Discursief geluister #3: Gesprek met vreemdelingen

—Miriam van Ommeren
Studio L A, tentoonstellingsvormgeving On Speaking Terms, 2017, Nest. Foto: Joekho

Het discursieve programma viert hoogtij binnen de hedendaagse kunstsector: het aanbod van ‘verdiepende’ evenementen zoals film screenings, boekpresentaties, lezingen en debatten wordt steeds groter. Over de inhoud van deze evenementen, en de daadwerkelijke meerwaarde van de programma’s wordt echter weinig geschreven. Als onderdeel van de serie ‘Discursief geluister’ neemt Miriam van Ommeren een aantal (door haar zelf geselecteerde) evenementen onder de loep. Eerder schreef zij over een symposium bij Quartair en over de Uit de Kunst-lezing van Jonas Staal bij de OBA.

Deel 3: Gesprek met vreemdelingen


[K]ijk er niet van op, wanneer ik u straks toch weer vragen
stel over iets dat al duidelijk lijkt te zijn. De bedoeling van
mijn vragen is ervoor te zorgen dat de redenering helemaal
stap voor stap verloopt. Ze zijn niet tegen u gericht. We
mogen echter niet in de gewoonte vervallen dat wij maar
doorgaan, met niet meer dan een vermoeden van de
betekenis van elkaars woorden.’Socrates
Plato, Gorgias, 458e

Op een koude donderdagavond stap ik de fel verlichte ruimte van Nest binnen. Er is dan al ruim zes weken de tentoonstelling On Speaking Terms te zien. Ik ben al lang niet meer in Nest geweest maar ik vind het een fijne plek. Het is geen standaard tentoonstellingsruimte; de tentoonstellingen hebben vaak iets experimenteels, als ‘experimenteel’ niet zo’n versleten term was. Als bezoeker voel je je onderdeel van hetgeen er te zien is, alsof de kunst nog niet helemaal ‘af’ is en jij mag meehelpen er de laatste hand aan te leggen.

On Speaking Terms wil aan de hand van verschillende werken het wij-zij denken in de samenleving bevragen, met onderwerpen (zoals identiteit en vluchtelingenproblematiek) die zich daar prima voor lenen. Dit aan de hand van een tentoonstelling met werken van o.a. Barbara Visser, Charl Landvreugd en Robert Glas, en twee Socratische gesprekken. De gigantische ruimte is prachtig ingericht door Studio L A met in het hart van de tentoonstelling een ‘arena’, omgeven door drie getrapte tribunes. Het geheel doet aan als een gedeconstrueerd amfitheater. De tribunes zijn esthetische objecten, zolang er nog niemand op zit. Mooi om te zien, spartaans. Hard en een tikje ongemakkelijk om op te zitten.

Boven één van de tribunes wordt How to Motivate Someone to Leave Voluntarily (2016) van Robert Glas geprojecteerd. Het videowerk, waarin twee acteurs een ambtenaar en een uitgeprocedeerde asielzoeker spelen, laat een typisch ‘vertrekgesprek’ zien dat in 2015 werd ingevoerd om te zorgen dat meer illegalen en uitgeprocedeerde asielzoekers Nederland ook daadwerkelijk zouden verlaten. Op de website van Dienst Terugkeer en Vertrek (onderdeel van het ministerie van Justitie en Veiligheid) worden alle stappen van het gesprek omschreven onder de filosofische titel ‘Gesprekken met de vreemdeling’.

De ambtenaar in de video van Glas is van het opgeruimde soort; de asielzoeker is letterlijk en figuurlijk uitgeput. Buiten beeld souffleert de stem van een trainer de ambtenaar, die braaf de voorgestelde zinnetjes herhaalt. Het geheel doet enorm klinisch aan: de wijze waarop door middel van woordkeuze en retorische middelen alle emotie en karakter uit een gesprek wordt gehaald totdat het zonder nog af te kunnen remmen één kant op wordt gedirigeerd, is fascinerend en akelig tegelijk.

In diezelfde tijdelijke arena, het middelpunt van de tentoonstelling, vindt ook het Socratisch gesprek plaats. Artistiek directeur Heske ten Cate heet ons welkom, en vervolgens deelt kunstenaar en moderator Wouter Klein Velderman schriftjes en pennen uit. Er zijn 16 deelnemers: kunstacademie-achtige types, een paar popperige meisjes, twee oudere mannen en één corporaal type dat een beetje uit de toon valt. Een goede mix vreemden bij elkaar, in een houten arena, onder felle lampen. Een medewerker van Nest schuift ook aan. Er wordt geen voorstelrondje gedaan.

Klein Velderman geeft een korte geschiedenis van het Socratisch gesprek en legt uit hoe de avond zal verlopen. Spreken (met voertaal Engels) geschiedt alleen via hem, de voorzitter, en alleen wanneer ieder van ons daartoe de beurt krijgt. Na zijn uitleg staat één man op en zegt ‘I don’t think I want to do this.’ Klein Velderman knikt en de man vertrekt. Even golft er verbazing door de groep maar niemand zegt iets; daarvoor hebben we immers geen toestemming. Ik voel een harde houten rand in mijn rug prikken.

Een Socratisch gesprek is een methode waarbij een groep mensen met behulp van systematisch overleg een antwoord probeert te formuleren op een filosofische vraag, instrumentele vragen zijn niet aan de orde. Het gaat er niet om elkaar te overtuigen van de eigen mening; er wordt samen richting één antwoord gewerkt. Je put daarbij enkel uit je eigen, parate, kennis, er wordt niet verwezen naar andere bronnen. Socrates onderwierp zijn gesprekspartners altijd aan een serie vragen, waarbij hij hen dwong hun eigen ideeën aan te scherpen door voortdurende analyse, bevraging en herformulering, totdat de eigen, ‘ware’ kennis overbleef. Deze techniek van vraag en antwoord als middel om de waarheid te achterhalen (en niet om een discussie te ‘winnen’) heet ἔλεγχος, ‘elenchos’.

Dat de ‘maatschappelijke vraagstukken die in On Speaking Terms worden belicht’ hier het uitgangspunt vormen, zoals de website vermeldde, is helaas niet aan de orde. We krijgen enkele minuten om zelf een vraag te formuleren. Dan worden onze vragen stuk voor stuk tegen elkaar uitgespeeld. Deze lopen uiteen van ‘What is the meaning of life?’ (Oh, alsjeblieft niet twee uur lang deze vraag!) en ‘How do we materialize happiness?’ tot mijn eigen, veel te lange vraag die niemand lijkt aan te spreken.

Het is interessant om te horen waarom mensen een bepaalde vraag níet willen behandelen. Op de een of andere manier vertelt mij dit meer over hen dan een voorstelrondje had gedaan. De zenuwen slaan ook toe: drie jongens vragen om een time-out om naar het toilet te kunnen gaan. Verderop in het pand begint iemand op een gitaar te spelen. De felle lampen prikken in mijn ogen.

Het is een continue herhalen, herformuleren van vragen. Handen omhoog voor wie een vraag wil behandelen. Grootse thema’s komen voorbij: kunst, de waarheid, vertrouwen, geluk. Uiteindelijk kiezen we ‘Why do we trust our instincts?’ Hierna kiezen we een gespreksmethode: woorden kiezen en hun definities vaststellen, totdat de vraag helemaal uitgekristalliseerd is.

Klein Velderman laat ons elkaars uitspraken herhalen danwel samenvatten, steeds opnieuw. Het begint te lijken op het ‘telefoonspel’, waarbij één persoon een zin in het oor van de volgende fluistert, die weer dezelfde zin in het oor van persoon nummer drie fluistert, et cetera. Totdat de laatste in de keten hardop iets formuleert wat slechts met een beetje geluk nog lijkt op de oorspronkelijke zin.

Naarmate het proces vordert raak ik steeds verder verwijderd van de oorspronkelijke vraag, van het initiële doel van de avond. Bij elke nieuwe definitie van een gebruikte term dwaal ik in gedachten af, ik begin te twijfelen aan alles. Wat is ‘vertrouwen op’ eigenlijk? En instincten…vertrouw ík op mijn eigen instincten? Het antwoord waarnaar we op zoek zijn interesseert me eigenlijk niet meer.

Alles wat ik fijn vind aan een goed debat is hier afwezig: de directe dialoog, elkaar af en toe in de rede vallen, vurige overtuigingskracht. Emotie. Karakter. Maar desondanks is het een bijzondere ervaring. Het spel van vraag en antwoord, herhaling en samenvatting; een gesprek ontleden tot op het bot, ruim twee uur lang, totdat zestien vreemdelingen verbaal op één lijn zitten…

Wanneer ik een paar weken later The Square kijk, de bejubelde nieuwe film van regisseur Ruben Östlund (Force Majeure), Gouden Palm-winnaar in Cannes, word ik in gedachten even teruggeworpen naar de arena in Nest. De film ontleent zijn titel aan een prestigieus kunstwerk: een vierkant van LED-licht, ingelegd in het plein voor een museum voor moderne kunst. In de openingsscene wordt een ruiterstandbeeld hardhandig van z’n sokkel getakeld (met te verwachten slapstick taferelen) om ruimte te maken voor dit revolutionaire nieuwe werk. Weg met de oude, elitaire prestige kunst; maak plaats voor het nieuwe! ‘The Square is a sanctuary of trust and caring. Within it we all share equal rights and obligations’ leest het bronzen plaatje erbij.

Ook in The Square komen grootse thema’s langs: kunst, seks, moraal, gelijkheid. Ook hier worden vragen opgeworpen, direct en indirect, maar niemand vraagt écht door. Het interview dat journaliste Anne in het begin van de film afneemt met hoofdpersoon Christian, de curator van het betreffende museum, blinkt uit in oppervlakkigheid en misvattingen en zet daarmee de toon voor de rest van de film. Op haar verzoek een -vrij onbegrijpelijke- tentoonstellingstekst uit te leggen antwoordt hij met een halve wedervraag: als hij haar handtas midden in de museumzaal zet, is het dan kunst?

Eén van de sterkste troeven van The Square is dat er in de film vrijwel niets gebeurt ín het vierkant. Behalve in een schokkend promofilmpje gemaakt door twee reclamehipsters, dat de gebeurtenissen nog verder op losse schroeven zet, komt het vierkant verder niet aan bod. Er gebeurt heel veel omheen, er wordt regelmatig aan gerefereerd, en je begint er uiteindelijk wel naar te verlangen, naar dat vierkant. Want er gaat veel mis in The Square, heel veel zelfs. De film is een 2,5 uur durende sneeuwbal van provocatie, misverstand en extreme ongemakkelijkheid. Maar niemand vraagt dóór, niemand bereikt de sanctuary of trust. 

Miriam van Ommeren is kunsthistoricus, schrijver en redacteur.