Come Wander With Tee

Nicky van Banning
Jennifer Tee, DRIFT, 2020. Foto: Ernst van Deursen

Ademhalingen – sissend tussen tong en tanden, via neusgaten of open mond, hortend, stotend, gelijkmatig, oppervlakkig, tot diep in de longen. Zes opgekrulde lichamen verspreid over een vloer die bezaaid is met keramieken kronkels; slangachtige vormen in verschillende kleuren, met aan beide uiteinden wat lijkt op een opengesperde bek. Een van de performers, de verteller, begint te spreken, frasen in het Engels, terwijl ze kalm door de ruimte beweegt. Zo wisselen de performers elkaar af, ieder in zijn of haar eigen (bewegings)taal.

Samen met de Engelse dichter Jane Lewty stelde de Nederlandse kunstenaar Jennifer Tee (1973) Eco-Poetics Stack of Books samen: een selectie boeken en dicht- bundels die tot het genre eco-poëzie gerekend worden. Al deze publicaties hebben als onderwerp de natuur, het klimaat, het milieu – en de diverse facetten ervan: crisis, verandering, schoonheid, et cetera. Uit deze rijke verzameling putte Lewty voor haar collage-gedicht DRIFT, dat gedurende Tees gelijknamige performance door een verteller/zanger en vijf performers in hun moedertaal gereciteerd wordt.

[Drift: difference in diameter, gradual change in a language Glacial drift / thrust of an arched structure. Movement of charged particles in an electric field. Oscillation around a fixed setting / to deviate from or between a course or model or idea. To wander.]

Eerst bewegen de zes performers zich nog afzonderlijk door de ruimte, één voor één, dan ontstaan hier en daar kortstondige interacties in kleine constellaties – met de sculpturen en met elkaar. Op een gegeven moment vormen ze samen een cluster, na een tijdje raken ze weer losgezongen en cirkelen om hun eigen as met de armen wijd, als trage derwisjdansers. Uiteindelijk versmelten ze weer met de grond, zoals in het begin.

Op de achtergrond verglijdt langzaam de ene geprojecteerde collage van planten (ontworpen door Tee) in de andere. Ondanks het grote wandoppervlak valt dit ‘decor’ helaas een beetje in het niet in deze 180 graden performance, zoals de medewerkers van het Stedelijk het benoemden toen het publiek het Teijin Auditorium betrad. Mijn aandacht gaat in ieder geval vooral uit naar de stemmen, bewegingen en sculpturen, slechts af en toe dwalen mijn ogen over de projectie in de periferie.

Het enige geluid in DRIFT komt van de performers zelf – hun ademhaling en stem, en hun ledematen, de sculpturen en de vloer die met elkaar in contact komen. Er zijn een paar indringende momenten waarop de verteller zingt, zuivere trillers wellen op uit haar borstkas – aards en ijl tegelijk; net zoals de bewegingstaal gegrond maar luchtig.

In een half uur voeren de performers je mee in de organische, haast meditatieve flow van Tees ruimte-tijdcontinuüm. To drift laat zich vertalen als (voort/mee/af )drijven, (mee)voeren, (rond)zwerven – een manier van zijn en bewegen die aansluit bij het thema dat een rode draad vormt in Tees oeuvre: ‘The Soul in Limbo’. In haar eigen woorden: “‘[H]et zijn in de Tussenstaat’ of wat ik in mijn performances ‘The Soul in Limbo’ noem. The Soul in Limbo is rusteloos en levend en is gevangen in een naamloze plek op de grens tussen hier en dat wat mogelijk is. Deze plek is een conceptuele, mentale, psychologische en fysieke ruimte. In mijn werk onderzoek ik de veranderlijkheid en complexiteit van het bestaan waarin culturen voortdurend in elkaar overlopen. Daarbij probeer ik uitdrukkingsvormen te vinden voor een mooiere en meer bezielde wereld.”

In Tees werk vindt die bezieling vaak plaats in de vorm van activering van haar sculpturen door performers; de tentoonstellingsruimte wordt zo getransformeerd tot een interactieve setting op het snijvlak van white cube en black box. DRIFT in het Stedelijk Museum maakt deel uit van het tweejaarlijkse WhyNot Festival, het Amsterdamse platform dat innovatie, interdisciplinariteit en experiment op het gebied van hedendaagse dans en performance stimuleert en dit op ongebruikelijke locaties in de hoofdstad presenteert. Voor de choreografie van DRIFT werkte Tee samen met choreograaf Marjolein Vogels, tevens artistiek directeur van WhyNot. Dergelijke samenwerkingen vormen een belangrijke kern van zowel Tees artistieke praktijk als de missie van WhyNot. Hoewel het auditorium van het Stedelijk Museum een geschikte plek is vanwege de bezoekers die het kan accommoderen, de akoestiek en de technische faciliteiten, is het niet bepaald verrassend. Wat zou er gebeuren als Tees werk zich naar alter-natieve locaties zou begeven – geen galerie of museale ruimte, maar een andersoortig gebouw (zonder kunstfunctie) of in de openbare ruimte, bijvoorbeeld op een plein of in de natuur? Why not?

Jennifer Tee, DRIFT, 2020. Foto: Ernst van Deursen
Jennifer Tee, DRIFT, 2020. Foto: Ernst van Deursen

No Performance, No Show

Esther van Rosmalen
The Performance Show, 2020. Foto: Almicheal Fraay

Deze tekst is bij voorbaat gedoemd om te mislukken. Niet dat de woorden verkeerd gekozen zijn, maar omdat het tekort doet als weergave van een serie fysieke handelingen die vallen onder de noemer ‘performance’ zoals dat in de kunst bedoeld is. Een situatie die zich moeilijk laat weergeven in een beschreven vorm omdat deze in geen enkel opzicht verwantschap vertoond met een ervaring die aanspraak maakt op meerdere zintuigen. Het draait tenslotte om het monopoliseren van de aandacht van de ‘ander’, vervolgens te benoemen als publiek, beschouwer, bezoeker of aanwezige. Onze zekerheden in de rol van de ‘ander’ zijn beperkt, wat echter wel met zekerheid gesteld kan worden is dat het onderstaande is waargenomen op zaterdag 8 februari. De locatie is Atelier Van Lieshout, waar de bezoekers met de pendelbus recht voor de ingang worden afgezet. Na het passeren van de beeldentuin volgt een dwaaltocht door verschillende donkere ruimtes. Hoewel deze ruimtes nu exclusief aan een performance zijn toebedeeld, verraden de geuren (polyester) of achtergelaten attributen (verfblikken) hun oorspronkelijke doel.

Voor het betreden van de performance Museum Motus Mori van choreograaf Katja Heitmann wordt het publiek gevraagd om te zitten op de speciaal daarvoor bestemde lichtbakken en naar een korte uitleg te luisteren. “Nederlands? English?” Nederlands graag. “Om te voorkomen dat de dansers hinder hebben van kleine steentjes vragen we het publiek om de schoenen uit te trekken en om geen dansers te fotograferen. Museum Motus Mori gaat over beweging, de vraag is of je dit kan archiveren want als beweging vastgelegd wordt is het doods en kan het niet langer als beweging gezien worden. De dansers die hier performen hebben eerder bewegingen verzameld van bezoekers in Marres, Huis voor Hedendaagse kunst te Maastricht.” Hoe deden ze dat? “Door bewegingsinterviews kwamen herinneringen aan bewegingen boven, die tot in detail fysiek werden overgedragen aan de dansers.” Herinneringen van wie? “Van de bezoekers, voornamelijk ouderen, wiens bewegingen zijn geabstraheerd en achter elkaar geplaatst in een choreografie. Een danser laat bewegingen van meerdere personen zien, maar wel achter elkaar.” Kan dit ook door elkaar? “Nu nog niet, maar ook dat is een proces dat nog kan volgen.”

– Gordijn openen, betreden ruimte –

Licht! Mijn ogen moeten eerst wennen, dan beslissen of de route naar een zitplaats de snelste of de beleefde omweg moet zijn. Het wordt het laatste. Het voelt onnatuurlijk om rakelings langs de dansers te lopen, al gebeurt dat hoe dan ook door de beperkte ruimte. Vier dansers zijn hier aanwezig, afgezien van de bezoekers die voor de beleving irrelevant zijn. Wij als aanwezigen lijken allemaal niet relevant want de blikken van de dansers, allen vrouw, zijn geheel in zichzelf gekeerd. Hun vergrijsde haren, die zij in een knot dragen, duiden op ouderdom, maar hun gezichten verraden een veel jongere leeftijd. Zo ook hun lichamen die slechts huid zijn in grijze onderbroeken. Het is de houding die hen oud doet lijken, het trotseren van een onbekende zwaartekracht die gezonde lichamen krom maakt en lichaamsdelen vervormt. Een gladde buik wordt hierdoor dik en geplooid, rechte schouders scheef, de voeten verwrongen. Uiterst traag onder- werpen de dansers hun lichamen aan een reeks van posities die op zichzelf niet complex zijn, maar het uithoudingsvermogen op de proef stellen. Ingehouden kreten en zweetdruppels, als beschouwer is de pijn bijna voelbaar. Ongemak dat zich verplaatst van hun lichaam naar het mijne als ik mezelf betrap op het spannen van spieren zonder dat er noodzaak toe is. Toch hypnotiseert de traagheid door het besef van het onvermijdelijke dat de mens moet bewegen, ook als het eigenlijk niet meer kan. De muziek draagt daaraan bij, een extra aanwezigheid die je in een trance sust met repeterende drone tonen. Af en toe zijn er verspringingen die je weer wakker schudden, zoals de tikkende klok of wekker. Oude mensen kennen dit geluid goed, waar je na lang luisteren nieuwe melodielijnen in herkent. Waar leidt het toe? Moet het wel ergens toe leiden? Is de conclusie dat het leven bewegen is tot je stil ligt? Zijn we voyeurs van het onvermogen van anderen? Kun je eigenlijk wel bewegingen van anderen overnemen, of zijn die altijd persoonlijk? Is archiveren een menselijke eigenschap? Wanneer is het moment aangebroken dat ik opsta?

– Er komt iemand van de organisatie binnen die alle aanwezigen persoonlijk influistert dat de dansers een half uur pauze nodig hebben, de performance wordt tot die tijd onderbroken. –

–––

De volgende performance is al gaande, ik heb gemist hoe ze zijn begonnen. De begeleidende tekst vertelt mij het volgende:

“Kendell Geers
Galerie Ron Mandos
Ritual Resist, 2013-20
Performance van 69 min. Volgens tijdschema.

Twee performers staan in een poëtische strijd en houden tussen hen een dubbelzijdige spiegel waarbij ze alleen hun lichaamsgewicht en druk gebruiken om te voorkomen dat deze valt. Als één van beiden zich verstapt of zich niet tegen de spiegel drukt zullen beiden vallen en breekt de illusie. Gedurende het vorderen van de tijd, verandert het beeld in een strijd tussen geest en energie omdat fysieke uitputting zijn tol eist. Geen van beiden kan de ander zien en staart naar het gereflecteerde beeld van het eigen naakte lichaam. Voor de toeschouwer wordt het beeld afgesneden vanaf de taille.”

Een man en een vrouw staan tegenover elkaar, zonder elkander te zien. Natuurlijk man en vrouw, is dat niet waar poëtische twisten altijd tussen én over gestreden worden? En anders wel het idee van mannelijk en vrouwelijk, maar dat beeld wordt hen onthouden, ze zien alleen zichzelf in de spiegel.

Opnieuw. Een vrouw strijdt tegen haar eigen spiegelbeeld. Zij is de agressor, ze duwt en neemt de leiding over de richting die hun beider lichamen uitgaan. Zij, en de man achter de spiegel, waarvan ze alleen zijn lichaam met daarboven haar eigen hoofd ziet. Ze draaien en veranderen van richting. Een man strijdt tegen zijn eigen spiegelbeeld. Hij vangt de druk die op hem wordt uitgeoefend op via de spiegel waarop steeds meer zweetdruppels terechtkomen van de inspanning. Zijn hele lichaam is heftig bezweet. De verdeling in krachten is logisch in de zin dat deze vrouw nooit fysiek de druk op zou kunnen vangen. Het is vergelijkbaar met stagefighting, waarbij de gangbare handelingen worden omgekeerd om het tegenoverstelde te beweren. Is het poëzie of gewoonweg de eeuwige strijd tussen man en vrouw in meerdere reflecties?

Soms komen ze dichtbij het publiek, heel dichtbij. Zo dichtbij dat je jezelf kunt zien in de spiegel die ze mee torsen, als twee Atlasfiguren of twee boekensteunen. Rijen met passieve aanwezigen worden gereflecteerd. Zo dichtbij dat het moment dat ze de spiegel niet meer kunnen houden steeds aannemelijker wordt. Het is hoorbaar zwaar, voor beiden. Publiek komt en publiek gaat. Zij strijden voort.

Of de performance als kunstvorm algemeen geaccepteerd en omarmd wordt door het grote kunstbeurspubliek moet zich nog bewijzen als The Performance Show de komende jaren wordt voortgezet. Voor het geheel van ART Rotterdam is het zeker een meerwaarde. Aangezien er ook galeries deelnemen is het misschien zelfs een vooruitblik naar de toekomst van de kunstmarkt, waarbij ook tijdelijke werken en ideeën verhandelbaar zijn. De opzet van de show, een doorlopend programma verspreid over de locatie, is scherp geprogrammeerd en getuigt van hoge kwaliteit. Al moet ik daar wel bij opmerken dat ik mijn aandacht vooral gericht heb op bovenstaande performances die door hun long durance karakter meer tijd van de beschouwer vragen. Daarnaast speelt ook het verzoek om geen opnames te maken een rol, waardoor beeldmateriaal niet vanzelfsprekend door bezoekers wordt gedeeld. Zo bestaan de performances na afloop alleen nog maar in de herinnering van de beschouwers. Een netwerk van observaties als levend archief van de performance, iedere weergave is anders en allemaal zijn ze even waar.

Esther van Rosmalen is opgeleid als grafisch kunstenaar en is mede- initiatiefnemer van Artist in Residence en online platform witterook.nu.

The Performance Show, 2020. Foto: Almicheal Fraay
The Performance Show, 2020. Foto: Almicheal Fraay

Paul.

Lien Van Leemput

In een eierdoosje lag een eitje. Het eitje wilde eigenlijk geen eitje zijn, maar een hele grote, zware wintermantel. Zo een superwarme, met een hele dikke vacht van de beste kasjmier en de warmste wol, met hele lange haren. Zo een die zelfs een beetje lastig te dragen is omwille van haar gewicht. Haar kraag zou groot en indrukwekkend zijn. Met scherpe punten als die neerligt, lange driehoekige vormen. Als je de kraag zou rechtzetten zou ze de hele nek bedekken. De kraag geeft de nek kracht, en allure! De zakken zouden diep zijn, om heel veel spullen in op te bergen, of in te verbergen. De binnenzakken zouden zelfs binnenzakken in zich dragen! De knopen zouden van goud zijn met op elke knoop een ingegraveerd symbool: een eitje. Zij zou de prachtigste wintermantel zijn van allemaal, uniek in haar soort. Daar droomde het eitje al heel haar leven van. Nu is ze immers de dertiende in een dozijn. Nu ja, technisch gezien is ze de twaalfde, want er passen maar twaalf eieren in zo’n eierdoosje.

In de vestiaire hing een kort beige jasje, een blazer. Hij hoorde bij een pantalon en samen vormden ze een pak. Hij hing er al een tijdje. Hij voelde zich wat eenzaam, zo zonder pantalon. Het was er heel donker en wat muf. De andere jassen behoorden toe aan andere lichamen en distantieerden zich van hem. Elke jas op zichzelf. De blazer wilde eigenlijk geen jas zijn, maar een eitje. Zo een héél klein ellipsvormig eitje, het liefst opgeborgen in een doosje met elf andere eitjes. Ze hoefden niets tegen elkaar zeggen, gewoon het ‘zijn’ met de andere eitjes zou voldoende zijn. De spanning die hun samenzijn teweeg zou brengen, zou fascinerend en adembenemend zijn. Twaalf kleine wezentjes, klaar om gekraakt of gebroken of geklutst te worden. Elke verkeerde beweging droeg de vernietiging in zich. Hij zou niet meer toebehoren aan een lichaam. Hij was gewoon een eitje zoals er zovele andere waren, en zou een eigen lichaam hebben. Vingertoppen zouden hem heel voorzichtig vastnemen, om hem nadien in hun handpalm te leggen. Zachtjes zou hij gepeld worden, hij zou immers een zachtgekookt eitje worden, zo lekker glibberig en nog een beetje warm. Met een beetje peper en een beetje zout zou hij verdwijnen in een warme mond.

Lien Van Leemput is grafisch ontwerper, schrijver en performer. Haar interesseveld schippert tussen het alledaagse en het bijzondere, tussen het rationele en het absurde. Ze probeert de banale alledaagse wereld te vatten in woorden, beelden en bewegingen.

In vrije val

Marian Cousijn
Logeerhond Guus strekt zich uit op het tapijt van Marian.

Hoi Christine,

Dankjewel voor je brief. Een mooi beeld: de hardhorige dame die haar gemondkapte labrador uitlaat op de groenstrook voor je flat. Hier is veel veranderd sinds mijn laatste brief. Er ging een vreemde Koningsdag voorbij, een vreemde dodenherdenking, en nu maakt de lente langzaam plaats voor de zomer. Het is al weken mooi weer en de stad ligt er heel lieflijk bij: overal schieten klimplanten omhoog, de gevels zijn feestelijk versierd met geurige blauwe regens, kuikentjes piepen in de grachten en door de straten dwarrelt lentesneeuw; de confetti-achtige bloesem van de iep.

De weken dat Amsterdam een spookstad leek, liggen alweer achter ons. Nu de grote versoepeling van 1 juni steeds dichterbij komt, lijkt er een soort nostalgie te heersen naar de eerste dagen van de lockdown. Het is heel dubbel. Veel mensen hebben de zwartste maanden van hun leven achter de rug: degenen die in de zorg werken, degenen die geliefden zijn verloren, degenen die hun baan zijn kwijtgeraakt. Maar voor veel anderen was het helemaal niet zo’n straf: ze kwamen tot rust, bakten zuurdesembrood, gingen schilderen en tuinieren. Heel knus eigenlijk. Veel mensen houden geld over, nu ze nauwelijks iets uitgeven aan diners, concerten, winkelen, benzine, reizen, sportscholen, knipbeurten en koffie on the go.

Op die mensen is de hoop van de cultuursector nu gevestigd. Zijn ze bereid om gul te geven aan de crowdfundingprojecten die als paddenstoelen uit de grond schieten? Want de hulp van de overheid is niet genoeg. De fondsen, hoe coulant ze zich ook opstellen, zijn volledig overvraagd. Zo had het AFK een speciaal corona-snelloket geopend, dat vanwege de drukte na twee weken alweer moest sluiten.

Met een bevriende curator legde ik de afgelopen weken virtuele studiobezoeken af bij jonge kunstenaars. Stuk voor stuk hebben ze te maken met enorme teleurstellingen – residencies die in het water vallen, afgelaste tentoonstellingen, afstuderen zonder dat iemand het werk kan komen bekijken. Maar ik was onder de indruk van hun optimisme en weerbaarheid. Dat zelfredzame imago maakt de culturele sector tegelijkertijd kwetsbaar. Dat kunstenaars met vindingrijke oplossingen komen, neemt niet weg dat extra steun heel hard nodig is. De eerste musea zijn al aan de crisis ten prooi gevallen: het Tassenmuseum heeft voorgoed moeten sluiten en Het HEM is de belangrijkste financier kwijtgeraakt. Zo worden we steeds heen en weer geslingerd tussen hoopgevende en deprimerende berichten. Met frisse moed werken musea toe naar de heropening van 1 juni, maar niemand weet hoelang de deuren open kunnen blijven.

Dat is de harde realiteit: de ergste klappen moeten nog komen. De rust is bedrieglijk, onheilspellend als de stilte voor de storm. Het is moeilijk om een voorstelling te maken van wat ons te wachten staat. Misschien is dat maar goed ook. Zolang we de pijn nog niet voelen, moeten we maar genieten van de adrenalineroes die deze vrije val met zich meebrengt. En hopen – misschien wel tegen beter weten in – op een zachte landing.

Marian

Marian Cousijn is kunsthistoricus en curator. Ze werkt onder meer als curatorial editor bij de Oude Kerk.

Paul.

Lien Van Leemput

In een grote houten bak, samen met naar zweet stinkende T-shirts, polyester loopbroekjes, verdwaalde losse sokken, muffe sjaals, eenzame handschoenen en een enkele witte turnpantoffel. Hij voelt zich helemaal niet op zijn plek. Hoe is hij hier terechtgekomen? Al die kledingstukken liggen op zijn mooie, verzorgde huid. Hij, Paul, is een ijdele en fiere jas. Hier hoort hij niet thuis!

Zijn huid begint stilletjes aan de stank over te nemen van de kleren rondom. Het gewicht ervan is te groot waardoor Paul niet uit de bak weg kan… Hij roept om hulp maar niemand hoort hem. Af en toe komt er iemand langs die de kleren door elkaar haalt, en soms wordt een verdwaald kledingstuk meegenomen. Paul hoopt van harte dat iemand ook hem zal redden. Iemand is hem per ongeluk vergeten, dan kan toch niet anders? Paul weet niet meer waar hij precies vandaan komt. Op het plaatje op zijn rug staan allerlei woorden: For Pleasure, X-clusive, Young Denim, Generation One en New Concept. Je zou Paul toch voor minder om je schouders heen willen hangen hebben?

Pauls huid is van een hele lichte blauwe jeans. Een beetje ruw, maar als je hem even draagt wordt hij soepeler. Zijn mouwen laten een stukje mensenhuid bloot, ‘zeven-achtste’ noemen ze dat. Zijn schouders vallen een beetje naar beneden, heel modieus als je het hem vraagt. Hij heeft twee zijzakken, twee binnenzakken én een borstzakje, erg praktisch dus. Zijn knopen hebben een donkere okerkleur, alsook de naden die zijn verschillende stukken samenhouden. Een prachtexemplaar. Maar nu ligt hij daar in die verdomde bak, te wachten tot iemand zijn ware schoonheid komt ontdekken.

Opnieuw wordt er toenadering gezocht. Een hand gaat voorzichtig langs de kleren heen, zonder ze al te veel aan te raken. Duidelijk ook een ijdele hand, die niets te maken wil hebben met de andere stinkerds. Paul steekt zijn arm uit om zijn prachtige lichtblauwe huid met oker-kleurige stiksels te tonen. Hij strekt zijn arm helemaal tot boven en roept: ‘Hier ben ik!’ De hand raakt zijn arm even aan, voelt en bekijkt zijn stof. Nieuwsgierig haalt de hand hem helemaal uit de bak. Hij wordt goed bekeken, vanbinnen en vanbuiten. Het naamplaatje op zijn rug wordt betast, ook worden er knoopjes open- en dichtgedaan. Paul vindt het geweldig om zo aangeraakt te worden, hij wordt naar waarde geschat, dat voelt hij! De hand die hem aanraakt is zacht en ruikt lekker. In een handomdraai wordt Paul meegegraaid en over een schouder gelegd. Paul laat het stinkende verleden achter zich en maakt zich op voor toekomstige vrijheid. De zon schijnt warm op zijn lichtblauwe huid. Hij straalt.

Eens thuis wordt hij meteen in de wasmachine gestoken om hem te verlossen van de vieze zweetgeurtjes. Zot van geluk draait hij mee in de ton. Nadien hangt hij te drogen in de zon, hij voelt zich gelukkig, en ook wel wat nieuwsgierig. Hoe zou het lichaam van de nieuwe eigenaar aanvoelen? Zou zijn zachte jeanshuid passen op de huid van de ander? Het moment breekt aan… Paul wordt overheen schouders gelegd en hij voelt hoe twee armen zich in zijn mouwen passen. De armen zijn warm en zacht, lichtjes behaard. Dat kietelt een beetje. Een slanke nek nestelt zich tegen zijn naamplaatje. Nieuwsgierige vingers installeren zich in zijn zakken en frullen wat aan zijn knopen. Zijn kraagje wordt betast en Paul wordt er helemaal wild van! Nadien wordt hij op een tafel gelegd. Hij voelt hoe de twee handen hem plat strijken, zijn armen opzij. Hij wacht vol spanning…

Plots voelt Paul een pijnscheut in zijn oksel, hij kan de pijn eerst niet goed thuisbrengen maar merkt dat het oker-kleurige stiksel van zijn oksel langzaam wordt doorgeknipt. Nadien zet de schaar zijn tanden ook in zijn dikke jeansvel. Langzaam en precies knipt de schaar een arm af. Vezel voor vezel. Paul schreeuwt het uit van de pijn. Wat is hier de bedoeling?! Waaraan heeft hij deze marteling verdiend?! Niet veel later moet ook Pauls andere arm het ontgelden. Zorgvuldig wordt hij ontdaan van beide lichaamsdelen. Geamputeerd is hij, een jas zonder armen. Dat is helemaal geen jas meer. Fantoompijn vervult zijn jeans lichaam met verdriet.

Lien Van Leemput is grafisch ontwerper, schrijver en performer. Haar interesseveld schippert tussen het alledaagse en het bijzondere, tussen het rationele en het absurde. Ze probeert de banale alledaagse wereld te vatten in woorden, beelden en bewegingen.

Foto: Jorge Menna Barreto

Interview met Jorge Menna Barreto

We drinken geen thee. Ik ontmoet de Braziliaanse beeldend kunstenaar, docent beeldhouwen en onderzoeker Jorge Menna Barreto in de kantine van de Van Eyck Academie in Maastricht. De dertig minuten die we hebben voor dit gesprek, nauwkeurig ingepast tussen het einde van zijn werkdag en het begin van mijn avondprogramma, worden niet onnodig ingevuld met beleefdheden en drankjes. We spreken elkaar half februari, twee weken voor de Open Studios, waar de deelnemers van de Van Eyck het werk presenteren waar ze gedurende hun verblijf aan het postacademisch instituut voor beeldende kunst aan hebben gewerkt. Menna Barreto zit middenin het afronden van zijn project.

De Jan van Eyck Academie in Maastricht is één van de vijf postacademies in Nederland waar beeldend kunstenaars na hun opleiding hun vak kunnen uitdiepen. Anders dan bij haar collega-instituten ligt de focus bij de Van Eyck op een multidisciplinaire benadering: fotografie, vormgeving, kunstkritiek, curating, literatuur en theorie krijgen een gelijkwaardige plaats naast schilder- en beeldhouwkunst. De Van Eyck heeft als enige postacademie een Lab voor Natuuronderzoek en een Food Lab.

Jorge Menna Barreto is samen met Joélson Buggilla als duo een van de deel- nemers van het Food Lab. Asako Iwama is de andere deelnemer. Iwama was jarenlang verbonden aan Studio Olafur Eliasson en ontwikkelde samen met Eliasson het concept van The Kitchen, de medewerkerslunch van Studio Olafur Eliasson. Menna Barreto is professor aan de Staats Universiteit van Rio de Janeiro, doceert en schrijft. In 2016 maakte zijn werk Restauro: Environmental Sculpture onderdeel uit van de Biënnale van São Paulo. In 2017 was dit project aanwezig bij Serpentine Galleries in Londen. Waarom kiest iemand met zo’n staat van dienst ervoor om zich voor een jaar te verbinden aan de Jan van Eyck academie?

Jorge Menna Barreto Het begon met een Call for Application voor het Food Lab die ik tegenkwam in een nieuwsbrief. Joélson en ik kende niemand van de Van Eyck. We werden aangetrokken door de informatie over de labs voor food en natuuronderzoek. Onze aanmelding was een blinde gok. Dat we zijn geselecteerd is te danken aan de missie van Hicham Khalidi, sinds 2018 directeur van de academie. Hij selecteert met een open vizier, je bent ook welkom als duo en zelfs als gezin. Bovendien kent de Van Eyck geen leeftijdsgrenzen, heb je hier een uitstekende bibliotheek tot je beschikking en zijn er veertig andere deelnemers met verschillende achtergronden. Het hoofd van het Lab voor Natuuronderzoek, Yasmine Ostendorf, begrijpt precies wat ik wil met mijn onderzoek. De Van Eyck leek ons het perfecte ecosysteem om mijn onderzoek te vervolgen. De academie biedt de ruimte om onderzoek te doen op het niveau van de aarde, de tafel en het oppervlakte van de pagina.

Barbara Strating Het onderzoek van Menna Barreto richt zich al twintig jaar op site-specifieke kunst. Tijdens zijn promotieonderzoek in 2011 wordt zijn interesse in voedsel gewekt en verschuift zijn onderzoek van sculpturen naar voedselsystemen. Inmiddels heeft Menna Barreto uitvoerig onderzoek gedaan naar landbouw, voedselbossen en agricultuur in relatie tot site-specificity. Volgens hem vormen we de wereld om ons heen door de manier waarop we eten. “We practice environmental sculpture three times a day”, zoals hij het zelf uitlegt.

JMB Voedsel heeft niet mijn interesse vanwege de esthetische of gastronomische waarde. Voedsel is geen object of doel, het is een bemidde- laar tussen onszelf en onze omgeving. Als je het complexe ecosysteem van ons voedsel begrijpt, dan ben je ook beter in staat om de complexiteit van de geschiedenis, economie, cultuur en het landschap van een bepaalde plek te zien en begrijpen. Voedsel is een intrinsiek onderdeel van het ecosysteem waarin we leven. Door te eten, neem je de omgeving in al haar complexiteit tot je.

BS Menna Barreto’s onderzoek leidt tot de ontwikkeling van Restauro: Environmental Sculpture voor de Biënnale van São Paulo. Gedurende drie maanden ontvangen Menna Barreto en zijn team hier tienduizenden gasten. Er wordt eten geserveerd, maar Restauro: Environmental Sculpture is geen restaurant. Het is een plek waar de stedelijke bezoeker in contact kan komen met het voedselbos. De producten zijn afkomstig uit een voedselbos in de omgeving van de biënnale.

JMB Al snel realiseerden we ons dat ons project geen plek was voor nog meer verbale en tekstuele input. Bezoekers kwamen bij ons om uit te rusten van alle indrukken. Onze expositie werd een pauzeplaats. Ik wilde ze niet overvoeren met meer informatie en kwam al snel tot de conclusie dat bezoekers mijn project op een andere manier — namelijk letterlijk als voedsel — tot zich namen. Op celniveau vermengde het voedselbos zich met het verteringssysteem en lichaam van de bezoeker. Ik kreeg er vertrouwen in dat het voedsel voldoende complexiteit van zichzelf had om het verhaal te vertellen dat we wilden vertellen.

Mijn verblijf aan de Van Eyck is het vervolg van mijn onderzoek voor Restauro. Vertaalt uit het Portugees betekent ‘restauro’ ‘restauratie’ of ‘reparatie’ en dat is precies wat ik voor ogen heb. Ik wil de relatie tussen de mens en zijn omgeving herstellen. Daarom is de locatie van de Van Eyck ook zo belangrijk. Maastricht is klein en kent een aantal projecten waar groentes worden verbouwd voor de lokale markt. In het Food Lab kunnen we dagelijks een lunch serveren voor vijftig gasten met lokale producten en na een werkdag pak ik de fiets naar de LOCO tuinen om mijn eigen avond- eten te oogsten. Dat is ondenkbaar in Rio de Janeiro of Londen.

Hoewel de lunches voor het Food Lab een voortzetting zijn van Restauro, heb ik mijn tijd bij de Van Eyck vooral ingezet om onderzoek te doen en te schrijven. Na mijn verblijf bij Serpentine Galleries heb ik ingezien dat ik aan duurzame projecten wil werken. We hebben ons bij de Van Eyck aangemeld met het idee om onze ervaring met Restauro om te zetten in een boek. Na een paar weken in Maastricht dacht ik: is een boek echt de beste vorm? Een boek klinkt als een eindpunt, terwijl er zo veel te zeggen is over landbouw, ecologie en milieu. Het boek werd daarom een tijdschrift, getiteld Enzyme, waarvan we meerdere edities gaan maken. Het tijdschrift wordt gedrukt met de Riso printer van de Van Eyck.

Mijn onderzoek in Maastricht kreeg haar definitieve vorm toen iemand die regelmatig bij de Van Eyck komt lunchen me vertelde over het voedselbos van Wouter van Eck, ingeklemd tussen de monocultuurakkers in Groesbeek. Het bos wordt gekenmerkt door een zeer grote diversiteit aan planten, struiken en bomen en houdt zichzelf in stand. De oogst wordt door chef-kok Emile van der Staak van De Nieuwe Winkel in Nijmegen gebruikt in zijn restaurant. Ik ben gaan kijken en proeven en heb daarna teksten geschreven die nu in Enzyme worden gepubliceerd. In zekere zin spiegelt het voedselbos van Van Eck Brazilië; Van Eck ontwikkelt een voedselbos in een omgeving met voornamelijk monocultuurlandbouw, terwijl in Brazilië het voedselbos wordt vernietigd om monocultuurlandbouw mogelijk te maken.

BS Inderdaad, in Brazilië maken bossen, die eeuwenlang bevolkingsgroepen en allerlei diersoorten hebben voorzien van voedsel, steeds meer plaats voor eindeloze hectares suikerriet en soja. Met de nieuwe voedselbossen in Nederland wordt dit proces omgedraaid, niet alleen in het landschap, ook in het denken. Voor Menna Barreto is deze omkering van cruciaal belang.

JMB Een andere inspiratiebron is de Indiase activist en wetenschapper Vandana Shiva. We hebben de kans gehad om haar als gast op de Van Ecyk te ontvangen. Haar lezing hebben we integraal opgenomen in Enzyme. Shiva spreekt over de manier waarop een monocultuur in landschap en landbouw leidt tot een monocultuur in het denken. De verschraling van ons eetpatroon in combinatie met het verliezen van lokale flora en het verliezen van contact met onze directe leefomgeving en natuur, maakt dat we op intellectueel vlak ook verschralen.

Als kunstenaar werk je aan de biodiversiteit van de geest. De omgeving van de Van Eyck biedt me de kans om met kunstenaars uit heel de wereld te spreken en samen te werken. Kunstenaars onderzoeken de complexiteit van taal en beeld en proberen dit in hun werk inzichtelijk te maken. Dat is onze taak. Het woord voedselbos schiet bijvoorbeeld tekort. Bos betekent in het Portugees: daar buiten. We zijn losgeraakt van ons bos en beschouwen het niet meer als ons probleem. Dat zie je bij de branden in de Amazone. We spreken over het bos alsof we een kolonisator zijn. We moeten daarom, als kunstenaars, werken aan een nieuw vocabulaire en een nieuwe beeldtaal voor bijvoorbeeld het voedselbos. Ik denk dat in Shiva’s analyse van de monoculture of the mind mijn missie als kunstenaar vervat ligt.

Barbara Strating studeerde filosofie en cultuurwetenschappen en werkt als programmamaker en moderator.

Paul.

Lien Van Leemput

Er was eens een jas en de jas was dood. –Neen wacht, zo kunnen we niet beginnen.– Er was eens een jas, en de jas dacht dat hij dood was. –Dat klinkt al beter.

Waarom hij dat dacht? Hij kon zich niet meer bewegen, lag stil ergens op een geasfalteerde weg. Was hij aangereden? Had iemand hem uit het raam van een rijdende vrachtwagen geworpen? Of was het een wandelaar geweest die te warm had gekregen en uit luiheid hem gewoon op straat had neergelegd? Lag hij daar te wachten op het moment dat een skateboard hem uiteen zou skaten en al de sappen uit zijn mouwen zouden spatten? Werd er zo dadelijk een touw rondom zijn hals gebonden en zou hij als hond verder door het leven moeten gaan? Kwam er een horde meeuwen aangevlogen om hem vol te schijten met hun uitwerpselen? Of zou de straat opnieuw geasfalteerd worden en zou hij verdwijnen onder een dikke laag gloeiend hete asfalt?

Hij wist niet meer wat er gebeurd was, of wat nog komen zou, maar hij moest vast en zeker dood zijn. ‘Hier rust Paul, hij stierf in eenzaamheid.’… of neen: ‘Hier rust Paul, hij liet zijn gele jas na.’ … Wanneer zou iemand hem vinden? Zou hij nog bij bewustzijn zijn als dat het geval was? En wie zou hem dan vinden? Misschien zag niemand hem liggen, was hij gewoon een steen op het asfalt. Hij zou liever een steen zijn, dan hoefde hij niet langer na te denken over de dood. –Is het normaal dat je nadenkt over de dood als je al dood bent?– ‘Hier rust Paul, een jas die een steen werd.’ Dat laatste klonk wel goed, vond Paul.

Zijn lichaam voelde zwaar aan, het plakte tegen het asfalt. Hoe kon dat nu? Hij was altijd al zo licht geweest. Paul was een fiere anorak, een echte regenjas met witte drukknopen, in een felgele doorzichtige stof. Zijn lichaam was wijd en kwam tot over de knieën. Hij was als een soort deken dat je beschermde tegen nattigheid. Paul vond de regen helemaal niet vervelend, hij liet ze gemoedelijk overheen zijn felgele huid druppelen. Pauls grootste pluspunt was zijn opbergcapaciteit. Hij kon zichzelf tot een propje rollen om zich in zijn eigen zak op te bergen. Hij was dus erg handig om mee te nemen, gewoon een geel propje in je zak. Pessimisten noemden hem ook wel eens een ‘plastic wegwerpjas’, maar daar had Paul geen oren naar.

Er kwam een andere jas voorbij, een levende. De levende jas vroeg aan Paul of alles in orde was. “Alles in orde?! Kan je niet zien dat ik hier dood lig te gaan?”, schreeuwde Paul. “Oei neen, dat zie ik niet. Waarom ben je bijna dood dan?”, vroeg de levende jas. “Ik weet het niet precies, het voelt aan alsof ik dood ben, maar eigenlijk ben ik niet zeker. Zou jij eens kunnen voelen of het echt zo is?” –De levende jas heet eigenlijk Peter, dus laten we ook hem bij zijn naam noemen.– Peter keek Paul wat verdwaasd aan. “Euh, hoe moet dat dan? Hoe weet ik of je echt dood bent? Heb je niet iemand anders die dat kan doen? Ik ben een beetje bang van dode jassen”, zei Peter aarzelend. Paul antwoordde: “Maar misschien ben ik niet helemáál dood, dus je hoeft niet zo heel bang te zijn.” “O… ok dan”, zei Peter, en hij voelde even, héél voorzichtig met één mouw aan Pauls plasticgele huid. “Je moet harder duwen!”, riep Paul, “Zo kan je de dood toch helemaal niet voelen?” “O, huh, ok…”, zei Peter verbaasd en hij porde wat harder in Pauls lijf. “Hmmm neen hoor, ik denk écht dat je nog leeft, je voelt een beetje glibberig en wat nat aan, maar je bent nog warm”, zei Peter. “O”, zei Paul, “Dat is goed om te horen.” Er viel een stilte tussen beide jassen. –Er komt een hond voorbij die blaft.— “Ben je van plan om hier te blijven liggen?”, vroeg Peter. Paul dacht even na… “Eerlijk gezegd weet ik niet goed hoe ik uit deze situatie moet geraken. Ik weet niet hoe ik hier terechtgekomen ben, maar het voelt alsof ik mij niet meer kan bewegen”, zei Paul.

“Je zal wel erg eenzaam worden als je hier zo blijft liggen, en heel binnenkort ga je dan misschien écht dood als er een skateboard komt aangereden, of een auto”, zei Peter. Paul keek naar Peter en merkte nu pas zijn prachtige huid op. Peter was van een appelblauwzeegroene wol gemaakt, met een donkerblauwe kraag, gebreid in grof katoen. Hij had slechts drie knopen, maar die waren groot en opvallend, in hetzelfde donkerblauw dan zijn kraag, en glanzend. Peter had een A-lijn model en kwam, net als Paul, tot over de knie. Zijn appelblauwzeegroene stof zou vast heel erg mooi over een lichaam draperen. Paul had nog nooit zo een mooie jas aanschouwd.

“Wat zou je ervan denken moest ik je meenemen?”, vroeg Peter ineens. “Ik kan wel een laagje regenproof gebruiken. Mijn appelblauwzeegroene wol kan immers niet goed tegen nattigheid, en als ik jou heb, kan ik ook buitenkomen wanneer het regent. Dan kunnen we samen wandelen. Wat denk je?” Paul wist niet wat hij hoorde. Wilde Peter, de mooiste jas die hij ooit had gezien, hém meenemen om samen met hem de wereld in trekken? Hij zou het privilege hebben om Peter te beschermen tegen de regen! “Dat zou ik erg fijn vinden”, knikte Paul voorzichtig, en hij voelde zich nederig. Peter lachte en pakte Paul op van het asfalt: “Kom, we gaan naar huis, kan je even opdrogen vooraleer we nieuwe regen gaan opzoeken”.

Lien Van Leemput is grafisch ontwerper, schrijver en performer. Haar interesseveld schippert tussen het alledaagse en het bijzondere, tussen het rationele en het absurde. Ze probeert de banale alledaagse wereld te vatten in woorden, beelden en bewegingen.

Paul.

Lien Van Leemput

In het begin was er gewoon Paul. Of niet ‘gewoon’ Paul, neen, Paul is nooit ‘gewoon’ geweest! Paul is juist héél bijzonder. ‘Uniek’ zou je kunnen zeggen, want met de hand gemaakt. Paul draagt alle kleuren van de regenboog op zijn huid. Hij is erg zacht, van de fijnste wol die je je kan voorstellen. Paul verdraagt de regen niet zo goed, dus je moet erg voorzichtig zijn met hem. Hij is, zoals ze dat noemen, een beetje verwend. Hij komt enkel buiten op zonnige winterdagen. Zijn fijne wol maakt hem ook erg warm en zacht. Verder draagt hij fijne pareltjes op zijn huid die het zonlicht weerkaatsen zoals kleine diamantjes dat doen. Een lieveling, dat is Paul, door iedereen graag gezien. Iedereen wil hem meteen aanraken en geeft complimentjes over zijn uiterlijk. Paul wist dan ook dat hij toebehoorde aan een heel bijzonder iemand.

Op een dag kwam een hele mooie vrouw de winkel binnen wandelen. Ze had korte haren die haar nek erg lang maakten. Haar armen waren slank en haar lichaam golfde. Paul was meteen verliefd op haar, zij zou van hem worden, dacht hij. De vrouw paste Paul en gleed met haar tengere vingers overheen zijn gekleurde huid. Ze prutste een beetje aan de pareltjes op zijn huid en liet zich verrassen door zijn zachtheid. Ze droeg een intens parfum dat Paul meteen van de kaart bracht. Dat parfum wilde hij op zijn huid voelen. De vrouw deed Paul uit en bracht hem naar haar neus, Paul kon een stukje van haar lippen proeven en was in vervoering. Zo ontmoetten ze elkaar. Liefde op het eerste zicht, bij de eerste aanraking. Ze nam Paul mee naar huis. De eerste dagen konden ze niet zonder elkaar. Ze droeg Paul altijd, het liefst overheen haar naakte lichaam. Paul was lang, reikte tot aan haar enkels. In het midden had hij een lint waarmee je hem kon samenbinden. Dit benadrukte haar mooie dijen. Bovenaan was Paul een beetje uitgesneden, waardoor je haar lange hals goed kon zien. Paul en zij waren onafscheidelijk, voor altijd.

Op een keer veranderde er iets. Paul weet niet zo goed wanneer dat gebeurde of waarom. Plots kwam ze thuis met Blake. Blake was cool en van het meest exquise zwarte leder. Helemaal uit Italië kwam hij, behandeld met de beste oliën en gemaakt door de beste kleermaker, zo beweerde Blake het alleszins zelf. Paul moest toegeven dat Blake er heel goed uitzag, en ondanks dat hij nooit zo zacht kon zijn als hij, voelde hij toch wel heel glad aan. Zijn indringende zwarte kleur had iets agressiefs, maar straalde ook mysterie uit, een spannend gevaar. Desalniettemin zou Blake geen concurrentie vormen voor Paul, hij kon niet op tegen Pauls snit, en al zeker niet tegen zijn geweldige kleuren en geparelde details. Ze wisselde af tussen Paul en Blake. Gaf beiden voldoende aandacht en streelde ze, iedere keer als ze hen aantrok. Paul was echter niet tevreden dat hij haar moest delen met een ander. Hij liet dit ook duidelijk merken en zette zijn parels op wanneer ze hem over zich heen liet glijden. Zijn kleine pareltjes konden behoorlijk prikken. Hij besefte jammer genoeg niet dat dit een averechts effect had.

Ze begon Paul minder te dragen, omdat hij haar pijn deed. Meer en meer greep ze naar Blake, die Paul pesterige blikken toewierp. Maar toen kwamen ook Junior, en daarna Federico, en Marianne, en John, en Olivia, en Nicky en… Paul hing in een te kleine kast met weinig bewegingsruimte. Hij kon amper ademen omdat er te veel jassen in dezelfde ruimte hingen. Het was er altijd donker en hij zag nog weinig daglicht. Alleen maar als ze heel even naar de winkel moest, of als ze iets vergeten was in haar auto. Ze droeg hem bijna nooit meer. Paul was jaloers, hij was jaloers op hen allemaal! Hij was de eerste! Haar eerste grote liefde! Alle anderen waren pummels in vergelijking met hem. Paul kookte, zo kon het niet verder! Hij bedacht een plan.

Op een nacht, toen ze allemaal sliepen, gleed hij van zijn kapstok. Hij nam Junior, Federico, Marianne, John, Olivia, Nicky en Blake al slapend mee. Heel voorzichtig sloop hij de kast uit met hen allemaal. Hij was heel erg op zijn hoede dat zowel zijn rivalen als zij niet wakker zouden worden. Hij droeg ze op zijn rug en sloop heel stil verder op zijn parels, richting wasmachine. Parel voor parel kwam hij dichterbij en werd zijn innerlijk furie sterker. Eens aangekomen legde hij Olivia, Nicky en Marianne in de machine, nadien volgden ook Junior, Federico en John. Als laatste ook Blake, die hij nog heel even aaide overheen zijn gladde zwarte huid, vooraleer hem bij de anderen te proppen. Hij grijnsde, maar een klein lachje ontsnapte hem. Blake schoot wakker van het venijnige lachje. Hij wist eerst niet wat er gebeurde maar toen zag hij alle andere jassen die al in de wasmachine lagen. Hij wilde het op een schreeuwen zetten maar Paul verhinderde dat. Hij stak zijn lange mouw in Blakes mond en forceerde hem de wasmachine in. Snel deed hij de glazen deur dicht, trok zijn mouw terug en keek hoe Blake paniekerig de anderen wakker maakte.

Paul had geen berouw, hij kende geen medelijden. Zijn parels schitterden in de nacht. Hij draaide de knop aan en zette hem op de 90°-doodssteek. Ze kregen van hem allemaal wat wasverzachter mee, konden ze haar tenminste een lekker geurtje aanbieden in de ochtend. Hij drukte de oranje ‘AAN’-knop in en de ton begon te draaien, en draaide en draaide en draaide door tot het einde.

Lien Van Leemput is grafisch ontwerper, schrijver en performer. Haar interesseveld schippert tussen het alledaagse en het bijzondere, tussen het rationele en het absurde. Ze probeert de banale alledaagse wereld te vatten in woorden, beelden en bewegingen.

Paul.

Lien Van Leemput

Ik zie je doorheen het raam. Ik zie je doorheen je jas. Laten we hem Paul noemen. Paul is ietwat op de groei gekocht toen men dacht dat je nog zou groeien. Maar je bleef aan de kleine kant, dus is Paul altijd nét dat tikkeltje te groot. Paul beschermt je, hij is immers vervaardigd uit een reflecterende stof. Hij is van dons gemaakt, met van die grote kussentjes die je kan induwen. Dat vindt hij leuk wanneer je dat doet. De kussentjes dragen échte veren in zich en zorgen ervoor dat jij altijd warm hebt. Paul weerspiegelt het raam met zijn oppervlak, jij weigert naar binnen te kijken. Het enige wat je ziet, via hem, zijn de groene bomen en struiken die rondom je staan. Je duwt ze in, via de kussentjes in jouw jas, naar binnen in jouw lichaam. Wanneer je zo al het groen in je hebt opgenomen, trek je de stad in, alleen op pad met Paul. Ik volg je.

Je stapt, kijkend naar Paul en al datgene wat hij weerspiegelt. Stukjes mensen, gebouwen, een vrachtwagen, de trambestuurder, miezerende regendruppels, het geluid van stappende schoenen op stenen… Mensen zien zichzelf in Paul en raken hem aan. Ze drukken zacht zijn kussentjes in. Paul omarmt en begroet. Een laagje flashy fabric bovenop de veren kussentjes reflecteert de lachende gezichten rondom jou. Zo hoef jij zelf niet langer te lachen. Je hoeft alleen te doen alsof, met die jas aan. Jij verdwijnt en gaat er in op.

Slaap je ook met Paul? Of durf je hem ’s nachts aan de haak te hangen en voor één keer de stof van katoenen lakens op jouw huid te voelen? Ik werp je een oprechte lach toe maar je kijkt weg. Paul vangt mijn lach maar jij verdwijnt helemaal in hem. Ik roep dat ik er ook nog ben! Maar alleen Paul vangt mijn bewegingen op, mijn woorden. Jij bent blind voor woorden. Is deze spiegel jouw wereld? Een wereld die reikt tot de grenzen van Pauls veren oppervlak? Vind je het normaal dat ik dichter bij Paul sta dan bij jou? Je ziet niets meer, en niemand ziet jou nog.

…Ik vertelde Paul dat het me speet, dat ik die laatste keer zo uitvloog tegen jou. Hij gaf me een donzen knuffel. Er vloog een veertje uit. Ik pakte het vast en stopte het in mijn eigen jas. Hij vertelde me dat hij te zwaar aan het worden is, dat hij zijn veren moet laten rusten. En dat zijn stof moet kunnen opladen om ’s ochtends opnieuw te kunnen reflecteren. Hij moet er even tussenuit, denk ik. Wat verstop je daar toch, onder Paul? Hij zei me dat je bang bent, bang voor de wereld en voor jou in die wereld. Dat je tranen in je draagt en dat hij deze droogt met zijn veren. Wil je jouw tranen tonen aan mij? Mag ik ze zien? Ze begrijpen, misschien? Ze zachtjes aanraken en in mijn jas stoppen? Je een spiegel aanbieden in de vorm van een oor, en wat woorden? Laat mij Paul even van je overnemen. Ik draag hem wel. Laat alle tranen van onder die jas stromen. En als je dan nat wordt van je eigen tranen is dat helemaal niet erg. Je hebt geen zware jas meer nodig, je lichaam droogt vanzelf weer op, dat beloof ik je. Geef Paul maar even aan mij, dan zorg ik nu een keertje voor jou.

Lien Van Leemput is grafisch ontwerper, schrijver en performer. Haar interesseveld schippert tussen het alledaagse en het bijzondere, tussen het rationele en het absurde. Ze probeert de banale alledaagse wereld te vatten in woorden, beelden en bewegingen.

Foto: Benedetta Ristori. Uit het project '100 Fotografi per Bergamo’.

Hallo Marian,

Hier is alles nog steeds hetzelfde sinds mijn vorige brief. In de lege straten klinkt nog steeds een koor van sirenes, dag en nacht. Ik mis het geratel van de tram, het gejoel van kinderen en automobilisten, ik mis zelfs de groepen daklozen in het groenstrookje onder mijn flat. Waar zijn zij nou plotseling gebleven? Niemand lijkt het te weten. Het groenstrookje is veranderd in de enige plaats waar mensen hun huis kunnen ontvluchten. Alle parken zijn dicht. Maar dit strookje gras is te klein om af te sluiten. En daarom is het ons enige baken van hoop.

Overdag maken de hondeneigenaars er een praatje met elkaar. Een van hen heeft niet alleen zichzelf, maar ook haar labrador een mondkapje omgedaan. Ze schreeuwt hard tegen de anderen. Ze lijkt een beetje doof. Anderhalve meter is dan niet gemakkelijk te overbruggen.

’s Nachts verandert het groenstrookje in een vechtterrein voor echtelijke ruzies. Stel je voor: je woont in een krappe flat in een buitenwijk van Milaan. Je kinderen slapen eindelijk. Waar raak je dan je frustratie kwijt? Juist, in ons baken van hoop, onder de uitbloeiende kersenbloesem. Het geschreeuw weerkaatst tegen de gevels van de huizen.

Als je met z’n allen door een lange, donkere tunnel loopt, dan kan er maar beter iemand een liedje zingen, anders klinkt het geluid van je voetstappen zo eng hol. Deze zin zag ik voorbijkomen op een Facebookpagina waar Italiaanse kunstenaars overleggen hoe ze deze crisis te boven komen. Het deed me denken aan je laatste brief, waarin je schreef: “Hoewel cultuur ontbreekt op de lijst ‘cruciale beroepsgroepen’, blijkt duidelijk hoezeer mensen in crisistijd behoefte hebben aan kunst.”

Iemand die in Italië als een van de eersten begon met ‘zingen in de donkere tunnel’ is Sebastiano Leddi, hoofdredacteur van het fotografietijdschrift Perimetro en bedenker van het project ‘100 Fotografi per Bergamo’, een online veiling waarmee geld werd ingezameld voor het ziekenhuis Ospedale Papa Giovanni XXIII in Bergamo.

Het motto van Perimetro is om ‘Milaan te tonen zoals je het nog nooit hebt gezien’. Behalve een tijdschrift, is het streven van Perimetro om ook een community te zijn. Het is daarom niet toevallig dat juist dit tijdschrift snel reageerde op de coronacrisis. Het idee ontstond tijdens een WhatsApp-gesprek tussen Sebastiano en zijn oude schoolvriend Francesco, die hij al dertig jaar kent. Francesco is dokter in een ziekenhuis in het zwaar getroffen Bergamo. De corona-uitbraak was op haar hoogtepunt. De IC’s waren overvol, en er was nog geen ondersteuningsnetwerk op gang gekomen.

Schoolvriend Francesco omschreef de situatie als een ‘natuurramp’, en vroeg of Sebastiano iets kon bedenken om te helpen. Deze vraag klinkt misschien ongewoon; een noodkreet van een arts richting een cultureel ondernemer. Maar in Italië, waar nauwelijks subsidie is voor hedendaagse cultuur, gaat cultureel ondernemen vrijwel altijd gepaard met slimme marketingstrategieën. De combinatie van kwaliteit en commercie wordt heel serieus genomen. Perimetro had de juiste kennis in huis om in korte tijd een grootschalige actie te mobiliseren.

Fotograaf Arnaldo Abba, die al was begonnen met het online verkopen van zijn foto’s, bracht Sebastiano op het idee voor ‘100 Fotografi per Bergamo’.

“Hoeveel denk je dat het zal opbrengen?”, vroeg Francesco hoopvol, “30.000 euro?  Misschien zelfs 40.000?”

Op 1 april was de online expositie een feit. De website kon de toestroom van bezoekers nauwelijks aan, en liep af en toe vast. Om het aanbod foto’s aan te vullen werden snel buitenlandse fotografen gecontacteerd uit Perimetro’s netwerk. Op de laatste dag van de online veiling, 6 april, bedroeg de opbrengst 727.600 euro. ‘100 Fotografi per Bergamo’ inspireerde verschillende projecten in andere landen, waaronder het New Yorkse initiatief ‘Pictures for Elmhurst’

Het unieke aspect van ‘100 Fotografi per Bergamo’, is dat er voornamelijk mensen werden bereikt die normaal gesproken niet zo snel kunst zouden kopen. Dit is iets wat terugkomt bij de meeste succesvolle culturele initiatieven in deze tijd van crisis: het elitarisme van de kunstwereld wordt aan de kant geschoven, en met actuele projecten wordt kunst teruggebracht naar waar ze thuishoort: midden in de maatschappij, als vorm van expressie voor iedereen.

Het is nu ook in Nederland de taak van de culturele sector om, of er nou geld voor is of niet, een centrale plaats in de samenleving in te nemen. Met initiatieven waarbij het publiek actief wordt betrokken, kan de culturele sector de quarantaine draaglijker maken. Het geeft mensen een andere uitvlucht dan alleen het kleine strookje gras onder hun huis.

Ik was blij verrast door de online tentoonstelling van Upstream die je me liet zien. Ben je ondertussen al nieuwe initiatieven tegengekomen? En hoe zit het met het groepsgevoel in de Nederlandse kunstwereld? Komen er al gemeenschappelijke projecten van de grond?

Hou je taai en hou me op de hoogte,

Groet,
Christine

Ps. Ik denk niet dat er budget is voor onze teksten, omdat Tubelight vrijwillig tot stand komt. Maar misschien kunnen we een alternatief verzinnen?

Links uit artikel:
100 Fotografi per Bergamo: https://perimetro.eu/100fotografiperbergamo/
Pictures for Elmhurst: https://www.picturesforelmhurst.com/
Online exhibition van Upstream: http://www.upstream.gallery/

Foto: Alessandro Furchino Capria. Uit het project '100 Fotografi per Bergamo’.
Foto: Andrè Lucat. Uit het project '100 Fotografi per Bergamo’.
Foto: Arnaldo Abba. Uit het project '100 Fotografi per Bergamo'.
Foto: Federica Sasso. Uit het project '100 Fotografi per Bergamo'.
Foto: Victor Schnur. Uit het project '100 Fotografi per Bergamo'.
Foto: Sha Ribeiro. Uit het project '100 Fotografi per Bergamo'.
Foto: Nicola Carignani. Uit het project '100 Fotografi per Bergamo'.
Foto: Mario Sorrenti. Uit het project '100 Fotografi per Bergamo'.
Foto: Luca Locatelli. Uit het project '100 Fotografi per Bergamo'.
Foto: Francesco Zizola. Uit het project '100 Fotografi per Bergamo'.
Foto: Francesco Faraci. Uit het project '100 Fotografi per Bergamo'.

Hoi Christine,

Marian Cousijn
Uitlopers van de Wisteria op het balkon van Marian Cousijn

Amsterdam, 16 april

Hoi Christine,

Wat goed om van je te horen! Volgens mij zagen we elkaar voor het laatst in Venetië, in dat communistische caféetje waar wijn 1 euro was (en voor jou 20 cent). Hopelijk ben je gezond, en je vrienden en familie ook. Ik herken veel van wat je schrijft over de situatie in Milaan. De eerste week van de lockdown, die hier gelukkig minder streng is, was ik me hyperbewust van mogelijk besmettingsgevaar. Tijdens het boodschappen doen durfde ik een kriebelende haarlok niet uit m’n gezicht te strijken, en ik werd gek van bezorgdheid toen ik hoorde dat mijn zus voor de gezelligheid bij mijn moeder ging logeren. Ik droomde steeds dat ik moest hoesten. Inmiddels ben ik de nieuwe choreografie van het openbare leven wat meer gewend.

Er is hier één keer geapplaudisseerd voor de zorg. Toen ik vorige week tijdens een honingkleurige zonsondergang door een verlaten straat liep, speelde een oudere man trompet op zijn balkon. Het Wilhelmus heb ik – gelukkig! – nog niet door de straten horen schallen. 

Ook hier is de culturele sector kwetsbaar. Zelf werk ik als freelancer bij Eye, en ik heb een tijdelijk contract bij de Oude Kerk. Ik had me al op het ergste voorbereid, maar beide musea zetten alles op alles om hun medewerkers te behouden – ook degenen in een kwetsbare positie. Niemand weet hoe de situatie zich verder ontwikkelt, maar het is bemoedigend dat in deze fase aan de mensen wordt gedacht. Voorlopig kan ik blijven werken.

Niet iedereen heeft dat geluk. Het Stedelijk heeft haar museumdocenten nog drie dagen doorbetaald. Het Rijks vergoedde gecancelde tours iets langer, maar daar kregen de rondleiders op een vrijdagavond om 8 uur een mailtje met de mededeling dat ze tot het najaar geen werk hebben, en dat de meesten van hen überhaupt niet meer terug kunnen komen. Heel pijnlijk – vooral omdat de belastingdienst heeft geoordeeld dat freelance rondleiders als schijnzelfstandigen werken, en dus dezelfde rechten zouden moeten hebben als werknemers in loondienst. Echt teleurstellend hoe makkelijk die grote musea hun mensen – met wie ze vaak al jaren samenwerken – aan de kant zetten. Het sociaal-maatschappelijke bewustzijn waarmee ze zich in hun programmering profileren, verliest door dit beleid geloofwaardigheid. Ik ben benieuwd hoe jij hierover denkt.

Gelukkig is er veel veerkracht. Ook hier ontstaan allerlei online initiatieven. Heel sympathiek, hoewel niet allemaal even geslaagd. Vaak mis ik een creatieve vertaling van de fysieke ervaring naar het virtuele. Dan vind ik de online tentoonstelling met browser-based kunstwerken van Upstream Gallery interessanter: die ervaar je in volle glorie op je beeldscherm.

Soms fiets ik langs verschoten affiches voor tentoonstellingen, concerten en festivals. De tragiek daarvan! Aanvankelijk liet de culturele sector niet luid van zich horen in de media, maar daar kwam vorige week verandering in. Er is gisteravond 300 miljoen beschikbaar gemaakt – een welkom begin, maar lang niet genoeg om faillissementen te voorkomen. We kijken jaloers naar het steunpakket in Duitsland. Daar zijn ze natuurlijk gewaarschuwd voor de gruwelijke consequenties van een gefrustreerde kunstenaar die een carrièreswitch maakt (flauwe grap, waar ik toch even om moest grinniken).

Maar in alle ernst: het viel me op dat mensen tijdens de eerste dagen van de lockdown als eerste tips deelden voor films, boeken, series, poëzie en podcasts. Pas later volgde de hausse aan thuiswerktips. Hoewel cultuur ontbreekt op de lijst ‘cruciale beroepsgroepen’, blijkt duidelijk hoezeer mensen in crisistijd behoefte hebben aan kunst. Ik hoop dat overheden zich daarnaar gedragen.

Wanneer zouden musea weer open kunnen? Je kunt daar beter afstand houden dan in de supermarkt en je mag er toch al niks aanraken. Waar ga jij als eerste heen als het weer mag? En tot slot: hoe breng je je dagen door? Lukt het om te schrijven en kunst te maken? Laten we elkaar op de hoogte houden!

Groetjes,

Marian

P.S. Weet je of Tubelight budget heeft voor ons?

Marian Cousijn is kunsthistoricus en curator. Ze werkt onder meer als curatorial editor bij de Oude Kerk.

Installation view van het werk van Mimosa Echard. Op de voorgrond bijna onzichtbaar de druppellijn van Inge van Genuchten. Foto: Charlott Markus.

Vloeibaarheid wordt geassocieerd met ongrijpbaarheid. Als je vloeistof probeert vast te pakken, ontglipt het je. Het begrip vloeibaarheid is daarom bij voorbaat al een moeilijk te vatten begrip. Net zoals vloeistof is een maatschappij veranderlijk en beweeglijk, al lijkt zij soms ook stil te staan.

Gastcurator Nanda Janssen stelde in Nest in Den Haag een groepstentoonstelling samen met ‘vloeibare kunst’ en refereert daarmee naar uiteenlopende vormen van vloeibaarheid, waaronder de vloeibare maatschappij, zoals ze in de inleidende tekst beschrijft. In de tentoonstelling Fluid Desires verdwijnt de maatschappelijke lading van vloeibaarheid echter naar de achtergrond en voeren invalshoeken vanuit de wetenschap en natuur de boventoon. In een tijd waarin de wereld minder tastbaar en zowel groter als kleiner lijkt te worden, ontsluit de wetenschap steeds meer vraagstukken die voor de mens vaak onzichtbaar zijn met het blote oog, bijvoorbeeld op kosmisch of moleculair niveau. Terwijl de natuur verder verdwijnt, kunnen we natuurlijke processen steeds verder ontcijferen en toepassen op nieuwe materialen, technieken en vormen. Hierdoor vervaagt het onderscheid tussen organisch en anorganisch, mens en object, natuurlijk en synthetisch en groeit een gevoel van onbegrensdheid en misschien ook onbestemdheid.

De tentoonstelling toont werk van acht kunstenaars die zich bezig houden met veranderlijkheid en beweging van vorm en materiaal. Weliswaar in sommige gevallen vastgelegd in een gestolde vorm, zoals in de ‘schilderijen’ van Jérôme Robbe. Hij goot gekleurde pigmenten over platen van plexiglas die door verhitting en het verdampen van water vervormden. Transformatie van materiaal is het meest zichtbaar en expliciet aanwezig in het werk van Marie Maillard. Haar cilindrische staven lijken te zijn gemaakt van twee verschillende materialen, bijvoorbeeld hout of marmer en glas, die in elkaar overlopen. De geleidende vloeistof in Cell#3 van Leonid Tsvetkov verandert langzaam tijdens de tentoonstelling. Doordat de vloeistof onder stroom staat en onder andere reageert op schommelingen in temperatuur, verkleurt de vloeistof in de cel. In dit geval wordt verandering van de vloeistof aan de ene kant teweeggebracht door de gefabriceerde cel en aan de andere kant door overlevering aan de omgeving.

Mimosa Echard biedt een ander perspectief op de wisselwerking en spanning tussen de mens en zijn gemaakte en natuurlijke omgeving. In haar werk aan de muur lijkt niet één van de twee de overhand te hebben. Het is een vrolijke brij van een enorme verscheidenheid aan materialen, van mos en bijenwas tot scheerschuim, gegoten in epoxyhars. In de flessculpturen die op de grond staan en liggen, lijkt de natuur het echter te verliezen van de mens. Ze doen denken aan aangespoelde flessenpost, die in de loop der tijd restanten en sporen van de mens heeft verzameld. Batterijen, pillenstrips en verpakkingsmateriaal, allemaal ‘versteend’ in de verweerde flessen. De zogenoemde futuristische stillevens lijken een pessimistische toekomst te voorspellen: het treurige gevolg van de huidige consumptiemaatschappij en vervuiling door toedoen van de mens.

Als de natuur dreigt te vergaan, blijken er nog andere, al dan niet positieve, mogelijkheden te zijn. Je zou er bijna aan voorbij lopen, maar Hicham Berrada creëert in vijf kleine aquaria werelden die ontstaan uit levenloze stoffen. Koper en ijzer blijken zich te kunnen ontwikkelen tot iets dat lijkt op een levende onderwaterwereld. Werk zoals dat van Echard en Berrada doet afvragen hoe de mens gedijt bij veranderlijkheid. Ieder gaat daar op een andere manier mee om. Het werk van Echard bevat retrospectieve en toekomstvoorspellende elementen terwijl Berrada verandering aangrijpt om nieuwe mogelijkheden te verkennen. In een tweede werk trekt Berrada deze aanpak verder door en onderzoekt hij onzekerheid en instabiliteit van vorm. Een video toont hoe een artificiële wolk zich ongedwongen en onbelemmerd laat meevoeren en vormen door de wind. Openslaande luiken bieden uitzicht op een bewegende wolk die het ene moment de aandacht trekt met zijn blauwe kleur en nieuwsgierig maakt. Het andere moment neemt de wolk de vorm aan van een monster dat alsmaar lijkt te groeien, maar uiteindelijk als iets onbestemds verdwijnt in de lucht.

Vloeibaarheid vraagt om een flexibele opstelling, maar roept verschillende reacties en vragen op. Gaan we met de stroom mee, tegen de stroom in of sturen we bij? Boezemt het angst in of biedt het kansen? Of stimuleert het juist om momenten van verandering te vangen? Maya Rochat doet dat laatste en probeert vloeibaarheid vast te leggen in haar installatie. De uitvergrote en op de vloer doorlopende, overlappende en op elkaar gedrukte foto’s van stromende vloeistoffen dompelen de bezoeker onder in een ogenblik van vloeibaarheid. Rochat weet de bezoeker mee te nemen in de schoonheid van vloeibaarheid.

Uiteindelijk is het toch de terugkerende spanning tussen controle en overgave die de tentoonstelling kenmerkt. De titel, Fluid Desires, doet vermoeden dat kunstenaars naar vloeibaarheid verlangen en het concept volledig omarmen. Maar hoe desirable is vloeibaarheid nou echt? De mens wil immers vooruit bewegen en lijkt tegelijkertijd niet te ontkomen aan een eeuwige drang om de ongrijpbaarheid van vloeibaarheid te willen duiden en begrijpen. Iets wat mooi samenkomt in het werk van Inge van Genuchten. Haar werk is het enige waarin zichtbaar, en tegelijkertijd bijna onzichtbaar, een vloeistof beweegt. Met een precisie die berekenend en ongekend lijkt voor vloeistof, druipt een onbekend doorzichtig materiaal uit het plafond naar beneden in een klein gaatje in de vloer. Misschien is dit de gestroomlijnde en gecontroleerde vorm van vloeistof waarnaar de mens verlangt. Kan de mens het dan toch niet laten om grip te houden op vloeibaarheid?

Rosa Marie Mulder is kunsthistoricus en volgt een onderzoeksmaster in hedendaagse kunst en museum studies aan de Universiteit Leiden.

Detail van Untitled van Inge van Genuchten. Foto: Charlott Markus.
Foto-installatie van Maya Rochat. Foto: Charlott Markus.