Elsa Hartjesveld, z.t., 2017. Foto: Galerie Lutz

In Galerie Lutz werd eerder werk van zowel Lidy Jacobs, Elsa Hartjesveld als Saskia Admiraal tentoongesteld. Met name Hartjesveld en Jacobs kennen elk een lange samenwerking met galeriehouder Will Lutz. In de huidige tentoonstelling, Meta Natura, wordt werk van deze drie kunstenaars echter voor het eerst samen getoond.

Wat opvalt als ik binnen kom zijn de vele kleine werken verspreid over de ruimte. Bustes van Jacobs staan gepresenteerd op kleine sokkels vooraan in de ruimte met daarnaast teken- en schilderwerk van Hartjesveld. De tegenoverliggende wand is gevuld met gekleurde balpentekeningen van Admiraal. In Meta Natura kijken de kunstenaars voorbij de direct zichtbare natuur. Hun benaderingswijzen lopen uiteen, maar alle werken zijn met zorgvuldigheid en aandacht voor detail gemaakt.

De tekeningen van Admiraal zijn opgebouwd uit oneindig veel pennestreekjes, die bomen en bergen, abstracte vormen of zelfportretten vormen. Ze weet met balpen een verrassend zacht effect te bereiken. Sommige tekeningen zijn gemaakt in verschillende kleuren, andere in één kleur. Alle beeldelementen zijn opgebouwd uit zorgvuldig naast elkaar gezette lijntjes en vooral de monochrome werken vragen een aandachtige blik van de kijker. Ik ontwaar bomen die recht als pilaren naar de hemel reiken of juist afgezaagd zijn vlak boven de wortels. De ambivalente verhouding van de mens tot de natuur lijkt in haar werk centraal te staan.

Het sterkst vind ik de tekeningen waarin Admiraal zichzelf afbeeldt en zodoende haar eigen verhouding tot de natuur bevraagt. De kunstenaar lijkt er het liefst in op te gaan, haar kleding of lichaam afbeeldend in dezelfde textuur en kleur als haar omgeving. Admiraal laat echter telkens een onnatuurlijk element zichtbaar, zoals een rugzak of een stuk papier, waardoor zowel haar wens als de onmogelijkheid om die te verwezenlijken onderstreept worden.

Tussen Admiraals tekeningen hangen twee prachtige schilderijtjes van Hartjesveld. Ze tonen elk een fantasiebloem: de een rechtop, de ander met hangende kelk. Beide kelken zijn omvat door trefzekere penseelstreken die de kelken lijken te koesteren, zoals handen een hoofd kunnen omvatten. Dit maakt de werken raadselachtig en troostend tegelijk.

Aan de tegenoverliggende zijde schakelt de expositie van herkenbare afbeeldingen van de natuur naar het onvoorstelbare. De kwantummechanica vormt namelijk het uitgangspunt voor een serie potloodtekeningen van Hartjesveld. Ronde tekeningen op rechthoekige vellen papier tonen constellaties van bollen of lichtvlekken die door dunne verbindingen met elkaar in contact staan. De prachtige ronde vormen doen me denken aan het werk van Kinke Kooi. Maar waar de ronde vormen in het werk van Kooi meanderen en welven, lijken de vormen in het werk van Hartjesveld door hun geometrische ordening meer statisch, als natuurkundige modellen.

Bloemen zijn ook te zien in het werk van Jacobs, hoog opgetast als pruiken op de hoofden van haar antropomorfe sculpturen. Deze erotische wezens zijn kenmerkend in het consistente oeuvre van Jacobs. Sinds een aantal jaren maakt ze haar wezens van synthetische klei, door haar ‘claymorfes’ genoemd. Door het gladde, huidkleurige materiaal lijken de claymorfes naakter dan de pluizige soft sculptures die ze eerder maakte, alsof ze van hun vacht zijn ontdaan. Ze ogen kwetsbaarder ook.

De bustes bij Galerie Lutz doen in eerste instantie klassiek aan, maar bij nadere beschouwing zie ik dierlijke elementen zoals kattenoren en konijnenneuzen. Vanonder een bloementooi staart een vrouwelijk wezen met een konijnachtige neus in de verte, haar borstjes hangen over de sokkel, alsof de borsten en neus haar primaire zintuigen zijn. Ernaast Maria Hanging, een ‘kruisbeeld’. Bloembladeren omkransen Maria’s hoofd, stampers reiken erboven uit. Een lendendoek ontbreekt: vulva en borsten zijn duidelijk zichtbaar. Het beeld hangt aan een ruwe draad die onder haar borsten spant aan één spijker aan de muur.

Het werk van Jacobs is meerduidig. Van een afstandje heeft het iets vrolijks, bijna kinderlijk. Dat verandert als je dichtbij komt. Haar werk is een bron van zowel vreugde als ontbering. Deze tweeledigheid maakt het mogelijk haar werk te verklaren in het kader van deze tentoonstelling: de vrouwelijke sensualiteit is ondoorgrondelijk, net als de natuur. Jacobs’ werk heeft echter zoveel connotaties dat ik het werk daarmee te kort zou doen.

Ondanks dat de inhoudelijke relaties tussen de werken van Admiraal, Hartjesveld en Jacobs beperkt zijn, vormt de tentoonstelling een evenwichtig geheel. Juist door de uiteenlopende benaderingen wordt de kijker uitgenodigd verder te kijken dan de vanzelfsprekende natuur.

Deze recensie is onderdeel van de serie ‘In de periferie’, waarbij een specifieke stad of regio een langere tijd door een auteur onder de loep wordt genomen. Na Marjolein van de Ven en Jip Hinten was het de beurt aan Anja Bijl om een tentoonstelling rondom hedendaagse kunst in Delft te recenseren.

Anja Bijl studeerde aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten en werkt in Delft.

Lidy Jacobs, Greenflower Woman, 2017. Foto: Galerie Lutz
Saskia Admiraal, De troost van het blauw gentiaan, 2017. Foto: Galerie Lutz
Elsa Hartjesveld, diverse titels, 2011-2017. Foto: Galerie Lutz
Lidy Jacobs, Cat Woman, 2017. Foto: Galerie Lutz
Peter Lemmens en Kris Van Dessel, Reset Ghostwriters, 2018. Foto: trampoline

/’haɪə en (nʊ)/ zit erop. Na zes hectische weken vol ontmoetingen, performances, tentoonstellingen, lichtonderbrekingen, gesloopte werken en roze olifanten, is het voor galeristen Daniela Apice en Simon Delobel weer tijd voor de ‘normale’ gang van zaken. Wat de voorbije twee weken opviel was het verlangen naar een einde en de wijze waarop dit terugkwam in de programmering.

Op 13 januari stond een klapconcert van Stefaan Dheedene gepland. Hij verzorgde eerder al de openingspresentatie en toonde enkele werken die bijdroegen aan de transformatie van galerie tot bar. Het klapconcert werd helaas afgelast omdat de ruimte ongeschikt werd bevonden. Niets wat beter binnen de openheid van dit project past dan een spontane wissel. Dheedene maakte plaats voor de nieuwe generatie en nodigde een van zijn studenten, Nienke Baeckelandt, uit voor een performance.

6. Vodka Cranberry

Wanneer ik op de bewuste avond trampoline betreed ligt de vloer bezaaid met snippers. In het midden van de ruimte staat Baeckelandt met een koptelefoon op haar hoofd, gewapend met een schaar. Ze beweegt schokkerig mee met de muziek en knipt op hetzelfde ritme in oude affiches van trampoline. Haar handen, tegen de blaren, omwikkeld met verband. De affiches, verspreid over twee tafeltjes, gaan terug tot de eerste tentoonstelling in 2014. De actie is doordrongen van symboliek: het verleden wordt weggeknipt en eindigt in snippers op de vloer waar het een ‘historisch tapijt’ vormt. Het voelt aan als een einde en onlosmakelijk ook als een begin: een nieuw tijdperk wordt aangebroken. De galerie ‘zuivert’ zichzelf en richt haar blik op de toekomst.

De rol die de kunstenaar hier vervult is frappant. Door haar koptelefoon zit ze in haar eigen zone en trekt zich niets aan van de toeschouwers. Wij zijn hoogstens obstakels die in haar weg staan terwijl ze door de kleine ruimtes beweegt en de ene na de andere affiche verslindt. Hier is zij de ‘elephant in the room’. Dat verandert op het moment dat ze bijgestaan wordt door assistent-knippers, op voorhand door haar uitgenodigd. Even later wordt ook het publiek, zonder voorkennis van de actie, aan het knippen gezet. Al gauw heeft iedereen oortjes in en ontstaat er een knippend ensemble. Het tapijt groeit exponentieel. In eerste instantie lach ik om de concentratie waarmee de banale actie uitgevoerd wordt, maar al snel besef ik dat de rollen zijn omgedraaid: nu ben ik overgebleven als ‘elephant in the room’. Ondanks dat de meest logische handeling lijkt te participeren, doe ik dat niet.

7. Montepulciano d’Abruzzo

De symbolische weg naar het einde, ingezet door Baeckelandt, wordt weldoordacht afgesloten tijdens het slotevenement door Peter Lemmens en Kris Van Dessel. Voor Reset Ghostwriter vroegen zij een ghostwriter een handleiding te schrijven voor het leegmaken van de galerie. Dit mondde uit in een ‘droog’ instructieblad van één A4, met behulp van Google Translate vertaald in acht verschillende talen.

Wanneer ik, halverwege het event, de galerie bezoek zijn de instructies reeds uitgevoerd en de ruimtes leeg. Treffend is het gevoel dat samen met de werken een deel van de gemoedelijkheid en laagdrempeligheid, die dit project zo typeren, verdwenen zijn. Wat overblijft is een (na)galmende ruimte.

Al gauw wordt de leegte verstoord door drie ronkende robotstofzuigers die af en toe tegen mijn been oprijden. Ze rijden eindeloos rondjes in de galerie in een poging het snippertapijt van Baeckelandt weg te vagen. Dat lukt behoorlijk goed. Zo wordt de fysieke herinnering aan /’haɪə en (nʊ)/ in no-time gewist.

Aan het einde van /’haɪə en (nʊ)/ valt op dat twee specifieke elementen het project gevormd hebben: het flexibele gebruik van de galerieruimte en de caféstructuur. Door af te stappen van een afgebakend uitgangspunt en door tentoonstellingen, afzonderlijke werken en events naast elkaar te programmeren, vergroeiden deze met elkaar en ontstond er een steeds veranderend, organisch geheel. De rode en verbindende draad -de minimale caféstructuur- maakte de galerie toegankelijk en laagdrempelig. Het publiek werd uitgenodigd om samen rond de tafel te zitten, waardoor kunstenaars, bezoekers en galeristen automatisch met elkaar in contact kwamen. Apice en Delobel engageerden de toeschouwers om actief deel te nemen. Zo verviel de hiërarchie en afstand die nog vaak voelbaar is bij het betreden van een galerie en was er plaats voor een (soms letterlijk) tastbare ervaring van de werken.

De vraag die nazindert is hoe dit project verder zou kunnen gaan? ’haɪə en (nʊ)/ was inhoudelijk gezien een succesvol en verrijkend experiment, maar de vorm was intens en is praktisch gezien lastig te verduurzamen. Terwijl de galerie inmiddels is teruggevallen in het oude stramien, blijft er een duidelijk verlangen naar een alternatieve vorm. Zo startte Delobel vorig jaar het side project Intemporal, een anagram van trampoline. Eind februari opende het derde project van dit tijdelijke en nomadische alter ego van de galerie. Wellicht is Intemporal ook de plek waar verder kan worden nagedacht over de (on)mogelijkheden van de galerie.

Deze tekst is het derde deel van een meerdelige recensie en vormt onderdeel van ‘Tubelight ontmoet trampoline’, een samenwerking met de Antwerpse galerie trampoline naar aanleiding van het tentoonstellingsproject /’haɪə en (nʊ)/.

Axel De Marteau is beeldend kunstenaar en schrijft onder andere voor Metropolis M.

Peter Lemmens en Kris Van Dessel, Reset Ghostwriters, 2018. Foto: trampoline
Studio L A, tentoonstellingsvormgeving On Speaking Terms, 2017, Nest. Foto: Joekho

Het discursieve programma viert hoogtij binnen de hedendaagse kunstsector: het aanbod van ‘verdiepende’ evenementen zoals film screenings, boekpresentaties, lezingen en debatten wordt steeds groter. Over de inhoud van deze evenementen, en de daadwerkelijke meerwaarde van de programma’s wordt echter weinig geschreven. Als onderdeel van de serie ‘Discursief geluister’ neemt Miriam van Ommeren een aantal (door haar zelf geselecteerde) evenementen onder de loep. Eerder schreef zij over een symposium bij Quartair en over de Uit de Kunst-lezing van Jonas Staal bij de OBA.

Deel 3: Gesprek met vreemdelingen


‘[K]ijk er niet van op, wanneer ik u straks toch weer vragen
stel over iets dat al duidelijk lijkt te zijn. De bedoeling van
mijn vragen is ervoor te zorgen dat de redenering helemaal
stap voor stap verloopt. Ze zijn niet tegen u gericht. We
mogen echter niet in de gewoonte vervallen dat wij maar
doorgaan, met niet meer dan een vermoeden van de
betekenis van elkaars woorden.’ – Socrates
Plato, Gorgias, 458e

Op een koude donderdagavond stap ik de fel verlichte ruimte van Nest binnen. Er is dan al ruim zes weken de tentoonstelling On Speaking Terms te zien. Ik ben al lang niet meer in Nest geweest maar ik vind het een fijne plek. Het is geen standaard tentoonstellingsruimte; de tentoonstellingen hebben vaak iets experimenteels, als ‘experimenteel’ niet zo’n versleten term was. Als bezoeker voel je je onderdeel van hetgeen er te zien is, alsof de kunst nog niet helemaal ‘af’ is en jij mag meehelpen er de laatste hand aan te leggen.

On Speaking Terms wil aan de hand van verschillende werken het wij-zij denken in de samenleving bevragen, met onderwerpen (zoals identiteit en vluchtelingenproblematiek) die zich daar prima voor lenen. Dit aan de hand van een tentoonstelling met werken van o.a. Barbara Visser, Charl Landvreugd en Robert Glas, en twee Socratische gesprekken. De gigantische ruimte is prachtig ingericht door Studio L A met in het hart van de tentoonstelling een ‘arena’, omgeven door drie getrapte tribunes. Het geheel doet aan als een gedeconstrueerd amfitheater. De tribunes zijn esthetische objecten, zolang er nog niemand op zit. Mooi om te zien, spartaans. Hard en een tikje ongemakkelijk om op te zitten.

Boven één van de tribunes wordt How to Motivate Someone to Leave Voluntarily (2016) van Robert Glas geprojecteerd. Het videowerk, waarin twee acteurs een ambtenaar en een uitgeprocedeerde asielzoeker spelen, laat een typisch ‘vertrekgesprek’ zien dat in 2015 werd ingevoerd om te zorgen dat meer illegalen en uitgeprocedeerde asielzoekers Nederland ook daadwerkelijk zouden verlaten. Op de website van Dienst Terugkeer en Vertrek (onderdeel van het ministerie van Justitie en Veiligheid) worden alle stappen van het gesprek omschreven onder de filosofische titel ‘Gesprekken met de vreemdeling’.

De ambtenaar in de video van Glas is van het opgeruimde soort; de asielzoeker is letterlijk en figuurlijk uitgeput. Buiten beeld souffleert de stem van een trainer de ambtenaar, die braaf de voorgestelde zinnetjes herhaalt. Het geheel doet enorm klinisch aan: de wijze waarop door middel van woordkeuze en retorische middelen alle emotie en karakter uit een gesprek wordt gehaald totdat het zonder nog af te kunnen remmen één kant op wordt gedirigeerd, is fascinerend en akelig tegelijk.

In diezelfde tijdelijke arena, het middelpunt van de tentoonstelling, vindt ook het Socratisch gesprek plaats. Artistiek directeur Heske ten Cate heet ons welkom, en vervolgens deelt kunstenaar en moderator Wouter Klein Velderman schriftjes en pennen uit. Er zijn 16 deelnemers: kunstacademie-achtige types, een paar popperige meisjes, twee oudere mannen en één corporaal type dat een beetje uit de toon valt. Een goede mix vreemden bij elkaar, in een houten arena, onder felle lampen. Een medewerker van Nest schuift ook aan. Er wordt geen voorstelrondje gedaan.

Klein Velderman geeft een korte geschiedenis van het Socratisch gesprek en legt uit hoe de avond zal verlopen. Spreken (met voertaal Engels) geschiedt alleen via hem, de voorzitter, en alleen wanneer ieder van ons daartoe de beurt krijgt. Na zijn uitleg staat één man op en zegt ‘I don’t think I want to do this.’ Klein Velderman knikt en de man vertrekt. Even golft er verbazing door de groep maar niemand zegt iets; daarvoor hebben we immers geen toestemming. Ik voel een harde houten rand in mijn rug prikken.

Een Socratisch gesprek is een methode waarbij een groep mensen met behulp van systematisch overleg een antwoord probeert te formuleren op een filosofische vraag, instrumentele vragen zijn niet aan de orde. Het gaat er niet om elkaar te overtuigen van de eigen mening; er wordt samen richting één antwoord gewerkt. Je put daarbij enkel uit je eigen, parate, kennis, er wordt niet verwezen naar andere bronnen. Socrates onderwierp zijn gesprekspartners altijd aan een serie vragen, waarbij hij hen dwong hun eigen ideeën aan te scherpen door voortdurende analyse, bevraging en herformulering, totdat de eigen, ‘ware’ kennis overbleef. Deze techniek van vraag en antwoord als middel om de waarheid te achterhalen (en niet om een discussie te ‘winnen’) heet ἔλεγχος, ‘elenchos’.

Dat de ‘maatschappelijke vraagstukken die in On Speaking Terms worden belicht’ hier het uitgangspunt vormen, zoals de website vermeldde, is helaas niet aan de orde. We krijgen enkele minuten om zelf een vraag te formuleren. Dan worden onze vragen stuk voor stuk tegen elkaar uitgespeeld. Deze lopen uiteen van ‘What is the meaning of life?’ (Oh, alsjeblieft niet twee uur lang deze vraag!) en ‘How do we materialize happiness?’ tot mijn eigen, veel te lange vraag die niemand lijkt aan te spreken.

Het is interessant om te horen waarom mensen een bepaalde vraag níet willen behandelen. Op de een of andere manier vertelt mij dit meer over hen dan een voorstelrondje had gedaan. De zenuwen slaan ook toe: drie jongens vragen om een time-out om naar het toilet te kunnen gaan. Verderop in het pand begint iemand op een gitaar te spelen. De felle lampen prikken in mijn ogen.

Het is een continue herhalen, herformuleren van vragen. Handen omhoog voor wie een vraag wil behandelen. Grootse thema’s komen voorbij: kunst, de waarheid, vertrouwen, geluk. Uiteindelijk kiezen we ‘Why do we trust our instincts?’ Hierna kiezen we een gespreksmethode: woorden kiezen en hun definities vaststellen, totdat de vraag helemaal uitgekristalliseerd is.

Klein Velderman laat ons elkaars uitspraken herhalen danwel samenvatten, steeds opnieuw. Het begint te lijken op het ‘telefoonspel’, waarbij één persoon een zin in het oor van de volgende fluistert, die weer dezelfde zin in het oor van persoon nummer drie fluistert, et cetera. Totdat de laatste in de keten hardop iets formuleert wat slechts met een beetje geluk nog lijkt op de oorspronkelijke zin.

Naarmate het proces vordert raak ik steeds verder verwijderd van de oorspronkelijke vraag, van het initiële doel van de avond. Bij elke nieuwe definitie van een gebruikte term dwaal ik in gedachten af, ik begin te twijfelen aan alles. Wat is ‘vertrouwen op’ eigenlijk? En instincten…vertrouw ík op mijn eigen instincten? Het antwoord waarnaar we op zoek zijn interesseert me eigenlijk niet meer.

Alles wat ik fijn vind aan een goed debat is hier afwezig: de directe dialoog, elkaar af en toe in de rede vallen, vurige overtuigingskracht. Emotie. Karakter. Maar desondanks is het een bijzondere ervaring. Het spel van vraag en antwoord, herhaling en samenvatting; een gesprek ontleden tot op het bot, ruim twee uur lang, totdat zestien vreemdelingen verbaal op één lijn zitten…

Wanneer ik een paar weken later The Square kijk, de bejubelde nieuwe film van regisseur Ruben Östlund (Force Majeure), Gouden Palm-winnaar in Cannes, word ik in gedachten even teruggeworpen naar de arena in Nest. De film ontleent zijn titel aan een prestigieus kunstwerk: een vierkant van LED-licht, ingelegd in het plein voor een museum voor moderne kunst. In de openingsscene wordt een ruiterstandbeeld hardhandig van z’n sokkel getakeld (met te verwachten slapstick taferelen) om ruimte te maken voor dit revolutionaire nieuwe werk. Weg met de oude, elitaire prestige kunst; maak plaats voor het nieuwe! ‘The Square is a sanctuary of trust and caring. Within it we all share equal rights and obligations’ leest het bronzen plaatje erbij.

Ook in The Square komen grootse thema’s langs: kunst, seks, moraal, gelijkheid. Ook hier worden vragen opgeworpen, direct en indirect, maar niemand vraagt écht door. Het interview dat journaliste Anne in het begin van de film afneemt met hoofdpersoon Christian, de curator van het betreffende museum, blinkt uit in oppervlakkigheid en misvattingen en zet daarmee de toon voor de rest van de film. Op haar verzoek een -vrij onbegrijpelijke- tentoonstellingstekst uit te leggen antwoordt hij met een halve wedervraag: als hij haar handtas midden in de museumzaal zet, is het dan kunst?

Eén van de sterkste troeven van The Square is dat er in de film vrijwel niets gebeurt ín het vierkant. Behalve in een schokkend promofilmpje gemaakt door twee reclamehipsters, dat de gebeurtenissen nog verder op losse schroeven zet, komt het vierkant verder niet aan bod. Er gebeurt heel veel omheen, er wordt regelmatig aan gerefereerd, en je begint er uiteindelijk wel naar te verlangen, naar dat vierkant. Want er gaat veel mis in The Square, heel veel zelfs. De film is een 2,5 uur durende sneeuwbal van provocatie, misverstand en extreme ongemakkelijkheid. Maar niemand vraagt dóór, niemand bereikt de sanctuary of trust. 

Miriam van Ommeren is kunsthistoricus, schrijver en redacteur.

Guy Bar Amotz, Left: Facebook Right: Idiots. Talking paintings. Foto: Jeroen Laven

The Dickheads was een punkband die tussen 1976 en 1980 naam maakte met verschillende optredens in de San Fransisco Bay Area. Deze band vormt het uitgangspunt voor The Dickheads – In Control, een solo presentatie van de Israëlische kunstenaar Guy Bar Amotz in Rib. Het blijkt een uitdaging om deze veelzijdige presentatie – die het midden houdt tussen een underground concert, een installatie en een bizar poppentheater – te duiden.

Bij binnenkomst vallen vier werken aan de rechtermuur op. Elk werk bestaat uit drie over elkaar heen hangende tekeningen op papier. De vellen zijn met nylondraden verbonden aan elektromotoren, geïnstalleerd onder de tekeningen. Deze zorgen ervoor dat de tekeningen hakkelig over elkaar heen schommelen, waardoor delen van de tekening soms zichtbaar zijn, dan weer worden bedekt door een ander vel papier. Op de vellen is een krasserige brij van groen, zwart, geel en blauw Wasco te zien. In deze wirwar zijn woorden te herkennen die verwijzen naar popcultuur en massaconsumptie zoals McDonalds, Lion, Sabotage. Ik probeer meer begrippen te ontwaren, maar veel blijft verborgen in de brij.

Achterin de ruimte hangen onder gekleurde spotlights The Dickheads: drie ‘performing and talking robotic sculptures’, zoals ze worden omschreven in de tentoonstellingstekst van Rib. Van metalen strips, ijslollystokjes, elektronische componenten en knipperende lichten heeft Bar Amotz skeletten gemaakt, waarop hij in ongebakken klei onderdelen van het gezicht heeft bevestigd. Een kin, ogen, wenkbrauwen, en jukbeenderen zijn duidelijk te herkennen. De vorm van het voorhoofd doet denken aan een penis. De monden, die mechanisch openen en sluiten, animeren verschillende punksongs.

Tussen de punksongs houden The Dickheads monologen over onder andere de etymologie van het woord robot, gedachten over besnijdenis, Joodse tradities en pop cultuur. Op een gegeven moment spreekt een van de robots: ‘[we are] an instrument to overcome responsibility’. Uit de perstekst van Rib blijkt dat de modem die de installatie met het internet verbindt door iedereen met verstand van computers op afstand gehackt en overgenomen kan worden.

In hoeverre dit daadwerkelijk is gebeurd wordt niet duidelijk uit de presentatie, maar dat is niet erg. De crux zit hem juist in het feit dat Bar Amotz de mogelijkheid van overname toont aan het publiek. Hij offert deels de controle over wat The Dickheads zingen en zeggen op, maar eigent zich tegelijkertijd onvoorspelbaarheid en willekeur toe. De installatie gaat zo een eigen leven leiden, onafhankelijk van Bar Amotz.

De performance wordt versterkt door twee luidsprekers van zo’n vijftig centimeter hoog, opgesteld onder The Dickheads. Kenmerkend zijn de ronde organische vormen en het glanzende plastic waarvan ze zijn gemaakt. Een van deze luidsprekerkasten lijkt over te lopen in een ruggengraat. Ze zijn onderdeel van Mochileros, een serie luidsprekers in rugzakvorm. Het werk refereert aan de Zuid-Amerikaanse term voor backpackers uit de Verenigde Staten en West-Europa. Wanneer ik later op de dag de website van Bar Amotz bestudeer blijken veel van zijn werken over identiteit te gaan. Zowel Mochileros als The Dickheads worden gedragen als verlengstukken van het lichaam tijdens verschillende performances.

Links naast The Dickheads zijn nog twee werken aan de muur gepresenteerd. T-shirt ForSsale bestaat uit kledinghangers met drie zwarte t-shirts waarop zowel de naam The Dickheads als een merknaam – zoals Honda, Freebook en Apple – is gedrukt. Erachter hangen vijf werken in vleesachtige kleuren op A1-formaat die samen Excerpt from the Storyboard vormen. Ook op deze werken zijn begrippen en woorden prominent aanwezig.

In tegenstelling tot de complexe vragen die Bar Amotz met The Dickheads aansnijdt, stellen T-shirt For Sale en Excerpt from the Storyboard teleur. Het lijken rekwisieten, niet meer dan merchandise zoals die verkocht wordt bij een concert. Hiermee wordt wellicht gerefereerd aan de veelzijdigheid van de punkscène als subcultuur met een eigen kleding-, dans- en haarstijl. Maar dit is niet wat de punkscène uniek maakte, het ging juist over het verliezen van identiteit door jezelf over te geven aan een overvloed van energie, geluid en beweging.

Binnen de ruwe, eigenzinnige beeldtaal geeft Bar Amotz het publiek de ruimte om zelf inhoud te geven aan het werk. Hiermee wordt zijn identiteit als maker naar achteren geschoven. Daarmee neemt hij als kunstenaar een bewonderenswaardige positie in. Tegelijkertijd voelt het werk ambigue: dat The Dickheads penissen als voorhoofd hebben is heel banaal, en maakt de vragen over makerschap, traditie en eigendom haast bijkomstig. Een pratende penis is inderdaad een dickhead, en dit laat weinig over aan de verbeelding.

Niels Bekkema is kunstenaar, hij studeerde aan het Piet Zwart Instituut en werkt in Rotterdam.

 

[ het is ijzig koud buiten ]

016 Winterdicht — Sébastien Conard

Excuse me, can I ask you where the exhibition of FLIP  is? … Oh, then maybe we can go there together? … Sorry my English is not so good, I come from … Oh, the opening starts only at 7? … But I have some friends who show some books there, so this is my only chance. Let us try.

062 Optimism Works Both Ways — Mark Pezinger Verlag

[ papier glipt door mijn handen, het voelt stroef en zacht en fijn en hard en broos aan ]

Die letterplakmannen, echt, daar werken we nooit meer mee samen. Liegen in mijn gezicht dat ze de beste folie gebruiken om ons dan brol aan te leveren!
–   Oh, ik heb zin in een wijntje, ik ben zo moe…

011 Portraits of Spaces — Stanley Brouwn

Hallo.
–   Hey.
Ik ben gevallen vanmorgen. Recht op mijn achterwerk. Amai, dat deed nogal een beetje zeer, man! Morgen zeker een blauw achterwerk. Gelukkig zag niemand me.

[ soms wou ik dat niemand mij zag ]

001 The One Who is Defined — Kasper Andreasen

Het blijft hier nog lang hoor. Het is volgende week en volgende maand ook nog.
–   O, dan kom ik een andere keer nog eens langs.

[ Stolen Spoons mag ik niet aanraken, Nude Animal Cigar staat klaar om om te vallen, Que font les soldats avant la bataille? springt uit zijn vakje, Bronx 06 plaagt mijn ogen met zijn felblauwe kleur ]

047 Because Nothing Ends — Amanda Friedman

[ ik flip doorheen de boeken en vul mijn hoofd met woorden en beelden ] [ ik flip doorheen de zaal en vul mijn hoofd met woorden en bewegingen ] [ ik flip doorheen de mensen en vul mijn hoofd met conversaties en observaties ]

183 Vormen van gemiddelde complexiteit trekken onze aandacht — Kurt Ryslavy

Pas op, je moet die handschoenen aandoen!
Pas op, je laat iets vallen!
Zachtjes, zachtjes, zachtjes, niet plooien!
Hij kan er niet aan met die handschoenen.
Hij verliest zijn vingers in die handschoenen.
Zus, geef hem eens dat boek.
Zus, ik wil dat boek van die Marcel Brotaars ofzo.
O, aan de overkant is er nog?
Hier zijn nog boekjes, lieverd.

[ een jongetje verliest zijn witte vingers in boeken ]

007 Flip Book Fan — Gui Borchert

[ verbanden ontstaan. wat was er eerst? titels vermengen. beelden worden woorden en woorden worden beelden. de beweging transformeert in object en het boek verzamelt haar nuances ]  
117 Colour Study of Group Behaviour and the Need to Control — Alon Levin

Dus, hoe spreken we verder af? Anders moeten we eens kijken naar de ruimtes? Studenten inschakelen? Het gaat wel een drukke avond zijn, neem ik aan? Is er voldoende wijn geleverd?

216 What If It Is All True? — Maud Vande Veire

Ik ga u laten nu, nog wat verder kijken en zo.

121 Nuances of No — Hanne Lippard

[ de ruimte vult de mensen. witte krijttekeningen op de muur omkaderen boeken. houten tafels ondersteunen papieren verhalen. lijnen markeren onderwerpen. omgekeerde tafels dragen bewegende beelden. schermen spreken en bewegen. muren dragen en verdragen. ]

144 Not Available — Marc Nagtzaam

[ een hoofd en twee lijven ]

Hallo, hallo. Hallo allemaal.
Ik ken er eigenlijk niet zo heel veel hoor. Wie staat er allemaal in de colofon? Zijn die namen alle mensen? Komen die ook allemaal naar hier dan?
Stel u voor zeg.

093 Sad, Depressed, People — David Horvitz

Het is hier toch iets warmer om te staan.

Hey, lang geleden, niet?
–   Lang? Laat me eens denken, drie jaar?
Ja, dat beschouw ik toch al als lang. Geef je nog steeds les?
–   Ja. Heb je anders geen zin om eens over jouw video’s te komen praten? Hier heb je mijn kaartje. O, waar zitten mijn kaartjes nu ook alweer? Heb ik er nu eentje vast of twee? Het papier van mijn kaartjes voelt zo vreemd aan.
 
[ er is een boek dat alleen maar ‘walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk walk’ zegt ]

012 Show Titles — Stefan Brüggemann

Maar we zitten niet altijd in de juiste situatie.

[ een meisje kijkt naar de film en eet stiekem een hele reep chocolade op ]

Heb je al een boekje genomen? Bij het binnenkomen. Je mag er ook meer dan één nemen. Er gaan er toch zeker en vast over zijn.

[ hoe wordt het beeld gemaakt? hoe wordt het beeld getoond? hoe wordt het beeld gelezen? hoe wordt het beeld gereproduceerd? hoe wordt het beeld vertaald? hoe wordt het beeld verzameld? hoe wordt het beeld bewaard? hoe wordt het beeld vernietigd? hoe wordt het beeld bewaakt? hoe wordt het beeld geïnterpreteerd? ]

083 Will Happiness Find Me? — Peter Fischli & David Weiss

[ mijn hoofd suist mee met het geluid van de projector ]

Waar is hij nu? Hij had hier al lang moeten zijn.
O buiten? Hij durft niet te komen!
… Aah, hij is er!

[ mijn hoofd zit in de diaprojector en mijn mond ratelt mee ]

096 Mood Disorder — David Horvitz

Hey lang geleden!
–   Ja he?
Ja.
–   Ja, maar er waren de laatste tijd niet meer zoveel evenementen. Waarschijnlijk met die koude dagen.
–   Nee, ja, ik weet het. Het volgende is binnen twee weken. Kom je ook dan?
O ja graag!
–   Ik heb eigenlijk nog in geen enkel boek gekeken.
Ik ook niet… ik raak alle boeken aan maar kijk in geen enkel. Ik babbel meer dan dat ik door de boeken blader.
–   Ja ik ook.

[ een narratief vormt zich doorheen bewegende handen, bewegende beelden, bewegende bladeren. ik sta op en kijk. ik sta op en ga verder. ik sta op en lees. ik sta op en begrijp. ]

140 Language to Cover a Page — Kristen Mueller

[ er is een meisje dat tegen de muur zit en alle namen op de wand leest, tien keer na elkaar ]

Hallo! Hoe gaat het? … Ben je al lang terug? … En hoe was het daar?

[ nodeloze halfronde vragen als ik zenuwachtig ben ]

035 Negative Approach — Joris De Rycke

… 250 boekjes allemaal met de hand. … Wel intens hoor. En dan samenleven met de plaatselijke bevolking en mee in hun leven stappen. … Dinsdag gaan we naar Berlijn om het boek te drukken. … Ik ga je laten nu. Nog even kijken hier, tot snel!

[ een duw tegen mijn schouder van een zachte jas ]

122 This Embodiment — Hanne Lippard

Ken ik jou?

043 Untitled — Peter Downsbrough

Jullie kennen elkaar of…?
–   O ja, van de e-mails.

[ ik tel de woorden, ik tel haar bewegingen, ik tel de mensen, ik tel hun bewegingen, ik tel de cijfers, ik tel hun betekenis, ik tel de gezichten, ik tel hun gedachtes ]

089 What’s My Name? — Karl Holmqvist

Ik kan niet tegen de kou. Ik hou nu eenmaal meer van warmte.
–   Ik hou van boeken.
 
058 Un bel été quand même — Mekhitar Garabedian
 
[ beelden bewegen, bladen bewegen, ogen zoet en scherp, geluiden vullen ]

206 The Invisible Book — Elisabeth Tonnard
 
Ga je al weg?
–   Ja, ik moet nog met de trein.
Het zal veel makkelijker zijn als ik niet meer thuis woon.
–   Heb je plannen dan?
Ja, ik ga waarschijnlijk samenwonen met mijn vriend.
–   O, je hebt een vriend nu dan?
Ja, nog niet zo lang hoor, maar wel serieus.
–   Haha! Serieus deze keer dan, goed voor jou.
Ja, héél goed voor mij, inderdaad.

223 Losing Control — Leen Voet
 
[ About Image Construction ] [ Image About Construction ] [ Construction About Image ] [ Image Construction About ] [ Construction Image About ] [ About Construction Image ]  
218 Yes It Does Doesn’t It. Monologues — Jelena Vanoverbeek

Ik ga je laten kijken nu. Tot snel!

192 You me and Everybody — Erik Steinbrecher

 

Lien Van Leemput is grafisch ontwerper, schrijver en performer. Haar interesseveld schippert tussen het alledaagse en het bijzondere, tussen het rationele en het absurde. Ze probeert de banale alledaagse wereld te vatten in woorden, beelden en bewegingen.
www.lienvanleemput.com


Verloren in de tempel

Matisse Huiskens
Lydia Buijs, L'Orgue Expressif, 2016

Drie, twee, één: springt u maar! Na hun afstuderen duiken kunstenaars vanuit de academie het koude buitenbad in. Zonder hulpbandjes is het dan zaak om te leren zwemmen, vaak in de hoop dat galeriehouders of curatoren een reddingsboei toewerpen. De zeven kunstenaars van Now or Never #4 hebben geluk: directeur Benno Tempel selecteerde ze voor de vierde editie van deze tweejaarlijkse tentoonstelling.

Een belangrijke gemeenschappelijke factor is dat alle kunstenaars recentelijk zijn afgestudeerd aan de KABK in Den Haag. Er zijn opvallend veel assemblages van bestaande of zelf gefabriceerde materialen en er is in de meeste werken geen mens te bespeuren – vormenspel en ruimtewerking voeren de boventoon.

Uitzondering op deze laatste regel is echter het werk van Lydia Buijs, dat opvallend genoeg alleen in de centrale hal staat. Op een video is te zien hoe zij met een vliegende beweging de linnen blaasbalgen van haar houten constructie op en neer laat gaan, waarmee ze geluid uit fluiten van klei produceert. De constructie uit de video is tegenover een nagenoeg identiek exemplaar geëxposeerd. Echter, door de afzetting worden bezoekers verhinderd om zelf dit geluid te maken en verwordt het werk tot een enigszins statisch rekwisiet.

In de grote expositieruimte stuit je eerst op een stalen constructie van Maria Bigaj, die een verkleurde aubergine, artisjok en andere soorten groenten en fruit doorklieft. Hoewel het werk op het eerste oog interessant is, doet het weinig anders dan wat Giovanni Anselmo, Mario Merz en andere kunstenaars eind jaren 60 al deden toen zij organische en dus vergankelijke materialen combineerden met massieve objecten. Bovendien noemden zij, evenals Bigaj, deze objecten niet zelden ‘zonder titel’.

Achter een witte wand bevindt zich de reusachtige box die Luis Maly speciaal voor deze tentoonstelling maakte. Eenmaal in de spaarzaam verlichte ruimte loop je over een berg houtsnippers en word je bekneld door de donkere stalen muren. Het is echter gissen naar de manier waarop de ‘duale verbanden’, waar de zaaltekst over rept, terugkomen in het werk. ‘Mens en natuur’, ‘geschiedenis en gebruiken’, ‘familie en rituelen’: zonder verdere uitleg blijven de begrippenparen op zichzelf en in relatie tot Maly’s werk behoorlijk vaag. Naar mijn idee gaat het werk veeleer over het contrast tussen ruimtelijke ervaringen: een besloten, donkere ruimte die het gevoel van eenzaamheid oproept versus de open, verlichte tentoonstellingszaal met een keur aan kleurige installaties.

Dit contrast wordt opgezocht met het werk van Renée van Roekel en Gitte Svendsen. Van Roekel toont een installatie met twee houten frames en een veelheid aan materialen. Telkens vallen er weer andere voorwerpen te ontdekken, zoals een bal of kleine sculpturen van steen. De subtiele installatie wordt echter overschreeuwd door de presentatie van Svendsen, bestaande uit knalgele dwanghekken, rode pilaren en een verticaal aan de muur bevestigd strijkijzer. Door de willekeurige opeenvolging van installaties heeft de presentatie veel weg van een eindexamenexpositie. Zodoende kan gesteld worden dat er nauwelijks een poging is gedaan een zekere samenhang te creëren tussen de onderling zeer verschillende kunstwerken.

Een rode, maar dunne draad van Now or Never #4 is wellicht het virtuele, kloppende hart van Thijs Jaeger dat overal in de ruimte te horen is. In de met groene slijm besmeurde en met stickers beplakte metalen constructie Submerge (2018) is het geanimeerde hart op een scherm ook te zien. Door de digitale animatie, het slijm en een bad met een ronddraaiende rode vloeistof doet het werk sterk denken aan de beeldtaal van Hagenees Juliaan Andeweg, die Jaeger overigens al voor ging tijdens Now or Never #2 in 2013, waardoor duidelijk wordt dat deze benadering al sinds enige jaren in zwang is op de KABK.

Het meest interessante werk is van Suzie van Staaveren, een kunstenaar die speelt met de functie en eigenschappen van haar materiaal. Met Move 7 (2017), afkomstig uit de serie Shapeshifters, wordt de toeschouwer zo op het verkeerde been gezet. De compositie lijkt te bestaan uit drie vormen van een zacht en aaibaar materiaal, maar in werkelijkheid gaat het om drie panelen van staal met een poedercoating. Doordat nu slechts één werk uit de serie getoond wordt, hangt het er echter nogal verloren bij.

Dit geldt niet alleen voor Move 7, maar ook voor de andere installaties en sculpturen. Now or Never #4 is zodoende eerder een veredelde eindexamenexpositie dan een weldoordachte tentoonstelling met een fijnzinnige openheid. Juist nu de kunstenaars een groter platform aangeboden kregen was er de mogelijkheid om hun kunstenaarschap naar een hoger plan te trekken door middel van een publicatie, een aanzet tot het maken van nieuw werk, of het bieden van een solopresentatie. Het GEM was in de positie om dit te bewerkstelligen, maar laat dit na. Wellicht wordt het daarom tijd om het concept eens te heroverwegen, anders zal het niet snel veranderen.

Matisse Huiskens is hoofdredacteur van Simulacrum.

Salim Bayri, Open Door storage, 2018

De jonge Salim Bayri heeft geen optimistisch wereldbeeld. Althans: zijn alter ego Sad Ali (kort voor Sad Alien) ziet het pessimistisch in. Met hangende ledematen en een gebogen rug kijkt de Mickey Mouse-achtige avatar naar wat er om hem heen gebeurt. De passiviteit van dit karakter staat in schril contrast met de energieke kunstenaar. Hij groeide op in Casablanca en vertrok in 2010 naar Barcelona voor een bachelor aan de Escola Massana. In 2015 startte hij in Groningen met de master mediakunst, design en technologie aan het Frank Mohr Instituut waar hij afgelopen jaar afstudeerde. De verhouding tussen afkomst en ontwikkeling van de kunstenaar staat centraal in zijn oeuvre, zo wordt in Sad Ali Mapping the Place duidelijk.

In acht jaar ontwikkelde Bayri zijn kunstenaarschap buiten de grenzen van zijn thuisland. Tijdens deze periode speelde zich een vluchtelingencrisis af tussen de twee continenten in. Bayri kan niet anders dan hierop reflecteren. Enerzijds is zijn ontwikkeling als kunstenaar in een stroomversnelling geraakt met zijn komst naar Europa, anderzijds is de publieke opinie steeds vijandiger geworden tegen mensen van buiten de grenzen van de Europese Unie. Dit is terug te zien in ‘Red knock’ wearable (2018): een serie draagbare objecten die op verschillende manieren aan elkaar geklikt kunnen worden. Sad Ali wordt in de serie door een deur gescheiden van een andere figuur. Afhankelijk van de combinatie waarin je de objecten aan elkaar bevestigt, staat Sad Ali met een zak geld of met een grote koffer voor de deur van deze persoon. Hier wordt de problematische weergave van (economische) vluchtelingenproblematiek getoond die natuurlijk niet zo eenvoudig is als wearables die je aan elkaar bevestigt om de situatie tussen rijkdom en armoede te bepalen.

Zijn methodiek is vindingrijk en vernieuwend. Op zijn website vind ik een werk dat een kijkje in zijn instrumentarium geeft. Smart_Shop.obj (2017) is een digitaal bestand waar de kunstenaar zijn 3D-modellen bewaart die in veel van zijn werken figureren. Als een metershoge poppenkast staan allerlei avatars en artefacten opgesteld, klaar om ingezet te worden. Smart_Shop.obj is geen onderdeel van de tentoonstelling maar geeft een beeld van Bayri’s werkwijze en verklaart daarmee Open Door Storage (2018): een metershoge digitale print die de kunstenaarsstudio verbeeldt met een veelheid van objecten uit zijn smartshop.

Het is interessant om galeriehouder Kees van Gelder over zijn samenwerking met de kunstenaar te horen. De galerie is al sinds 1985 actief, toen was de kunstenaar nog niet eens geboren. Van Gelder beschrijft een gesprek met Bayri waarin de kunstenaar vragen stelt over de gang van zaken omtrent het galeriebestaan maar in zijn antwoord wordt hij onderbroken door de kunstenaar met zijn telefoon die als in een derde persoon in hun conversatie aanwezig blijft. Het is een herkenbaar verhaal over technologie tussen verschillende generaties. Toch maakt het de keuze voor Bayri des te interessanter als je bedenkt hoeveel kunstenaars er de revue passeerden in Galerie van Gelder en de eigenaar toch steeds de avant-garde weet te benaderen. Een van Bayri’s meest recente werken: Galaxy S6 (2017), geeft deze kloof letterlijk weer. Het is een serie van schilderijen die Bayri maakte met als gemene deler hun formaat: 6 x 11 centimeter: het formaat van zijn Samsung.

Op Art Rotterdam was Bayri ook aanwezig als genomineerde voor de NN Group Art Award (hij heeft niet gewonnen). Hier kijk ik tussen de onderdelen van de installatie naar een paar schoenen. Het blijken de voeten van de kunstenaar zelf die aan de andere kant van een paneel uitleg geeft over zijn werk. Hoe moet het voor een twintiger uit Casablanca zijn om op deze kunstbeurs als nominee voor de NN award te staan?

Blijkbaar raakt Bayri een gevoelige snaar. De jury van de NN Group Art Award interesseert zich tenminste in de vrijheid die Bayri teweegbrengt binnen de angstige cultuur die voortvloeit uit misverstanden tussen de Westerse en de Arabische wereld. Het is ook een politiek correcte keuze: Platform voor een jonge kunstenaar die middels het gerenommeerde Frank Mohr Instituut omhoogklimt in de hedendaagse kunst.

Anticipeert Bayri op heftige stellingnamen in de wereld? Of zien we de kunstenaar bruisend van energie laveren tussen technologie en werkelijkheid zonder dat écht duidelijk wordt wat hij daarmee wil bereiken? Dat laatste gevoel bekruipt mij soms. Bayri verlaat de echte wereld en wordt langzaam fictie in zijn kunst. Bij hem is de virtuele wereld even concreet als de analoge. aldus Kees van Gelder. De toeschouwer mag zelf een kant kiezen. Mij spreekt de analoge wereld toch nog steeds het meeste aan, gelukkig vindt het werk zijn weerslag in fysieke objecten, opgesteld in de galerieruimte.

Menno Dudok van Heel is kunsthistoricus, boomverzorger en redacteur bij Tubelight.

Ode aan de doden

Anneke van Wolfswinkel
Tentoonstellingsoverzicht Nothing but good, Park, Tilburg

Op de wanden van de hoge ruimte is rondom een brede grijze strook geschilderd, en daarop hangen, als een tijdlijn in een geschiedenislokaal, de kunstwerken. Allemaal min of meer op A4-formaat, staand of liggend. Daaronder een tweede lijn, van printjes, exact op A4-formaat en allemaal staand. Er is eigenlijk maar één manier om deze tentoonstelling te bekijken: bij de eerste beginnen en langzaam doorlopen tot je bij de laatste bent uitgekomen. Maar binnen deze ogenschijnlijk strenge opzet is de variatie groot.

De tentoonstelling is de tweede bij Park die gebaseerd is op het blog Nothing But Good. In 2014 was werk te zien van 47 kunstenaars, dit keer van maar liefst 139. Dat blog, in 2012 begonnen door de kunstenaars Michaël de Kok, Reinoud van Vught en René Korten (de laatsten twee maken ook deel uit van het team van Park), heeft een eenvoudige opzet: aan kunstenaars wordt gevraagd om twee werken te tonen: één van henzelf, en één van een kunstenaar die ze als inspirator beschouwen. Er is één voorwaarde: die inspirator moet overleden zijn. Over de doden niets dan goeds, is het idee, ofwel: nothing but good should be said about the dead.

Voor deze expositie zijn de sterfdata van de overleden kunstenaars als leidraad genomen. De tijdlijn begint met een inkttekening van Bart Lodewijks. In zijn blogbijdrage, afgedrukt op het A4-tje eronder, vertelt hij liefdevol over Jeroen Bodewits, een jaargenoot van hem op de kunstacademie, die overleed door een auto-ongeluk in 2014, 43 jaar oud: ‘Jij bent zo anders dan ik. We zijn een soort tegengestelden die elkaar versterken.’

Door een ingreep in de ruimte krult de tijdlijn op als de binnenkant van een slakkenhuis, om te eindigen bij de Iers-Britse Damien Meade. Hij gaat terug tot de oorsprong van alle kunst: handafdrukken gevonden in een grot in Cantabrië, zo’n 37.000 jaar oud. Tussen het begin- en eindpunt trekt een lange stoet kunstenaars voorbij, in de meeste gevallen met een speciaal voor de expositie gemaakt werk. Rinus Van de Velde tekent zichzelf als een jonge Elsworth Kelly omringd door planten, Toon Verhoef maakt een verrassende keuze voor de Argentijnse kunstenaar Clorindo Testa, Jasper Hagenaar neemt zijn hoed af voor Giorgio Morandi met een klein werk waarin hij louter schaduw schildert. Van Anne Forest is een krachtig portret te zien, en zij verbindt haar werk aan dat van de dertiende-eeuwse iconenschilder Bonaventura Berlinghieri. Hadassah Emmerich noemt de Braziliaanse Tarsila do Amaral als belangrijke invloed. De meeste kunstenaars zijn schilders en tekenaars, maar hier en daar duikt ook een collage, foto of grafisch werk op.

Het fijne aan deze opzet is dat alles draait om de kunstenaars. Geen curator met een overheersend verhaal waarvan de kunstwerken een voetnoot dreigen te worden. Sterker nog, gaandeweg het kijken naar al die 139 kleine werkjes, waarvan de verf vaak nog nauwelijks is opgedroogd, moest ik denken aan de intimiteit van een atelierbezoek. In het atelier zie je ook kleine, schetsachtige werken, probeersels en aanleidingen voor wat uiteindelijk naar buiten mag. En in het atelier staat steevast dat kastje vol boeken over ándere kunstenaars, de familie waarbinnen het werk ontstaat. De verdienste van Nothing But Good is dat die schatplichtigheid aan voorgangers duidelijk wordt. Vernieuwing en experiment staan volop in de schijnwerpers in de hedendaagse kunst, maar die kan niet zonder grondige kennis van wat er vóór ons kwam. En kunstenaars lopen vaak warm voor voorgangers die níet in de canon van de kunstgeschiedenis zijn blijven hangen. Of ze bewonderen grote kunstenaars om heel andere redenen dan je zou verwachten. Zo ontdek je op deze expositie niet alleen nieuwe namen van hedendaagse kunstenaars, maar krijg je ook een behoorlijk eigenzinnige, veelstemmige kijk op de kunstgeschiedenis voorgeschoteld.

Van Vught, De Kok en Korten zijn alle drie tekenaars en schilders, die alleen al door hun materiaalkeuze in een lange traditie staan. Maar ook voor hen speelt de online wereld een belangrijke rol. Een aantal kunstenaars die ze uitnodigden voor hun blog zijn ze op het spoor gekomen via afbeeldingen op andere kunstblogs of Instagram. Het werk dat deze kunstenaars opstuurden voor de expositie, soms uit Hongarije, de VS of Israël, was het eerste dat ze in het echt zagen. Zo laat deze expositie zijdelings ook zien hoe kunstenaars dankzij de opkomst van social media op nieuwe manieren ideeën en beelden uit kunnen wisselen, ook buiten de geijkte structuren in de kunstwereld om.

Als je de blogteksten leest, blijkt meer dan eens hoe diep en persoonlijk kunstenaars geraakt worden door het werk van voorgangers, en dat de liefde vaak op jonge leeftijd is ontstaan. Eigenlijk gaat het vaker om die emotie dan om een stilistische of inhoudelijke verwantschap. Hoe Bettie van Haaster haar toelichting voor haar keuze voor Giotto begint, zegt eigenlijk alles: ‘Giotto. Because he is the very first painter I saw in reality which took my breath away.’

Anneke van Wolfswinkel schrijft over kunst voor o.a. het Eindhovens Dagblad en Zuiderlucht.

(links) Marjolijn van den Assem, Es war ungemein warm, 2017 (midden) Julika Geissler, Flower Fingers, 2017 (rechts) Jasper Hagenaar, Twee vazen, 2017

Taalbarrières

Docus van der Made
Anna Dagrún, 2017

In 2016 leerde ik de uit IJsland afkomstige Kolbrún Inga Söring en haar werk kennen op de afstudeertentoonstelling van de HKU. Ze toonde er een bijzonder tweeluik waarin beeld en geluid de relatie aangingen met het onzichtbare, het onhoorbare, het ontastbare. Vanuit dit werk, waarin de visuele ervaring van de fysieke ruimte overvloeide in mentale ruimte, en vanuit een pikdonker geluidswerk dat de aandacht verlegde naar de zintuiglijkheid van gedachten, ontwikkelde ze zich het afgelopen jaar verder in verschillende residencies. Benieuwd naar de ontwikkelingen die ze heeft doorgemaakt, spreek ik haar vanuit haar huidige residency in het Swatch Art Peace Hotel in Shanghai.

Docus van der Made: Waar werk je aan tijdens je huidige residency?

Kolbrún inga Söring: Onder de titel If I draw an object does it still have a gender onderzoek ik gender in taal tegenover Yin en Yang in de traditionele Chinese denkwijze. Daarbij kijk ik naar de manier waarop Chinese denkers Yin en Yang hebben gebruikt om hiërarchie op het gebied van gender in de Chinese samenleving aan te brengen. In de traditie van Yin en Yang zijn gedachten in essentie gestructureerd in dualiteiten. Hoewel gericht op een balans tussen die twee, denkt het in termen, of representaties, van binair te onderscheiden tegenstellingen. Van licht of donker, zacht en hard, tot de directe uitwassen hiervan in (de representatie van) gender in de traditionele structuren. De vrouw bevond zich binnen deze structuren in de laagste schaal van de samenleving en was aan huis geketend, wevend, bordurend, kokend en schoonmakend. Zij was het antwoord op haar vader, toen haar broer, toen haar man en toen haar zoon – in feite was haar geen onafhankelijke gedachtegang gegund. Het hedendaagse China verandert snel maar bepaalde traditionele gedachten zijn moeilijk uit te roeien. Dit is natuurlijk niet alleen in China zo: gendergebaseerde hiërarchie komt overal voor. Onderzoek vanuit de taal biedt de mogelijkheid om verschillende geschiedenissen en contexten te onderzoeken.

Waarin verschilt het Chinees van je moedertaal?

Los van het binaire denken volgens Yin en Yang is er in het Chinese taalgebruik vooral bij de tone of voice een expliciet onderscheid tussen man en vrouw. In de IJslandse taal zitten genderverschillen echter verankerd in de structuur van de taal. Er is een hoge mate van gendergebaseerde verbuigingen in de grammatica aanwezig. Zeggen dat je honger hebt, herbergt al een mannelijke of vrouwelijke versie van het woord.

Hoe ga je dit onderzoek tastbaar maken?

Momenteel ben ik bezig met materiaal-, vorm en kleuronderzoek en experimenteer ik met technieken als borduren en weven, als eerbetoon aan de vrouwen die zich niet op een beroep konden toeleggen enkel omdat zij vrouw waren. Ik ben nu bijvoorbeeld bezig met een kunstwerk dat geïnspireerd is op een gedicht van Zhu Shuzhen, een vrouw uit de Songdynastie, waarin ze beschrijft hoe haar status is gebaseerd op haar genderidentiteit. Het gedicht verhaalt over Shuzhen’s verlangen om te schrijven terwijl haar talent volgens de sociale rolverdeling in borduren zou moeten liggen. Met een zilveren draad borduur ik een gedicht in zowel het Engels als Chinees op een stuk glimmende zwarte latex. Het is belangrijk voor mij dat ik het handwerk zelf doe en de naald als het ware van haar overneem. Als het af is, zal het niet per se leesbaar zijn omdat het originele gedicht over het Engelstalige heen wordt geborduurd.

Je hebt een grote ontwikkeling doorgemaakt sinds de laatste keer dat ik je werk zag. Hoe verhoudt dit huidige project zich tot je eerdere werk?

Waar ik nu mee bezig ben is een voortzetting van het werk Vocabulary of thought. Mijn IJslandse culturele achtergrond is van grote invloed op mijn werk: van het weerbarstige klimaat tot de sterke verweving van gender in de taal. Een uitwisselingsreis naar Italië deed me dat voor het eerst beseffen. Italiaans studerend realiseerde ik me dat ik niet alleen een taal, maar ook alles wat daarmee samenhangt leerde: gebruiken, uitdrukkingen, humor etc. Zo leerde ik niet alleen woorden die ik aan mijn lexicon kon toevoegen maar een totaal nieuwe manier van denken. Hier is Vocabulary of thought geboren. Het bediscussieert en bevraagt hoe onze taal, culturele achtergrond en eerdere ervaringen betekenis geven aan de woorden die we gebruiken, de gebaren die we maken en hoe we de ander en onszelf beleven. Pas nadat ik aan andere talen en culturen werd blootgesteld, kon ik naar mijn eigen afkomst kijken.

De titel van je werk voor Tubelight, Anna Dagrún, klinkt niet echt Chinees…

Deze bijdrage is een puzzelstuk van waar ik hier in China aan werk. Het geborduurde gedicht en Anna Dagrún liggen mijlenver uiteen maar ze delen het vrouwelijke perspectief en de onderdrukking die niet uniek was voor China. Sterker nog, mijn IJslandse grootmoeder had een soortgelijke ervaring binnen de kunstwereld: ze werd gedwongen een keuze te maken tussen familie of carrière – een combinatie van die twee werd haar destijds niet toegestaan. Om de cirkel rond te maken, reist het geborduurde gedicht van Zhu Shuzhen in de toekomst misschien nog eens langs het huis van mijn grootmoeder in IJsland als het klaar is.

Docus van der Made is Education Assistant bij Witte de With Center for Contemporary Art, coördinator voor de Prijs voor de Jonge Kunstkritiek en freelance curator en programmamaker.

Dromen van een revolutie

Sietske Roorda
Marge Monko, I (Don’t) Want a Baby (2017). Tentoonstelling It Won't Be Long Now, Comrades!, Framer Framed © Eva Broekema

Een paar waslijnen met oude lakens en theedoeken hangen in de tentoonstellingsruimte van Framer Framed. Daarop zijn de letters ‘You left me’ gestikt met daaronder viermaal de vraag ‘Why?’. Deze installatie van Nikolay Oleynikov verbindt het vertrek van een geliefde met de nachtmerrie dat een revolutie niet meer mogelijk is.

Het is een mooie keuze om dit werk direct bij binnenkomst van de tentoonstelling It Won’t Be Long Now, Comrades! op te hangen. De tentoonstelling grijpt de Russische Revolutie van 1917 aan om het werk van Russische en Oost-Europese kunstenaars te exposeren die de positieve aspecten van revoluties en bottom-up activisme tonen. In de catalogus schrijven de curatoren dat in 1989 het linkse maakbaarheidsideaal failliet werd verklaard, maar dat heden ten dage steeds meer mensen zich vervreemd voelen van de neoliberale partijpolitiek waardoor er hernieuwde belangstelling is voor zelfbestuur en coöperatieve werkwijzen.

Tijd dus om die linkse idealen weer eens af te stoffen. De installatie van Oleynikov dient daarbij als een wekker. Op een laken in Oleynikov’s installatie staat in het Russisch zijn gedicht: “In every curl on your pelvis – Lenin, In every new sip of your saliva – Gramsci, In your left armpit – Angela Davis in ferocious leap, […]”. Hiermee vermengt hij het nachtelijk zweten met namen van grote revolutionairen, alsof ze je in je droom aan het wakker roepen zijn.

Het kunstwerk dat direct inhaakt op de stelling dat revoluties ook positieve aspecten hebben, is de grote muursticker van Marge Monko. Met grote letters staat geschreven I (don’t) want a baby. Deze slagzin verwijst naar de legalisatie van abortus na de Russische Revolutie. Eronder zie je typische uniforme fabrieksarbeidsters uit de vroege jaren van de Sovjet-Unie, afgebeeld als de Nieuwe Vrouw Sovjet-stijl. In de catalogus wordt opgemerkt dat deze Nieuwe Vrouw zich onderscheidt van het bourgeoisie model, doordat zij wel actief deel mocht nemen aan het opbouwen van de nieuwe samenleving en het beoefenen van ‘vrije liefde’.

Natuurlijk zijn er kanttekeningen te plaatsen bij wat vrouwen daadwerkelijk in de melk te brokkelen hadden en of vrije liefde echt geaccepteerd was. Maar de ideeën die Monko met haar werk aankaart over de gelijkheid van vrouwen en mannen zijn nog steeds actueel en de moeite van het overdenken waard.

Dat feminisme vaak een belangrijke rol speelt in hedendaags grassroots activisme is haast een open deur. Zeljka Blaksic aka Gita Blak laat in haar videowerk Whisper – Talk – Sing – Scream (2013) activisten zien die minder voor de hand liggen. Je ziet vijf meisjes van tien en twaalf jaar op straat een performance opvoeren. Zonder ondertiteling zou je denken dat ze met handjeklap- en fluisterspelletjes bezig zijn, terwijl ze synchroon hun danspasjes doen en versjes zingen. Ze dragen echter politieke boodschappen uit van studenten die protesteerden tegen de commercialisering van universiteiten of de lage lonen van fabrieksarbeidsters in de kledingindustrie. De teksten en choreografie zijn compleet ingestudeerd, maar je krijgt niet het idee dat ze gehersenspoeld zijn. De meisjes zingen de leuzen vol overtuiging en met plezier, waardoor ze minder naïef lijken dan je in eerste instantie denkt.

Maar wat levert al dat activisme uiteindelijk op? Deze vraag stelt Andreja Kulunčić letterlijk met haar videowerk What has our struggle given to me?, onderdeel van het project Creative Strategies (sinds 2010). In de tentoonstelling staat een bankje waar je op kunt zitten. Ernaast staat een kastje met bordjes waarop termen zoals ‘directe democratie’ zijn uitgelegd. In theorie klinken die termen mooi, maar in de film komen wanhopige arbeiders aan het woord die hun fabriek al acht maanden bezetten om sluiting te voorkomen. Kulunčić toont hiermee hoe moeilijk zelforganisatie kan zijn in een samenleving waar corruptie, privatisering en sociale erosie de boventoon voeren.

Dat brengt ons bij de meer theoretische film van Irina Bucan, It is now a matter of learning hope (2014). Tussen de megalomane ruïnes van dictator Nicolae Ceaușescu op het desolate eilandje Morii zie je een kunstenaar ijsberen, terwijl ze uit haar hoofd tekst probeert te citeren van onder anderen Thomas More, Karl Marx en Constant Nieuwenhuys. ‘This is not really a place, but a non-place. Imagination is our capacity to withdraw from the world to that non-place.’ Of: ‘This culture has never been capable of satisfying anyone.’ De film doet je afvragen of het kind niet met het badwater is weggegooid in 1989. Het kunstwerk propageert zeker niet een herleving van communistische dictaturen, net als de ruïnes van Ceaușescu behoren deze tot het verleden. Maar door de repetitie van die paar regels ga je wel geloven dat er een kern van waarheid zit in de woorden van deze denkers van weleer. Op de vraag van de tentoonstelling wat het positieve aspect van revoluties zijn, geeft deze film een helder antwoord: de mogelijkheid om te dromen van een betere samenleving.

Sietske Roorda is kunstcriticus en schrijft o.a. voor Metropolis M. Daarnaast werkt ze voor het Lectoraat Art & Public Space van de Gerrit Rietveld Academie.

Tentoonstellingsoverzicht It Won't Be Long Now, Comrades!, Framer Framed, 2017 © Eva Broekema
Bram Zwartjens, Ich kenne kein Weekend, Joseph Beuys in Boijmans van Beuningen april 1980, 1980, unicum, keramiek, onder glazuurverf, 26x 3 cm. Courtesy Galerie de Zaal, Delft

De observerende kunstenaar. De flanerende kunstenaar. De onderzoekende kunstenaar. De ondergewaardeerde kunstenaar. De toegewijde kunstenaar. De veelzijdige kunstenaar. Dit zijn slechts een paar van de vele manieren om Bram Zwartjens te omschrijven. Als echte Delvenaar, geboren en getogen in Delft, betrap ik mezelf erop dat ik vooral geneigd ben om hem te identificeren als Delftse kunstenaar. De vraag is of het gerechtvaardigd is om een kunstenaar slechts te definiëren op basis van de geografische plek waar hij zijn inspiratie vindt. De huidige tentoonstelling van zijn werk in Galerie de Zaal laat zien dat hij zich wel degelijk laat leiden door dat wat hij in zijn directe omgeving tegenkomt, maar maakt dat hem typisch Delfts?

De ruimtes van Galerie de Zaal zijn gevuld met ruim tachtig werken van Zwartjens. Een breed scala van objecten – waaronder collages, foto’s, etsen, schilderijen, en video’s – bieden een overzicht van het oeuvre dat de kunstenaar sinds de jaren 80 heeft opgebouwd. De tentoonstelling werpt een blik in de wereld van de kunstenaar, waarin kijken en bekeken worden centraal staan.

Ongestoord kijken is echter niet mogelijk: vanachter tientallen verschillende maskers kijkt de kunstenaar de bezoeker indringend aan. Jimi Hendrix, John Lennon, Jean Paul Sartre, Darwin, Jane Goodall, Freek de Jonge, Mona Lisa en Johannes Vermeer zijn enkelen van de bekenden die aan bod komen. Allen hebben ze een talent, een karaktereigenschap, of iets bereikt waar Zwartjens bewondering voor heeft. Hij draagt hun gezichten, soms deels verknipt en vervormd, als maskers en fotografeert zijn nieuwe gelaat tegen een witte, ondefinieerbare achtergrond. Ook zijn er twee kundig geschilderde dubbelportretjes te zien: Portret Spinoza en Portret Passolini, beide uit 2001. De ‘dubbelportretten’ doen denken aan Albrecht Dürer’s omstreden zelfportret uit 1500, maar ook aan Emo Verkerk’s portretten van uiteenlopende personen als Julius Caesar en Lewis Caroll. Het is lastig om te achterhalen wat Zwartjens met deze dubbelportretten wil laten zien. Verschuilt hij zich achter een variëteit aan personen, of wil hij de verschillende kanten van zijn identiteit juist laten zien? De titel van de tentoonstelling, Through your eyes, bevraagt daarnaast ook het kijken zelf. Wie kijkt er naar wie, en door welke ogen?

Zwartjens laat door middel van zijn materiaalkeuze zien dat hij zich bewust is van zijn omgeving, en de geschiedenis daarvan. Hij werkt regelmatig met porselein dat hij zelf beschildert, een techniek die hij geleerd heeft tijdens zijn baan bij de Koninklijke Porceleyne Fles. Met een klein porseleinen bordje dat hoog aan de wand van de grote ruimte van de galerie hangt, en zo uitkijkt over de hele tentoonstelling, definieert de kunstenaar zijn kunstenaarschap in de woorden die Joseph Beuys tijdens een performance in 1980 verkondigde: ‘Ich kenne kein Weekend’.

Hoewel de portretten van een brede blik op de wereld getuigen, is ook in ander werk een zekere focus op het lokale – het Delftse – te herkennen. Zo is in een reeks korte video’s de stad te zien door de ogen van de kunstenaar. Zwartjens wijst ons met zijn camera op de schittering van de zon in de grachten, besneeuwde daken en kerktorens, en op de restanten van het interieur van het voormalige huis van Jan Schoonhoven.

De verwijzing naar Schoonhoven is tweeledig: enerzijds wordt de bezoeker direct geconfronteerd met zijn nabijheid door het tonen van zijn leefomgeving, anderzijds zijn er ook in de werkwijze van Zwartjens overeenkomsten te herkennen. Veel van zijn abstracte schilderijen en etsen verraden een verlangen naar monochromie en regelmaat. Met stippen, uitstulpingen of gaatjes creëert hij patronen, gevangen in een grid, of juist dansend in een golvende lucht.

Hoewel Zwartjens in verschillende technieken en stijlen werkt vormt de tentoonstelling een enigszins samenhangend geheel. Niet alle werken combineren echter even goed met elkaar. Een vijftal abstract-geometrische schilderijtjes vormt met hun kleine formaat en felle kleur accenten een storende dissonant. Een opvallende aanwezigheid die de tentoonstelling daarentegen wel ten goede doet zijn de eieren, gepresenteerd onder glazen stolpen, in Daliesque schilderijtjes of balancerend rondom een zwarte wereldbol. In het portret Egg Man uit 2012 komen eieren en kunstenaar samen. De combinatie roept net als de andere portretten meer vragen dan antwoorden op. Wat wil Zwartjens met dit werk duidelijk maken? Representeren de eieren zijn creaties, gecentreerd rondom de scheppende kunstenaar? Of kondigt hij een omslag in zijn kunstenaarschap aan, met de eieren als symbool voor wedergeboorte?

Eén ding is zeker: het werd hoog tijd dat er eens een overzichtstentoonstelling van het werk van Zwartjens zou komen. Pas één keer eerder had hij een bescheiden solo tentoonstelling in 1987, ook in Galerie de Zaal. In de jaren daarna is zijn werk slechts enkele keren tentoongesteld in kleine groepspresentaties in Delft en Rotterdam. De wereld van Zwartjens is er een die het verdient om nu eindelijk een keer goed bekeken te worden.

Deze recensie is onderdeel van de serie ‘In de periferie’, waarbij een specifieke stad of regio een langere tijd door een auteur onder de loep wordt genomen. Na Marjolein van de Ven was het de beurt aan Jip Hinten om een tentoonstelling rondom hedendaagse kunst in Delft te recenseren.

Jip Hinten is conservator in opleiding bij het Kröller-Müller Museum en daarnaast betrokken als vrijwilliger bij Expositieruimte 38CC in Delft.

Na 18 februari is het werk van Bram Zwartjens op aanvraag te bezichtigen op het kantoor van de galerie.

Links: Bram Zwartjens, Het tweede begin van de wereld, 2002, gemengde techniek, 22 x 21 x 12 cm; midden: Bram Zwartjens, De Enkeling, 2001, gemengde techniek, 65 x 26 cm; rechts: Bram Zwartjens, Silent Spring, 2017, olieverf op paneel, 24 x 30 cm. Courtesy Galerie de Zaal, Delft
Bram Zwartjens, 10 portretten. Courtesy Galerie de Zaal, Delft
Bram Zwartjens, Portret Pasolini, 2011, olieverf op paneel, 26,5 x 20 cm. Courtesy Galerie de Zaal, Delft
Tramaine de Senna, Rancho Meadows, 9 januari 2018, trampoline gallery, Antwerpen

Tubelight ontmoet trampoline

Op 7 december 2017 opende bij trampoline het project /’haɪə en (nʊ)/, een bar-setting waarbinnen een divers programma van o.a. performances, talks, screenings, solo- en groepstentoonstellingen plaatsvindt. Tijdens dit project staat het samenkomen en de gespreksvorm centraal; het kunstwerk en de dialoog rondom het presenteren en produceren ervan.

 Met een aantal kunstenaars en auteurs onderzoekt Tubelight tijdens /’haɪə en (nʊ)/ wat het betekent om een ‘ontmoeting’ of ‘moment’ te recenseren. Daarbij wordt geëxperimenteerd met verschillende formats – zoals beeld, tekst of geluid – en het moment waarop de recensie wordt gemaakt. In onderstaande recensie experimenteert Jorik Amit Galama met het combineren van werkelijkheid en fictie.


I

Door een uitgevallen trein verandert Galerie trampoline voor mij in een drive-through, ik heb slechts een half uur voordat ik terug moet naar het Noorden. Bij binnenkomst drukt de galeriehouder een kleine olifant in mijn handen, een onderdeel van het werk There is an elephant in the room van Simon Wald-Lasowski. Aan de versiering te zien een souvenir uit India. Hij zegt me dat de olifant als gespreksonderwerp kan dienen wanneer ik niets weet te zeggen. Terwijl de galeriehouder met zijn gekwetter de stilte probeert te vullen, kijk ik naar de werken van Tramaine de Senna.

Op een lichtblauwe kartonnen sokkel, die is beschilderd met kronkelende donkerblauwe lijnen, staat een gipsen ornament. Het object heeft iets weg van een hoofd met een golvende lok haar. In de aangrenzende ruimte zijn, op een lage roze voet, vijf kartonnen sokkels gestapeld die zijn beschilderd met hetzelfde donkerblauw. Ten slotte is er nog een kniehoog plateau met gele en witte strepen met daarop een wolkachtige vorm met pastelkleurige verfstreken. De werken doen me in eerste instantie denken aan geknutselde en onbruikbare varianten van het design van de Memphisgroep.

Ik word aan De Senna voorgesteld en vraag haar of ze, in de twintig minuten die me nog resten, iets kan zeggen over haar werk. De Senna vertelt dat ze van Afro-Amerikaanse en Chinese komaf is en opgroeide in Los Angeles, waar haar familie een zware strijd levert om het hoofd boven water te houden. Terwijl haar vader als lift- en roltrapmonteur zijn lichaam afbeulde tot hij recentelijk moest worden opgenomen in een ziekenhuis, is haar alleenstaande moeder invalide en leeft in armoede. Meerdere van hun vrienden en contacten kregen in de afgelopen jaren ernstige aandoeningen zoals kanker. Omdat ze geen verzekering kunnen bekostigen of illegaal in de Verenigde Staten werken, zijn ze veroordeeld tot ondermaatse medische zorg.

De precariteit die door deze situatie ontstaat, waardoor mensen vooral bezig zijn te overleven en minder vooruit kunnen kijken, komt ook tot uiting in de architectuur van Los Angeles. In Rancho Meadows, de buurt waar De Senna opgroeide, zijn de façades van de huizen gemaakt van houten panelen, kippengaas met stucwerk en beschilderd isolatieschuim – goedkope oplossingen die de fragiele bouwsels iets van grandeur moeten geven. Dit in weerwil van het feit dat Los Angeles in een aardbevingsgebied ligt en deze huizen de kleinste schok hoogstwaarschijnlijk niet zullen overleven.

II

Op het strand van Long Beach houd ik stil bij een schrijn. Een Mariabeeld staat in een grote schelp die haar vanaf achteren overvleugelt. Om haar heen staan plantenpotten dicht tegen elkaar aan. Een houten bord meldt: ‘vanwege veiligheidsredenen, steek alsjeblieft geen kaarsen aan! Dankjewel, Jezus en Maria.’ Ik loop naar de pier waar vissers naast bakjes met aas en emmers staan. In de emmers zitten vissen ter grote van kleine onderarmen, sommige zwemmen nog levenslustig rond, andere lijken te berusten in hun lot, of drijven met hun witte buiken naar boven. De lucht aan het einde van de pier verschiet vanaf het donkerblauwe water van lichtgrijs, naar oranje, geel, wit, blauw en eindigt in flarden paars. Op enkele eilandjes voor de kust staan witte villa’s omringd door palmbomen, een zachte housebeat rolt over de golven.

Een klein Mexicaans jongetje begint euforisch te schreeuwen. Zijn vader, een mollige man met een trucker pet, heeft een kleine zilverkleurige vis aan het uiteinde van zijn hengel hangen. De jongen springt naar de spartelende vis, die door de vader steeds net te hoog voor zijn grijpende handen wordt opgetild. Het jongetje kiest daarop een andere strategie: hij drukt zich in aanbidding tegen het been van zijn vader aan. De vader pakt de vis en trekt het haakje behendig uit de happende mond. Hij houd zijn zoon de vis voor, die hem direct stevig vastpakt als een waardevol sieraad. Met een glimlach van oor tot oor loopt hij richting het begin van de pier en zegt tegen iedereen die hij passeert: ‘mijn vader heeft deze vis gevangen’, daarbij de vis omhoog houdend als bewijs. Ik volg hem tot bij de schrijn. Hij lijkt de vis aan Maria te laten zien of Maria aan de vis, brengt de vis bij zijn lippen en fluistert iets, misschien een geheime wens of een weesgegroetje. Daarna loopt hij terug naar zijn vader, die zijn hengel alweer heeft uitgegooid.

III

Vanachter een struik in het Elysian Park klinkt een stem. Ik steek mijn hoofd tussen de witte bloemen. Een vrouw zit in een nest van vuile dekens en plastic verpakkingen. Om haar magere pols hangen gouden armbanden die met iedere beweging rinkelen. Met de roze nepnagels van haar rechterhand pakt ze haar wang vast en trekt hem strak. Met haar linkerhand, waarvan de pink nagelloos is, prikt ze in haar huid, begint te graven, alsof er een vrucht of muntstuk in verstopt zit. Ze mompelt iets onverstaanbaars en laat haar handen in haar schoot vallen. Ze lacht haar uitgedunde gebit bloot en kijkt om zich heen. Voor een moment rust haar blik op mij. Kleine bruine ogen die lang geleden zijn weggekropen in rimpels van paarse huid. Ik glimlach en de vrouw draait zich mompelend van me af. ‘Jij zat daar maar van, kom hier Jenny! Wat doe je dan, nou goed dan, ik ben niet van ijzer… de ijzeren man, maar dichterbij, mijn god…’ ze zwijgt en krabt aan haar knieën. Ik wacht even, trek mijn hoofd uit de struik en haal een schrift tevoorschijn.

Ik was nieuw in de stad en struinde in mijn eentje over de boulevards. Het lange alleen zijn ontnam me de ongedwongenheid om een spontaan gesprek aan te gaan. Ik probeerde het wel, stelde een geïnteresseerde vraag aan de suppoost van een museum, maakte een grapje tegen de jongen van de koffiezaak. Maar ze voelden dat ik niet zomaar een antwoord wilde, dat ik een antwoord nodig had. Aandachtig begon ik te luisteren naar de vele mensen die in zichzelf praten, ging naast ze op een bankje zitten en knikte soms met mijn hoofd. In hun gebazel, gemompel en geschreeuw probeerde ik de fragmenten van een toekomstvoorspelling te horen – alsof Nostradamus op Venice Boulevard zou kunnen lopen. De rest van mijn tijd in Los Angeles besteedde ik aan het noteren van hun uitspraken in een schrift. Een paars Wallmart schrift met op de voorkant een parasol, dat ik in de tweede lade van mijn bureau heb opgeborgen.

IV

De Senna vertelt dat ze haar werk relateert aan het Japanse zeemonster Godzilla. Een bekende analyse van Godzilla is dat hij, na de vernietiging van Hiroshima en Nagasaki, de angst van Japanners voor de vernietigende kracht van de atoombom verbeelde. Het gegeven dat een trauma wordt omgezet in een groteske fantasie is wat De Senna poogt te doen met gewelddadige geschiedenissen zoals het slavernijverleden. De beeldtaal waarin ze dit uitdrukt is veelal abstract en kleurrijk; het verleden wordt met een zekere speelsheid verwerkt. Ik vraag haar of er fictieve figuren zijn waarin de bewoners van Los Angeles hun trauma’s kanaliseren maar mijn alarm gaat af en ik neem afscheid.

In de trein denk ik aan Aaron, een Afro-Amerikaanse man bij wie ik enkele dagen logeerde in Koreatown. We keken elkaar maar zelden recht in de ogen, alsof we het gevaar liepen om vlam te vatten. Ondanks de ondragelijke spanning lachten we hard om elkaars grappen. Zijn warmte uitte zich in het serveren van royale porties zwartgeblakerd vlees en frisdrankglazen sterke drank. Terwijl hij whisky inschonk vertelde hij hoe Jack Daniel het stoken van whisky niet leerde van de blanke priester Dan Call maar van een van zijn slaven, Nathan ‘Nearest’ Green. ‘Hij stal het van een zwarte man en verdiende vervolgens bakken met geld.’ Ik nam een slok en voelde verdriet in mijn keel omhoog kruipen. Al een paar keer had hij iets gezegd over de miskende prestaties van Afro-Amerikanen en liet daarmee indirect zijn eigen gekwetstheid zien, alsof ik overtuigd zou moeten worden. Zwijgend keken we naar de foto’s van zijn kinderen die de bovenkant van de drankkast vulde, en waar hij liever niet over wilde praten.

Uit mijn jaszak haal ik de olifant. Hij wordt bedekt door kleine steentjes en spiegeltjes waarin mijn gezicht vervormd voorbijschiet. Ik zie de tientallen handen voor me die ergens in een fabriek dit hebbeding in elkaar hebben gezet. De handen van arbeiders met lachende gezichten, blij dat ze werk hebben. Of van moderne slaven die met wurgcontracten of fysiek geweld gedwongen worden om souvenirs in elkaar te zetten – is dit glinsterende ding in feite het product van een lijdensweg? Ik breng de olifant bij mijn lippen en fluister in zijn oor. Wanneer ik hem voor mijn gezicht houd kijken zijn smaragdgroene ogen me dof aan.

Jorik Amit Galama is schrijver en beeldend kunstenaar, in 2016 studeerde hij af aan de afdeling Beeld en Taal van de Gerrit Rietveld Academie. 

Tramaine de Senna, Rancho Meadows, 9 januari 2018, trampoline gallery, Antwerpen