Zeger Reyers, FREE FLOATING TREE (2015). Beeld van de installatie, KAdE Amersfoort. Foto: Mike Bink

Midden in kunsthal KAdE in Amersfoort zweeft een levende boom. Leunend op de balustrade van het trappenhuis torent hij uit over de kunstwerken op de vloer beneden. De zwevende boom in een white cube zorgt voor een nogal vervreemdend effect. Aan de ene kant wordt hij als vertegenwoordiger van de natuur op een voetstuk geplaatst, maar aan de andere kant is deze situatie overduidelijk kunstmatig.

Op de vloer ligt een handvol afgevallen bladeren, maar aan de bovenkant van de boom strekken zich ook jonge takjes uit naar de felle lampen aan het plafond. De lampen, die normaal dienen als verlichting voor de kunsthal, staan speciaal voor de boom dag en nacht aan. Dit werk, genaamd Free Floating Tree (2015), werd speciaal door de Nederlandse kunstenaar Zeger Reyers gemaakt voor de tentoonstelling Expeditie Land Art, die nog tot 3 januari te zien is.

Bij binnenkomst in KAdE loopt de bezoeker direct de boom van Reyers tegemoet. Zodra je op gelijke hoogte met de boom staat en over de balustrade leunt, lijkt het alsof je vanuit de top van de boom uitkijkt over de wijde omgeving. Beneden strekt zich een ruisend rietveld uit, met in de verte erachter een ronde cirkel van takken. De boom van Reyers wekt een gevoel van avontuur op; het lijkt alsof je als kijker op het punt staat op expeditie te gaan. De tentoonstelling spoort de bezoeker aan om zelf de natuur op te zoeken.

In essentie is Expeditie Land Art een reisverslag, gebaseerd op de reis die curator Sandra Smallenburg maakte door de Verenigde Staten langs de grote, site-specific werken van Robert Smithson, Nancy Holt, Walter de Maria en Michael Heizer. In KAdE krijgt de toeschouwer een kijkje in het persoonlijke fotoalbum van Smallenburg, aangevuld met een ruim aanbod films en ruimtelijk werk.

De tentoonstelling geeft zonder twijfel een zeer compleet overzicht van land art, waarbij werk van een jongere generatie kunstenaars zoals Francis Alÿs, Guido van der Werve, Mario García Torres en Tacita Dean getoond wordt naast de oudere generatie uit de jaren zestig en zeventig. Hoewel deze namen niet direct aan land art doen denken, past het werk van deze kunstenaars verrassend goed binnen de tentoonstelling. Allen hebben zij in hun films een avontuurlijk element verwerkt: ze zoeken afgelegen gebieden op en gaan de strijd aan met de natuur.

In Guido van der Werve’s Nummer Acht: Everything is going to be alright (2007) loopt de kunstenaar, op de hielen gevolgd door een immense ijsbreker, eenzaam over een verlaten ijsvlakte. Francis Alÿs zoekt in zijn film When Faith Moves Mountains (2002) de woestijn op, waar hij een groep vrijwilligers met scheppen een zandduin tien centimeter laat verplaatsen. Mario García Torres volgt in zijn werk The Schlieren Plot (2013) de route die Robert Smithson aflegde door Texas  op zoek naar mogelijke locaties voor zijn werken. Ook Tacita Dean treedt in de voetsporen van Smithson, en vertolkt haar avontuur in het geluidsfragment Trying to Find the Spiral Jetty (1997). 

Ik had het geluk een rondleiding van Smallenburg zelf te krijgen in KAdE, waarin ze vol enthousiasme over haar roadtrip vertelde. In de tentoonstelling heeft ze duidelijk geprobeerd de bezoeker iets mee te geven van haar expeditie. Dit is zeker gelukt, maar toch is de nasmaak van deze expositie bitter.

Het aanzien van de afgevallen bladeren van de boom van Reyers wekt de suggestie dat niet alleen de natuur maar ook land art toch echt het beste kan worden ervaren op de oorspronkelijke plek, buiten de beklemmende muren van een galerie of museum. De vele films en foto’s in de tentoonstelling geven wel een indruk van de, vaak enorme, site-specific land art werken, maar niet meer dan dat. Deze eerste generatie land art hoort buiten op afgelegen plekken in de natuur te worden aanschouwd. Hopelijk overleeft de boom dit experiment dan ook niet, al zou het alleen maar zijn om te laten zien dat ook bomen toch echt beter buiten kunnen staan, in plaats van horizontaal in een ruimte te hangen.

Toeval of niet, de boom van Reyers in KAdE doet erg veel denken aan twee werken die dit jaar getoond worden op de biënnale in Venetië. Als onderdeel van Céleste Boursier-Mougenots installatie Rêvolutions (2015) rijden in het Franse paviljoen levende bomen rond. Op grote aardklonten met uitstekende wortels bewegen de bomen zich voort door een witte, steriel ogende ruimte. In tegenstelling tot dit levendige schouwspel, is als onderdeel van de All the Worlds Futures tentoonstelling een dode boom  neergelegd. Deze dient als onderdeel van een reconstructie van Robert Smithsons originele installatie Dead Tree uit 1969.

Twee jaar geleden exposeerde Berlinde de Bruyckere al haar werk Kreupelhout (2013) op de biënnale, waarvoor ze een gigantische boomstronk installeerde in het Belgische paviljoen. Ook in het Nederlandse paviljoen ontbreekt het dit jaar niet aan ‘natuurkunst’, waar de tentoonstelling to be all ways to be (2015) door herman de vries te zien is, waar ook bomen getoond worden, zij het als half verkoolde stukken boomstronk. Nu mensen de natuur niet zelf meer willen opzoeken, wordt deze naar ze toe gebracht. Netjes gepresenteerd in beschutte ruimtes kan ze aanschouwd worden zonder de ongemakken van regen of kou. Want in plaats van op zondagmiddag lekker een wandeling door het bos te maken, gaan we liever een boom bekijken in een museum.

Hoewel land art zowel in Nederland, Engeland, en de Verenigde Staten een hoogtepunt bereikte in de jaren zeventig en na de jaren tachtig nagenoeg verdween, heeft zich de afgelopen jaren een hernieuwde interesse voor dit genre ontwikkeld binnen de kunst. Natuur is hip. Land art komt, vaak onder de noemer van eco-art, plotseling overal tevoorschijn. Het is, helaas, echter terug in een nieuwe verpakking; de natuur wordt voor de kijker in hapklare brokken geserveerd binnen de veilige muren van het museum.

Expeditie Land Art, beeld van de tentoonstelling, KAdE Amersfoort. Foto: Mike Bink
Guido van der Werve, NUMMER ACHT: EVERYTHING IS GOING TO BE ALRIGHT (2007). Beeld van de installatie, KAdE Amersfoort. Foto: Mike Bink

Het blijft een gedoe. Talloze verhandelingen zijn er over toeschouwers, over wat ze zouden moeten en wat vooral niet, over hoe afhankelijk de kunst is van deze ongrijpbare, amorfe aanwezigheid. In elke discipline die aan kunst verwant is komt deze vraag naar de positie van de toeschouwer weer terug, als zichzelf maar veelal ook als drager van morele en ethische waarden. Zo ook in Le spectateur émancipé (2008) van Jacques Rancière. De recent uitgekomen Nederlandse vertaling van dit werk geeft aanleiding er toch weer eens naar te kijken, die toeschouwer. Want hij vindt zijn plek nog steeds niet. En definitief uitsluitsel zal misschien wel voor altijd uitblijven.

De rol van de toeschouwer blijkt niet eenduidig en ook zeker niet neutraal. De toeschouwer is onderdeel van een politiek schaakspel en komt daarbij per definitie in aanraking met macht, tegenmacht en invloed. Rancière maakt het de lezer niet gemakkelijk. Hij heeft geen moeite gedaan wat extra borden te plaatsen op de weg naar het einde, we worden niet afgeleid door tekstuele franje en kunnen ons niet vergapen aan intellectuele woordenpracht. Dat maakt het begrijpen van de opeenvolging van argumenten de voornaamste taak. Er is maar één route en dat is erdoorheen.

Kunst en toeschouwer kunnen niet zonder elkaar. Voor sommigen is dit gesneden koek, anderen kijken vol argwaan naar deze aanname. De kunst is verzekerd van een – over het algemeen – positieve aandacht, maar de toeschouwer komt er door de geschiedenis heen ronduit slecht vanaf, omdat hij enkel uitgerust is met passieve gereedschappen. De toeschouwer is gevangen in het kijken en kan niet handelen. De toeschouwer is onwetend en moet verlicht worden.

Het is een sluimerend ongemak, een moraal of waardeoordeel waar theoretici en kunstenaars uit alle hoeken zich steeds opnieuw toe moeten verhouden. Rancière verwijst bijvoorbeeld regelmatig naar Guy Debord die met zijn werk De spektakelmaatschappij (1967) een ferme kritiek geeft op het zogenaamde ‘spektakel’ en de invloed die het uitoefent op de toeschouwer. Naar het spektakel kunnen we alleen maar kijken, wat volgens hem leidt tot de onteigening van het zelf. ‘Hoe meer de mens aanschouwt, des te minder leeft hij’.

Ontsnappen aan de verleiding van het spektakel die ons passief maakt: dat is niet alleen een existentiële kwestie die over onze individuele of intellectuele gezondheid gaat. Meer dan dat heeft het een politieke dimensie: de toeschouwer moet de activiteit die hem is ontnomen weer opeisen. Rancière neemt ons mee langs theoretici en filosofen die hun licht laten schijnen over het fenomeen van de toeschouwer. Plato heeft een suggestie: de ‘choreografische gemeenschap’ (waarin niemand onbewogen blijft) die het passieve lichaam van het volk moet vervangen. Activeren, in gang zetten; dat blijft de ideale toestand waarin de toeschouwer moet geraken.

Het eerste dat moet gebeuren voor de toeschouwer zich dat recht opnieuw kan toe-eigenen is het ontmantelen van de vanzelfsprekende tegenstelling tussen passiviteit (kijken) en activiteit (handelen). Pas dan kan de ware emancipatie beginnen. Dat betekent niet dat de toeschouwer zich weer tot allerlei andere imperatieven moet verhouden. De kunst zou hem niet ergens toe moeten dwingen. En de kunstenaars al helemaal niet.

Daar stuit Rancière op nog een probleem. De emancipatie wordt bedreigd door de actuele consensusdwang in de relatie tussen kunstwerk, kunstenaar en toeschouwer. Hij bekritiseert het idee dat er een ‘directe overdracht van het identieke’ mogelijk is. Nog steeds gelooft de kunstenaar dat wat hij of zij in het werk verstopt ook waargenomen en begrepen wordt, wat wordt aangeduid als ‘artistieke doeltreffendheid’ en ‘esthetische onmiddellijkheid’.

Dat kan bestreden worden met de logica van ‘dissensus’: ‘Een organisatie van het zintuiglijke, waarbij er geen verborgen werkelijkheid achter de schijn is, geen uniek presentatie- en interpretatieregime van het gegevene dat zijn vanzelfsprekendheid aan iedereen opdringt.’ Kritische kunst is zich volgens Rancière altijd bewust van het feit dat haar effect nooit gegarandeerd is en altijd in beweging blijft, ergens in het midden.

De waardevolle modus van dissensus laat dus een grotere symbolische en politieke ruimte voor de toeschouwer. In die ruimte kan hij zich eindelijk echt emanciperen, zonder zich weer te moeten laten leiden door subtiele hints van kunstenaars of museale instellingen.

Volgens Rancière betekent emancipatie juist de vertroebeling van de verdeling tussen subjecten die handelen en subjecten die kijken naar dit handelen. Toeschouwer zijn is geen toestand van inactiviteit: het is onze normale toestand. ‘We leren, onderrichten, handelen en kennen ook als toeschouwers die op elk moment een verband leggen tussen wat wij zien en wat wij hebben gezien, gezegd, gedaan en gedroomd.’

In het slothoofdstuk roept Rancière het ‘peinzende beeld’ in het leven. Dat peinzende beeld bevat ‘ongedachte gedachten’, gedachten die nog gedacht kunnen worden. Er is geen gebruiksaanwijzing, maar een virtuele, verder niet omschreven opdracht voor de toeschouwer. Deze democratische dynamiek tussen kunst en toeschouwer maakt een eind aan de dualistische opstellingen van activiteit en passiviteit, van handelen en denken. Het opent een vitaal politiek veld vol tegenstrijdigheden, paradoxen en andere vijanden van het klinische scheiding tussen kunst en toeschouwer.

Rancière geeft geen nieuwe antwoorden op oude vragen. Zijn werkwijze is anders. Hij blaast het stof van de discussie af, ordent haar onderdelen, haalt ze uit elkaar en laat de rest aan ons.

Hondenshow

Pia Louwerens
Emily Kocken, LEFT AGAIN/LEFT AGAIN (2015) foto: Jhoeko

In de expositie Come Go Stay in West Den Haag staat één voorstelling centraal: een vrouw met een poedel. De poedel wordt belichaamd door de veelbekroonde, zeer intelligente Silas. De hond heeft prachtige bruine krulletjes en een bloot geschoren fluwelen achterwerk. De vrouw is in dit geval kunstenaar Emily Kocken, die de poedel lijkt te imiteren met een bruine krulletjes-pruik, een nette blouse en een ‘huidkleurige’ (onder)broek, panty en schoenen. Voor de performance Left Again/ Left Again (2015) heeft Kocken het gedicht Sacred Emily van schrijfster Gertrude Stein (1874 – 1946) bewerkt tot commando’s voor een hond. In het midden van de expositieruimte staat een licht oranje decorstuk, een hondenpodium. Het publiek wordt voor één muur gepositioneerd. Kocken laat Silas op en rond het podium in een hoog tempo de commando’s uitvoeren. Deze vindt het iets te spannend, en stapt wegens concentratieproblemen een keer van het podium. Halverwege draagt Kocken een stuk tekst voor, de hond snapt er nu niets meer van. De opstelling lijkt een hondenshow, maar dan vetter aangezet – zowel in beweging als in make-up. Net als in een echte hondenshow is de hond een decorstuk, gebruikt voor zijn esthetische kwaliteiten.

Kocken heeft een bijzonder interessant oeuvre, onder meer bestaande uit haar intelligente debuutroman Witte Vlag uit 2013, waarin een stervende hond als katalysator dient voor het aftakelende huwelijk van de hoofdpersoon. De zwijgzame aanwezigheid van de hond (levend object, noemt Kocken Silas op haar website) is niet echt een personage, maar dient als projectiescherm voor relatieproblemen. Dit doet denken aan de documentaire film Tierische Liebe (1996) van Ulrich Seidl waarin misschien wel de meest extreme voorbeelden van dierenliefde centraal staan. Een verlaten man knuffelt zijn mopshond. In een andere scene knuffelt zijn ex-vrouw diezelfde mopshond. Niet-aflatend fluisteren ze het knorrende beest de meest intieme dingen toe: ‘ja wat moet papa als jij er niet bent he, dan zit hij weer de hele dag in het café te drinken en op de gokmachines’ en ‘we zijn helemaal alleen want mama heeft ons verlaten, nu zijn we met z’n tweetjes’.

In het boek Imperativo! Canino e femina wat Kocken voor de expositie geschreven heeft, dient de hond ook als instrument, maar nu om nader tot de lezer te komen. Deze wordt regelmatig direct aangesproken, als performer: ‘while watching your jumping choreography please have a standard poodle with the hair color “apricot” watch you watch the video‘, en als geïnteresseerde: ‘Jullie vragen je af hoe ‘het zit’ met het trainen van een poedel.” De tekst is doorspekt met performance-instructies en scripts, en is geïndexeerd in categorieën als ‘Stein-o-logy’, ‘Femina Imperative’ en ‘Hybrid Community’. Ook wisselt ze steeds tussen talen, het Engelse stuk waarin het Nederlandse woord ‘dekreu’ steeds wordt toegepast is illustratief voor haar subtiele en komische taalgevoel. In Imperativo! Canino e femina lukt het Kocken de focus op het ene beeld van vrouw en poedel los te laten en een veelheid aan beelden op te roepen.

Vanaf het begin af aan was het duidelijk dat de omgang tussen mens en hond centraal staat in Come-Go-Stay, maar toch ontbreekt in deze relatie juist een zekere noodzaak of intentie. Bij Kocken speelt de hond de rol van decorstuk, projectiescherm of instrument, niet bepaald die van een volwaardige tegenspeler. Dit kan werken, bijvoorbeeld in Imperativo! Canino e femina waarin Kocken de hond gebruikt als beginpunt voor een talig onderzoek. Zodra de hond echter zelf aanwezig is, zoals in de performance, wordt het duidelijk in hoeverre zij de mens-hond relatie ontkracht door zich alleen op het publiek te richten. Datzelfde publiek vindt haar handelen vervolgens ongeloofwaardig aangezien ze haar eigen onderwerp, hoe vaak het ook in beeld is, uit het oog lijkt te verliezen.

In de 6-kanaals video-installatie Come-Go-Stay I – VI (2015) komt dit ook naar voren. In deze video’s van ongeveer drie minuten zien we Kocken en de poedel in het wild: op het strand. De beelden zijn fel en regelmatig belicht, en in slow-motion. Kocken maakt gebruik van video-transities waarin je het ene beeld nog ziet terwijl het volgende er alweer overheen komt, wat het onhandig en komisch maakt. In haar ‘hondenkostuum’ wat ze ook droeg tijdens de performance verhoudt ze zich op allemaal manieren tot de poedel, maar vooral tot de camera. Yoga eindigt in de beweging die een hond maakt als hij plast, Kocken en de hond drinken uit het gouden drinkbakje, Kocken speelt in het zeewater. Ze is op allerlei grappige manieren de verschillen en overeenkomsten tussen haar en de poedel aan het showen, die zich daar uiteraard niet bewust van is. Ze lijkt zowel de performance, het onderwerp als zelfs haar relatie tot de hond ironisch te behandelen. Op het moment dat ze haar onderwerp niet meer serieus neemt, doe ik dat ook niet meer.

Emily Kocken, Imperativo! Canino e femina, foto: Jhoeko
Emily Kocken, COME-GO-STAY I - VI (2015), Jhoeko
Emily Kocken, COME-GO-STAY I - VI (2015), Jhoeko

Indian Summer 2015 – Omer Fast

Menno Dudok van Heel, Thomas Stokmans
Indian Summer 2015 - Omer Fast

Ten overstaan van een bomvolle zaal spreekt de Israëlische kunstenaar Omer Fast over zijn werk. Fast werd als schilder op de kunstacademie aangenomen. Deze carrière mislukte naar eigen zeggen volledig. Hij was een vreselijke schilder. Zelfs zijn ouders wilden zijn werk niet ophangen waardoor het thuis in de kelder belandde. Toen Fast aan het begin van deze eeuw de videocamera ter hand nam kreeg zijn werk vorm. Niet alleen in het opnemen maar ook in het bewerken en (her)structureren van geschoten materiaal heeft de kunstenaar de afgelopen decennia naam gemaakt in de internationale kunstwereld.

Mislukking is een terugkerend element. Een vroeg werk legt de façades van woonhuizen in het Amerikaanse stadje Glendive vast. Toen Fast met de opnamen aan de slag wilde kwam hij er achter dat er alleen beeld en geen geluid op de tapes stond. Dit mankement wist hij naar voren te halen als uitgangspunt van het werk. In de installatie van Glendive Foley speelt Fast als een ‘Geräuschmacher’ zelf het geluid en filmt zichzelf daarbij. Behendig weet hij het publiek in De Ateliers in zijn verhaal mee te trekken door eerst de gefilmde beelden te tonen en later de opnames waarin de kunstenaar in een geluidsstudio te zien is.

Terug in New York huurt hij videobanden van bekende films uit de populaire filmgeschiedenis zoals The Terminator, om ze vervolgens thuis met een ingenieus systeem, een plakbandje, over te dubben met poëtische teksten. Een onwetende kijker zal het niet opvallen, een ander zal hopen een kunstwerk als deze te kunnen bemachtigen bij de lokale videotheek. Toen een curator hem vroeg waar zijn werk te zien was repliceerde Fast: huur The Terminator in de videotheek en je komt mijn werk tegen. En jawel: tussen de beelden van Arnold Schwarzenegger door hoor je een door Fast ingesproken tekst.

In een grote stap eindigen we bij recente projecten, die grootser, professioneler en een stuk minder komisch uit de verf komen. Spielberg’s List, The Casting en 5000 Feet is the Best gaan over concentratiekampen, drones, oorlog en slachtoffers op alle niveaus. Waar komt deze ommekeer vandaan? Hoe zijn de grote producties tot stand gekomen? Waarom de keuze voor een combinatie fictie en realiteit? We zien veel maar krijgen weinig antwoord, een tekort aan tijd speelt een rol. Misschien moeten we ook niet teveel weten. De afstand tussen kunstenaar en publiek past ook bij het werk van Fast. De eigen interpretatie is mogelijk het belangrijkste element in het werk.

In deze rubriek berichten Thomas Stokmans en Menno Dudok van Heel over de zesdelige lezingenserie in De Ateliers. Volgende week, dinsdag 10 november, Nina Canell om 17:00 uur. Reserveren kan via office@deateliers.nl

Bekijken en bekeken worden

Thomas Stokmans
Lilja Björk Hermannsdóttir, CALL, GIRL (2015) foto: Ruud Pos

Het constante geroezemoes met enkele uithalen van gezang en geschreeuw vermengt zich aan het begin van de middag met de muziek van cafés en enkele bootjes in de gracht. Als ik mijn fiets pak, knipoogt mijn buurvrouw naar me vanachter haar raam terwijl ze haar dagelijkse sinaasappel schilt. Een uitsmijter groet me met de zin: ‘Come in and see a big dick for a change’.

‘s Avonds flitsen de camera’s op selfiesticks en bewegen de toeristen voort langs rood verlichte ramen, seksshops en snackbars. Mijn fietsbel maakt geen enkele indruk en ik ben genoodzaakt me te voegen tussen de groepen opgeschoten mannen en verbaasde toeristen in een processie naar mijn appartement. Hoe schril is het contrast als ik eenmaal boven ben. Hoog boven de menigte geniet ik van het Hollandse licht, het uitzicht over de daken richting de Oude Kerk, waar momenteel de spectaculaire installatie The Garden Which is the Nearest to God van Taturo Atzu is te zien op het dak.

Het contrast tussen banaliteit en schoonheid vond ik tevens in de theatervoorstelling Call, Girl, die deze zomer gedurende twee weken werd opgevoerd bij DITS, een galerie gespecialiseerd in performances, installaties en andere interactieve vormen van hedendaags theater en dans, midden in de rosse buurt. De ruimte bevindt zich in een voormalige peeskamer die is ingeklemd tussen de Dollebegijnensteeg en de Trompettersteeg.

Aan twee zijden van de ruimte trekt een eindeloze stroom toeristen voorbij die zowel de voorstelling, de bezoekers en elkaar zien. Als bezoeker krijg je hierdoor al snel een ongemakkelijk gevoel. Hoeveel heftiger moet dat zijn voor de Nederlands-IJslandse Lilja Björk Hermannsdóttir, die in haar sexy outfit alle aandacht opeist. Hermannsdóttir, bekend van enkele rollen in Nederlandse tv-series en populaire speelfilms, neemt hier een duidelijke stap naar een meer serieuze rol. Ze schreef en speelt deze intrigerende solo over een callgirl zelf.

Hoewel het onderwerp zo oud is als het beroep dat ze portretteert, en de thema’s daardoor vrij clichématig zijn, weet haar monoloog te overtuigen. Het is spannend om te zien hoe ze zich aanpast en zich een weg door haar monoloog improviseert. Ze vertelt over haar jeugd, het verlies van haar jongere broer en de afwezigheid van ouderlijke liefde. Haar heil zoekt ze achter de webcam in de hoop op aandacht van buitenaf. Continu houdt ze oogcontact met haar bewonderaars zowel binnen als buiten de galerie. Ontroerend is het moment waarop ze haar intieme plekjes deelt, een moedervlek op haar onderrug, een litteken op haar schouder, en pijnlijk hoe het geschreeuw en geklop van buiten daarbij meteen opstijgt. De beschouwing van schoonheid, het delen van een intiem moment met een mooie jonge vrouw – een moment waar de bezoeker van deze buurt toch naar op zoek is – krijgt op deze obscene en vooral absurde plek geen kans.

Ondertussen staat een man schaamteloos met zijn armen over elkaar voor het raam te wachten op een climax: hij heeft de tijd, maar zijn vrienden hitsen hem op en tikken heftig tegen het raam. Een climax komt er, maar niet een die men buiten verwacht. In verscheidene talen en personages spreekt Hermannsdóttir de bezoeker aan, op zoek naar klandizie en aandacht. Ze schreeuwt, danst, vloekt, smeekt, hitst op en huilt, om zich uiteindelijk eenzaam en alleen terug te trekken voor haar webcam. Ze weet zonder een directe mening heel goed de treurigheid van prostitutie op de Wallen bloot te leggen door de bezoeker te laten zien hoe het voelt om achter het raam te staan.

Op weg naar huis groet ik mijn buurvrouw en knik ik naar de uitsmijter verderop. Beiden reageren niet; ze zijn verloren in de waanzin van de avond. De werkelijkheid dringt zich nu sterker op dan ooit tevoren, en ik vlucht naar boven. Ik besef de noodzaak en waarde van het tegengeluid in (nieuwe) culturele initiatieven die in de rosse buurt te vinden zijn, naast DITS bijvoorbeeld ook W139, het kunstprogramma van de Oude Kerk en haar samenwerking met Non-Fiction, Red Light Radio en het project ‘Stick or Twist’ van kunstenaar Aukje Dekker bij Gallery Vriend van Bavink op de Geldersekade. Initiatieven die de bezoekers van de rosse buurt hopelijk ook weten te vinden, en alwaar ze zich bewust worden van de absurditeit van de straat, deze los kunnen laten en er mogelijk met een andere visie naar terugkeren.

Realtime Archeologie

Zippora Elders
Kristine Nørgaard Andersen, VRIJPLAATS - TUBELIGHT #96

 

Kunst is niet altijd in woorden te vatten. Vaak opereren kunstenaars op de randen van disciplines en zoeken ze blinde vlekken op: wat niet benoemd is, wat niet gezien wordt, of wat er in het dagelijkse bestaan niet toe lijkt te doen. In een tijdperk van gepolijste interfaces en snelle communicatie verkent Kristine Nørgaard Andersen (1986) juist het onvoltooide werk, de processen voorafgaand aan het eindproduct en de ‘achterkant’ van de resultaten.

Andersen studeerde grafisch ontwerp aan de Gerrit Rietveld Academie, en volgt nu de tweejarige master Studio for Immediate Spaces aan het Sandberg Instituut. Tijdens deze interdisciplinaire, op de praktijk georiënteerde opleiding volgt Andersen haar interesse in de betekenis en het gebruik van ontwerp in de alledaagse omgeving.

Begin augustus 2015 reisde ze naar Tate Modern in Londen, waar een piramidevormige museumuitbreiding van architectenbureau Herzog & De Meuron in aanbouw is. Het proces dat momenteel gaande is, is voor Andersen vele malen intrigerender dan het uiteindelijke, elf verdiepingen tellende gebouw.

 

Zippora Elders: Waarmee ben je momenteel bezig in Londen?

 

Kristine Nørgaard Andersen: Ik ben fragmenten van de bouwplaats aan het verzamelen. Die plek is het uitgangspunt van mijn onderzoek. Ik ben ook geïnteresseerd in de bouwplaats als fenomeen, hoe deze dient als begrenzing en inkadering. Daarbij ben ik niet zozeer geïnteresseerd in de betekenis van de betreffende instituten, maar eerder in de transformatie van de ruimtes. Ik wil architectuur benaderen als een locatiespecifieke performance: iets dat voortdurend in beweging is en waarin de context en omgeving als het ware coauteurs zijn. Vaak zien architecten ‘hun’ voltooide meesterwerk als een statisch ding. Ik geloof daar niet in. De veranderende context is minstens zo belangrijk voor de betekenis van een gebouw als de vooropgezette bedoeling.

 

Wat gebeurt er met het gebouw waar je nu naar kijkt?

 

Het wordt een enorme tentoonstellingsruimte met talloze verschillende zalen. Wat me vooral fascineert, is het gebied in de kelder van het museum. Daar wordt nu een tafel getoond vol met beelden en modellen van ‘de toekomst’ van het museum. Er is een time-lapse-presentatie die elke vijftien minuten een foto maakt van de bouwplaats. Ik ben benieuwd of Tate dit blijft doen als het gebouw klaar is. Waarschijnlijk niet, maar ik zou het graag willen.

 

Waar komt je fascinatie voor architectuur en bouwplaatsen vandaan?

 

Mijn praktijk heeft een lange, niet-lineaire geschiedenis. Ook toen ik nog vooral met grafisch ontwerp werkte, was ik al ‘hands on’ bezig tijdens het maakproces. Ik prefereer een tactiele manier van werken, met veel gevoel. Tegenwoordig is grafisch ontwerp meer een middel voor me om ruimtes en processen te begrijpen.

 

Denk je dat de wereld geobsedeerd is door eindresultaten en het communiceren daarvan?

 

Ja! Londen zit vol met beelden van eindresultaten. De helft van de stad bestaat uit bouwplaatsen, die stuk voor stuk een statische 3D-visualisatie tonen van het uiteindelijke gebouw dat daar komt te staan. Maar zo’n gebouw is helemaal niet statisch. Ontwerp geeft de illusie van een eenduidig, ‘af’ beeld dat we allemaal in een paar seconden kunnen begrijpen.

 

Kun je iets vertellen over de collage over het nieuwe Tate-gebouw, die je voor Tubelight hebt gemaakt?

 

De verzamelde afvalmaterialen zie ik als bewijsstukken van de bouwplaats: iets voor de isolatie, iets voor de façade – ze vertegenwoordigen de lagen van het gebouw. Op dit moment kijk ik naar twee jongens die de hekken van de bouwplaats verven. Het doet me denken aan het steeds weer opnieuw verven van museummuren voor de volgende tentoonstelling. Op dit moment is de afscheiding mooi en grijs, en ze fungeert als het kader voor dit fantastische gebouw dat eraan komt. Maar uiteindelijk zal men dat kader weghalen. Ik geloof dat een afscheiding zelf ook zeggingskracht heeft: het is niet slechts de steun of de vorm voor het nieuwe gebouw.

 

Terwijl de processen die je onderzoekt zich op dit moment voor onze ogen voltrekken, opereer jij als een archeoloog?

 

Ik vind het interessant om op die manier naar ontwerp te kijken, hoe het ingezet wordt en functioneert op specifieke plekken. Nu ik bijvoorbeeld naar de bouwplaats bij Tate Modern kijk, onderzoek ik de bewegwijzering en posters die eromheen zijn geplaatst. Ik vind het opmerkelijk hoe een plek gereduceerd kan worden tot bewegwijzering van wat het moet zijn: de relatie tussen een omgeving en haar beeld, een relatie tussen wat mag zijn en wat niet mag zijn. Ik ben gefascineerd door die momenten waar het om draait, bijvoorbeeld als het gebouw ‘af’ is, maar meer nog in de onzichtbare processen daaromheen.

 

Je achtergrond in grafisch ontwerp speelt een belangrijke rol in je praktijk, maar de nadruk ligt nu op bouwplaatsen en tentoonstellingsruimtes. Volgens mij gaat je werk steeds meer over je algemene manier van kijken en het denken over min of meer openbare ruimtes.

 

Precies. Een vriend zij eens over mijn fascinaties: ‘You just like to look at a painting when it’s drying.’

 


Indian Summer 2015 – William Monk

Menno Dudok van Heel, Thomas Stokmans
Artist talk William Monk

William Monk noemt al snel het moment dat hij solliciteerde voor een plek bij de Ateliers. Hij had nog geen Master in de kunsten en wist niet of het gesprek succesvol was verlopen. Directeur Dominic van den Boogerd en begeleider Marien Schouten stuurden Monk voor een kwartier naar de gang om te overleggen. Ja! Hij was aangenomen maar het was een kwestie van toeval, aldus de kunstenaar.

De Ateliers is een enorme vruchtbare periode geweest voor Monk’s ontwikkeling, een periode dat aan de basis staat van zijn gehele kunstpraktijk. Dit is niet per se in het werk dat hij dan maakt te zien. Geïnteresseerde galeriehouders komen kijken als Monk in 2005 de Koninklijke Prijs voor Vrije Schilderkunst wint, maar lopen gedesillusioneerd zijn atelier weer uit wanneer ze er achter komen dat niet al zijn werk van die kwaliteit is. Monk omschrijft het als werk dat nog in ontwikkeling is. Niet af, en van een kunstenaar die met zijn ideeën worstelt en daarnaast ook nog de meningen van mastodonten als Marlene Dumas en Steve McQueen te verwerken heeft. Begeleiders die door de jonge kunstenaars worden verafgood, maar die ook weer tegenstrijdige meningen op hen afvuren.

William Monk is een echte schilder. Zijn onderwerpen komen niet van ver. Vaak zijn het foto’s die hij al in zijn archief heeft, of die hij tegenkomt. Hij is echter meester in het weglaten van informatie die het ongetrainde oog wellicht het meest belangrijk vindt. Een prachtig berglandschap met daarvoor een weinigzeggende bossage… Monk kiest juist voor het laatste. Met toevoegingen vormen deze figuratieve beelden zich tot zijn werk dat qua techniek stoelt op bekende schilders uit de kunstgeschiedenis (Van Gogh, Klimt, Johns, Matisse) maar die door hem ook in een volstrekt eigen noot worden toegedicht. Daarnaast eigent hij zich ook de grotere thema’s toe. Van landkaarten tot het universum, hij legt ze vast op de door hem tekenende wijze. Vaak zijn de doeken opgedeeld in fragmenten, soms omdat ze anders zijn (vroegere) atelier niet uit kunnen, soms uit artistieke overweging.

Je kunt zien dat een kunstenaar die op zo’n sterke manier over zijn veelzijdige oeuvre vertelt de aandacht vast weet te houden. Tot ver na zessen hangt de zaal gevuld met kunstenaars, verzamelaars en galeriehouders aan zijn lippen. Monk is een voorbeeld van de oerknal die op de Ateliers plaats kan vinden. Een zoektocht van twee jaar die kan leiden tot een transitie in een oeuvre dat de verdere carrière van een kunstenaar kenmerkt. Het is interessant te zien hoe een kunstenaar denkt, werkt en zich ontwikkelt. Een blik in de studio van de kunstenaar die eerlijk en daardoor toegankelijk is.

In deze rubriek berichten Thomas Stokmans en Menno Dudok van Heel over de zesdelige lezingenserie in De Ateliers. Volgende week, dinsdag 3 november, Omer Fast om 17:00 uur. Reserveren kan via office@deateliers.nl

Indian Summer 2015 – Ursula Mayer

Menno Dudok van Heel, Thomas Stokmans
Artist talk Ursula Mayer

De Oostenrijkse Ursula Mayer studeerde in Londen waar ze momenteel ook woont en werkt. Ze roemt Londen om haar rijke cultuur van filmmakers waar zij nu ook toe behoort. Mayer praat in sneltreinvaart over haar werk en interesses, het is bijhouden geblazen. Haar voorbeelden zijn niet de minste, dat blijkt ook uit de thema’s die ze in haar films aandoet. Grote namen passeren de revue: van Pasolini tot Tarkovsky van Rand tot Deleuze.

Over eerder werk filteren we een interessant gegeven; ze heeft zichzelf ontwikkeld als videokunstenaar door te beginnen met een stille film, vervolgens een film met een daadwerkelijk script om uiteindelijk te belanden bij haar laatste projecten, films met script en geluid. Inspiratie haalt ze uit het modernisme waarin identiteit en het lichaam voor haar een belangrijke rol spelen. Vertaald naar deze tijd is ze vooral gebiologeerd door cross-gender, waarbij bijvoorbeeld de Nederlandse Valentijn de Hingh in haar werk vaak ten tonele verschijnt. Ze verbindt het verleden met het heden, waarbij de interdisciplinaire manier van werken haar uiteindelijke handtekening is. Dat is terug te zien in installaties waar een combinatie van symbolische objecten, denk aan een Egyptische kat, getoond wordt naast videowerken waarin deze objecten ook een rol spelen. Haar cinematografische taal vormt zich door het verwerken van verscheidene disciplines binnen haar videowerk. Zo zijn de werken bijna op een videoclipachtige manier gemonteerd en doordrenkt met hedendaagse subculturen als mode en muziek.

Mayers meest recente serie bestaat uit een drieluik met Gonda waar de Hingh in speelt, Pheres met Mayers andere muze JD Samson (Queer-icoon en muzikant) en Medea waarin zij beide spelen. Het drieluik is een mix tussen documentaire en fictie. Ze zijn allen geschoten op dezelfde plek waar Pasolini zijn film Porcile and Medea, met Maria Callas opnam; bij de vulkaan de Etna in Sicilië en Cappadocië in Turkije.

Na het bespreken van de werken zegt Mayer dat ze wel met een goede conclusie wil komen. Waar gaat haar werk nu eigenlijk over? Ze vat het samen als de human condition, de manier waarop wij in deze tijd met moderne technologie en de razendsnelle veranderingen binnen de westerse cultuur omgaan. Enigszins onbevredigd lopen we De Ateliers uit. We zijn veel te weten gekomen over haar werk maar weinig over de kunstenaar zelf.

In deze rubriek berichten Thomas Stokmans en Menno Dudok van Heel over de zesdelige lezingenserie in De Ateliers. Volgende week, dinsdag 27 oktober, William Monk om 17:00 uur. Reserveren kan via office@deateliers.nl

Indian Summer 2015 – Valerie Krause

Menno Dudok van Heel, Thomas Stokmans
Artist talk Valerie Krause

De lezingenserie bij de Ateliers is niet nieuw. Al meer dan een decennium organiseert het instituut lezingen van kunstenaars die door de deelnemers van het instituut of hun begeleiders worden aangedragen. Directeur Dominic van den Boogerd maakt de selectie. De keuze is afhankelijk van de koers die de deelnemers varen en dus ook in de eerste plaats op hen gericht. Toch wil van den Boogerd de lezingen niet uitsluitend voor direct betrokkenen bij de Ateliers houden, een groter publiek van vakgenoten, curatoren en andere geïnteresseerden is daarom welkom om de lezingen bij te wonen.

De invulling gaat als volgt: de uitgenodigde kunstenaar komt ’s ochtends en legt atelierbezoeken af bij de deelnemers. Aan het eind van de middag heeft hij of zij veel kunstenaars gesproken en een grof idee van hun werk. De lezing is er voor de deelnemers die op dat moment nog weinig van het werk van de uitgenodigde kunstenaar weten. In een uur wordt de kunstenaarspraktijk uiteengezet en is er ruimte voor vragen.

Valerie Krause

De uit Düsseldorf afkomstige Krause maakt een bescheiden indruk. Ze heeft een volle dag gehad op de Ateliers en veel gehoord en gezien. In een presentatie van haar werk krijgen we een indruk van de ontwikkeling in ruimte, materiaal en presentatie. Tijdens haar academietijd in Duitsland woonde ze een jaar in Parijs en studeerde daar aan de Ecole des Beaux Arts. Hier maakte haar werk een transformatie door die in vorm en kleur terug is te zien. Krause verwonderde zich over de vele interesses van haar medekunstenaars en zoog deze veelzijdigheid op. Hier startte ze ook met fotografie. Een onderdeel van haar werk dat los staat van haar sculpturen maar waar zij in een later stadium wel relaties tussen legt. De foto’s en de sculpturen worden soms in een tentoonstelling samengebracht waardoor de waarde als ensemble duidelijk wordt. De presentatie laat verschillende klinisch ogende tentoonstellingsruimtes zien waar haar werk dat vaak van gips of beton is gemaakt opvallend mooi en solitair uitkomt. Op de vraag of ze bewust zoekt naar een organische of een geometrische vorm antwoord zij dat het pas in het proces van maken duidelijk wordt. Ook de werken zelf kunnen zich gedurende het proces vormen: een sculptuur dat uit een metalen buis en een zwartgeschilderde houten lat bestaat werd gedestilleerd uit een groter sculptuur. Het lijkt alsof de eenvoudige vormen uit de betonnen of witgeschilderde vloer verrijzen en als vanzelf de ruimte innemen.

Van 28 november 2015 tot 16 januari 2016 is er een tentoonstelling van Valerie Krause te zien in Galerie Greta Meert, Brussel.

In deze rubriek berichten Thomas Stokmans en Menno Dudok van Heel over de zesdelige lezingenserie in De Ateliers. Volgende week, dinsdag 20 oktober, Ursula Mayer om 17:00 uur. Reserveren kan via office@deateliers.nl

De drukte is terug

Anne Beeksma
Tentoonstellingsoverzicht PRINT, WOW Amsterdam

Van flyers en posters tot fanzines: drukwerk maakt het culturele leven verzamelbaar in handzaam formaat. De crisis was een zware tijd voor drukwerkproducenten, maar tegenwoordig zijn overal weer posters en flyers te vinden. WOW Amsterdam, één van de gesubsidieerde broedplaatsen in de stad, heeft Sigrid Calon uitgenodigd om onder de noemer PRINT een tentoonstelling samen te stellen over werk op papier.  

Het ogenschijnlijke laagdrempelige karakter van drukwerk past goed bij WOW. De broedplaats biedt ruimte aan een hostel, woon- en werkstudio’s voor jonge kunstenaars en heeft tevens een culturele programmering. PRINT is te bekijken in de Vertical Gallery, een trappenhuis van het voormalige HTS-gebouw in Bos en Lommer. Het trappenhuis wordt ook gebruikt door gasten van het hostel, wat een merkwaardige sfeer teweegbrengt.

Calon heeft er als curator voor gekozen om de werken in de expositie te groeperen naar de studio of werkplaats waar het werk geproduceerd is. De tentoonstelling is verdeeld in zeven delen, één per werkplaats of collectief. Bij de prints is niet inzichtelijk gemaakt van welke kunstenaars werk getoond wordt. Het drukwerk, variërend van kleine magazines tot grote prints, is bevestigd aan grote, citroengeel geschilderde houten stellages. Een aantrekkelijke opstelling, die tegelijkertijd de grafische kwaliteit van het trappenhuis en van de getoonde werken benadrukt. De nadruk op de studio’s werkt goed. Het maakt een deel van het artistieke landschap van Nederland inzichtelijk, en maakt nieuwsgierig naar meer. Het schept het beeld dat deze werkplaatsen essentieel zijn voor kunstenaars én ook een belangrijke aanjager zijn van artistieke ontwikkelingen.  

De visuele aantrekkingskracht van PRINT is groot. Symmetrische patronen in frisse kleurenschema’s van de hand van Calon – ook deelnemend kunstenaar – worden afgewisseld door de meer verstilde werken die in Grafisch Atelier Daglicht geproduceerd zijn: een vrouwenportret door Mo Swillens en een hypnotiserend groot werk door Linda Arts, waarin geometrische lijnen in gradaties zachtgrijs in elkaar overgaan.  

Naast de ingang van de Vertical Gallery is werk samengebracht dat werd geproduceerd aan de Van Eyck Academie. Een van de deelnemers is Zohra Opoku, die momenteel woont en werkt in Accra, Ghana. Ze maakt deel uit van een grotere groep jonge kunstenaars die zijn wortels heeft in de omvangrijke Ghanese diaspora. Zelf is Opoku opgegroeid in voormalig Oost-Duitsland. In PRINT toont ze enkele foto’s waarop het subject onherkenbaar gefotografeerd is, doordat kleding het zicht op het gelaat ontneemt. De geportretteerden worden zo geanonimiseerd door een culturele uiting die normaliter juist ingezet wordt om de eigen identiteit te versterken. Dat textiel een hoofdrol speelt in het werk van Opoku, is tevens terug te zien in het feit dat de getoonde prints gedrukt zijn op stof, dat losjes op de stellage gespijkerd is. De werken zijn ingetogen gedrukt in grijstinten, met een enkele baan kleur. Wat de werken prikkelend maakt, is het contrast tussen de minimalistische aanpak enerzijds en de kleurrijke, visueel explosieve textielcultuur waar het werk deels naar verwijst anderzijds. Haar werk laat zich lezen als een een verfijnd spel: Opoku respecteert de cultuur die zij gebruikt, maar tegelijkertijd maakt zij zich die ook eigen.  

Boven in het trappenhuis worden harde figuratieve linosnedes gepresenteerd door PrintRoom. Ze zijn onderdeel van Lubok #11, een magazine waarvoor Christoph Ruckhäberle per editie verschillende kunstenaars uitnodigt. De lino’s zijn hard, een beetje luguber en bijna gotisch. Ze doen denken aan deathmetal-shirts en psychedelische stripboeken. Dat is één van de schoonheden van drukwerk: juist doordat het zo benaderbaar is, nodigt het medium ook uit tot extreme, visuele experimenten. Niets is te gek voor de drukpers.  

Binnen PRINT zou meer aandacht besteed mogen worden aan de technische variatie van de getoonde werken. De tentoonstelling heeft meer te bieden dan alleen kleur en lijnenspel. Voor de leek is het niet eenvoudig te herkennen welke technieken gepresenteerd worden. Een graficus zal ongetwijfeld de finesses van de omgang met deze technieken waarderen, maar voor de rest van het publiek is het verhelderend als dit zou worden toegelicht. Calon heeft er echter voor gekozen om in PRINT de werken voor zichzelf te laten spreken. Daardoor functioneert de presentatie als een kunstkabinet: een eigenzinnige samenstelling van kleuren, patronen en beeldtaal. En net als bij een kabinet, ontleent PRINT haar waarde niet aan de losse onderdelen die in de Vertical Gallery te zien zijn, maar aan het geheel. Context is secundair.  

In drukwerk mag veel, zoals PRINT goed duidelijk maakt. Drukwerk maakt vrolijk, nieuwsgierig en hebberig. De liefde voor het vak en voor het experiment spat van de werken af. Het zou goed zijn om in de toekomst exposities iets zorgvuldiger te contextualiseren. Gelukkig doet het huidige gebrek aan informatie niet af aan het plezier dat de werken oproepen.  

Tentoonstellingsoverzicht PRINT, WOW Amsterdam
Tentoonstellingsoverzicht PRINT, WOW Amsterdam
Gareth Moore, A BURNING BAG AS A SMOKE-GREY LOTUS, tentoonstellingsoverzicht, (2015), Foto: Gerrit Schreurs, Courtesy Stroom Den Haag

Een haast serene stilte overheerst in A Burning Bag as a Smoke-Grey Lotus, een ruimtevullende installatie van de Canadese kunstenaar Gareth Moore (1975). Moore toonde dit werk eerder bij La Loge in Brussel en nu in aangepaste versie bij Stroom in Den Haag. Tientallen sculpturale objecten lijken als levenloze acteurs te wachten tot hun performance begint. Op het eerste oog is het dan ook moeilijk voor te stellen dat het in deze installatie allemaal draait om geluid.

De enscenering voor het stuk dat hier wordt opgevoerd bestaat uit zes grote vitrines van hout en kippengaas die naadloos in de ruimte passen. Sommige hebben een vloer van aarde of tapijt, andere van water of cement. Hun achterwanden bestaan uit grote canvas doeken die zijn beschilderd met onder andere bladeren, visvoer, rattengif of motorolie. Met deze combinatie van natuurlijke en synthetische materialen vormen de vitrines het theatrale decor voor de verzameling wonderlijke objecten samengesteld uit lampen, dozen ontbijtgranen, een jerrycan of een plastic zak. Deze sculpturen fungeren als de onwaarschijnlijke instrumenten in een door Moore geschreven compositie.

De compositie beschrijft het verloop van een dag van zonsopgang (het geluid van een lepel in een ontbijtkom) tot zonsondergang (een enkele zucht). Op de partituur die Moore bij de installatie maakte, is aangegeven welke instrumenten op welk moment van de dag bespeeld mogen worden door performers die op onaangekondigde momenten de vitrines betreden. Hun aanwezigheid transformeert de statische opstelling tot een levendig samenspel van onverwachte geluiden. Wanneer deze performers niet aanwezig zijn, overheerst de stilte en is het vooral de verbeeldingskracht die de objecten tot leven brengt. Hoe klinkt een tuinslang? Welk geluid maakt een snaarinstrument vol fruit? Met zijn zorgvuldig samengestelde presentatie weet Moore een geheel te creëren dat zowel uitblinkt in poëtische helderheid als subtiele dubbelzinnigheid. De installatie roept het gevoel op van een hete zomerdag waarin stilte en kalmte overheersen, maar waar de lucht zwanger is van potentiële activiteit.

In Stroom neemt Moore ons mee naar een erf waar een schop knarst in het zand, een schuur waar het zoemen van een lamp hoorbaar wordt, naar een keuken waar het ontbijt wordt klaargemaakt. Verderop zien we de zee, waar wind en water ruisen en in de verte een zeeschelp klinkt die werd uitgerust met het mondstuk van een fluit. Denkend aan alle mogelijke geluiden die deze instrumenten tezamen zouden kunnen maken, wordt een overweldigende kakofonie van geluiden hoorbaar. Deze verschillende tonen en klanken lijken zich bovendien op een niveau te bevinden waar we doorgaans maar moeilijk toegang tot vinden.

Het is dit niveau dat Moore in zijn installatie op fascinerende wijze openbaart. Door middel van zijn zelfbedachte instrumenten opent hij een wereld die reikt voorbij de gebruiksdoelen die we doorgaans toekennen aan alledaagse objecten. Moore onthult op speelse wijze een levendigheid die schuilt in schijnbaar levenloze materialen. Hij bevraagt hoe wij ons tot deze dingen om ons heen verhouden. Zijn fantasievolle benadering maakt invoelbaar dat deze relaties niet eenduidig zijn en impliceert bovendien een gelijkwaardigheid tussen mensen, dieren, dingen en natuur. Met geluid als uitgangspunt zoekt hij naar de grenzen en spanningen die zulke relaties kenmerken, en geeft op die manier een voorzichtige aanzet om deze opnieuw te definiëren binnen een meer vloeibare betekenisstructuur.

Moores oog voor detail en uitstekend gevoel voor esthetiek zijn kwaliteiten die A Burning Bag as a Smoke-Grey Lotus tot een overtuigende installatie maken. De enige kanttekening die hierbij geplaatst kan worden, is dat het geheel ernaar neigt in de schoonheid zijn eindpunt te vinden. De stillevens die Moore creëert zijn stuk voor stuk uitdagend, maar blijven door de vitrines waarin zij zich bevinden tegelijkertijd altijd op een afstand. Dat staat een werkelijke relatie met de objecten in de weg. Pas wanneer de performers de instrumenten bespelen, openbaart zich een levendigheid die we ons nooit hadden kunnen voorstellen. Slechts dan ontvouwt zich in de trillingen en ritmes een lichamelijke ervaring die ons verbindt met de dingen om ons heen. Ondanks zijn haast te subtiele benadering weet Moore deze schijnbaar levenloze acteurs in een nieuw licht te tonen, en zo de eerste muzikale woorden van een vocabulaire af te tasten dat ons helpt hen op een andere manier te kunnen begrijpen.

Gareth Moore, A BURNING BAG AS A SMOKE-GREY LOTUS, tentoonstellingsoverzicht, (2015), Foto: Gerrit Schreurs, Courtesy Stroom Den Haag

Open lucht

Menno Dudok van Heel
Tentoonstellingsoverzicht GALERIE MERCATORPLEIN (2015), foto: Ernst van Deursen

Drie maanden geleden verhuisde ik naar het Mercatorplein in Amsterdam-West. Kort daarna werden zeventien grote betonblokken met foto’s op het plein voor de deur neergezet. Op het balkon van mijn nieuwe huis keek ik vervolgens een paar weken uit over een tentoonstelling waarin het werk van zes geselecteerde kunstenaars van de jaarlijkse Talent Call van Foam werd samengebracht. Het is maar één voorbeeld van de vele openluchttentoonstellingen die steeds vaker in en rond Amsterdam als paddenstoelen uit de grond lijken te schieten. Deze zomer komt de kunstliefhebber zeker aan zijn trekken met tentoonstellingen in de openbare ruimte. Waarom zien we dit fenomeen steeds vaker, wat zijn de drijfveren van tentoonstellingsmakers om buiten de muren van kunstinstellingen te opereren en op welke manier verhoudt een tentoonstelling zich tot de plek waar zij plaatsvindt? Deze vragen wil ik aan de hand van een verkenning van tentoonstellingen in de openbare ruimte proberen te beantwoorden.

Kunst in de openbare ruimte is de afgelopen decennia steeds belangrijker geworden binnen het domein van de kunstkritiek. Wat vroeger vooral betekenis had als publieke opdracht – het verschaffen van werk voor kunstenaars en verrijking van het straatbeeld – komt steeds vaker ter sprake in kunsthistorische beschouwingen en reflecties. Van 1999 tot 2012 was Stichting Kunst en Openbare Ruimte (SKOR) de belangrijkste organisatie die zich richtte op dit onderwerp. Vanwege de opheffing werden de verschillende taken van deze stichting verdeeld. Sinds 2003 is Jeroen Boomgaard lector kunst in de openbare ruimte binnen het Lectoraat Art & Public Space (LAPS, wetenschappelijk instituut voor kunst en publieke ruimte) aan de Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam. Voor deze verkenning van een nieuwe vorm van kunst in de publieke ruimte, namelijk tentoonstellingen in de openbare ruimte, heb ik het essay Wild Park – Het onverwachte als opdracht dat Boomgaard in 2011 in opdracht van het Fonds BKVB (nu het Mondriaan Fonds) schreef, als startpunt genomen.

Een van de meest bekende initiatieven van kunst in de openbare ruimte in Nederland zijn de Sonsbeek- beeldententoonstellingen die sinds 1949 in het Arnhemse Park Sonsbeek worden georganiseerd. Deze tentoonstellingen zouden aanvankelijk elke drie jaar plaatsvinden, maar werden later met grotere tussenpozen georganiseerd. In het park werd een internationale selectie van beeldhouwkunst tentoongesteld. Die verspreidde zich vanwege het succes later uit over Arnhem en zelfs door heel Nederland. In 2016 zal er voor het eerst in acht jaar weer een tentoonstelling in Park Sonsbeek te zien zijn. Het kunstenaarscollectief ruangrupa uit Indonesië is bezig met de voorbereiding van deze expositie, die gericht is op de dialoog met bewoners van Arnhem. Dat concept volgt de tendens van tentoonstellingen in de openbare ruimte: de kunstwerken moeten voor iedereen toegankelijk zijn en een positieve impuls aan de omgeving geven. Ruangrupa is in juli van dit jaar begonnen door een huis aan de Arnhemse Looierstraat om te dopen tot Ruru Huis – een ontmoetingsplaats voor de bewoners en de kunstenaars.

Wat hebben al deze projecten gemeen? Waarin zijn zij beter dan instellingen die moderne en hedendaagse kunst presenteren binnen hun muren of eventueel in een beeldentuin? Vervallen we niet in middelmatige tentoonstellingen die het daglicht alleen zien vanwege de politieke drijfveer om cultureel verantwoorde projecten in de publieke ruimte te presenteren? Om te kunnen kijken naar de twee fenomenen kunst en tentoonstelling in de openbare ruimte helpt de definitie van die tweede. Onder de openbare ruimte verstaan wij de plekken die voor iedereen vrij toegankelijk zijn, zonder dat hier een toegangsbewijs voor nodig is. Kunst kun je zien als een vrije uiting die niet direct aan de structuur van de openbare ruimte bijdraagt. Zij bezit geen directe functie, maar is een vrije uiting van de maker die een boodschap en esthetische meerwaarde aan de openbare ruimte geeft. Boomgaard geeft in zijn essay aan dat voor ‘deze tentoonstellingen in de openbare ruimte dezelfde voorwaarden gelden als voor solitaire kunstwerken: ze beogen plekken te creëren voor ontmoeting, uitwisseling en meningsvorming.’

De locatie is een eerste variabele. Deze hangt af van de aard van de tentoonstelling, maar soms is de keuze voor een locatie in combinatie met een tentoonstelling raadselachtig. Wat een openbare locatie aan een tentoonstelling verbindt, hangt af van de potentiële doelgroep, de aanblik van de omgeving en de bezoekers die om andere redenen reeds gebruikers zijn van de aangewezen openbare ruimte. De tentoonstelling die ik in de introductie van dit stuk noemde, de billboardexpositie van Foam op het Mercatorplein, is een voorbeeld van een onkundige, of op zijn zachtst gezegd onnatuurlijke, wisselwerking tussen locatie en tentoonstelling. Hier spelen andere belangen: Stadsdeel Amsterdam-West haalt graag een organisatie als Foam naar het Mercatorplein om bij te dragen aan de aantrekkingskracht van het stadsdeel op jonge, hippe en creatieve mensen.

Tracy Metz schrijft in haar artikel voor de Groene 2014 over de opkomst van koffiebars, pop-up restaurants en food trucks die volgens haar niet bedoeld zijn voor de mensen die al in een bepaalde wijk wonen, maar zich juist richten op nieuwe bewoners. Ook op die manier vervult de tentoonstelling een rol in de opwaartse impuls die sinds 2007 aan de zogenaamde Vogelaarwijken wordt gegeven. Kunst wordt ingezet als emulgator die de buurt met een nieuw soort bewondering kan verbinden. Foam is op zijn beurt blij met de zichtbaarheid die hiermee wordt gegenereerd. Dit soort tentoonstellingen houdt het midden tussen marketingmiddel en een culturele campagne: de omschrijving ‘billboardtentoonstelling’ zegt al genoeg. Later worden de foto’s naar de liefhebbers toegebracht: de tentoonstelling is van 18 tot en met 20 september te zien op fotografiebeurs Unseen, die niet alleen wordt georganiseerd door Foam, maar ook door Platform A, een ‘office for cultural business development’ en Vandejong, een ‘branding agency’.

ArtZuid is inmiddels een bekende verschijning in het chique Amsterdamse stadsdeel. Dit jaar heeft de organisatie tentoonstellingmakers Rudi Fuchs en Maarten Bertheux gevraagd om de beeldenroute samen te stellen. De selectie bestaat uit grote sculpturen van bekende kunstenaars die over de groenzomen van de straten in Amsterdam-Zuid staan verspreid. ArtZuid lijkt met deze tentoonstelling veel op een gemiddelde museumzaal. De straten voelen leeg aan, de kunstwerken krijgen alle ruimte en als bezoeker heb je het gevoel dat je als enige door de tentoonstelling loopt. Het verschil is dat je vogels hoort fluiten en auto’s hoort langsrijden. Op de website spreekt men van een ‘…innovatief tentoonstellingsconcept ontwikkeld met 18 “podia” op de open plekken van de route’. De marketingmachine achter ArtZuid en de doelgroep – hoogopgeleide ouderen– is tekenend voor een eenzijdig concept waarbij de kracht van de locatie weinig vernieuwing biedt. Aan de andere kant richt de organisatie haar pijlen op de media-aandacht die het bezoek van bijvoorbeeld Lady Gaga teweegbrengt: ‘ze … blijkt dol op het werk van John Chamberlain’. De sculptuur staat pal voor het Hilton Hotel, zou zij de rest van de tentoonstelling ook hebben bekeken?

Een tentoonstelling met meer zeggingskracht en een vernieuwende invalshoek is Get Lost. Deze kunstroute – ook in Amsterdam-Zuid – presenteert niet alleen nieuw werk, maar creëert ook nieuwe banden tussen de kunst- en zakenwereld. Bedrijven op de Zuidas geven kunstopdrachten, waarna de kunstwerken in de openbare ruimte van het zakendistrict belanden. Na afloop van de kunstroute (27 september) hebben deze bedrijven als eerste het recht om het werk te kopen. Daarmee probeert Get Lost het gat tussen twee werelden te dichten. Met deze aanpak kan de tentoonstelling op sociaal vlak voor verbetering zorgen. Buren als advocatenkantoor Loyens & Loeff en de Gerrit Rietveld Academie leren elkaar kennen. Dit werd het mooist inzichtelijk gemaakt in het afstudeerwerk van initiator Cecile Mullens-Wentges, die na een korte carrière de zakenwereld verliet om te gaan studeren aan de Gerrit Rietveld Academie. Met I Wonder where We Will Meet (2013) sloeg zij een letterlijke brug tussen de twee gebouwen. De steigerconstructie die de twee panden voor de duur van de tentoonstelling verbond, nodigde uit tot ontmoeting tussen de kunstenaars en de advocaten. Daarnaast werden er rondleidingen gegeven door elkaars leefwereld. Twee jaar later heeft zij nieuwe kunstenaars bijeengebracht om soortgelijke ontmoetingen te bewerkstelligen. Get Lost moet kunstenaars helpen een stap richting de commercie te zetten, zonder af te doen aan de artistieke kwaliteit van hun werk. Het is duidelijk dat dit concept weldoordacht is en naast het presenteren van kunst een grotere vraag probeert te beantwoorden.

Kunst aan de Schinkel opent in het najaar, waardoor deze kunstmanifestatie de concurrentie met de vele zomertentoonstellingen niet aan hoeft te gaan. De Soledad Senlle Art Foundation organiseert Kunst aan de Schinkel dit jaar voor de derde keer, waarbij de titel Verborgen plekken verwijst naar de opdracht voor de tien deelnemende kunstenaars. Door middel van kunstwerken in de openbare ruimte worden locaties onthuld die normaal aan ons zicht blijven onttrokken. Het initiatief verbindt de kunstwerken daarmee direct aan de fysieke ruimte, en biedt kunstenaars de gelegenheid om met een ingreep in de openbare ruimte, de ogen van bezoekers en voorbijgangers voor deze plekken te openen.

Daarmee biedt deze manifestatie wat mij betreft de beste kijk op succesvolle kunst in de openbare ruimte. De voormalige gevangenis aan de Havenstraat bij het Haarlemmermeerstation, het vroegere brugwachtershuisje in een kelder onder de Zeilbrug en de begraafplaats Huis te Vraag krijgen een nieuwe betekenis doordat kunstenaars werk maken voor de specifieke locatie. Hierdoor wordt een openbare ruimte niet door kunst bezet, maar wordt zij op subtiele wijze geherdefinieerd aan de hand van de kunst die een dialoog met de locatie aangaat. De tentoonstelling is nog niet geopend, dus ik moet een slag om de arm houden. Toch heb ik heb er om bovenstaande redenen vertrouwen in dat dit initiatief positief zal uitpakken. De kwaliteit van een tentoonstelling in de openbare ruimte zit in de relatie die het geheel van werken aangaat met de plek waar zij wordt gepresenteerd. Het grote verschil met een tentoonstelling in een tentoonstellingsruimte is dat de openbare ruimte wordt gedeeld tussen bezoekers en gebruikers van de plek, en dat de kunstwerken beide groepen zouden moeten kunnen aanspreken. Een krachtig beeld dat aan de specifieke geschiedenis van de locatie herinnert of een bestaande plek op een nieuwe manier zeggingskracht geeft is wat mij betreft geslaagd. Omdat tentoonstellingen in de openbare ruimte geen entree of uitgang hebben, staat of valt de tentoonstelling bij haar receptie. Positieve reacties en verraste gezichten op straat bepalen de kwaliteit, niet het bezoekersaantal.

Elke tentoonstelling heeft haar eigen doel. Zij geeft een instelling meer aandacht door ook buiten de muren zichtbaar te zijn, geeft een plek statuur, of verbindt kunst aan het bedrijfsleven. In zijn essay schetst Boomgaard kwaliteit als ‘werken die er in slagen te ontsnappen aan de belangen en inventies waarmee een plek beladen is en die met hun vluchtlijn een onverwacht patroon in de lucht tekenen.’ Dat onverwachte patroon zie je vooral terug bij de tentoonstellingen die vanuit het tentoonstellingsconcept op een inventieve manier een relatie aangaan met de omgeving. Door een serie kunstwerken in de openbare ruimte te plaatsen heb je nog geen geslaagde tentoonstelling, net zomin als binnen de muren van het instituut. Een tentoonstelling heeft pas zeggingskracht wanneer er een dialoog ontstaat.

Tentoonstellingsoverzicht GALERIE MERCATORPLEIN (2015), foto: Ernst van Deursen