Afgevallen maskers

Martijn Verhoeven

Vroeg of laat, iedereen komt ooit tot de ontdekking dat hij zichzelf niet echt kan zien. De spiegel lijkt betrouwbaar, maar draait alles om: je linkerarm wordt je rechterarm, enzovoorts. Die ontdekking kan voor een beklemmend gevoel zorgen: wat ziet een ander aan jou dat je zelf nooit hebt gezien? Wie vertrouwd is met de leugen van de spiegel kiest voor een veilige koers. Hij of zij toont voortaan een neutrale blik, een minzame lach, een houding zonder risico. Toch kan geen mens die neutrale blik de hele dag volhouden. Een plek waar de neutrale blik en de zelfbewuste houding voor even worden vergeten is de openbare ruimte van de grote stad. Het lijkt alsof op straat, in de nabijheid van honderden andere mensen, even de noodzaak vervalt om het masker op te houden. De afwezigheid van een bewuste houding en de daarvoor in de plaats gekomen openheid in gezichtsuitdrukking zijn zaken die de Zwitserse fotograaf Beat Streuli tot onderwerp van zijn werk heeft gemaakt. Zijn foto's tonen jonge, gezonde en knap uitziende personen die hun toekomst met zelfvertrouwen tegemoetzien. De jongeren kijken, zich niet bewust van de camera, zonder bijzondere expressie en met onbestemde, open blik voor zich uit. Streuli heeft gefotografeerd wat hij zag: de gekozen uitsnede, de weergave van middel tot hoofd, lijkt op de wijze waarop mensen in een drukke straat elkaar in het voorbijgaan bekijken. De foto's zijn zelfs zo onopdringerig en terughoudend dat je even vergeet dat hij een camera bij zich heeft gehad. Het onopvallende gedrag van de personen maakt het voor de toeschouwer daarbij eenvoudig om zich met de beelden te vereenzelvigen.

Streuli fotografeert meestal met een kleinbeeldcamera, die hem in de gelegenheid stelt om ongestoord in de mensenmassa te verdwijnen. Om niet het gevaar te lopen dat de gefotografeerde hem opmerkt en zijn masker weer opzet, gebruikt hij bovendien een sterke telelens. En omdat de telelens veel licht nodig heeft werkt hij alleen op heldere dagen. De helderheid van de afbeelding en het zonnige licht die zodoende de foto's bepalen, versterken nog eens de optimistische en prettige uitstraling van de jonge personen. Streuli fotografeerde beide personen van zeer dichtbij, beeldvullend, waarbij een groot deel van de stedelijke omgeving is verdwenen. Of de beelden zich nu afspelen in Rotterdam, New York of Berlijn is niet meer zichtbaar en doet eigenlijk ook niet meer ter zake.

De foto's van Streuli zijn weinig spectaculair. Nergens zien we een moment of een handeling die bijzonder de aandacht trekt. De fotograaf vertelt op het eerste gezicht maar weinig over de afgebeelde personen. Dat klinkt misschien saai, maar juist de onbekendheid met de personen maakt het werk spannend om naar te kijken. Alleen datgene wat zich aan de oppervlakte van de personen aftekent is zichtbaar: de nonverbale communicatie, die zich manifesteert in houding, mimiek, kleding en haardracht en die iets zegt over de manier waarop de jongeren in de wereld staan. Meer nog dan in Streuli's foto's is dat zichtbaar in zijn videowerk. De video ‘Portraits Tarragona 96/1' (1996), die te zien is in Galerie Van Gelder, is daarvan een geslaagd voorbeeld. Hier observeert de videocamera vier tieners. Op een landerige zomermiddag kletsen ze met vrienden en wanen zich onbespied. Het geluid staat net te zacht om de gesprekken te kunnen volgen. Vooral de opname van een jong stelletje is fascinerend. De jongen, en profil in beeld, kijkt strak voor zich uit en antwoordt slechts af en toe kort en krachtig het meisje (zijn meisje?) dat de meeste tijd aan het woord is. Zij kwebbelt en lacht, kijkt vragend, fronst haar wenkbrauwen en probeert bij hem in de smaak te vallen. Maar de jongen geeft geen krimp. Hoe langer je blijft kijken – en je blijft kijken, want je wilt tegen beter weten in toch weten hoe het afloopt – hoe meer inzicht je krijgt in de machtsverhoudingen binnen hun relatie: het meisje mag dan het meest aan het woord zijn, de jongen heeft de broek aan. En beide maskers zijn gevallen.

De video PORTRAITS TARRAGONA 96/1 maakt deel uit van de tentoonstelling LOOK ME IN THE EYES (met werk van Marijke van Warmerdam, Sigurdur Gudmundsson e.a.), tot 15 februari

Galerie van Gelder, Planciusstraat 9a, Amsterdam

Terzijde

Ranti Tjan

Frans Haks mag zichzelf graag horen.

Zijn prikkelende uitspraken zijn altijd een amalgama van provocatie, valsenichterigheid en overtuiging. Na zijn gedwongen vertrek uit Groningen heeft de wraakzucht zich aan dat rijtje toegevoegd. Welk aspect wanneer overheerst hangt af van zijn publiek. Bij een volle bak regeert de ijdelheid, alleen in kleine kring wint soms de overtuiging.

Na een dag vol zelf gecreëerde ellende wil ik nog wel eens onderuit zakken om naar door anderen geregisseerde ellende te kijken. Een praatprogramma voldoet het best aan die behoefte. Zo keek ik een tijdje geleden laat op de avond naar die mevrouw met die opmerkelijke knieën-fetisj. Remy van der Elzen. Ellende op zijn mooist, want op zijn smalst. Ze moet en ze zal de snik uit haar gast naar boven halen. Voor iedereen zijn de jaren zestig voorbij, bij haar leeft de sociale-academie-plakkerigheid nog voort.

Bij Frans Haks moest ze het zonder die snik stellen. Hij had het interview volledig onder controle. Over bepaalde pijnlijke onderwerpen wilde hij niet praten. De woorden fraude en misbruik waren taboe. Hij had er geen zin in om naar aanleiding van televisiefragmenten tot een gespreksonderwerp te komen. Dat gebeurde dan ook niet. Een zelfgemaakt videootje tonen? Tot zulke domme bezigheden verlaagde hij zich niet. Een interview is best, graag zelfs, maar dan wel onder zijn voorwaarden. Hij kon daarom vrijelijk al zijn stokpaardjes berijden. Weer die verhalen die al in alle kranten hebben gestaan en die hij in zijn venijnig van-zich-afschrijf-boekje nog eens tot op het bot had uitgebeend. Niet zonder humor, maar toch.

Op een gegeven moment wist Van der Elzen hem toch tot een verrassende uitspraak te verleiden. In de kunst, oreerde de parmantige exmuseumdirecteur, gebeurt niets meer. Nieuwe culturele ontwikkelingen zag je tegenwoordig alleen nog maar in de mode en in de wereld van het design. Het was veel interessanter tijdschriften in te kijken, dan naar een tentoonstelling te gaan.

Overmand door vermoeidheid ontging me even de onzinnigheid van deze uitspraak. Hoe vaak was ik niet teleurgesteld een galerie uitgelopen? Hoe vaak voelde ik me niet bekocht in een museum? Hoe vaak had ik me niet in het weekend thuis opgesloten met een stapel tijdschriften alsof er geen fantastische openingen waren die naar mijn aanwezigheid hunkerden? Dit moment van verstandsverbijstering duurde gelukkig niet lang. Natuurlijk is het onzin wat Haks zei. Mode en design nemen deel aan die ratrace van trends en gecreÎerde behoeftes. Ze moeten zich wel ontwikkelen, anders gaan ze financieel ten onder. Dat mag een stimulerend effect hebben op de makers, maar dat effect duurt net zo lang als de wispelturige klant dat toestaat. De ontwikkeling waar Haks op doelt is de ontwikkeling van een topsporter. Na één, hooguit twee jaar is hij zijn record kwijt. Zelfs Carl Lewis had niet het eeuwige leven.

Maar is er dan geen sprake van kwakkelende kunst? Zeker, maar dat komt juist door al die grote en kleine Haksen. Die hebben de kunst in diezelfde ratrace getrokken. Die hebben de tijd voor bezinning en het ontwikkelen van nieuwe ideeën ingewisseld voor vluchtige momenten van roem. Die zorgen ervoor dat jonge kunstenaars als een gek achter hypes aanhollen en daarmee zichzelf onvermijdelijk veroordelen tot de armoedige status van de gehandicapte kloon. Die maken dat ik naar het zoveelste Marlene Dumas-aftreksel moet kijken en dat ik genoegen moet nemen met de honderzesentwintigste Nan Goldin-imitatie. Het zijn de Haksen die jong verwarren met kwaliteit en nieuw met origineel. Diezelfde Haksen dwingen talentvolle kunstenaars hetzelfde kunstje vlug en vaak te herhalen, omdat de markt daar om vraagt. Dat ze daardoor vroegtijdig opbranden doet niet ter zake, er staat toch al weer een nieuwe ‘ontwikkeling' in de startblokken.

Tussen sokkel en sukkel

Wapke Feenstra

De Japanse kunstenaar Tazro Niscino maakt huiskamers rondom stadsbeelden, dat alles in de stijl van het land en de plaats waar het beeld staat. Zo kunnen de bewoners van een stad opnieuw kennis maken met hun sculptuur. Sinds hij in Europa woont is hij gefascineerd door de gebeeldhouwde mensen op sokkels op pleinen en straathoeken. Komende zomer zal hij een ingreep doen op het marktplein in Dordrecht. Wacht maar af. Er komt bij hem altijd een relatie tot stand met de afgebeelde held. Voor zover dat gaat, want doorgaans zijn die helden dood, dat zal u ook bekend zijn. Een sculptuur die u aan een held of een god herinnert is oud en verleden tijd. Wij leven nu in een democratie en hebben mediahelden, die willen we niet in brons gieten, die moeten kunnen vervliegen op het beeldscherm. Wij deden nog pogingen met verzuiling, verheffing, formele spelletjes met de sokkel, of juist geen sokkel en leuke toegankelijke dingen waar je op kunt klimmen of onschuldige beesten waar van alles op geprojecteerd mag worden, ik noem maar een greep uit de sculpturen die er in de loop van de tijd in de openbare ruimte opdoken. Het is wel duidelijk dat er naarstig gezocht wordt naar meer in de tijd passende buitenbeelden. Een goed voorbeeld van een mislukt beeld staat bij Rotterdam Zuidplein tegenover de Albert Heijn waar ik dagelijks boodschappen doe. Ik heb getwijfeld of ik zou reageren door middel van een geschreven artikel. Ik hou er niet van om het over zaken te hebben waar ik niet achter sta, maar in dit geval dringt dit beeld zich zo op in mijn dagelijks leven dat ik terug wil praten. Het gaat over de man en de vrouw op twee betegelde zuilen, zij lopen ferm richting winkelcentrum of richting snelweg, je ziet zo dat hun wegen zich ooit ergens zouden gaan kruisen als ze niet van keramiek waren geweest. De blanke vrouw is fermer dan de blanke man, hij is iets sukkeliger en beide staan ze enkele meters van de grond waardoor ze onbereikbaar zijn voor het winkelende publiek. Ze komen uit de Millinxbuurt, achterliggende wijk, tenminste als je de looprichting natrekt. Daar ontstaat dan gelijk het conflict, buiten dat ik de beelden niet mooi vind, – maar daar kan ik nog mee leven als ze een bepaalde uitstraling hebben die de omgeving tot zijn recht laat komenis het een totaal misplaatst beeld voor de dagelijkse passant. In de omliggende wijken waar ik ook al zeven jaar op verschillende plaatsen woon, wonen veel mensen die niet wit zijn. Als ik dagelijks even naar het beeld kijk dat daar op de sokkel staat en ik kijk naar de mensen die er dagelijks langs lopen dan zie ik geen enkel verband. Waarom zou je op zo'n punt in de stad Rotterdam twee witte anonieme mensen op een sokkel neerzetten, die de rug naar de buurt keren? Is dat gewoon een soort esthetiek waar de planners van de beelden in de openbare ruimte van houden? En wordt er alleen naar formele eigenschappen gekeken zoals het leuk variëren op de looprichtingen die in het achterliggende grasveld zijn aangericht? Het is toch geen weloverwogen icoon voor de lokale situatie?

Ik word alweer kwaad nu ik eraan denk. Ik stap dus elke dag met de nodige adrenaline in mijn bloed richting Albert Hein en wil niet weten wat het exact gekost heeft, want elke cent is teveel voor deze belediging van mijn buurt.

Maar ja, wat dan? Wat moeten er dan voor sculpturen gezet worden in de openbare ruimte? Ik zou het niet weten. Het is ook niet mijn terrein, ik richt me op het platte vlak en de mentale ruimte.

Als kunstenaar weet ik dus niet wat de positie van sculptuur zou kunnen zijn in de buurt waar ik woon. Ik denk wel dat bij het zoeken naar een buitenbeeld, het reflecteren op de cultuur van het kunstenaarschap net zo belangrijk is als de reflectie op de cultuur van de inwoners van de wijk. Met vluchtige media en kunstenaars die kiezen voor participatie is waarschijnlijk een betere ingang tot openbare buitenbeelden te vinden.

Videoregistratie, documentaire en fotografie leveren natuurlijk al jaren interessante buurtbeelden op, die vervolgens worden binnen gebracht met tentoonstellingen, vertoningen en uitzendingen. Maar daarmee is de indeling van het plein en de plaats van de sculptuur nog niet opgelost. Die oplossing ligt -denk ik- ergens tussen sokkel en sukkel, vooral als het over de rol van de kunstenaar gaat. Tussen de kunstenaar als genie op een sokkel die na een formele visuele analyse de beelden vanuit het atelier komt leveren en de kunstenaar als sukkel die met zich laat sollen door de buurtbewoners en de opdrachtgevers en daarbij vergeet dat kunst een vak is, ligt immers een scala aan mogelijkheden. Een terrein waar de sculptuur misschien nog onvermoede potentie bezit. Richt u erop!

Er hangt ineens een poster op het raam bij de bakker, "In de Millinxbuurt wonen mensen…" staat erop. Met als ondertitel "portretten van bewoners van de Millinxbuurt door Henk Miedema" wordt een tentoonstelling aangekondigd in de Politiegalerie in de Witte de Withstraat 25 te Rotterdam. Het is maar dat u het weet. Ik wist het al, ik heb tussen die mensen gewoond. Nu woon ik in Bloemhof.

IN DE MILLINXBUURT WONEN MENSEN…, t/m 1 februari

Politiegalerie, Witte de Withstraat 25, Rotterdam

Het beeld van Berry Holslag staat sinds de zomer van 1998 permanent tegenover de Albert Heijn bij winkelcentrum Zuidplein te Rotterdam.

Tazro Niscino zal in het kader van mijn project -b-l-i-k-o-pe- n-e-rin mei/juni 1999 een huiskamer rondom Ary Scheffer bouwen, in het centrum van Dordrecht, in opdracht van het CBK-Dordrecht.

Elly Strik

Wim van Krimpen

Het werk van Elly Strik gaat over Elly Strik.

Af en toe probeert ze de aandacht af te leiden en maakt ze een korte reis. Maar ver weg is het nooit. Misschien om de de hoek, niet meer zichtbaar maar nog wel voelbaar. Haar indringende blik probeert altijd de aandacht vast te houden. Waterverf maakt de dingen zachter en papier verleent een zekere mildheid. Maar of dat tot ontspanning leidt is de vraag. Mag kunst ontspannend zijn?

Elly Strik kiest duidelijk voor confrontatie, meestal direct en soms onderhuids. Het eerste beeld dat ik ooit zag was een zelfportret in een folder van de academie.

Het werd aanleiding voor een atelierbezoek. Samen met Jean Christophe Ammann, die een tentoonstelling samenstelde voor de KunstRAI in Amsterdam, bezocht ik de kunstenares in Eindhoven. Toen we weer buiten stonden zeiden we tegen elkaar: ‘Ongelooflijk, wat een spanning'. Dat sloeg op het werk en de atmosfeer waarin het werd getoond. Vluchten kan niet meer.

Het werk van Elly Strik is een voortdurende vergelijking met de werkelijkheid. Is het mogelijk daarvan los te komen? Moet de afbeelding met de achterliggende gedachte verhullen of juist verhelderen? Bij Elly Strik staat deze keuze altijd op het spel. Het zoeken naar de definitieve oplossing maakt haar werk intrigerend. De onbereikbaarheid van de idealen verllent haar oevre de spanning en de schoonheid, die de toeschouwer bijblijft.

ELLY STRIK, RECENT WERK, tot 11-4-99

MUHKA, Leuvenstraat, Antwerpen

Hunting and fishing

Rudy Hodel

Een verademing in deze tijden vol van politiek correct geneuzel en zin-nelijke drooglegging zijn de recente foto's van Paul Kooiker (1964) in Buro Leeuwarden. Ze tonen bijna allemaal naakte meisjes, die zich betrapt weten of gestoord voelen, en die haastig wegvluchten in een zomers bosrijk duinlandschap. Zaken die weinig senstationeel zijn en die absoluut het filmpredikaat ‘alle leeftijden' verdienen, totdat de titel van de serie in zicht komt: ‘Hunting and Fishing'. Wie jaagt op wie in dit werk?

Is het de fotograaf die zijn eigen lusten najaagt of zijn het juist de gefotografeerde Diana's die het grote spel leiden. Ik noem het een spel omdat opvalt dat Kooiker niet echt met scherp schiet. Hij gaat nergens brutaal of agressief te werk. De meeste vrouwen worden met veel tegenlicht op de rug gezien of van opzij en hij hult al zijn modellen in een opzettellijke, door de techniek veroorzaakte vaagheid, die hun mysterie alleen maar vergroot.

De nimfen van Kooiker zijn zeer aanwezig en tegelijkertijd ongrijpbaar. Wie op de tentoonstelling vlak voor de forse inktjetprints staat, ziet slechts een verzameling losse kleurvlekken, die eerst van enige afstand weer een herkenbaar beeld oplevert. En wie zijn waarneming niet vertrouwt, raadpleegt het even voorbeeldig geproduceerde boek, dat door uitgeverij Basalt onder dezelfde titel ‘Hunting and Fishing' is uitgegeven. Hierin staat de gehele serie foto's in hun oorspronkelijke staat.

Paul Kooiker refereert in zijn werk aan talrijke tradities. Het heeft literaire connotaties (variërend van de voorstelling van het paradijs tot de mythische jacht op het andere geslacht), het verwijst naar de film (de filmfoto), het verwijst naar de schilderkunst (van het impresionisme tot de objektiverende ‘blur' van iemand als Gerhard Richter en de voyeuristische interesses van Courbet en Duchamp) en het refereert sterk aan de idealistische tradities van de FKK, de Frei Körper Kultur, een beweging die ook talloze fotografen naar de al dan niet zondige nudistenkampen heeft getrokken.

Het verbazingwekkende en knappe van dit werk is, dat Paul Kooiker, de fotograaf, kan volhouden dat hij gewoon ‘onderzoek doet naar de vorm van het menselijke lichaam en het beeld dat dit oplevert', terwijl de kijker zich genoodzaakt ziet om alle hoeken van de ruimte op te zoeken en de niet onaangename rol van voyeur te spelen. Wie jaagt hier op wie?

HUNTING AND FISHING, Paul Kooiker,tot en met 21 febr

Buro Leeuwarden, Turfmarkt 11, Leeuwarden

Pionieren in Noord

Roos van Put

In Den Haag zijn kunstenaarsinitiatieven enkele jaren geleden als paddestoelen uit de grond geschoten. Naast de al wat ‘oudere', zoals Luxus, Quarttair en Maldoror, kwamen er nog enkele bij. Resultaat: een bloeiend alternatief kunstleven naast het galeriecircuit. Sommige initiatieven hebben duidelijk een horzelfunctie; door hun artistieke keuzes is de naam op de kunstkaart gezet. Andere programmeren zonder duidelijk beleid en geven louter ruimte aan kunstenaars om zich aan het publiek te tonen. Variërend van traditionele schilderkunst tot meer experimentele kunstvormen wordt een divers aanbod voorgeschoteld. Vaak blijkt het kunstenaarsinitiatief een broedplaats voor (jong) talent te zijn, want ook de galeriehouder ontdekt daar nieuwe mensen. Kenmerkend zijn de afbraakpanden, zonder verwarming, waar meestal de kunstenaar suppoost is.

Ontmoetingsplek. In Rotterdam Noord hebben vier kunstenaars; Karin de Jong, Ewoud van Rijn, Roos Campman en Erik Campman kunstenaarsinitiatief Room opgezet. Karin de Jong: "Wij hebben Room opgezet vanuit de gedachte iets toe te voegen aan het kunstleven in Rotterdam. En het leek ons gewoon heel erg leuk om zoiets te ondernemen". Ewoud van Rijn vult aan: "Wij willen het bewust kleinschalig aanpakken. En informeel. We zien Room als middel om kunstminnenden, kunstenaars, mensen die zich op een andere manier met kunst bezig houden maar ook geïnteresseerden uit andere sectoren van de samenleving, samen te brengen. We willen een ontmoetingsplek zijn en de beste gesprekken hebben plaats in een informele sfeer". Centrale plaats in Room neemt dan ook een tafel in, die pontificaal voor het raam is geplaatst. De tafel is niet al-leen bedoeld om even koffie aan te drinken met de tentoonstellingsbezoeker maar ook is Room van plan maaltijdavonden te organiseren. Karin de Jong: "In de programmering willen we mensen uitnodigen die over hun specialisatie vertellen. Als je dergelijke gastavonden combineert met een maaltijd ontstaan hele leuke en interessante gesprekken die basis kunnen zijn voor nieuwe ideeën". Room bevindt zich in een voormalig winkelpand in Rotterdam Noord, een locatie waar het niet echt bruist van kunstactiviteiten. Op een steenworp afstand bevindt zich de recent geopende galerie Ron Mandos, maar verder ligt het gebied wat kunst betreft nog braak. Ewoud van Rijn: "Dat zien we niet als probleem, eerder als voordeel. Je trekt hier niet de toevallige bezoeker die in de stad is en die ook nog wat kunst meeneemt. Maar ik denk dat het voor Rotterdam wel goed is dat er in andere delen ook wat gebeurt op kunstgebied. Ron Mandos was erg blij met ons initiatief, misschien gaan we in de toekomst wel samen iets organiseren. Want wij denken naast een eigen programma, breed van opzet en gebaseerd op persoonlijke keuzes en voeling met het werk, ook aan uitwisselingsprojecten, dat kan met galeries maar ook met andere initiatieven in het land".

ROOM, Benthuizerstraat 96, Rotterdam

Openingsexpositie met werk van Hugo Renirie t/m 22 feb, meer informatie: 010 4773880/2651859

Samen waren ze de ‘bad boys’. Jongens met Rolleyflex camera’s losjes over hun schouder gehangen, ongeschoren, een en al onbestudeerde James Dean-achtigheid en verliefd op de fotografie. Maar de een ging dood en de ander moet doorgaan met leven. Met een tentoonstelling bij Fotogalerie 2 1/2 bij 4 1/2 probeert Koos Breukel zijn herinnering aan de onlangs overleden Eric Hamelink in beelden te ordenen. Breukel was gefascineerd door die mooie kop van Hamelink, de vele portretten die hij van hem maakte tasten zijn gezicht, zijn huid en zijn ogen behoedzaam af. En beide waren zij verliefd op hun gezamenlijke leven. Het blijkt uit het zelfportret van hun beider weerspiegeling in de roestvrijstalen koplamp van een stoere motor, de alles behalve timide Eric Hamelink tussen Aart Klein en Paul Huf gekiekt, de foto van een tongzoen met een vriendinnetje. De bezoeker aan de tentoonstelling wordt deelgenoot gemaakt van hun intimiteit, hun branie en hun plezier in de fotografie. En dan, omdat de tentoonstelling chronologisch geordent is, doemt onvermijdelijk de ziekte van Hamelink op. Breukel heeft het proces ervan gedocumenteerd: een chirurg heeft met stippellijnen op een plexiglazen masker het griezelige pad aangegeven dat het mes op zijn hoofd zal volgen, Hamelink glimlacht zuinig vanuit zijn ziekenhuisbed naar de fotograaf terwijl er letterlijk tientallen buisjes op hem aangesloten zijn. Maar het meest verontrustend zijn de foto’s waaruit de ravage blijkt die de Prednison in het lichaam van Hamelink aanricht. Het lichaam van een jonge mooie man verandert voor onze ogen in dat van een opgeblazen pad. En het ergste is nog dat alleen hij verandert, verder niets. Zijn vriendin, die al in de vroegere foto’s figureerde, blijft even mooi en slank, het stel raakt uit verhouding. Hun gezamenlijke hondje blijft even klein en puppyachtig en ook aan Koos Breukel zelf, wanneer hij in de foto’s voorkomt, zien wij dat zich dit alles in een beangstigend kort tijdsbestek heeft afgespeeld. Breukel blijft dicht bij zijn vriend en blijft hem fotograferen. Op een foto van het inrichten van Hamelinks laatste tentoonstelling zien wij hem, te dik en zwak om nog te lopen, in een rolstoel zitten. De laatste foto van de tentoonstelling laat de hand van Hamelink zien die op zijn buik rust. De opzichtige ring die hij aan zijn pink droeg is afgedaan en heeft een diepe voor achtergelaten. Met deze expositie stort Koos Breukel zijn hart uit en de ongekunstelde manier waarop dit gebeurt laat de kijker zijn verdriet voelen.

Wat deze tentoonstelling onbedoeld ook laat zien is de wijze waarop Breukel door de jaren heen steeds meer zijn eigen stijl in de fotografie ontwikkeld. De aanvankelijk brave portretten voor schoolopdrachten veranderen in krachtige beelden waarin zwart-wit, techniek en detail bewuste keuzes worden. Zijn beelden worden soberder doordat hij de zeggingskracht van een portret niet in de omgeving zoekt, maar juist in de concentratie op de huid, de details, de buitenkant van een gezicht. Moderne discussies omtrent de problematiek van het portret laat hij aan zich voorbij gaan en hij blijft aan zwartwitfotografie vasthouden. De optelsom van de vele verschillende portretten in de expositie bevestigen zijn opvattingen. Met elkaar vertellen de beelden een meeslepend verhaal, en versterken zij elkaar ook onderling. Verschillende formaten afdrukken zijn met push pins op de muur geprikt: niet de vorm telt, maar de zeggingskracht.

Tegelijkertijd heeft Koos Breukel een tentoonstelling bij Galerie Serieuze Zaken waarbij hij de presentatie van zijn beelden geheel anders heeft aangepakt. Hij laat de principes van het ‘beeldverhaal’ los en kiest een aantal portretten die hij tot museale maten uitvergroot. Hier komt elk beeld op zichzelf te staan, moet elk beeld zijn zeggingskracht alleen bewijzen. Onmiddelijk voel je de kracht uit de beelden wegvloeien. De intimiteit waarmee hij zijn onderwerp benadert leent zich niet voor deze pretentieuze aanpak. Wanneer hij een jong meisje in een glitterjurkje ten voeten uit fotografeert, dan is dat niet met de wetenschappelijke blik van Thomas Struth of de onthullende kijk van Rineke Dijkstra, die beiden het best tot hun recht komen op groot formaat. Breukel kijkt eerder verliefd, welwillend of zelfs bezorgd. Deze blik op de mensheid is meer gedient met een intiemere presentatie. Bij Serieuze Zaken toont hij tevens drie portretten van Eric Hamelink. De foto’s tonen hem respectievelijk gezond, na de operatie en tegen het einde van zijn leven. Nu zijn de beelden in keurige lijsten gevat en hangen op de strenge witte muur van deze galerie. Alhoewel de veranderingen in het gezicht van Hamelink nog even dramatisch overkomen, is er van de intense betrokkenheid die er tussen Hamelink en Breukel heeft bestaan niets meer te bespeuren.

KOOS BREUKEL, THOUGHTLESS KIND, FOTOGRAFISCHE FUNDAMENTEN VOOR DE HERINNERING AAN ERIC HAMELINK

Fotogalerie 2 1/2 bij 4 1/2 t/m 30

Zware Zakken/ Luchtig Beladen

Vinken en Van Kampen

De mens is een zak: een buitenkant waarvan de inhoud zich laat raden. Een zak met gaten waar dingen ingaan en weer uitkomen. Het is een wat eenvoudige definitie, een nogal extreme reductie die weinig recht doet aan alle intellectuele en emotionele processen die zich in de mens voltrekken. Maar je kunt het zo bekijken en dat is wat Serge Onnen doet in de tekeningen die te zien zijn in de Bloom Gallery in Amsterdam.

Het onderwerp dat Onnen hier aansnijdt neigt naar het banale. Maar waar menig ander kunstenaar de toeschouwer om de oren zou slaan met beelden van de in- en uitgangen van het menselijk lichaam is Onnens aanpak subtieler. Hij verwijst naar lichamelijke processen en behoeftes zonder ze expliciet te laten zien. Zijn rode penseeltekeningen hebben een luchtige toon en ze hebben iets persoonlijks – waarschijnlijk juist omdat het tekeningen zijn. In Human Camera (1998) zien we een geknielde figuur, van top tot teen gehuld in een gebloemde hoes. Hij zwaait zijn rechterhand voor een rond gat bij zijn gezicht heen en weer. Ergens bij zijn navel, of misschien wel nog wat lager, is een ander gat waar een cameralens uitsteekt. De linkerhand is de lens aan het scherpstellen.

Op zijn borst staat: ‘Look & Go’, op zij knieën ‘Baise ma Camera’ (frans voor ‘kus mijn camera’). Deze tekening is een goed voorbeeld van de bizarre beelden die het thema Zware Zakken soms oplevert. Een andere tekening, All-inn (1998), laat eenzelfde ingepakte figuur kromgebogen in zichzelf graaien. Uit de opening in zijn hoes haalt hij darmen die op zijn buik woorden vormen: ‘Excesses’ en ‘All You Can Eat’.

Ondanks de enorme zakken waar de figuren van Onnen geheel of gedeeltelijk in gehuld zijn is er heel wat af te lezen over hun innerlijke toestand. Met gebaren, houdingen en teksten geeft hij aan wat er in hen omgaat: honger en lust, verlangen naar een ander en gevoelens van spijt. Ieder mens is een omhulsel van gedachten en chemische processen en wat Onnen eigenlijk doet is dat omhulsel binnenstebuiten draaien. Maar wat jammer is is dat hij weinig vertelt over de context van die gevoelens. Als een mens op een tekening schuil gaat in een hansop met daarin verweven de woorden ‘excusez moi’ en ‘sorry het zal niet meer gebeuren’ dan weet je dat het draait om spijt. De reden voor dit berouw – heeft deze figuur zijn laatste oortje versnoept? – of het verhaal waarmee zijn emotie specifieker en dus ook menselijker zou worden blijft achterwege.

Met het omdraaien van ‘de buitenkant’ kun je wel de binnenkant laten zien, maar dit maakt niet noodzakelijk iets duidelijk over de inhoud. De voering van een jas zegt tenslotte weinig over de persoon die hem draagt. De kracht van deze tentoonstelling, die nog tot 20 februari is te zien, is net als die van de begeleidende publicatie Zware Zakken gelegen in de bizarre beelden en in het feit dat alle tekeningen onmiskenbaar over hetzelfde gaan. Maar juist omdat Onnens werken zo duidelijk een geheel vormen is het ontbreken van een verhaal een gemis. De mens is weliswaar een zak met gaten, maar voedsel en lust zijn niet de enige verlangens die gestild moeten worden.

SERGE ONNEN, 16/1 t/m 20/2 1999

Bloom Gallery, Bloemstraat 150, Amsterdam, T 020 6388810, geopend di t/m za van 13.00 – 18.00 uur en 1e zondag van de maand van 14.00

Seet Van Hout werkt, zoals zij zelf zegt, ‘heel intuïtief’. Enerzijds legt zij zichzelf tijdens het schilderen regels op en anderszijds mag weer van alles. Echter, het hanteren van een kwast is absoluut uit den boze. Daarentegen gebruikt zij net zo gemakkelijk de brandslang als trekker en vloerwisser. Bovendien werkt Van Hout op de grond: de verf wordt van bovenaf op doek aangebracht, vervolgens gaat zij aan het werk met de materie, die zij bijvoorbeeld een weg laat vinden door het doek te kantelen, om daarna aan de slag te gaan met diverse gereedschappen die in het dagelijks leven een andere functie hebben dan waarvoor Van Hout ze gebruikt.

Wanneer je op de hoogte bent van haar werkwijze, verwacht je een hoop geklieder met verf, waar enige ordening ver te zoeken is. Niets is echter minder waar. De balans in de werken is uitgekiend en de ‘minder esthetische’ delen die de achterliggende delen gedeeltelijk overlappen en die als gevolg van de ondefineerbare -en soms ook smerige- kleur even de aandacht afleiden, zetten de beschouwer juist aan het denken en geven het werk ziel. De nieuwe schilderijen van Seet van Hout (41), die nu te zien zijn bij galerie Nouvelles Images in Den Haag, lijken een pleidooi te zijn voor de krachten van de natuur. In dit werk ontvouwt zich voor het oog een fabelachtige wereld, die nog geen menselijke beschaving kent, waar een heftige storm net zo gemakkelijk voorkomt naast een lieflijk doorkijkje. Het is echter niet haar bedoeling geweest om abstracte schilderijen te maken die het landschap tot onderwerp hebben. De associatie ontstond vanzelf toen ze af waren.

In deze nieuwe serie schilderijen die zij ‘Voor CDF’ noemt, verwijst Van Hout naar Caspar David Friedrich (1774-1840). Een kunstenaar, behorend tot de Romantiek, die een nieuw soort landschapsschildering onder de aandacht bracht. Hierbij was het -deels verzonnnen en deels uit de herinnering opgediepte- landschap symbool voor menselijke gevoelens. Terwijl Van Hout werkte aan deze doeken, die overigens ook in de voormalige DDR in de geboorteplaats van Caspar David Friedrich (Greifswald) worden geëxposeerd, ontstond de relatie met het landschap. De werken die zij heeft gecreeerd zijn speciaal gemaakt voor die plek in Duitsland. Samen met de andere exposanten, Uwe Poth en Mari Boeyen, wilde zij voor die plaats met die historie, nieuw werk maken. Dat het uiteindelijk landschappelijke associaties oproept, is intuïtief tot stand gekomen.

Als je de doeken van Seet van Hout bekijkt, vraag je je af ‘is het een bos’ en ‘is het een stukje zee’? Maar in feite is het niet noodzakelijk de verschillende onderdelen te benoemen, want de door natuurkrachten geteisterde onderdelen, de romantische doorkijkjes en de zware, gesloten vlakken op de voorgrond die de suggestie van massa geven, laten eigenlijk vanzelf associaties ontstaan met een woest, ruig en idyllisch universum. Dat, weliswaar op het platte vlak, toch de illusie van een natuurlijk landschap geeft compleet met diepte, licht, exploderende krachten, ondoordringbare gewassen en wijdsheid.

SEET VAN HOUT, RECENTE SCHILDERIJEN

Galerie Nouvelles Images, Westeinde 22, Den Haag

Vaak moet ik (sinds ik kunstenaar ben) aan mijn eerste dansles denken. Vol verwachting zaten wij meisjes elkaar op te jutten tot de ultieme staat van afwachting. Eerst hadden we elkaar afgetroefd in de voorruimte bij het toilet. Elkaar mascara geleend en oogschaduw opgedaan. De winnende meisjes liepen daarna triomfantelijk de zaal binnen. Zij waren niet de mooisten maar wisten wel kostbaar te kijken. Sommige meisjes hadden doordeweeks al voor de zekerheid contact gelegd met de jongens aan de overkant. Zij zaten zelfverzekerd voor zich uit te kijken. Ik kende ze niet, want het was in een vreemd dorp. In ons dorp was er geen dansles. Dus moest ik het hebben van het feit dat ik anders was. Daar werk je dan aan als vijftien jarige. Alles werd ingezet om eerder gekozen te worden dan de rivalen. Alhoewel dit spel op dat moment nieuw voor mij was en de meeste rivalen een stukje ouder waren, deed ik dapper mee. Zoals zoveel dingen die op mijn pad komen, was het avontuur om het spel te leren kennen een grotere drijfveer dan hetgeen er uiteindelijk te winnen viel. Ik had eerlijk gezegd geen idee wat de beloning was van dit zitten op de bank. Gelukkig werd ik niet als allerlaatste gevraagd en bleek het ook nog een redelijk belangrijke jongen te zijn in dat dorp, want de andere meisjes waren opgewonden toen hij in mijn richting kwam. Wij gingen dansen, hij stonk naar de boerderij (sorry Friesland) en was erg onhandig met de foxtrot pasjes. Ik had geen aanleg om te volgen en probeerde optimistisch te kijken. Terug op de bank kreeg ik bemoedigende en knikkende glimlachen van mijn rivalen. Er volgden nog enkele aanzoeken om te dansen en de opluchting was groot toen de les voorbij was. Terug in de voorruimte van het toilet werd er druk gekwebbeld. Er werd tevens voor mij vastgesteld wie mij het leukste vond en waar ik van af moest blijven. Een beetje apathisch geworden van deze avond wist ik één ding zeker: ik ga nooit meer op de bank zitten wachten tot ik gevraagd wordt.

Het idee dat deze dansles na de proefles definitief zou beginnen was een schrikbeeld. Ik was in een nivellerend ritueel beland waarin alle energie werd opgeslokt door het zitten op de bank, het aftroeven en het afwachten. Het dansen was natuurlijk een grote teleurstelling, maar het was een belangrijk onderdeel van dit ritueel dat je dat niet mocht zeggen.

Wachten tot je gevraagd wordt en jezelf oppoetsen in de voorruimte van het toilet is een beeld dat vaak op-duikt in de kunst. De voorbereidingen voor de eindexamententoonstelling, de open dagen van de Jan van Eyckakademie, de opening van de Prix de Rome: daar begon het voor mij allemaal mee. Nu gaat het door, ook buiten het bekende kunstdorp. Gelukkig kan ik mezelf daarbij telkens weer corrigeren met de herinnering aan die eerste dansles. Ik had me immers voorgenomen nooit meer mijn energie te verspillen aan dit soort rituelen. In plaats van te wachten tot ik gevraagd wordt, ga ik dansen, me verdiepen in wat ik echt wil of iets (leuks) doen op de bank.

Iets (leuks) doen op de bank. Dit aanbod kreeg ik letterlijk enkele weken geleden (via Dinsdaggedichtdag van het duo Engelen & Engelen) van de Amsterdamse kunstenaar Semna van Ooy in het kader van haar kunstwerk WACHTEN OP DE BOOT ……. ZULLEN WE, dat voor de tentoonstelling Archipel -kunsteilanden in het Nieuwe Meer- bij de aanlegsteiger van het veerpontje naar het Amsterdamse bos was geplaatst. De tentoonstelling was georganiseerd ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van Nieuw en Meer, een atelierdorp tussen Schiphol en Amsterdam. Dinsdaggedichtdag op de bank van Semna van Ooy was onderdeel van het nevenprogramma. Kunt u het nog volgen? Laat ik ook nog even vermelden dat het stadsdeel Slotervaart-Overtoomseveld het kunstwerk heeft aangekocht als permanent beeld. Via via zat ik dus uiteindelijk op een twintig meter lange bank die samen met een stadsklok op een paal het kunstwerk vormt. De bank is zodanig opgesteld dat je de boot ziet aankomen. De veerboot vaart helaas alleen in het weekend. Ik heb daar – op dinsdag 18 augustus van twee tot vijf uur- Friese gedichten aan de passanten voorgedragen. Engelen & Engelen wisten al een tijdlang dat ik (voordat ik op dansles zat) aan het declameren van Friese gedichten had gedaan. Flarden van die gedichten zitten nog steeds in mijn hoofd.

Dinsdaggedichtdag leek hun een goede gelegenheid om enkele gedichten opnieuw helemaal uit het hoofd te leren en op een dinsdag ergens buiten voor te dragen. De bank van Semna van Ooy aan de rand van Het Nieuwe Meer bleek een goede plek.

HJERST en MIMICRY zijn twee gedichten over landschap en opkomende verstedelijking.

Passanten wachten tevergeefs op de boot, zitten op de bank, kijken naar de laaghangende vliegtuigen, rusten uit van een fietstocht, eten een boterham, kijken naar de zwemmende kinderen en luisteren intussen naar Friese gedichten, alles smelt samen op die bank. Er komen verhalen los en zelfgemaakte gedichten worden liefdevol voorgedragen. Het niet kunnen verstaan van mijn gedichten blijkt een uitnodiging te zijn om over het eigen universum te vertellen. Als je geconcentreerde aandacht geeft op de plaats waar je verblijft, dan blijkt wachten juist een waardevolle ontmoeting te worden. Zo’n moment markeert dan de tijd die bedoeld was om op te lossen. Even alles vergeten, de ontsnapping aan het dagelijks leven, dat kan iedereen overal tussen door plannen. (Ook al willen de reisbureaus u het tegendeel bewijzen). Soms moet je een gewoon moment uit het dagelijks leven even markeren om het poëtisch door te laten sijpelen in de rest van het leven. Kunst kan dat doen. Kunst zit vol leven.

Everybody hates waiting

Tim Hutchinson

It ís one of those things that we are just never going to figure out how to do. We hate it because it reminds us of all the things we haven’t done, and can’t do, and don’t want to do and can’t in a million years ever imagine getting done anyway. As you wait and the moments drag on you slowly sink into worry about everything in the world that you have no control over. Basically waiting is the only thing in our lives that we have no control over; because whatever it is we are waiting for is in control.

De Vaalserberg has just moved the office into the gallery. Hatty Lee is a good choice to signify this move because she has a thing about offices. Especially that uncomfortable corporate language of plastic chairs that makes your back sweat and horrible coloured carpet that almost induces nausea as you wait for the doctor to tell you bad things about your stomach.

Everyone has bad things happen in their lives. Hatty had a car crash once and another time she got ill. For a while she got panic attacks. These were anxious times, they were special times; they changed her. Once she told me that having a panic attack makes you feel kind of floaty, like you are going to take off. Like every thing is out of control.

Hatty Lee has turned the gallery into an exaggerated waiting room. She has made a circle of her anxiety about this exhibition, bringing her fears to the surface in a super real environment. The seats in her waiting room have belts on them, like the ones on planes. When fastened you wonder if they will really be any good at saving your life because they are so small and so insignificant and nowhere near as fancy looking as the ones the stewards and the pilots get. But you do them up anyway, because they stop you floating away with panic. They help you to be rational about your fears and stop that rush of anxiety from spinning out of control.

Then suddenly the waiting is over. Your name is called out, the plane takes off, the bus comes, the interview starts; the exhibition opens, the doctor beckons you with his biro. Then what………?

Half augustus staat de Vaalserberg er nog gehavend bij: de muren zijn gestut & de kantoorinventaris zit achter plastic. Zijn we op tijd klaar voor de opening van Hatty Lee’s OFFICE?

Witte de Withstraat 44 – 1 hoog, Rotterdam, open donderdag t/m zondag van 13.00 – 17.00 uur, opening op zondag 13 september vanaf 16.00 uur

Tunnelvision

Nathalie Houtermans

De Maastunnel is ondanks dat zij deel uitmaakt van de stedelijke publieke ruimte in haar geslotenheid tevens een besloten, bijna ‘intieme’ ruimte. De gespannen verhouding tussen pu-bliek en privé plaatst passanten in een situatie van alertheid. De werken die in het kader van TunnelVision worden gepresenteerd refereren aan deze spanning tussen publiek en privé: ze verwijzen veelal naar imaginaire ruimtes, maar laten tevens het leven buiten de tunnel ‘doorsijpelen’.

Door de voortdurende inbreuk van het dagelijkse leven op deze imaginaire ruimtes worden ze nooit eenduidig: het zijn nooit afgeronde verhalen waarin de recipiënt volkomen wordt opgenomen. Zo presenteert Imogen Stidworthy het werk PAUSE ‘I don’t know if I can do anything…’.’Maybe you can remember something?’. ‘No, absolutely nothing’. Tijdens een radiouitzending worden passages uit Jules Verne’s ‘Naar het middelpunt van de aarde’ voorgelezen vanuit een taxi. De geluiden van de taxi en de rest van de buitenwereld veroorzaken verstoringen in de fantastische wereld van Verne. Deze worden nog eens versterkt door de verteller, die de taal niet volledig machtig is.

De breuken, de pauzes die hierdoor in het verhaal ontstaan brengen ons voortdurend terug in het dagelijkse leven, de eigen fysieke staat. De denkbeeldige verplaatsing wordt doorbroken: de tunnel die als decor diende voor een exploratie naar het middelpunt van de aarde blijkt niets anders dan de Maastunnel in Rotterdam… het licht van de buitenwereld breekt door en toch… eenmaal weer opgenomen in de beweging van het verhaal ontvouwt zich een ander perspectief. Bea de Visser maakt de recipiënt tot participant, door in haar werk Random Journals te focussen op dagelijkse handelingen die deel uitmaken van de wijze waarop indi-viduen zich handhaven in een groep. Automatismen worden hierdoor tijdelijk bewuste verrichtingen met een scala aan associaties. In deze korte momenten wordt de tunnel meer dan een doorgangsroute: het wordt een ruimte waar architectuur, lucht, geluid, adem, een hele gedachtenwereld kunnen oproepen. Ook Maryanne Amacher en Ver Licht transformeren op deze wijze de ruimte: door hun geluidspresentaties worden de reizigers door de tunnel enerzijds opgenomen in een ervaring van een veranderde ruimte, anderzijds – versterkt doordat er geen architectonische ingrepen worden gepleegd: hoe kan deze verandering ontstaan?- wordt men zich bewuster van de omgeving van deze openbare weg. Stefanie Zoche en Coenen & Bosma ontwikkelen in materieel opzicht de meest tastbare werken. Maar ook deze werken verwijzen naar ‘andere werelden’: de droomtoestand en de virtuele omgeving van een computergame.

Stefanie Zoche fotografeerde slapende Rotterdammers voor haar werk Sleeper. Door deze foto’s op de roltrappen van de Maastunnel aan te brengen, bevinden reizigers zich in het domein van deze slapenden. Coenen & Bosma presenteren een in glasmozaïek versteende versie van een jonge vrouw die zich normaliter beweegt in een virtuele wereld. Een tunnelvisie is een vernauwing van het blikveld. En alleen kunnen zien wat aan het einde ervan als focuspunt opdoemt. Datgene niet willen of kunnen zien dat die gerichtheid zou kunnen verstoren, of wanneer we deze meta-foor toepassen op het denken, in zijn doelgerichtheid het andere buitensluiten.

TunnelVision houdt zich bezig met dit gebied van het andere, deze niet te benoemen parallelle werelden, dit on-verlichte gedeelte. TunnelVision richt de blik niet op het licht aan het einde van de tunnel, maar naar binnen. We zullen zien of liever ervaren wat zich daar allemaal kan afspelen.

TUNNELVISION, t/m 19 september 1998

Maastunnel (voetgangers- en fietsersgedeelte), Rotterdam