Susanne Kriemann, ONE TIME ONE MILLION (2009). Courtesy Bouwfonds Kunstcollectie van Rabo Vastgoedgroep. Fotografie: Wilfried Lentz Rotterdam

‘De omgeving van de mens is de medemens.’ Jules Deelder weet in deze catchy dichtregel een belangrijk element van de menselijke habitat te benoemen. Het is dan ook niet voor niets dat deze regel op de ruit van de expositie Habita(n)t  in de Rabo Kunstzone gedrukt is. De leefomgeving van de mens bestaat echter uit meer dan sociale samenlevingsverbanden. We verhouden ons ook tot onze fysieke leefruimte: we bewegen ons door gebouwen, kleine dorpen, grote steden en zelfs door de hele wereld. De tentoonstelling kaart de breedte van deze thematiek aan en stelt vragen als: ‘Hoe willen we met elkaar samenleven?´ en ´hoe verhouden we ons tot onze omgeving?’

Deelders invulling van het begrip omgeving komt het meest helder naar voren in het werk van Koos Breukel (1962). In zijn fotoserie Bergeijk (2005) wordt de band tussen de inwoners van het gelijknamige dorp vastgelegd. Hij portretteert groepsverbanden als de carnavalsvereniging, de harmonie, de kerk en de scouting die de dorpsbewoners met elkaar verbinden tot een hechte gemeenschap.

Toch ligt de focus in de tentoonstelling meer op de ruimtelijke leefomgeving van de mens en in mindere mate op intermenselijke relaties. Een werk dat op een speelse manier laat zien hoe mensen met hun leefruimte omgaan is Zonder titel (2012) van Paulien Oltheten (1982). Volgens haar vaste werkwijze beweegt ze zich als een beschouwer met oog voor subtiel menselijk gedrag door de hele wereld. Groeperingen van foto’s die ze wereldwijd maakte laten bijvoorbeeld zien hoe mensen staan te wachten tot ze kunnen oversteken. Opvallend zijn hierbij de charmante eigenaardigheden die we hierbij schijnbaar delen: van het vastpakken van een paaltje tot een bijna strelende hand die rust tegen het stoplicht. Deze werkwijze levert een reeks komische en poëtische observaties op over hoe de mens zich (ongemerkt) gedraagt in zijn omgeving. 

Een werk dat minder goed in de expositie past is Play (2009) van Martine Stig (1972). In Play is de stad voornamelijk een decor. In New York maakte ze documentaire beelden die ze vervolgens monteerde als een speelfilm waarin ogenschijnlijk een verhaal aan de gang is, al blijft het narratief ongrijpbaar. Het is een spannend werk; visueel past het mooi in de tentoonstelling, maar inhoudelijk biedt het in deze context weinig nieuwe inzichten. 

Wat opvalt is dat veel van het werk ons architectuur laat zien, zowel van binnen als van buiten. In veel gevallen is er amper of zelfs geen mens in beeld. Een aantal van de kunstenaars heeft vooral interesse in de architectonische erfenis van de vorige eeuw en zij lijken zich vooral af te vragen hoe we verder moeten met dat wat er al is. In de serie Guide to Ruined buildings in the Netherlands XIX – XXI Century (2008) van Lara Almarcegui (1972) laat ze ons kijken naar ruïnes in heel Nederland. Voor haar zijn dit ruimtes die ontsnapt zijn aan een behoefte van de mens om alles vorm te geven en bieden zo nog potentie voor later. Ook David Maljkovic (1973) is een kunstenaar die in het verleden speurt naar mogelijkheden voor de toekomst. In Images with Their Own Shadow (2008) onderzoekt de Kroaat de artistieke en intellectuele erfenis van het modernisme in zijn thuisland. Maljkovic doet dat hier door jongeren te filmen, met geopende mond en klaar om te spreken. Toch zeggen ze niets terwijl ze staan voor het werk van avant-gardekunstenaars uit de jaren 50. Het werk gaat meer over het aanwakkeren van idealisme en onze relatie met het verleden dan dat het direct de thematiek van deze expositie aansnijdt en je kunt je afvragen of het werk hier wel op zijn plek is.  

Meschac Gaba’s (1961) werk Sweetness (2006) gaat explicieter over samenleven in een stedelijke omgeving. Hij construeerde een stad van 9 bij 5 meter die louter bestaat uit gebouwen van suiker. Het is letterlijk een wereldstad met iconische gebouwen uit de hele wereld, maar ook met de schaduwkanten van deze steden zoals sloppenwijken. Zowel de vorm als het materiaal zeggen veel over samenleven, globalisering en internationale relaties. Zo is suiker een internationaal geliefd product, maar ook verbonden met een geschiedenis van kolonialisatie en slavernij.  

De curatoren spreken in een begeleidende publicatie over engagement als het conceptuele uitgangspunt voor de tentoonstelling, maar in dit geval is er slechts sprake van engagement light. De omgeving van de mens wordt natuurlijk mede gevormd door sociale, economische en politieke processen en leent zich uitstekend voor een geëngageerde benadering. Op een voorzichtige manier worden dan ook thema’s zoals de veranderingen in het beroep van vissers, het roerige stadsleven en globalisering behandeld. Maar wanneer de curatoren het hebben over deze expositie in de Rabobank Kunstzone als ‘neutraal gebied’ om zaken als de economische crisis en het kapitalisme te kunnen bekijken, mogen ze wel wat bescheidener zijn. Naast mijn twijfels over de neutraliteit van de expositieruimte van een bank als neutraal gebied, is deze discussie slechts in zeer milde, veelal impliciete vorm in deze vrij veilige tentoonstelling verstopt. Los van deze ambitie is Habita(n)t een plezierige tentoonstelling met goed werk en laat op een brede en gevarieerde wijze zien hoe de mens omgaat met zijn sociale en ruimtelijke omgeving met oog voor het verleden en de toekomst.

David Maljkovic, IMAGES WITH THEIR OWN SHADOW (2008). Courtesy Rabo Kunstcollectie. Fotografie: Gert Jan van Rooij
Paulien Oltheten, ZONDER TITEL (2002). Courtesy Bouwfonds Kunstcollectie van Rabo Vastgoedgroep. Fotografie: Paulien Oltheten
Meschac Gaba, SWEETNESS (2006). Courtesy collectie Meschac Gaba. Fotografie: Gert Jan van Rooij
Tim Mathijsen, UNTITLED, (2012). Foto: Henni van Beek

W139 pakt dit najaar uit met een groepstentoonstelling waar maar liefst 35 kunstenaars aan deelnemen. De beeldend kunstenaar en curator Jean Bernard Koeman (1964) bracht de groep jongelingen bijeen en creëerde een tentoonstelling rondom de thema’s verzamelen en onderzoek. Zijn uitgangspunt is verwerkt in de titel van de expositie The Research and Destroy Department of Black Mountain College. Het eerste gedeelte uit de titel verwijst zowel naar een onderzoekscomponent, als naar de militaire term Search and Destroy, en draagt dezelfde naam als de expositie van Koemans eigen werk in galerie Lumen Travo uit 2009. De tweede referentie komt van het befaamde Black Mountain College (Asheville, North Carolina, V.S., 1933-1959), opgericht vanuit het gedachtegoed dat de kunsten centraal staan in onze algehele, academische leerervaring, en dat kunstonderwijs gegeven zou moeten worden met het doel de gehele persoon te onderrichten. Kortom, de tentoonstelling snijdt brede thema’s aan met veel raakvlakken.

Dit baarde mij dan ook enige zorgen bij het bezoeken van de expositie in de Warmoestraat; de hoeveelheid kunstenaars – 35! – en de enorm ruime context waarin hun werken geplaatst worden. Ook het lezen van de begeleidende informatietekst levert geen eenduidige focus. Naast de associaties die de titel van de tentoonstelling oproept, dwingt de tekst om na te denken over de manier waarop kunst als kennisdrager kan fungeren. Hiermee wordt de onderzoekscomponent van de tentoonstelling naar voren geschoven door na te denken over welke rol kunst speelt in het communiceren van onderzoeksgerelateerde informatie. In de tekst wordt ook nadruk gelegd op de experimentele noodzakelijkheid van progressieve educatiemethodes. Dit verklaart de relatie met het Black Mountain College; het sterkste referentiekader van de tentoonstelling.

De tentoonstelling neemt, zoals verwacht, de gehele ruimte van W139 in beslag. Er zijn videowerken, muurschilderingen, een klein laboratorium, een geïmproviseerd keldertje, en er hangen zelfs werken aan het hoge plafond in de achterruimte. Toch doet de tentoonstelling geen moment aan als te vol. Er is genoeg ruimte om een dialoog tussen verschillende werken tot stand te brengen. Zo vormen de afzonderlijke werken van Saar Amptmeijer, Thomas Raat en Jonas Wijtenburg een interessant trio dat de tentoonstellingsruimte van W139 als beginpunt neemt. Amptmeijer maakte een landschap van PVC-buizen dat weelderig over de muren van W139 kronkelt. Hier schuin tegenover creëerde Raat een kolossale muurschildering, die dezelfde geometrische vormentaal spreekt als het werk van Amptmeijer. Ertussen staat de karakteristieke houten installatie van Wijtenburg, een delicate constructie die van vloer tot plafond strekt, en de ruimte tussen beide muren open lijkt te houden.

Minstens zo interessant is het werk van Rosa Sijben, die een speelse interventie verzorgde bij de tentoonstelling. Aan de hand van een onbekend object en een aantal weloverwogen instructies belandt de bezoeker buiten de tentoonstellingsruimte, waarna een interessante zoektocht begint. Hiermee benadrukt Sijben met haar interventie de ogenschijnlijke vanzelfsprekendheid waarmee we alledaagse dingen benaderen.

Veel van de werken van deze jonge generatie kunstenaars komen uitstekend uit de verf. Zoals het werk van Fabian Schröder, die met zijn bijzondere foto’s een mooie abstrahering van de urbane werkelijkheid tot stand weet te brengen. Of de multidisciplinaire installatie van Tim Mathijsen, die je voor even in een andere werkelijkheid plaatst en je doet nadenken over schoonheid en de idealen van onze maakbare maatschappij. De kunstenaars zetten aan tot participatie en weten een degelijk verhaal te vertellen zonder daarbij Wittgenstein of Derrida van stal te halen. Er ontbreekt echter in de tentoonstelling een duidelijke cohesie. Los van het feit dat de kunstenaars eind jaren zeventig of begin jaren tachtig geboren zijn, lijken de overeenkomsten in het werk dat zij maken vrij minimaal. Het brede thema dat tussen verzamelen en onderzoek schippert, biedt hierbij onvoldoende houvast.

Wellicht moeten wij ons dus meer richten op die speciale verwijzing naar het Black Mountain College, de school die met zijn experimentele educatiemethodes een bijzondere lichting kunstenaars zoals John Cage, Robert Rauschenberg en Cy Twombly afleverde. Zo bekeken is Koemans expositie een opsteker voor de toekomst, een bonte collectie spraakmakende afgestudeerden met genoeg interessante ideeën over de eigen onderzoekspraktijk en met een kritische reflectie op de rol van kunst in onze maatschappij.

Overzichtsfoto. Foto: Henny van Beek
Kees Boevé, MIJNLAND (2012), (voorgrond). Antonia Breme, UNTITLED (THE CAPTAIN GIVES THE ORDER TO HIS LIEUTENANT TO MARCH THE MILITIA) II, (2012), (daarachter). Thomas Raat, UNTITLED, (2012) (achtergrond). Foto: Henny van Beek
Daniel vom Keller, A MEETING IN SPRING FOUR YEARS AGO (2012), (voorgrond). Johan Henning, -OOPS-, (2012), (daarachter). Fabian Schröder, CITYSCAPE, (2011-2012), (muur). Foto: Henny van Beek

Schemeroorlog

George Vermij
Jonas Staal, WEES VRIJ... OF ANDERS (2012)

De tentoonstelling Café des Espérances heeft als ambitie om een ander perspectief op het fenomeen oorlog te bieden. Inspiratiebron voor de expositie vormt het boek Austerlitz van de Duitse schrijver W.G. Sebald waarin de hoofdpersoon door trauma’s wordt geplaagd. Het voornaamste uitgangspunt van de expositie is dat oorlog in vredestijd aanwezig is, maar dat deze aanwezigheid verborgen is en opnieuw zichtbaar moet worden gemaakt. Het is een interessante opzet die helaas niet goed wordt uitgewerkt in het Kunstfort bij Vijfhuizen.

In de eerste tentoonstellingsruimte word je als bezoeker geconfronteerd met een rommelige opstelling. Twee bureaus uit de serie werken History Is Made Of Different Shades Of Grey van Kevin van Braak (1975) grenzen aan verschillende bustes die deel uitmaken van een doorlopende performance van dezelfde kunstenaar. De twee bureaus hebben dezelfde kleur grijs, maar ze verschillen in formaat. Een van de bureaus heeft een monsterlijke grootsheid, die past bij de smaak van een megalomaan. Groot genoeg om een kaart van de wereld op uit te vouwen en om te spelen met ontelbare spooklegers.

Het komt daarom niet als een verrassing wanneer je leest dat het bureau een kopie is van Adolf Hitlers kolossale Schreibtisch. Het andere bureau dat kleiner en functioneler oogt, is van Josef Stalin. De strategie van toe-eigening die Van Braak hier hanteert is jammer genoeg iets te simpel in zijn symboliek en verrast daarom niet. Je vraagt je ook af hoe deze werken in relatie staan tot het idee van vredestijd, omdat ze al zo sterk zijn verankerd in de Tweede Wereldoorlog.

Actueler zijn de bustes die achter de bureaus staan en die behoren tot Van Braaks samenwerking met beeldhouwer Tony Fiorentino (1985). Fiorentino maakt gedurende de tentoonstelling portretkoppen van klei, die uiteindelijk bij het fort gebakken zullen worden. Elke kop is een CEO die een schakel vormt in het militair industrieel complex. De bedrijven die zij runnen maken winst door de productie en verkoop van nucleaire wapens. Een klein postertje dringt de bezoeker aan om in te grijpen.

Deze mengeling van kunst en activisme is ook terug te zien in twee werken van Jonas Staal (1981). In een korte video-installatie vliegen twee reclamevliegtuigjes op 5 mei over de Dam. Op hun banners staat de tekst ‘Wees vrij …of anders’. Deze video wordt gecombineerd met een diashow van protesterende mensen voor het Tweede Kamergebouw. Voor het andere werk Search Light plaatste Staal een zoeklicht op een hoog gebouw in Zagreb. Het zoeklicht werd gebruikt om mensen in het donker op straat te volgen. Een slideshow toont voorbijgangers die gevangen worden in een felle lichtcirkel alsof ze bespied worden door Big Brother.

De werken van Staal en Van Braak tonen de staat van oorlog die onder de oppervlakte van een democratie aanwezig is. Het militair industrieel complex verdient nog steeds geld met oorlogstechnologie en de liberale staat hanteert methoden om burgers op directe of indirecte wijze te controleren. De werken zijn ook de meest maatschappijkritische van de tentoonstelling, maar de boodschap wordt weinig vernieuwend gebracht en komt daarom als prekerig over. Dat totalitaire methodes en de wapenindustrie slecht zijn, is een behoorlijke open deur.

Geslaagder zijn de werken die ingaan op de ambiguïteit van oorlog. In Baden Pailthorpes (1984) video-installatie Formations VI lopen Amerikaanse soldaten en Arabische terroristen naast elkaar in een virtuele woestijn. Voor het werk hackte Pailthorpe een computersimulatie die voor trainingsdoeleinden wordt gebruikt door het Amerikaanse leger. Het werk is daarmee een virtuele détournement van militaire hardware. Aartsvijanden worden in de video verenigd in een lange marcherende colonne. Technologie lijkt beide partijen gelijk te schakelen en alle tegenstellingen te laten verdwijnen. Pailthorpes werk verliest helaas wel wat van zijn impact door het kleine scherm waarop het wordt vertoond.

Stefaan Decostere’s (1955) Warum wir Männer die Technik so lieben uit 1985 is een experimenteel tv-essay gemaakt voor de Belgische tv. In de film zijn de filosoof Paul Virilio en kunstenaars Jack Goldstein en Klaus vom Bruch aan het woord over onderwerpen die verband houden met oorlog en technologie. Decostere combineert deze interviews met een stortvloed van beelden en ideeën. Van de werken op de expositie zet deze film het meest aan tot denken. Oorlog is in de woorden van Virilio het laboratorium van de moderne tijd en de katalysator achter grote veranderingen. Het is daarom moeilijk om je simpelweg af te zetten tegen het fenomeen.

Het meest intrigerend zijn verschillende foto’s van Eva Olthof (1983), die goed geïntegreerd zijn in de ruimte van het fort. Rode draad vormt een Duits raketbataljon dat tijdens de Koude Oorlog op verschillende plaatsen was gelegerd. Een foto-installatie in een nauwe gang toont vertraagd het afvuren van een raket tijdens een oefening. In een andere ruimte worden grote foto’s van de gedenkkamer van het bataljon op tafels tentoongesteld. Bepaalde details zijn apart gefotografeerd. Uit de foto’s blijkt dat het bataljon waarde hecht aan oude symbolen en tradities. Je ziet afbeeldingen van Pruisische artillerie ten tijde van de Napoleontische oorlogen, archaïsche emblemen en vaandels; tekens en aandenkens die men gebruikt om oorlog menselijk te maken en een plaats te geven in de geschiedenis. Dit alles staat in de schaduw van de functie van het bataljon ten tijde van de Koude Oorlog en het technische en kille karakter van de oefeningen en het wapentuig.

In Olthofs werk liggen nostalgie, herinnering en de dreiging van vernietiging dicht bij elkaar. Haar werk resoneert het beste met de ondertitel van de tentoonstelling, die gaat over de hard- en software van oorlog, en het heeft de sterkste link met de boeken van Sebald waar fotografie wordt gebruikt om verborgen verbanden zichtbaar te maken. Die resonantie mist bij veel werken op de expositie. Wanneer een zo indringend onderwerp als uitgangspunt is genomen, is het jammer dat de tentoonstelling als geheel te vrijblijvend overkomt.

Eva Olthof, KRETA 1968 MAN BEJUBELT DER ERFOLG (2012)
Eva Olthof, overzichtsfoto
Daniela Bershan, ORBITOCLAST, 2012

Onlangs is kunstproject Fatform een paar meter verhuisd naar de verlaten parkeergarage Klieverink en het aangrenzende kantoorgebouw. Omringd door grote modernistische flats, geasfalteerde speeltuinen en een nieuwbouwwijk in ontwikkeling. Overtuigend stedelijk, zelfs bij zonnig weer grauw en gevoelsmatig ver verwijderd van alle gangbare kunstinstellingen. Op deze nieuwe locatie zijn Ad de Jong en Manuel Klappe (bekend van de monumentale sculptuurtentoonstelling Beeld Hal Werk uit 2010) uitgenodigd om met oprichtster Daniele Bershan en in samenwerking met ontwerper Bas Oudt de groepstentoonstelling Present Forever te realiseren. De groepstentoonstelling toont maar liefst vijfenvijftig overwegend Nederlandse kunstenaars en hun werken.

Als deelnemend kunstenaar zal het een uitdaging zijn om een werk te produceren voor deze ruimte. De licht hellende betonnen vloer van de parkeergarage geeft een indrukwekkende entree waarbij de werken bij binnenkomst aan de bezoeker opdoemen. De spiraalvorm van het ongedwongen looptraject over de vier parkeerdekken maakt dat de verschillende werken vanuit opmerkelijke standpunten zijn te bezichtigen. Sommige werken zijn hierdoor zelfs op meerdere verdiepingen aanwezig, zoals de installatie Orbitoclast van Daniela Bershan (1980). Dit fragiele houten skelet wordt van binnenuit verlicht en door middel van huishoudfolie bij elkaar gehouden. De kwetsbare constructie richt zich als een futuristisch insect over een hek naar het hoger gelegen parkeerdek. Waar je ook gaat staan, het is nooit mogelijk het werk in zijn geheel te zien.

De tentoonstellingsmakers hebben afgezien van veel tekst en duiding. Slechts de naam van de kunstenaar en de titel van het werk worden vermeld. Hierdoor is het aan de bezoeker om een route door de tentoonstelling te kiezen. Deze kan vrij door de ruimte dwalen, zich door de verschillende werken laten aantrekken en zich langzaam via de spiraalvorm naar het dak laten leiden. De enorme schaal en het enigszins morsige karakter van de parkeergarage geeft een unieke sfeer en leent zich uitstekend voor de vele installaties, sculpturen, schilderijen en tekeningen.

Het uitgangspunt van de tentoonstelling is dat de toekomst zich niet aandient maar gemaakt kan worden. De kunstenaars geven vanuit hun visie op kunst invulling aan dit gegeven. Er zijn hierdoor zeer verschillende werken in de tentoonstelling aanwezig die de uiteenlopende richtingen waarin hedendaagse kunst zich ontwikkelt concretiseren. Hoewel niet alle werken dezelfde kwaliteit hebben, zorgt de basisgedachte voor veel opmerkelijke werken die de tentoonstelling tot een uitbundige visuele ervaring maken. Het geheel voelt energiek en ongeforceerd, waarschijnlijk omdat de tentoonstelling niet gebukt gaat onder een al te dwingend thema.

Er is ook een opvallend aantal humorvolle werken. Bijvoorbeeld Goede bedoelingen van Jos Houweling (1943), waarbij een wand van een opgetrokken houten constructie vol hangt met felgekleurde vrolijke en soms moeilijk te duiden boodschappen in ansichtkaartformaat. Of de hilarische installatie MEKAAR Stalag, Gulag & hangtieten tussen 50 alleen maar nette tinten Grijs movie van Jonas Ohlsson (1967). Hoewel de titel anders doet vermoeden bevat de installatie geen film, maar verschillende teksten die met zwarte viltstift en markers op wit papier zijn geschreven. Een ode aan borsten voor hun rebellie tegen de zwaartekracht wordt afgewisseld met een uitleg over de kunstenaarspraktijk. De korte verhalen en opmerkingen zijn aan verschillende steunbalken en zuilen van de parkeergarage bevestigd. Zilverkleurige stalactieten hangen aan het plafond. In het midden staat een luie stoel waarop tepels zijn geschilderd. Als de bezoeker hierin plaatsneemt lijkt het alsof deze borsten heeft. Met de zaklamp, bevestigd aan een bijzettafel, kunnen de teksten beschenen worden als een absurd stripverhaal in het donker.

De tentoonstelling kent nog meer bijzondere bijdragen. Op het bovenste parkeerdek kan een golfballetje geslagen worden in The Field, an Exercise to Be an Optimist van Sachi Miyachi (1978). Deze getimmerde installatie confronteert de bezoeker met een totaal onmogelijke opgave. Wat je ook probeert, die bal gaat er niet in. Helemaal onderin de spiraal van de tentoonstelling is het opvallende werk Sovereign van Lotte Geeven (1980) zeker niet te missen. Een Daimler Sovereign ligt op zijn dak. Het lijkt of iemand een moment eerder de macht over het stuur heeft verloren en in deze ongelukkige situatie terecht is gekomen. Een hoogtepunt is de gelegenheid – om getimed op een eierwekker – de schetsboeken van Job Koelewijn (1962) maximaal  vijf minuten door te bladeren.

Bij Present Forever is het vooral directe ervaring en vrije interpretatie die telt. Een ongedwongen route door een geweldige locatie met een grote hoeveelheid sterke werken. Alle reden dus om deze zomer af te reizen naar deze bijzondere uithoek van Amsterdam.

Jos Houweling, GOEDE BEDOELINGEN, 2012
Lotte Geeven, SOVEREIGN, 2012

Vilein en surreëel

Lise Lotte ten Voorde
Elisabeth Tonnard, WE ARE SMALL (2012) (Courtesy: Johan Deumens Gallery)

Gehoorzamen, negeren, treiteren: het zijn denkbare reacties op een betuttelend briefje van je hospita. Kunstenaar/dichter Elisabeth Tonnard koos voor dat laatste. In We are small (formaat A6) publiceerde ze niet alleen het ietwat belachelijke briefje: ze bewerkte het met tipp-ex en deed een poëtische uithaal naar haar bemoeizuchtige hospita.

Elisabeth Tonnard (Leerdam, 1973) publiceerde sinds 2003 maar liefst vijfentwintig kunstenaarsboeken, variërend in grootte en oplage. Haar boeken zijn gebaseerd op literatuur of fotografie (in beide vakgebieden behaalde ze een graad), vaak zelfs op alle twee. In elke publicatie is een verantwoording over de bronnen opgenomen, waardoor je als lezer altijd kunt terugzoeken waarnaar je nu precies kijkt. Die informatie is niet nodig om het werk te kunnen waarderen, maar voegt wel een dimensie toe.

In We are small (2012) toont Tonnard taalvaardigheid, enige rancune en een vilein gevoel voor humor. Het briefje van de hospita sommeert haar geen kledingstukken meer voor het raam te drogen te hangen; de buren zouden kunnen gaan klagen. Op zonnige dagen kan het in de tuin, en of ze misschien wasknijpers nodig heeft? Je vraagt je af welk soort kledingstuk zoveel aanstoot geeft dat het de hospita doet besluiten de pen ter hand te nemen. Pikant ondergoed? Een door motten gefêteerde pyjama? Een reuze decente koltrui? Wat het ook was, Tonnards reactie is buitengewoon bevredigend: “Be hung or hang”, “We can’t  have you”, “The Neighbours eat your wishes”, “I aid or else I ail” en simpelweg “ha ha ha ha ha”.

De combinatie van beeld en literatuur was al eerder zichtbaar in Tonnards werk. In 2008 stuitte ze op een fotoarchief van Fox Movie Fash, een straatfotostudio die tussen 1930 en 1970 in San Francisco opereerde. Ze selecteerde foto’s van eenzame, nachtelijke voetgangers, allen met een opmerkelijk naar binnen gekeerde blik. Het deed haar denken aan de eerste zin uit Dante’s Inferno: “Midway along the journey of our life / I woke to find myself in a dark wood, / for I had wandered off from the straight path.” Dit is slechts een van de negentig verschillende vertalingen in het Engels. Tonnard combineert deze met evenzoveel archieffoto’s onder de titel In this dark wood.

Ook hier is het resultaat humoristisch en soms surreëel, zoals de foto van een nogal oenig ogende matroos met jampotbril die nog lang niet op de helft van zijn leven is. Er lijkt geen weg terug voor deze verloren personages, afgaande op het onherroepelijke zwart van de nacht en de terneergeslagen, vertwijfelde blikken. Als lezer zou je je enkel op het tijdsbeeld in de foto’s kunnen concentreren (fraai!), maar het geheel kan misschien ook geïnterpreteerd worden als kritiek op de consumptiemaatschappij: een meerderheid van de gefotografeerden draagt een tas met zojuist aangeschafte waren bij zich.

In Elisabeth Tonnards werk is het geheel duidelijk meer dan de som der delen. We are small en In this dark wood, maar ook andere publicaties, vormen een perfect huwelijk tussen rede (kennis) en intuïtie. Ze zijn slim zonder droog te worden, humoristisch én visueel aantrekkelijk. Dat kan zelfs die bemoeial van een hospita niet betwisten.

Elisabeth Tonnard
WE ARE SMALL, 2012
IN THIS DARK WOOD, 2008
www.elisabethtonnard.com

Elisabeth Tonnard, WE ARE SMALL (2012) (Courtesy: Johan Deumens Gallery)
Elisabeth Tonnard, IN THIS DARK WOOD (2008) (Courtesy: Johan Deumens Gallery)
Elisabeth Tonnard, IN THIS DARK WOOD (2008) (Courtesy: Johan Deumens Gallery)

De rode ambassadeur

Nathalie Hartjes

In een land ver van hier ligt Nederlands erfgoed keurig opgeborgen, en niemand die het weet. Roemenië klinkt mijlenver en enig besef van een gezamenlijke geschiedenis is door ruim veertig jaar communistische heerschappij volledig teniet gedaan. Het is een van die ongedefinieerde vlekken op de landkaart die nog altijd tot het ‘Oostblok’ behoort, en ‘slechts’ sinds 2007 tot de EU behoort. In de periode dat Roemenië zich net uit de klauwen van een dictatuur wurmde, werden de Nederlandse geschiedenislessen vooral ingevuld met verhalen over de Verenigde Staten, de VOC, Israël en natuurlijk de val van de muur. Hoewel de muur om was, bleef de interesse beperkt tot de ‘verloren’ Duitse deelstaat. Het halve continent dat daar achter ligt moet nog steeds herontdekt worden. Ook de stukjes van onze eigen geschiedenis die daar te vinden zijn hebben we laten uitgommen. 

Begin juni was ik in Sibiu, een kleine historische stad in de provincie Transsylvanië, op uitnodiging van het initiatief Curator’s Network – een samenwerking tussen een vijftal kunstorganisaties om ontmoetingen te faciliteren tussen kunstprofessionals wereldwijd en kunstenaars uit hun eigen lokale en vaak perifere context. Plekken in de marge van de huidige geschiedenis, steden die je makkelijk overslaat ten faveure van de grote musea, biënnales en marktplaatsen. Die plekken die je gezien moet hebben, omdat kennis van die plekken nu eenmaal het fundament van het huidige geschiedenisbeeld vormt. 

Totale verbazing aldus om in het pittoreske Sibiu – waar nog echte timmermansgezellen in vol ornaat door de straten wandelen – tegen een verzameling Vlaamse en Hollandse meesters aan te lopen. Het Brukenthal museum bezit een indrukwekkende collectie met werk van Cranach, Rubens, Hals en Van Eyck. Ja natuurlijk, ergens kriebelt een vaag besef van de Habsburgse heerschappij – de missing link tussen Oost en West op het continent Europa. Eeuwen gedeelde cultuur, weggestopt onder het stof der sovjetgeschiedenis. 

En terwijl er in Nederland kliklijnen worden opgericht om de ‘nieuwe’ oosterlingen buiten te houden – en als ze al binnen zijn te verwijderen – is het in het oosten dat ik word ingelicht over een voor mij nog onbekende Nederlandse volksheld. Liviana Dan is een kleine kordate vrouw die conservator hedendaagse kunst is in het Brukenthal museum en onder de dictatuur heldhaftig de censuur tartte. Tijdens het laatste diner zegt ze plots: “We were very thankful to have your ambassador here during the revolution, he did so much for us”. Wat? Wie? Een Nederlandse ambassadeur die van betekenis was voor Roemenië? We hebben toch helemaal niks met dat land te maken gehad sinds die ouwe Habsburgers?

Ze maakt me attent op Coen Stork, Nederlands diplomaat, die in 1988 in Boekarest werd gestationeerd. Veel keuze had hij niet. Hij had zich bij zijn meerderen mateloos impopulair gemaakt door zijn onconventionele gedrag op zijn eerdere diplomatieke posten. In plaats van zich te stortten in het plichtmatige expat-gebeuren, verkeerde hij liever in kringen van kunstenaars, schrijvers en filosofen. Kortom: wispelturig volk met weerbarstige ideeën. Of zoals Ambassadeur Lewe, Storks meerdere in zijn tijd in Zuid-Afrika, optekent in zijn functioneringsverslag:

“Nog opgemerkt moge worden dat de Heer Stork blijk heeft gegeven van een grote culturele belangstelling. In hoeverre hij echter culturele contacten en activiteiten werkelijk dienstbaar zou kunnen maken aan de bevordering van de Nederlandse belangen, kan ik niet beoordelen, noch in hoeverre hij weerstand zal kunnen bieden aan bepaalde politieke zuigkrachten, die zich juist in cultureel geïnteresseerde milieus zo dikwijls demonstreren.” 

Deze belangstelling wordt door Lewe geclassificeerd als onwenselijk en ongeschikt voor het bedrijven van diplomatiek werk, waar non-involvement voorop zou moeten staan. Storks carrière kenmerkt zich door de omkering van zijn rol als diplomaat. Een begaan mens, die zich afvraagt – en zich hard maakt voor – wat hij tijdens zijn temporaire verblijf kan doen. Cultuur speelt daarin altijd een belangrijke rol. Storks handel en wandel staat symbool voor de wijze waarop een marginale geschiedenis zich kan inschrijven in de Grote Geschiedenis. En daarmee gezien kan worden en erkenning kan krijgen – en de bijbehorende middelen om verandering teweeg te brengen. 

Het grootste gedeelte van Storks levensverhaal komt mij niet via Liviana ter ore. Ze blijft discreet en respectvol. Het is Stork zelf die spreekt, in de biografie van Peter Henk Steenhuis. En dat doet hij genadeloos eerlijk: zijn twijfels en misstappen komen ook aan bod. Hierdoor leest zijn biografie als een avonturenroman. Een held – niet zonder grillige randjes – die tal van opmerkelijke figuren ontmoet en zich daarbij altijd dienstbaar opstelt. Waar nodig en mogelijk stelt hij zijn eigen huis open om dissidenten een toevluchtsoord (en soms vluchtroute) te bieden. En dat zijn er – als ik het juist begrijp van Liviana – misschien wel veel meer geweest dan zwart op wit staan in de biografie.  

Geschiedenis is een kunstmatige interventie, maar het is wel de kennis op basis waarvan we onze volgende keuzes maken. Bij het optekenen ervan zijn er mensen die schrijven en mensen die knippen. Knippen blijkt makkelijker dan schrijven. Maak een selectie van de tien belangrijkste vertellingen en je vergeet er honderden. Coen Stork is nooit gediend geweest van een selectieve wereldbeleving. Terwijl de rest van de wereld hun ogen sloot maakte hij er een punt van om met zijn Amerikaanse collega’s Ted Nelson en John Miles elke dag bij het Rivoniaproces – tegen onder meer Nelson Mandela – te zijn. De doodstraf kon worden afgewend. 

Atheneum – Polak & Gennep, Amsterdam 2012
ISBN 978-90-253-6878-4 

Melanie Bonajo, AFTERLIFE, THE UNEXPLORED CONTENT (2011).

Museum Tot Zover is een klein, maar ambitieus museum. Het is het enige uitvaartmuseum dat Nederland rijk is. Het lijkt een curieus en macaber onderwerp voor een museum. Maar Museum Tot Zover straalt vooral nuchterheid uit. De vormgeving is strak maar speels en geen enkel aspect van de dood is hier taboe. Daarvan getuigen ook de flyers met daarop een bouwplaat van een doodskistje voor de hamster of kanariepiet.

Naast een permanente opstelling over de omgang met de dood in Nederland, presenteert Tot Zover tijdelijke exposities. Voor de tentoonstelling Afterlife is werk van veertien kunstenaars samengebracht rond het thema ‘het hiernamaals’. Wat is er, of, wat is er niet? In de catalogus schrijft conservator Babs Bakels dat het beeld van het hiernamaals in Nederland grofweg kan worden opgedeeld in twee stromingen. Er is niets of er is iets; het beeld van een oneindige leegte tegenover een laatste verblijfplaats van de ziel. Dit laatste begrip is niet bepaald vastomlijnd. Er wordt binnen de maatschappij druk gezocht naar dat concept dat de notie van het christelijke paradijs, met cherubijntjes en groene velden, kan vervangen. De veelheid van de ‘ietsen’ worden in de tentoonstelling onder andere vertegenwoordigd door Melanie Bonajo (1978), Dane Mitchell (1976) en Susan MacWilliam (1969) en het grote niets wordt vertegenwoordigd door bijvoorbeeld Sarah van Sonsbeeck (1976), Xu Bing (1955) en Satijn Panyigay (1988).

In de eerste zaal valt de installatie van Bonajo op. Met onder andere een keukentrap, plumeaus, lippenstiften en foto’s heeft zij zorgvuldig een visueel spektakel opgebouwd, dat verschillende associaties oproept. Het is occult, met vreemde symbolen, kaarsen en foto’s van naakte lichamen; kleurrijk, ergens speelt een foto van een palmboom een rol; en banaal, door alle huishoudelijke objecten die zijn samengevoegd. Onderdeel van dit werk Afterlife, the Unexplored Continent, is een reader die op een aantal plaatsen bij de installatie is gelegd. In de reader staan gedeeltes van gesprekken die Bonajo voerde met mediums, gecontacteerd via mediumhotlines. Door aan de dames aan de andere kant van de lijn vragen te stellen als: “Hoe moet een kunstwerk over het hiernamaals eruit zien?”, doorbreekt zij de cold reading methode die deze mediums gebruiken. Veel fantasie hebben de mediums niet: één van hen adviseerde Bonajo het hiernamaals middels Google Afbeeldingen te zoeken. Het werk maakt duidelijk dat de hotlines geen vat hebben op het hiernamaals en dat hun middelen om houvast te bieden in het heden liggen. Het verlangen naar houvast zien we trouwens ook in een object in de vaste opstelling in een andere museumzaal. In een rijk gedecoreerde vitrine is een boeket van mensenhaar te zien uit 1871. De macabere bloemetjes en vlechtjes, versierd met stras en parels, stonden ooit bij een gezin thuis om de familieleden te herinneren aan hun roots. Als een familielid overleed, werden er bloemen toegevoegd. Zo bleef een stukje van hun sterfelijk lichaam toch in het nu.

Het contrast tussen het uitbundige werk van Bonajo met het ernaast geplaatste verstilde, maar intense werk van Bing, Where Does The Dust Itself Collect?, is groot. De vloer is bedekt met duizenden fijne deeltjes, die ooit onderdeel waren van de Twin Towers. Xu Bing heeft ze in Afterlife zo geplaatst dat er in het stof een poeziëregel te lezen is:

“As there is nothing from the first
Where does the dust itself collect?”

Het is een regel uit een gedicht van zenmeester Huineng uit de zevende eeuw. De zenmeester reageerde met dit gedicht op een ander gedicht, waarin een spiegel als metafoor voor de ziel werd gebruikt en stof als metafoor voor menselijke beslommeringen. Huineng maakte korte metten met deze metaforen. Het ‘niets’ kun je niet terugbrengen tot een metafoor. Het ‘niets’-begrip waaraan Bing met dit werk refereert, kan een oneindig geruststellend gegeven zijn. Maar de kennis dat het stof dat in de zaal van Afterlife ligt uit de laatste momenten van duizenden mensen bestaat, zorgt dat het niets tijdelijk heel ver weg is.

Buiten op de begraafplaats De Nieuwe Ooster is de grens tussen dood en leven tastbaarder dan binnen. Tussen de graven zijn zes kunstwerken geplaatst. De aanwezigheid van de dood wordt plotseling wrang als ik op een werk van Leonid Tsvetkov (1980) afloop. Van foto’s in het museum weet ik dat het een grijzige piramidevormige sculptuur betreft. Als ik dichterbij kom, blijkt het echter een zandhoop te zijn. Ernaast een gapend leeg graf – een vergissing die makkelijk gemaakt is op de begraafplaats. In Search of the Other van Tsvetkov is twintig meter verderop. Het is een ingegraven ruimte, die deels boven het gras uitsteekt. Het werk functioneert als een camera obscura. Via een smal trappetje betreed je de onderwereld en in het aardedonker verschijnt een spookachtig beeld van de buitenwereld op de muur. Het werk voegt een fysieke beleving toe aan het conceptuele kader van de tentoonstelling. Beleving, concept en filosofisch kader zorgen er – samen met de hoge kwaliteit van de werken – voor dat Afterlife een rijke ervaring is die nog dagenlang resoneert. Epicurus verwonderde zich over angst voor het hiernamaals. De eeuwigheid voor je geboorte heeft toch ook geen negatieve weerslag op je bestaan, waarom zou je iets vrezen dat je niet kan ervaren?

Xu Bing, WHERE DOES THE DUST ITSELF COLLECT? (2004).
Leonid Tsvetkov, IN SEARCH OF THE OTHER (2011). Foto's: Teo Krijgsman

Spelenderwijs

Saskia van der Kroef
Stephan Keppel, CUPBOARDS FROM THE GOLDLEAF SERIES (2011)

“Fotografie wordt abstracter”, verkondigde trendvoorspeller Lidewij Edelkoort onlangs op tv. Nu werkelijk iedereen beschikt over een camera en altijd en overal kwalitatief goede beelden kan produceren, zo redeneerde ze, zullen professionele fotografen steeds minder geven om representatie. Abstracte, op vorm en concept leunende beelden hebben volgens haar de toekomst. De kans is klein dat Edelkoorts voorspelling al bewaarheid wordt op Unseen, de eerste internationale fotografiebeurs in Amsterdam, die in september plaatsvindt en waar heel fotominnend Nederland naar uitkijkt. Sterker nog: deze lijkt zijn bestaan juist te danken aan de enorme diversiteit binnen het vakgebied. De actuele fotografie houdt klassieke genres (portret, mode, documentair, enzovoort) moeiteloos in stand en biedt tegelijkertijd ruimte aan alle mogelijke vertakkingen en mengvormen. Ze is ‘instapbaar’ op vele manieren, en dat is misschien wel de sleutel tot haar huidige succes.

Waar de trend die Edelkoort signaleert misschien wél bespeurd kan worden, is in de zomertentoonstelling bij Liefhertje en De Grote Witte Reus. De Haagse galerie annex design- en kunstboekhandel huist sinds 2011 in een mooie, nieuwe ruimte vlakbij station Holland Spoor en heeft zelf veel verschillende soorten fotografie in huis. Aan de fotografen uit hun stal Sarah Carlier en Marleen Sleeuwits werd gevraagd een tentoonstelling samen te stellen, op voorwaarde dat hun eigen werk er geen deel van zou uitmaken. Het enige criterium dat Carlier en Sleeuwits daaraan toevoegden, was een onderzoekend en speels gebruik van het medium fotografie. Zo selecteerden zij zeven kunstenaars uit binnen- en buitenland. Volgens de eigenaar van Liefhertje kwam de tentoonstelling vrij spontaan tot stand, maar dat is allerminst voelbaar. Play, Collect, Construct, Fold and Display is een compacte en coherente presentatie van overwegend formeel georiënteerd werk. Kunstenaars als Rachel de Joode (1979) en Ruth van Beek (1977) zorgen met hun vreemde, ‘ontvormde’ dieren en objecten voor een vleugje humor.

In de tentoonstelling vind je een aantal ruimtelijke studies, onder andere in het werk van Femke Dekkers (1980) en Pim Leenen (1985). Als bezoeker kun je geneigd zijn om dat werk onder te brengen bij de keuze van Sleeuwits, die al een tijdlang van non-descripte kantoorruimtes fascinerende, vervreemdende foto’s maakt. Sinds kort creëert Sleeuwits zelf complete interieurs, door bijvoorbeeld haar eigen atelier talloze malen te verbouwen. Uit de foto Atelierwerk I van Dekkers spreekt een vergelijkbare interesse. In het beeld verbindt een geschilderde, geometrische vorm (een grote vlieger, lijkt het wel) de muur met de vloer, wat een vreemde perspectiefverschuiving tot gevolg heeft. Vergeleken met Sleeuwits’ praktijk is Dekkers’ interventie in de ruimte echter, net als de subtiel gespiegelde kamerhoek in Square Answer van Leenen, voorzichtiger, aftastender.

Verdere koppelingen tussen de deelnemende kunstenaars en één van de twee gelegenheidscuratoren krijgen weinig kans. Dat komt in de eerste plaats door een aantal interessante visuele verbanden die direct zichtbaar zijn. Stephan Keppels (1973) verfijnde, op goudpapier gedrukte foto van een stapel typische IKEA-plankjes (From the Goldleaf Series – Chipboard III) hangt bijvoorbeeld naast het prominent in de ruimte geplaatste Stable State van Anouk Kruithof (1981). In deze video – de enige in de expositie – 
wordt een wankele stapel houten blokjes onder onheilspellende klanken langzaamaan tot instorten gebracht. Andere overeenkomsten vind je binnen het verspreid over de ruimte gehangen werk van Ruth van Beek. Haar collages van Hibernators (tot onwerkelijke diersoorten bewerkte knipsels van konijnen en andere pluizige beestjes) resoneren met de vreemde, felblauwe pompoenvorm in haar foto Untitled (Blue and Red). Die laatste maakt qua vorm weer een link met Rachel de Joode’s zandloperfoto Slime Time. De foto is heel groot geprint op behang op de muur aangebracht. Zo zijn er meerdere verbindingen die Play, Collect, Construct, Fold and Display tot een geheel maken.

Toch is het niet alleen dit visuele spoor in de tentoonstelling dat voor consistentie zorgt. De expositie toont ook een vrij specifiek segment van de hedendaagse fotografie. Documentair werk ontbreekt in zijn geheel, portretten of landschappen vind je er ook niet. Alleen de serie xcopy III, IV, V en VII van Adam Jeppesen (1978), met onder meer besneeuwde bergtoppen en een regenwoud, zou je in eerste aanblik kunnen zien als de weerslag van een verre reis. Maar ook hij benadert zijn beelden formeel, door ze in delen ‘af te drukken’ met een kopieerapparaat, en die delen vervolgens middels een grid van spelden weer samen te brengen. Play, Collect, Construct, Fold and Display – de titel zegt het al – gaat over de bewerking, of beter, de handmatige bewerking van het fotografische beeld. Je ziet allerlei experimenten met materialen (Keppels goudpapier op MDF) en drukprocedés (het behang bij De Joode), waarbij met name het kopieerapparaat en de inkjetprinter een opvallende (r)entree maken.

Dat kopieerapparaat is natuurlijk wel een interessant gegeven, Edelkoort indachtig. Is kopiëren niet ook een manier van abstraheren? Zoek bij Carlier en Sleeuwits echter geen uitspraken à la Edelkoort over de fotografie. Het curatorschap werd door Carlier en Sleeuwits ingevuld volgens de werkwijze die ze presenteren: met een beetje play, wat collect, hier en daar wat construct en fold, en voilà: display. Het is een simpel, bescheiden uitgangspunt. En hoewel ze intuïtief tot stand is gekomen, onderzoekend en spelenderwijs, toch staat deze tentoonstelling als een huis.

Femke Dekkers, ATELIERWERK I (2012)
Pim Leenen, SQUARE ANSWER (2010)
Rachel de Joode, SLIME TIME (2012)

Gebonden kunst

Willemijn van der Zwaan
Acne Paper, Spring 2010

Men zegt dat alles wat er mis met je is, zijn wortels heeft in je jeugd. In het geval van mijn ongezonde obsessie voor mode, is dit zeker waar. Mijn oudere zus had, toen ik nog op de basisschool zat en zij al een echte middelbare scholier was, een abonnement op Fancy. Ik jatte die meestal uit de brievenbus voordat zij een kans kreeg het tijdschrift te lezen. Het was een nogal gênant meidenblad, vol artikelen als “Werkt tandpasta of Clearasil beter tegen puistjes?” en “Hoe weet ik of hij me écht leuk vindt?”. 

Wat mijn achtjarige zelf echter het meeste raakte waren niet deze journalistieke pareltjes, maar de moderubrieken. Voor een tienerblad was Fancy behoorlijk vooruitstrevend; zo verzorgde de befaamde mode-illustrator Piet Paris destijds de tekeningen. Fancy’s maandelijkse trendrapporten inspireerden mij tot experimentele (en twijfelachtige) stijlkeuzes, zoals het dragen van bindi’s, beenwarmers en netpanty´s en het combineren van roze, paars en oranje. Het fashion victim in mij was ontwaakt.

Toen de puberteit zich aandiende en ik mij al behoorlijk volwassen begon te voelen, moest Fancy  plaats maken voor serieus leesvoer: een Britse Vogue, voor het eerst aangeschaft op een schoolreisje naar het Engelse York in de tweede klas. Ik las het blad met een wetenschappelijke precisie, de namen van ontwerpers, stylisten en modellen uit mijn hoofd lerend. Het tijdschrift werd mijn belangrijkste eigendom. Alles had een niveau dat ik nooit eerder had gezien; het was duurder, verfijnder, mysterieuzer, maar vooral beter.

Ik was diep onder de indruk van de modereportages door fotografische grootheden als Mario Testino, Nick Knight en David Bailey. Hun beelden straalden op en top high fashion uit; de geportretteerde vrouwen waren zelfverzekerd, belachelijk goed gekleed en buitenaards mooi. Hoe kon ik na dit gezien te hebben wederkeren naar de wereld van Fancy en Tina? Het onschuldige enthousiasme voor kleding had nu plaatsgemaakt voor een ware mode-manie.

Sinds de aankoop van die ene beslissende Vogue op mijn dertiende, ben ik een ware tijdschriftenjunk geworden. Mijn collectie heeft over de jaren heen indrukwekkende proporties aangenomen. Na de Britse Vogue ben ik overgestapt naar haar meer vooruitstrevende buitenlandse zusjes, zoals de Franse editie, waarin modellen een jaloersmakend je ne sais quoi uitstralen, en de Italiaanse, sinds jaar en dag voorzien van prikkelende covers en reportages door überfotograaf Steven Meisel. Naast leden van de Vogue-familie, verzamel ik ook meer specialistisch materiaal. Lula, dat als ondertitel “Girl of my dream” heeft, is gevuld met dromerige, meisjesachtige foto’s van fotografen als Ellen von Unwerth en Venetia Scott.

Acne Paper, een uitgave van het Zweedse kledingmerk Acne, geeft fotografen voor ieder issue de opdracht rond een thema – “Tradition”, “Elegance”, “Exoticism” – te fotografen. Dat levert waanzinnige foto’s op van onder andere Terry Tsiolis en Daniel Jackson. Mijn persoonlijke favoriet is The Gentlewoman, een strak vormgegeven blad met nogal onverwachte covergirls. Zo lacht Angela Lansbury je voorop de laatste uitgave vrolijk toe, met de bril van fotograaf Terry Richardson op haar neus. Dit tijdschrift is een winnende combinatie van interviews en artikelen die je niet direct zou associëren met een modeblad, zoals een ode aan de nederige appel of een profiel van de eigenaresse van een wijngaard, en hoogstaande reportages door fotografen als Alasdair McLellan, Blommers & Schumm, Liz Collins en Benjamin Alexander Huseby.

Dat modefotografie ook bestaansrecht heeft buiten de pagina’s van een tijdschrift, werd mij duidelijk op de Unseen Photo Fair, die eind september plaatsvond in de Amsterdamse Westergasfabriek. Onderdeel van het randprogramma was de tentoonstelling FASHION! met werken uit de Camera Work collectie uit Berlijn. Alleen al het feit dat er werk uit deze fotografiecollectie – een van de grootste ter wereld – getoond werd ter gelegenheid van een vierdaagse beurs, vond ik imponerend. Toen ik door de ruimte liep, zag ik dat alle groten der aarde waren verenigd: Man Ray, Edward Steichen, Steven Meisel, Erwin Blumenfeld, Richard Avedon, Irving Penn, Horst P. Horst, enzovoorts, enzovoorts. Een ware greatest hits verzameling.

Toen ik verder ging kijken dan alleen de namen die op de bordjes stonden  – en over de shock heen was dat ik zij aan zij met Erwin Olaf de tentoonstelling aan het bekijken was – kon ik mij richten op de kwaliteit van de foto’s zelf. De hoeveelheid foto’s was overweldigend, maar een aantal beelden hield mijn aandacht langer vast. Zo waren er de werken die Michelango di Battista maakte in samenwerking met de Duitse kunstenaar Tina Berning; de modellen zijn soms letterlijk beplakt met tekeningen van Berning, maar ook had zij heeft de foto’s op haar beurt bewerkt, onder andere met vlechtwerk.

Ook was ik geïntrigeerd door de getoonde kwetsbaarheid van het model in Helmut Newtons Arielle After Haircut (1982), iets wat we niet gewend zijn van de wijlen grootmeester van de erotische foto. Tenslotte was de Italiaanse topfotograaf Paolo Roversi rijkelijk vertegenwoordigd in de tentoonstelling met gigantische prints. Zijn dromerige en vage beelden, zoals Kirsten Away (1988) en Guinevere in Red Dress (1996), transporteerden mij even naar een andere tijd en plaats.

Een groot deel van de foto’s die in deze tentoonstelling hingen, was in opdracht gemaakt van de tijdschriften die ik al jaren lees. Hangend aan de muur bleken ze echter meer dan bovengemiddeld goede foto’s van de laatste trends: het werden op zichzelf staande kunstwerken. FASHION! liet mij inzien dat goede modefotografie zijn waarde pas echt bewijst als deze ook buiten de modecontext weet te boeien. Het bevestigde voor mij iets wat ik al langere tijd wist: een tijdschrift van kwaliteit zit vol met potentiële fotografische meesterwerken. Wie weet wat ik in de volgende uitgave kan ontdekken?

The Gentlewoman, Autumn/Winter 2012
Michelangelo di Battista en Tina Berning, FACE/PROJECT (2007)
Helmut Newton, ARIELLE AFTER HAIRCUT (1992)
Paolo Roversi, GUINEVERE IN A RED DRESS BY YSL (1996)

Van de straat

Laura van Grinsven
Jeremy Deller, VALERIE'S SNACKBAR (2009) (Foto: Filip Vanzieleghem)

Het moet een imposante vertoning geweest zijn, een replica van een lokale snackbar die tijdens een parade zomaar voorbij komt rijden. Een ieder die trek kreeg, of dorst, kon eenvoudigweg een stukje meeliften. En velen deden dat. Valerie’s Snack Bar is een typisch Jeremy Deller (1966) werk: ludiek, inventief, opzienbarend en altijd temidden van de mensen. Nu staat Valerie’s Snack Bar in Wiels tijdens de tentoonstelling Joy in People, het grote midcareer retrospectief van Deller. Niet op wielen, maar netjes op de vloer naast de entreebalie geplaatst. De tentoonstellingsbezoekers kunnen er een tea krijgen, maar de meesten bekijken het werk als een sculptuur en schenken vooral aandacht aan de film die op de balie staat. Die toont de optocht in Manchester, waarvan het werk ooit deel uitmaakte.

Bij het binnengaan van de tentoonstellingsruimte kijken twee bruine ogen en een wijd opengesperde mond je aan: een muurschildering van het gezicht van Deller welke tevens fungeert als doorgang naar een videoruimte. Daarbinnen is de diaprojectie Beyond the White Walls te zien. Beelden van verschillende projecten worden hier getoond, begeleid door commentaar van Deller. Het wordt al snel duidelijk dat dit werken zijn die niet uitgebreid aan bod komen in de tentoonstelling. Wat is er dan wel te zien van Dellers veelal projectmatige werken?

Het iconische The Battle of Orgreave kan uiteraard niet ontbreken. Het is een heropvoering van een veldslag in 1984 tussen stakende mijnwerkers en de politie. Deller, die destijds als jongen gefascineerd via tv de gebeurtenissen volgde, organiseert het event in 2001 door samen te werken met verschillende re-enactment verenigingen en met veteranen van de desbetreffende slag. Dit alles resulteert in een documentaire over het hele ontstaansproces, de feitelijke heropvoering en interviews met verschillende betrokkenen. De film wordt getoond naast een installatie The Battle of Orgreave Archive (An Injury to One is an Injury to All) bestaande uit documenten, een mensgrote muurschildering van een jonge mijnwerker vastgehouden door twee agenten, krantenkoppen, en een politieschild en spijkerjas als relieken.

Een ander belangrijk werk van Deller, Acid Brass, is te zien op een klein scherm. In 2007 werd het voor het eerst opgevoerd in een club in Liverpool. De Williams Fairey Brass Band uit Cheshire speelde voor enkele honderden housefans live acid house op een clubavond. Een evenement dat niet alleen de kunst- maar ook de muziekwereld beïnvloedde. Op een aangrenzende muur bevindt zich de verwante schildering The History of the World. De centrale woorden ‘Acid House’ en ‘Brass Bands’ worden in een mindmap van woorden met elkaar verbonden. Ze staan volgens Deller voor twee belangrijke episodes uit de Britse geschiedenis van de afgelopen twintig jaar: de stakingen van de mijnwerkers en de opkomst van de acid house scene. In dit werk wordt duidelijk hoe Deller volkscultuur, hoge cultuur en politiek met elkaar verbindt.

Er zijn weinig opzichzelfstaande werken in Joy in People; er wordt vooral verwezen naar voorbije gebeurtenissen. Er zijn uitzonderingen, zoals de genoemde muurschildering The History of the World of de video met de installatie The Search for BEZ, waarin Deller op zoek gaat naar de persoon BEZ. Dit is de mascotte van de voormalige band Happy Mondays en is op dat moment vermist. Deller boeit met zijn zoektocht door de straten van Manchester, ook al vindt hij BEZ niet, die op dat moment op Ibiza zit. Een ander interessant opzichzelfstaand werk is de film Our Hobby is Depeche Mode, die op een afgelegen plek in de kelder van Wiels wordt vertoond. De film is ooit in opdracht van het platenlabel van de band Depeche Mode gemaakt, maar door interne onenigheid nooit naar buiten gebracht.

Deller interviewt hardcore fans van over de hele wereld, die vertellen wat voor invloed de band op hun leven heeft gehad; denk aan gillende Russische tieners in passende outfits en een Engelse zwerver die zijn leven beterde nadat hij in aanraking kwam met de muziek. Deller houdt zich niet aan de vormtaal en de regels van de muziekvideo. De band komt namelijk niet in beeld en de fans zijn geen hippe en coole kids maar outcasts die van Depeche Mode hun raison d’être hebben gemaakt. Geen wonder dat de film werd afgewezen, maar hij is des te boeiender in de tentoonstellingscontext, waar deze naar men zegt illegaal wordt vertoond.

Een vreemde eend in de bijt is de nagebouwde slaapkamer Open Bedroom uit Dellers ouderlijk huis (waar hij tot in zijn vroege dertiger jaren woonde). Het is een jongens- of beter gezegd, mannenkamer waaruit de fascinatie voor muziek en muziekcultuur blijkt, door posters, foto’s en knipsels. Ook is het daar waar Deller zijn eerste tentoonstelling had, tijdens een vakantie van zijn ouders. Het lijkt een documentatie van Dellers kunstenaarschap. Hoewel Deller meestal op de achtergrond blijft als initiator, curator, filmer, interviewer, contactlegger of bedenker, wordt hij nu als onderwerp de tentoonstelling binnengehaald. De vraag is of dit wat toevoegt.

Voor een echte Deller, moet je je buiten de muren van het museum begeven, bijvoorbeeld in de volkswijken van Manchester of Liverpool. Helaas maakte Deller geen nieuw project voor Wiels, hoewel de buurt Vorst, waar het museum ligt, er perfect voor zou zijn. Op de straat tussen de mensen daar is de plek waar een Deller werkelijk werkt, waar het doet lachen, waar het doet omkijken, waar het imponeert, waar het met het leven verbonden is. Daar hoort het en niet in een museum.

Ingang tentoonstelling (Foto: Filip Vanzieleghem)
Jeremy Deller, THE HISTORY OF THE WORLD (1997)
Jeremy Deller, OPEN BEDROOM (1993)

“Ongeveer 50% van de wereldhandel stroomt door belastingparadijzen en 83 van de 100 grootste multinationals zijn in Nederland gevestigd vanwege fiscale redenen. Geldstromen zoeken de weg van de minste weerstand – maar waar zijn die wegen anno 2012?”

Dit is het begin van een presentatie van grafisch ontwerper Femke Herregraven over haar nieuwe spel Taxodus. Herregraven ontwierp Taxodus, een prototype voor een spel over offshore-handel gedurende de masterclass van Sandberg-Mediafonds. Met offshore-zakendoen benut je als bedrijf de mogelijkheden die worden geboden door landen waarvan de wetgeving niet-ingezetenen bepaalde voordelen toekent, bijvoorbeeld op het gebied van ondernemingstructuren, bepaalde vertrouwelijkheden, of lage belastingen. Taxodus leert je spelenderwijs hoe je zo makkelijk en zo veel mogelijk belasting kunt ontwijken. 

AD: Taxodus is een spel over offshore-handel. Hoe werkt het precies? 

FH: Als speler kies je een bestaande multinational of bank met een bepaald profiel en dan ga je uitzoeken welke landen het meest gunstig zijn om een dochterbedrijf op te zetten en daarmee geld te verdienen door zo weinig mogelijk belasting af te dragen. Elk land heeft een specifiek transactieprofiel. Nederland is bijvoorbeeld gunstig voor bedrijven die veel met royalties op intellectueel eigendom te maken hebben en andere landen zijn interessant voor oliebedrijven. Het spel geeft een willekeurig aantal opties en rekent uit wat deze je opleveren. De uitkomst kun je vergelijken met anderen en zo probeer je zo goedkoop mogelijk door het spel te komen. Het spel is gebaseerd op werkelijke cijfers van alle belastingverdragen van de wereld. 

AD: Het is niet echt een thema dat je veel tegenkomt binnen de kunst. Waar komt je interesse in dit onderwerp vandaan? 

FH: In 2010 ben ik door het Virtueel Museum in Amsterdam gevraagd om samen met een architect uit New York de identiteit van de Zuidas te achterhalen. Iedere keer als ik vroeg welke bedrijven er zaten kwamen er vage antwoorden, er waren geen lijsten, geen namen of postbussen en naast bekende bedrijven als Google en Facebook bleef onduidelijk wat er nog meer zit.

Om erachter te komen welk type bedrijven er gehuisvest zijn heb ik wekenlang de registers van de Kamer van Koophandel doorgespit. Ik heb de hele Zuidas geïndexeerd, voor iedere straat en per huisnummer heb ik gekeken wie er zitten en daar heb ik vervolgens drie telefoonboeken van gemaakt. Ineens zie je dan een paar interessante gegevens, op sommige adressen is bijvoorbeeld een eigenaar maar op andere adressen zijn er wel meer dan duizend. Bedrijven bestaan alleen nog maar op papier, het zijn zogenaamde brievenbusfirma’s. Dit werd ook duidelijk in de naamgeving, sommige bestaan bijvoorbeeld alleen maar uit Romeinse cijfers.  

Al deze informatie maakte me nieuwsgierig en ik vroeg me af waarom deze bedrijven daar zaten en wat ze doen. De volgende stap was het doorspitten van de Nederlandse belastingwet en toen bleek dat er enorm veel fiscale voordelen zijn om je als bedrijf in Nederland te vestigen. De promotie van Nederland in het buitenland is daar ook helemaal op gericht. Het hele systeem heeft lange tijd onder de radar bestaan, je ziet vaak alleen momentopnames, maar hoe het geheel werkt weet bijna niemand. Stap een is om dat te visualiseren, dat geeft inzicht en dan kun je specifieke vragen gaan stellen. In eerste instantie gaat Taxodus over het specifiek maken van deze gegevens door ze te visualiseren: van mijnbouw uit Kongo tot oliebedrijven uit Italië en Libië.  

AD: Dit klinkt als een duister verhaal! 

FH: Het is allemaal legaal maar tegelijkertijd ook obscuur. Als bedrijf zoek je een trustkantoor en die verzorgt de boekhouding, maakt jaarverslagen en stelt een CEO aan. Er zijn talloze kleine administratiekantoren die grote aantallen buitenlandse dochterfirma’s op papier beheren. Alles is volgens de Nederlandse wet en voor veel buitenlandse bedrijven is het belastingklimaat in Nederland enorm voordelig. Kleine ondernemers in Nederland betalen bijvoorbeeld meer dan dertig procent belasting terwijl blijkt dat buitenlandse bedrijven slechts vijf procent hoeven af te dragen.

De veronderstelling dat de komst van buitenlandse bedrijven gunstig zou zijn voor het Nederlandse werkklimaat gaat ook lang niet altijd op, omdat deze bedrijven alleen maar op papier bestaan en geen mensen in dienst hebben. De trustkantoren waarschuwen zelfs tegen het aannemen van mensen omdat Nederland veel waarde hecht aan sociale arbeidsverhoudingen waardoor het moeilijk is om personeel te ontslaan. Een brievenbusfirma omzeilt dat allemaal. 

AD: Maar de manier waarop jij visualiseert is ook subjectief, je manipuleert de gegevens.  

FH: Ja natuurlijk, ik selecteer inderdaad bepaalde bedrijven die mensen kennen of die tot de verbeelding spreken. Onbekende namen zullen niet opvallen, maar als je ziet dat het de norm is waar iedereen aan meedoet, van Mitt Romney en Wallmarkt tot Bono van U2 en natuurlijk Google en Facebook, dan krijgt het voor veel mensen een andere urgentie of waarde. Als je op grote schaal, wereldwijd, gaat kijken zie je bijvoorbeeld dat zes op de tien bedrijven in Griekenland gebruik maakt van Nederland voor deze constructies. Dat is legaal en gunstig voor Nederland, maar als Nederlandse politici nu meer transparantie van Griekenland willen en ze het land op de vingers tikken is dat nogal hypocriet.

Hetzelfde zie je met veel ontwikkelingshulp aan landen in Afrika, dat geld stroomt bijna direct terug naar offshore belastingparadijzen op rekeningen van Afrikaanse leiders. Iemand heeft uitgerekend dat de hele schuld van het continent kleiner is dan het bedrag dat zich bevindt in de verschillende belastingparadijzen. Een brievenbusfirma op zichzelf zegt niet zo veel, maar alles bij elkaar creëert het gaten waardoor (publiek) geld kan weglekken. Het Financieel Dagblad is onlangs een dossier begonnen om precies uit te zoeken wat er gebeurt, maar mijn doel is vooral om het te laten zien en daar kunnen dan verschillende acties uit voortkomen. 

AD: Het spel kan natuurlijk ook interessant zijn voor bestaande bedrijven om te zien waar en hoe ze het beste kunnen investeren? Is Taxodus het nieuwe Monopolie? 

FH: Ja op zich wel, maar in werkelijkheid doen bedrijven dit al, General Electric heeft bijvoorbeeld een afdeling van zo’n duizend werknemers die hier fulltime mee bezig zijn. Ik denk niet dat mijn spel ineens een andere of betere uitkomst zal laten zien. Zij hebben daar speciale software voor, maar die is niet toegankelijk. Daar gaat het spel ook over, het maken van een tool zodat we kunnen reconstrueren wat zij doen.

Monopolie is een interessant voorbeeld omdat het in eerste instantie een kritiek was op het kapitalisme. Het is vergelijkbaar, maar Taxodus gaat een stap verder. Als je een actie doet die in het echt bekend is dan krijg je dat te zien en vertaalt de actie zich in een reality bonus. In het spel is dat ook een moment waarbij de onderzoeksjournalistiek naar voren komt. 

AD: Hoe verhoud jij je tot onderzoeksjournalisten? 

FH: Mijn projecten starten vaak vanuit een journalistieke houding en ik heb voor dit project een paar keer met journalisten van het Financieel Dagblad gesproken, maar ik wil geen artikelen schrijven. Een artikel is voor mij vaak abstract en ik vind dat je ook op andere manieren onderwerpen inzichtelijk kunt maken. Veel mensen zien dit niet als ontwerpen, maar ontwerpers geven niet alleen iets vorm ze laten met hun ontwerp ook een ander perspectief zien. Ontwerpen is voor mij niet een doel op zich, maar een manier om iets te zeggen. Zodra het spel wordt ontwikkeld wil ik een groep specialisten samenstellen die fouten eruit haalt en feedback geeft. Er zullen altijd wel kleine dingen in blijven zitten die niet helemaal kloppen maar het is wel belangrijk dat de grote lijnen traceerbaar zijn en overeenkomen met de werkelijkheid. 

AD: Waarom een spel? 

FH: De offshore-handel is complex maar door het zelf te spelen leer je de psychologie achter het systeem. Taxodus is eigenlijk een soort schaakspel. De wetgeving is niet eenduidig en je uiteindelijke voordeel hangt af van allerlei factoren die met elkaar samenhangen. Je moet constant strategische beslissingen nemen om verder te komen. Al deze informatie is verwerkt in het spel en langzamerhand kom je achter de verschillende verdragen tussen landen. Je wordt hierbij ook geholpen door adviseurs. Aan het begin van het spel kies je een profiel met een bepaald standpunt dat vertegenwoordigd wordt door een adviseur. De ene adviseur geeft bijvoorbeeld alternatieve adviezen en een ander probeert je meer de illegaliteit in te krijgen. Op elk moment kun je een second opinion vragen. Als speler kun je ook anderen beïnvloeden door bijvoorbeeld wetten en verdragen te manipuleren. Hierdoor heb je de mogelijkheid om het spel te sturen. Een speler moet, net als in de werkelijkheid, de mogelijkheid hebben om het spel naar zijn hand te zetten. Idealiter wordt het spel een bouwdoos waar je zelf ook dingen aan kunt toevoegen. Een open strategisch spel. 

AD: Wat bedoel je precies, kun je een voorbeeld noemen? 

FH: De meest simpele vorm is dat je alleen speelt, maar in de complexe variant speel je met anderen in real time. Op een gegeven moment kun je loyaliteitspunten winnen door bijvoorbeeld veel belasting te ontwijken voor je moederbedrijf. Kom je op het loyaliteitslevel dan kun je van rol veranderen, je kunt dan bijvoorbeeld even de overheid zijn en regelgeving net iets aanpassen om het voordeliger voor jezelf te maken. Op die manier kun je anderen blokkeren. Dit is natuurlijk een duidelijke link naar de toenemende belangenverstrengeling van grote economische bedrijven en politieke machthebbers. 

AD: Hoe hou je veranderingen in de werkelijkheid bij en hoe lang kun je doorspelen? 

FH: Het is niet zo dat er continu nieuwe informatie vrij komt, niet alle landen willen bijvoorbeeld “gevoelige” informatie vrijgeven. In het spel zit een tijdslimiet waarop je je jaarverslag moet indienen, dan komt je route in de database waar je ook kunt zien in welke score je zit. Tegelijkertijd kun je daar routes vinden van andere spelers, op die manier wordt het een crowd-searched onderzoek. Door het spelen draag je bij aan het onderzoek en het zichtbaar maken van de constructies.

www.taxodus.net