Decolonize the Museum Conference

Knalgele tekstborden staan verspreid door het Tropenmuseum. Ze tonen kritische reacties op de permanente tentoonstellingen. De tekstborden zijn, samen met een conferentie, onderdeel van Decolonize The Museum (DTM), een initiatief van Tirza Balk, Simone Zeefuik en Hodan Warsame. Het doel van het initiatief is het bevragen van koloniale ideeën en praktijken in hedendaagse etnografische musea. In aanloop naar de conferentie organiseerde DTM in 2015 een reeks gesprekken tussen museummedewerkers en een groep jonge, kritische denkers en activisten. Zo schrijft Adiam Asmelash op een van de tekstborden over de V.O.C. in Nederlands-Indië: ‘De tentoonstelling straalt een gevoel van saamhorigheid, medemenselijkheid en betrokkenheid uit, maar dat was niet het geval. De invasie ging gepaard met geweld en de lokale bevolking werd onderdrukt.’

De actiegroep voelt zich niet verbonden met het erfgoed in het Tropenmuseum omdat de objecten en verhalen uit onze gemeenschappen – geworteld in voormalige Nederlandse koloniën waaronder Suriname, Nederlands-Indië en delen van het Caraïbisch gebied – zijn gepresenteerd vanuit het perspectief van de voormalige kolonisator. Erfgoed hangt sterk samen met identiteit, want jouw geschiedenis en de plek waar je vandaan komt bepalen mede wie je bent. Als een ander dat verhaal vertelt is er onvoldoende zeggenschap over de eigen identiteit. Dit is de kern van etnografische musea; sinds de negentiende eeuw tonen ze de culturen van de exotische ‘Ander’ aan de beschaafde, witte, westerse ‘zelf’. Het Nederlandse slavernijverleden en de ongelijke machtsverhouding sinds de koloniale tijd hebben een onvolledig, stereotype en vaak negatief beeld gecreëerd van de zwarte gemeenschap. Hoe kan deze koloniale hiërarchie worden doorbroken, en hoe kunnen de gemeenschappen zich hun erfgoed weer toeëigenen?

Tijdens de conferentie in het Koninklijk Instituut voor de Tropen besprak DTM deze kwesties: de mogelijkheden voor dekolonisatie van het Tropenmuseum, de samenwerking met het museum als instituut en een breder panel over dekoloniale structuren op Europees niveau. Een eerste stap in het dekolonisatieproces is volgens politiek wetenschapper Olivia Rutazibwa het ontmythologiseren, ofwel de problemen benoemen en zichtbaar maken. Zo bekritiseert Rachid Hart het taalgebruik op de afdeling over Suriname: “De term ‘bosnegers,’ vertaald als bush negroes, is onacceptabel en moeten we niet reproduceren.” Volgens Hart is de oplossing niet het verwijderen van termen als ‘ongeschoolde koelies’, maar het plaatsen van een kanttekening om het publiek te informeren waarom het museum deze verwijzingen niet meer gebruikt. In 2015 berichtte het Rijksmuseum dat zij alle kwetsende etnische aanduidingen in objectomschrijvingen wil vervangen door neutralere termen, vanwege een groeiend gevoel van ongemak. De retoriek van het wegnemen van gekwetstheid en ongemak toont aan dat het museum niet geïnteresseerd is in het dieper ingaan op het ongemak – ze draagt liever onmiddellijk dé oplossing aan: deze termen onzichtbaar maken en doen alsof de bijbehorende problemen daarmee ophouden te bestaan.

Als volgende stap noemt Rutazibwa het luisteren naar de stemmen die tot zwijgen zijn gebracht: “Wie neemt er plaats aan tafel en waarom, welke verhalen tellen als kennis en expertise, en welke worden afgedaan als gevoelens en emoties?” Dominante koloniale narratieven zijn bedacht in een witte context en kunnen om die reden alleen worden ontmanteld vanuit een ander perspectief, in dit geval vanuit de gekleurde gemeenschap. Dat is precies wat DTM zo krachtig en relevant maakt; hier staan de ervaringen binnen een niet-witte gemeenschap centraal. Juist wij ervaren de nalatenschap van het koloniale verleden, en dit verandert alleen als de gemeenschap zichzelf daartoe in staat stelt en actief inbreekt in de huidige machtsstructuren. Als we over dekolonialiteit in Europese context spreken, pleit onderzoeker Patricia Schor voor solidariteit buiten de directe eigen kringen. Ze benadrukt het belang van positionering: inzien vanuit welke positie wij ieder spreken, en tegelijkertijd taalbarrières en geografische scheidingen overbruggen omdat dekolonialiteit vereist dat elke vorm van uitsluiting wordt onderkend.

Een groep betrokken medewerkers binnen het Tropenmuseum en het overkoepelende Nationaal Museum van Wereldculturen maakte de realisatie van DTM mede mogelijk. Ondanks dit belangrijke partnerschap is de traditionele verhouding tussen instituut en de gemeenschap zichtbaar. In een klein kader onder aan alle gele tekstborden van DTM laat het museummanagement weten wie de touwtjes in handen heeft: ‘…we gave young people the opportunity to share their criticisms…’. ‘Young people’ komt driemaal voor in de korte tekst, wat de kritische reflecties onterecht reduceert tot onschuldige, onvolwaardige reacties. Het instituut positioneert zich als verlener van een gunst, en de jonge mensen – die in een projectverslag nog ‘kritisch reflecterende denkers en activisten’ heten – zijn neergezet als ontvangers. Een eigenaardige omkering van de rollen, want juist het museum krijgt hier de kans om onderdeel te worden van de antiracismestrijd, om een rol te spelen in de empowerment van de gekleurde gemeenschap in plaats van te verdwijnen als verouderd en onbruikbaar instituut. Het Tropenmuseum wordt de komende twee jaren gerenoveerd. Laten we dit proces aangrijpen om de machtsstructuren verder te dekoloniseren en het koloniale erfgoed te contextualiseren vanuit ons perspectief.

De website van Tubelight loopt op zijn eind. Dus als je artikelen van Tubelight wilt blijven lezen, doe een donatie, en help ons de recensies te redden en een nieuw online platform voor kunstkritiek te bouwen. Lees er meer over hier. 

Giften kunnen overgemaakt worden t.n.v. Stichting Tubelight rekeningnummer NL88INGB0001018294 ov.v. ‘Website Tubelight’.

Intervention Decolonize the Museum
Intervention Decolonize the Museum

Tussen oorzaak en gevolg

Laure-Anne Tillieux
Damián Ortega, NINE TYPES OF TERRAIN (2007) tentoonstellingsoverzicht Kunsthal KADe, 2016

Water, vuur en lucht; deze natuurelementen zorgen voor het nodige spektakel in het videowerk Der Lauf der Dinge (1987), van het Zwitserse duo Fischli & Weiss. Zwaartekracht en chemische reacties veroorzaken een voortdurende kettingreactie. Jerrycans, ballonen, plastic bekertjes, autobanden, kaarsen, touwen, conservenblikken en wat al niet meer, zetten elkaar en opeenvolgende objecten in beweging. Het resultaat is een bijna complete vernietiging. Het dertig minuten durende videowerk, of de ‘circusact’ zoals de kunstenaars het zelf ooit bestempelden, is een klassieker in de kunstgeschiedenis. Een boek en een documentaire over deze complete, ietwat ‘post-apocalyptische’ chaos, volgden in daaropvolgende jaren. Het is niet verwonderlijk dat menig kunstenaar zich door dit werk liet inspireren.

Toeval bestaat in dit geval niet en naar de woorden van de Franse denker en schrijver Voltaire zelfs helemaal niet: ‘We noemen zo een gevolg van een oorzaak die we niet zien’. Door haar populariteit en verworven faam moest de klassieker van Fischli & Weiss op den duur ook invloed hebben op tentoonstellingsconcepten. De tentoonstelling De Loop der Dingen, over oorzaak & gevolg in Kunsthal KAdE in Amersfoort is er een van. Het probeert een weergave te geven van wat de tentoonstellingsmakers als onvermijdelijk zien: het verval van alles om ons heen. In installaties, video’s, foto’s, en allerhande objecten pogen hedendaagse kunstenaars en vormgevers de grenzen van (al dan niet zichtbaar) oorzaak en gevolg op te zoeken. Alles is eindig. Het verloop van de tijd verandert onze omgeving en ons gehele bestaan. De oeroude natuurwetten kunnen niet bestreden noch gekeerd worden. De mens kan zelf tot stand gebrachte acties enigszins aansturen maar ze zijn zelden standvastig en onder controle. Eén ding staat vast, de tentoonstelling laat zien dat oorzaak en gevolg vele gezichten hebben en verre van eenduidig zijn. Groei, bloei, verval, toeval, of zelfs milieuvervuiling passeren de revue in deze zeer toegankelijke expositie.

Een mooie en eenvoudige navolging op het werk van Fischli & Weiss, is Nine Types of Terrain (2007) van de Mexicaanse kunstenaar Damián Ortega. In negen films vallen bakstenen op negen verschillende manieren en patronen als dominostenen in een verweerd landschap om. Ook Driessens & Verstappen excelleren met een eenvoudig uitziend werk, Sandbox (2009). Wat aan de buitenkant een steriele zwarte doos op poten lijkt, blijkt zodra je door het venster kijkt, onderdak te bieden aan een wonderlijke wereld. Wind speelt met zand en laat het voortdurend rondstuiven. Het zand wordt zachtjes weggeblazen en af en toe treedt een kleine zandstorm of stofhoos op. Ventilatoren schakelen volgens een specifiek algoritme individueel in- en uit. Ze doen het landschap continu veranderen. Of wat te denken van het vierkante boekje Circles (1973) van Kristján Gudmundsson, ooit verschenen bij Gudmundssons gelijknamige tentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam in 1973/74. Dit werk bestaat slechts uit drie bladzijden die toenemen in dikte. Elke bladzijde bevat een foto van kringen in water, veroorzaakt door een steentje zo zwaar als de desbetreffende bladzijde. Oorzaak en gevolg laten zich in deze werken gemakkelijk presenteren.

Enkele werken komen helaas niet goed uit de verf. De keuze om meer afgezonderde zij- en tussenruimtes te gebruiken als presentatieplek bemoeilijkt de aansluiting met de hoofdzaal en de overige tentoonstellingszalen. Was het ruimtegebrek? Ook de begeleidende video bij Roman Signers nieuwe installatie Rollendes Fases (2016) is met een vertoning achter de hoofdtrap niet ideaal, waardoor de bezoeker de kans loopt om de aanzet van dit werk – een opgenomen oorzaak-en-gevolg uitvoering waarbij een olievat, na een explosie, van een plank rolt en zijn eigen weg gaat – voorbij te lopen. En dat is ronduit zonde. Ook de aanwezigheid van kwalitatief minder sterke werken verstoort de balans in het grote verhaal. De video van Evelien Lohbeck, een kettingreactie op een bureaublad van een laptop, is te vluchtig waardoor de kijker niet goed weet waar hij/zij naar kijkt. Of het werk van Semâ Bekirovic, een met forensisch poeder bestrooid en door UV-lampen belicht beeld, valt qua esthetiek en thematiek lichtelijk uit de toon in deze tentoonstelling. Deze werken boeien niet genoeg om op te boksen tegen bijvoorbeeld de kleine ingrepen van Signer of de video’s van twee stillevens in rottingsproces door Sam Taylor-Johnson. Door hun eenvoud fascineren zij de bezoeker wel.

Onder de noemer oorzaak & gevolg heeft Kunsthal KAdE een kleine voorstelling willen presenteren van kunstenaars en hun occupatie voor oorzakelijke processen. De materie biedt meer dan voldoende ruimte om dit onderwerp in vele gedaanten en vormen verder uit te werken. De tentoonstelling De Loop der Dingen geeft enkel een kleine aanzet. Tussen oorzaak en gevolg ligt immers een wereld vol avontuur, toeval, beweging en ontwikkeling. Het verloop van de tijd is een veranderlijke vermomming zonder oponthoud tot je bij het onbeschrijfbare en onomkeerbare Niets belandt, het einde van ons bestaan. Een fascinerend fenomeen.

Sam Taylor-Johnson, film stills uit A LITTLE DEATH (bovenste 2 beelden) (2002) 35mm film. Courtesy White Cube, STILL LIFE (onderste 2 beelden) (2001) 35mm film. Courtesy Sammlung Goetz

Het fysieke ‘zijn’

Floor van Luijk
INFLECTED OBJECTS #2 CIRCULATION - MISE EN SCEANCE (2016) Tentoonstellingsoverzicht, De Hallen Haarlem. Foto: Gert Jan van Rooij

Musea zijn als een Ark van Noach voor objecten, van elk type object moet er minstens eentje aan boord. Alles moet behouden, het liefst tot in de eeuwigheid. In een wereld waarin likes en hashtags de dienst uitmaken lijken deze objecten echter bijna een overbodige last, alleen als ze online circuleren stellen ze nog iets voor. Pics or it didn’t happen. Hoe verschuift de positie van het object in een wereld waarin het virtuele bestaan steeds verder binnendringt in de fysieke werkelijkheid?

De tentoonstelling Inflected Objects #2 Circulation: Mise en Séance combineert objecten uit de collectie van het Frans Hals Museum | De Hallen met werk van Vanessa Safavi, Dan Walwin, Katja Novitskova en Martijn Hendriks, vier kunstenaars die met hun werk een brug slaan tussen de fysieke werkelijkheid en het virtuele domein.

De zalen zijn donker. Bij de entree hangt een glazen kroonluchter, veilig opgeborgen in plastic. Laag boven de grond hangen lichtbakken met daarop objecten zoals porseleinen scherven, resten van een roestige helm, plastic bekers en elektriciteitskabels. Keurig geïnventariseerd en zorgvuldig geconserveerd liggen te ze rusten.

In de ruimte klinkt continu een dromerig deuntje. Het blijkt uit de hoek van de zaal te komen, daar staat een zacht wiegende, hypermoderne Maxi-Cosi. Over het wiegje ligt een slap plastic vlies met daarop een print van een vleesachtige computergraphic. De assemblage is aangevuld met twee rubberen eieren, daarboven bungelende plastic hersenen. Vlakbij hangt een portret van een dame, waarschijnlijk negentiende eeuws. Misschien de moeder? De lijst is beschadigd en het doek is zichtbaar gerestaureerd, maar het portret heeft de geportretteerde vrouw ruimschoots overleefd.

De presentatie is nogal theatraal. Er wordt een stemming gecreëerd die bij de bezoeker misschien verwondering of nieuwsgierigheid zou moeten opwekken. Toch lijkt dit theater niet bedoeld voor mensen. Een vreemde sfeer van geborgenheid dringt zich op, zoals soms in een ziekenhuis. Verwijzingen naar lichamen zijn er volop, maar een bezield mens wordt niet erkend.

Het is lastig onderscheid te maken tussen afzonderlijke werken. Titelkaartjes ontbreken, wie echt het wie, waar en wanneer van de objecten wil achterhalen raakt verstrengeld in een speurtocht die voorbijschiet aan het doel van de tentoonstelling. Alles gaat op in een auteursloze totaalinstallatie. Een tijdscapsule waarin eeuwenoude objecten en hedendaagse voorwerpen elkaar vinden. Losgeweekt van elke context liggen ze naast elkaar, als in een eeuwig durend nu.

Curator van de tentoonstelling is Melanie Bühler. Zij organiseert sinds 2011 Lunch Bytes, een discussieplatform waarvoor prominente sprekers worden uitgenodigd te praten over de post-digitale culturele conditie. Dat resulteerde afgelopen zomer in de bloemlezing No Internet, No Art: A Lunch Bytes Anthology, uitgegeven bij Onomatopee. Haar onderzoek zet zij nu voort met de tentoonstellingsreeks Inflected Objects, waar specifiek wordt ingegaan op het effect van digitale technologieën op onze fysieke werkelijkheid.

Sinds 2011 heeft volgens Bühler een aantal culturele verschuivingen plaatsgevonden. ‘New media art’ volgde de term ‘net-art’ op, ‘post-internet’ is alweer een versleten buzzword. Zoeken naar een nieuwe term is zinloos: het virtuele is niet meer als een aparte categorie te onderscheiden, maar is een algemene culturele conditie. Daarnaast is het anarchistische randje verloren, de utopische beloften zijn door het laat-kapitalisme ingelijfd, dat hierdoor bovendien steeds dichter bij ons is komen te staan.

Deze culturele conditie is veelbesproken. Zo beschrijft Joshua Simon een vergelijkbare conditie in Neomaterialism. Sinds de jaren zeventig heeft een dematerialisatie plaatsgevonden die voor een omkering zorgt waarbinnen symbolen zelf materie worden. De merknaam wordt belangrijker dan het product zelf.

Objecten spelen een symbolische rol binnen menselijke relaties, als pionnen op een speelbord dat tussen mensen bestaat. In No Internet, No Art noemt Annet Dekker dat musea niet slechts de fysieke componenten van een kunstwerk moeten behouden, maar juist ook deze context van sociale en culturele relaties.

De tentoonstelling Inflected Objects toont de objecten juist zonder deze context. Hoewel allerlei verwijzingen zichtbaar zijn, zijn de objecten vooral spullen. Dingen die wellicht in een oneindig complexe relatie tot mensen, informatie en elkaar bestaan, en de potentie hebben in een nieuwe context geactiveerd te worden, maar die in de eerste plaats ‘zijn’. Vaak al langer dan wijzelf. Dit betekent niet dat de objecten uit het Frans Hals Museum | De Hallen bestaan zonder culturele achtergrond of relevantie. Hun fysieke ‘zijn’ dwingt echter een bepaald soort handelen en denken af dat aan de basis staat van ons bestaan. Dit pure ‘zijn’ blijkt echter haast niet te bevatten. Als in een eindeloos raadsel ratelt je hoofd door zoekend naar betekenissen en verbanden.

Inflected Objects laat je echter niet zwemmen in deze ongrijpbare complexiteit. In plaats daarvan verleidt de presentatie je over te geven aan haar theater. Inflected Objects troost je met het ongemakkelijke besef dat onze hardware belangeloos kan bestaan als decorstukken van betekenisgeving. Likes of geen likes.

De website van Tubelight loopt op zijn eind. Dus als je artikelen van Tubelight wilt blijven lezen, doe een donatie, en help ons de recensies te redden en een nieuw online platform voor kunstkritiek te bouwen. Lees er meer over hier.

Giften kunnen overgemaakt worden t.n.v. Stichting Tubelight rekeningnummer NL88INGB0001018294 ov.v. ‘Website Tubelight’.

INFLECTED OBJECTS #2 CIRCULATION - MISE EN SCEANCE (2016) Tentoonstellingsoverzicht, De Hallen Haarlem. Foto: Gert Jan van Rooij

Vernieuwende fotografie?

Justa van den Bulk
Jan Dirk van der Burg, TWEETBUNDELS (2016)

Wat speelt er in de fotografie in Nederland? Waar vindt de vernieuwing plaats en hoe ziet die er uit? Een tentoonstelling die opent met deze introductietekst maakt nieuwsgierig en schept hoge verwachtingen. Quickscan NL #02 in het Nederlands Fotomuseum toont 18 in Nederland werkzame fotografen, beeldend kunstenaars, grafisch vormgevers en collectieven. Het is een navolging van Quickscan NL #01 die in 2010 in dit museum te zien was. Net als bij de eerste editie draait het bij Quickscan NL #02 volgens de tentoonstellingsmakers niet om het scouten van jong en veelbelovend talent, maar ligt de focus van de tentoonstelling op het tonen van vernieuwende manieren om het medium fotografie te hanteren.

Nu moet ik bekennen dat ik geen groot fan ben van tentoonstellingen waar een groep kunstenaars onder een breed en vaak nogal vaag begrip wordt samengebracht. Bij Quickscan NL #02 vroeg ik me af hoe een subjectieve keuze van tentoonstellingsmakers een overtuigend beeld kan geven van de brede ontwikkeling in de fotografie in Nederland. Hoe bepaal je wat vernieuwend is, wat toon je wel en niet en hoe zorg je ervoor dat het één geheel wordt? Met enige scepsis nam ik dan ook de tentoonstelling in me op. Wat ik zag verraste me echter; niet alleen is de kwaliteit van de werken erg hoog, ook tonen de kunstenaars onderlinge overeenkomsten die als rode draden door de tentoonstelling lopen.

Een eerste opvallende gemene deler is de aandacht voor, en kritiek op, sociale media en internet fenomenen. Dit start al in zaal één met het werk Tweetbundels (2016) van Jan Dirk van der Burg. Een zwarte design bank met een schemerlamp erboven nodigt uit om een rij boekjes met persoonsnamen op de rug in te kijken. De boeken blijken gebundelde Twitter berichten, al dan nietmet foto, van tien Twitteraars. Het digitale leven van Lionel, Remon maar ook Halina (inderdaad,actrice Halina Rijn) trekt aan me voorbij. Door de Twitterberichten te bundelen lukt het Van der Burgom de vluchtigheid van het digitale leven te bevragen.

Bij Willem Popelier staat een heel ander internet fenomeen centraal. In Do-It- Yourselfie Guide (2015) geeft Popelier 66 tips voor het nemen van de perfecte selfie. Hij maakte dit werk vol humor en ironie na zelf goed gekeken te hebben naar filmsterren en sporters. Dit resulteert in vermakelijke portretten van Popelier met bijvoorbeeld regel
#62 Add a caption to describe what’s happening in the picture. Elisabeth Tonnard benadert de inspiratie vanuit het digitale sociale leven op een meer literaire en kritische wijze. In Song of Myself:American Renaisscance (2015) toont ze 51 witte vellen papier met een regel tekst. Het zijn updatesvan Facebook accounts van onder andere Edgar Allen Poe en Emily Dickinson. De titel van het werk is ontleend aan het gedicht Song of Myself (1855) van Walt Whitman, een egocentrische lofzang. Tonnard ziet in het overvloedig posten op media als Facebook een zelfde soort zelfverheerlijking als in Whitman’s tekst. Natuurlijk hebben deze negentiende-eeuwse schrijvers nooit gebruik gemaakt van social media en daarom verschijnt er bij mij in eerste instantie een glimlach bij een update vande schrijver van Moby Dick: “Herman Melville added 10 new photo’s to the album: Moby Dick”. De interessante, maatschappijkritische laag die in dit werk zit is in de presentatie echter moeilijk te duiden: de verdieping die nodig is om deze vertaalslag te maken is in de tentoonstelling helaas niet aanwezig.

Een tweede tendens die me opvalt is de aandacht voor het vervormen of manipuleren van beeld, al dan niet met gedateerd materiaal. Kasia Klimpel voegt door het invoeren van exacte coördinaten foto’s toe aan Google Maps. De beelden die zij toevoegt zijn echter geen echte pool-of woestijnlandschappen. Wat ze voor haar werk The Grand Tour (2011-2015) op de Noordpool toevoegt zijn artificiële landschappen die ze creëert met crêpe papier en spotlights. Als Google Maps deze afbeeldingen herkent als landschappen en accepteert voor die plek op de aarde, heeft Klimpel het mondiale beeld van deze plek beïnvloed of vervuild, het is maar net hoe je het wil bekijken.

Van Jannemarein Renout is een rij abstracte kleurbalken te zien, Scan 2400 (2015). Op het eerste gezicht lijken dit abstracte beelden die zelfs een schilderkunstige kwaliteit hebben. Maar ook hier is wat je ziet niet wat het lijkt. Renout richt voor dit werk een alledaagse kantoor scanner op de buitenlucht. Het schaduwspel van de wolken zorgt voor onregelmatige lichtomstandigheden die door de scanner worden vertaald naar pixels. Deze scans laat ze door de computer willekeurig en automatisch stapelen, wat zorgt voor beelden zonder gekunstelde compositie. De vraag aan de kijker is nu: Kan een willekeurige hoeveelheid pixels als beeld functioneren? Deze tendens van beeldmanipulatie of deconstructie is niet nieuw; het bevragen van de intrinsieke waarheid van een fotografisch beeld is al zo oud als de fotografie zelf. In soortgelijke vorm was dit vijf jaar geleden ook te zien in de eerste tentoonstelling in deze reeks. De aandacht voor sociale media en internet verbaast me niet gezien het dagelijks leven, ook dat van kunstenaars, er tegenwoordig sterk door wordt beïnvloed. Deze thematiek is, al dan niet toevallig, dan ook volledig op zijn plek in deze tentoonstelling die een stand van zaken geeft van de fotografie van nu.

Hoewel ik sceptisch was over de opzet van de tentoonstelling vind ik Quickscan NL #02 een heel uitgebalanceerd geheel. De werken zijn ruimtelijk gepresenteerd, zodat je je per kunstenaar of collectief kan focussen op een eigen interpretatie van fotografie. De gemene delers die ik uit de werken haal zijn echter niet uitgelicht door de tentoonstellingsmakers; het is voor iedere bezoeker dan ook mogelijk om eigen roden draden te ontdekken. Deze gemeenschappelijke ideeën zorgen voor een natuurlijke samenhang in de presentatie en bieden de mogelijkheid tot vergelijken. Wat uit de tentoonstelling voor mij niet duidelijk wordt, is waar de tentoonstellingsmakers de ‘vernieuwing’ zien. Volgens de website van het Nederlands Fotomuseum is er voor werk gekozen dat in de meeste
gevallen niet eerder in Nederland is getoond en niet ouder is dan twee jaar. De presentatie geeft een doorsnede van wat er nu speelt in de fotografie in Nederland, maar waarin dit zich onderscheidt van de tendensen van vijf jaar geleden wordt niet duidelijk. Quickscan NL #02 geeft een prettig overzicht van verrassende fotografie, maar het begrip vernieuwing blijft ook na het zien van de presentatie breed en nogal vaag.

Jan Dirk van der Burg, TWEETBUNDELS (2016)
Willem Popelier, DO-IT-YOURSELFIE GUIDE (2015)
Kasia Klimpel, 45° 24’ 48.98_ S 167° 21’ 41.50_ E (LANDSCAPE#2), uit de serie THE GRAND TOUR (2011-2015) Foto: Studio Bonnardot
Jannemarein Renout, SCAN 2400 (2015)

Tekenen met een grote T

Rosanne Koster
Stan Klamer, Z.T. Foto courtesy Tekenkabinet.

Mijn medestudenten en docent staan met zowat met hun neuzen tegen de muur geplakt. Iedere les begint met de gevreesde peer critique, waarbij we de tekeningen van de afgelopen week ophangen en we elkaar goedbedoelde en minder goedbedoelde adviezen geven. We nemen onszelf en de tekenkunst uiterst serieus, en dus worden de designbrillen op de voorhoofden gezet en staren we naar delicate penlijntjes en minitieuze potloodstipjes tot we scheel kijken. Na een uur zijn mijn tekeningen aan de beurt. Ik heb er tot diep in de nacht met m’n tong tussen mijn tanden op zitten ploeteren. “Het is goed dat je je werk af hebt”, zegt mijn docent na een lange stilte. “Maar eigenlijk is het té af.”

De tentoonstelling van het Tekenkabinet in het Amsterdamse Nieuw Dakota leest als een peer critique. De verscheidenheid van het werk en de simpele manier van presenteren doen wellicht onbedoeld denken aan beoordelingen in academie-lokalen. Op het eerste gezicht lijkt het een allegaartje; verschillende formaten, materialen en stijlen hangen kriskras door elkaar. Sommige tekeningen zijn ingelijst, andere hangen met spelden aan de muur. Maar een gemene deler is er wel degelijk: de hedendaagse tekenkunst.

De expositie maakt deel uit van de landelijke tekenmanifestatie Drawing Front en presenteert 85 verschillende Amsterdamse tekenaars. Ieder van hen presenteert hier één werk dat gemaakt is met potlood, pen, inkt, gouache, aquarel, collage, houtskool of krijt op papier. De organisatie spreekt door het maximumformaat van A3 van ‘klein, maar fijn en zeer toegankelijk werk’.

Toegankelijk is het zeker, en uitnodigend ook. Het is verfrissend om een tentoonstelling te bezoeken die technische artistieke vaardigheid zonder verontschuldigingen zo centraal durft te stellen. Het Tekenkabinet is een initiatief van beeldend kunstenaar Manja van der Storm. Vanuit uitvalsbasis Amsterdam kiest ze jaarlijks twee of meer bijzondere locaties om een groeiend publiek kennis te laten maken met een afgewogen selectie werk van professionele tekenkunstenaars. Haar presentatie blijkt inderdaad minder willekeurig dan op eerste gezicht lijkt. Van der Storm spreekt zelfs over een ‘wandvullende compositie’, waarin de verschillende werken op kleur, formaat of thema zijn gerangschikt.

Wat opvalt aan de selectie is de mate van afwerking en de details. De bezoeker kan zowat in de tekeningen kruipen en nog steeds niet alles zien. Zo is op het kleine papier van Stan Klamer met minieme potloodlijntjes een scala aan instrumenten en dieren getekend op een ondergrond van blauwe lijnen en rode stippen. Een waterput zweeft naast een zebra. Een globe deelt een hoek met een kroon, een vogelhuisje en een vlieg. Het werk fascineert alleen al door de concentratie en toewijding waarmee het zo overduidelijk tot stand is gekomen.

Eenzelfde tong-tussen-de-tanden-tekenplezier is te ontwaren in het werk van Bernadette Beunk, wiens delicate potloodlijnen een abstracte 3-D vorm scheppen. Daaroverheen is met rode en zwarte pen een juist heel platte voorstelling gezet, die zich nog het beste laat omschrijven als een combinatie tussen calligrafie en verbind-de-puntjes. Conceptueel interessant wordt het bij Leonie Mijnlieffs Vanitas met vlinder, geschilderd met ossenbloed. De ondergrond van de bloementekening wordt gevormd door een pagina van het instructieboek ‘Handleiding voor het teekenen van bloemen’. Hier wordt de bezoeker ongemakkelijk herinnerd aan de oorspronkelijke rol van de tekenkunst. Want heeft die, nu het zijn functie van voorstudie heeft verloren, nog wel betekenis? Natuurlijk kan het tekenen juist om zijn schetsmatigheid, zijn directheid en informaliteit worden gewaardeerd. De hand van de meester en zijn werkproces zijn immers het meest zichtbaar in de tekening. Persoonlijker dan tekenen wordt het eigenlijk niet.

Echter juist door deze functie heeft de tekenkunst eeuwenlang een lagere plaats ingenomen in de hiërarchie. Organisatoren van het Tekenkabinet, maar ook van andere initiatieven zoals Amsterdam Drawing en het Drawing Centre in Diepenheim, zien zich genoodzaakt de tekenkunst weer te verheffen tot zelfstandige kunstvorm en benadrukken de intrinsieke waarde van de tekening.

De wijze waarop deze tekenemancipatie wordt bevochten is bijzonder. De exclusiviteit die de voorvechters pogen te waarborgen lijkt namelijk vooral ook een zaak van het buitensluiten van voorheen tot de tekenkunst behorende genres, zoals illustratie, strip- en modeltekenen. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen het tekenen en de kúnst van het tekenen. Alleen ‘eindproducten’ zijn interessant genoeg om te tonen. “Dan kom je toch bij het cerebrale werk uit”, zegt Van der Storm. Ook Nanette Kraaijkamp van het Drawing Centre Diepenheim, die zelf bij het Tekenkabinet exposeert, liet onlangs in de NRC optekenen dat andere domeinen niet thuishoren in Drawing Front. “Als je die gaat betrekken in zo’n tekenkunsttentoonstelling, dan kun je net zo goed zeggen: ik hang een wandje met Sikkens-verfkleuren op als ik een tentoonstelling van schilderkunst maak.” Een sneer naar zowel het tekenen als het schilderen, die bovendien getuigt van een weinig genuanceerde en aanhoudend hiërarchische visie op hun beider rijke traditie.

Opvallend genoeg zijn in de huidige tentoonstelling van het Tekenkabinet de tekeningen die het meest bijblijven juist die werken die de grenzen van het medium opzoeken. De tekeningen die het platte vlak ontstijgen, die uit de muur komen, die gemaakt zijn met onconventioneel materiaal (ossenbloed, nagellak), en de collages met vreemde objecten. Zo zijn in Kate van Harrevelds prachtige, ingetogen Copper Glitzy agaatschijven en boomschors verwerkt. Marianne Lammersen, wiens oeuvre voornamelijk uit sculpturen en installaties bestaat, maakte voor deze expositie de collage Sferen, een versneden tekening van een figuur die omgekeerd aan een stokje hangt. Een verstild en vervreemdend werk, waarvan de originaliteit juist schuilt in de breuk met de regels van het tekenen.

Dat Amsterdam een groot aantal vaardige, originele en bijzondere tekenkunstenaars rijk is moge duidelijk zijn. In het Tekenkabinet in Nieuw Dakota worden ze ingezet om aan te tonen dat tekenen met een grote T bestaat. De tentoonstelling is echter vooral ook illustratief voor de worsteling die gepaard gaat met de emancipatie van de tekenkunst. Met de focus op eindproducten, op ‘af’ en cerebraal werk, wordt een beperkende visie blootgelegd die deze emancipatie niet ten goede komt. Té af, weet ik inmiddels, kan wel degelijk bestaan.

Nationale tekenkunstmanifestatie Drawing Front presenteert in samenwerking met 20 kunstenaarsinitiatieven nog tot en met juni 2016 tentoonstellingen door heel Nederland.

De website van Tubelight loopt op zijn eind. Dus als je artikelen van Tubelight wilt blijven lezen, doe een donatie, en help ons de recensies te redden en een nieuw online platform voor kunstkritiek te bouwen. Lees er meer over hier.

Giften kunnen overgemaakt worden t.n.v. Stichting Tubelight rekeningnummer NL88INGB0001018294 ov.v. ‘Website Tubelight’.

Bernadette Beunk, Z.T. Foto courtesy Tekenkabinet.
Leonie Mijnlieff, VANITAS MET VLINDER. Foto courtesy Tekenkabinet.
Kate van Harreveld, COPPER GLITZY. Foto courtesy Tekenkabinet.
Marianne Lammersen, SFEREN. Foto courtesy Tekenkabinet.

De slakken van Paul Geelen

Julia Steenhuisen
Paul Geelen, SLIDING UNDER TRACES (2015). Foto: Luciana Caputo, tentoonstellingsoverzicht A Tale of a Tub 2016

Vooralsnog duidt alles erop dat de tijd zich niet zomaar laat tegenhouden en de dood niet kan worden afgewend. Niets weerhoudt Paul Geelen er echter van langdurig onderzoek te doen naar de mogelijkheid van een levensverlengend elixer. Eerste stap in zijn zoektocht: slakkenslijm, het vermeende wapen in de strijd tegen veroudering. Een wondermiddel om de verwelking van de huid tegen te gaan en het te vrijwaren van verval.

In A Tale of a Tub wordt het slakkenslijm zienderogen geproduceerd. Wanneer je de tentoonstellingsruimte betreedt, zie je boven je hoofd tientallen slakken zich voortbewegen over een grid van plexiglas. Eenmaal de eerste etage bereikt, wordt je zicht geboden op dezelfde slakken maar nu van bovenaf. Ondertussen komt doorlopend het slijmerige geluid van bewegende slakken uit de luidsprekers die verspreid door de ruimte staan.

De tentoonstelling vindt plaats in het kader van de jaarlijkse aanmoedigingsprijs van Stichting C.o.C.a. In de hoos van cultuurbezuinigingen probeert dit verzamelaarscollectief luwte te scheppen door jaarlijks een werkbeurs te verstrekken aan een getalenteerd kunstenaar. Dit jaar werd Paul Geelen door curator Niekolaas Johannes Lekkerkerk voorgedragen. In zijn tentoonstellingstekst prijst Lekkerkerk Geelens werk om de procesmatige en onderzoekende manier waarop deze kunstenaar te werk gaat. Met zijn werkbeurs ging Geelen naar Chili om daar de oorsprong van het geheim achter het slakkenslijm te achterhalen en meer te weten te komen over het productieproces. Deze praktische kennis brengt Geelen vervolgens samen met verschillende wetenschappelijke domeinen, zoals kennis over ’s werelds oudst bewaarde mummies, en ook magie en bijgeloof. Het resultaat is een heldere visualisering van een onderzoeksvraag in de vorm van een installatie die boeit, al is het niet lang.

De vertaalslag blijkt meteen vrij letterlijk. Dit gaat ten koste van grondig onderzoek. De drijfveer voor en nieuwsgierigheid naar de thematiek blijkt particulier, en dreigt tegelijkertijd de algemeenheid niet te overstijgen. Deze vluchtigheid levert een gestileerde presentatie op bekrachtigd door de neutrale, zakelijke beeldtaal waar Geelen voor kiest. De vraag die rijst is: hoe vernieuwend is de gezochte samensmelting van terreinen dan als vorm en hoe vernieuwend is zijn inhoud? Het is aan beide zijden dat Geelen tekortschiet.

Geelen raakt in zijn werk zijdelings enkele onderwerpen aan, de eindigheid van het leven en de maakbaarheid daarvan, maar laat ze vervolgens weer met rust. De vanitas-thematiek die hij aansnijdt zet de bezoeker ongetwijfeld aan tot overpeinzingen over sterfelijkheid, het voortgaan van de tijd en zijn onzekere toekomst. Maar hierin zijn de slakken echter niet meer dan figuranten in een interessant schouwspel. Vertraagd, tot stilstand gekomen, een paar vierkante centimeters verkend – hun dagen zijn geteld.

Paul Geelen rondde in 2014 zijn residentieperiode aan De Ateliers af. Dit deed hij met een presentatie die wat inspanning vereiste van de kijker – maar die kreeg daar dan wel wat voor terug. Geelen verbond verschillende elementen, schijnbaar onsamenhangend, om daarmee een wereld tot stand te brengen. Het was zijn wereld, een binnenwereld. Hij onderzocht onder meer de intrinsieke kwaliteiten van materie. Lood bijvoorbeeld, liet hij exploderen en in water stollen. In Sliding under Traces richt hij zichzelf juist naar buiten, zoekt hij bevestiging in schijnbare objectiviteit. Terwijl de waarheid en kracht van zijn onderzoek in zijn nieuwsgierigheid liggen. Vrijelijke associaties en persoonlijke reflecties zijn gemakkelijk te verwarren met daadwerkelijk onderzoek, maar het verschil is uiteindelijk groot. Voor Geelen geldt: richt je naar binnen, vertrouw op je eigen waarheid.

De website van Tubelight loopt op zijn eind. Dus als je artikelen van Tubelight wilt blijven lezen, doe een donatie, en help ons de recensies te redden en een nieuw online platform voor kunstkritiek te bouwen. Lees er meer over hier.

Giften kunnen overgemaakt worden t.n.v. Stichting Tubelight rekeningnummer NL88INGB0001018294 ov.v. ‘Website Tubelight’.

Paul Geelen, SLIDING UNDER TRACES (2015). Foto: Luciana Caputo, tentoonstellingsoverzicht A Tale of a Tub 2016

De kunstenaar als alchemist

Thomas Stokmans
Peggy Franck, ADULT CONVERSATIONS III: HIM, HER, THEM (2015)

Hoewel het inmiddels al vijf jaar geleden is dat galerie Boetzelaer|Nispen Londen verruilde voor Amsterdam, is de band met deze metropool nog steeds sterk en dat is terug te zien in het programma. Zo wordt er elk jaar een jonge curator uitgenodigd, die gelieerd is aan de MFA in Curating van Goldsmiths (University of London), om een tentoonstelling samen te stellen. Dit jaar is de eer aan Adrienne Groen, die na enkele succesvolle tentoonstellingen in Londen haar debuut maakt in Nederland.

In Rare Collisions of Purpose graaft Groen diep in het menselijk brein en onderzoekt ze onze drang om te categoriseren. Het zit in de menselijke natuur om te observeren en onze omgeving te classificeren. Alles wat we doen en alles wat we waarnemen is bepaald door zogeheten ‘voorgefigureerde classificatiesystemen’. Hiermee begrijpen en interpreteren we de wereld. Daarnaast is classificeren een tool geworden om onszelf te uiten. Tijd en plaats zijn onderverdeeld in begrijpelijke secties en er worden specifieke functies aan materialen, voorwerpen, en zelfs aan bijvoorbeeld kamers in een huis toegewezen. Verschillende formaties ontstaan kennelijk door deze systemen waardoor een universele koppeling gecre‘erd wordt, waarin elk element continu het andere informeert – een interessant gegeven dat niet meteen duidelijk wordt wanneer de bezoeker de galerie binnenloopt. Binnen de witte muren staan abstracte werken met felle kleuren en onconventionele vormen, die met uiteenlopende materialen zijn gemaakt. Wat hen bindt is echter nog onduidelijk en het brein lijkt het geheel moeilijk te kunnen classificeren. Is dit de bedoeling?

In de fraaie hand-out stelt Groen dat het onwaarschijnlijk is dat er in de gestructureerde setting van het brein ruimte is voor een concept als kans, dat onverschillig is voor de relatie tussen dingen. Kans kan echter ook ontstaan en een uitkomst zijn van maatregelen en eerdere besluiten. Een onvoorspelbare uitkomst die bijvoorbeeld in de traditie van alchemie aan de basis stond toen er geprobeerd werd om metaal te veranderen in goud. Die onvoorspelbare uitkomsten droegen bij aan nieuwe theorie‘n en uiteindelijk aan de ontwikkeling van de moderne wetenschap. In de tentoonstelling wil Groen de fijne lijn tussen het geregisseerde en het onverwachte van verschillende processen in de studio van de kunstenaar tonen.

Groen lijkt zich op glad ijs te begeven met dit allesomvattende onderwerp. Is een kunstwerk niet altijd de uitkomst van een reeks aan toevalligheden? Een zoektocht naar de manier om een idee zo goed mogelijk uit te voeren? En wat te denken van de werkbaarheid van het gekozen materiaal? Hoe vaak komt het niet voor dat een ‘ongelukje’ zo tastbaar is in het uiteindelijke werk. Te snel opgedroogde olieverf waardoor craquelŽ ontstaat, een overbelicht negatief of een door vocht aangetast stuk papier. Ze lijkt zich bewust van deze valkuil en kiest voor een selectie aan kunstenaars die onderzoek doen naar materialen in hun directe omgeving. Het atelier van de kunstenaar wordt door Groen in deze tentoonstelling mooi vertaald naar de smeltkroes van de alchemist waar gevonden objecten met elkaar botsen, versmelten en nieuwe vormen aannemen. Dit is duidelijk te zien in Collapsed bollard, van Robert Cervera, een aantal pilaren van een door nat cement gehaalde en opgerolde foto’s. Sommige staan fier overeind, terwijl een ander door het gewicht van het cement ingestort is waardoor een vreemde vorm ontstaat en het kunstwerk sculpturale kwaliteiten krijgt. In a dead man’s float toont een afbeelding van de vloer van de studio van Peter Lamb. Keer op keer gebruikte hij hetzelfde beeld waardoor zijn werkproces inzichtelijk wordt gemaakt. Hoewel de werkwijze interessant is en past bij het thema van de tentoonstelling, spreekt de uitkomst weinig tot de verbeelding.

Zeer geslaagd is echter Adult Conversations III: Him, Her, Them, een werk van Peggy Franck. Ze maakte een print tijdens een residency in het voormalig huis en atelier van Lucebert. Franck refereert en herkadert restanten van Lucebert’s aanwezigheid, waarmee ze een fysieke geschiedenis vastlegt en documenteert. Tijdens het documenteren voegt ze continue fysieke lagen toe. Lagen die een directe dialoog afdwingen en het ‘slapende atelier’ meteen doen activeren. Al botsend en schurend gaat ze letterlijk de discussie aan met het atelier, terwijl ze zorgvuldig de ruimte verkent en gecontroleerd overneemt.

Het thema van de tentoonstelling is gewaagd en biedt een interessante inkijk in de werkwijze van de kunstenaar. Groen deed gedegen onderzoek en snijdt een belangrijk thema aan dat de perceptie en interpretatie van kunst kan veranderen. Een thema dat hopelijk vaker zal worden onderzocht door zowel kunstenaars als curatoren. Wel is het van belang dat nieuwe presentatievormen worden uitgevonden en het eindresultaat kritisch wordt geanalyseerd.

De website van Tubelight loopt op zijn eind. Dus als je artikelen van Tubelight wilt blijven lezen, doe een donatie, en help ons de recensies te redden en een nieuw online platform voor kunstkritiek te bouwen. Lees er meer over hier.

Giften kunnen overgemaakt worden t.n.v. Stichting Tubelight rekeningnummer NL88INGB0001018294 ov.v. ‘Website Tubelight’.

Hyper-casual

Pia Louwerens
Calla Henkel & Max Pitegoff, FOREWORD (2016) foto: Aad Hoogendoorn

Apple, Amazon, Google, Yahoo, Twitter, Uber, Airbnb, Dropbox, Spotify, Snapchat, Pinterest, Facebook: ooit waren dit start-ups, startende bedrijven die ervan droomden om een echt bedrijf te worden. Het doel van een start-up is het verkopen van een fictie, zowel aan investeerders als aan klanten. Een andere industrie die goed is in het verkopen van fictie, is de beeldende kunst. Op de begane grond van Witte de With in Rotterdam bevindt zich het komende jaar Para | Fictions, een zesdelige tentoonstellingsreeks over de relatie tussen beeldende kunst en literatuur. De huidige presentatie, Foreword, bevat werk van Calla Henkel & Max Pitegoff met teksten van Emily Segal. Drie kunstenaars die zich op radicale wijze bezighouden met de overeenkomsten tussen start-ups en beeldende kunst.

Kunstenaarsduo Calla Henkel en Max Pitegoff zijn na hun afstuderen naar Berlijn verhuisd. Daar raakten zij gefascineerd door de overeenkomsten tussen kunstenaars die wonen en werken in Berlijn en de in Berlijn gevestigde start-ups: gentrification, risico, een relatie tot nutteloosheid, de positie van zowel kunstenaars als start-ups binnen de creatieve klasse en “jonge lichamen enigszins onderuitgezakt voor aluminium ingekapselde schermen”.

In het midden van de expositieruimte van Foreword staat meubilair van verschillende creatieve ondernemingen die zij de afgelopen vijf jaar in Berlijn gerund hebben: hun eigen studio, de Times bar, New Theater en de AirBnB die het theater bekostigde. Op de tafels staan aluminium A4 vellen met daarop Photography & Eating (2013), een verhaal verteld vanuit de eerste persoon, waarin ze een serie afspraken met kantoren van start-ups in Berlijn beschrijven. Aan de chemisch roze geverfde muren hangen foto’s van het onderhoud van de AirBnB. Daarnaast zijn deze behangen met teksten: fragmenten uit de roman in wording van Emily Segal, waar steeds weer een nieuwe laag aan toe wordt gevoegd naarmate de roman vordert. Een veelomvattend project dus, in een vrij kleine ruimte.

In Foreword wordt steeds duidelijk gemaakt hoe parasitair de relatie van start-ups tot creativiteit is. Het vercommercialiseren van creativiteit om geld te verdienen is vergelijkbaar met gentrificatie: een stad verliest zijn oorspronkelijke bewoners, de kunst zijn oorspronkelijke liefhebbers. Het beginnen van een start-up door kunstenaars heeft daarmee iets ironisch, aangezien de kunstenaars de markt als instrument gaan gebruiken, terwijl ze er zelf door opgevreten worden. Henkel & Pitegoff doen dit als artistiek onderzoek maar ook uit noodzaak: “riding the real estate cannibalism of the city to fund our own neo-bohemia, our politics long bleached away”.

Toch zijn het bewust geen gehaaide ondernemers; falen en succes zijn als resultaat voor een kunstproject even interessant. Hun aanpak is daarmee nog romantisch te noemen: zij kijken hoe zij als individuele kunstenaars in deze woeste wereld kunnen overleven, en produceren hiermee uiteindelijk ook werken die als kunstproducten herkend kunnen worden zoals sculpturen, installaties, foto’s en toneelstukken.

Waar Henkel & Pitegoff de positie van outsider innemen zit Emily Segal er middenin. Segal is mede-oprichter van K-Hole (2010), een vijfkoppig trend forecasting kunstenaarscollectief. Zij maken PDF’s waarin ze op associatieve wijze trends voorspellen, zoals dit ook in de modewereld gebeurt. Vanwege het corporate taalgebruik en de vrije manier van onderzoek doen, zijn deze PDF’s even relevant voor de kunstwereld als toepasbaar voor de reclame industrie. K-Hole is bekend geworden door het bedenken van de paradoxale mode-term normcore – een kledingtrend die bedoeld is om niet op te vallen.

Een jaar lang werkte Segal als creative director bij succesvolle web-start-up Genius. Als de functie van creative director wordt vervult door een kunstenaar moet het resultaat wel kunst zijn, was haar idee, vooral als de arbeid er hetzelfde uitziet. In die zin zou zij een start-up kunnen kapen om kunst te produceren. Segal heeft drie maanden geleden ontslag genomen bij Genius, en haar roman in wording die op de muur hangt in Foreword is autofictie over deze werkperiode. Segal haar ironie is vlijmscherp: de romantekst beschrijft hoe een creative director (een fictieve versie van Segal) een foto van een kunstwerk heeft gemaakt. De foto wordt toegeëigend door een collega die het vervolgens, buiten haar medeweten om, als olieverfschilderij laat reproduceren voor op kantoor. Deze beschrijving heeft niets romantisch, maar getuigt van een beangstigend helder inzicht in het systeem waar ze zelf aan bijdraagt.

Het enige waar een start-up om draait is het verhaal, de pitch. Dit is wat investeerders, gebruikers of werknemers zal verleiden om een start-up in een echt bedrijf te veranderen. Vanuit deze gedacht hebben Henkel & Pitegoff en Segal Foreword compleet ingebed in tekst. Niet alleen bestaat het grootste deel van het werk uit tekst, maar er is een zaaltekst, een begeleidend essay en een background evening waarin deze teksten nogmaals worden voorgedragen en toegelicht. Om eerlijk te zijn was uw verslaggever tijdens de eerste background talk al helemaal ingepakt door taalgebruik als “puddle of lukewarm neoliberalism” en “hyper-branded communities”. Zowel Calla Henkel & Max Pitegoff als Emily Segal zijn uitstekende en gevatte schrijvers, en beheersen de corporate taal volkomen: hyper-designed en hyper-casual, om de kunstenaars te citeren. In deze knoop van geld, taal en fictie is het een briljante vondst om een roman in wording te presenteren, een soort pitch van een potentiële fictie.

Toch kan ook deze expositie het fysieke niet helemaal ontkennen. Het is, in het licht van zowel het onderwerp als de alles opvretende inleiding, bijna overbodig om te vertellen dat de fysieke presentatie van Foreword een beetje tegenviel. Zowel de keuze om dingen op de wand te hangen als de sculpturen lijken opeens erg romantisch en ouderwets. Waar deze fysieke wereld begint houdt de voorstelling op, het verhaal zelf blijkt toch mooier te zijn dan het werk wat het beschrijft. Toch staat de pitch van Foreword na het zien van de presentatie nog steeds. Dit project ontleent haar kracht aan haar ambiguïteit: het kunstproject wat misschien gewoon een baan was, het evenement wat misschien een performance was en het boek wat misschien nooit zal bestaan. Juist deze gebakken lucht maken deze tentoonstelling zo bijzonder, en de vergelijking tussen kunst en start-ups zo invoelbaar.

De website van Tubelight loopt op zijn eind. Dus als je artikelen van Tubelight wilt blijven lezen, doe een donatie, en help ons de recensies te redden en een nieuw online platform voor kunstkritiek te bouwen. Lees er meer over hier.

Giften kunnen overgemaakt worden t.n.v. Stichting Tubelight rekeningnummer NL88INGB0001018294 ov.v. ‘Website Tubelight’.

Calla Henkel & Max Pitegoff, FOREWORD (2016) foto: Aad Hoogendoorn
Calla Henkel & Max Pitegoff, FOREWORD (2016) foto: Aad Hoogendoorn
Presentatie Joke Hermes

Om de zoveel tijd duikt de discussie weer op; wat is de stand van de kunstkritiek heden ten dage? Waar gaat het naartoe met deze tak van sport en waar zou deze naartoe móeten gaan? Wat zijn de bedreigingen voor de criticus en wat de mogelijkheden? Deze en andere vragen werden, dit keer door de Boekmanstichting die er een speciale papieren editie aan wijdde, weer eens op de kaart gezet. En gezien de grote opkomst (de avond werd vanwege het aantal aanmeldingen verplaatst van Spui 25 naar het OBA theater) zijn het klaarblijkelijk vragen die nog altijd veel losmaken. Voor een echt droste-effect hierbij een kritiek over deze debatavond.

Bij aanvang deed moderator Mariëlle Hendriks (directeur van de Boekmanstichting) een inventarisatie van de achtergrond van de mensen in de zaal. Hoeveel studenten zitten hier? Een kwart van de handen gingen de lucht in. Hoeveel professionals in de kunstsector? Driekwart van de handen gingen omhoog. En hoeveel die zichzelf als (kunst)criticus zouden bestempelen? Slechts enkelen durfden hun hand op te steken.

Het is exemplarisch voor een beroep dat anno 2016 zo weinig vastomlijnd is. Had je vroeger enkele autoriteiten op het gebied van kunstkritiek die de alleenheerschappij binnen een krant of tijdschrift genoten en met een klein clubje collega’s de publieke opinie bepaalden, het laatste decennium zijn er tal van andere kanalen bijgekomen voor een veel grotere groep om hun mening te uiten. Bloggers, vloggers, Youtubers en soortgenoten bereiken een veel groter, breder en nieuwer publiek. Deze pluriformiteit heeft zoals in zoveel andere sectoren sinds de komst van het internet een onomkeerbare verschuiving teweeggebracht in de dynamiek van de kunstkritiek. Zoals iedereen tegenwoordig ‘cureert’ (deze term is lang niet meer alleen van toepassing op de tentoonstellingssamensteller), is iedereen ook criticus. Jezelf vermarkten en je mening spuien op internet voor een grote groep afnemers is voor velen dagelijkse kost. Hoe verhoudt de kunstcriticus zich daartoe? Tot zover is de discussie bekend terrein.

De avond opent met een column van Merel Bem (kunstcriticus voor De Volkskrant) waarin zij haar persoonlijke proces tijdens het schrijven uiteenzet. Een goede recensie komt tot stand met ‘toewijding, tederheid en esprit’. Bem schetst de afwegingen die tijdens het schrijven gemaakt moeten worden: hoe persoonlijk maak je de recensie bijvoorbeeld? Maak je gebruik van de ik-vorm? ‘Gezien het feit dat een kunstkritiek in wezen een subjectieve beschouwing van een persoonlijke beleving van de kunstuiting van iemand anders is [leest u deze zin gerust twee keer], kan een recensie niet anders dan persoonlijk zijn’, aldus Bem. Betrokkenheid is dan ook het grootste goed van een geslaagde kunstkritiek.

Vervolgens geven drie sprekers achtereenvolgens hun visie op de huidige uitdagingen voor de kunstkritiek. Steven ten Thije (onderzoekscurator bij het Van Abbemuseum) stelt dat kunstcritici hun blik moeten verbreden tot buiten het domein van de kunstsector. Het ‘huis van de kunst’ is op dit moment niet in balans omdat de kunstkritiek te weinig gewicht heeft in het huidige maatschappelijk debat over de rol en het nut van kunst. Ten Thije zou de kunstkritiek willen zien als een ontmoetingsplaats in de publieke ruimte, waar verbanden kunnen worden gelegd met bredere maatschappelijke discussies. Net zoals kunst zelf een relatie aangaat met de maatschappij, zou ook de kritiek daaraan moeten aanhaken. We kunnen het ons niet meer veroorloven in hokjes te blijven denken. Een heel concreet voorbeeld hiervan is de plek die kunstkritiek krijgt binnen een krant. ‘Cultuur’ zou geen aparte bijlage moeten zijn maar worden verweven met andere nieuwsvormen. Ten Thije doet dan ook een oproep tot experiment: in een debat met mensen uit verschillende sectoren uit de samenleving zou de kunst als ‘wig’ kunnen dienen – als denkoefening, waarbij de kunstcriticus de rol van bewaker van de interpretatie van de kunst krijgt toebedeeld.

Na dit theoretisch kader volgt een praktijkvoorbeeld. Bregt van Wijnendaele is medeoprichter van het Vlaamse initiatief De Zendelingen – een uitzendbureau voor kunstkritiek nieuwe stijl, vooral gericht op de podiumkunsten. Tijdens zijn presentatie laat Van Wijnendaele het publiek een app installeren die hem in staat stelt om via de beamer een rechtstreekse dialoog met de mensen in de zaal aan te gaan. Het is een voorbeeld van waar de Zendelingen voor staat: het creëren van een directe dialoog tussen het publiek, de makers, en de mediators. Waar kunstkritiek nu vaak eenrichtingsverkeer is, pleit Van Wijnendaele voor meer uitwisseling tussen de verschillende partijen.
Een ander voorbeeld is De Biechtstoel, waarin verschillende toeschouwers, een expert en een maker na afloop van een voorstelling anoniem, want net als bij een echte biechtstoel afgescheiden door een gordijntje, hun ervaringen delen. Het resultaat wordt vervolgens door De Zendelingen gemonteerd tot een pakkend filmpje van maximaal 5 minuten en online gezet. Het streven naar meerstemmigheid en zowel on- als offline opereren, zijn de belangrijkste wapenfeiten van dit initiatief.

Ten slotte krijgt Joke Hermes (lector Media, Cultuur & Burgerschap, Hogeschool Inholland) het woord. Haar betoog is gericht op publieksbereik in de huidige netwerkcultuur. Naar eigen zeggen weet ze weinig van kunst – haar expertise ligt op het gebied van televisie en populaire cultuur. Maar zoals in elk vakgebied zijn ook in de kunstwereld van oudsher mechanismen waar in- en uitsluiting van bepaalde publieksgroepen van kracht zijn. We moeten volgens haar toe naar een meer inclusieve manier van cultuur bedrijven en streven naar het bereiken van een breder publiek door meerdere vormen van kunstkritiek naast elkaar te laten bestaan. Online kritiek loopt daarin voorop: onder meer Nerdwriter en Vice slagen er al een aantal jaar in om kunst toegankelijk te maken voor een andere groep mensen dan de traditionele krantenlezer.

Zoals wel vaker bij debatten is er ook deze avond te weinig tijd ingeruimd voor een echte discussie. Terwijl dat juist tot nieuwe inzichten kan leiden (aldus de sprekers in hun monologen). Zo gaat Ten Thije heel terecht in tegen het pleidooi voor insluiting van Hermes: de kunstkritiek wordt hierdoor namelijk ‘in een hoek geduwd omdat we iets moeten bieden wat leuk en aangenaam is. Terwijl we juist kanalen moeten vinden om dingen die kwetsbaar of pijnlijk zijn bespreekbaar te maken.’

Maar hoe belangrijk is de kunstkritiek werkelijk in het algehele maatschappelijke debat? Maken we onszelf niet groter dan we zijn? Zijn we niet slechts een luis in de pels? Van Wijnendaele: ‘We moeten niet streven naar een zo groot mogelijk bereik, maar naar het leggen van nieuwe netwerken.’ Heeft internet de kunstkritiek in dit opzicht veranderd? Volgens Bem niet in wezenlijke zin: de kern van een kritiek is nog steeds het beschrijven, interpreteren en verklaren van een kunstuiting. Nog steeds moet je de juiste woorden vinden om je boodschap over te brengen, of dat nou in woord of geschrift, gedrukt of online is. Online kanalen verzanden volgens haar daarbij nog te vaak in beeldreportages of kopieën van persberichten. Waar is de winst dan geboekt? Volgens Van Wijnendaele toch in de hoeveelheid kanalen, al dan niet van wisselende kwaliteit.

De aanslagen in Brussel eerder die dag werpen een geforceerde schaduw over het debat. Na een inzet door de moderator lijkt elke spreker zich verplicht te voelen om te refereren aan het belang van diversiteit en het bereiken van etnische minderheden. Het leidt meermaals tot ongenuanceerde opmerkingen die door een verder blanke zaal ongemakkelijk worden ontvangen. Pas tijdens de slotronde worden de sprekers door een van de weinige donkere toeschouwers op de tribune toch nog stevig van repliek gediend. Ze merkt op dat wil je daadwerkelijk insluiting van etnische minderheidsgroepen in de samenleving en dus ook in de kunst, je allereerst moet ophouden deze doelgroepen als ‘de ander’ te bestempelen. Deze groepen (die ook weer pluriform zijn) hebben daarbij tal van culturele uitingen die zelden of nooit in traditionele media besproken worden. Fijntjes sluit ze af met de opmerking dat een criticus zich toch bewust zou moeten zijn van de kracht van woord en taal.

Het vormde een gepassioneerde afsluiting van een debat dat breed uitwaaierde naar vele deelonderwerpen en wisselend steek hield. De titel van de avond, ‘hoe kritisch is de kunstkritiek?’, bleek weinig relevant. Veel belangwekkender is de vraag: ‘hoe kritiek is de toestand van de kunstkritiek? Na een avond navelstaren over de eigen beroepsgroep is duidelijk geworden dat de kunstkritiek onverminderd van belang is, maar zijn rol in de maatschappij ook naar zich toe moet trekken. De kunstcriticus heeft de taak om de rol van kunst in onze samenleving te benadrukken en te verweven in bredere maatschappelijke discussies. De uitingen zijn pluriform, hybride en van wisselende kwaliteit. Misschien is dit wel de grootste verdienste van de veelvoud aan meningen: het zet de lezer aan tot kritische reflectie.

Debat Hoe kritisch is kunstkritiek?
Machteld Rullens, SLOW LEARNER (2015). Courtesy Nieuwe Vide

De tentoonstellingsruimte van Nieuwe Vide in Haarlem heeft geen vide. De hoge witte ruimte leent zich er wel voor, maar in plaats daarvan is er voor deze expositie halverwege een dikke muur geplaatst die de tentoonstellingszaal in tweeën deelt. “Ik vond het zo saai als je een expositie binnenkomt en meteen alles kunt zien”, vertelt curator Lennard Dost. Bij binnenkomst loop je eerst langs een bar die tegen de linkerwand is neergezet. Het is een overblijfsel van de vorige tentoonstelling 20 years of deferred value, een reeks van twintig solopresentaties enkel bestaande uit een opening. Nieuwe Vide richt zich vooral op nieuwe media in de beeldende kunst, maar zoekt ook verbinding met populaire cultuur, literatuur, films en muziek.

De huidige tentoonstelling is hier een mooi voorbeeld van. In search of Thomas Pynchon geeft de aftrap voor het jaarthema bij Nieuwe Vide: counterculture, cultuur die zich tegen de gevestigde orde keert. Ik moet eerlijk bekennen dat de naam Thomas Pynchon mij in eerste instantie niet bekend voorkomt en hier begint een kennismaking die uiteindelijk meer vragen dan antwoorden zal oproepen. Toen Lennard Dost de kunstenaars benaderde met de vraag “Wie is Thomas Pynchon?”, maakten zes van de acht speciaal voor deze tentoonstelling een nieuw werk.

“Als je Pynchon kent voel je de connectie wel. Als je hem niet kent, dan zie je de connectie tussen de werken en dan haal je die laag eruit”, aldus Dost. Het enige dat we zeker over Pynchon weten is dat hij geboren is in 1937. Het is een zeer succesvolle Amerikaanse, postmodernistische schrijver die in de jaren 60 debuteerde met zijn boek V. In de jaren zeventig schrijft hij zijn meesterwerk Gravity’s Rainbow, een encyclopedisch dik boek met meer dan vierhonderd personages. Zijn werk zit vol met complotten en paranoia en vormt een labyrint van bijzinnen aan bijzinnen. Hij creëert een compleet eigen wereld.

Zijn meest recente boek, Bleeding Edge, verscheen in 2013. Zeer opvallend is zijn complete afwezigheid in de pers. Nooit heeft hij een interview geven, nooit is hij publiekelijk naar buiten getreden – een contrast met de hedendaagse cultuur. Wie streeft er nog naar onbekendheid en laat enkel zijn werk voor hem/haar spreken? Het enige belletje dat bij mij gaat rinkelen is bij het werk van Katharina Swoboda. Voor haar videowerk Shasta (2016) liet zij zich inspireren door de fictieve figuur Shasta Fay Hepworth uit Pynchons boek Inherent Vice (2009). In 2014 verscheen de gelijknamige film gemaakt door Paul Thomas Anderson. De video toont het mogelijke leven van Shasta in de tijd dat zij niet aanwezig is in het verhaal. Swoboda zegt zichzelf en haar positie als videomaker te identificeren met de hoofdpersoon Larry ‘Doc’ Sportello en zijn motivatie voor zijn zoektocht naar iets of iemand. Shasta is zijn ex-vriendin en zij is grotendeels afwezig, maar aanwezig in Larry’s gedachtes en zijn verlangen naar haar. Swoboda: “And – isn’t yearning for somebody the biggest motivation?”

In de eerste ruimte hangen rechts aan de muur in een cirkel tien portretten die aan kwaliteit lijken te hebben ingeleverd. Deze installatie van Machteld Rullens, getiteld Slow Learner (2015), bevat één portretfoto die van Thomas Pynchon zou kunnen zijn – er circuleren twee mogelijke portretten van hem online. Een andere foto is van de kunstenaar zelf en de overige acht zijn beelden van radio operators die het heelal in de gaten houden. De ruis in deze afbeeldingen komt door de grote afstand die ze hebben afgelegd: naar de maan en weer terug.

Is er een fascinatie voor de maan en het heelal terug te vinden in Pychon’s literaire werk? Pia Louwerens werpt zich in haar audiowerk op als de maker van de persoon Thomas Pynchon. Door zijn fysieke afwezigheid wordt hij zelf een literair personage in plaats van een mens van vlees en bloed. Tijdens de finnisage op 5 maart deed zij als onderdeel van dit werk een performance.

Hoe meer ik mij verdiep in de kunstwerken, hoe meer vragen zich opwerpen. In een reactie op een artikel van schrijver Jules Siegel over de complexiteit van het boek V zei Pynchon: “Why should things be easy to understand?” – een vraag die ook in onze hedendaagse cultuur actueler lijkt dan ooit. De oppervlakkige behoefte aan brokklare informatie en de korte concentratie in de huidige zap-cultuur vragen om een counterculture en deze tentoonstelling lijkt daarin een voorbeeldfunctie te hebben. De beeldende zoektocht geeft geen kant-en-klare antwoorden, maar vergroot de mythe van Pynchon en wakkert de nieuwsgierigheid naar zijn literaire werk aan. En in brede zin de behoefte om dieper te graven en voorbij te gaan aan de oppervlakte van de hedendaagse massacultuur.

Ik pretendeer niets

Lynne van Rhijn
Hans de Vries, WORKS 1968-1975, tentoonstellingsoverzicht Kunstverein, 2016. Foto: courtesy Kunstverein

Een paar jaar geleden stuitte ik toevallig op een kunstenaarsboek uit de jaren zeventig waarin ene Hans de Vries alle doodgereden dieren had gedocumenteerd die hij in bijna een jaar tijd had aangetroffen langs de weg tussen zijn woonplaats Beerta en Winschoten, waar hij boodschappen deed. Van elk beestje (kikkers, een muis, een hond, enz.) maakte hij een foto en noteerde hij niet alleen datum en tijd maar ook de precieze locatie en bijvoorbeeld weersomstandigheden. Op de foto’s geen meelijwekkende doffe oogjes en hangende kopjes, of gruwelijker natuurlijk, maar door de afstand tot de camera vaak alleen een vlek langs de weg. En dan die laconieke, handgeschreven titel op het omslag: t Dooie Beestenboek (1974). Hoe kon het dat ik van deze kunstenaar nog nooit had gehoord?

In Het Tuinboek (1970) legde De Vries eerder gedurende acht maanden een moestuin en al zijn handelingen daarin vast. Neutraal, maar soms dramatisch: “Slaplantjes gaan dood o.a. door koperworm, veel rupsen, larven en eitjes doodgemaakt; geen water meer in de sloot.” De Vries destijds: “Met dat volkstuinproject heb ik een natuurlijk proces willen registreren. Eigenlijk vind ik het woord project in dit verband ook vervelend, alsof het iets is dat ik verzonnen heb, maar dit is helemaal echt.”

Prachtige werken, langzaam weggezonken in de geschiedenis. Terecht wordt De Vries nu weer uitgelicht, in een kleine overzichtstentoonstelling in Kunstverein. Opgediept door curator Krist Gruijthuijsen, die zich enige tijd heeft toegelegd op kunstenaars die ondanks een succesvolle carrière stopten met het maken van kunst. De Vries hield na het genoemde moestuinwerk ook prijswinnende geiten, bijen en koeien, en werd vervolgens fulltime kaasboer. Eerst in Duitsland en later in Denemarken, waar hij nu nog woont en geëmigreerde boeren wegwijs maakt. Afscheidstentoonstelling (1983) in De Kunstzaal in Hengelo was zijn laatste tentoonstelling.

Ook voordat werken met de natuur zijn aandacht trok was zijn houding uiterst eenvoudig: kijken naar wat er is, in een bepaalde situatie, op een bepaald moment. Geen bedoeling, geen boodschap. Gewoon iets ‘aanwijzen’. “Kunstenaar zonder kunst” stond er op zijn visitekaartje, als om te onderstrepen dat hij geen kunst maakte. In 1969 verzamelde hij twintig televisietoestellen voor een grote tentoonstelling van eigentijdse Nederlandse beeldhouwkunst. Om ze eenvoudig opnieuw aan de mensen te laten zien. “Ik pretendeer niets”, vertelde hij een journalist destijds. “Ik stapel alleen een partij tv-apparaten op. Als de mens het heeft bekeken en de volgende avond weer naar het apparaat in de huiskamer zit te blikken, herinnerde hij zich mijn apparaten. Verder niets. Het is zelfs geen satire op de televisie.”

Maar dat het werk íets doet, hoe klein ook, was toch wel het idee. Ballen in de hoeken van een ruimte doen mensen realiseren dat deze vierkant is. Zijn lange haar (toen nog aanleiding tot een vraag van een journalist!) maakt mensen ervan bewust dat het waait, “dat de lucht boven hen voortdurend in beweging is.” En twee jaar later noemt hij iets van een streven: “Wat ik doe, bewustmaken van de relatie mens-natuur is wel degelijk nuttig. Dat is van het grootste belang.”

Na verloop van tijd lijkt De Vries ook de neutraliteit van zijn registraties wat te gaan wantrouwen. Hij schrijft bijvoorbeeld hoe hij zich herinnert dat hij als kind moest poseren voor een foto en opeens niet meer wist hoe hij kijken moest. Het medium fotografie, schijnbaar niet meer dan een momentopname, blijkt gekunsteld. Ook het gebruik van zijn registraties door anderen stemt hem bedenkelijk. Hij verzoekt niet te citeren uit zijn boeken. Om de mensen die erin voorkomen, maar ook omdat het om momentopnames gaat die wellicht anders functioneren in een nieuwe context.

In de serie Stijgbeelden (vanaf 1974) omzeilt hij in zekere zin de problemen rond documentatie. Daarin vormt de natuur zelf het beeld. Kort gezegd zet hij in een mengsel van melk of fruitsap en water een opgerold velletje filterpapier dat het vocht opzuigt. Daarbij blijven de kleuren één voor één achter op het papier. De kleuren zijn hoger te zien naarmate de deeltjes beter oplossen in water. De Vries noteerde welke vrucht of koe hij had gebruikt voor de oplossing, het moment van de proef, het weer, zelfs de stand van de maan. “I certainly hope to be able to draw a conclusion out of them eventually. They were not just made for fun”, schreef hij erover. Maar ook na honderden stijgbeelden te hebben gemaakt volgde die conclusie niet.

Passend bij De Vries’ werk lijkt men voor deze expositie zo min mogelijk te hebben willen ‘ingrijpen’. De projectmappen, aangevuld met catalogi et cetera, vergen nogal wat leeswerk, waarbij niet altijd duidelijk is waar je precies naar kijkt of wat het daar doet. Even studeren helpt wel en wordt ruim beloond. Met de tweetalige publicatie is een en ander nu ook beter toegankelijk voor een niet-Nederlands publiek.

Hans de Vries, WORKS 1968-1975, tentoonstellingsoverzicht Kunstverein, 2016. Foto: courtesy Kunstverein

Het honorarium dilemma

Menno Dudok van Heel
Illustratie: Merel Barends. Courtesy Platform BK

Zoals in het essay Als starter in de stagecarrousel (TL #98, pp. 6-8) al wordt genoemd, maskeert de kunstenaar het probleem van een te laag honorarium door zijn gedrevenheid. Ook al is er geen geld, de kunstenaar blijft produceren. Daar moet verandering in komen vinden Ad de Jong, Janneke van der Putten, Ella Derksen, Steven ten Thije en Irene de Craen die onder leiding van Rune Peitersen met elkaar in gesprek gaan.

Naar aanleiding van twee onderzoeken uit 2014 die overkoepelend overlegorgaan BKNL heeft laten uitvoeren, heeft ook de Sociaal-Economische Raad (SER) zich over de materie gebogen. SER-voorzitter Mariëtte Hamer sprak in reactie op dit rapport haar zorgen uit en recentelijk heeft het ministerie van OCW haar medewerking toegezegd en 2 miljoen beschikbaar gesteld voor de verbetering van de financiële positie van kunstenaars.

BKNL pleit ervoor om één derde hiervan beschikbaar te stellen voor kunstenaarshonoraria. In de rapporten van BKNL worden aanbevelingen aan zowel de kunstenaars als organisaties gedaan. Het lijken soms open deuren die voortkomen uit verschillen in zakelijke professionaliteit, zowel bij de instellingen als de kunstenaars. Het idee van de tentoonstelling als visitekaartje en gouden sleutel tot succes heerst nog steeds alom maar blijkt niet waar te zijn. Slechts één op de tien kunstenaars zegt hier financieel baat bij te hebben. Iedereen in de zaal is het over de noodzaak tot verbetering van kunstenaarshonoraria eens. Het is toch te gek voor woorden dat het gemiddelde inkomen van de kunstenaar ver onder het minimumloon ligt? Kunstenaars hebben ons gebracht tot de welvaartsstaat waarin wij leven.

Aan het begin van het debat wordt er gesproken over een nieuwe benadering, losstaand van de geldende conventies. Toch zijn de richtlijnen die in Denemarken en het Verenigd Koninkrijk worden toegepast leidend tijdens het gesprek. Deze richtlijnen geven handvatten voor de beloning van kunstenaars. Het Deense model neemt daarbij de verzekeringswaarde van het tentoongestelde kunstwerk als uitgangspunt en het Britse model kijkt naar de financiële draagkracht van de instelling. Maar hoe gaat het op dit moment in Nederland?

De toon wordt gezet door Ella Derksen (freelance curator). Zij zorgt ervoor dat het kunstenaarshonorarium net als haar eigen vergoeding in de projectbegroting zit. Is dit niet het geval, dan stopt Derksen direct met de klus. Als richtlijn gebruikt ze de percentageregeling beeldende kunst bij rijksgebouwen. Deze door de rijksbouwmeester gehanteerde regeling neemt een percentage dat maximaal 30% uitmaakt van het totale kunstbudget bij een bouwproject. Het klinkt simpel maar dat is het niet. Tentoonstellingen hebben een tijdelijk karakter. De kunstwerken gaan meestal weer terug naar de kunstenaar en de tentoonstellingsbudgetten zijn doorgaans maar een fractie van de budgetten die de Rijksgebouwendienst initieert.

De vraag naar een richtlijn vanuit de institutionele hoek wordt bevestigd door Steven ten Thije (Van Abbemuseum) en Irene de Craen (Hotel Maria Kapel). Beide instellingen hanteren nu al een kunstenaarshonorarium maar hebben geen duidelijk beleid om de hoogte van het honorarium te bepalen. Ook de directeur van KAdE, Robbert Roos, mengt zich in de discussie. Hij heeft het Deense model als richtlijn gebruikt maar vergat in zijn rekensom dat het honorarium per maand betaald moest worden.

Kunstenaar Ad de Jong herkent zich niet in het bovenstaande. Sterker: hij is nog nooit betaald voor een tentoonstelling. Maar nog een regeling in de vorm van een nieuw te ontwikkelen richtlijn, daar ziet De Jong geen heil in. De richtlijn zou de autonomie van de kunstenaar aantasten en daarom pleit hij voor een fonds voor en door kunstenaars om hun autonomie te waarborgen. Dit is vergelijkbaar met het Deense systeem dat een potje voor de kunstenaarshonoraria heeft dat niet voor andere doeleinden mag worden aangesproken.

Gaandeweg komen er meer reacties vanuit de volle zaal naar voren. Jan Banning noemt de aansporing van de overheid om als kunstenaar te ondernemen een fabeltje. Waar de kunstenaar eerst een negatief antwoord op zijn gevraagde honorarium kreeg, bleek dit na onderbouwing van zijn vergoeding toch beschikbaar. Zodra het belang van kunst wordt aangetoond, wordt er geld voor vrijgemaakt. Hans van Houwelingen deelt deze mening: “Het is heel belangrijk dat de sector zich dominant gaat opstellen in plaats van afhankelijk”. Wie zich afhankelijk opstelt, wordt volgens Van Houwelingen namelijk ook zo gehonoreerd. In de retoriek van de sector moet de overheid van het belang van kunst worden overtuigd.

Wat in de discussie mist, zijn initiatieven die buiten de gebaande paden gaan. Rune Peitersen noemt die optie aan het begin van de avond wel, maar er is niemand die met experimentele ideeën over de brug komt. Een richtlijn voor het kunstenaarshonorarium is een eerste stap en wellicht een overgangsfase tot we nieuwe modellen vinden die het onverenigbare – geld en kunst – zullen samensmeden.

Debat: Wie betaalt de kunstenaar? op 9 februari in Casco, Utrecht.