de kunst ook wat willen bijspringen.

Mona Lisa onder een kopieerapparaat

Willemijn van der Zwaan
Raf Simons voor Jil Sander (herfst/winter 2012)

De laatste jaren leefde ik in een vrolijke ontkenning van de economische crisis. Als student merk je er namelijk vrij weinig van. De grote rijke oom in Groningen blijft trouw elke maand geld overmaken, dus over het ophoesten van de huur en het kopen van een jurkje bij de H&M hoef je je geen zorgen te maken. Nu ik echter afgestudeerd ben, heb ik een klap in mijn gezicht van de realiteit gekregen. De vijf jaar van mijn leven die ik besteedde aan het bestuderen van de kunsthistorie lijken verspilling geweest te zijn. Uitgebreide kennis van de ontwikkeling van het Nederlandse fotoboek na 1945 en een goed beargumenteerde mening over de status van de schilderkunst blijken toch niet zulke gewilde vaardigheden op de huidige arbeidsmarkt. Tegelijkertijd ben ik overgekwalificeerd om achter de kassa te werken. De enige zekerheid in mijn toekomst is een snel naderende quarter-life crisis.

Wanneer ik echt even geen uitweg meer zie, troost ik me maar met de gedachte dat ik niet de enige ben die het zwaar heeft. Ik bedoel, je zou maar modeontwerper zijn, in deze tijden een van de meest onzekere posities om te hebben. Kleding is een van de eerste dingen waarop men bezuinigt wanneer het op fiduciair gebied wat minder gaat. Opeens gaat een jas toch een seizoen langer mee en wordt bij elke potentiële aankoop de vraag gesteld: hoe vaak ga ik dit aantrekken? Er wordt voornamelijk geïnvesteerd in basiskledingstukken van grote ketens als Zara en H&M. Niet echt een klimaat waarin je als jonge, getalenteerde ontwerper je creatieve ei kwijt kan.

Maar niet alleen voor jonge ontwerpers is het zwaar. Overal in de mode-industrie heerst paniek. Creatief directeuren zijn tegenwoordig maar een kort bestaan beschoren bij de grote kledingmerken. Raf Simons vertrok na vier jaar naar Jil Sander, om vervangen te worden door mevrouw Jil Sander zelf, die al twee keer eerder ontslag had genomen bij het merk. Simons verving Bill Gaytten bij Dior, die het stokje pas drie seizoenen eerder had overgenomen van de gevallen modekeizer John Galliano. Ook Hedi Slimane werkte ooit voor Dior, maar dan voor de mannenlijn. Hij liet vier jaar geleden de mode achter zich, om het nu bij Yves Saint Laurent over te nemen van Stefano Pilati, die zelf Tom Ford verving toen deze acht jaar geleden vertrok bij Saint Laurent en Gucci, waar hij ook de hoofdontwerper was. Allessandra Faccinetti volgde Ford op bij Gucci, maar vertrok na twee seizoenen naar Valentino, waar zij na twee seizoenen weer werd vervangen door Pier Paolo Piccioli en Maria Grazia Chiuri. Volgt u het nog?

Een ontwerper krijgt tegenwoordig nauwelijks de kans om zich te bewijzen of zijn verhaal te vertellen. Wanneer een collectie tegenvallende verkopen oplevert, kan je alvast je cv gaan rondsturen. Dat is niet geheel onterecht: mode blijft nu eenmaal een business waarin ontzettend veel geld omgaat. Een goede ontwerper zijn betekent tegenwoordig dat je balans moet zien te vinden tussen commercie en artisticiteit. Met innovatieve en grensverleggende ontwerpen verdien je de lof van de critici en de aandacht van de pers. Via deze kanalen maakt de gemiddelde consument kennis met je ontwerpen, maar hoe zorg je ervoor dat dit ook geld oplevert? Door je nevenactiviteiten. Slechts een klein gedeelte van de bevolking koopt daadwerkelijk dure designerkleding, maar velen kunnen zich een parfum of lippenstift veroorloven. Merken als Saint Laurent of Chanel focussen zich dan ook steeds meer op het  uitbrengen van speciale cosmeticacollecties. Daarmee betalen ze de extravagante shows die Karl Lagerfeld elk seizoen in het Grand Palais in Parijs opvoert.

Bij deze ontwikkeling van de mode-industrie kan ik me nog neerleggen, mits er boeiende collecties geproduceerd worden. Gelukkig gebeurt dat ten volste; Prada is een van de meest succesvolle kledingmerken ter wereld door het verkopen van enorme hoeveelheden betaalbare nylonrugzakken met Prada-logo, maar geldt niettemin als toonaangevend en baanbrekend. Celine, Alexander McQueen, Louis Vuitton, Balenciaga: ze verdienen aan tassen, sleutelhangers en parfum, en zetten tegelijkertijd elk seizoen een show neer waarbij de kunst het wint van de commercie.

Het is wanneer kledingmerken te ver doorslaan in hun zucht naar omzet, dat ik mij zorgen maak over de toekomst van mode. Een voorbeeld hiervan is de collectie die Maison Martin Margiela onlangs maakte voor H&M. Het was natuurlijk niet de eerste keer dat een ontwerper de samenwerking aanging met de Zweedse modeketen. Onder andere Karl Lagerfeld, Viktor & Rolf en Versace waren hem al voorgegaan, wat leidde tot leuke en betaalbare collecties. Nu echter werden oude ontwerpen gereproduceerd voor de massa: collectiestukken van Margiela uit de jaren negentig werden nagemaakt in goedkopere materialen en hogere oplages. Alsof Mona Lisa onder een kopieerapparaat is gelegd – en dat terwijl Martin Margiela zelf al sinds 2009 niet meer bij het Maison werkt. Mode is business, maar ontwerpers stoppen zonder uitzondering ziel en zaligheid in hun ontwerpen. Als deze tegenwoordig zomaar gekopieerd kunnen worden, verkeert de mode-industrie in een grotere crisis dan ik.

Prada (lente/zomer 2013)
Maison Martin Margiela voor H&M (herfst/winter 2012)
Maison Martin Marhiela, origineel (herfst/winter 1999/2000)

Een monstrueuze leegte

Constantijn Smit

Een toerist arriveert per trein in Rotterdam. Hij verwondert zich direct over de spoedige en gesmeerde aanbouw van het nieuwe station. Dat zal wel te danken zijn aan de harde-werker-mentaliteit van de nuchtere Rotterdammers, denkt hij. Over de Westersingel volgt hij een beeldenroute van wereldberoemde beeldhouwers. Daarna vergaapt hij zich aan de spectaculaire architectuur in het centrum en op de Kop van Zuid. Soms pauzeert hij, eet een frietje bij Bram Ladage en drinkt koffie bij Hotel New York. Tenslotte bezoekt hij het Rotterdamse boegbeeld Verwoeste stad van Zadkine. Met open mond bewondert hij het met brons omlijste gat.

Dan bekruipt hem een leeg gevoel. De stedelijke eenzaamheid van deze metropool wordt hem zwaar te moede. Ja, deze stad werkt hard, maakt mooie gebouwen en leeft. Maar bij dat leven wordt hij niet betrokken. Sterker nog, de moderne façades van de hoogbouw, de winderige Erasmusbrug over de grijze Maas versterken bij hem alleen maar het gevoel dat hij hier alleen is. Een eenzaamheid die niet oplost in gezelschap. De leegte in het beeld van Zadkine is niet alleen een herinnering aan het weggevaagde hart van Rotterdam in de Tweede Wereldoorlog. De metafoor reikt nog verder. De weglating verwijst ook naar het gemis dat een bezoeker aan Rotterdam voelt. Een gemis door het niet kunnen deelnemen aan het échte Rotterdam. Een onzichtbaar gedeelte in het hart van de stad dat alleen beleefd kan worden door de bewoners.

Haar ware gezicht wordt namelijk alleen zichtbaar door een langdurig verblijf. De Rotterdamse mentaliteit is alleen te benaderen via omwegen. Om op het juiste tijdstip op de juiste plaats te zijn is een publiek geheim onder Rotterdammers die zich niet gemakkelijk laat overbrengen op buitenstaanders. Rotterdam wordt gemaakt door de bewoners en hun ‘geheime’ kennis en verborgen activiteit. Niet verwonderlijk voor een stad die continu verandert en zelfs meerdere malen werd vernietigd.

Helaas is het stadsbestuur van Rotterdam gevoelig voor kritiek van buitenaf en te ongevoelig voor haar onzichtbare kwaliteit. Met een eindeloze parade aan festivals probeert het stadsbestuur Rotterdam als een leuke stad bekend te maken in de rest van Nederland, voor elk wat wils: museumnacht, zomercarnaval, city racing, enzovoort. Elk festival is echter een kunstmatig laagje vernis dat de ware aard van een subcultuur van Rotterdam probeert te tonen maar al snel afbladdert in entertainment en commercie. Echte Rotterdammers blijven tijdens die festivals liever thuis. Laat ze maar een dagje spelen in onze stad, laat ze maar grijpen naar het Rotterdamse gevoel dat hen als Maaswater door de vingers glipt.

Het lijkt wel of de cultuursector de ware aard van Rotterdam ook niet begrijpt. Want ook de beeldende kunst in Rotterdam is een voorbeeld van de alom heersende zucht naar erkenning. Kunst moet de meest simpele ziel verleiden en het liefst ook geld opleveren. De kunstenaar als ondernemer in een competitieve markt. Deze instelling is echter on-Rotterdams en betekent de doodsteek voor goede kunst.

De kunstsector moet zich juist onderscheiden door zijn onzichtbare karakter, in plaats van zich als een slet aan te bieden aan elke mogelijke toepassing alleen maar om op te vallen. Geen aandachtsjunkie die tevreden is met lauwe vla geschikt voor een tandeloos publiek. De kunstenaar moet terug naar zijn eenzaam bestaan op zijn zolderkamer waar hij doet wat hij moet doen, zonder de druk van verkoop, publiek of een roep om nuttigheid. Hij mág kunst maken die niemand begrijpt, die bewijsstukken zijn van zijn doorwrochte gekte. Deze onzichtbaarheid bevrijdt hem om te falen, zichzelf te overtreffen of om morele grenzen te overschrijden.

Het naar beeldende kunst smachtende publiek zal zich tevreden moeten stellen met de idee dat er achter de Rotterdamse gevels, achter elk tot-laat-verlichte zolderraam, mogelijk kunstenaars bezig zijn om af te dalen in de onbekende dieptes en kunst maken die onbezoedeld is door commerciële druk. Wanneer het kunstwerk zichtbaar wordt loopt het werk het risico om vastgeklonken te worden in interpretaties van anderen en  ten prooi te vallen aan wanhopige partijen die de kunst willen toe-eigenen. Moet de kunst dan verborgen blijven?

De oplossing is de monstruositeit. Zoals Kant beschrijft in zijn Kritiek van het oordeelsvermogen zou je kunst kunnen verdelen in drie benaderingen: de schoonheid, het sublieme en de monstruositeit. De schoonheid is het spel van verbeelding en begrip dat samenkomt in een harmonieus geheel, momenteel het leitmotif van de interdisciplinaire kunst. Het sublieme verwijst naar de formele kwaliteiten van schoonheid, vormeloos en onbestemd. De onzichtbare kunst van de echte Rotterdammer is hier een voorbeeld van zolang het niet naar buiten treedt. De monstruositeit gaat nog een stap verder. Waar het sublieme het ‘bijna-te-veel’ is, is de monstruositeit het ‘absoluut-te-veel’. De monstruositeit is definitief niet te begrijpen. Het is het niet te vatten doel voor de naar buiten tredende onzichtbare kunst.

De stap naar het monstrueuze zou vooral in het veelvuldig vernietigde Rotterdam van toepassing zijn. In plaats van creatieve commodificatie, zou de stap naar buiten voor de beeldende kunst de destructieve ontsnapping aan de realiteit zijn. Niets voor niets noemde de dirigent Karlheinz Stockhausen de 9/11-terreuraanslag ‘The greatest work of art imaginable for the whole cosmos’. De terreur als kunstwerk waarbij de toeschouwer in niet-begrijpende angst probeert te vluchten. Een perfect voorbeeld van het weerstaan van toe-eigening.

Bij Rotterdams hoort de kunstenaar als een van elke realiteitszin gespeende lone wolf, die na jarenlange inwendige verwrongenheid naar buiten treedt via de monstrueuze kunst. De ultieme uiting, niet van haat, maar van volledige vrijheid door onzichtbaarheid. Dat is de uitdaging voor de kunstenaar die ver genoeg durft af te dalen in de amorele leegte. In de kakofonie van de realiteit kan ook de leegte een uiting van monstruositeit zijn. Misschien is de monstruositeit tegenwoordig niet alleen het ‘absoluut-te-veel’ maar ook het ‘absoluut-te-weinig’. Stockhausens lof verwijst in deze context niet naar de terreuraanslag zelf maar naar de daaropvolgende leegte. Het ‘absoluut-te-weinig’ is de ideale uiting van de onzichtbare arbeid van de kunstenaar. De monstrueuze leegte zou het streven van de beeldende kunst moeten zijn en Rotterdam is hiervoor de ideale onzichtbare verschroeide geboortegrond.

Benjamin Franklin schreef in 1779 in Morals of Chess dat schaken een afspiegeling van het leven is. Je kunt punten scoren, je hebt te maken met concurrenten of tegenstanders en je zult een grote verscheidenheid aan goede en slechte gebeurtenissen meemaken, deels beïnvloed door het effect van je voorzichtigheid of het gebrek daaraan. Ik denk dat Idan Hayosh, in 1979 in Israël geboren, zich kan vinden in deze uitspraak. Hayosh sluit zijn werkperiode aan de Rijksakademie af met een confronterende presentatie.

Op tafels die in een u-vorm zijn opgesteld, staan zestien schaakborden met schaakstukken en zestien schaakklokken nauwkeurig symmetrisch geplaatst. Achter elk schaakbord staat een lege stoel. De muren zijn verhuld met rode gordijnen en ook de tafels zijn er aan de voorzijde mee afgehangen. Spotlights versterken de verwachtingsvolle theatrale sfeer. De verstilde vormgeving van dit decor, deze arena voor een simultaanschaakwedstrijd, vindt zijn opponent in het geluid van militair tikkende klokken. Er is nog geen schaakstuk aangeroerd, maar de tijd loopt al en is meedogenloos.

Er zijn geen spelers te bekennen. Blijkbaar gaat het Hayosh niet om de actoren, maar om het spel en de regels. In het schaken speelt toeval of geluk geen rol. De zetten staan vast en de mogelijkheden van elke speler zijn inzichtelijk. Strategisch inzicht, ervaring en moed bepalen de zetkeuze van de spelers in hun poging om de vijandelijke koning te veroveren. Volgens Franklin scherp je met dit denkspel je vooruitziende blik en train je behoedzaamheid. Elke stap heeft zijn consequenties.

Ik kijk naar de vloer en zie dat ik in een basketbalveld sta, op de vrijeworplijn in de bucket om precies te zijn. Volgens de regels mag de aanvallende partij maar drie seconden in dit trapeziumvormige gebied rond de basket staan, voordat een speler een schotpoging moet doen. Niet alleen het getik werkt op mijn zenuwen, deze gedachte ook. Even schiet er door mijn hoofd dat ik nu een zet moet doen. Maar ik beheers mij, draai me om en loop naar Hayosh’s andere werk.

Op een beeldscherm is te zien hoe de cameraman langzaam het lichaam van een slang in close-up filmt (kijk hier). Ik voel de naderende confrontatie, maar word alsnog overvallen door de uithaal van de slang, recht in de camera. In een reflex trek ik mij terug en slaak een gil. Ondertussen schiet er een beeldsequentie van aanvallende slangen voorbij, voordat het filmpje opnieuw begint. Lachend van opluchting verlaat ik de ruimte. In elke confrontatie, hoe reëel of irreëel dan ook, is het moeilijk de reflex te controleren.

Céline Berger, WE DO APPEAR TO BE STRUCTURED (2012) (Foto: Willem Vermaase)

Wie niet goed oplet loopt er zo aan voorbij: het atelier van de Franse Céline Berger (1973). Op het eerste gezicht spreekt niets in deze ruimte de taal van een kunstenaarsruimte of presentatie. Er staat een grote, brede vergadertafel met tien bureaustoelen. Zwarte kunststofstoelen van Ahrend, ooit ontworpen door een bekende Nederlandse ontwerper. Je komt ze ook verder in het gebouw tegen, zoals ze wel vaker te vinden zijn op plekken waar een veelheid aan bureaustoelen nodig is, zoals kantoorgebouwen en andere bedrijfsruimtes. Op de vergadertafel staat een bos bloemen, veel verschillende bloemen, maar samen een boeket. Het is er schoon, en strak ingericht. Geen kunstenaarsruimte, dit. Deze plek spreekt corporate language. Althans, dat lijkt het te spreken.

Het is natuurlijk niet voor niets dat je er toch naar binnen loopt. Oké, er hangt een bordje aan de deur (“N49. Celine Berger”), maar de echte binnenlokkers zijn vooral kleine dingen die de taal van de bedrijfsruimte tegenspreken. Zo ligt er midden op de vergadertafel een rond en eindeloos lint van porselein met een tekst erop. Aan de muur hangen zwarte A4-vellen met kreten, en uit kleine luidsprekers klinkt het geluid van een schrijvende stift, soms aangevuld met menselijke stemmen. Mensen in een brainstormsessie, die het startpunt blijkt van een workshop over de risico’s van samenwerking tussen kunstenaars en  bedrijven. Af en toe een aanwijzing van de workshopleider of een opmerking van iemand. En of je koffie of thee wilt, of een sapje?

De processen in het bedrijfsleven, daar houdt Céline Berger zich mee bezig tijdens deze RijksakademieOpen. Niet geheel toevallig: Berger werkte twaalf jaar als ingenieur in het bedrijfsleven en richt zich pas sinds 2009 op haar kunstenaarschap. Als geen ander weet ze de blik van bezoekers te richten op dit voor de kunsten ongebruikelijke onderwerp. Door het uiterlijk van de ruimte kijk je voor het eerst echt naar iets waarin je je waarschijnlijk al duizend keer hebt begeven.

Je hoort de moderator van de brainstormsessie een zinnetje voorlezen van een van de deelnemers: “We do appear to be structured. I like that.” Tussen neus en lippen door zegt hij voor aanvang van de sessie de tafel naar het midden te hebben verplaatst, want die stond ietsje naar rechts. Aan de muur met zwarte A4-vellen staan de kreten “Unwritten knowledge”, “Too much focus on end result”, “Follow procedures vs. critical thinking” en “Fear of unknown”. Ze lijken uit de brainstormsessie te komen. Bij sommige kreten zijn ronde stickertjes geplakt, als om aan te geven dat deze kreet meerdere malen is genoemd. Je ziet de deelnemers al voor je, met post-its naar een bord lopend om hun woord, zin of idee ergens op dat bord een plek te geven. Sommige zwarte vellen zijn leeg gebleven.

Processen. In het bedrijfsleven worden ze in communiceerbare vormen gegoten, om er vervolgens mee aan de slag te gaan en resultaten te boeken. Céline Berger laat de resultaten voor wat ze zijn en focust op de vormgegeven processen zelf. Dat werkt. Het is heel interessant om te bedenken dat die processen waarschijnlijk al in onszelf aanwezig zijn, en als een pakketje liggen te wachten tot we ze aanspreken. Maar je vraagt je ook af hoe we weten of die systemen werken, en waar ze eigenlijk toe leiden. De mission statement-achtige tekst op het porseleinen lint op de vergadertafel krijgt in dit licht iets angstaanjagends: “We continually exceed our customers’ increasing expectations”. Geschreven op dit oneindige ronde lint klinkt het als een niet te stoppen op hol geslagen trein. Waarheen die trein rijdt lijkt niet eens erg relevant.

We do appear to be structured indeed. Hopelijk vindt deze focus op processen ook zijn weg naar het bedrijfsleven. Want als we echt begrijpen hoe wij werken, kunnen we de processen verbeteren. Echte innovatie laten plaatsvinden, met behulp van kunstenaars. Er is een glansrijke toekomst voor de kunsten weggelegd in het bedrijfsleven – in ieder geval voor Céline Berger. Dan zou ze daar niet als ingenieur moeten terugkeren, maar geheel vernieuwd als kunstenaar. Wie weet waar dat toe leidt.

Céline Berger, WE DO APPEAR TO BE STRUCTURED (2012) (Foto: Willem Vermaase)
Roderick Hietbrink, CLOUD CUCKOO LAND (2012) (Foto: Sanne Beemsterboer)

Tijdens de vorige RijksakademieOpen presenteerde Roderick Hietbrink (1975) een video-installatie. Dit keer maak je als bezoeker (on)bewust deel uit van de realityfilm Cloud Cuckoo Land, een verwijzing naar Aristophanes. Vorig jaar omschreef Emmy Rijstenbil het effect van Hietbrinks werk treffend: ‘wanneer je de expositieruimte van Hietbrink verlaat, ontwaak je uit de droom en ben je gewoon weer in de Rijksakademie.’ Dit jaar lijk je als toeschouwer echter te blijven hangen in een sluimerige droom, een stap die Hietbrinks artistieke onderzoek naar de geconstrueerde werkelijkheid verdiept.

Door een geblindeerd raam met de afmetingen van een filmscherm is een groep performers te observeren in een herkenbaar interieur met tafel, stoel, bank, spiegel en koelkast. Jij ziet hen, zij jou niet. Het geheel doet denken aan dertien jaar geleden, de dag dat Big Brother begon, een van de eerste realityseries in Nederland. Bij Big Brother stonden de camera’s achter eenzelfde geblindeerd raam om een groep mensen te observeren. In Hietbrinks werk neemt de toeschouwer de rol van de observerende camera over.

Al kijkend door het raam speelt zich een scène af. Een vrouw stopt met schrijven, leunt achterover en beweegt haar lippen. De man naast haar stopt met schrijven, en staart naar haar. De bekende filmmuziek uit Space Odyssee van Levi Strauss zou hier toepasselijk zijn: muziek die de toeschouwer voorbereid op een plot, die niet komt, of toch wel. Wat de personages met elkaar bespreken is onverstaanbaar – dat mag je zelf invullen. De jongen wendt zijn gezicht af en staat op, loopt naar de koelkast en pakt een pak perensap. Al turend uit het raam drinkt hij zijn sap op. In het ronde raam weerspiegelt de bank, waarop een meisje de Viva leest.

Plotseling lijkt er een ruzie te ontstaan. Een van de personages doet zijn jas aan en verdwijnt door de deur. De overige performers zetten bizarre maskers van vogelkoppen op, die rechtstreeks uit de film Rabbits van David Lynch lijken te komen. Gemaskerd gaat de groep, enigszins opgelaten, met stokken in de handen achter het verdwenen personage aan. Als bezoeker word je verleid achter de ‘kudde’ aan te lopen, nieuwsgierig naar wat er komen zal. Al volgend begeef je je op een grens; je schippert tussen toeschouwer en medespeler, je rol is ambigu.

In zijn studio is Roderick Hietbrink ondertussen bezig met het documenteren en observeren van dit cinematografische experiment, als basis voor een mogelijk nieuw werk. Hietbrink neemt een dapper risico door een werk te tonen met een dergelijk onvoorspelbaar karakter en verloop, iets wat de open dagen van de Rijksakademie verrijkt. Net als de performers wil je Hietbrinks werk blijven volgen. Het is een proces dat zich evolueert zonder uitgesproken verlangen naar een conclusie. Dat proces wil je niet missen – je wil erbij zijn.

Roderick Hietbrink, CLOUD CUCKOO LAND (2012) (Foto: Willem Vermaase)
Xue Mu, installatiezicht, detail (2012) (Foto: Willem Vermaase)

Achteloos liggen kleine, goedkope spulletjes uitgestald in een gang tussen twee ateliers. Het lijken gevonden massaproducten: kinderlijk, onschuldig, veel plastic. Alsof ze zijn neergelegd als vlucht uit de pretenties en de vervreemding die de kunstwereld, ook de prestigeuze Rijksakademie, soms omgeven. Wie de objectjes daar heeft geplaatst wordt duidelijk als blijkt dat beide aanpalende ruimtes worden gebruikt door de van oorsprong Chinese Xue Mu (1979). In de ene toont ze eigen werk, in de andere een samenwerkingsproject.

In de eerste kamer hangen drie grootformaat foto’s. Het is de volmaaktheid van spontaan gevormde stillevens die de kunstenares plots trof, op een bureau of in een verhuisdoos. De kleine ruimte dwingt je dicht bij de werken te staan, en het zijn zulke sterke uitvergrotingen dat ze zich om je heen uitstrekken. De fotografische tweedimensionaliteit ontneemt de assemblages hun tactiliteit. Het lijkt een poging impressie en expressie in elkaar op te laten gaan: ‘De indruk die de fysieke wereld op mij achterlaat te vatten, en opnieuw te materialiseren zodat anderen het tot zich kunnen nemen, dat is mijn taak,’ zoals Xue Mu het zelf uitdrukt. Om de hoek gebeurt iets vergelijkbaars. Daar tonen foto’s de bewegingen van twee dansers, die door middel van lampjes op het lichaam met een lange sluitertijd zijn vastgelegd. De ‘lichttekeningen’ die zo zijn ontstaan geven twee duidelijk verschillende bewegingsidiomen weer.

Een aanzienlijk deel van de bij ons bekende hedendaagse kunst uit China heeft een politiek karakter. Hierop heeft Xue Mu een tweeledige kritiek. Zodra de prijs van maatschappelijk geëngageerd werk stijgt wordt financiële waarde toonaangevend. De ‘spirit’, het potentiële effect op de belevingswereld van mensen, wordt geneutraliseerd tot iets materieels. Daarnaast betekent het verbeelden van politieke aangelegenheden in onze gemedialiseerde samenleving vooral het esthetiseren van het politieke. Kunst over politiek is iets anders dan politieke kunst, stelt de kunstenares. Een van de ideeën die ze op de muur van haar atelier heeft uitgeschreven, is dat politieke kunst gelijkstaat aan ‘being challenging’. Dat is geen pretentieloze gemeenplaats, zo blijkt uit het project in de andere ruimte.

Nadat verschillende collega’s, praktisch allen mannen, hadden verkondigd dat Xue Mu’s nonchalant bijeengebrachte kleine objecten pas echt ‘kunst’ zouden zijn in een groter formaat, nodigde ze hen uit ze dan maar groter te maken. De samenwerking bestond daarin, dat tien kunstenaars onafhankelijk uit tien verschillende originele kleine voorwerpen één kozen, die ze vervolgens opnieuw uitvoerden in techniek en formaat van eigen keuze. In de ruimte zijn zowel de ‘modellen’ als hun afgeleiden gepresenteerd. Dit project, A Childish Nothingness vs. Boy Blow Ups, is volgens de verklarende tekst geen vorm van participatiekunst, maar een kritiek op ‘masculiene criteria’ die bepalen of een object groot genoeg is voor de categorie ‘kunst’, groot genoeg voor de kunstmarkt, groot genoeg om over na te denken.

Kleine spulletjes, verzameld of zelf gemaakt, lijken voor Xue Mu te fungeren als spontaan gesmede sleutels naar de onbewuste zijde van de leefwereld: materialiteit waarin ongrijpbare indrukken liggen opgeslagen. De doelmatige schaalvergroting in één serie en het ter discussie stellen in de andere getuigt van een worsteling met stoffelijkheid in relatie tot de beleving ervan. Xue Mu’s werk problematiseert minstens twee paradoxen, en trekt de tegenstrijdigheden in twijfel – immaterialiteit tegenover materialiteit en impressie tegenover expressie.

Xue Mue, A CHILDISH NOTHINGNESS VS. BOY BLOW UPS, detail (2012) (Foto: Arif Kornweitz)
The Arbour Lake School geeft les aan leerlingen van de British School Amsterdam (2012). Foto: Cassander Eeftinck Schattenkerk

Lopend door de verlaten gangen van de deprimerende betonnen leerfabriek die tot voor kort het Sint Nicolaas Lyceum huisvestte, denk ik aan de open dagen van middelbare scholen; in elk lokaal presenteert een docent zijn vak aan een nieuwe lichting potentiële bruggers. Deze keer is de school echter in bezetting genomen door niet-commerciële kunstinstituten, kunstscholen en kunstinitiatieven uit binnen- en deze keer ook het buitenland. Je weet niet wat je kunt verwachten als je het lokaal binnenstapt, hoewel het dezelfde spanning van vroeger met zich meebrengt.

De nieuwe locatie van Kunstvlaai is een van de vele veranderingen die het festival heeft ondergaan ten opzichte van de voorgaande edities die tot nu toe in de Westergasfabriek plaatsvonden. Ondanks de grote bezoekersaantallen, wilde de organisatie van de Kunstvlaai dat het evenement meer een geheel zou vormen. Aan de curatoren Fleur van Muiswinkel (1981) en Natasha Ginwala (1985) werd gevraagd om van Kunstvlaai een coherent geheel te maken. Niet alleen is de opzet veranderd, ook hebben Van Muiswinkel en Ginwala het evenement een subtitel gegeven; INexactly THIS. De verschillende kunstinstellingen kregen bij hun aanvraag voor deelname de opdracht hierop in te gaan. Duidelijk blijkt dat de titel voor meerdere interpretaties vatbaar is.

Op de website van de Kunstvlaai wordt de titel uitgelegd als een verwijzing naar de onzekere tijden die de crisis met zich heeft meegebracht en hoe deze onzekerheid ook zijn weerslag heeft gehad op de hedendaagse kunstwereld met de afgelopen bezuinigingen op cultuur. Er zijn echter maar een paar kunstprojecten die direct naar dit thema verwijzen. Zo zijn Werkplaats Typografie en Kunstverein samen een project gestart waarbij ze de straat op zijn gegaan om aan buurtbewoners te vragen over wat zij denken wat er binnen hun muren eigenlijk gebeurt. De verschillende films met interviews zijn zowel een dappere poging van de instellingen om in contact te komen met de buurt, als een confrontatie met hun eigen (on)zichtbaarheid.

Een ander project steekt de draak met het huidige politieke populisme, is Wilderswebwinkel.nl van kunstenaar Dominique Himmelsbach de Vries. De marktkraam met fikse kortingen biedt alle mogelijke Wilders-merchandise van een Wilders-dekbed tot een Wilders-tuinkabouter en Hollandse tulpenthee verkrijgbaar; alles wat het hart van een PVV’er sneller doet kloppen. Hoewel deze twee kunstprojecten een interessante toevoeging zijn op het discours over de rol van kunst in onze maatschappij, is dit zeker niet de rode draad van de Kunstvlaai.

De titel INexactly THIS lijkt daarom veel meer te verwijzen naar het onzekere element dat kunst in zich draagt en dat gelijktijdig zorgt voor het experimentele en speelse karakter van kunst, dat op de Kunstvlaai terug te vinden is in de vele projecten, initiatieven, performances en screenings. Zeker de aanwezigheid van verschillende onderwijsinstituten draagt hieraan bij, zoals het concept Inside the White Whale van Vacant NL van het Sandberg Instituut. Dit biedt studenten de mogelijkheid om een kleine onderneming te starten vanuit hun eigen woonruimte, door een opvouwbare werkruimte gemaakt van zeil, zoals een kapperssalon, aan het plafond te hangen en naar believen omlaag en omhoog kan worden getakeld. Ook wordt er door verschillende kunstenaarsinitiatieven ter plekke werk gemaakt, waarmee ze hun lokaal omvormen tot studio, zoals kunstenaressen Kaj Osteroth en Lydia Hamman, uitgenodigd door kunstcentrum After the Butcher, doen. Tijdens het proces van het tekenen en schilderen vragen ze de bezoeker ook nog om feedback. Alles ligt dus open voor nieuwe voorstellen en nieuwe ideeën en eventuele veranderingen.

Het experimentele karakter van de vele werken lijkt dan ook goed aan te sluiten bij de nieuwe locatie, waar de curatoren Van Muiswinkel en Ginwala voor gekozen hebben. Zo presenteert kunstenaarscentrum Horizonverticaal kunst in een pikdonker fietsenhok. Nog een bijkomstigheid van de nieuwe locatie is dat de sporen die de vorige functie van het oude gebouw verraden in sommige gevallen optimaal worden ingezet. De installatie van kunstenaarsinitiatief P.ART of your life refereert aan de vroegere gebruikers van het gebouw. In de gymzaal hangen alle touwen en ringen in stilstand op het dode punt van de zwaai en de kleedkamer is gevuld met lege blikjes energiedrank. Alleen de leerlingen zijn spoorloos verdwenen.

Misschien dat het educatieve karakter van het oude gebouw ook invloed heeft gehad op de aanwezigheid van de vele kunstboekenwinkels, uitgevers, en door kunstenaars ingerichte leeszalen, zoals die van Rongwrong, PrintRoom, Reading Room en San Seriffe. Deze lokalen blijven echter vrij lege en statische ruimtes. De Kunstvlaai is niet de uitgelezen plek om te gaan zitten en lezen terwijl er een paar lokalen verderop performances, lezingen en screenings plaatsvinden. Deze ruimtes blijven ambigue plekken, waar het onduidelijk blijft wat de bezoeker er precies van mee moet nemen. Is het ter kennisgeving dat er over een bepaalde niche veel kennis is? En hoe zou de bezoeker door het kijken naar titels op een tafel of in een kast deze immense hoeveelheid kennis in zo’n kort tijdsbestek tot zich moeten nemen?

Ondanks dat er tijdens de Kunstvlaai soms grote contrasten te zien zijn tussen de statische ruimtes met kunst aan de muur, de leeszalen en de meer dynamische experimentele kunst projecten, performances en installaties, hoort het bij het karakter van de Kunstvlaai dat ze alles kan en mag omhelzen. De Kunstvlaai is zeker niet een coherent geheel geworden, maar dat zou het festival ook voorspelbaar en saai maken. De keuze voor een thema en nieuwe locatie versterken echter het experimentele en speelse karakter van het festival. De buitenlandse kunstinstellingen zijn eerder een uitbreiding en toevoeging aan het festival dan dat ze de boventoon voeren en het festival een internationaal karakter geven. Het zijn al deze veranderingen die zorgen dat de bezoekers elk lokaal weer vol spanning betreden.

Anne Katherine Sorup, Julien Debeij, Maria Gondek, Nadja Voorham, Maaike Stutterheim, Maze de Boer, P.ART of your life, AFTER THE BUZZ (2012). Foto: Cassander Eeftinck Schattenkerk
Installatie shot Printroom (2012). Foto: Cassander Eeftinck Schattenkerk
Repetitie voor performance FORGET THE KING, Salon Sur+ (2012). Foto: Cassander Eeftinck Schattenkerk
Detail van Agatha Gothe-Snape context-responsieve werken, Society, (2012). Foto: Cassander Eeftinck Schattenkerk