Masha Ru

Sietske Roorda

Het zijn schattige ronde bakjes, die ik mee naar huis heb genomen. Als ik ze uit het kartonnen doosje haal is de ene roze met een wit randje aan de bovenkant, de ander lichtbruin van kleur. Ik had me kunnen voorstellen dat er een eitje, ijsbolletje of mini-muffin in de bakjes zou zitten. Maar daar zijn de keramische bakjes net te fragiel voor. Er zou zomaar een stukje van de bovenkant kunnen afbreken.

Dat is bij deze bakjes eigenlijk de bedoeling. Als ik mijn vriend vraag of ik een stukje voor hem zal afbreken om te proeven gruwelt hij van het idee. Voor hem zijn de bakjes als een pop in een horrorfilm; iets wat in eerste instantie lief en onschuldig lijkt, krijgt opeens een griezelige kant. Vreemd, want een paar uur eerder had ik op de Rijksakademie bij het werk eat*a*ble (2013) van Masha Ru niet met weerzin, maar juist vol nieuwsgierigheid aan scherven geknabbeld. Ru’s assistent begeleidde deze keramische proeverij en raadde mij aan eerst de witte scherf te proberen, omdat die klei zachter is, en vervolgens het keramiek van rode en bruine klei te proberen. Het voelde alsof ik op een wijnproeverij was.

Op de plankjes in de hoek van Ru’s kamer stonden alle keramische bakjes opgesteld, met kaartjes die vermeldden op welke temperatuur de bakjes zijn gebakken. Niet alleen de kleisoort bepaalt smaak, hardheid en textuur, ook de temperatuur speelt een rol, vertelde de assistent. En zoals het een proeverij betaamt kan dat wat gesmaakt heeft ook mee naar huis genomen worden. Misschien dat de winkelopstelling mijn houding heeft beïnvloed, waardoor ik het eten van keramiek niet als heel vreemd ervoer, maar eerder als verfijnd. Ergens voel ik mij aangetrokken door deze eetgewoonte. Een rare gewoonte lijkt zo menselijk.

In haar eerdere werk Pica (2012) deed Ru al onderzoek naar rare eetgewoonten. Hierin lag de focus op het eten van niet-voedzame dingen als parfum, ijsblokjes, bloemen, nagels en klei. Dit soort eetgewoontes beoefenen mensen meestal instinctief en in het geheim, en ze halen er genoegen uit. ‘Pica’ is de medische term voor deze behoefte. Voor Ru’s gelijknamige fotoserie zijn personen met hun vreemde neigingen kleurrijk en vrolijk geportretteerd in hun huiselijke omgeving. Ergens vind ik het fijn en geruststellend dat Ru niet oordeelt.

Aan het eten van klei, zoals de bakjes van Ru, kleven meerdere aspecten. Bij het proeven vertelt de assistent dat dit project wonderen heeft gedaan voor haar vingernagels, die mooi lang en sterk zijn geworden van de calcium in de klei. Het komt terug in de eveneens vertoonde film die Ru over klei-eten heeft gemaakt, waar een importeur van klei vertelt dat dit haar vingernagel heeft gered. De huisarts zou deze anders hebben verwijderd. Daarnaast laat Ru in de film het sociale aspect van klei-eten zien. Waar de ene persoon resoluut het aanbod een bakje te eten afwijst, fungeert het bij de ander als een gezellige aangelegenheid, vergelijkbaar met borrelen.

In de film vertelt een Afrikaanse man hoe sterk klei-eten gebonden is aan cultuur. In het Westen wordt het gezien als een geestesziekte, maar in sommige Afrikaanse landen is het normaal vanwege de mineralen die in de klei zitten. Toch wordt ook in het Westen de helende werking van klei erkend. De klei waarvan de bakjes zijn gemaakt, is dezelfde klei die gebruikt wordt voor gezichtsmaskers bij schoonheidsbehandelingen.

Zou het eten van klei kunnen uitgroeien tot een hype? Een subcultuur waarbinnen klei-eten ‘normaal’ en geaccepteerd is? eat*a*ble laat zien dat het mogelijk is de grens tussen normaal en niet-normaal te doorbreken. Misschien dat klei-eten toch zijn plek kan veroveren als we over een paar culturele barrières heenstappen. Voor mij persoonlijk blijkt de ervaring van keramiek eten echter eenmalig. De bakjes zijn nog onaangeraakt.

Eric Giraudet de Boudemange

Judith Spijksma
Eric Giraudet de Boudemange, EXPERIMENTS ON BIRD ORIENTATION AND THEIR INTERPRETATION (2013)

In de ruimte staan, massief houten kubussen op elkaar gestapeld. Het zijn doelwitten voor een potje speerwerpen. Voor de duur van The Thorn Birds (2013), een conferentie over duivensport, doen ze dienst als zitplaatsen. Zittend op een van de dartblokken worden de bezoekers door Eric Giraudet de Boudemange meegenomen in een verhaal dat begint als een etnografische inleiding in de duivensport en uitmondt in de vrijlating van een ten dode opgeschreven duif. Giraudet de Boudemange vertelt over Freddy Vallin, een duivenhouder uit Frankrijk die een groot deel van zijn leven besteed aan de duivensport.

Giraudet de Boudemange kreeg zes zogenaamde death row pigeons van Vallin: niet snel genoeg, een veer te weinig of te dik en dus beter geschikt op een bord. De kunstenaar gaf ze namen naar de slachtoffers van John Wayne Gacy, de beruchte Amerikaanse seriemoordenaar. De toeschouwers worden verzocht een minuut stil te zijn voor deze ‘slachtoffers’ terwijl we kijken naar een foto van Blanco, de eerste duif van Vallin. Na dit stiltemoment haalt de kunstenaar een van de death row pigeons tevoorschijn en laat zien hoe de voorbereidingen op een wedstrijd in zijn werk gaan. Het publiek krijgt ruimschoots de gelegenheid de duif geluk te wensen met een kus op het voorhoofd voordat hij wordt teruggeplaatst in zijn kooi.

De lezing van de kunstenaar gaat langzaam over in een mythologisch verhaal waarin het labyrint en de zon een belangrijke plek innemen. Giraudet de Boudemange vertelt over Theseus die dankzij de draad van Ariadne zijn weg terug vond uit een labyrint en over Icarus die door te dicht bij de zon te vliegen in zee stortte. Ondertussen worden de toeschouwers omwikkeld door een elastiek waarmee het labyrint en de draad van Ariadne gesymboliseerd worden.

Experiments on bird orientation and their interpretation (2013) is de titel van de presentatie in de studio van de kunstenaar waar de performance een onderdeel van is. De titel is afgeleid van een artikel van Gustav Kramer, een Duitse vogelkenner die Giraudet de Boudemange aanhaalt in zijn performance. De tekst is in de ruimte opgehangen. Kramer deed onderzoek naar de oriëntatie van vogels en kwam tragisch teneinde tijdens een klim door de bergen op zoek naar de rotsduif. Uit de tekst blijkt dat de zon een belangrijke rol speelt in de oriëntatie van vogels, het fungeert als een soort kompas. Het is een van de factoren die een rol speelt in het feit dat een duif altijd terug naar huis weet te navigeren. Voor Icarus betekent de zon echter het einde. Voor de death row pigeons eigenlijk ook.

Giraudet de Boudemange is duidelijk thuis in de tradities van sport en spel. Vorig jaar toonde hij een installatie gebaseerd op een spel dat veel gespeeld werd door gepensioneerde koolmijnwerkers in Frankrijk. Ook nu is datzelfde spel onderdeel van de presentatie. De pijlen zijn vergelijkbaar met de materialen die kolenmijnwerkers gebruikten om gaten in de muur te boren om plaats te maken voor dynamiet. De gevederde pijlen associëren losjes met de vogels in het referaat van de kunstenaar. Een video toont een ander perspectief op het fierljeppen. Van oudsher een manier om de Friese slootjes te trotseren en van het ene stuk land naar het andere over te springen. Giraudet de Boudemange filmde een stel fierljeppende jongemannen. Een camera die bevestigd was aan de top van de paal registreert de bewegingen van de jongens van de ene kant naar de andere kant van de sloot, waarmee het perspectief op het typische Friese landschap volledig verandert. Giraudet de Boudemange onderzoekt het spel zoals het gespeeld wordt in een specifieke cultuur of gemeenschap. In zijn werk laat hij de relatie zien tussen dat spel, de gemeenschap en ook het landschap waarin het beoefend wordt.

Maar zijn werk gaat verder dan een interesse in de traditie van sport en spel. Tussen de spelen liggen stokken met aan het uiteinde een afgietsel van de hand van de kunstenaar die verschillende gebaren maakt. Het zijn gebaren die gebaseerd zijn op bijvoorbeeld het speerwerpen. Iedere hand draagt dezelfde ring, waarvan verderop in de ruimte een foto hangt. Het blijkt een familiering van de kunstenaar te zijn, die afhankelijk van hoe het gedragen wordt, aangeeft of de drager getrouwd is of niet.

Dit symbool van liefde associeert met het nest van de prieelvogel waarover een andere tekst te lezen is. De prieelvogel past een optische illusies toe om zijn vrouwelijke tegenpool te verleiden. Hij weet zich met zijn kleurrijke nest groter te maken dan dat hij is en zo indruk te maken op zijn gewilde vrouwelijke vogelpartij. Giraudet de Boudemange lijkt eenzelfde doel te hebben: zijn publiek verleiden met zijn kleurrijke verzamelingen van objecten, teksten, verhalen en interpretaties van traditionele spelen.

De performance The Thorn Birds is een aanvulling op de presentatie, het geeft inzicht in de achtergrond van de verschillende werken en objecten. In de performance worden verbindingen gelegd die zijn weerslag hebben op de manier waarop de andere werken in de ruimte bekeken worden. De performance heeft een open einde; zou de duif huiswaarts keren of verdwalen en zijn vrijheid tegemoet vliegen? Een antwoord op die vraag blijft uit. Experiments on bird orientation and their interpretation heeft eenzelfde open einde. Het is een web van referenties waarin mythologie, etnografie en (natuur)wetenschap met elkaar zijn verweven. Die verschillende referenties en interpretaties leiden niet tot een conclusie maar laten ons achter in nieuwsgierigheid, in een labyrint van mogelijke interpretaties.

Eric Giraudet de Boudemange, THE THORN BIRDS (2013)
Eric Giraudet de Boudemange, EXPERIMENTS ON BIRD ORIENTATION AND THEIR INTERPRETATION (2013)

Danielle van Ark

Lotte Batelaan

‘Please be careful, hold your kids and dogs, fragile floor piece’ staat er met hoofdletters aangekondigd bij de studio waar dit jaar werk te zien is van de Nederlandse kunstenares Danielle van Ark. Op de grijze betonnen vloer ligt een groot zandtapijt, vandaar deze waarschuwing. Het vloerwerk waarin persoonlijke en westerse symbolische afbeeldingen zijn verwerkt heeft verder het uiterlijk van een Perzisch tapijt. In een open beeldvlak in het midden zijn verschillende symbolen te vinden. Geabstraheerde dieren of beeldmerken die in hun eenvoud, gestileerde uiterlijk en door hun herhaling aan stempels of hiëroglyfen doen denken. We zien vier kleine schildpadjes, het beeldmerk van Fred Perry (bestaande uit twee naar elkaar toegekeerde lauwerkransen) en Nike ‘swooshes’ die tezamen een bloem vormen. Het opvallendst zijn de verschillende afbeeldingen van adelaars. Twee van de beeltenissen van de adelaars zijn gekopieerd uit Marcel Broodthaers’ Département des Aigles, uit zijn imaginaire Musée d’Art Moderne (1972). Adelaars die bij Broodthaers al onttrokken waren aan bestaande representaties, en hier door Van Ark ingezet worden in dit tapijt, wat geen echt tapijt is en waarin de restvormen (de vloer) evenzeer beeld zijn als de vorm (het opgelegde zand).

Van Ark speelt wel vaker een spel met de verdubbeling van representaties waarin er ‘representaties van representaties’ ontstaan. Zoals ook de grote collageachtige zwart-witfoto’s aan de muren uitvergrotingen zijn van bestaande, bewerkte archieffoto’s. Foto’s, die op hun beurt reproducties zijn van een schilderij van Rubens en een ruimtelijk werk van Picasso. De kleine zwart-witfoto aan de andere kant van de ruimte is ook een representatie, een zelfportret ditmaal. Op de foto toont de kunstenares de tatoeage aan de binnenkant van haar onderlip. ‘AP 1/1’ heeft zij hier laten tatoeëren, een tamelijk letterlijke artist proof waarin zij een statement van haar kunstenaarschap en het belang daarvan in haar leven laat zien. Maar ook van de originaliteit van zichzelf en haar werk; er is hier immers maar één versie uit één origineel, ‘1/1’. Glimlachend vraagt ze zichzelf hardop af hoeveel afdrukken ze van deze foto zal laten maken. Met relativering en zelfspot vertelt Van Ark verder dat deze handeling geïnspireerd is op een verschijnsel uit de jaren tachtig waarin jongeren en masse het woord punk, of iets anders ogenschijnlijk origineels op hun onderlip lieten tatoeëren.

Twee andere werken bevinden zich in een verder gelegen atelier, waarin van de vloer tot aan het plafond, tussen stukken marmeren platen, trofeebekers op elkaar zijn gestapeld en zo een soort totempalen vormen. Aan de andere kant van de ruimte hangt een merkwaardig klein, open houten kastje dat volgestopt is met spulletjes. Een aantal objecten zijn erg herkenbaar en doen denken aan verzamelingen die we bijna allemaal wel uit onze kindertijd bewaard hebben: een gipsen afdruk van een gebit, edelstenen, een kitsch uilenbeeldje, veren, een schedel van een dier, stukken marmer, voetstukjes van trofeebekers, halskettingen en oude glazen en flessen. Parafernalia van de kunstenares uit haar jeugd, denk ik aanvankelijk. Maar andere objecten maken mij achterdochtig. Wat doet dat blikje cola, die fles Ketel 1-jenever en die spuitbus gouden acrylverf daar bovenop het kastje? Is die spuitbus soms gebruikt bij het goud spuiten van de andere studio waar ik net vandaan kom? En dat glas gevuld met lege vullingen van een vulpen?

Hoewel die inktvullingen nu juist zo herkenbaar zijn – ik herinner me deze vroeger zelf te sparen – vraag ik mij af of deze vullingen het overblijfsel zijn van een serie van Van Ark, die vorig jaar te zien was op de Rijksakademie. In The Work of Art in the Age of Mechanical Reproduction (2012) waren handgeschreven kopieën te zien van een aantal klassiek geworden studies naar ‘het kijken’. Met vulpen schreef Van Ark het boek van Walter Benjamin over, maar ook The Origin of the Work of Art van Martin Heidegger, Regarding the Pain of Others van Susan Sonntag, en Ways of Seeing van John Berger. Verzamelingen van vroeger gaan hier ogenschijnlijk over in een soort schaduwverzameling van haar eigen oeuvre.

‘Herinnering 1997, met dank voor uw support’ staat er op een naamplaatje op het voetstuk van een bokaal in het kastje te lezen. Ik merk dat ik het ondertussen niet meer helemaal snap en dat dit voor mij haar werk typeert. Het is echter een prettig niet-snappen, omdat haar werk nergens hermetisch wordt doordat voelbaar is dat het met zorg en aandacht gemaakt is. Alsof er overal een gedachte achterzit, hoe verwarrend, onberedeneerd en persoonlijk ook. “Alles is intuïtief bij elkaar gezocht, zonder spastisch na te denken of alles precies klopt”, vertelt Van Ark. “Het is allemaal door mijzelf gemaakt en daardoor weet ik dat de dingen bij elkaar horen.” Het lijkt me heerlijk om met die gedachte te kunnen werken. Het is ook fijn, zo blijkt, om op die manier naar haar werk te kunnen kijken.

Elin Austbø

Miriam van Ommeren

Wie ieder jaar de open studio’s van de Rijksakademie bezoekt, is vaak vooral nieuwsgierig naar de residenten die er hun tweede jaar afsluiten. Hoe zal hun werk zich hebben ontwikkeld in de afgelopen periode? Is er een lijn te vinden met de expositie van het jaar ervoor, of is de kunstenaar een heel andere kant opgegaan?

Deze vraag hield mij ook bezig waar het Elin Austbø betrof. Vorig jaar maakte zij indruk met een installatie met een met vet besmeurde graafmachine, rauw vlees en een verzameling uiteenlopende objecten. Het werk was ontegenzeggelijk rauw en provocerend, maar het was moeilijk om er de vinger op te leggen.

RijksakademieOPEN begint dit jaar met Austbø, letterlijk: haar werk figureert prominent bij de hoofdingang. Ook dit jaar schuwt zij het grote gebaar en het grove geschut niet: de graafmachine heeft plaatsgemaakt voor een heuse tank die tegen een container lijkt te zijn aangereden. Eromheen staan verschillende kinderautomaten, en een paar reusachtige ijsjes die je doorgaans bij snackbars op de stoep aantreft. Ik ben gelijk van mijn à propos.

De zes Donald Duck-automaten staan her en der verspreid; twee ervan bij het hek en nog twee aan weerszijden van de toegangspoort. Geen van allen werkt, het zijn defecte poortwachters van het platte amusement, gestript van hun functie. De enige beweging in het geheel komt van het felgekleurde paard dat, behangen met uitbundig gekleurde maar inmiddels verlepte ballonnen, in een mechanische galop heen en weer schuift. Aandoenlijk en troosteloos tegelijk. Een tank, een vieze container en de defecte inventaris van een armoedige kermis, en dan moet je dag nog beginnen.

Wie de tank passeert en de container betreedt, treft een absurd tafereel aan. Binnen wordt een video vertoond van een net bevallen varken dat haar biggetjes zoogt. Op de voorgrond wacht een verlepte slagroomtaart erop te worden aangesneden; misschien om de geboorte te vieren? Buiten ligt er nog een. Het tafereel in de container is, hoe bevreemdend ook, een verrassende wending in Austbø’s ‘installatie’. Ondanks de dreigende aanwezigheid van de legertank buiten, wordt binnen het nieuwe leven gevierd. Na de afstandelijke assemblage van apparaten voel je je hier opeens in een bijna intieme setting. Alsof je een kerststal betreedt, samengesteld uit schroot, met een toefje slagroom.

Maar wat doet die tank daar nou; is het een statement? Is dit werk uitgesproken politiek, of opereert het meer op het persoonlijke vlak en representeren die kapotte automaten juist jeugdtrauma’s op z’n Mike Kelley’s?  En welke rol speelt die arme zeug op de video in het geheel?

De vragen stapelen zich op, maar de antwoorden blijven uit. Elin Austbø praat niet over haar werk, legt desgevraagd ook niets uit. De begeleidende tekst verhaalt over een jeugdherinnering; over slapen in een graanveld, het plukken van bloemen en het willen vasthouden van een moment. De werkelijkheid van Austbø´s werk vormt echter een zeer schril contrast met deze dromerigheid. Alsof je fantaseert over een zonovergoten middag in een prachtig weiland, om vervolgens wakker te schrikken op een verregende kermis in een desolate industriestad.

Is het een goede zet geweest om Austbø bij de ingang van het gebouw haar gang te laten gaan? Haar werk roept meer vragen op dan misschien wenselijk is bij de start van je bezoek aan de Rijksakademie. De schijnbaar totaal willekeurige combinatie van objecten, het contrast tussen de bevreemdende intimiteit in de container en de kilte daarbuiten, het contrast tussen kunstwerk en tekst: het schuurt en het wringt, en de verwarring groeit. Onlangs suggereerde Domeniek Ruyters, hoofdredacteur van Metropolis M, dat ‘zaalteksten geen voorwaarde zijn bij het bekijken van kunst, vaker een hinderpaal’, maar hier is de behoefte aan houvast toch wel erg groot. Een ding is zeker: de stomp in de maag blijft ook dit keer niet uit.

Fotografie: Niek Hendrix

Oscar Abraham Pabón

Brenda Tempelaar
Oscar Abraham Pabón, SCULPTURAL TRADITION (2013)

Aan de linkermuur van de studio hangt een foto met daarop een rol wc-papier en een kwast met blauwe inkt eraan. Ernaast hangt een strook wc-papier met afdrukken van de kwast: blauwe inktvlekken met evenwijdige tussenpozen. Het papier, een industrieel en alledaags product, wordt hier door Oscar Abraham Pabón verzocht om zich te verhouden tot modernistische beeldhouw- en schilderkunst en hij bevraagt hiermee waaraan een modernistisch sculptuur herkend kan worden.

Deze vraag naar de rol die modernisme speelt in hedendaagse kunst wordt in de studiopresentatie van Pabón aan de hand van verschillende onderwerpen onderzocht. Zo ligt op de grond een tapijt waar driehoeken uit zijn losgesneden die met metaal omhoog zijn gebogen. Bij binnenkomst in de studio zag ik al een diagram aan de muur waarin wordt uitgelegd welke constructie nodig is om de uitgesneden vormen omhoog te buigen. Ook is er een foto achter glas, waarop de metalen constructie te zien is zonder te zijn bekleed met een tapijt.

Een andere verhaallijn gaat over een brugconstructie, gemaakt van een handdoek die is opgestijfd met Maizena. In wisselende media, van schetsmatige tekeningen tot monumentale foto’s wordt door Pabón de vraag gesteld of de handdoek een sculptuur kan zijn, en wat er nodig is om de status van een sculptuur te bereiken. Bladerend in een boekje (Complex Structures) lees ik ‘if we wanted to turn the starched bath towels into a real bridge, it could be achieved by adding steel bars and pouring concrete until we had a bridge, but the important thing is understanding this process as a potentiality, while also still keeping the possibility of reverting it and going back to the original towel, given the fact that the starched structure can be undone by adding hot water and unstitch the towels’. Onder deze tekst staat een illustratie van een ondersteboven gekeerde façade van een kerk. De façade heeft dezelfde vorm als de handdoek die ondersteboven aan de waslijn hangt. Daarmee maakt Pabón een vergelijking mogelijk tussen een alledaags object en monumentale architectuur.

Deze vergelijking lijkt aan de basis van zijn werk te staan en wordt in deze presentatie het beste zichtbaar in drie foto’s van 150 x 90 cm waarop uitvergrote zeepjes zijn afgebeeld in de pasteltinten zachtroze en vanille. De ondergrond is bleek turquoise. Een slagschaduw valt aan twee kanten van de zeepjes. Op één van de foto’s is een duidelijke scheur zichtbaar over de volledige lengte van het zeepje. In dit werk onder de titel This is Forever (2013) wordt de functie duidelijk die fotografie inneemt in het werk van Pabón. Door het bleek turquoise kader van de foto’s bevinden de zeepjes zich in een omgeving waarin geen schaal is aangegeven. Het geeft ze iets monumentaals en tegelijkertijd de status van een model. In de onderwerpen die door Pabón worden aangesneden trekt hij een lijn tussen zijn hedendaagse praktijk en de sculpturale tradities die worden overgenomen uit het modernisme.

De kijker wordt door Pabón uitgenodigd om zelf een uitsnede te maken, zoals gebeurt wanneer men een foto maakt. Maar waarom heeft de kunstenaar dit zelf eigenlijk niet gedaan? Ik denk dat Pabóns studio er op alle andere dagen van het jaar precies zo uit ziet als nu. Anders dan de andere residenten heeft Pabón geen tentoonstelling geprobeerd te maken. Daardoor lijkt het alsof hij vergeten is om zich voor te bereiden, om de hoofdzaken van bijzaken te scheiden en een inzichtelijk beeld te geven van zijn werk in de vorm van eindproducten, sculpturen en foto’s. In de beschrijving van zijn werk staat echter dat Pabón zich bezig houdt met grootschalige projecten die bedoeld zijn om plaats te vinden in de openbare ruimte en dus niet bedoeld zijn om geïsoleerd tentoon te stellen. Toch had het veel bezoekers op weg geholpen als Pabón wel een selectie had gemaakt. Dan hadden meer bezoekers kunnen zien dat Pabón met zijn onderwerpen, zoals de handdoek-brug, een heldere positie inneemt, van een kunstenaar die de mogelijkheden van een sculptuur bespreekt, zonder daarbij daadwerkelijk een sculptuur te willen maken.

Oscar Abraham Pabón, TOWEL BRIDGE (2013)
Oscar Abraham Pabón, THIS IS FOREVER (2013)
Oscar Abraham Pabón, STARCH GRANULES (2013)

Carlos Irijalba

Nynke Besemer
Carlos Irijalba, PUDDLE OF SEA en HIGH TIDE (2013)

Op de vloer in een atelier van de Rijksakademie is een zoutspoor ontstaan met organische vormen. Zoutkristallen lijken een kaart te vormen van een zee met zandbanken, eilandjes en strand. Een week eerder vulde Carlos Irijalba deze ruimte gelijkmatig met zout water, door slijtplekken in de vloer heeft het zout zich op bepaalde plekken opgehoopt. Aan de raamkant is de vloer schoon. Het water stroomde naar de andere kant van de ruimte, daar waar de ruimte het meest is gebruikt. Aan die kant is de vloer meer versleten, daar liepen kunstenaars, stonden hun materialen en kunstwerken. De vloer is niet alleen de grondlaag van dit werk, het is bovendien bepalend voor hoe Puddle of sea er uiteindelijk uitziet. Het zout maakt de sporen van de vorige gebruikers van het atelier zichtbaar. Dit is een schildersatelier, daarin wordt aan de kant van het raam niet intensief gewerkt.

Op de zoute vloer zijn een aantal ‘bruggen’ geplaatst van opengevouwen landkaarten die zijn overgoten met aluminium. De vouwlijnen van de kaarten zijn nog zichtbaar, maar dat wat er op de kaarten staat, is niet meer af te lezen. Het aluminium heeft de kaart verbrand, maar als je het aluminium weer zou smelten zou er wederom een andere ‘kaart’ ontstaan. Juist die verschillende gedaantes van de materie spreken Irijalba aan. Alle onderdelen van zijn presentatie prikkelen je om stil te staan bij de verschillende vormen van het materiaal, de geschiedenis die erin zichtbaar is of de manier waarop je waarneemt. Volgens Irijalba is waarneming namelijk iets persoonlijks; dat wat jij ziet, voelt, hoort en ruikt, heeft betrekking tot jezelf en zegt iets over jou. Dingen gaan bijvoorbeeld pas snel als jij vindt dat ze snel gaan. Een mens staat altijd in een bepaalde relatie tot (on)natuurlijke processen en veranderingen.

De waarde van een bepaald materiaal wordt ook zichtbaar in het werk Stone reel dat bestaat uit rijen staven die naast en onder elkaar zijn geplaatst. De kleuren veranderen geleidelijk van koperrood naar witachtig. Het werk laat alle verschillende grondlagen van één plek zien, zo’n 300 meter onder de grond in Spanje. Het is als één verticale lijn uit de grond geboord, wat nu door Irijalba horizontaal in stukken wordt gepresenteerd. De verschillende kleuren en lagen laten het verstrijken van de tijd duidelijk zien. De eerste lagen zijn nog ‘onbelangrijk’, maar hoe lichter de grond wordt, hoe bruikbaarder, want het laatste stukje is puur fluoriet, een belangrijk element in de productie van aluminium.

In een andere ruimte is de oorsprong van Irijalba’s zoute water te vinden. Hier liggen staven grond die chemiebedrijf AkzoNobel vierhonderd meter onder Nederland heeft geboord. Daar bevindt zich een 240 miljoen jaren oude zee, die nog steeds bruikbaar zout oplevert. Irijalba heeft dergelijke staven opgelost om zout water te maken, waarna hij het in het andere atelier verspreidde. Terwijl de staven in de ene ruimte alleen zoute resten achterlaten, lijken ze er hier robuust bij te liggen. Bij deze staven wordt de video Time surface getoond, waarin een snel voorbijtrekkend landschap te zien is. Het is onduidelijk waar de reis heengaat, omdat alle referenties zijn weggelaten. Het enige herkenbare is het landschap, dat opvallend vaak alleen uit stenen of rotsen bestaat.

In een hoek van dezelfde ruimte liggen de rechthoekige stukken asfalt Water sheet. Irijalba zocht naar een eigentijdse tegenhanger voor de materialen waar hij steeds mee werkt. Asfalt is een materiaal voor de huidige generatie. Bovendien wordt het gebruikt om andere tijden af te sluiten, het sluit met één dikke laag alle andere grondlagen af. Irijalba wilde perse asfalt tonen in A4-formaat, het papierformaat waarop informatie vaak wordt overgedragen. Er bleek maar één manier om het asfalt in een scherpe vorm te snijden: door middel van water. Water lijkt onschuldig, maar zodra het een sterke concentratie heeft, wordt het ijzerscherp. Weer blijkt dat één materiaal totaal van gedaante kan veranderen.

Irijalba probeert op interessante wijze de grenzen van de mogelijkheden van de materialen op te zoeken en weet deze als een landschap samen te brengen. Er zijn allerlei verbanden en relaties te leggen tussen de verschillende objecten. Objecten die niet alleen een esthetische waarde hebben, maar daarnaast ook een bewustzijn voor de materie oproepen. De verschillende materialen blijken an sich interessant en mooi te kunnen zijn. Dat kan per toeval door de loop der dingen ontstaan en relatief makkelijk ook weer verdwijnen, oplossen of kapotgaan. Daarnaast word je bewustgemaakt van een wereld die je niet direct ziet, zoals een zee onder Nederland die wordt weggeboord. Het roept bij mij een beeld op van de wereld als een gatenkaas, waarbij niemand beseft dat die gaten er zijn. De wereld, de natuur, lijkt door het werk van Irijalba nog ongrijpbaarder en verwonderlijker te worden. 

Carlos Irijalba, STONE REEL (2013)
Carlos Irijalba, WATER SHEET (2013)
Carlos Irijalba, TIME SURFACE (2013) Fotografie: Gert Jan van Rooij

Het Amsterdam Art Weekend nadert met rasse schreden. Dat betekent dat kunstliefhebbers weer helemaal aan hun trekken komen, maar er moeten ook keuzes gemaakt worden: wat te doen en wat te zien? In deze donkere winterdagen schijnt de redactie van Tubelight licht op Amsterdam Art Weekend en laat haar keuzes weten.

Memento
Oude Kerk
Oudekerksplein 23, Amsterdam

De Oude Kerk is een van de meest interessante plekken van Amsterdam: een historisch monument én het decor van menig hedendaags cultureel evenement, een religieuze plek maar wél te midden van de vrijzinnige Wallen, een oase van rust in een altijd drukke stad. Voor Amsterdam Art Weekend is een programma ontwikkeld dat aansluit bij de tegenstrijdige aard van deze locatie. Dit programma, Memento getiteld, presenteert werk van Feiko Beckers, Francesca Grilli, Julianne Swartz, Sara Vrugt en het Museum of Broken Relationships.

Tijdens dit weekend zijn ook twee performances te zien. Beckers’ No Cause for Celebration ontwikkelde hij speciaal voor De Oude Kerk. Grilli’s IRON draait om censuur en bestaat uit een door cello en contrabas uitgevoerd stuk, waarbij de instrumenten in de brand worden gestoken. Nieuwsgieriger kun je mij niet maken…

Basje Boer

Aukje Koks, Somewhere Between a Rock and a Pudding 
Galerie Stigter van Doesburg
Elandsstraat 90, Amsterdam

Aukje Koks kenden we tot nu toe voornamelijk van schilderijen, die de afgelopen jaren steeds vaker voort gingen leven buiten het doek om. Door objecten toe te voegen en terug te grijpen op eerdere werken ontstonden ruimtelijke installaties die heerlijk voer zijn voor interpretatie, puzzelwerk en geheugenspelletjes. Dit jaar verraste ze met een terugkeer naar tweedimensionaal werk, maar dan wel in de vorm van animatie. Eentje daarvan, Wallet’s Oracle, was dit jaar al te zien in Het Paviljoen in Gent. Enerzijds een feest van herkenning – veel eerder gebruikte elementen zijn teruggekeerd – anderzijds een verrassende uitdijing van haar immer voortdurende verbeelding.

Marjolein Geraedts

David Haines, Radiant Bodies: The Spirit and The Index
Upstream Galllery
Van Ostadestraat 294, Amsterdam

David Haines presenteert een nieuwe serie werken in Upstream Gallery. We kennen Haines van zijn homo-erotische tekeningen waarin typische Britse ‘blokes‘ sneaker-fetisjen uitvoeren, aan hamburgers snuiven of over elkaar urineren. Eerder had zijn werk al een voyeuristische kant, en baseerde hij zijn werk op gay chat-room gesprekken. In de nieuwe reeks neemt hij Iphone beelden van ‘homo-exorcisme’ in streng religieuze kringen als uitgangspunt, vermengd met een harde disco beat zoekt hij naar een manier om de betekenis van het beeld naar zijn hand te zetten.

Nathalie Hartjes

IDFA
Reguliersbreestraat 26, Amsterdam

Dit weekend staat Amsterdam niet alleen in het teken van beeldende kunst, maar zijn ook de slotdagen van het vermaarde documentaire-festival IDFA in volle gang. Beide evenementen bundelen hun krachten in een speciaal filmprogramma in Pathé Tuschinski. Steeds onder een ander thema worden op vrijdag, zaterdag en zondagmiddag twee uur lang video’s getoond van in Nederland gevestigde kunstenaars, grotendeels aangesloten bij diverse Art Weekend-galeries. Maar liefst veertien videokunstenaars tonen (nieuw) werk, variërend van gevestigde makers als Saskia Olde Wolbers, Gabriel Lester en Hans Op de Beeck tot rising stars als Melanie Bonajo, Feiko Beckers en Léon y Cocina. Aanbevolen!

Yasmijn Jarram

Saskia Noor van Imhoff, #+14 
Fons Welters
Bloemstraat 140, Amsterdam

Saskia Noor van Imhoffs archief is altijd al een groot onderdeel van haar werk. Dat archief wordt niet netjes gerangschikt tentoongesteld in vitrinekasten met informatiebordjes erbij, zoals de kijker gewend is als hij een tentoonstellingsruimte betreedt. Het doet eerder denken aan wat er achter de coulissen gebeurt in musea; conservering, het depot, onderzoek, curating, de architectuur en de plattegrond van het museum. Het is aan de kijker om zelf associaties te maken tussen Van Imhoffs archiefstukken en wat ze daar aan toevoegt. Bij Fons Welters dit maal een Ruisdael en de plattegrond van het Pergamon Museum in Berlijn.

Sietske Roorda

Foto: Aimée Terburg

Op het eerste oog lijkt Teun Vonk een echte burgerman op zoek naar gezelligheid. Zo drinkt hij kopjes thee met de dames van het volksdansen, staat hij te buurten op het voetbalveld en gooit hij een balletje bij de jeu de boules.
Samen met drie andere kunstenaars verblijft hij vier weken lang in Kunsthuis Syb te Beetsterzwaag, om mee te dingen naar de Sybren Hellingaprijs. In deze periode maken zij nieuw werk dat als afsluiting van de residency te zien is in een gezamenlijke expositie. Een jury beoordeelt de recent geproduceerde juweeltjes en kiest een winnaar uit.

De prijs was een goede oplossing voor het plan waarmee Vonk al langer rondliep. Hij is met verenigingen bezig en wilde Nederland doortrekken met een camper om dit ‘sociale kapitaal’ op film vast te leggen. Met deze woorden doelt hij op de kleine zelfgekozen groepsverbanden die het leven leuker en makkelijker maken. Uit zijn trektocht moesten ongeveer twintig filmpjes voortkomen.
Toen realiseerde hij zich dat zijn idee niet ging werken. “Wanneer je ergens in een camper staat, blijf je een buitenstaander en dus verdacht.” Zijn verblijf in Syb wekt volgens hem vertrouwen op. Mensen kunnen hem plaatsen en hij maakt tijdelijk deel uit van de gemeenschap. Hier kan hij verder werken aan zijn serie.

Vonk legt groepsprocessen vast op film. Op deze manier wil hij de onzichtbare sociale posities en machtsverhoudingen blootleggen. Het nonchalante kennismaken met de talloze verenigingen in Beetsterzwaag maakt deel uit van zijn werkproces. Hij is naar eigen zeggen de mensen warm aan het maken, zodat ze uiteindelijk zeer vanzelfsprekend deel gaan uitmaken van zijn geplande werk. Tijdens zijn visites bestudeert en analyseert hij het functioneren van de groep.

Wanneer ik Vonk vraag naar zijn fascinatie voor groepen vertelt hij over de magie die ontstaat wanneer een aantal mensen samen zijn. “Deze verbinding heeft een bepaalde kracht. Samen staan ze sterker, samen hebben ze het leuker. Ze zorgen voor elkaar, helpen elkaar verder in het leven, maar ze kunnen elkaar ook meeslepen, zowel in positieve als in negatieve zin. Het is een dynamiek waar iets overstijgends uit groeit.” Hij noemt één van zijn favoriete boeken Liefhebben, een kunst, een kunde, geschreven door psycholoog en filosoof Erich Fromm. In dit boek worden verschillende vormen van liefde en manieren van verbinden besproken en uitgelegd. Vervolgens komt Vonk met het volgende om zijn uitspraken toe te lichten: “Aan de muur van het clubhuis in Beetsterzwaag hangt een foto van de fanfare uit 1920. Die mensen zijn op zo’n moment samen, dynamiek is nu zo, er is een bepaalde spanning en alles klopt. De mensen kunnen nog twintig jaar lang regelmatig samenkomen, maar het moment dat ze samen in de camera kijken en alles in balans is komt niet weer terug. Het is gewoon een fijne tegenmassa om naar te kijken. De mensen zijn met elkaar verbonden en hebben een bepaalde kracht, dit straalt er van af en dat vind ik prachtig om te zien”.

De verbinding tussen mensen in een groep bestaat vaak uit vaste sociale posities. In het project C’est la vie (2010) heeft Vonk een orkest opnieuw samengesteld. “Bij het werken met groepen kun je de voorwaarden creëren, maar niet beheersen. Ik zie mijzelf als regisseur van mensen die niet weten hoe ze moeten reageren”. Het vijfluik laat zien wat er gebeurt als de vaste patronen worden doorbroken. De individuele muzikanten hebben geen houvast meer aan elkaar en zoeken nog naar een nieuwe houding. De verwarring die ontstaat zorgt voor grappige situaties.

In Beetsterzwaag wil Vonk een soortgelijk werk gaan maken als C’est la Vie, maar hij wil dieper in gaan op het individu. Dit kost tijd, want mensen moeten zich wel gaan openstellen voor hem. Gelukkig laten zijn sociale vaardigheden hem niet in de steek. Al bij zijn tweede bezoek beginnen mensen hem te vertrouwen, ze denken met hem mee en nodigen hem uit om bij hen thuis langs te komen. “Je krijgt hier geen telefoonnummer, maar gewoon een adres en dan ga ik bij ze langs”.

Wanneer hij toestemming krijgt om te filmen gaat hij aan de slag, nog steeds aftastend en onderzoekend. Na een aantal testcases besluit hij dat de fanfare, net als in 2010, het onderwerp zal zijn voor de hoofdfilm. De leden van dit orkest komen allemaal uit het dorp. Vonk heeft flink gespit en is er achter gekomen dat er drie generaties van drie families in de muziekclub zijn vertegenwoordigd. Zo is er bijvoorbeeld een opa, een vader en een dochter. Ook zijn er drie buurmannen die elkaar lid gemaakt hebben. Het slagwerk bij een fanfare staat altijd een beetje afgezonderd van de groep volgens Vonk. De dames die deze taak in Beetsterzwaag verrichten leken dan ook een aparte eenheid in het geheel. Later bleek dat zij een koppel zijn.

Al deze informatie is voor Vonk smakelijk voer voor inspiratie. Het is dan ook de bedoeling dat dit goed naar voren komt in het werk. Hij gaat de fanfareleden in een simpele structuur rangschikken voor de camera en ze krijgen een bepaalde opdracht. Voordat er gefilmd wordt komen alle leden van de fanfare individueel nog een kopje koffie of thee bij hem drinken. Hij wil ze nog beter leren kennen. “Hoe meer ik weet, hoe interessanter het wordt”. Ik vraag hem of hij niet liever psycholoog was geweest, hij antwoordt dat de studie te droog is. Vonk houdt van echte mensen en bedenkt het liefst zijn eigen experimenten, om ze te onderzoeken, maar ook om zichzelf een positie in het geheel te geven. Hoewel zijn projecten voor zijn gevoel altijd net buiten zijn macht liggen, zorgt dit wankele standpunt ervoor dat hij altijd op het scherp van de snede balanceert. Zo ontleedt hij liefhebbend, doch vakkundig de dorpse gezelligheid.

Dit artikel is voortgekomen uit de workshop kunstkritiek gegeven door Tubelight-redactrice Nathalie Hartjes in samenwerking met Kunsthuis SYB tijdens de 6e Sybren Hellinga Kunstprijs. Tubelight is een platform voor jong opbloeiend schrijftalent en wil dit graag verder stimuleren door het geven van workshops.

Foto: Aimée Terburg

Het bewegende beeld toont een vrouw, in een ontspannen houding zittend aan een houten tafel. Tijdens ons gesprek observeer ik haar van opzij. Ik verbeeld me dat ik haar door een camerazoeker opneem, van dichtbij, bijna ten voeten uit. De achtergrond is een vage grijze muur, de ruimte is zwak verlicht. Ze draagt geheel zwarte kleding, kousen, korte rok, leren jasje open, heeft zwart haar en donkere ogen. Een mooie, jonge vrouw. Ze geeft langdurige reacties op wat wij vragen of opmerken. Zo nu en dan zit ze enkele seconden bewegingloos en denkt na, alsof ze naar de juiste woorden zoekt, geconcentreerd. Als ze vervolgens haar gedachten uitspreekt beweegt haar lichaam mee, haar handen versterken de woorden, friemelen in het haar, aan het oor, ze kijkt je aandachtig aan terwijl ze spreekt. Overtuigend en sterk, zelfverzekerd, één met wat ze uit, en tegelijkertijd lijkt de jonge vrouw in zwart-wit: zacht en ongrijpbaar.

Gedurende vier weken, voorafgaand aan de uitreiking van de Sybren Hellinga Kunstprijs 2013, resideert Riet Wijnen (Venray, 1988) in Beetsterzwaag, waar zij de uiteindelijke inhoud en vorm geeft aan haar bijdrage aan de tentoonstelling op 19 oktober. Ze is nog lang niet klaar, maar de rust en gedecideerdheid die ze toont geven alle vertrouwen.
“De constellatie van wat ik wil laten zien heb ik tijdens het maken altijd al in mijn hoofd. Het medium en de vorm komen later wel, die dienen zich vanzelf aan vanuit het onderzoeksmateriaal”. Het Sandberg Instituut (2012 afgestudeerd) betekende voor Wijnen vrijheid, de luxe van contacten met kunstenaars, theoretische onderbouwing en de beschikking over een studio. Voor haar projecten leest ze wetenschappelijke literatuur, zoals boeken over de neurologie. Zij is geïnspireerd door onder meer Marlow Moss, Kandinsky en Mondriaan: “De periode waarin voor het eerst sprake was van abstractie, toen dat een nieuw genre werd en de figuratie uit de kunst verdween”.

Wijnen maakt voor de tentoonstelling in Kunsthuis Syb een presentatie bestaande uit drie onderdelen die met elkaar te maken hebben. Twee ervan zijn een tweeluik over de dichter J.J. Slauerhoff, die in 1929 enige tijd huisarts in Beetsterzwaag was. Wijnen stuitte bij toeval op dit feit tijdens de voorbereiding op haar verblijf in in Kunsthuis Syb. Ze las dat Slauerhoff de gedichtenbundel, getiteld Oost Azië publiceerde onder de naam John Ravenswood en ging over hem lezen. Een onderzoeksgebied van Wijnen is: “Het super interessante spanningsveld tussen wat dingen wel en wanneer ze niet zijn. Bij Slauerhoff is het totaal onduidelijk waarom hij een pseudoniem heeft gekozen. Heel interessant is de manier waarop hij het toepaste, hij schreef een eigen voorwoord bij John”. Wijnen toont op de tentoonstelling een fictieve dialoog tussen beide karakters. “Je hebt niet meteen door dat het één en dezelfde persoon is. Het gaat over wat een pseudoniem kan zijn, of het een ruimte is waarin je dingen kunt doen die je anders niet zou kunnen doen. Het medium is een slide show, met op de ene dia John en de andere Jan. De vorm van het tweede werk over Slauerhoff is de projectie van een snelle opeenvolging van uitvergrotingen van zijn gedichten tot uiteindelijk het stadium waar letters in vormen overgaan. Details van ruimtes waar je letterlijk weer een ruimte van zou kunnen bouwen. Voor Slauerhoff waren de woorden ook een soort ruimte waarin hij kon wonen, hij was veel op reis en zoekend”. Wijnen verwijst naar de regel “alleen in mijn gedichten kan ik wonen” uit zijn gedicht Woninglooze.

Wijnen onderzoekt perceptie en interpretatie. “Ik vind het fascinerend hoe dingen in gedachten gevormd worden. Iedereen vult constant in. Ook letterlijk, want op de plaats van de blinde vlek in onze ogen vullen onze hersenen toch beeld in”. Zo ontstaan reproducties en verhalen die als waarheid aangenomen worden, maar niet meer de werkelijkheid representeren. Met haar werk laat ze de toeschouwer zijn eigen verhaal denken en tegelijkertijd ontmaskert ze de interpretaties, door middel van de feiten, door eigen onderzoek achterhaald. “En toch”, zegt ze, “kan ik nog niet komen met de waarheid, maar ik leg wel al die mythes op tafel”.
Haar publicatie Marlow Moss (2013) is een voorbeeld van dat blootleggen van de misvattingen rond deze kunstenaar. Het weinige wat over Moss en haar werk is geschreven leidde tot beeldvorming veelal op basis van speculaties en onvolledige informatie. Wijnen achterhaalde de feiten en laat in de uitgave de lezer de conclusies trekken.

Het derde onderdeel van het werk voor de komende tentoonstelling is een register van pseudoniemen, de rode draad die bij Slauerhoff begon, waartoe Wijnen de verhalen achter de aliassen en de gebruikers ervan openbaart. “Een pseudoniem is een constructie van een persoon en van een karakter. Sommige namen ontstaan per ongeluk, of zijn bewust geconstrueerd. In ons systeem krijg je bij de geboorte al een naam, dat komt niet alleen in een register maar vormt ook je identiteit. Ik denk dat er veel mensen zijn die zich daarmee niet konden identificeren of een pseudoniem als extensie van hun persoonlijkheid gebruikten”. Ook in dit werk laat Wijnen de toeschouwer zien dat de waarheid gemanipuleerd wordt. Of is het een interpretatie van wat wij zien. Wat wij als waarheid aannemen? “Het beeld wat je van mij hebt is jouw interpretatie”, zegt Riet Wijnen aan het eind van ons gesprek. Als ik de film in mijn hoofd weer afspeel zie ik nog steeds de nadenkende jonge vrouw als in haar eigen zwart-wit film. Ze is in staat haar gedachten visueel te maken en mij te leren voorzichtig met de waarheid om te gaan.

Dit artikel is voortgekomen uit de workshop kunstkritiek gegeven door Tubelight-redactrice Nathalie Hartjes in samenwerking met Kunsthuis SYB tijdens de 6e Sybren Hellinga Kunstprijs. Tubelight is een platform voor jong opbloeiend schrijftalent en wil dit graag verder stimuleren door het geven van workshops.

Foto: Aimée Terburg
Foto: Aimée Terburg

Teun Vonk (1986, Uden) ontmoet ik in een huis. Het huis is van Kunsthuis Syb en Vonk is een van de deelnemers aan de Sybren Hellinga Kunstprijs. Hij begint meteen enthousiast te vertellen over hoe geweldig hij het vindt om in een dorp te zijn. De constante behoefte van het open laten van de deur valt mij op. Ik vraag mij af of Vonk dit niet zal vergeten de deur op slot te doen als hij weer terug is in Rotterdam. Een residentie in Syb is bedoeld om je open te stellen voor onderzoek en nieuw werk. Vonk stelt zich open voor het dorp. Het plannen van een interview blijkt lastig. Niet omdat hij de hele tijd in het huis wil zitten broeden op nieuw werk, maar zijn agenda is vol. Hij heeft afspraken met de jeu-de-boulesvereniging, de volksdansvereniging, de vrouwenbiljartclub en de klaverjasvereniging. En er moet ook zeker met de mensen uit het dorp gedronken en gegeten worden, dan komen de beste verhalen. Vonk zijn nieuwe werk zal gaan over Beetsterzwaag, een dorp ver van de randstad in het zonovergoten groene Friesland.

Vonk zijn werk gaat over de pijn van het alleen zijn op deze wereld en hoe je dat probleem probeert op te lossen door bij een groep te gaan horen. Hij hoopt ooit het groepsproces te kunnen extraheren en te kunnen laten zien hoe het precies voelt, als iedereen om je heen klapt of je omsloten voelt door de massa. Dat is wat hij voor zijn camera probeert te krijgen. “Ik begrijp dat geloof werkt, omdat ik geloof in samenkomen en rituelen uitvoeren. De magie die ontstaat als individuen bij elkaar komen, dat maakt dat je het individualisme overstijgt. Deze magie trekt je over een grens, alsof het een soort drugs is. Dit kan de positieve, maar ook de negatieve kant op gaan. Er kan er een maatschappij mee worden opgebouwd, maar ook mee worden afgebroken. Bijvoorbeeld hoe mensen vanuit een onderbuikgevoel, aangewakkerd door propaganda meegaan en tot de meest gruwelijke dingen instaat zijn.”

Wat zo fascineert aan Vonk is dat hij zijn theoretisch onderzoek en praktijk met elkaar laat versmelten. Hij filmt dat wat hij onderzoekt: groepen. Als ik hem vraag of hij geïnteresseerd is in een PhD (een nieuw artistiek onderzoekstraject waarmee je als kunstenaar kan promoveren) schudt hij heftig nee. Hij schuurt liever tegen de wetenschap aan. Vonk leert liever door te werken. Een grote inspiratiebron voor Vonk is het filosofieboek Massa en macht (1960) van Elias Canetti. Die onderwerpen wil hij graag in alle vrijheid onderzoeken. Mocht hij daar een wetenschapper bij nodig hebben, dan belt hij hem gewoon op.

Het eerder gemaakte werk stoelendans (2011) gaat over het wegvallen van arbeidsplaatsen ten gevolge van de economische crisis. Het lijkt in eerste instantie een politiek werk. De video maakt nieuwsgierig of Vonks handelen enkel analytisch is of dat hij op zoek is naar een meer activistische rol. Hij vertelt me dat zijn werken zeker over gebeurtenissen en processen in de maatschappij gaan. Voor hem is het werk een bewustwording van wat er aan de hand is en hoe het werkt. In die zin is zijn werk politiek, maar houdt het zich op de achtergrond. Hij ziet dingen die hem verontrusten. Hij vindt het belangrijk om zijn perspectief op de maatschappij te laten zien. Hij wil graag het publiek waarschuwen, maar hij ziet zichzelf zeker niet uitgroeien tot een activistische kunstenaar. Veel activistisch werk draagt enkel een mening uit, hij vindt het interessanter om verder te kijken.

Vonk is begonnen als commerciële fotograaf en naar eigenzeggen is hij het kunstenaarschap in gerold, al wist zijn moeder altijd al dat hij kunstenaar zou worden. Hij gooit zijn onderzoek in een trechter en dan komt er beeld uit, “helder, klaar als een klontje”. Hij doet, bouwt, kijkt en ondertussen wordt het werk. Hij wil midden in de maatschappij staan, en dat doet hij in Beetsterzwaag. Hij gaat op zoek naar de connecties tussen individuen en verenigingen die de identiteit kenmerken van Beetsterzwaag. Vonks streven is dat hij drie video’s wil maken. Tegelijkertijd wil hij verhalen laten horen en interviews afnemen met de hoofdrolspelers uit het dorp.

Als we in zijn met tape afgeplakte ruimte zitten en grapjes maken over de territoriumdrang van kunstenaars, hangt zijn planning letterlijk en figuurlijk boven zijn hoofd. Dit is herkenbaar bij veel jonge kunstenaars. “Visueel kan ik niet alles laten zien wat er in het dorp gebeurt, ik kan het de mensen zelf wel laten vertellen.” Als hedendaags kunstenaar vandaag de dag ben je meer een ondernemer en dan is het belangrijk om helder krijgen waar het echt om gaat. Diepgaand onderzoek doen en je thuis maken in het onderwerp. Totdat je het drinkt, eet en slaapt en vervolgens het publiek met de neus op de feiten drukt. Vonk maakt Beesterzwaag van hem.

Hij heeft met zijn analytisch vermogen en overdonderend enthousiasme een mooie toekomst in het verschiet. Vonks werk is een spiegel die hij ieder voorhoudt en zo toont hij hoe de enkeling van een kwetterende, postende, ijdele en individualistische maatschappij zomaar in de massa terecht kan komen, en zich gedraagt zoals iedereen. Massaal en veilig, onstijg je in de groep je ‘ik’.

Dit artikel is voortgekomen uit de workshop kunstkritiek gegeven door Tubelight-redactrice Nathalie Hartjes in samenwerking met Kunsthuis SYB tijdens de 6e Sybren Hellinga Kunstprijs. Tubelight is een platform voor jong opbloeiend schrijftalent en wil dit graag verder stimuleren door het geven van workshops.

Foto: Aimée Terburg

Riet Wijnen (Venray, 1988) is een rustige, intelligente jonge vrouw, met heldere ideeën en een “grote honger naar input”. In september en oktober bracht ze een aantal weken door in Kunsthuis SYB in Beetsterzwaag, als een van de genomineerden voor de Sybren Hellinga Kunstprijs 2013. “Het zou leuk zijn om de prijs te winnen, maar het is niet belangrijk. Belangrijker is dat je hier kunt werken en iets kunt afronden dat direct tot een presentatie leidt.” 

Wijnen studeerde in 2009 af aan de AKV St. Joost in Den Bosch en voltooide in 2012 haar master aan het Sandberg Instituut in Amsterdam. “Ik koos voor Amsterdam omdat dat de plek was waar ik het liefst wilde zijn, in het centrum van de Nederlandse kunstwereld.” Naast haar kunstenaarspraktijk werkt Wijnen als assistent curator bij Kunstverein, waar begin dit jaar haar publicatie over de Britse kunstenaar Marlow Moss werd uitgebracht. 

“Toen ik mij verdiepte in Marlow Moss, ontdekte ik dat in de weinige teksten over haar leven veel tegenstrijdigheden en gaten zitten. Mijn boek geeft een opsomming van de feiten over Moss, inclusief die tegenstrijdigheden en gaten, om te laten zien hoe geschiedenis in feite een geconstrueerd verhaal is. Dat ligt ook ten grondslag aan The Registry Of Pseudonyms, een van de werken die ik in Kunsthuis SYB maak. Het is een website met een overzicht van werkelijke personen en de pseudoniemen die ze gebruikten, vooral de verhalen en mythes die daar achter zitten. Soms zijn het heel bewuste constructies van een verhaal en een karakter, terwijl andere pseudoniemen eigenlijk per ongeluk zijn ontstaan. Het gegeven van een pseudoniem, als extensie of getransformeerde kopie van een persoon die ruimte biedt om andere dingen te doen onder een andere naam, is de rode draad in het werk voor de kunstprijs.”

“Ik vind het heel interessant om daarover te lezen, ik hou erg van ‘dingen weten’. Dat onderzoek is een essentieel onderdeel van mijn werkmethode, maar veel interessante en fascinerende dingen die ik tegenkwam kon ik niet altijd direct kwijt in mijn werk. In de afgelopen anderhalf jaar ben ik meer gaan schrijven omdat het me een mogelijkheid biedt om de informatie die ik opduikel tijdens mijn onderzoek te vervormen naar een werk. Zo kan ik belangrijke lagen van het onderzoek delen met de buitenwereld, en het tegelijkertijd laten functioneren als een autonoom werk, zoals The Registry of Pseudonyms. Op die manier kunst maken is voor mij een middel om met de werkelijkheid om te gaan, om te begrijpen; niet in de zin van een conclusie, maar in schakels van gedachtes naar volgende gedachtes, waarin werken de tussenstations zijn.”

“Toen ik wist dat ik naar Beetsterzwaag zou gaan ben ik gaan googelen en ontdekte ik op Wikipedia dat de Nederlandse dichter Jan Jacob Slauerhoff hier in 1929 een tijdje heeft gewoond en gewerkt, en dat hij ook publiceerde onder het pseudoniem John Ravenswood. Dat maakte me nieuwsgierig naar Slauerhoff, en naar het gebruik van pseudoniemen. Naast The Registry of Pseudonyms maak ik een tweeluik over Slauerhoff, met als voorlopige titel Only in my poems I can live – part 1 & part 2. Het ene werk is een diavoorstelling met de tekst van een fictieve dialoog tussen Jan en John, die zich per dia om en om (indirect) uitspreken over de betekenis en mogelijkheden van een pseudoniem. De vorm van zo’n fictief gesprek is voor mij een mooie manier om concepten te verkennen en ideeën te formuleren, zoals ik eerder heb gedaan in A Conversation on Reality – part I (2012).”

“Het andere werk is een 16mm-film die uitvergrote beelden toont van letters in Slauerhoffs gedichten uit de bloemlezing Alleen in mijn gedichten kan ik wonen. Volgens mij voerde Slauerhoff door zijn zwervende bestaan voortdurend een gevecht met ruimte en met zich ergens bevinden. Hij vond zijn vrijheid in de ruimte van woorden; in zijn gedichten kon hij leven. Het idee voor dit werk kwam voort uit de titel Alleen in mijn gedichten kan ik wonen; die gedachte heb ik vormgegeven door letters terug te brengen tot de abstracte vormen die ze eigenlijk zijn, en die in deze film transformeren tot details van een plattegrond waarmee je nieuwe ruimtes kunt construeren.” 

“Dat zijn wel begrippen die steeds terugkomen in alles wat ik doe; abstractie, transformatie, reconstructie, waarneming. De verhouding daartussen speelt een grote rol in Only in my poems I can live, en ook in eerdere werken waarbij ik een kopie van een foto (2009) en van een plattegrond (2011-2012) alsmaar opnieuw kopieerde. Elke kopie werd door het kopieerapparaat steeds iets vervormd, en daardoor steeds abstracter. Een kopie is niet gewoon een kopie; alles is altijd meteen een interpretatie. Zelfs onze visuele waarneming is eigenlijk al een interpretatie door de blinde vlek die iedereen heeft, die vullen we onbewust in als we kijken. Ik vind dat heel fascinerend, hoe abstracte beelden een groot onderdeel zijn van onze werkelijkheid, maar dat we ons daar helemaal niet zo bewust van zijn. Het zit ingebakken in ons systeem om het abstracte beeld dat we zien automatisch te transformeren naar een representatie waar we iets mee kunnen. Dat werkt zo met letters, maar ook met een plattegrond; dan loop je dus met iets wat moet representeren waar je doorheen loopt, wat een abstracte weergave is van de fysieke ruimte – en we snappen dat zonder problemen. Ik vind dat soort dingen fantastisch om te weten, ik vind abstractie gewoon heel aantrekkelijk!”

Dit artikel is voortgekomen uit de workshop kunstkritiek gegeven door Tubelight-redactrice Nathalie Hartjes in samenwerking met Kunsthuis SYB tijdens de 6e Sybren Hellinga Kunstprijs. Tubelight is een platform voor jong opbloeiend schrijftalent en wil dit graag verder stimuleren door het geven van workshops. 

Pernille Lonstrup, SPEAK IF YOU CAN, OTHERWISE SING IT (2013), Foto: Aimée Terburg

De verkeerde dingen op het verkeerde moment zeggen; een ding zeggen maar het andere bedoelen; de woorden op het puntje van je tong hebben liggen maar ze niet kunnen spreken. Mensen met afasie, een stoornis die de taalbeheersing bemoeilijkt, ondervinden continu dit soort problemen. Taal is voor hen geen vanzelfsprekendheid. Pernille Lonstrup (Kopenhagen, 1977) verbleef vier weken in Beetsterzwaag in Kunsthuis SYB. Daar werkte zij aan de geluidsinstallatie Speak if you can, otherwise sing it. Een installatie rondom taal, afasie en het onvermogen jezelf verstaanbaar te maken. Taal is, in de breedste zin van het woord, het vertrekpunt van Lonstrup. Niet verwonderlijk; al van jongs af aan ondervond Lonstrup problemen met het beheersen van haar moedertaal, het Deens. “Ik ben dyslectisch, het kostte me lange tijd om te leren lezen en schrijven. Ik voelde me in dat opzicht een outsider, doordat ik de taal niet eigen kon maken. Nu heeft taal voor mij niet meer die negatieve connotatie die het toen wel had. Ik zie het nu meer als iets fragiels.”

Met haar werk bevraagt Lonstrup het taalsysteem en het functioneren ervan in de communicatie tussen mensen. Tijdens haar afstuderen aan de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunst in Den Haag wilde Lonstrup haar scriptie schrijven over de overbodigheid van taal. Dit bleek een zinloze onderneming, al was het alleen maar omdat je taal nodig hebt om dat te kunnen aantonen. “Maar ik kan taal wél opvatten als iets dat tekort kan schieten. Het is een automatisme en we gaan er altijd vanuit dat die goed geoliede machine wel loopt. Maar die opvatting van taal als goed geoliede machine deel ik niet. Ook al beschik je over een goed taalvermogen, taal blijft een kwetsbaar communicatiemiddel en je kunt erin verdwalen.” Lonstrup stelt de vraag wat er gebeurt als de machine hapert, uit elkaar valt en stuk slaat. Met haar werk ondermijnt zij niet alleen dit communicatiemiddel, ook zoekt zij steeds een uitweg uit de taal.

Deze uitweg lijkt Lonstrup gevonden te hebben tijdens de Master Artistic Research aan de KABK, die verbonden is met het conservatorium. Hier leerde zij nieuwe mogelijkheden voor haar eigen werk kennen. Waar Lonstrup eerst vooral met video werkte, is haar werk uitgebreid met performance en geluidsinstallaties waarin muziek een belangrijke positie inneemt. “Ik kwam erachter dat ik niet alleen met video kon werken, maar ook met koren, zang, performance en muziek en dat ik deze samen kon brengen met tekst. Het gaf mij een extra snaar om mee te spelen.” Een extra snaar die leidt tot werken waarin taal, muziek en de betekenis van woord en gebaar samenkomen.

Met deze extra snaar op haar harp is Lonstrup naar Beetsterzwaag afgereisd. In Kunsthuis SYB werkt zij aan een installatie waarin de partituur van Speak if you can, otherwise sing it de hoofdrol speelt. Deze partituur is volledig gebaseerd op een gesprek dat zij voerde met een muziektherapeut over de potentie van muziek voor mensen met afasie. Door zinnen aan een melodie te verbinden leren mensen met afasie opnieuw de woorden te vinden en te spreken. In eerste instantie nam Lonstrup het gesprek over deze methode op om alle informatie die erin geregistreerd zat te kunnen terughalen.“ Maar, ik merkte in dat gesprek dat mijn eigen antwoorden net zo afatisch waren als die van een afasiepatiënt.” De veelvuldige ‘uhuh’, ‘ja’, ‘ok’ en ‘hmmm’ van iemand de stiltes in hetgesprek opvulde met bevestigende klanken klonken mechanisch als een sample. Die constatering leidde ertoe dat Lonstrup het gesprek zelf tot onderwerp maakte. Zij transformeerde het gesprek in een partituur voor een koor en maakte van haar eigen conversatie een muziekstuk waar nauwelijks iets van zijn oorspronkelijke betekenis uit te herkennen valt.

Het gesprek is uitgemond in een muzikale compositie die te zien en te horen was in het Rabobank gebouw in Beetsterzwaag. Het muziekstuk wordt begeleid door beelden van zes projectoren. De kunstenaar ziet het muziekstuk als een transformatie van het gesprek, waarin niet de betekenis van de woorden voorop staat, maar de manier waarop ze worden uitgesproken en gezongen. Het stuk bestaat uit twee partijen, een solopartij die de stem van de muziektherapeut zingt en een meerstemmig koor dat de stem van de kunstenaar vertegenwoordigt. De stemmen wisselen elkaar niet af zoals je verwacht van een gesprek. Je hoort de woorden door elkaar gesproken, af en toe herkenbaar en soms volledig opgaand in een brei van woorden. Deze brei komt voort uit het veelvoudige vertalen dat Lonstrup’s werk karakteriseert. Lonstrup beweegt zich tussen vertalingen waarin betekenissen verloren gaan of juist ontstaan.

Onverwacht grappig is deze kakofonie van taal, een effect waarvan Lonstrup zich bewust is. “Ik denk dat de humor ligt in de transformatie van het een in het ander, van iets alledaags als een gesprek naar een muziekstuk. Zo kun je iets vanzelfsprekends tot iets absurds maken. Ik probeer de grenzen van een systeem te vinden en die op te rekken.”Deze grenzen komen samen in de bewust gekozen, benauwde, vierkante ruimte waar het werk van Lonstrup te zien was. Het geeft de toeschouwer een opgesloten gevoel. Naast dat taal ons contact laat maken met anderen en een weg is ‘naar buiten’, kun je ook gevangen zitten in taal, erin verstrikt raken.“Deze manier van opgesloten of verdwaald zijn in taal is het uitgangspunt bij al mijn werk” Juist dit laatste, het verdwalen in taal lijkt te overstemmen.“Uiteindelijk gaat het mij om de onzin in de taal.”

Dit artikel is voortgekomen uit de workshop kunstkritiek gegeven door Tubelight redactrice Nathalie Hartjes in samenwerking met Kunsthuis Syb tijdens de 6e Sybren Hellinga Kunstprijs. Tubelight is een platform voor jong opbloeiend schrijftalent en wil dit graag verder stimuleren door het geven van workshops.