Kristina Benjocki, PAST, LESS PREDICTALBE THAN THE FUTURE (KOSMAJ) (2013)

Zo snel mogelijk loop ik de borrelende mensen voorbij. Voordat ik mij op de beursvloer van Art Rotterdam stort wil ik Prospects & Concepts zien: een tentoonstelling van 90 startende kunstenaars die in 2012 een Werkbijdrage Jong Talent ontvingen van het Mondriaan Fonds. Een kobaltblauw verlichte gang leidt mij naar waar ik moet zijn. Bij de ingang krijg ik een stempel op mijn pols: 18.47 uur is het tijdstip waarop ik de Fabriekshal betreed. Dit is het werk Today’s Schedule (2014) van Noor Nuyten. Elke bezoeker stapt bij binnenkomst het tijdschema van Nuyten in, als een fabrieksarbeider die inklokt. Boven het geroezemoes in de Fabriekshal uit klinkt de stem van staatssecretaris van Cultuur Jet Bussemaker. Ze spreekt over het belang van de subsidie voor deze jonge kunstenaars, want ze hebben talent en doorzettingsvermogen. Het enige wat ze volgens Bussemaker nog nodig hebben is mazzel.

Bussemaker heeft gelijk: er is veel talent te zien in deze presentatie, hoewel die in eerste instantie lijkt op een eindexamententoonstelling. Heel veel kunst en het verband tussen de verschillende kunstwerken is er dikwijls niet. Maar waar je bij eindexamententoonstellingen vlot door kan lopen, is dat hier moeilijk. De kwaliteit ligt veel hoger en de onderwerpen en technieken zijn divers. Een werk dat mijn aandacht trekt is Anika Schwarzioses video-installatie To make oneself like something else (2013-2014). Hierin poseren Russische toeristen voor het kolossale ruimtevaartmonument in Moskou, waartegen ze afsteken als kleine poppetjes die de pose aannemen van de reusachtige Stenen Astronaut. Dit werk staat in sterk contrast met de subtiele foto Past, less predictable than the future (2013) van Kristina Benjocki, waarop een abstracte sculptuur opdoemt uit de mist. De foto is een onderzoek naar abstracte oorlogsmonumenten in het voormalig Joegoslavië. Hun abstractie doet zowel herinneren als vergeten.

Toch besluipt me het gevoel dat ik geen vat op de gelaagdheid van deze kunstwerken kan krijgen door de hoeveelheid en de drukte. Misschien komt het doordat ik sommige werken al eerder tentoongesteld heb gezien in kleine tentoonstellingsruimtes, zoals Por Algo Será (2012) van Esper Postma. Deze videoinstallatie, eerder te zien in P////AKT, toont een vrouw die acteurs in een studio regisseert in een enscenering van de nacht dat haar moeder werd gearresteerd tijdens de Militaire coup in Argentinië in 1976. Het werk wordt hier hoog op een muur geprojecteerd. De subtiliteiten en gelaagdheden die ik in P////AKT rustig kon bekijken, vallen weg. Toch kan het ook andersom: terwijl ik weer een werk bekijk, hoor ik opeens rustig, zwaar geadem. Ik kijk om. Blijkbaar wordt het geluid geproduceerd door twee opgerolde vellen papier, die telkens over elkaar worden geschoven. Dit videotweeluik Sliding & Peeling (It is the rubbing that Makes the Skin Smooth) (2013) van Marieke Gelissen ben ik tijdens Prospects & Concepts een paar keer langs gelopen, maar nu zie ik het pas echt.

Bij één werk plaats ik mijn vraagtekens. De korte film Nachtlicht (2013) van Emmanuel Adjei en Marleen Özgür, gemaakt voor de Amsterdamse Museumnacht, zuigt je mee in kleurrijke beelden van het meisje uit de Nachtwacht dat uit het schilderij stapt en door een nachtelijk Rijksmuseum, Stedelijk Museum, Museum van Loon en Scheepvaartmuseum doolt. Ze sluipt de tot leven gekomen schilderijen Meisje met de parel en De aardappeleters binnen. Digitale lichtshows in sommige scènes moeten de magische ervaring nog wat versterken. Het is net een reclame voor de Efteling; musea bij nacht, waar schilderijen werkelijkheid worden. Op deze vreemde eend in de bijt na is Prospects & Concepts een goede presentatie van jong talent. In de catalogus lees ik dat er onder de kunstenaars aan doorzettingsvermogen geen gebrek is: er waren vijf keer meer aanvragen voor de subsidie dan toekenningen. Hopelijk hebben ze allemaal ook nog die mazzel waarover Bussemaker het heeft.

Anika Schwarzlose, TO MAKE ONESELF LIKE SOMETHING ELSE (2013-2014)
Esper Postma, POR ALGO SERÁ (2012)
Marieke Gelissen, SLIDING & PEELING (IT IS THE RUBBING THAT MAKES THE SKIN SMOOTH (2013)
Emmanuel Adjei & Marleen Özgür, NACHTLICHT (2013)
Davood Koochaki, Z.T. (2010-2012)

Om de burgerij te beschermen tegen krankzinnigen, ontstonden in de vijftiende eeuw dolhuyzen: inrichtingen buiten de stadsmuren voor de opvang van ‘onmaatschappelijken’. Dat begrip kan ruim worden opgevat: melaatsen, zwakzinnigen, dementerenden, verslaafden, geesteszieken, hoeren of oproerkraaiers – eenieder die als ongewenst werd gezien kon naar een dolhuys worden gestuurd. Tegen betaling mochten stadsbewoners zich op de Dag des Heeren vergapen aan de opgesloten gekken.

In Museum Het Dolhuys wordt de documentaire De profeet (2004) van filmmaker Michiel van Erp vertoond. Een kermende vrouw ligt op de grond, een grote kring mensen staat om haar heen. Ze voelt zich een man, opgesloten in een vrouwenlichaam, en is naar Nigeria afgereisd om zich hiervan te laten genezen door een profeet, een duiveluitdrijver. Die schreeuwt haar toe: “You are a woman, not a man!”. Cameramannen scharen zich om haar heen, er worden microfoons bij haar mond gehouden. “Out! Out! Out!”, roept de profeet, terwijl de vrouw gilt en huilt.

De geschiedenis van het museum, dat eeuwenlang dienst heeft gedaan als dolhuys, heeft een ontnuchterende werking op mijn beleving van de documentaire. In hoeverre verschilt mijn blik – verwondering, afgrijzen, vermaak – van die van de vroegere bezoekers van het dolhuys? Ik kan mijn ongemak wegsussen door de constatering dat deze mensen in ieder geval zelf kiezen voor hun behandeling. De bewoners van de dolhuyzen hadden over hun verblijf meestal niets te zeggen. Familieleden of buren konden bij het stadsbestuur een ‘dolle’ aangeven en na goedkeuring volgde gedwongen opsluiting. De wanhoop en onmacht die sommige bewoners moeten hebben gevoeld werd onlangs nog prachtig verbeeldt in de biopic Camille Claudel 1915 (2013). Juliette Binoche speelt hierin de kunstenares Claudel, die tot aan haar dood onvrijwillig vastzat in een inrichting. Schommelend tussen ontroostbaar verdriet en kalme berusting toont Binoche hoe Claudel omgaat met het ontbreken van keuzevrijheid.

Het is een mooi contrast met de werken die te zien zijn in de tentoonstelling Van God los? Je geest in balans. Het Dolhuys wil met deze expositie een actueel beeld geven van de diverse manieren waarop tegenwoordig met psychische gezondheid wordt omgegaan, en koppelt dat aan spiritualiteit en godsdienst. Voor welke behandelmethodes kiezen we, nu we de vrijheid hebben? De informatieborden in de expositiezaal wijzen de bezoeker erop dat 80 tot 95 procent van de patiënten de reguliere geneeskunde combineert met aanvullende of alternatieve geneeswijzen. Deze informatie lijkt gebaseerd te zijn op een enquête uit 1998 – actueel is hier dus een rekbaar begrip. Niettemin is het een interessant gegeven, dat mooi naar voren komt in de verschillende werken die voor de tentoonstelling bijeen zijn gebracht.

Opvallend zijn de fijne grafiettekeningen van de Iraanse Davood Koochaki, die onlangs zijn aangekocht door Het Dolhuys. In Z.T. (2010-2012) heeft hij misvormde, geïsoleerde wezens op papier gezet. Opgegroeid onder moeilijke omstandigheden, begint Koochaki op oudere leeftijd te tekenen. Door de demonen in zijn hoofd op papier te zetten probeert hij ze kwijt te raken. Het zijn broeierige, beklemmende beelden, die een intiem kijkje bieden in Koochaki’s psyche. 

Het werk sluit goed aan bij de ontroerende film Ontheemde Zielen (1995) die verderop in de zaal te zien is. Filmmaker Meral Üslü portretteert hierin drie schizofrene patiënten die proberen om te gaan met hun ziekte. Een van hen is de Turkse Fadime. Voortdurend hoort ze stemmen in haar hoofd. Djinns noemt Fadime ze – onzichtbare wezens, zoals beschreven in de Koran, die bezit kunnen nemen van mensen. Fadime sprong van een balkon om van ze af te komen, maar de djinns bleven. In 2013 zoekt Üslü haar weer op, Fadime woont dan in een instelling voor beschermd wonen. De djinns in haar hoofd zitten er nog steeds. Voorlezing uit de Koran zorgt ervoor dat de stemmen eventjes stil zijn; dan zien we haar gezicht ontspannen en lijkt ze voor een moment te kunnen ontsnappen aan haar demonen. Een korte vlucht uit haar dagelijkse realiteit, een manier om de ziekte draagbaar te maken.

De tentoonstelling eindigt met een videoinstallatie van Melanie Bonajo. In een kleine, halfdonkere kamer, gevuld met strobalen, wordt haar video Manimal (2012) vertoond. We zien boerderijstallen. Mannen in pakken staan, liggen en kruipen tussen de dieren. Ze aaien cavia’s, knuffelen geiten en zitten kalm tussen de struisvogels. Er klinkt lome, zoetgevooisde muziek. Het informatiebordje omschrijft de geportretteerde mannen als ‘managers die de verbinding met zichzelf en hun omgeving proberen te herstellen’. De zakenman, als symbool voor iemand die niet in contact staat met zijn gevoelsleven, tegenover de dieren die hun ons gevangen leven leiden. Hoewel het een wat makkelijk contrast is, pakt het subtiel uit. De film laat zien hoe de mannen aandachtig en behoedzaam toenadering zoeken tot de dieren. De presentatie lijkt de mannen oprecht eer aan te willen doen. De lieflijke muziek en de met stro bezaaide vloer in het kamertje maken cynisme hier ongepast. De installatie nodigt uit om zelf ook even te gaan liggen – het is niet erg, doe het maar.

Met Van God los? Je geest in balans biedt Het Dolhuys de bezoeker een gevarieerde en toegankelijke tentoonstelling. Zonder dat het een onsamenhangend geheel wordt, belicht de tentoonstelling het thema van meerdere kanten. Er is ruimte voor aangrijpende, heftige portretten, maar ook voor lichter, absurdistisch werk. Video’s, foto’s, tekeningen en installaties geven inzicht in de verschillende manieren waarop mensen hun psychische problemen trachten op te lossen en laten zien hoe bepalend culturele of religieuze achtergrond daarbij kan zijn. Vallen we terug op eeuwenoude rituelen of gaan we op zoek naar nieuwe behandelingen en medicijnen?

Melanie Bonajo, MANIMAL (2012)
Silvia B., LE NOCTURNE (2011) Foto: Aad Hoogendoorn

In de verwachting een tentoonstelling te treffen die de duistere rafelranden van onze maatschappij toont, loop ik Dark Matters binnen bij TENT. Het eerste wat opvalt is dat kleur ontbreekt. Het meeste werk is donker of grijs. Ik moet mijn verwachtingen bijstellen, deze grauwe atmosfeer weerspiegelt de geestesgesteldheid in onze, door crisis en maatschappelijke onrust geplaagde, samenleving. Toch is de aard van het werk zo verschillend dat niet alles onder een noemer te vangen is. Het werk van Marc Bijl is een onderzoek naar de iconografie van macht, opstand en revolutie. Het werk van Dirk van Lieshout engageert zich maatschappelijk door opstand vorm te geven in monumentale putdeksels en geluidsfragmenten.

Deze kunstenaars verschillen nogal met Mariëlle Buitendijk, die een fundamenteel beeldend onderzoek uitvoert. Buitendijk is bekend geworden met schilderijen van stadions die met een subtiele spraytechniek vervaardigd zijn. Op een bepaald moment begon zij maquettes te maken als basis voor haar schilderijen en nu hebben die maquettes zich zelfstandig ontwikkeld tot abstract werk. Het zijn 3D-grafieken van wiskundige reeksen die als sculpturen in de ruimte staan. Deze werken zijn wit waar met schaduwwerking een schilderkunstig effect wordt bereikt. Haar twee subtiel geschilderde paneeltjes ademen dezelfde geest, het is fascinerend te zien hoe dit werk zich verder zal ontwikkelen.

Een donker landschap op de tekening van Renie Spoelstra is een moment van stilstand en reflectie waarin niets lijkt te gebeuren, misschien is het onmogelijk dat hier ooit nog iets gebeurt. Ook de duistere atmosfeer in de werken van Sylvia B. is onontkoombaar. Naast verstilde foto’s van een circus bij nacht laat zij twee gemanipuleerde wezens zien die als circusfreaks tegelijkertijd afkeer en mededogen oproepen. Het geheel toont de situatie na sluitingstijd, als het theater is gestopt en het publiek verdwenen is. De naakte waarheid blijft over. Het zijn tragische beelden.

De foto’s van Fiona Weir bestaan uit statische situaties met zware schaduwen die weinig doortekening vertonen. In details tonen zich suggesties van een cultuur of een verhaal, maar de massieve schaduwen maken die mogelijke werelden irrelevant. Sandro Setola’s werk licht letterlijk op in een verduisterde ruimte. Zijn houtskooltekeningen van garages en ondergrondse ruimtes suggereren een wereld die vergaat, de nerveuze beweging in zijn video doet denken aan een onbestemde vlucht daar vandaan. De donkere wezens in glazen stolpen die Jeroen Kuster toont zouden een dergelijke wereld kunnen bewonen. De organismen zijn door de kunstenaar gecreëerd vanuit een fascinatie voor de manier waarop de anatomie van diverse levensvormen kan variëren.

Met de titel van de tentoonstelling Dark Matters en met de begeleidende tekst kun je alle kanten op en in de keuze van de kunstenaars hebben de samenstellers dat ook gedaan. Dieper inzicht in de maatschappij en zelfkennis heb ik niet opgedaan zoals de suggestie was. Ik twijfelde eerder aan mezelf door een inhoudelijk wisselvallig geheel waarin gelukkig nog werk oplicht uit een thematisch duister.

A quiet wedge

Noor Nuyten
Sarah van Sonsbeeck, MUNICIPALITY OF SILENCE (2013)

“Ze molesteren het hele bankje, echt waar”, hoor ik een vrouw tegen de bakker aan de Zeilstraat zeggen. Door het raam zie ik een gouden bankje staan, op de stoep van het goudkantoor. Op het bankje zitten twee meisjes heftig te krassen. Waarschijnlijk zijn ze in dit gouden bankje de namen van geheime liefdes aan het vereeuwigen. Deze meisjes waren niet de enigen; er staan veel namen in het bankje gekrast, onder andere E+N, kus, HoiSarah! XxxMec). Zodra je op het bankje gaat zitten zie je dat er een metalen bordje op de rugleuning is vastgeschroefd: Sarah van Sonsbeeck. Municipality Of Silence, 2013.

Municipality Of Silence is een van de negen kunstwerken die tijdens de tweede editie van Kunst aan de Schinkel te zien zijn in de Schinkelbuurt in Amsterdam Zuid. KadS is georganiseerd door Marisol Ferradás, oprichter van Soledad Senlle Art Foundation, in samenwerking met curator Christine van de Bergh. Waar KadS vorig jaar de schoonheid en historie van de Schinkelbuurt centraal zette, laten de curatoren dit jaar de kunstenaars op gecommercialiseerde drukke plekken werken met als opdracht: zoek een manier om de buurtbewoners opnieuw met elkaar te verbinden.

Het werk van van Sonsbeeck heeft eenzelfde rauwe kant als de Schinkelbuurt. Het gouden bankje verbroedert niet alleen. Het daagt toeschouwers ook uit. Wanneer ze brutaal genoeg zijn om daadwerkelijk in het 22 karaats goud te schrapen ontstaan er interessante situaties. Op deze manier laat van Sonsbeeck de toeschouwer een grote rol spelen; het kunstwerk wordt geactiveerd door er in te krassen.

Ik ga het zelf uitproberen. Ik pak mijn sleutels, draai me naar de leuning van het bankje toe en voel meteen ogen in mijn rug prikken. Ik hoor ze denken: “Wat doet dat meisje daar?” Zelf waan ik me even een egoïstische vandaal. Een gevoelig punt, want onlangs is er een kunstwerk in de openbare ruimte vernield in Amsterdam-Zuid. Buurtbewoners zijn daardoor extra alert. De alerte buurtbewoners die zwijgen lijken met de titel Municipality Of Silence door Van Sonsbeeck bekritiseerd te worden. Aan de ene kant is het gouden bankje een vrijbrief voor vandalisme: je mag het molesteren. Tegelijkertijd lijkt de titel kritiek te geven op bijvoorbeeld de zwijgzame vrouw bij de bakker die de in haar ogen vandalistische meisjes niet aansprak.

Verderop staat het werk The Hut – A Quiet Wedge (2013) van Sachi Miyachi op het drukste kruispunt van de Schinkelbuurt. Midden op de rotonde staat een hut, een oase van stilte, waarin iedere voorbijganger zich kan opladen. Net als bij Van Sonsbeeck is de toeschouwer degene die het werk voltooit. The Hut – A Quiet Wedge en Municipality Of Silence zijn beide kunstwerken die de buurtbewoners en bezoekers actief betrekken. Alleen vraag ik me af welke buurtbewoners actief betrokken worden. De vrouw bij de bakker heeft het kunstwerk van Van Sonsbeeck indirect ervaren, toch ben ik bang dat de schuwere buurtbewoner wordt vergeten. Wie weet heb ik het mis en is zelfs deze doelgroep in The Hut – A Quiet Wedge te vinden. Idealiter wordt de hut van Mayachi door de omwonenden toegeëigend en omgetoverd tot een sociëteit, waar zelfs de dakloze uit de buurt zich thuis voelt.

Sachi Miyachi, THE HUT - A QUIET WEDGE (2013)

Een genereus gebaar

Agnes Winter
Zoro Feigl, PRESSURIZING (2010)

Met sissende en pompende geluiden wordt van nietsvermoedende passanten de aandacht gevangen. De brandweerslangen van Zoro Feigl hangen in de entreehal en blazen zich langzaam op, waardoor ze vervaarlijk de ruimte vullen en de weg versperren. De iele constructie van Jimi Kleinbruinink, bestaande uit houten driehoeken bij elkaar gehouden door kunststofblokjes, werkt zich naar buiten op de gevel. Ze werken als een uitnodiging, die je verleidt om naar binnen te gaan.

Eenmaal binnen komen de visuele impulsen je tegemoet. De monumentale ruimte van het voormalig postkantoor aan de Munnekeholm in Groningen is voor All is Giving afgetimmerd met houten multiplex platen. Kunstenaars Ad de Jong en Esther de Graaf stelden de tentoonstelling samen met zo’n 100 werken van 45 hedendaagse Nederlandse kunstenaars. All is Giving is bepaald geen ‘white cube’ tentoonstelling. In plaats van een steriele ruimte te creëren, maken De Jong en De Graaf een levende ruimte die opnieuw deel moet uitmaken van de stad. Zo kun je in deze public art space ook een kopje koffie drinken, een boek lezen, of ’s avonds dineren tussen de kunstwerken.

In de tentoonstelling worden gevestigde namen, zoals Henk Visch, Gijs Frieling en Hendrik-Jan Hunneman, naast jonge, onbekendere kunstenaars zoals Maaike Knibbe, Gijs Deddens en Jimi Kleinbruinink getoond. De werken staan dicht op elkaar, waardoor je als bezoeker je best moet doen om goed te kijken (en op een onoplettend moment niet ergens over te struikelen). Hierbij krijgt de kijker weinig handreikingen, er zijn geen naambordjes, geen vaste route, geen uitleg. Terwijl de tentoonstelling hierdoor als minder toegankelijk kan worden ervaren, maakt dit het juist een ware ontdekkingstocht. Al dwalend van het ene naar het andere kunstwerk, word je uitgedaagd om zelf te oordelen en verbanden te leggen. All is Giving is vooral een oefening in het kijken, die puur om vorm en materiaal gaat.

Als je de ruimte binnenkomt word je al snel getroffen door het werk van Rik Meijers, Couple (2012). Een groot schilderij van een man met een gezicht als een masker en een woeste kop haar, die knielt voor een skelet, de Dood, die zijn hand op zijn hoofd legt. Het schilderij wordt omringd door kleinere lijstjes met polaroids die overgeschilderd en bewerkt zijn. Het lijken registraties van mysterieuze rituelen. Het ruwe oppervlak van het schilderij blijkt bij nadere inspectie vol te zitten met ongewone materialen, zoals veertjes die overgeschilderd zijn, bierdopjes, stukjes glas en – het griezeligst– nepnagels. Als een moderne sjamaan trekt Meijers ons naar dit duistere altaar, dat tegelijkertijd vol zit met levenskracht.

Even verderop heeft Jonas Ohlsson zich een hoek toegeëigend waar hij in een nachtelijke sessie, onder de titel Dutch Babbeling (2013), zijn gedachtenspinsels op de muur heeft gekalkt. Ohlsson doet hierbij niet zijn best om subtiel of bescheiden te zijn. Het is een kleurrijke en chaotische installatie van teksten, tekeningen en objecten, zoals we die van hem gewend zijn. Met een enerverende openhartigheid en zelfrelativering geeft Ohlsson een blik in zijn zielenroerselen en hij lijkt een gelukkig man. Hij is verliefd (op Ilga), is niet langer bang voor de dood (wat het leven ook wel een beetje saai maakt) en heeft deze september nog gezwommen in de Gaasperplas (bij 29 graden!). Als een protest op de kunst opgevat als unieke en schaarse handelsobjecten, creëert Ohlsson hier een uniek moment in de tijd, dat spontaan en niet reproduceerbaar is.

Zo in your face als het werk van Ohlsson is, zo fijnzinnig is het sculptuur van Esther de Graaf. Dunne metaaldraden worden bijeengehouden door stukjes zwarte tape. Ze vormen een minimale, architectonische constructie op een organisch ogende bodem van gips. Er schuilt een gevoeligheid en precisie in, die zeldzaam is. In een ruimte als deze, vol met andere kunstwerken, dreigt de fragiele constructie te verdwijnen voor je ogen. Werp je echter nog een blik, dan zie je het bouwsel des te krachtiger zijn plaats innemen. Uit veel werken in All is Giving spreekt een liefde voor handwerk, zoals de sculpturen van zwart wol van Karin van Dam die als zeemijnen aan het plafond hangen, het vrolijke vormenonderzoek in klei van Malyssa ten Hove en de surrogaat keien van papier-maché van Maaike Knibbe.

In deze tentoonstelling is weinig ruimte voor conceptuele werken. De curatoren lieten zich inspireren door schrijver Michael Paraskos, boegbeeld van de beweging ‘The New Aesthetics’. Paraskos gaat de strijd aan met het conceptualisme en pleit voor een nieuwe esthetiek waarbij de kunstenaar, en daarna de toeschouwer, de verbintenis aangaat met de fysieke, materiële wereld. In een tijd waar er van de kunstenaar verlangd wordt zijn bestaansrecht te verdedigen met sociaal-economische en maatschappelijke argumenten, leggen De Jong en De Graaf hun vertrouwen in het kunstwerk zelf en diens eigen zeggingskracht. All is Giving laat zien dat de kijker niet aan de hand hoeft worden genomen en het geeft de blik en het oordeel terug aan de kijker. Daarmee doet de tentoonstelling zijn titel eer aan, door een positief en genereus gebaar te maken naar de kunst en de bezoeker.

Rik Meijers, COUPLE (2012)
Levi van Veluw, HOLE (2013)

In 2007 besteedde Tubelight aandacht aan de veelbelovende kunstenaar Levi van Veluw. Dat hij nadien een interessante weg heeft gevolgd bewijst zijn nieuwste tentoonstelling The Collapse of Cohesion in Galerie Ron Mandos. Aan het begin van zijn carrière werd Van Veluw nog voornamelijk gezien als conceptueel fotograaf, maar zijn werk laat zich nu niet meer zo makkelijk vangen. Zijn ontwikkeling toont dat het ook voor een jonge kunstenaar mogelijk is om al vroeg een eigen artistiek universum te scheppen.

In eerdere werken zoals Landscapes, Veneer en Natural Transfers (2007 – 2010) maakte Van Veluw gebruik van inventieve conceptuele benaderingen. Zijn eigen gezicht werd een levend canvas, of als een landschap beplant met bomen om de rekbaarheid van de menselijke identiteit te onderzoeken. Nu, in The Collapse of Cohesion, toont hij een hele nieuwe esthetiek in zeven grote en twaalf kleine houtskooltekeningen, en twee zorgvuldig gebouwde installaties. Donker, soms monumentaal, maar altijd fijn van detail: de werken verraden Van Veluws voorkeur voor perfectie en doordachte vorm. De tekeningen tonen snapshots uit een toverachtige kosmos, waarin simpele objecten door natuurkrachten worden verzwolgen. Soms zijn die objecten wiskundig: kubusjes en knikkers stuiteren door het beeld alsof ze op tilt geslagen moleculen zijn. Op andere tekeningen ontwaar je kleine meubelstukken, stoeltjes en tafeltjes schijnbaar ontrukt uit zijn vroegere jongenskamer. Ook die blijken het voorwerp van een duistere chaos en worden spoedig verpulverd, overwoekerd of meegesleurd. Van Veluw gedraagt zich met zijn tekeningen als de architect van een eigen wereldorde die hij tegelijkertijd gecontroleerd laat instorten. De kunstenaar als schepper en vernietiger ineen.

“Ik begon met deze tekeningen alsof ze een soort blauwdrukken waren voor installaties, maar naarmate ik vorderde, begonnen ze steeds meer een wereld op zich te vormen. Met tekenen groeit het idee geleidelijk. Je kunt je ontdoen van alle realiteitszin waar de fotografie aan gebonden is en je hoeft niet voortdurend na te denkenof het wel echt allemaal kán wat er gebeurt”. De composities met hun rondvliegende deeltjes, zwarte gaten en openscheurende aardkorsten zijn spectaculair, maar het geweld wordt afgewisseld met stillevens die verbonden lijken met persoonlijke herinneringen en doen denken aan de geheime kamers van het onderbewuste. Zijn de beelden op te vatten als de uitdrukking van persoonlijke angsten en fantasmen? “Ik kan me herinneren dat ik een tijdlang als jongen dagdroomde over de vorm van een kubus. Als de perfecte kubus zou bestaan, dat leek mij het toppunt van orde, maar tegelijkertijd vertelde mijn vader dat de perfecte vorm in werkelijkheid niet kon bestaan, en dat zelfs de standaardmeter in Parijs nooit helemaal precies een meter is. Het idee dat geen enkele orde uiteindelijk te handhaven is, interesseerde mij heel erg”. Al wekken titels soms de indruk dat we met hoogdravende metafysica van doen hebben, Van Veluw blijft nuchter over zijn drijfveren en toont zich eerder ambachtsman dan filosoof. Zo is het volgens hem niet altijd te zeggen waar ideeën vandaan komen en bepalen de kunstenaarshanden hoe een idee zich uiteindelijklaat vormen tot iets nieuws. Het ontwikkelingsproces is van belang.

Bij de tentoonstelling is het boek The Origin of the Beginning verschenen, waarin naast het nieuwe werk wordt stilgestaan bij de ontwikkeling van de kunstenaar. Een vroeg retrospectief dus, dat in tegenstelling tot wat je verwacht begint bij het nu en teruggaat tot het begin. Over die vroegste periode zegt het boek, alsof het een disclaimer betreft: “the works of this period were produced impulsively without any predetermined concept”. Maar is dat eigenlijk zo? De wens lijkt de vader van de gedachte. Van Veluw lijkt beslist geen kunstenaar die op goed geluk begint, maar een systeembouwer ontwerpend met een uitgangspunt. Impulsief oogt het eerste werk dan ook niet. Wel waren de onderliggende ideeën toen wat eendimensionaler. Van Veluw goochelde graag met verwachtingspatronen en scheidslijnen tussen mens en vorm, zoals in Colours of in Landscapes (2008). Wat de ontwikkeling in het boek laat zien, is dat hij de balans tussen vorm en idee steeds meer is gaan beheersen. De concepten worden gelaagder: er blijft meer te raden over, wat voor de toeschouwer prettig is. Terugkomende elementen zorgen tegelijkertijd voor een herkenbaar, minutieus handschrift. Met de variëteit aan technieken bewijst hij bovendien dat hij zichzelf opnieuw kan uitvinden zonder de grote lijn uit het oog te verliezen.

De twee grote installaties die werden gebouwd voor deze tentoonstelling vormen opnieuw een wijziging van techniek en laten zien dat Van Veluw alles uit de kast haalt om zijn creatieve denkbeelden tot leven te brengen. Vooral Grid (2013) is de moeite waard: in de pikdonkere ruimte met de zacht verlichte sculptuur waan je je als toeschouwer even deelgenoot van de unieke microkosmos van de kunstenaar. Hier gelden uitsluitend nog de wetten van zijn verbeelding. Buiten de ruimte volgt weer het zachte ritme van de tekeningen.

Vanuit dat perspectief gaat The Collapse of Cohesion uiteindelijk niet alleen over orde en verval van wiskundige materie en boekenkasten, maar ook over de wijze waarop een kunstenaar zijn eigen creatieve universum overtuigend weet te scheppen en ons daarin geleidelijk weet onder te dompelen – zij het stukje bij beetje, of in termen van Van Veluw: blokje voor blokje.

Levi van Veluw, ROOM 1 (2013)

Vanitas vanitatum omnia vanitas: ijdelheid der ijdelheden. Op een negentiende-eeuws werk van grafisch kunstenaar en natuurkundige Thomas Bewick bezet dit spreekwoord uit het boek Prediker een verder anonieme grafsteen. Op een andere houtgravure van Bewick heeft de kunstenaar zijn eigen duimafdruk geplaatst. De merkwaardige afdruk, die eigenlijk nogal lomp over het afgebeelde landschap heen walst, laat zich lezen als een direct forensisch bewijs van de aanwezigheid van de kunstenaar in zijn werk. Tentoonstelling Mit Mokka nach Mekka, for Bruce cirkelt dan ook rond het thema van de artistieke zelfrepresentatie.

Toegegeven, ‘artistieke zelfrepresentatie’ is een behoorlijk brede noemer, een concept dat zo open is dat je er enorm veel verschillende soorten werk aan kunt koppelen. En dat is ook precies wat de tentoonstelling in Kunstverein doet: een erg heterogene groep kunstwerken samenbrengen vanuit een soort vermoeden dat er tussen de werken onderling een aantal discursieve verbanden zouden kunnen ontstaan. Of liever, dat die verbanden ontdekt zouden kunnen worden. De selectie aan werken is opmerkelijk: naast de houtgravures van Bewick telt Mit Mokka… een sculptuur van de Duitse beeldhouwer Meuser, foto’s die Brâncusi van zijn eigen beelden maakte en een collage die Christof Nüssli en Christoph Oeschger maakten van het politiedossier van fotograaf en activist Miklós Klaus Rózsa.

Bovendien bevat de tentoonstelling twee vitrinekasten met een waaier aan zeldzame uitgaven van allerlei avant-gardistische kunsttijdschriften. De modernistische sculpturen van Brâncusi, te zien op dia’s, zoeken dan weer explicieter aansluiting bij de andere werken. Het erg specifieke stijlidioom waarmee Brâncusi zijn eigen werken op foto vastlegde (in zijn eigen atelier of in situ, en vaak met een uitgesproken clair-obscur) onthult zijn visie op zijn eigen beeldhouwstukken; de foto’s zijn gelaagde documenten waarin de kunstenaar tegelijk auteur is van de werken en voor hun reproductie instaat. Op sommige foto’s ontwaar je op de gladde oppervlakten van zijn sculpturen een vervormd portret van Brancusi met zijn camera. Dichterbij de duimafdruk van Bewick komt geen enkel ander stuk in de tentoonstelling.

De Rózsa-collage van Nüssli en Oescher, samengesteld uit recent vrijgekomen documentatie van de politie – die de dissidente Rózsa jarenlang in de gaten hield – moet een onderdeel worden van het kunstenaarsboek over Rózsa waaraan Nüssli en Oeschger momenteel werken. Maar de drukkunst is natuurlijk vooral vertegenwoordigd in de vele kunstenaarstijdschriften die Mit Mokka… tentoonstelt. Deze oorspronkelijke stukken, van Andy Warhols blad Interview over magazines van L’internationale situationiste en CoBrA tot het Jan Cremer journaal, bieden stuk voor stuk zicht op hoe de kunstenaars zichzelf trachtten te profileren.

Er zijn tentoonstellingen die weinig meer doen dan een bestaand theoretisch discours uitbeelden, net zoals er ook tentoonstellingen zijn die een bepaalde discursieve status quo positief weten te problematiseren of uit te diepen. Mit Mokka… leunt dichter tegen de laatste categorie. De tentoonstelling laat zich lezen als een mini-essay in wording waarin de ideeën in essentie al vervat zitten, maar zonder dat ze scherp gearticuleerd worden. De conceptuele omlijning staat nog op losse schroeven; het geheel is zoals hierboven aangegeven enigszins slordig, maar wel op een intelligente en productieve manier. Hoe dan ook, je kunt stellen dat Mit Mokka… een belangwekkende selectie aan werken toont op een manier die uitdaagt tot het betere kijk- en denkwerk.

In Order of Pages

Barbara Collé

Wat zou ik graag met dit boek in mijn armen naar je toe rennen. En bij je aanbellen om je bepaalde spreads te laten zien. Ik zou niet eens vragen of het uitkomt dat ik langskom en thee of koffie hoef ik ook niet. Ik wil je alleen het boek laten zien. Ik trek mijn schoenen uit en dan gaan we naast elkaar zitten. Ik heb het boek op mijn schoot en ik blader er doorheen en zeg: ‘Kijken of je het ziet’. En natuurlijk zie je het. Maar wat zal je zeggen? Iets beschrijvends bijvoorbeeld: ‘O ja, heel associatief’. Of heb je meteen een oordeel: ‘Interessante beelden. Hé, Veronika Spierenburg die ken ik. Die zat op de Rietveld Academie, toch?’. Of: ‘Ik zie een Duchamp, een Mondriaan, een Hesse; wat is dit voor kunstboek?’.

Ik zal je dan de laatste pagina laten zien met de achtergrondinformatie van dit boek. En je vertellen over de kunstbibliotheek Sitterwerk in Sint Gallen in Zwitserland. Deze kunstbibliotheek met ongeveer 25.000 kunstboeken heeft een heel bijzonder opbergsysteem. Of misschien weet je dat al, misschien ben je er zelfs al eens geweest. Het is een bibliotheek waar je als bezoeker een boek zo maar ergens terug mag zetten. Er zijn geen planken met thema’s, geen nummering voor subthema’s. Je pakt een boek uit de kast en zet het terug op een plank waar nog wat ruimte is. Als je ooit in een boekwinkel of bibliotheek hebt gewerkt weet je dat mensen dat graag doen; een boek terugzetten op een andere plek. Waardoor iedereen zich later rot zoekt omdat het boek niet op zijn plek staat. Hier in Zwitserland hebben ze daar iets op bedacht. Ze werken met een systeem van radiogolven waardoor ze elk boek kunnen identificeren en traceren. Waar het ook staat.

Spierenburg pakte tien maanden lang boeken uit deze ongeordende boekenkasten. En uit al die boeken koos zij drieduizend pagina’s die ze inscande. Van die drieduizend pagina’s heeft zij in dit boek vijfhonderd pagina’s opgenomen. Zo is dit boek hier op mijn schoot ontstaan. ‘Hier, hou jij het maar even vast en blader maar, dan hou ik even mijn mond’.

Je zet je computer opzij en legt het zware boek voor je op tafel en begint bij pagina één. Dan kijk je me vragend aan terwijl je naar bladzijde vijftien en zeventien wijst. ‘Ja, goed gezien’. Op bladzijde vijftien staat twee keer het paginanummer ‘15’. Een keer op de pagina van het oorspronkelijke boek en een keer van dit boek. dat geldt voor alle pagina’s. Ten opzichte van het oorspronkelijk boek zijn ze op dezelfde plek gebleven, ze hebben alleen nieuwe buurpagina’s gekregen. En die nieuwe pagina combinaties die maken het boek zo intrigerend en spannend.

Want naast het concept van dit werk, die associatieve ordening van de Sitterwerk kunstbibliotheek, zit de kracht in de samenstelling van het boek. Het is gemaakt door een sterk sturende redactionele hand. Spierenburg heeft samen met grafisch ontwerper Simone Koller niet zomaar de oorspronkelijke pagina’s in Order of Pages naast elkaar gezet. Uit drieduizend pagina’s hebben ze er vijfhonderd gekozen, dat betekent dat elk paginanummer vele kandidaten heeft gehad. 2500 pagina’s hebben het niet gehaald. Spierenburg en Koller hebben dus bewust gekozen voor de beeldencombinaties die we hier voor ons zien. De nieuwe betekenisverbanden tussen de kunstwerken, materialen en vormen op de afbeeldingen hebben zij gelegd, en wij kunnen die ontdekken door zelf te kijken. Het is een overdracht van een poëtische associatieve manier van kijken.

Ik laat je rustig bladeren en geniet ondertussen van het kijken naar hoe jij kijkt. Kijken bij welke pagina’s je blik langer op de beelden blijft en bij welke je de onderschriften leest. Onderschriften in het Duits, Engels, Frans, Italiaans of Nederlands. Bij spread 118-119 zeg je dat je toch koffie gaat zetten. Je verdwijnt in de keuken. Ik ben een beetje teleurgesteld en hoop dat je terugkomt om verder te kijken. Ik ruik de koffie en hoor je melk kloppen. Dan stopt het geluid abrupt en je steekt je hoofd om de hoek van de deur: ‘Hoe weet je eigenlijk waar ik woon?’ Waarop ik antwoord: ‘Ik weet toch je coördinaten? Dan kan ik je toch vinden? Altijd, waar je ook bent. Dus kom terug om te kijken, gewoon kijken en verder zwijgen’.

Veronika Spierenburg
Kodoji Press, 2013 
ISBN: 9783037470527

Rituelen delen

Alexander Mayhew
Performance Eamonn Harnett, Foto: Gert Jan van Rooij

Op zijn negende verhuisde Eamonn Harnett met zijn ouders van Nederland naar Ierland. Het graafschap Kerry, waar zij zich in het dorpje Castlecove vestigden, is precies hoe je je het ‘land van heiligen en geleerden’ voorstelt: mistige bergen, middeleeuwse ruïnes, ijzige meren, schiereilanden en winderige stranden. Voor Harnett wakkerde het landschap zijn interesse in de natuur en in dieren aan. Hij bestudeerde er specifieke habitats, waar bepaalde dieren zich in bewegen en die ze nodig hebben om te overleven. Ook begon hij met zijn vaders camera foto’s van zichzelf in het Ierse landschap te maken.

In een omgeving waar tentoonstellingsruimtes schaars waren, vormde het internet Harnetts belangrijkste bron van informatie over fotografie. Hij zocht contact met door hem bewonderde fotografen voor het inwinnen van advies over zijn zelfportretten. Zo mocht hij de Oostenrijkse fotograaf en performancekunstenaar Gottfried Helnwein bezoeken in zijn Ierse kasteel. Helnweins expressieve werk wordt vaak als provocatief en controversieel bestempeld; verwonding, pijn en dood spelen een belangrijke rol. Harnett raakte gefascineerd door de wijze waarop Helnwein in zijn foto’s het menselijke lichaam aantast.

Een zelfde soort aantasting van het menselijke lichaam trof Harnett in het vroege werk van Desiree Dolron. Met name haar serie Exaltation, Images of Religion and Death (1991-1999) maakte indruk op hem. De serie toont religieuze rituelen uit India, Thailand, de Filippijnen en Marokko, waarbij het er niet zachtzinnig aan toegaat; metalen pinnen boren zich veelvuldig door wangen, oogleden en lippen. “Ik denk dat deze foto’s van Dolron aangeven welke mogelijkheid fotografie kan bieden om dicht bij een andere cultuur te komen, te reizen als het ware. Het was iets waar ik ook naar verlangde in die tijd. Ik wilde graag nieuwe ervaringen opdoen en ook de energie beleven die uit haar foto’s sprak”.

Op zijn zeventiende keerde Harnett terug naar Nederland en werd aangenomen aan de afdeling fotografie van de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag. De nadruk op documentaire en modefotografie beviel hem echter minder dan gedacht. Het voelde ongemakkelijk dat een groot deel van de opleiding eruit bestond andere mensen op de foto te zetten. Na een jaar KABK werd hem daarom geadviseerd zich bij de RietveldAcademie aan te melden. In het basisjaar raakte fotografie al snel op de achtergrond en kwam Harnett in aanraking met meerdere disciplines. Uiteindelijk koos hij voor de afdeling Beeldende Kunst, omdat die hem de vrijheid bood zich van alle disciplines te bedienen en deze met elkaar te verbinden.

Een belangrijk onderdeel van Harnetts huidige praktijk is het onderzoeken van levenspatronen binnen andere culturen, met name waar het culturen betreft die een sterke band met de natuur hebben. Net als Jackson Pollock raakte hij geïntrigeerd door de healing ceremonies en zandtekeningen van de Noord-Amerikaanse Navajo stam. “Voor Pollocks werk betekende de kennismaking met de Navajo cultuur dat de nadruk meer op het proces en minder op het eindproduct kwam te liggen en dat is iets wat mij bijzonder aanspreekt. In mijn performances is de toeschouwer letterlijk getuige van een maakproces, en ik maak intrinsiek onderdeel uit van het werk”.

In 2012 werd Harnett gevraagd als performer deel te nemen aan de tentoonstelling van Roger Hiorns in De Hallen Haarlem. Voor Hiorns is een sculptuur nooit een statisch object, maar altijd in beweging. Rituelen vormen een belangrijk thema in zijn werk. Harnett diende naakt plaats te nemen op objecten als vliegtuigmotoren, RVS keukentafels en stadsbankjes en deze te ‘activeren’ door er een vuurtje te ontsteken. Harnett wilde graag meemaken hoe het was om aan een dergelijk project deel te nemen. Het gaf hem de mogelijkheid te observeren wat er gebeurt tijdens een live-performance en welke choreografieën werken om zowel voor performer als toeschouwer een zo intens mogelijke beleving te creëren.

Inmiddels heeft hij de performance op meerdere plekken ter wereld uitgevoerd en kan hij als het gezicht/lichaam van het inmiddels iconische ‘jongen en vuur’-werk worden beschouwd. Harnett blijft er nuchter onder: “Het blijft het werk van Roger. Ik kan mijzelf daar makkelijk van loskoppelen. De betekenis van het werk heeft niets met mij persoonlijk te maken”.

Het werk van Hiorns zette Harnett aan zich nog meer te verdiepen in rituele en performatieve handelingen. Dit leidde afgelopen zomer tot een bijzonder eindexamenproject, waarmee Harnett zowel de Beeldende Kunst Prijs 2013 als de Gerrit Rietveld Academie Award voor ‘Beeldende Kunst’ won. In de tentoonstellingsruimte stond een grote ronde witte constructie met een overkapping van ongebleekt katoen, waarvan de ingang naar het zuiden was gericht. Binnenin trof men een kleine zwarte kooi, waarin een aantal op Navajo cultuur geïnspireerde keramieken potten waren geplaatst. Het rook er naar babyolie en waspoeder. Nadat het publiek in een kring om Harnett heen was gaan zitten, ontwikkelde zich gedurende een klein uur een intrigerend, praktisch ondefinieerbaar, mystiek ritueel waarbij hij de potten uit de kooi haalde, de kooi met babyolie insmeerde,zichzelf met water reinigde om vervolgens een minutieuze zandtekening te maken. “Het project is gebaseerd op symbolische structuren uit andere culturen, zoals de healing ceremonies van de Navajo indianen. De echte rituelen heb ik niet meegemaakt, maar ik kopieer delen ervan om ze op mijn eigen manier te ervaren en mijzelf en de toeschouwer getuige te maken van nieuwe gebeurtenissen die tot stand komen tijdens de performance. Door objecten en handelingen weg te halen uit hun gebruikelijke context, probeer ik een noodzakelijke ruimte voor nieuwe ervaringen te creëren”.

Performance Eamonn Harnett, Foto: Gert Jan van Rooij
Martin Laborde, SANS SERIF (2013)

De actrice Chloë Sevigny staat alleen op een strand, nogal verloren, het waait en de donkere wolken achter haar voorspellen weinig goeds. Op haar witte, basic T-shirt staat in een gotisch lettertype: ‘power through joy’. Ze straalt vreugde noch kracht uit terwijl ze de novelle Tonio Kröger, in 1901 geschreven voor de 25-jarige Thomas Mann, voordraagt.
Tonio Kröger is een bildungsverhaal waarin Mann het leven van Tonio, van jongen tot volwassene, beschrijft. Tonio wordt schrijver en voelt zich een noodgedwongen verstotene uit de realiteit. ‘Wil men als kunstenaar echt scheppen, dan moet men bereid zijn elke dag een beetje te sterven’, zegt Tonio.
Deze video, The Laurel Tree (Beach) van Slater Bradley uit 2000, was onderdeel van de tentoonstelling Public Display of Affection die begin dit jaar te zien was bij de kleine, relatief nieuwe Amsterdamse kunstruimte rongwrong die gerund wordt door Arnisa Zeqo en Antonia Carrara. Het hele jaar staat het programma Metaphysics of Youth in het teken van jeugd en de verschillende representaties ervan in de kunst. Dit programma richt zich niet zozeer op de jeugd als een tijd die voorbij is, of die onherroepelijk voorbijgaat, maar eerder op de jeugd als een periode die drager is van energie, energie die vaak implodeert. Metaphysics of Youth is vernoemd naar de gelijknamige tekst van Walter Benjamin die hij honderd jaar geleden schreef, als activistische twintiger die het woord als wapen inzette tegen conformisme, homogeniteit en gentrificatie.
Benjamin bespreekt verschillende thema’s die raken aan de jeugd. Zo komen het gesprek, het dagboek, een bal en dromen aan bod. Het meest treffend is zijn beschrijving van de adolescentie als een hopeloos serieuze periode in het leven (manifest in menig tienerdagboek), als het moment waarop de ongebreidelde tijd en het gevoel van onsterfelijkheid van de kindertijd langzaam en pijnlijk plaats moeten maken voor het “besef van de dood die achter elke dag schuilt, die zich manifesteert in de kleinste dingen.” Op een goed feest kunnen we dat gevoel van tijd zonder grenzen, die ongekende vrijheid van een ik zonder de dood, soms herwinnen. Op zo’n moment speelt het dan even geen rol dat “in all of us there is something monstrous to keep quiet about.” 
Tot en met 3 november was bij rongwrong de tentoonstelling And How Are You Otherwise? in de Metaphysics of Youth-serie te zien. De expositie werd samen met Hendrik Folkerts gecureerd en toont werk van Ulises Carrión, Olivia Dunbar, Martin Laborde, Adrian Piper en Taocheng Wang. Ging Public Display of Affection over het moment in de jeugd waarop de ontdekking van seksualiteit en de ontdekking van kunst samen kunnen vallen en de kracht die van die dubbelontdekking uit kan gaan, dan gaat And How Are You Otherwise? eerder over zelfbewustheid en jeugdige onwennigheid met vaststaande sociale codes. Om met Dunbar te spreken: “when u don’t even know / if u know / what the fuck is going on”.

Het werk van de vijf kunstenaars in And How Are You Otherwise? is uiteenlopend in termen van materiaalgebruik en praktijken, en bestrijkt ook verschillende continenten en generaties. Carrión was een schrijver en maker van befaamde kunstenaarsboeken die zich in 1972 in Amsterdam vestigde. Hij was betrokken bij de ruimte In- Out Center (1972-1975) die body art, video- en performancekunst toonde en later bij Other Books and So (1975-1978), een galerie voor kunstenaarsboeken. Het belang voor en de bijdrage van Carrión aan het kunstklimaat in Amsterdam, de aantrekkingskracht die zijn figuur en zijn initiatieven hadden op internationale kunstenaars, worden vaak onderschat.
Van Carrión toont rongwrong het werk Gossip, Scandal and Good Manners (1981) uit de collectie van de Appel arts centre. De installatie bestaat uit een drie kwartier durende video, boeken, artikelen en een geprinte tekst aan de wand over het project. Zoals de titel al suggereert, gaat het project over roddelen, geruchten en schandalen. Carrión probeert in dit werk roddelen te ontleden op een formele en objectieve manier als tegenhanger voor het extreem informele en subjectieve karakter van roddelen. Zo wordt het concept van roddelen door hem geïllustreerd met diagrammen en pijlen, bevraagt hij experts, voert hij antropologen en sociologen op, ensceneert hij voorbeelden en plaatst deze naast scènes uit film en opera. Ook vroeg Carrión aan een groep mensen om roddels over hem te verspreiden en interviewde hen daarna over hun ervaringen met dit soort georganiseerde geruchten. Uit de reacties van de deelnemers blijkt hoe moeilijk de opdracht was en hoe vervelend zij het vonden om doelbewust te roddelen: het wilde niet echt lukken om de roddel te berde te brengen; men vergat te roddelen, of de roddel stuitte op weinig opzienbaren en stierf een onmiddellijke dood. Zo’n omvangrijk project over en een studie naar roddelen past perfect in een tentoonstelling over sociale codes en jeugd.
De jonge Canadese Olivia Dunbar is ook zo’n kunstenaar die heel goed past in deze zoektocht naar jeugdige energie en het imploderen daarvan. Dunbar woont en werkt momenteel in Rotterdam. De naam van haar website www.slutwreck.com liegt er niet om: een wrak van een slet in letterlijke zin, maar ook een lopende ramp in meer figuurlijke zin. Haar werken zijn een soort mash-ups, waarbij een zielig kijkend meisje dat haar pony kwijt is samen wordt gephotoshopt met reclame voor frisse komkommer-oogkompressen, een plastic tas met ‘See the world‘-opschrift en hele ronde, sexy gestringde megabillen. Over die duizelingwekkende collages print ze tekst, of in het geval van video’s rolt er muziek en tekst over het beeld. Haar teksten zijn een soort poëtische rants: “The activity / is tragedy / a subtle / improvisation / of misery.” (A Nervous Wreck, 2013). De verwarring, al dan niet de morele verwarring van de jeugd, is in haar werk acuut voelbaar: “Mom I’d like to fuck my dad” leest een van haar tekstwerken. Bij rongwrong toont ze ook zo’n tekstwerk. Op een A3-poster lijkt in citroensap (dat zichtbaar wordt wanneer het warm wordt gemaakt, een veelgebruikte techniek van tienermeisjes bij het schrijven van geheime briefjes) te zijn geschreven: “Guess I could try. Guess I got lost. Guess I don’t know enough. Guess I know girls. Guess I know awful dreams. A haunting thing every fucking second”. (A Haunting Thing, 2013).

Ook tekstueel maar minder hard en kwetsbaarder is het werk Decide Who You Are: Texts (1992) van Adrian Piper: een eenvoudig opengeslagen boek met een gedicht over verlangen, het eeuwige en onbeantwoorde verlangen compleet te zijn, compleet te worden. Piper is filosoof, conceptueel kunstenaar en performancekunstenaar die confrontaties ook zeker niet uit de weg gaat en politiek beladen werken maakt rondom vooroordelen en aannames. Haar werk doet de kijker vaak ongemakkelijk voelen. In de jaren 70 verkleedde ze zich bijvoorbeeld als een Afrikaans-Amerikaanse man en ging zo de straat op om stereotypen rond ras, klasse en gender aan te kaarten. Decide Who You Are is een volwassen werk: precies, zorgvuldig en met gekanaliseerde energie die niet implodeert. Maar het onderwerp van het werk, de zoektocht naar en de wil om te vinden wie je bent, zijn acuut voelbaar tijdens de adolescentie en zeker niet voorbehouden aan het volwassen zijn.
Ruimtelijker, sculpturaler maar ook balancerend tussen jeugdigheid en volwassenheid is het werk Sans Serif (2013) van de jonge Franse kunstenaar Martin Laborde. Van hem zijn drie polyurethaanschuim afgietsels van naakte onderkanten van mannen door de ruimte verspreid. Twee staan er boven bij het raam, eentje toont zijn afgegoten klokkenspel aan de buitenwereld. De derde ligt onderaan het kleine trapje op zijn zijkant met de billen naar ons toe. Laborde maakte deze werken tijdens zijn residentie bij Wiels in Brussel, waar hij ook andere werken maakte die de beeldhouwkunst als uitgangspunt nemen, maar het aloude medium ook een hak zetten. Hij is daarnaast actief bij het online platform Le Salon dat op de Brusselse kunstscene reflecteert via tekst, presentatie en documentatie. Zijn naakte halfmannen staan er in rongwrong wat verloren bij, als onzekere tieners op een feestje, maar hun lichaam is dat van een volwassen man en hun openlijke seksualiteit is alles behalve onzeker. Zo zonder torso, armen en hoofd zijn het toch een beetje fysiek geworden seksgedachten.
In de kleine kelderruimte van rongwrong is de video Reflection Paper n.1 (2013) van de Chinese Taocheng Wang te zien. De video is een vrije associatie op het werk van de Chinese auteur Eileen Chang, die in het westen misschien wel het meest bekend is vanwege Ang Lee’s verfilming van haar novelle Lust, Caution. Chang schreef met name over de liefde tussen mannen en vrouwen en de mogelijke spanningen en teleurstellingen van het huwelijk (haar ouders hadden een ongelukkig huwelijk dat eindigde in een scheiding en zelf was ze ook meerdere keren getrouwd). Wang neemt als uitgangspunt voor haar video een tekst van Chang over de verhouding tussen individu en buitenwereld en de sociale codes die daarin bemiddelen (Chang leefde zelf aan het einde van haar leven steeds meer afgezonderd. Zo werd ze pas vier dagen na haar dood gevonden).
Wang brengt in haar video abjecte en alledaagse beelden samen: een hand in een plastic schoonmaakhandschoen wriemelt en wroet bijvoorbeeld in een slijmerige massa die het midden houdt tussen een kwal, een inktvis en zacht gemaakte plasticine, of goud geschilderde eieren worden zachtjes op elkaar gegooid waardoor ze soms wel, soms niet breken in een steeds geler wordende slijmsmurrie. De versnelde voice-over vergroot het absurdistische en vervreemdende karakter van de video.
De keuze voor de jeugd als leidraad voor een jaarprogramma is sterk om verschillende redenen. We verlangen naar en idealiseren de vrijheid, ongebondenheid, zorgeloosheid, schoonheid, seksualiteit van de jeugd: “Forever young, I wanna be, forever young” zong Alphaville in 1984, we spreken bij mensen die een bepaalde vrijheid herwinnen (seksueel, relationeel, in termen van werk) van een tweede jeugd en we verzuchten dat als je tijdens je jeugd maar wist wat daarna zou komen, je er meer van zou hebben genoten. Maar we vergeten dan de verwarring, de onzekerheid, de lethargie, de wreedheid die ook kenmerkend zijn voor deze tijd. Hoe het ook zij, de jeugd is de periode in het leven waarin je als mens vorm krijgt, waarin je de afstanden tot de wereld meet en dingen doet die daarna onmogelijk zullen lijken. Er is ook een stevige en zeer interessante connectie tussen de jeugd en het kunstenaarschap.
Edzard Mik schreef daarover in 2008 toen hij voor het NRC Handelsblad de performance Immovably Centred van Arnoud Holleman bij de Appel arts centre recenseerde. Mik beschrijft het drama van de volwassenwording waarbij we ons moeten overgeven aan “een door de samenleving gesanctioneerde waan en de illusie moeten opgeven om ooit nog met de werkelijkheid in contact te komen.” Rouw over dit proces vindt plaats tijdens de jeugd en het kunstenaarschap laat zich volgens Mik dan ook “opvatten als een voortgezette adolescentie”, waarbij de kunstenaar de rouw over het verlies aan werkelijkheid thematiseert: “Hij komt in opstand tegen de afstand die we tot de werkelijkheid ervaren, hij stelt zijn eigen, definitieve vorm zoveel mogelijk uit en cultiveert het onaffe, het voorlopige, in de hoop dat hij zijn handen zo vrijhoudt om ooit een vorm te vinden die op de een of andere manier met de werkelijkheid samenvalt.”

Dat zoeken naar een vorm die correspondeert met de werkelijkheid is heel sterk aanwezig in de werken die te zien zijn in rongwrong. De frictie, de pijn, het gevoel van verlorenheid dat gepaard gaat met het niet vinden van die vorm, ook. Kunst blijkt voor de kunstenaars, maar ook voor de bezoekers, toch steeds de beste remedie bij tegenslagen. Want de invulling die de curatoren in hun programma van tentoonstellingen en andere activiteiten geven aan het thema van de metafysica van de jeugd mag dan verrassend, soms wat wild en onnavolgbaar zijn, steeds kom je buiten met hernieuwde en opgefriste herinneringen aan de jeugd, een dieper besef van aspecten van de adolescentie en steeds die elkaar bevechtende emoties van opluchting dat die verwarrende, zoekende tijd voorbij is en verlangen om toch, nog even, weer opnieuw, jong te zijn.

Ons verloren land

George Vermij
Péter Forgács, SLUIMEREND VUUR (2013) Met dank aan: EYE

Péter Forgács’ werk is onlosmakelijk verbonden met de geschiedenis. In zijn films en installaties komen het verleden en de verschillende manieren waarop een tijdsgewricht wordt vastgelegd terug. Dat kan zijn in de vorm van familie- of amateurfilms, maar ook als archiefbeelden, foto’s en dagboeken. Door die elementen via montage aan elkaar te verbinden, creëert Forgács keer op keer spanning. Die kan ontstaan door tegenstrijdige verhaallijnen die opeens worden samengevoegd, zoals in zijn film The Danube Exodus (1998). Samengesteld uit amateurfilmbeelden van een Hongaarse kapitein die met zijn boot Joodse vluchtelingen uit Europa vervoerde en tijdens de oorlog hetzelfde deed met etnische Duitsers uit Oost-Europa. Ondanks de zware en beladen thema’s die in zijn films sluimeren, heeft Forgács’ werk een sterke en onmiskenbaar sensuele kracht. Dit komt vooral door de vluchtigheid en ongrijpbaarheid van de beelden die hij kiest en bewerkt. Dit zijn kwetsbare relikwieën van een verloren tijd die plotseling tastbaar worden. Je ervaart het in onverwachte freeze frames, wanneer iemand recht in de camera kijkt. De band met de toeschouwer wordt op die momenten, ondanks de onoverbrugbaarheid van de tijd, verzegeld.

In 2007 organiseerde het toenmalige Filmmuseum – dan nog gesitueerd in het Vondelpark – een retrospectief van Forgács’ films. Het was een unieke kans om de veelzijdigheid, maar ook de stilistische en thematische constanten in zijn oeuvre te ontdekken. Forgács is zich daarna meer gaan richten op grote filminstallaties. Zo vertegenwoordigde hij in 2009 Hongarije op de Biënnale van Venetië met het indrukwekkende en gelaagde Col Tempo, een filminstallatie die deels was samengesteld uit het materiaal van een Nazi-antropoloog die filmportretten maakte van verschillende ‘rassen’.

Voor de tentoonstelling Sluimerend vuur in EYE focust Forgács op het Nederlandse koloniale verleden. Hij kon putten uit een grote verzameling amateurfilms en brieven uit Nederlands-Indië uit de periode 1900 tot 1940. Het materiaal is verwerkt in een tiental filminstallaties die een bepaald aspect of perspectief tonen uit die koloniale tijd. Geschiedenis is natuurlijk een complex fenomeen, opgebouwd uit meerdere stemmen en verschillende perspectieven die vaak in een ongelijke relatie tot elkaar staan. Er zijn de officiële versies en de voorgeschreven verhalen. Het materiaal dat Forgács tot zijn beschikking had, zou je daarom op het eerste gezicht eenzijdig kunnen noemen. De amateurfilms uit Nederlands-Indië konden alleen worden geschoten door welgestelde Nederlanders. Zij houden de lens vooral gericht op zichzelf. In bepaalde gevallen wordt het exotische en vreemde vastgelegd of de on-Nederlandse schoonheid van de gordel van smaragd. Maar dat neemt niet weg dat de films onbedoeld en onbewust andere verhalen vertellen. De spanning wordt versterkt door Forgács’ keuze en bewerking van de beelden. Een geluidsband voorziet bepaalde installaties van muziek en monologen samengesteld uit fragmenten van brieven. Soms is er een duidelijke relatie tussen beeld en geluid, zoals bij de installatie Gelukbrengende lente over het gemengde huwelijk tussen een Chinese geoloog en een Nederlandse vrouw. De brieven tonen de culturele barrières die ondanks de liefde altijd een rol spelen, ook al tonen de beelden de gelukkige momenten van het gezinsleven.

In andere gevallen is het verband tussen de filmbeelden en de monologen associatiever. Zoals in het intrigerende Ik heb mijn ziel volledig blootgelegd – Echo, waarin een Indische vrouw praat over haar seksuele ervaringen en hoe het is om tussen twee culturen te zweven. Dit alles wordt aangevuld met een prachtige selectie beelden die weer zweven tussen koloniale nostalgie en romantische weemoed.

Het verleden is, zoals de Britse schrijver J.B.Priestley ooit zei, ‘a foreign country’. Sluimerend vuur weet een ruimte te creëren waar je op kunt gaan in dat vreemde land waar eens de Nederlandse driekleur werd gehesen. De ervaring van de toeschouwer leidt echter niet tot vervreemding, zoals zo vaak gebeurt in confrontaties met een wereld die wij niet kennen. De kracht van Forgács’ installaties is vooral dat hij een empathie weet te bewerkstelligen met mensen uit een andere plaats en tijd, zonder dat je vergeet dat er naast de beelden meer zaken meespelen.

Uiteindelijk is Sluimerend vuur zeer geslaagd als een manier om een filmarchief toegankelijk en zichtbaar te maken omdat er sprake is van een belangrijke meerwaarde die ontstaat door de combinaties en subtiele bewerkingen van Forgács. De tentoonstelling biedt daarnaast een blauwdruk voor hoe EYE in de toekomst zijn unieke collectie kan presenteren vanuit de artistieke visie van een beeldend kunstenaar of filmmaker.

Péter Forgács, SLUIMEREND VUUR (2013) Met dank aan: EYE
Hassan Khan, DENSITY STUDIES (2013)

In rode letters van plexiglas staat zwierig geschreven: The ammunition of the nation, ofwel: De munitie van de natie. De sculptuur is één van de zes tentoongestelde werken van de Egyptische kunstenaar Hassan Khan in galerie Wilfried Lentz te Rotterdam. Het geëngageerde statement en het gebruik van verbindende letters – zoals we dat kennen uit bijvoorbeeld het Arabische schrift – doen vermoeden dat we te maken hebben een politiek-maatschappelijk getint oeuvre, maar dat blijkt niet juist. De presentatie toont het werk van een conceptuele denker die de werking tussen referentie en beeldvorming belangrijker acht dan de eventuele politieke boodschap.

Khan maakt sculpturen, videoinstallaties en geluidswerken, daarnaast fotografeert hij en schrijft hij essays. Hoewel niet al deze terreinen in deze tentoonstelling zijn vertegenwoordigd, geeft de presentatie toch een aardig beeld van Khans veelzijdigheid. De titel van de tentoonstelling verwijst bijvoorbeeld naar een installatie van een foto van een bankschroef, waartussen houten plaatjes van verschillende diktes zijn geklemd. De foto is voor deze tentoonstelling in een houten tafeltje gemonteerd. 

Een totaal ander werk staat ernaast opgesteld: De zwart-wit, digitale animatiefilm Diagrams n. 1 – 6, 2007 toont gestippelde patronen van onder andere cirkels die op hypnotiserende wijze in elkaar overvloeien. De animatie is het resultaat van een onderzoek naar het omzetten van dromen in verschillende visuele vormen door middel van formules. Dan, in het midden van de ruimte, ondersteunt een massieve staaf van gevlochten ijzer het dak van de galerie, vanaf de vloer tot aan het plafond (The Twist, 2012). De ijzeren staaf lijkt te splijten onder het gewicht van het plafond, of toont in ieder geval een ontwrichte knoop op oog-hoogte. 

Verder is er een selectie foto’s te zien uit de vijftigdelige serie Lust (2008). Het zijn snapshots van onder andere een boom in een park of de achterkant van een mannenhoofd. De bijna eenvoudige foto’s zijn genomen met een mobiele telefoon. Wat Khan zo bevalt aan deze wijze van fotograferen, is dat hij op deze manier de dingen en mensen om hem heen kan vastleggen met dezelfde vluchtigheid van de relatie tussen het subject en de omgeving. Deze fijngevoeligheid ten opzichte van het medium fotografie maakt de snapshots meteen minder banaal, en Khan ook minder gevoelloos tegenover mediumspecifieke eigenschappen dan zijn veelzijdige werkwijze aanvankelijk doet vermoeden. 

Het meest recente werk is de geluidloze film Studies For Structuralist Film n. 2 uit 2013, met portretten van mensen die op een stoel zitten in een witte ruimte. De geportretteerden kijken recht in de camera, en hun blik volgt de roterende beweging van de camera om hen heen. Wat je niet hoort, is dat de personen om een persoonlijke herinnering wordt gevraagd. Alleen op die momenten verliezen zij het contact met de camera, om deze vervolgens weer te hervatten. Door de klassieke cameratechniek blijf je kijken, maar wie de personen zijn, blijft onbeantwoord. Mist de kunstenaar hier opzettelijk de essentie van een portret?

Khan is een kunstenaar die blijft fascineren. Verwijzingen in zijn werk – zoals naar de portretkunst – zijn niet eenduidig, waarmee hij ons met goede bedoelingen op het verkeerde been zet. Het is een spel tussen duiden en verwarren. Ammunition of the nation verwijst bijvoorbeeld enerzijds naar kogels voor vuurwapens, maar ammunition is tegelijkertijd te vertalen als ‘overwegingen om een stelling te bekrachtigen in een debat’. 

Density, de foto van samengeperste plankjes hout, gaat over materialiteit en het meten van een dichtheid, of zou kunnen verwijzen naar een geo-maatschappelijke context. En Diagrams n. 1 – 6, met het wiskundig schouwspel van logaritmen in de vorm van een animatiefilm, bestaat uit de tegenstelling tussen een rigide formule en de absurditeit van dromen. Door de wisselwerking tussen these en antithese zijn we gedwongen na te denken over onze eigen referentiekaders. Met als bijkomstigheid dat zijn werk niet in één oogopslag te begrijpen is. De tentoonstelling is daarom een uitdaging voor de geoefende kijker en een raadsel voor de minder geïnformeerde voorbijganger. Maar de laatste zal niet snel de galerie binnenlopen. Met huisnummer Unit C 1.140 blijft Wilfried Lentz een van de het best verborgen plekken van Rotterdam.

Hassan Khan, DENSITY (2011)
Hassan Khan, DIAGRAMS N. 1 - 6 (2007)
Hassan Khan, THE AMMUNITION OF THE NATION (2011)