Saskia Laurant, ARCH.NR.139 (2014)

Op het landgoed Ockenburgh in Den Haag staat een statige villa waar twaalf kunstenaars onder de naam Locatie Z hun ateliers houden. Locatie Z is een plek waar, naar eigen zeggen, botsende vocabulaires samen komen en onderzoek en discussie voorop staan. Een belangrijk onderdeel van hun programma bestaat uit de Zzondagen die met enige regelmaat worden georganiseerd, waarbij een eendaagse tentoonstelling wordt gecombineerd met een lezingenprogramma. Op zondag 23 februari vond er weer een Zzondag plaats onder de titel Proof of a Promise. Tijdens deze zondag stond de archeologie centraal, maar niet op de traditionele manier, waarbij archeologie het verleden blootlegt. In plaats daarvan stellen de curatoren Debbie Broekers en Manus Groenen archeologie voor als een methode om naar de toekomst te kijken, zoals de ondertitel Excavating the Future al suggereert.

Zo zien we in de tentoonstelling een werk van Roger Hiorns. Zijn voorstel is om een Boeing 737 diep onder de grond te begraven en deze open te stellen voor het publiek. Via een lange wenteltrap zou men het vliegtuig kunnen bezoeken. Je kunt je voorstellen dat dit een bijna sacrale ervaring moet zijn, om diep onder de grond dit verstilde vliegtuig te betreden. Het doet denken aan een gedenkmonument of een graftombe, maar wat valt er te gedenken? Het vliegtuig zou gezien kunnen worden als de belichaming van globalisering en daarmee het kapitalistische systeem. Voorspelt Hiorns met dit werk het einde van kapitalisme? Hiorns lijkt met dit werk vooruit te denken en een gedenkteken voor de toekomst te creëren.

Een stuk bescheidener is het werk van Saskia Laurant, Arch.nr.139 (2014). In haar werk spelen verzamelingen en het archief een belangrijke rol. Zelf een verwoed verzamelaar, bewaarde Laurant stukken pleisterwerk van de Villa Ockenburgh. Dit pleisterwerk was als tijdelijke beschermlaag aangebracht op de gevel, om de originele gevel te beschermen. Een gegeven dat in eerste instantie insignificant lijkt, wordt door Laurant gepreserveerd en een deel van de geschiedenis gemaakt. Haar werk laat zien dat geschiedenis ook maar een menselijke verzameling is, van wat iemand de moeite waard vond om te bewaren.

Net als Laurant, speelt Maarten vanden Eynde met de mogelijkheid om de toekomstige geschiedschrijving te beïnvloeden. Met zijn werk Preservation of IKEA tea-cup (2005) doet Vanden Eynde een poging een icoon van deze tijd, een IKEA kopje, te bewaren voor de toekomst. Door het kopje te begraven op het Forum Romanum in Rome, hoopt hij dat het door toekomstige archeologen gevonden zal worden. Hoe het kopje in de toekomst echter zal worden geduid, zullen we nooit weten. Vanden Eynde oppert zelf een interpretatie die doet denken aan de gereconstrueerde vazen die je in een archeologisch museum vindt. De scherven van het IKEA kopje heeft hij verwerkt in een grote vaas van restauratie gips, waarmee hij de subjectieve praktijken van de archeologie op de hak neemt.

Vanden Eynde was tevens één van de sprekers die dag. In zijn lezing gaf hij ons een dieper inzicht in zijn nu al grote oeuvre. Zo vertelde hij dat de inspiratie voor Preservation of IKEA tea-cup een nieuwsbericht was, dat de IKEA catalogus inmiddels meer oplages had dan de Bijbel. Het boek dat eeuwenlang onze samenleving bepaalt had, was overtroffen door datgene wat nu onze religie lijkt te zijn: commercie.

Naast de lezing van Vanden Eynde bestond het programma die Zzondag uit lezingen van de toekomstonderzoeker Patrick van der Duin en componist Áron Birtalan. Van der Duin, docent aan de TU Delft, gaf een inkijk in zijn praktijk waarin hij de toekomst verkent. Hij wil geen futuroloog worden genoemd, hij heeft geen glazen bol waarmee hij de toekomst kan voorspellen. Wat hij wel kan doen is scenario’s maken en speculeren. Verder dringt Van der Duin erop aan dat we ons iets minder met de geschiedenis moeten bezig houden en wat meer met de toekomst. In onze snel veranderende samenleving kunnen we steeds minder leren van de geschiedenis, ondanks dat we dat graag zouden geloven. Nieuwe ontwikkelingen vragen om nieuwe methodes en denkwijzen.

Componist Áron Birtalan verrijkte het programma met zijn persoonlijke onderzoek naar ruïnes. Hij beschreef de beginnende interesse in ruïnes tijdens de negentiende-eeuwse Romantiek, toen men zelf ruïnes liet bouwen of gebouwen zo werden geconstrueerd dat het later mooie ruïnes zouden worden. Ze bouwden als het ware voor een verre toekomst, waarin ze hoopten triomfantelijk herinnerd te worden. Een kenmerk van ruïnes is dat ze steeds verder zullen vergaan, tot er niets meer van over is. Maar op welk punt is een ruïne te vervallen om het nog een ruïne te noemen? Bij beroemde ruïnes, zoals het Colosseum, wordt dit verval drastisch tegen gegaan door bijvoorbeeld metalen constructies en muren te bouwen. Het is de vraag of een dergelijk gereconstrueerde ruïne nog wel authentiek te noemen is. Birtalans onderzoek naar ruïnes past in zijn grotere onderzoek naar tijd, die hij ook toepast op het componeren van kerkmuziek.

Deze muziek bracht Birtalan ten gehore met een opmerkelijk elektronisch muziekstuk, waarmee hij de dag afsloot. Het was een geslaagde dag, waarbij de tentoonstelling naadloos aansloot op de interessante lezingen. Naast een onderzoek naar de toekomst, boden zowel de tentoonstelling als de lezingen ook een kritische blik op de geschiedenis en hoe deze ontstaat. Geschiedenis is tenslotte een menselijke creatie, slechts een subjectieve verzameling van verhalen.

Tentoonstellingsoverzicht
Zzondag lezing
Roger Hiorns, ZONDER TITEL (2013), met dank aan: Annet Gelink Galllery, Amsterdam

Ode aan een euvel

Vincent van Velsen
Song Tao, 4.7G-01 (THREE DAYS AGO) (2004)

Een man hinkelt op een kruispunt in het nachtelijke Sjanghai. Het donkere beeld van de hinkelbaan wordt afgewisseld met blikken op de aanwezige hoogbouw en een auto die de straten van de stad doorkruist. De onheilspellend aandoende video van Song Tao werd getoond naast het Rotterdamse Hofplein, een mooie parallel schets tussen kruispunten in de twee steden. Tao’s 4.7G-01 (Three Days Ago) (2004) is een van de dertien tijdelijke videowerken die tussen 8 januari en 9 februari te zien waren rond, op en langs de Rotterdamse Coolsingel. Onder de naam Eerbetoon aan een Avenue werd deze Rotterdamse equivalent van een avenue gebruikt als publieke tentoonstellingsruimte voor videokunst.

Georganiseerd door Sculpture International Rotterdam (SIR) met Laurie Cluimans als gastcurator, werd er met het oog op een komende herinrichting van de Coolsingel teruggekeken op de permanente beelden die door de jaren heen in de buitenruimte langs deze fameuze Rotterdamse straat zijn geplaatst. Van de overbekende Verwoeste Stad (1956) van Ossip Zadkine als aandenken aan het bombardement van 14 mei 1940, naar de gestileerde bloem Zonder Titel (1957) van Naum Gabo voor de Bijenkorf als indicatie van de wederopbouw, tot de recente toevoegingen van Elmgreen & Dragset It’s Never too Late to Say Sorry (2011), Cascade (2009) van Atelier van Lieshout, en alle (acht) andere werken daartussen. Daarbij is het, aan de vooravond van wederom een transitie, tevens een terugblik op de vele metamorfoses die de Coolsingel door de tijd heen heeft ondergaan; met ‘Aan wie behoort de publieke ruimte toe?’ als centrale vraag.

Deze publieke ruimte bestrijkt een breed gebied: de metro, de bouwplaats, en simpelweg de winkelstraat. De tijdelijke videowerken werden geplaatst op basis van een specifiek geografische relevantie, in een etalageruit, bij de jaarlijkse finishlijn van de marathon of op een kruising. Het werk dat bij het stadhuis werd geprojecteerd Der rechte Weg (1983) van Fischli & Weiss heeft de natuurrijke bergen van Zwitserland als decor, een tegenhanger van de Rotterdamse stedelijke omgeving. Daarbij wordt de video gekenmerkt door een aaneenschakeling van triviale keuzes die elkaar op een ogenschijnlijk logisch, doch in een pragmatische eenvoud opvolgen; met de boodschap dat elke keuze een uitkomst geeft die niet vastligt en, los van de uitwerking, de basis vormt voor een volgende handeling. Niet geheel ongepast bij het Stadhuis dat elke keer weer overgaat tot een verbouwing van de Coolsingel, of van wederom nieuwe hoogbouw in de stad. Alles om een onstilbare honger naar een aura van grootstedelijkheid en moderniteit te creëren – wat uiteindelijk tot een top tien notering in het lijstje van de New York Times heeft geleid.

Dit creëren van een uitstraling op basis van grote namen, een manier die burgemeester en wethouders keer op keer kenschetst, is eveneens aanwezig bij de keuzes voor de werken. Koolhaas, Alvaro Siza, Norman Foster, Renzo Piano en Mecanoo staan hierin gelijk aan Fischli & Weiss, Francis Alys, Erik van Lieshout, Mark Lewis of John Smith. En net als de gebouwen van deze architecten zijn ook de getoonde videowerken niet per se met Rotterdam verbonden. Hier ligt de ironie van de tentoonstelling. Het is de Coolsingel, die door Hugo Borst werd beschreven als een tochtgat waar elke Rotterdammer een haat-liefde verhouding mee heeft, maar het liefst omzeilt. Dat is wezenlijk anders dan een fijne avenue waar men flaneert en winkelt. Het grijze en vooral functionele karakter van de straat is een directe consequentie van de wederopbouw, toen de bombardementen werden aangegrepen om helemaal opnieuw te beginnen en het gehele centrum – ook wat er nog stond – met de grond gelijk te maken, en de voormalige singel tot een belangrijke verkeersader om te vormen.

De stad is deze erfenis nooit te boven gekomen. Het bestuur blijft slopen en herbouwen, maar geeft nooit de tijd voor daadwerkelijke ontwikkeling; hier geen zwaard van Damocles, maar een sloophamer die constant boven de stad hangt. Is het centrum van Amsterdam een openluchtmuseum, dan is Rotterdam een open bouwput. Na de Koopgoot, Kop van Zuid, de Meent, het Hofplein, het Schouwburgplein, het Lloydkwartier, het Centraal Station en de markt van Blaak is het nu weer de beurt aan de Coolsingel om op de schop te gaan. Van de creatie van geschiedenis is geen sprake. Enkel de straatnamen herinneren aan een vergane historie.

Een van de redenen is een prestatiedrang van wethouders die iets voor de stad willen betekenen en dat verwezenlijken door middel van een groots architecturaal aandenken – zoals het machtshebbers door de eeuwen heen ook heeft betaamd. Onder invloed van Richard Florida’s The Rise of the Creative Class gecombineerd met een succesvolle bouwlobby is er het afgelopen decennium een omvangrijke toename van hoogbouw geweest – gelijk de aanzienlijke toename aan leegstand. Beide aspecten vormen een vruchtbaar element binnen de tentoonstelling; de gebouwen vormen een esthetisch element en de leegstaande panden fungeren hier en daar als projectieruimte.

Als je op de Coolsingel staat te kijken in de januari kou of de februari regen en de wind door je jas waait, besef je dat de werken niet per se over Rotterdam gaan. Overal ter wereld zijn er avenues, staan er hoge gebouwen, zijn er marathons, metro’s en bouwputten: dat tonen de gekozen werken zelf. Juist de aspecten die de Coolsingel herkenbaar maken, zijn afwezig. Wel de marathon, niet het zomercarnaval. Wel de hoogbouw, niet de arbeiderswoningen. Hier wordt getoond dat de Rotterdamse publieke ruimte niet aan de Rotterdammers toehoort, maar aan de internationale pretenties van de beleidsmakers. Het is een expositie die toont hoe stadsmarketing het beleid en de publieke ruimte domineren – ten koste van de daadwerkelijke stad en haar bewoners.

Deze afwezigheid van Rotterdam binnen een tentoonstelling die een eerbetoon had moeten zijn aan de aorta van de stad legt dit alles bloot. De vervreemding van de bewoners als het gaat om het beleid; Rotterdam op de kaart zetten als architectuurstad, met hoge gebouwen van publiek geld, maar met even hoge leegstand als gevolg. De grote namen binnen de architectuur gebruiken om in lijstjes van vermaarde blogs, tijdschriften en kranten te komen, maar geen oog hebben voor wat er daadwerkelijk in de stad speelt. Deze ode aan een avenue is een metafoor voor de vervreemding: want waar is de wind, de haven, de Rotterdammer? Deze ode toont precies dat euvel. Dit is niet een ode aan de Rotterdamse Coolsingel, het modernistische ideaal, de rauwheid en de wind. Het onbepaalde lidwoord ‘een’ in de titel zegt daarmee misschien wel alles. Dit is de vleesgeworden marketingstrategie van B&W, dit is de lofzang op een straat die overal had kunnen liggen: dit is een eerbetoon aan welke avenue dan ook.

Elmgreen & Dragset, IT'S NEVER TOO LATE TO SAY SORRY (2011) foto: Jannes Linders
Fischli & Weiss, DER RECHTE WEG (THE RIGHT WAY) (1983)
Atelier van Lieshout, CASCADE (2009) foto: Jannes Linders

Chemie in tegenstellingen

Bob van der Sterre
Stefan Gross, FUNGITOWN (2013)

Bij binnenkomst in 38CC in Delft is er, als je niet oppast, meteen een aanvaring met een kunstwerk: een hangende maquette van een stad, bestaande uit talloze roze lijntjes, die door een ijverige kauwgumkauwer aan elkaar lijken te zijn geknutseld.

Je kunt eronderdoor kijken, bovenlangs kijken, kiezen voor een overview, of de details van een buitenwijkje bewonderen. Het is verleidelijk om in deze fantasiestad andere steden te zoeken. Het eiland heeft wel iets van Manhattan. Of is het Île de la Cité? En die brug, de Erasmusbrug?

Fungitown (2013) heet de maquette. Geen wonder, die naam. Kijk maar eens onder de stad door. Dit is een plek die ontstaat zoals fungi ofwel schimmels ontstaan. Overal zie je jonge scheuten opkomen: deze straten en gebouwen groeien.

Spelen met industriële vormen is voor Stefan Gross een vorm van vertier. Silo’s, varkensstallen, scheepskranen en olieraffinaderijen giet hij in plastic. Hij neemt ze niet al te letterlijk; de objecten zijn meestal een aanzet voor mysterieuze fantasievormen. Het doel is niet, zoals zo vaak, om de onmenselijkheid van de industrie te laten zien. Alleen al de keuze voor plastic (immers bewerkte
aardolie) is een liefdesverklaring. Ik zie een bewondering voor het soort vormen dat je bijvoorbeeld ook ziet wanneer je op station Pernis uitstapt, waar je je vergaapt aan de bizarre structuren van de petrochemische industrie.

De zachtroze kleur van het plastic maakt de objecten opvallend menselijk. Als ik eens per toeval zap,
passeer ik altijd nét zo’n medisch tv-programma wanneer de camera inzoomt op een half opengesneden lichaam. Dat glimmende, lillende roze van je binnenste, daar doet deze kleur aan denken.

Je kunt in het werk ook kritiek lezen. Figuurlijk: cultuur is plastic geworden. Of letterlijk: in de oceaan
drijft zoveel plastic dat het een naam heeft gekregen, the plastic garbage patch. Maar zo’n werk als Fungitown wordt beter wanneer de achterliggende gedachte dubbelzinnig blijft. Mensen van iets willen overtuigen is meer het terrein van de heren en dames politici. Laat de kunstenaar maar lekker spelen.

In dezelfde expositieruimte hangen ook metershoge foto’s van Hans Wilschut. Bij een foto van een achterafstraat in Hongkong zien we weer buizen uit gebouwen komen: honderden buizen verstopt achter een gebouw, zoals je ook thuis je kabels probeert weg te werken. Het is alsof ze in het steegje een kolonie hebben gesticht.

Wilschut specialiteit is het fotograferen van ongewone stadsarchitectuur: van een buitengewoon smal gebouw in Hongkong tot een pleintje in Lagos. Zo kun je dromerig staren naar de rand van Shanghai, vanaf de bergen gezien. Een prachtplaat, vooral omdat ze de stad terugbrengt tot wat die is: een zee van gebouwen die aanschurkt tegen beboste natuur.

Op het eerste gezicht lijkt het een merkwaardige keuze, deze twee samen: twee kunstenaars voor de prijs van een. Maar het is een geslaagde combinatie, met name omdat de tegenstellingen bijna perfect zijn. Waar het ene beeld groot is, is het andere klein. Waar het ene kleurrijk is, is het andere monochroom. Waar de een 2D is, is de ander 3D.

In beide zalen worden deze tegenstellingen op speelse wijze opgezocht. De ene zaal is licht, de andere
donker. In de ene zaal hangen de werken van Wilschut aan de muur en vind je Gross’ maquette in het midden. In het andere zaaltje hangt een foto van Wilschut in het midden en staan de werken van Gross aan de kant.

Het lastige is wel dat de heren vanaf heden misschien wel aan elkaar zijn vastgekleefd als een Siamese kunsttweeling. De chemie geeft ze wind mee. Ik vermoed dat ze bij twee solotentoonstellingen wel wat aan kracht zullen verliezen.

Kunstwerk, gebaar en display

Brenda Tempelaar
David Maljkovic, AFTERFORM (2013) foto: Michel Claus, met dank aan: Annet Gelink Gallery, Amsterdam

Een wit platform staat centraal in Afterform, de tentoonstelling van David Maljkovic bij Annet Gelink Gallery. Het platform neemt haast de gehele galerie in beslag. Het is twintig centimeter hoog, bijna acht meter lang en bijna vijf meter breed. Het verspert de doorgang en onttrekt het achterste gedeelte van de galerie aan het zicht. Het platform is nagenoeg leeg, op een projectiescherm na. Daarop is een animatiefilm te zien die voortdurend opnieuw wordt afgespeeld.

Afterform (2013) is een cartooneske animatie waarin Maljkovic mijn gedachten leidt naar twee architecten die tegenover elkaar aan tafel zitten. Zij zijn te herkennen aan hun typische ronde brillen en diep gefronste wenkbrauwen. Op tafel liggen blokken, waar de architecten met de handen in hun haar naar staren. Geometrische schaalmodellen van gebouwen, denk ik. Het beeld trilt. Paarse en groene pixels worden zichtbaar. Op zijn presenteerblaadje serveert een ober een wolkenkrabber. In Afterform wordt een Kroatische spotprent uit de jaren 60 nieuw leven ingeblazen door de figuren te animeren en ze te verbinden aan het oeuvre van Maljkovic. Zo heeft hij afbeeldingen van eerder werk, zoals een kamerplant met erbovenop een sokkel, voor de animatie verwerkt tot lijntekeningen. De kritische noot die de oorspronkelijke tekening bij het modernisme plaatste wordt in Afterform voortgezet en verbonden aan de vraag welke rol modernistische kunst en architectuur spelen voor ontwerpers en kunstenaars van nu. Dan verschijnt er een sokkel met daarop een filmprojector op het scherm. Tegelijkertijd doemt uit de verduisterde benedenruimte het geluid van deze ouderwetse filmprojector op.

Het geluid leidt me naar Undated (2013), een film die mijn blik op de handen van Ivan Kozaric laat rusten. De Kroatische beeldhouwer Kozaric kneedt oneindig met een stuk aluminiumfolie, maar tot een sculptuur leidt het niet, waarmee Maljkovic het proces benadrukt. Het moment werd vastgelegd op high definition digitale video, maar werd later omgezet naar 16mm-film. In de nabewerking van de video manipuleerde Maljkovic ook het beeld, door kleine storingen toe te voegen die ik ook al zag in de animatie Afterform. Daarnaast vertraagde hij de opname op sommige punten. Dat Malkjovic het beeld heeft nabewerkt, draagt sterk bij aan de manier waarop de toeschouwer het moment interpreteert. Hij verplaatst hiermee de aandacht van het object naar de manier van presentatie. Via Kozaric verkent Maljkovic hier de grensgebieden tussen een kunstwerk, een gebaar en een display.

Zowel het platform als de witte zuil waarop de projector staat, wijst op de sokkel als rode draad door de tentoonstelling. Maljkovic gebruikt er nog drie om zijn collages op ooghoogte te brengen. De collages tonen een opeenstapeling van beelden die Maljkovic ontleent aan zijn eigen oeuvre. Hiermee historiseert hij zijn eigen werk, maar geeft hij eerdere tentoonstellingen, foto’s en kleurvlakken ook de mogelijkheid om zich te verenigen in een nieuwe voorstelling. Dat Maljkovic zich aangetrokken voelt tot de collagetechniek verbaast mij niet. Hij was immers op zoek naar zijn eigen manier om het modernisme te vervormen en haar te lezen in een nieuwe samenstelling. Naar mijn idee is dat de kracht van Afterform: Maljkovic durft zijn eigen werk te vermengen met kritiek op het modernisme om zijn werk opnieuw te kunnen lezen.

Moedige mensen

Emmy Rijstenbil
Ria Pacquée, MANNEN DIE NAAR WERKEN KIJKEN (2013-2014) (Foto: Philippe van Damme)

Ik ben kunstenaar. Niemand die het weet, maar het is echt waar. Ik benader mijn omgeving vanuit een eigenaardig denkniveau en daar wordt mijn werk als kunstenaar doorwerkt en gelaagd van. Wat voor kunst ik maak? Niets. Helemaal niets. Ik verklaar mijzelf tot niet-producerend kunstenaar. Alles blijft in mijn hoofd. Ik produceer onwaarneembare gedachten.

Bij dezen.

Jezelf als kunstenaar presenteren vereist nogal wat moed, lef of bravoure. Zou ik voorgaande alinea hardop moeten uitspreken (in plaats van eenzaam typen), dan zou ik mijn verbale verklaring direct non-verbaal ontkrachten door het schaamrood op de wangen en weg te kruipen onder een steen. Ik geloof er zelf namelijk niet echt in. En daardoor gaat waarschijnlijk niemand bevestigen dat ik kunstenaar ben, waarmee ik mijn woorden maar weer terugneem. Zonder bevestiging ben ik niets.

Gelukkig zijn er mensen met meer moed dan ik. Bijvoorbeeld in Extra City in Antwerpen. Daar heeft
het NICC een tentoonstelling toegevoegd aan de uitgebreide viering van 350 jaar Koninklijke Academie Voor Schone Kunsten Antwerpen. Dit jubileum wordt elders in de stad onder andere gevierd met de tentoonstelling Happy birthday dear academie. De geschiedenis van het kunstonderwijs wordt belicht en er wordt flink uitgepakt met grote namen als Jacob Jordaens, Panamarenko, Fred Bervoets, Anne-Mie Van Kerckhoven en Vincent van Gogh.

Op de hoogste verdieping van Extra City stelt het NICC ons daarentegen De autodidact voor, een tentoonstelling waarin het ontbreken van die academische vorming centraal staat, en komt op de proppen met namen als Jan Fabre, Luc Deleu, Guillaume Bijl, Dennis Tyfus en Francis Alÿs. Dat roept vragen op. De aanwezigheid van deze grote namen onder de autodidacten stelt het belang van een academische opleiding ter discussie. Tegelijkertijd rijst de vraag hoe ver de invloed van deacademie
eigenlijk reikt. Vindt vorming niet ook buiten de academie plaats, en is een academie voldoende vergroeid met het weefsel van de samenleving dat met haar invloed vanzelf verder reikt dan haar studenten? Beïnvloedt de autodidact wederzijds de academie? Is er eigenlijk wel zo’n scheidslijn tussen academische en autodidacte kunstenaars? Wat bepaalt eigenlijk wanneer en hoe je transformeert tot kunstenaar?

In de tentoonstelling worden geen antwoorden weggegeven, zelfs geen voorzetjes. Je wordt met niets
anders dan de titel De autodidact op de werken afgestuurd. Daardoor ontstaat het risico dat je gaat zoeken naar zichtbare sporen van het ontbreken van academische scholing. Dat doet de werken geen eer aan, hier ontbreekt helemaal niets. Integendeel: hier ontmoet je toonbeelden van compromisloze zelfontplooiing, lef en discipline. Dennis Tyfus weigert zijn rebelse neigingen te onderdrukken in zijn collages en pentekeningen. Ria Paquée ordent haar omgeving door gefotografeerde situaties
samen te brengen in het werk Mannen die naar werken kijken (2013-2014). Pierre Bismuth snijdt stukken schildersdoek weg, maar haalt daardoor stukken framewerk en achterwand tevoorschijn. Francis Alÿs filmt een man met een drumstick die al lopend een ritme aan zijn omgeving onttrekt, en monteert dit tot een hypnotisch videowerk. Guy Rombouts haalt met een paar stifttekeningen op het raam de buitenwereld naar binnen. En het publiek bevestigt resoluut en zonder twijfel ieders
kunstenaarschap.

Aan de tentoongestelde werken is niet te zien dat het een autodidactische maker betreft. Wanneer het
ontbreken van academische scholing geen waarneembaar obstakel is ben je goed bezig. Voor de tentoonstelling zelf is het minder goed nieuws, want er is verder weinig wat de werken aan elkaar bindt. Je krijgt de indruk dat willekeurig van het ene werk naar het andere wordt gesprongen. Daarnaast verwacht het NICC, geheel in lijn met de tentoonstelling, ook wat autodidactisch vermogen van de
bezoeker, want informatie is in de tentoonstellingsruimte afwezig. Je moet er zelf naar op zoek.

Deze tentoonstelling gaat vooral over het hebben van durf om iets kunst te noemen en via andere wegen je te ontplooien en kunstenaar te zijn. Waar academiestudenten geleidelijk vertrouwen en glans kunnen krijgen door professionele feedback, discussie, bijschaven en een diploma, moet de autodidact het zonder deze ondersteuning doen. Hij moet zelfverzekerd zijn, zijn eigen werk beoordelen en toetsen, weten dat hij kunstenaar is en genoeg lef hebben om zich zo te (laten) noemen. We hebben hier te maken met sterke persoonlijkheden. Misschien resulteert dat vanzelfsprekend in krachtig
werk, zoals Extra City zichtbaar maakt.

De tentoonstelling laat zien dat het mogelijk is om als autodidact goed werk te maken en lof te oogsten. En ze doet meer dan dat. Voor sommigen zal een tentoonstelling als deze een steun in de rug zijn. Voor mensen als ik, die best kunstenaar willen zijn maar niet durven. Let’s go, make some art. Of in mijn geval dan niets. Helemaal niets.

Boven: Paul van Hoeydonck, SYMIBIOSE (1990). Onder: BOITE A MONOCLE (CANAL DE SUEZ) (1961) (Foto: Philip van Damme)

Goede bedoelingen

Miriam van Ommeren
Papermoon Puppet Theater, STORY BOOTH (2013), installatie detail, Foto: Gert-Jan van Rooij

Global Positions I: Made in Commons is de eerste van vier presentaties in het kader van het driejarige project Global Collaborations, dat de ontwikkelingen in de hedendaagse kunst belicht vanuit mondiaal perspectief. Voor deze tentoonstelling van tien Nederlandse en Indonesische kunstenaars werkte SMBA samen met het Indonesische KUNCI Cultural Studies Center. Made in Commons gaat in op gemeenschap, auteurschap eneigendom. Een televisiescherm toont een blik op Story booth, van het in Yogyakarta gevestigde Papermoon Puppet Theater. In een smalle ruimte, net naast de ingang, zitten twee levensgrote poppen in stoelen. Bezoekers worden uitgenodigd om met de poppen een scène te creëren, die op foto wordt vastgelegd en daarna eventueel opgehangen. Is dit niet een beetje kinderachtig? vraag ik me af. Wanneer ik de foto’s bekijk, verdwijnt mijn scepsis. Veel bezoekers hebben hun schroom laten varen: de een wringt de poppen in aanstootgevende poses, en een ander neemt ze juist in een liefdevolle omhelzing. Het doet me denken aan de verschillende manieren waarop we met ouderen omgaan, in westerse landen is het ongebruikelijk om ouders en grootouders in huis te nemen, terwijl in Afrikaanse en Aziatische culturen opa’s en oma’s juist aanzien genieten als ‘familie-oudsten’. Het blootleggen van deze culturele verschillen is echter niet het uitgangspunt van Story booth, dat draait om het delen van ‘je verhaal’ en een ‘decentralisatie van geschiedschrijving’.

Proyek barang bereng (The common goods project) is een in het oog springende installatie. Aan een muur hangt een allegaartje aan spullen: huishoudelijke apparaten, kleding, foto’s, diploma’s… Het werk verwijst naar een oude traditie in het Indonesische industriestadje Jatiwangi waar het dorpshoofd zijn huis liet ‘leegroven’ door bewoners, ter illustratie van het idee van gemeenschappelijk bezit. Jatiwangi Art Factory (JAF) stak dit oude gebruik in een nieuw jasje met een pasar kaget, een markt waarbij inwoners van Jatiwangi gratis spullen meenamen. Na afloop gingen de kunstenaars van JAF bij deze mensen langs en namen op hun beurt een waardevol object mee. Niet iedereen ging akkoord met deze ruilhandel: blijkbaar zijn de ideeën over gemeenschappelijk bezit in de loop der tijd veranderd. Proyek barang bereng wekt nieuwsgierigheid naar de oorspronkelijke eigenaars en naar de objecten waarmee is geruild. De installatie roept ook vragen op: Wat zou ik hier voor over hebben? Zou ik bereid zijn dit af te staan? Een interessant project dat oude opvattingen over (gemeenschappelijk) bezit op de proef stelt.

Merah, puti, membiru (Red, white, turning blue) van Tita Salina en Irwan Ahmett bestaat uit een wit canvas, verdeeld in de drie vlakken van de Nederlandse vlag. Het blauwe vlak, dat op de grond hangt, is zodanig behandeld dat de voetstappen van de bezoekers het zijn kleur geven. Het rode vlak krijgt zijn kleur van een videoprojectie die de praktijk van kerokan ofwel munttherapie laat zien, waarbij een munt langdurig over de huid wordt gewreven. Volgens oud Indonesisch gebruik was de Nederlandse gulden het meest effectief voor de veronderstelde genezende werking van ziektes. Tussen de pijnlijk ogende rode huid en de blauwe voetstappen hangt het witte vlak, smetteloos en puur. De kunstenaars verwijzen hiermee naar een incident uit 1945, toen een groep Indonesiërs het blauw van de Nederlandse vlag scheurden uit onvrede met het weigeren van de Nederlandse regering om de Indonesische onafhankelijkheid te erkennen. Salina en Ahmett zijn opvallend genoeg de enigen die nadrukkelijk de koloniale geschiedenis van Indonesië aanhalen, en doen dat op effectieve wijze.

Volgens de zaaltekst vat de tentoonstelling “de verlangens samen naar een gemeenschappelijke en toegankelijke verdeling van middelen, als alternatief op het marktdenken.” Tegenover tot de verbeelding sprekende installaties als Story booth en Proyek barang bereng, waarin delen en gemeenschap centraal staan, staat 7 Nights van Vincent Vulsma: zeven ‘matrassen’ met inkepingen, die het slaappatroon van een SMBA-medewerker verbeelden. De begeleidende tekst meldt dat het werk is gebaseerd op uitgebreid onderzoek naar de productie van latex, maar dat is niet terug te zien. Het afstandelijke, naar binnen gekeerde werk lijkt op geen enkele manier verband te houden met de rest van de tentoonstelling. Een misser.

Ook Biography of authenticity: the artist’s signature van Wok the Rock valt tegen. Tientallen authenticiteitscertificaten liggen tentoongesteld op houten planken: deze werden naar geïnteresseerden opgestuurd, samen met het bewijs van (gedeelde) eigendom van een kunstwerk. Het kunstwerk zelf – eveneens tentoongesteld – is een uitnodiging voor een tentoonstelling, gesigneerd door de Japanse kunstenaar Yasumasa Morimura. Volgens de begeleidende tekst verwijst het werk naar het ‘speculatieve karakter van intellectueel eigendom’, maar dat lijkt me te veel eer voor zoiets ongeïnspireerds.

Made in Commons heeft alle goede bedoelingen maar slaagt helaas niet helemaal in haar opzet. Na het bekijken van de werken ben ik niet veel wijzer geworden over de alternatieven voor marktdenken, behalve dan het aloude concept van ruilhandel. Het idee van commons– goederen en grondstoffen in handen van een gemeenschap – is te veel losgelaten. Het is te hopen dat we met de komende drie tentoonstellingen meer greep op deze materie krijgen.

Kijken met ogen en oren

Annemarie van den Berg
Natascha Libbert, LABADI BOY (2011)

“It’s a new day, it’s a wonderful day. The sun shines in the blue sky… I’m closing my eyes, I’m so happy”. In galerie Van Kranendonk in Den Haag word je bij de tentoonstelling Capriccio II uitgenodigd niet alleen naar kunst te kijken, maar ook naar muziek te luisteren. Muziek die door de kunstenaars bij hun tentoongestelde werk werd uitgekozen. Exposant Natascha Libbert koos bij haar foto Labadi Boy (2011) het nummer New Day van Arling & Cameron waaruit bovenstaande tekstregels komen. De happy peppy muziek klinkt zo opgewekt dat je je gaat afvragen of het werkelijk zo wonderful is, daar aan de Labadi-kust. Is dit niet te mooi om waar te zijn? Een vakantiestrand met nog lege ligstoelen, palmbomen aan de horizon en blauwe lucht. Labadi – ook wel La Pleasure Beach genoemd – ligt aan de Ghanese kust, de stranden zijn eigendom van plaatselijke hotels. Is deze in smetteloos wit gestoken Labadi boy een toerist, of wellicht een werknemer van één van de hotels die de stranden beheren? Is het werkelijk a wonderful day? En voor wie dan eigenlijk? Voor de Labadi-jongen zelf, voor de fotograferende toerist, of voor de bezoeker van de galerie? De muziek (en met name de tekst) werkt als ironisch commentaar.

Voor Capriccio II selecteerde Pim Voorneman negen kunstenaars. De tentoonstelling is een vervolg op de eerste Capriccio in het Haagse kunstenaarsinitiatief JCA de Kok vorig jaar. Net als toen liggen ook nu bij binnenkomst gekleurde mp3-spelers met witte koptelefoons op de bezoekers te wachten. Het is wonderlijk hoe verschillend de beeld-en-muziekcombinaties uitpakken.
Ronduit betoverend is het verbond dat ontstaat tussen de muziek van Alva Noto & Ryuichi Sakamoto en het schilderij van Roland Schimmel. Het schilderij Derwish Light Particle (2013) zuigt de blik van de toeschouwer naar zich toe, en door de koptelefoon met de muziek word je tijdelijk afgesloten van de buitenwereld, alsof je in een cocon van beeld en geluid beland bent, los van de werkelijkheid. De tijdsduur van het muziekstuk nodigt je uit om langer naar het schilderij te kijken dan je ‘normaal’ zou doen, met een bijna hallucinerende ervaring als gevolg.

De muziekkeuze van Olphaert den Otter vormt een groot contrast met de serene muziek van Noto & Sakamoto. Veel dramatisch geweld wordt erin afgewisseld met rustige stukken, het lijkt een groots, meeslepend verhaal te vertellen. Maar wat zegt dit overweldigende muziekstuk over het geschilderde Fire Islands (2013) van Den Otter? Fire Islands is een schildering op een slordig harmonica-gevouwen vel papier, waarop een leporello van ansichtkaarten is weergegeven. Op de ansichtkaarten staat een brandend boorplatform afgebeeld, een ‘fire island’. Als toeschouwer en ‑hoorder pijnig je je brein op zoek naar een link. Wat is dit voor muziek? En wat is de relatie met de ansichtkaarten? Wat vertelt de dramatische compositie over dit werk? Terwijl de muziek doorspeelt heb je alle tijd de schildering nauwkeurig af te speuren, en dan zie je het. Op het omslag van de kaartenleporello staan de namen van de geadresseerden geschreven: Charles Ives & Malcolm Morley. Charles Ives is de componist van het door Den Olphaert gekozen muziekstuk, Malcolm Morley is een Britse schilder die halverwege de jaren 70 onder meer het werk Miami Postcard maakte: een prent van een leporello met ansichtkaarten van Miami. Den Otter brengt in zijn werk de schilder en de componist dus bij elkaar in de vorm van een adressering. Indirect verwijst hij naar hen met een citaat van het beeld van Morley en het uitgekozen muziekstuk van Ives (dat weer uitgevoerd is door andere musici).

De deelnemers aan Capriccio II verleiden de toeschouwers met hun muziekkeuzes tot verrassende observaties. De roffelende marsmuziek van jazzdrummer Martin van Duijnhoven kleurt de groene lijnen van het schilderij van Jos van Merendonk legergroen, en verandert ze in de sporen van een marcherende stoet. De rondingen uit Henri Jacobs’ werk bewegen als wiegende heupen mee op het nummer Peaches en Regalia van Frank Zappa. En onder de klanken van Nicolas Wilmouths muziekkeuze verandert de stijve primula op zijn foto in de koningin van de dansvloer. Muziek kleurt het kijken, zoveel is zeker na deze tentoonstelling. De verbeelding van de toeschouwer wordt aan het werk gezet, en dat levert mooie kijkervaringen op.

Bezoeker voor Roland Schimmel, DERWISH LIGHT PARTICLE (2013) Foto: Gert den Toom
Olphaert den Otter, FIRE ISLAND (2013) Foto: Pim Voorneman
Henri Jacobs, LE CHAMP/THE FIELD/HET VELD (2009) Foto: Pim Voorneman
Julianne Swartz, TERRAIN (2008) foto: Ernst van Deursen

In 2014 opent de Oude Kerk in Amsterdam haar deuren als tentoonstellingsruimte voor hedendaagse kunst. In het kerkgebouw waren al met enige regelmaat tentoonstellingen te bezichtigen, maar vanaf dit jaar zullen deze door de Oude Kerk zelf worden samengesteld, onder leiding van Jacqueline Grandjean. Als voorschot op wat komen gaat is momenteel de expositie Memento te zien. Direct bij binnenkomst valt de sereniteit op die de ruimte uitstraalt. Niet de kunstwerken, maar de schakeringen wit van de muren en het licht dat op de onregelmatige zerkenvloer valt zijn overweldigend.

Over de vloer van de kerk – zerken met vaag uitgesleten familiewapens en oude namen – rollen geluiden naar de bezoeker toe. Ondefinieerbare klanken klinken vanuit de koorgang, waar het werk Terrain (2008) van Julianne Swartz is geïnstalleerd. Het werk fluistert en murmelt door het hele gebouw. Nauwelijks verstaanbare herinneringen klinken uit een golvend landschap van speakers. De installatie is schitterend in haar kale essentie, en de geluiden zijn beangstigend, opwindend en intrigerend. De sublieme ervaring die het werk opwekt past perfect in het kerkgebouw.

De werken Museum of broken relationships (2006-heden) van Olinka Vistica en Drazen Grubisic en Stof tot nadenken (2013) van Sara Vrugt gaan een andere relatie aan met de context van de kerk. Het Museum of broken relationships is een rondreizend museum, waar steeds objecten aan worden toegevoegd. Mensen wordt gevraagd een object te doneren dat symbool staat voor een verbroken relatie. Een doosje met ICSI-hormonen, xtc-pillen, een gekleid kunstwerk; de objecten zijn interessant, maar laten geen blijvende indruk achter. De verhalen erachter wel. Het Museum is opgebouwd uit triplex podia – een weinig prikkelende, maar praktische vorm, die gemakkelijk over de wereld te verplaatsen is. Het gaat echter geen verbinding aan met het gebouw of de omgeving. Dit laatste geldt ook voor de objecten en verhalen: ze vormen een bonte internationale verzameling.

Met Stof tot nadenken neemt Sara Vrugt de context van de kerk expliciet tot onderwerp. Vijf op verschillende manieren gestoffeerde kerkstoelen vormen een uitnodiging aan het publiek om bij te dragen aan het herstofferen van de overige kerkstoelen. Verhalen over de kerk kunnen worden ingeleverd en bewoners kunnen zelf in het kerkatelier helpen met het werken aan de stoelen. Volgens de toelichting bij de tentoonstelling verhouden de in Memento samengebrachte werken zich alle tot de Oude Kerk. Dit is echter niet in alle werken even goed te herkennen. Van de drie getoonde werken komt het werk van Swartz eigenlijk het beste tot zijn recht, omdat het geluidslandschap van Terrain feilloos samensmelt met de stemmigheid van de omgeving. Memento is daarom vooral een voorproefje, een kleine opstelling, die haar ambitie nog niet helemaal nakomt. Maar het is er zeker een die naar meer smaakt.

Olinka Vistica en Drazen Grubisic, MUSEUM OF BROKEN RELATIONSHIPS (2006-heden) foto: Ernst van Deursen
Sara Vrugt, STOF TOT NADENKEN (2013) foto: Ernst van Deursen

De waan van het moment

Marjolein Geraedts
Cevdet Erek, SHADING MONUMENT FOR THE ARTIST (2011) (Foto: Ed Jansen)

Future shock, Alvin Tofflers radicale boek over structurele veranderingen in de maatschappij, dateert alweer van vier decennia geleden. Destijds, in de post-industriële jaren ’60 en ’70, vond er “too much change in too short a period of time” plaats. Wegwerpproducten zoals balpennen werden geïntroduceerd en apparaten werden in een vroeger stadium opnieuw aangeschaft door technologische ontwikkelingen en marketing. Ook werden mensen zelf mobieler, waardoor de traditionele gemeenschappen minder hecht werden. Toffler betoogde dat de maatschappij gedesoriënteerd raakte door de toekomst.

In 2013 presenteerde mediatheoreticus Douglas Rushkoff Present shock, when everything happens now. In dit antwoord op Future shock betoogt hij dat we tegenwoordig geen besef meer hebben van een toekomst. Aan hand van begrippen als “digiphrenia” en “fractalnoia” vertelt Rushkoff hoe onze verhouding tot het begrip tijd radicaal is veranderd; we leven niet alleen in het ‘nu’ en ‘voor het moment’, ook bevinden we ons op verschillende plekken tegelijkertijd, met verschillende identiteiten. Dat overkomt niet alleen de drone-piloot of de high-frequency trader, ook gewone stervelingen switchen tussen hun Twitter-timeline en postnarratieve tv-series als Family Guy, met daarna een openingsfeestje van de zoveelste pop-up store.

Juha van ’t Zelfde lijkt zelf ook ‘besmet’ door presentism, zoals Rushkoff deze ontwikkeling noemt.
Zijn tentoonstelling Dread in De Hallen was nog niet afgelopen, of hij presenteerde met Momentum een nieuw project met een somber visioen als uitgangspunt. Waar Dread nog vooruitkeek naar de gevolgen van technologische vernieuwing, blijkt in Momentum dat het heden ook al genoeg onheilspellends in zich bergt. Van ’t Zelfde heeft zich afgevraagd hoe presentism de hedendaagse kunst beïnvloedt. 100.000 bezoekers voor Documenta en uitverkochte Museumnachten – we willen zoveel mogelijk zien in zo weinig mogelijk tijd.

Cevdet Erek maakte een monument voor de eenzame, nomadische kunstenaars die dit binge watching
mogelijk maken; atelier in, biënnale uit, de wereld overzwervend. Hij kwam op het idee tijdens een residentie in Spanje, waar hij in de tuin van het kunstcentrum op zoek was naar een schaduwplekje om te kunnen werken. De ironische, op de muur geprojecteerde tekst probeert de zoveelste nieuwe, eenzaam geworden residenten een hart onder de riem te steken. Ondanks de sterke symboliek die het werk bezit, ontbreekt hier de zeggingskracht ervan: de projectie is zo klein dat de tekst moeilijk valt te lezen. Sowieso leidt het steeds sterker licht van Sarah van Sonsbeecks Moment of bliss (2011) al een tijdje af. Het is magisch om te zien hoe de theaterlamp de ruimte langzaam in een oranje gloed zet. Het werk lijkt een ode te zijn aan een vlucht uit de hectiek, maar om dat te belichamen dringt het zich eigenlijk, ten opzichte van andere werken, te veel op.

Niet dat de schuimsculpturen van Roger Hiorns zich daar iets van aantrekken. In zichzelf gekeerd blijven ze doorbubbelen, voortgestuwd door zeepsop dat zich in de metalen houders bevindt. Bij Dread maakte Van ’t Zelfde een groot gebaar door Hiorns’ mastodontische, verpulverde vliegtuigmotor te tonen. Hoewel de vergankelijkheid onmiskenbaar aanwezig is in beide werken – de mens is tenslotte een zeepbel – is het duidelijk dat de schoonheid van het ijle, geruisloze moment hier zegeviert. Ook de ‘zandlopers’ van Giorgio Andreotta Calò vormen een letterlijke belichaming van de tijd, maar dan van het verleden. De bronzen beelden zijn gegoten uit mallen van Venetiaanse meerpalen, door het zout en het getij zo gevormd dat ze bijna lijken te breken.

Van ’t Zelfde ging ook het experiment aan door kunstenaars werk te laten maken als reactie op de ruimte. Zo interpreteerde Lyndsey Housden die ruimte letterlijk en maakte een installatie van gifgroene, elastische linten die tezamen een driedimensionaal samenspel opleveren. Het doet denken aan een choreografie; terwijl je door de installatie loopt word je je bewust van je omgeving en hoe je je hierin beweegt.

Gallery analytics (2013) van Jonas Lund is daarop een prachtig weerwoord. Waar hij met Public access me (2012) nog zijn eigen reilen en zeilen openbaarde, onthult hij nu de stappen van elke onschuldige tentoonstellingsbezoeker. Door middel van Wi-Fi-triangulatie wordt iedere bezoeker met een smartphone door Momentum gevolgd, waarna de software berekent welke route een bezoeker loopt en hoe lang hij voor een werk blijft staan. Het zou zomaar kunnen dat culturele instellingen Lunds werk meer zien als toepassing om tentoonstellingen te ‘optimaliseren’ dan als kunstwerk, de subsidiedruk in het achterhoofd.

Gallery analytics toont aan dat van de 111.412 personen met Wi-Fi die door de Paviljoensgracht zijn
gelopen, er 14.617 de tentoonstelling bezochten. Hoewel dit percentage van 13% indrukwekkend is, blijkt dat bezoekers gemiddeld maar 5 minuten binnen zijn. Daarmee is de cirkel rond: de waan van de dag lijkt ook binnen de kunsten de waan van het moment te zijn geworden. Ook al wordt ons een tentoonstelling met poëtische kunstwerken voorgeschoteld die een weerwoord willen bieden, we besteden hier niet meer tijd aan dan aan het het TV-draait door-blokje. Daarna zijn we weer gevlogen, naar een freelance opdracht, onze favoriete reality soap of de opening van een nieuwe, tijdelijke tentoonstelling.

Giorgio Andreotta Calo, CLESSIDRA (2010) met op de achtergrond Roger Hiorns, UNTITLED (2013) (Foto: Ed Jansen)

This Formless Thing

Barbara Collé
This Formless Thing. Grafisch ontwerp Roger Willems

‘De menselijke hand is het voornaamste orgaan om fysiek een omgeving te manipuleren,[…] , en omdat in de vijf vingertoppen veel van de zenuweinden samenkomen, is de hand ook de belangrijkste bron voor onze tastzin die dan ook met de hand wordt geassocieerd’. Ik kan het zelf even niet beter zeggen dan Wikipedia in bovenstaande definitie doet. Handen en tastzin zijn belangrijk in de beleving van het boek This Formless Thing over het werk van de kunstenaar Alexandra Navratil.

In het boek, dat hoort bij de gelijknamige tentoonstelling in het SMBA, staan onder andere 162 zwart-wit afbeeldingen van handen die iets vasthouden. Ze houden het zo vast dat ze het tonen aan de fotograaf, tonen aan de kijker. Ze tonen plastic voorwerpen en de materialiteit van plastic is me nog nooit zo opgevallen als in deze beeldenreeks. De über-kunststof, zo kunstmatig als maar kan, komt tactiel en verscheiden over. De 162 afbeeldingen vormen het werk Modern Magic (2013).

Modern Magic is een van de vijf kunstwerken die worden besproken en afgebeeld in het boek. Ik begeef me kort buiten het boek om te kijken naar het kunstwerk, zoals het in de tentoonstelling te zien is. De 162 beelden van Modern Magic heeft Navratil gevonden in het Amerikaanse tijdschrift Modern Plastics in de jaargangen tussen 1925-1970. Ze heeft de tijdschriftfoto’s omgezet naar slides en verdeeld over twee carousel diaprojectoren. De ene is gericht op de rechtermuur, de andere op de muur die er haaks opstaat. Twee dia’s tegelijk zien is in de tentoonstelling niet mogelijk. De dia’s schuiven na elkaar door en ik beweeg mijn hoofd naar links en weer naar rechts. In het boek zie ik de beelden wel tegelijk. Zelfs acht per spread. Acht afbeeldingen van handen in een zwarte omgeving. Ik kijk een tijdje naar spread 54-55. De handen bieden me de materialen dwingend aan. ‘Hier neem aan, voel dan’.

Laatst hoorde ik iemand zeggen dat onze tastzin ons belangrijkste zintuigelijke informatieverstrekker is. Terwijl wij bijna alles doen op zicht; kijken, aanschouwen, beschouwen. Kijken betekent automatisch dat je kijkt naar iets buiten jezelf, je kijkt naar de ander. Kijken maakt ons tot passieve toeschouwers. Maar als je voelt met je handen, met je huid, dan is het onderscheid tussen jou en dat wat je aanraakt veel kleiner. Je bent actief iets aan het doen en je maakt deel uit van de wereld. Pak maar eens iets wat nu voor je ligt in je handen en sluit je ogen.

Het voelt zwaar, stug en stevig. Dat komt door het formaat en de papierkeuze. Het formaat van het boek This Formless Thing klopt. De breedte hoogte verhouding klopt. De harde kaft klopt. Het is ook belangrijk dat het klopt want door dit formaat ligt het goed in de hand en je handen moeten je helpen met kijken.

Het boek heeft namelijk twee leesrichtingen. Je moet het dus draaien. Om de beelden te lezen draai ik het horizontaal, met de rug aan de bovenkant. De foto’s zijn liggend afgebeeld. Het stofomslag geeft het al aan. Om de teksten te lezen draai ik het weer een kwartslag terug naar links. De teksten staan in een wit veld, de beelden in zwart. Het is een van de basisregels van spanningsopbouw in een boek; contrast. Zwart, wit, donker, licht; ik ga er in en weer er uit en er weer in en… Een manier om kijken zo actief mogelijk te maken.

Ik loop al dagen rond met het boek. Het heeft bijna het formaat van mijn aantekeningenboek. Heel handzaam. Als ik het boek inkijk maak ik het werk van Navratil een beetje af; mijn handen aan het boek zijn een beeldrijm met haar verzamelde handen in Modern Magic. De afgelopen dagen heb ik al een paar keer als ik iemand tegenkwam het boek uit mijn tas gehaald en het net als de handen uit Modern Magic aangeboden; ‘moet je kijken, voel je?’.

Alexandra Navratil
Roma Publications
ISBN 978 94 91843 03 7

Twee leesrichtingen. Stofomslag liggend, boekkaft staand
Inhoudsopgave teksten
Acht afbeeldingen uit MODERN MAGIC (2013)

De oorlog is hier niet

Rosan Dekker
Yaseen Al-Obeidy, Studioportret van twee meisjes, ter gelegenheid van de verjaardag van een van hen (2007)

“Zeker 17 mensen zijn gisteren gedood en meer dan 20 gewond bij een zelfmoordaanslag op een huwelijkspartij in een shi’itische wijk in het zuiden van de Iraakse hoofdstad Bagdad. De bom ontplofte bij een fotostudio waar de bruiloftsgasten zich hadden verzameld voor foto’s. Bruid en bruidegom werden licht gewond.”

Een kort artikel uit NRC Handelsblad, gepubliceerd in de zomer van 2007. Vandaag schoot het me plots weer te binnen. Na enig zoeken kom ik het weer tegen. Eén van de vele berichten over het dagelijks geweld in Irak, weggezakt in mijn geheugen. Maar nu ik de persfoto’s van het Tropenmuseum doorneem, komt ook de herinnering weer bovendrijven. Met terugwerkende kracht voel ik me ongemakkelijk over mijn bezoek aan de tentoonstelling Fotostudio Bagdad. Want eigenlijk heb er toch voornamelijk gelachen.

Het Tropenmuseum heeft onlangs een deel van het fotoarchief van de Iraakse studiofotograaf Yaseen Al-Obeidy aangekocht en toont de komende maanden een selectie portretten hieruit. Van modieus geklede vrouwen tot pasgeboren jongetjes – het geslacht prominent in beeld gebracht – en van traditionele gezinnen tot jonge bruidsparen. Duizenden mensen heeft Al-Obeidy de afgelopen 45 jaar voor zijn camera gehad. Voor veel van zijn klanten was het bezoek aan de studio een feestelijke gelegenheid. Op belangrijke momenten in het jaar kwam je naar de studio om een portret te laten maken, om trots bij je te dragen of groot afgedrukt in huis op te hangen. Fotografeerde Al-Obeidy in de beginjaren nog zwart-wit en analoog, vanaf 2001 gaat hij helemaal los: kleurrijke, digitale foto’s worden ingrijpend gephotoshopt, al naar gelang de wensen van de klant.

Wandelend door de expositie valt op: hoe recenter het portret, hoe fantasierijker. Mijn Nederlandse schoolfoto’s met wolkjesachtergrond steken er maar bleekjes bij af. In de foto’s van Al-Obeidy worden meisjes in prinsessenjurken omringd door zeepbellen en Disney-figuren. En zien we een jongeman op de ene foto als vrome pelgrim voor een moskee staan, in diezelfde sessie laat hij zich ook even vastleggen als romanticus naast een piano. Zelfs omgekomen familieleden worden met behulp van Photoshop verenigd met de nog levende gezinsleden, en staan zo lachend naast hun opgroeiende kroost.

Op verzoek van Al-Obeidy zijn er nauwelijks recente foto’s van vrouwen te zien. In de loop der jaren is privacy steeds belangrijker geworden; de portretten die vrouwen laten maken zijn voornamelijk bedoeld voor de huiselijke sfeer. Des te opvallender daarom is het portret dat Al-Obeidy in het begin van zijn carrière maakte van een jong echtpaar. De vrouw is opgemaakt en door Al-Obeidy geretoucheerd als een filmactrice. Met een fijn pennetje heeft de fotograaf haar lange, donker wimpers gegeven. Haar wenkbrauwen een smal lijntje, het onbedekte haar zorgvuldig gekapt. Ze draagt sieraden en een chique, getailleerde jurk. De jurk doet denken aan de ontwerpen waarmee Jackie Kennedy in de jaren 60 furore maakte. De iconische jurk die zij droeg tijdens haar bezoek aan India – diezelfde v-hals, de zijden stof, de blote armen. Was de Jackie look ook in Irak een hit?

Sinds Al-Obeidy zijn loopbaan als studiofotograaf begon, heeft het land ingrijpende veranderingen ondergaan. Drie oorlogen hebben de revue gepasseerd en de angst voor nieuwe aanslagen vormt een dagelijkse realiteit. In de studio is die oorlog er even niet. Met de ons zo bekende nieuwsbeelden in het achterhoofd, vormen de foto’s van Al-Obeidy een vervreemdend tegenwicht. Ze zijn vrolijk en luchtig opgezet. De keuzes voor de gephotoshopte afbeeldingen – van bossen bloemen tot zonsondergangen en tropische palmstranden – doen kinderlijk naïef aan.

Veel van de beelden roepen een lach op: om de knulligheid waarmee de achtergrond erin is gemonteerd, om de kitscherigheid ervan. In de studio mag jij bepalen wie je wilt zijn, hoe geforceerd dat soms ook mag lijken. Maar misschien zijn het wel de beelden waar ik het hardst om heb gelachen die mij vandaag zo’n dubbel gevoel geven. Hoe glamoureuzer de gephotoshopte achtergronden, hoe sterker het contrast met de geportretteerden. Waar ik mijn tanden bloot lach op mijn jeugdfoto’s, kijken deze meisjes bedeesd en serieus de camera in. Donald Duck zweeft boven hun hoofd, ze hebben feesthoedjes en glitterjurkjes, maar lachen doen ze niet. De wallen zijn niet geretoucheerd. Het is dromen van een wereld die er niet is.

Yaseen Al-Obeidy, Studioportret van een jongeman (2009)
Yaseen Al-Obeidy, Studioportret van een jongeman (2009)
Yaseen Al-Obeidy, Studioportret van een echtpaar (ca. 1968)
Lawrence Abu Hamdan, CONFLICTED (2012)

Aan de muur hangen een paar vergeelde kaarten van Nederland. Op een kaart staan allerlei soorten kleine stipjes. De kaart geeft aan hoe het woord ‘moeder’ op verschillende manieren wordt uitgesproken in Nederland. In de legenda lees ik het rijtje variaties ‘moeke’, ‘moer’, ‘moo’, ‘moet’, ‘ma’, et cetera. En in Leeuwarden, waar ik voor de tentoonstelling Lexicon/Leksikon ben en deze kaart uit de jaren 30 van het Meertens Instituut hangt, wordt ‘mem’ gezegd. De kaart laat een grote verscheidenheid van dialecten zien, maar is gelijktijdig gebaseerd op het ouderwetse concept dat mensen worden geboren en getogen in dezelfde streek en dat dit generaties lang wordt voortgezet.

De ideologie van eentaligheid wordt nog gebruikt door overheden. De Jordaanse kunstenaar Lawrence Abu Hamdan laat dit haarscherp zien in zijn werk Conflicted phonemes (2012). Aan de muur hangen rapporten van Somalische asielzoekers die de Nederlandse overheid accenttesten heeft laten doen om te determineren of ze uit Zuid-Somalië komen. Abu Hamdan heeft een particulier taalbureau ingeschakeld om ook de accenten van de asielzoekers te analyseren. De uitslagen spreken elkaar vaak compleet tegen. Het valt op dat de overheid meestal concludeert dat de streek waar de asielzoeker pretendeert vandaan te komen en zijn accent niet overeenkomen, terwijl het taalbureau aangeeft sporen in het accent te kunnen terugvinden van de streek waar de asielzoeker vandaan komt. Dat komt doordat Abu Hamdam rekening houdt met alle invloeden waar een accent aan wordt blootgesteld, zoals ouders, schoolvrienden, verblijf in een andere streek of het buitenland, noem maar op. Een accent is veel meer dan alleen de plek waar je geboren en getogen bent, en ik moet er niet aan denken dat er op basis van zoiets veranderlijks belangrijke beslissingen over personen wordt genomen.

Het politieke aspect van dialecten blijft sluimeren in de tentoonstelling en ik vind ze terug in de videowerken van de Albanese Anri Sala en de Britse Imogen Stidworthy. Zoals de twee Senegalese jongetjes in Sala’s Làk-kat (2004) die telkens woordjes moeten repeteren, aangegeven door een schoolmeester buiten het beeld. De jongetjes spreken Wolof, de taal van Senegal. Na de Franse kolonisatie heeft het Wolof de woorden voor kleuren uit het Frans overgenomen, maar de woorden om de gradaties tussen donker en licht aan te geven zijn behouden. Het zijn juist die woordjes waar de jongetjes hun tong over breken. Zijn de Franse woorden voor kleur dominant geworden in het vocabulaire van de jongetjes? Is de samenstelling van klinkers en medeklinkers van het Wolof daardoor zo moeilijk voor ze?

Waar Sala’s videowerk keurig ondertiteld is, is Stidworthy’s film Barrabackslarrabang (2009-2010) dat niet. Er zijn close-ups van donker houtwerk, gokautomaten en glazen. Het is onmiskenbaar een pub, een punt van herkenning; bij de beelden is het geratel van twee vrouwenstemmen te horen. Ik vang hier en daar een Engelse tongval op, maar er is werkelijk geen touw aan vast te knopen. Hoe vreemd de taal ook is, ik blijf toch een poging doen om er iets van te begrijpen. Dan bekruipt mij het gevoel van buitensluiting, een politiek aspect dat accenten, dialecten en taal altijd in zich dragen. Het backslang, dat in de film wordt gesproken, is juist ontwikkeld om sprekers in de havens van Liverpool te beschermen tegen de oren van buitenstaanders en de wet. De film wordt afgewisseld met verstaanbaar Engels, een zwarte man vertelt zijn verhaal over hoe hij op straat geconfronteerd werd met een groep van dertig witte mannen en daar dwars doorheen liep. Er gebeurde verder niks, maar de angst om je als buitenstaander in een groep te mengen blijft voelbaar gedurende de film.

Elk kunstwerk van de internationaal gerenommeerde kunstenaars snijdt de politieke aspecten veranderlijkheid, dominantie en buitensluiting aan die taal, dialecten of accenten in zich dragen. Ik begrijp hierdoor steeds beter waarom ik het zo vanzelfsprekend vind dat de tentoonstelling Lexicon/Leksikon (het tweede woord is Fries) in de hoofdstad van de provincie met zijn eigen taal plaatsvindt. Al deze politieke kenmerken zijn in een relatief klein meertalig gebied snel hoorbaar en voelbaar. Daartegenover staat echter de trots om een eigen taal te hebben waarmee je je kunt identificeren. Dat loflied is te horen in het werk Lûden (2013) (‘geluiden’ of ‘klanken’) van de Nederlandstalige Fries Bouke Groen. Hij heeft de woorden van het Friestalige taalsprookje Punt van Meindert Bylsma gegroepeerd op fonetische klanken, zowel van het geschreven boek als het door de auteur zelf voorgelezen audioboek. Elke bladzijde met woorden heeft zijn eigen tafeltje; samen staan ze in een rondje, zodat er nooit een punt komt. Net zoals Bylsma’s stem steeds door blijft gaan met het uitspuwen van klanken. Die klanken hebben geen betekenis meer, maar door de zangerige klankbuigingen en dubbelklanken zijn ze ontegenzeggelijk Fries.