Als de vraagstelling van een curatorproject al niet deugt, kan dat dan nog interessante gezichtspunten opleveren, laat staan boeiende ‘beelden’? Ik ben geneigd te zeggen: neen. Aangezien 3PLEX zich over drie maanden uitstrekt, blijft het afwachten en kan onder andere via de webcam het een en ander gevolgd worden.

Het vreemde van 3PLEX begint met een drietal uitgangspunten, waarvan twee geënt zijn op informatietechnologie. Daarbij worden twijfelachtige beweringen gedaan zoals: de overvloed aan informatie smoort de creativiteit. Een beperkt blikveld kan leiden tot een dergelijke conclusie. Er is veel gaande binnen en buiten de kunstwereld dat onlosmakelijk is verbonden met de razendsnelle ontwikkelingen op technologisch terrein, maar om nu te spreken van ‘een impasse’… Kunstenaars (de betere) weten uit die ontwikkelingen prima de technieken en de informatie te kiezen die ze nodig hebben om tot goed werk te komen. Dan wordt gesteld dat interdisciplinair werken in een team leidt tot extra creativiteit en (ver)nieuwe(nde) inzichten. Binnen de psychologie is al onderzocht en vastgesteld dat het verschijnsel ‘brainstormen’ – als je het daarmee mag vergelijken – weinig bruikbaars oplevert. Binnen dat soort groepsprocessen blijkt dat de som der delen meestal een slap aftreksel is van individuele uitgangspunten. En tenslotte zou de evolutie van open source en de mogelijkheid voor een ieder om hier op voort te bouwen, leiden tot groei en verbetering van de informatie. Ook een zeer aanvechtbare bewering.

Om deze zaken aan de orde te stellen worden in drie deeltentoonstellingen telkens een architect, een beeldend kunstenaar en een designer gevraagd een bar/café te bouwen. Daarbij is het pakket bouwmaterialen en het gereedschap voor ieder hetzelfde, er mag maximaal tien dagen gebouwd worden en al het materiaal moet binnen de ruimte blijven. De tweede ronde: zelfde verhaal met dien verstande dat de al bestaande bouwwerken weliswaar gesloopt mogen worden, maar het materiaal niet verwijderd. Met die beperkingen (deelnemers mogen niks zelf inbrengen) verwacht 3PLEX zicht te krijgen op overeenkomsten en verschillen tussen de disciplines en hun creativiteit. Na drie van deze deeltentoonstellingen is het toepassen van de open sourcegedachte (het letterlijk voortbouwen op of aan eerder gebouwde bars/café’s) zichtbaar en is het natuurlijk de vraag waar deze evolutie uiteindelijk toe geleid heeft.

Volgens de organisatie had de bar net zo goed een badkamer of een keuken kunnen zijn. Dat maakt dit project helemaal willekeurig, terwijl een bar als metafoor voor de informatietechnologie enige logica in zich zou kunnen dragen. Immers, open source, informatie die binnenkomt, uitwisseling van ideeën et cetera.

De strikte projectregels leidden bij de eerste ronde al tot het te verwachten resultaat: geen tot de verbeelding sprekende aanpak van het verschijnsel bar/café. Hooguit de bijdrage van architect Theo Deutinger – nagenoeg alle bouwmaterialen (variërend van een tweedehands radiator tot gloeilampen) zijn verzaagd en verstopt in een rechthoekig blok van gasbeton – heeft tot een radicale keuze geleid. Bijna een daad van verzet tegen een systeem dat beperkingen oplegt. Een systeem dat beperkingen oplegt, smoort immers de creativiteit. Dat is nu al te zien bij de bijdragen van vormgever Joost Alferink en beeldend kunstenaar Sucham Kinoshita. De evolutionaire ontwikkeling van 3PLEX eindigt naar mijn verwachting in drie rommelhokken en dat zou nog wel eens een interessant beeld kunnen opleveren: het failliet van een systeem waar geconditioneerde creativiteit ten dienste staat van de(gene) organisatie die de spelregels bepaalt. Een bevrijdende gedachte. Het is echter de vraag of je als deelnemer, zelfs met een honorarium van totaal t1.500,- ex. BTW, moet willen collaboreren met een dergelijke totalitaire aanpak. Die vraag lijkt me wezenlijker en belangrijker dan de vragen die 3PLEX opwerpt.

3PLEX, t/m 27 november 2005

NP3/GRAS, Hofstraat 21, Groningen

James Beckett

Vinken en Van Kampen, Marie Snauwaert

Geluid is een middel waarmee de wereld zich laat kennen. Vandaar dat James Beckett het gebruikt om zijn werk mee te maken. Maar daarom wil hij nog geen geluidskunstenaar genoemd worden, zoals vaak gebeurt als gevolg van enkele van zijn succesvolle projecten. Geluid is voor hem een portaal, een ingrediënt, een kiem van verhalen en een handvat voor de overdracht van geschiedenissen. Maar andere menselijke communicatiemiddelen en -vormen zijn voor hem ook belangrijk. Biografieën, theorieën, archieven, objecten, foto’s en video’s, Beckett vertelt met álles wat beschikbaar is over de wereld: over mensen en de dingen, hun geboorte en bestaan, hun verdwijnen en vóórtbestaan. Hij vindt de status van geluid in onze tijd exemplarisch en het is dan ook, meer dan een medium, ook ‘onderwerp’. Geluid is alom, maar steeds weer vervlogen. Het representeert daarmee de reliateitin- flux op een manier waardoor Beckett er vooral van gecharmeerd is. Dit vertaalt zich in een jongensachtige fascinatie en een ongerept soort onderzoekende methode. Als de wetenschap zich bezighoudt met al dat waar de wereld van gemaakt is, dan is geluid nog een terra incognita. Hij haalt graag de epische tijden van grote uitvindingen terug naar de onze, met haar eigen wedloop van vernieuwing. De nieuwsgierigheid, het buitenissige, systeembouwende, kortom: de creativiteit verbindt een kunstenaar als Beckett met de vroegwetenschappelijke uitvinders – óók pioniers tegen de keer.

Hij graaft naar de wortels van objecten en begrippen en bevrijdt daaruit de poëzie. Hij vraagt aandacht voor de bron van wat ons materieel in de schoot geworpen is, voor de liefde en verwondering en vooral voor de daadkracht van het vrije denken. Tussen de regels werkend is hij eigenwijs in deze op rendement georiënteerde tijd. Hij geniet van ‘toeval’, ‘geluk’ of ‘tragiek’ en verbaast zich over het gevolg, is tongue in cheeck behept met absurdisme en meewarig over stommiteiten uit winstbejag. Hij schudt het hoofd over verval en vergetelheid als lot, maar doet dat nog meer over de mensen die de onafwendbaarheid daarvan niet zien. Zelf gaat hij door en door als een goudzoeker, romantisch gelovend dat een kern van de zaak kan opduiken uit de chaos van de beleving van de wereld.

Een voorbeeld is ‘a history in sound of the man to first synthesize a colour’, Perkin to BASF (2005). Een multimediaal project waarvan je op zijn website een goede indruk kunt krijgen. Perkin was een Britse chemicus die in 1856 mauveïne, de eerste synthetische kleurstof, wist te maken. De chemische wetenschap was zich, net als heel wat andere disciplines, nog aan het ontworstelen aan een kabbalistisch en occult imago. De focus lag dan weliswaar niet meer op de steen der wijzen, maar die mentaliteit en andere geloofszaken waren nog wel van belang voor de drijfveer om in een reageerbuis de wereld opnieuw samen te willen stellen. Tegelijk was Europa in de greep van de industrialisatie en de uitvinding van Perkin was aanleiding voor grote opwinding toen de toepasbaarheid in de textielindustrie duidelijk werd. Beckett vertelt de geschiedenis van Perkin en zijn uitvinding in droge feitelijke bewoordingen, geïllustreerd en gelardeerd met encyclopedische feiten en weetjes. Het gaat over de oude tradities en drijfveren om stoffen te kleuren, maar ook over wereldtentoonstellingen en toepassingen in de chemische industrie en de medische wetenschap.

Beckett componeert met informatie. Je leest: ‘The patent for the synthesis was filed a day before Perkin by the German chemical company BASF, under suspicious and frustrating circumstances’. Maar vervolgens kom je niet veel meer te weten over die verdenkingen en frustraties. Wel dat Perkin rijk werd van zijn uitvindingen, dat Groot-Brittannië zich hals over kop in de chemische industrie stortte, dat het land verkleurde van de vervuilingen en Duitsland al vóór de eerste wereldoorlog werelddominantie in de synthetische kleurverven wist te verkrijgen. De crux van het werk bestaat uit vijf BASF-cassettebandjes met geluiden die Beckett opnam op enkele locaties die in het leven van Perkin een belangrijke rol speelden. Het ziekenhuis waar hij werd geboren, zijn school, zijn eerste fabriek, de pub waar hij altijd lunch had en zijn graf. Echo’s van nu klinken (als mp3’s op de site) en maken gezamenlijk met de tekst en de beelden een palet om een gebeurtenis die de wereld veranderde in onze verbeelding te brengen. Het doet een leven verschijnen en wekt daarmee een gevoel van presence van een historisch feit.

Op de website werkt dit al, maar Beckett kiest er liever voor om Perkin to BASF in een ruimte te tonen. De cassettes zijn temidden van informatieborden en vitrines dan weer objecten. Ze dragen gegevens op een magneetband verpakt in hard plastic met het logo van de Duitse chemiegigant. Beckett maakt vaak werk dat de expositie of het museale als installatievorm gebruikt. Tijdens zijn verblijf aan de Rijksacademie leefde (werkte) hij temidden van een uitstalling van ‘dingen’ die op de een of andere wijze van hun levenloze staat of eenduidige functionaliteit ontdaan leken. Lege parfumflessen rommelden door de ruimte, een boekenplank was onbereikbaar hoog aan de wand geschroefd, een wasbak kantelde plots en uit vele luidsprekers her en der verspreid klonken geluiden die de dingen maken. Je kon de puls horen van een oude lamp die al lang geen licht meer uit kon zenden, maar dús nog wel een zoem van leven voortbrengt als je hem aansluit op elektriciteit.

In 2003 won Beckett de Prix de Rome voor ‘kunst en de openbare ruimte’ met A Partial Museum of Noise. In een opstelling volgens de beste traditie gebaseerd op ervaren plus informeren (om te ‘verheffen’, zoals dat in de negentiende eeuw zonder veel omhaal werd genoemd), toonde Beckett allerlei voorbeelden van onze omgang met geluid. Een rode draad is de historische neiging om geluid te reduceren. Om de bewustwording daarvan te versterken toont hij flagrante uitzonderingen zoals zeer irritante Chinezen in Peking die live en luid versterkt door megafonen op straat over ‘dingen’ allerlei reclameboodschappen gillen (in zekere zin een analogie van zijn eigen bovengenoemde luidsprekeropstelling). Hij toont dat het om niet collectief gek te worden wel terecht en noodzakelijk is om geluid in de openbare ruimte te beheren. Langs de wegen staan geluidsschermen, er is dubbel glas, slimme bestrating en regelgeving voor ‘industrial noise control’. Het werk oordeelt daar niet over, het gaat ook over het psychisch effect van wat je bewust of onbewust hoort, maar het toont wél de offers die de dingen worden opgelegd. Door het wegdrukken van geluiden die zij zouden kúnnen maken, verdwijnen ook de klanken die zij vanaf de tijd van hun ontstaan in zich hebben. Verdwijnt hun geroep om status als innovatie, hun tevreden gespin bij gesmeerd gebruik en hun gerammel en gevloek tijdens het verval. Geluiden die hebben geklonken zijn nu verwaaid, maar de golf van deeltjes heeft mensen bewogen, het zet zich zo voort want de loop der dingen werd er door veranderd. Het beheren en controleren van geluiden is dan ook een machtsinstrument, we bepalen er onze geschiedenis mee.

Beckett maakte een tentoonstelling die het verlangen wekt je oor tegen objecten te drukken om het leven in de dingen te horen. In de stad, onder achtelozen temidden van al het gebrom en geroezemoes, hielp hij de welwillendheid om dat te doen een handje. In een supermarkt nam hij het geluid op van een koelvitrine. Wanneer een koper daar iets uit wilde nemen, doorbrak deze met de hand een straal waardoor het geluid van de vitrine plots versterkt weerklonk. Net zo deed hij ingrepen in een parkeergarage, bij een verkoopautomaat, een knipperende tl-buis en een koelkast in een bedrijfskantine. Met een verborgen camera registreerde hij de reacties of het ontbreken daarvan. Sommigen waren geïrriteerd of bezorgd in ‘a moment of vulnerability in the day to day experiences of a modern world’, anderen namen de verandering als gewoon deel van de onderdompeling in de geluidenbrij die de dingen om ons heen voortbrengen.

Het is voor ons niet gewoon dat we klanken kunnen ‘lezen’ of herkennen als boodschappers of betekenisdragers, soms lukt dat enigszins en dan via een emotie of een gevoel bij muziek, wat we nóg steeds moeizaam kunnen benoemen. Zoals Roland Barthes zich van woorden, de literatuur en de semiotiek bediende om de taal van liefde of vormgeving te ontrafelen, zo werkt Beckett met geluiden, klanken en tonen. Momenteel maakt hij vaak met N-Collective beeld-, geluids- en muziekimprovisaties. Zij vormen een internationale groep onderzoekende beeldend kunstenaars en musici. Hij wil programmatuur schrijven, machines ontwerpen en bouwen zodat geluiden nog letterlijker kunnen worden bevrijd uit de dingen. Een fascinatie en onderzoeksgebied is nu de representatie van de natuur door mensen. Met name de systematiek die de basis is van die representatie, zoals te zien is in landkaarten, én de historische verandering daarin. Tijdens ADAM (een grootschalige tentoonstelling georganiseerd door SMART Project Space ‘questioning ideas about where we live and how we live’) is tot 16 oktober Map to Sine (2005) te zien. Een geprogrammeerde scanner beweegt heen en weer langs kaarten van rivierdelta’s en havengebieden en vertaalt dit in geluid. Het is hoorbaar (en in een grafische vertaling zichtbaar) dat de natuur grillig en chaotisch is, dat dat door mensen in de loop der tijden op verschillende wijze verbeeld is en ook daadwerkelijk ‘aangepakt’ door de aanleg van kanalen en kaden. Interessant voor Beckett, maar ook nieuw en nog een hete aardappel is het weerbarstige opduiken van schoonheid vanonder de deken van systematische representatie, als blijkt dat de natuur toch gaat strooien met onverwachte samenklanken, harmonieën en mooie dissonanten.

James Beckett (1977) werd geboren in Zimbabwe, groeide op in Pietermaritzburg en Durban in Zuid-Afrika, trok als kunstenaar naar Berlijn en vervolgens in 2001 naar Amsterdam toen hij werd toegelaten op de Rijksacademie. In 2003 won hij de Prix de Rome. Bijna al het werk van James Beckett is te zien op www.jamesbeckett.tk, overige informatie op: www.n-collective.com, www.adamsterdam.net en www.prixderome.nl. Het werk over Perkin is te horen (en te downloaden) op www.radiodays.org.

Geïnteresseerde Tubelight-lezers kunnen bij James Beckett gratis zijn cd Tubes krijgen via jamesbeckett73@gmail.com.

De Utrechtse wijk Leidsche Rijn is één van de grootste nieuwbouwprojecten in Europa. In 2015 moeten er 80.000 mensen wonen. Waar in het hart van de wijk het bruisende centrum zal verrijzen, ligt vooralsnog een landelijke oase van weidegrond, bomen en boerderijgebouwen. Het ‘meerjarige kunstproject voor Leidsche Rijn’ BEYOND heeft op deze idyllische maar gedoemde locatie een kunstmanifestatie georganiseerd waarin gereflecteerd wordt op dit soort ontwikkeling van nieuwe stedelijke omgevingen. Eerder, in 2003, ging het in Parasite Paradise om (mobiele) architectuur en infrastructuur. Dit keer wordt in Pursuit of Happiness gefocust op de software: de bewoners en hun dromen, verlangens en idealen. Pursuit of Happiness is een rijk geschakeerde, goed georganiseerde manifestatie. Er zijn installaties, videopresentaties, lezingen, film- en muziekavonden. Er is eten en drinken. Er zijn kindermiddagen. Er is een uitstekende catalogus.

Aan de tentoonstelling wordt deelgenomen door vijfentwintig kunstenaars uit binnen- en buitenland. Daar zijn bekende namen bij: Monica Bonvicini, Aernout Mik, Anri Sala en Santiago Sierra bijvoorbeeld. Elf kunstenaars maakten speciaal voor deze gelegenheid nieuw werk, na een verblijf en onderzoek ter plaatse. Dat resulteerde in een aantal gevallen natuurlijk in het obligate misbruik van zielige mensen die het moeilijk hebben, zoals asielzoekers (liefst uitgeprocedeerd) en allochtone adolescenten.

En ook wordt weer ‘s een eenvoudig-en-authentiek-levendoeroud- volk-dat-nog-steeds-bestaat-al-zijn-ze-nog-maar-metweinig- en-hebben-ze-het-moeilijk van stal gehaald en ons ter meditatie voorgeschoteld. Ditmaal zijn dat de Toda uit India. Claudia & Julia Müller, de Zwitserse kunstenaars op wier rekening dit komt, melden in de catalogus: ‘Ze zijn niet christelijk of boeddhistisch, maar hangen wel een geloof aan’. Ja, dat mag wel opmerkelijk heten in het overwegend hindoeïstische, islamitische, janaïstische, sikhistische, animistische India. Overigens leert mijn onderzoek dat in het standaardwerk The Toda People of South India van Anthony R.Walker een hoofdstuk staat dat The Western Romance with the Toda heet. Nieuwbouwprojecten voorzien kennelijk ook in gemeenplaatsen.

Maar er is ook veel moois te zien, dat doorvoeld en doordacht, en soms zelfs moedig is. Neem bijvoorbeeld het hilarische Up!, waarin Erik van Lieshout ons ongegeneerd een blik gunt in zijn (en daarmee, ach, ons aller) getourmenteerde bestaan. ‘Van mijn vader heb ik nooit een blijk van waardering gehad! Ja, toen ik beroemd werd. Maar toen was ik al 25!!’. De roestige container waarin de video vertoond wordt, het lullige gordijntje voor de ingang dat niet tegen het binnenvallende licht helpt, de in elkaar geflanste bankjes waarop we moeten zitten, het heeft dat aandoenlijk krakkemikkige van meedogenloos hoog werkelijkheidsgehalte dat al Van Lieshouts werk kenmerkt. Nog nooit heb ik zo gelachen bij een kunstwerk.

Van Lieshout zoekt het geluk. En dat doen ook de bewoners van het door de Disney Company op poten gezette safe en secure droomdorp Celebration in Florida. Die denken zelfs het gevonden te hebben. Tot ze uit de droom geholpen worden door datzelfde Disney. Zie Celebration van Quirine Racké en Helena Muskens. Gelukkig zijn ook de echtelieden in het huiveringwekkende Living a Beautiful Life van Corinna Schnitt, althans dat zeggen ze. De gelukkigste indruk nog maken de doodarme Mexicanen die in New York het hoofd boven water moeten zien te houden met het inzamelen van lege blikjes. Zie Latitas van Sol Aramendi.

Sommig werk op deze tentoonstelling gaat niet over geluk, maar maakt gelukkig. Zoals het paviljoen dat op verzoek van BEYOND door Stanley Brouwn werd ontworpen en door architect Bertus Mulder werd uitgevoerd. Deze ultiem-modernistische mini-kunsthal, passend eenvoudig Het gebouw geheten, is een weldaad van rust en evenwicht voor oog en geest. En op zijn eigen wijze ook heel humoristisch.

Op de bovenverdieping ervan pleegde Guillaume Leblon een tegendraadse architectonische ingreep, die dat geluk – zoals het hoort – toch weer verstoort. Leblon bouwde simpelweg twee wanden uit tot een robuuste, onordelijke rotspartij. Met deze wildgroei becommentarieert hij effectief al ons vertwijfelde geloof in maakbaarheid en beheersing, of het nu om Leidsche Rijn gaat of om ons eigen kleine leven. Kijk je ernaar van buitenaf, dan zie je in één oogopslag de onberispelijke buitenkant van dit perfecte architectonische lichaam, en – door het raam – het omineuze gezwel binnenin.

Dat je kunt plannen en verlangen wat je wilt, maar dat het leven toch zijn eigen ongewisse gang gaat, ontdekte ook Tomas Saraceno. Die zou iets gaan doen met spinnenwebben op het terrein. Hij markeerde ze met resten bouwmateriaal en ander afval. Maar de spinnen verdwenen en Saraceno stapte noodgedwongen over op een ander plan. De spinnenwebmarkeringen echter bleven. Fraaie toevallige sculpturen zijn het, waarvan het onzeker is of ze wel tot de tentoonstelling behoren en zelfs of ze wel kunst zijn. En of het Saraceno is die we ervoor moeten prijzen.

*aldus Erik van Lieshout in Up!

PURSUIT OF HAPPINESS, t/m 30 oktober 2005

Beyond, Hogeweide 3-3b, Utrecht, Leidsche Rijn

Tijden van overdaad

Mischa Andriessen

Parallel aan de expositie van het beroemde getijdenboek Les Très Riches Heures van de gebroeders Van Limburg heeft Museum Het Valkhof een tentoonstelling georganiseerd, waarin twaalf hedendaagse beeldend kunstenaars en dichters geprobeerd hebben een modern equivalent van het calendarium uit dit vermaarde werk tot stand te brengen. De deelnemende beeldend kunstenaars hebben allen een band met Nijmegen. De dichters zijn uitgekozen ‘vanwege hun affiniteit met de thematiek van de gebroeders Van Limburg en omdat ze zich manifesteren als kroniekschrijvers van deze tijd’. Op die manier zijn twaalf koppels gevormd die elk een maand van het jaar verbeelden.

Het uitgangspunt is buitengewoon aanlokkelijk, maar blijkt vaak tamelijk vrij geïnterpreteerd te zijn. De religieuze connotatie van het getijdenboek bijvoorbeeld is door de meeste koppels genegeerd. Dat is jammer, want het getijdenboek herbergt een interessante contradictie. De overdadige versieringen zijn immers eigenlijk in tegenspraak met het ascetische aspect van de getijden (de uren waarop dagelijks gebeden diende te worden). Buiten de fraaie verluchtingen is het getijdenboek boeiend omdat het laat zien hoe de kunstenaar moest manoeuvreren tussen de verplichtingen aan de religieuze tekst enerzijds en de wensen van de opdrachtgever anderzijds. Daarnaast probeerde hij toch zoveel mogelijk een eigen stijl tentoon te spreiden. De hedendaagse, vrije kunstenaar kent dergelijke restricties doorgaans niet, hetgeen nieuwsgierig maakt naar de manier waarop hij met de beperkingen die het thema getijdenboek hem oplegt weet om te gaan. In weerwil van de ondertitel is Rijke uren geen getijdenboek. Een calendarium is het ook niet, omdat de focus bijna nooit op geloofsthema’s ligt. De tentoonstelling richt zich in plaats daarvan op de relatie tussen taal en beeld. Dat is een discutabele keuze. Desondanks blijft het uitgangspunt van de tentoonstelling interessant.

De grote verscheidenheid valt als eerste op. Er zijn schilderijen, installaties, foto’s en een film te zien en ook de teksten worden op zeer diverse manieren gepresenteerd. Helaas blijft het publiek in het ongewisse over de manier waarop de expositie tot stand gekomen is en in hoeverre er van samenwerking sprake is geweest. Zo dateert één van de twee schilderijen die Kiki Lamers naast het gedicht van Eva Gerlach heeft geplaatst al uit 2004; dit doet vermoeden dat het klaar was voordat Gerlach het gedicht voltooide. Echter, uitgerekend deze werken gaan als enige een duidelijk verband aan en versterken elkaar. Het blijft de vraag bij een dergelijke expositie wat je als kijker nu eigenlijk beoordeelt. Het gedicht en het kunstwerk afzonderlijk of alleen de combinatie? Het provocatief gelikte schilderij van Anya Janssen past wonderbaarlijk goed bij de barokke poëzie van Ilja Pfeiffer, zonder dat de werken zelf overtuigend zijn. Erszébet Baerveldt en Pieter Boskma maken beide sterk persoonlijk werk dat weliswaar intrigeert, maar niets met elkaar te maken lijkt te hebben. De installatie van Gijs Assmann, een ondergesneeuwd vogelhuisje, is op zich een sympathiek beeld, maar in combinatie met het gedicht van Astrid Lampe wordt het té illustratief. Een groot gevaar van illustreren is, dat elementen uit het geïllustreerde werk dusdanig benadrukt worden dat de kracht ervan verloren gaat. De verduidelijking maakt het banaal. Dat Keiko Sato het woord ‘blauwer’ in de slotregel van Albertina Soepboers gedicht met blauwe letters weergeeft, is maar één pijnlijk voorbeeld van een dergelijk gebrek aan fantasie en zeggingskracht.

De presentatie van de teksten is soms ook problematisch. Door technische problemen kon van het gedicht van Mark Boog geen kennis worden genomen. Het effect van Maria Barnas’ gedicht ging door een storende hoofdtelefoon volledig verloren. De aandacht over beeld en tekst verdelen, blijft echter het lastigst. Het valt niet mee om in de tentoonstellingsruimte een gedicht van twee bladzijden te lezen, tot je door te laten dringen en ook nog eens een verband met het bijbehorende kunstwerk te laten aangaan. Opmerkelijk genoeg heeft de organisatie veel dichters uitgekozen die zich nogal bloemrijk uitdrukken. Veel taal, veel beelden, alsof rijkdom alleen met weelde tot uitdrukking kan worden gebracht. De gebroeders van Limburg verluchtigden het lijden met alle middelen die zij tot hun beschikking hadden. Het doel dat zij te dienen hadden, stond daarbij buiten kijf. De vraag is of Rijke uren zonder een diep doorvoelde religiositeit niet voornamelijk uit bladgoud bestaat. Beeld en tekst tonen hier vaak een overdaad aan bedoelingen en betekenissen. Seet van Houts zeepbellen zijn daarvan een treffende illustratie: kleurrijk, maar flinterdun. Misschien impliceert een bijdetijdse versie van Les Très Riches Heures voornamelijk vuurwerk. Dat mijn voorkeur uitgaat naar de stemmige, verstilde werken van Lamers en Gerlach, laat waarschijnlijk vooral zien hoe ik in deze tijd sta.

RIJKE UREN
Een hedendaags getijdenboek door dichters en beeldend kunstenaars, t/m 20 november 2005

Museum Het Valkhof, Kelfkensbos 59, Nijmegen

Brandbom vol beeld en geluid

Angelique Spaninks

Napalm maakt benzine stroperig en brandt zich overal een weg door. Boomschors, mensenhuid, baksteen. Napalm brandt door tot op het bot. Geen basis voor vrolijke liedjes dus, maar zeer geëigend voor schrijnende poëzie. Woordkunst van dat kaliber is de Tilburgse dichter Nick J. Swarth echter op het lijf geschreven. Hij baseerde er zelfs een suite op: de Napalmsessies.

Swarth is wat je noemt geen doorsnee dichter, maar een performer. Een schrijver die zich ook op het podium laat gelden, misschien nog wel het sterkst daar. Hij ratelt en oreert, fluistert en schmiert, blaft en hijgt zijn woorden de wereld in. Met humor dat wel, maar ook schaamteloos eigengereid en soms onnavolgbaar. Om woordelijk begrijpen is het Swarth dan ook lang niet altijd te doen. Soms kun je hem even volgen, roepen zijn zinsneden herkenbare werelden op, dan weer raak je de draad kwijt in klanken en tonen, verzuipen de associaties in golven van duister geluid.

Is Swarths poëzie van zichzelf al rijk gelaagd en veelzijdig, liefst zoekt hij ook nog samenwerking met andere muzikanten en kunstenaars. Voor een serie concertante uitvoeringen van De Napalmsessies vond hij zijn geestverwanten in saxofonist Tobias Delius, slagwerker en turntable-specialist Steve Noble en vormgever Simon Heijdens. Met zijn vieren bouwden zij Swarths talige sessies uit tot totaaltheater, dat zij eerst live uitvoerden en nu gevangen hebben op een dvd, verdeeld over vier sporen: één voor het geluid, de andere drie voor beeld. Daarop figureren naast de letterlijke tekst, opnames van de concerten die de dichter en muzikanten gaven, en een reeks van 21 speciaal bij flarden tekst gemaakte beeldcollages.

Vooral deze visuele associaties – die alleen zijn waar te nemen als je tijdens het kijken vakkundig en veelvuldig gebruik maakt van de angle-toets op je afstandsbediening – tillen de dvd boven de geijkte concertregistratie uit. Soms getekend dan weer gefilmd, schieten er beelden over het scherm, om weer te verdwijnen voor je weet wat je zag. Als verborgen verleiders verschuilen ze zich achter de dichter en de muzikanten om zich af en toe onverwacht te laten zien.

Voor deze carrousel van beelden wist Heijdens de meest uiteenlopende kunstenaars, ontwerpers en architecten te bewegen een bijdrage van enkele seconden te leveren. Van bekende Nederlanders als Jurgen Bey, Cynthia Hathaway en Edwin Vollebergh tot minder bekende buitenlandse talenten als Hulda Helgadottir, Mats Bigert en Onkar Singh Kular. Hun visioenen – van een graskauwende koe en koppeltjeduikelende kinderen op een bed tot een boom in de mist en een meisje in het bos zwierend met een roofvogel – bieden doorkijkjes die heel wat verder reiken dan de poëzie en muziek die je hoort. Soms ritmisch als de beat die Noble uit zijn draaitafels pulkt, dan weer hortend en stotend als de knarsende tonen uit Delius’ sax slaan de beelden prikkelende bruggetjes die reiken tot ver buiten je zintuigen. En omdat het om fragmenten gaat, om snel wisselende shots, lijkt het of je telkens nieuwe dingen ontdekt: nieuwe klanken, nieuwe beelden, nieuwe zinnen…

Er is bij deze Napalmsessies dan ook geen sprake meer van onderdelen, maar van een geheel, een optelsom, die altijd meer is. Voeg daarbij de prachtige uitgave van de tekst in vleeskleurige dundruk, samen met de dvd-schijf gevat in bordkartonnen doos en je hebt een bijzondere brandbom vol beeld en geluid.

DE NAPALMSESSIES, Dichtbundel en dvd door Nick J. Swarth, Tobias Delius, Steve Noble en Simon Heijdens.

Uitgeverij IJzer i.s.m. Muzieklab Brabant, ISBN 90-74328-76-8 Prijs €19,50

De Tilburgse AaBe fabrieken beslaan uitgestorven tussenruimte. Het framewerk staat tussen de ringbaan Zuid en de bebouwing van het centrum. Mensgeschapen ruimte is haar eigen, verlaten weg gaan leiden; de eerste stadia van begroeiing zijn zichtbaar. Hier is SPACE – now and then te vinden, een expositie over de relatie beeldende kunst en architectuur, die de sculpturale eigenschappen en belevingskwaliteiten van het gebouw bevraagt en eveneens de positie van beeldende kunst in de publieke ruimte.

Via een moderne, bombastische entree betreedt men de fabriek. Vervolgens komt de bezoeker in een kleine, casco lobby – wellicht zaten hier voorheen de voormannen naar productiemeters te turen. De kale ruimte ademt beton. Een uit industriële elementen opgerezen schommel van Wolfgang Winter en Bertholt Hörbelt nodigt nog niet uit: de ruimte drukt te zwaar op het gemoed om het direct na binnenkomst als speeltuin te benutten.

De lobby loopt uit op een enorm lange gang met betonnen vloer en wanden, grote en kleine deuren en een aantal rolstoelvriendelijke ‘paden’ naar kelders. In de wanden zijn letters uitgebikt die een stem blootleggen; de stem van het gebouw? Wat zegt de stem…de letters zijn niet allen te overzien, vooralsnog.

Een raam in de wand geeft inzage in een vervallen kantoor. De sfeer van Gordon Matta-Clark – geroemd in het persbericht – is te proeven. Het kantoor lijkt recent ingestort te zijn, alsof de directie stug in het modernisme is blijven geloven. Het modernisme is echter niet meer, al hangt haar lucht er nog.

Het werk Morphing wave van Loris Cecchine bestaat uit witte balletjes in een computerpatroon die de bezoeker zijn hand lijkt toe te rijken. Hij ontvangt de bezoeker al vriendelijk glimlachend, alsof hij een kopje thee aan wil bieden – met schoteltje voor het zakje. Hij hangt fris én opgesloten in de ruimte. De ruimte ís fris en uitdagend, zo lijkt de kunstenaar te suggereren. Wanneer een witte duif ‘de geest van de werkelijkheid’ – zoals Cecchine zijn werk treffend omschrijft – passeert, wordt het wederom een sympathieker habitat.

Toch blijft de bezoeker een bezoeker. Jeroen Doorenweerd is zich hiervan bewust. Een trap leidt zijn bezoekers naar boven, naar een houten bioscoopje. De geur van hout en een kunstmatige luchtstroom uit een luik in het plafond maken de enscenering artificieel. De frisheid van het blanke hout loopt zacht over in een filmisch beeld: de bezoeker gluurt door kraakheldere ramen die de film glanzend maken. Door de ramen kijkt hij, door een gat in de muur, uit op de werkvloer van de fabriek – een kathedraal van oud ethos, hét landschap van arbeid. Een verweerde wandschildering, gedrenkt in arbeidssymboliek draagt de werkvloer en face in kracht. Hier komen spierballen en esthetiek samen.

De gepresenteerde werken zijn goed, de kunstenaars gekwalificeerd, de expositie fantastisch. Door de ingrepen van de kunstenaars wordt hier duidelijk dat mensgeschapen ruimte erg verschilt van kunstgeschapen ruimte. Zowel in opzet en uitvoering, als in beleving tijdens visitatie. De blik van de kunstenaar kan architectuur nieuw leven inblazen. SPACE – now and then presenteert hoe beeldende kunst (now) architectuur (then) opfrist. De beeldende kunst incorporeert architectuur in sculptuur. Architecturaal modernisme wordt beeldende esthetiek. Ze presenteert sculptuur en doet beeldende kunst fris (be)leven.

SPACE – NOW AND THEN, t/m 23 oktober 2005

Fundament Foundation

AaBe Fabrieken, Hoevenseweg 55a-b, Tilburg

Het leefklimaat in de stad is een populair gespreksonderwerp. Iedereen heeft er wel een mening over. Hoe verbeeld jij je integratie, hoe creëer je betere en betaalbare woningbouw, wel of geen gekozen burgemeester? Hoeveel invloed kan en mag een inwoner hebben op de bestuurlijke beslissingen in een stad? Talloze oplossingen worden aangedragen binnen de achterkamers van de politiek. In plaats van in besloten kring de definities van de stedelijke identiteit proberen vast te stellen gaat SMART Project Space er mee de straat op. Drieëndertig kunstenaars uit binnen- en buitenland zijn uitgenodigd om in het kader van de tentoonstelling ADAM de sociaal politieke voorwaarden van de stad te onderzoeken.

De heropening van SMART Project Space in het voormalig Pathologisch Anatomisch Laboratorium wordt gevierd met het stedelijk project ADAM. In plaats van het menselijk lichaam is nu het stedelijk lichaam aan de beurt om ontleedt te worden. ADAM poogt geenszins verbeteringen voor het stedelijke klimaat aan te dragen, maar wil enkel een andere kijk op de dynamiek van de stad geven. Het gebouw op de hoek van de Arie Biemondstraat en de Nicolaas Beetstraat vormt het vertrekpunt voor de tentoonstelling die zich op verschillende locaties, vanaf het Mercatorplein tot aan het Stork-terrein, door de stad heen bevindt. Om het overbruggen van de afstand te vergemakkelijken kun je bij de SMART Project Space een ongemakkelijke witte fiets lenen, de zogeheten funky fiets.

De locaties waar ADAM zich genesteld heeft zijn divers en verrassend; soms duidelijk aanwezig, dan weer bijna of inderdaad onvindbaar. Vóór alles staat het gebruiken van de middelen die door de stad geboden worden op de eerste plaats. Waar anders is er meer behoefte aan natuur dan op het Stork industrieterrein? Job Koelewijns Jump biedt een illusionaire zee aan ruimte en groen midden in het gigantische INIT kantoorgebouw. Het werk prikkelt je te ontdekken waar de mogelijkheden binnen de stedelijke beperkingen liggen. De ruimte lijkt eindeloos, maar kan toch zijn benauwdheid niet van zich afschudden. Naast het uitgestrekte veld wordt de kijker keer op keer geconfronteerd met zijn eigen spiegelbeeld.

You would if you could, but you can’t so you won’t van Lucy Wood onderzoekt de betekenis van het wonen in de binnenstad, waar je zo dicht op elkaar woont dat je zonder gêne bij elkaar in de keuken kan kijken. Door middel van een drijvende brug op de Beulingsloot (tussen de Singel en de Herengracht) wordt de indruk gewekt dat de afstand tussen de aangelegen huizen, en bijbehorende bewoners, te verwaarlozen is. De brug ligt echter net iets van de kant af en maakt hierdoor betreding, of beter gezegd toenadering, onmogelijk. De DazzleSHELTERs van Marco Cops zijn ‘daklozenwoningen’. De vertrouwde kartonnen doos is beplakt met foto’s van de exacte omgeving, waardoor zij voor het oog verborgen blijft. Dit project is zo geslaagd dat al fietsend langs de vermelde locatie de werken naadloos opgaan in de omgeving. Zo naadloos dat onvindbaar een betere bewoording blijkt.

Vragen over de identiteit van de stad worden ook op demografisch niveau uitgevochten. Hoe functioneert een stad waar 40% van de bewoners een andere nationaliteit heeft dan de Nederlandse. Costa Vece’s installatie Revolucion – Patriotisme creëert een land in een land waar de buitenlandse bewoners van de stad, die anders buiten gesloten worden van de politieke en sociale besluitvorming wegens het ontbreken aan kiesrecht, de touwtjes in handen kunnen nemen door de autochtone Nederlanders de rug toe te keren en hun eigen parlement in werking te stellen. Een wekelijkse advertentie van Liv Harlev in the Amsterdam Times (de Engelstalige expat-krant) doet een direct beroep op de al dan niet aanwezige betrokkenheid van de vele buitenlandse zakenlui die een ‘thuis’ in Amsterdam hebben gevonden.

Jammer genoeg is niet in alle gevallen sprake van een meerwaarde door de locatie. The Cave van Wael Shawky in de ‘etalage’ van de SKOR wordt verpest door slechte lichtinval en rumoer van het voorbijtrekkende verkeer. Het tegenlicht maakt de videoprojectie tot een vaag schijnsel en ergens op de achtergrond valt nog geluid op te maken, helaas zal het ondertitelde verhaal uit de Koran voor velen van ons vooralsnog onbekend blijven. Bij andere werken is het een kwestie van geluk of gelegenheid om ervan te mogen genieten. Zo worden de video’s van A.P. Komen en Karen Murphy afgespeeld in verschillende trams door de stad. Het blijft echter een toevalstreffer om in de juiste tram terecht te komen.

Vergeleken met de samenhang van de werken in de publieke ruimte vallen de werken in het vernieuwde SMART Project Space uit de toon. Alleen de video van Rosella Biscotti over de beschietingen op de dam buigt zich over de stedelijke identiteit. Vuurgevecht op de Dam onderzoekt mythevorming en het gegeven van collectieve herinnering en geheugenverlies die zich in de stadsbewoner verankert. De verschillende ondervraagden geven allemaal hun versie van de historische gebeurtenis, maar ondanks de vele overeenkomsten vieren de discrepanties hoogtij. Zuivere waarheid blijkt onbelangrijk in scheppen van een gevoel van saamhorigheid.

De overige werken in het oud pathologisch instituut zijn allen prikkelend maar staan ver af van de thematiek van ADAM. Met veel moeite valt het werk Magic & Loss van Johanna Billing te relateren aan het grote aantal kortstondige bewoners die Amsterdam rijk is. De gespeelde verhuizing roept echter gevoelens van nostalgie en verlies op die niet perse een stad eigen zijn, maar aan iedere plek waar men een thuis weet te creëren. F voor Fake van Christian Andersson spant de kroon. De toneellamp die zijn eigen twee schaduwen lijkt te produceren stelt de toeschouwers waarneming op de proef, maar mist elke relatie met het beoogde onderzoek naar de sociaal-politieke verhoudingen van de stad. Het is jammer dat SMART Project Space op het moment dat zij geen echte grip meer heeft op het weefsel van de stad, al te gemakkelijk haar grip op de relatie hiermee verliest. Het blijkt nog moeilijk om de bagage van een traditionele tentoonstellingsruimte van zich af te schudden.

Uit de naam van de organisatie blijkt al dat SMART Project Space toegewijd is om buiten de gebruikelijke ruimte van de ‘white cube’ te opereren. Ze stelt zich niet alleen tot doel op innovatieve wijze alternatieve locaties te benutten maar zoekt ook de meerwaarde van de ruimtes op. En slaagt hier in. Hoewel deze aanpak prikkelend is stuit SMART Project Space hierdoor ook op problemen. De verschillende locaties van ADAM zijn simpelweg te ver van elkaar verwijderd. Zelfs fietsend is het onmogelijk de gehele tentoonstelling met één bezoek te zien. Deze keuze valt te onderbouwen met het argument dat ADAM de dynamiek van de stad weerspiegelt en door iedereen anders beleefd wordt, maar het argument is slechts een schrale troost voor de uitgeputte bezoeker. Een groter struikelblok van SMART Project Space zijn de ambitieus geselecteerde intrigerende locaties. Deze kosten vaak ontzettend veel moeite om te vinden en leveren frustratie op bij de gewillige – maar in Amsterdam onbekende – bezoekers. SMART Project Space is een veel belovende organisatie, zeker met de capaciteiten die het nieuwe gebouw biedt (700 m2 tentoonstellingsruimte, 5 bioscoopszalen, 12 ateliers, 2 projectruimte, medialab & productiestudio en een cafe/ restaurant), toch zou het niet misstaan in aankomende projecten meer balans te zoeken tussen ambitie en praktische haalbaarheid.

ADAM, t/m 16 oktober 2005

Smart Project Space, Arie Biemondstraat 101–111, Amsterdam

Watskeburt?

Barbara Lodde

Patricia & Erik
Erik & Sandra
Maxine & J.H.
Valentijn & Carolyn
Annie & Siebren
Tanja & Paul
Renske & Domeniek
Germaine & Jean Louis
Frederique & Koen
Astrid & Marc
Ingrid & Melvin
Stuart & Frances
Ine & Charles
Saskia & William
Sven & Nicole
Rein & Martijn
Macha & Job
Folkert & Geertje
Huib Haye & Maria
Arno & Suzy
Ann & Joep
Joep & Liesbeth
Liesbeth & Jos
Astrid & Sara
Rob & Willem
Bart & Edsard
Emily & Nils
Juliette & Xander
Jelle & Jill
Danila & Arne
Meta & Rene
Rene & Eric
Maria & Tom
Bart & Monica
Marieke & Joris
Roos & Daniel
Barbara & Rai
Binna & Henk
Nathalie & Luca
Lisette & Alexis
Rosella & Kevin
Esma & Serge
Lars & Wieteke
Daniel & Yesim
Gabriel & Suzanne
Dyveke & Otto
Vrouwkje & Frank

Kunst in de slaapkamer

Lieke Wouters

Schilderijen in de slaapkamer, foto’s in de badkamer en design in de keuken. ‘Bart kunst in huis’ is een galerie die letterlijk ‘kunst in huis’ toont. Het ruime, voormalig winkelpand ziet er door de grote etalages van de buitenkant nog wel uit als een winkel, binnen bevinden zich echter naast andere expositieruimten: een slaapkamer, een badkamer en een keuken. Bart kunst in huis opende zijn deuren ruim tweeëneenhalf jaar geleden en noemt zich een platform voor jonge en veelbelovende – vaak net afgestudeerde – kunstenaars en ontwerpers. De galerie richt zich vooral op schilderkunst en fotografie, hoewel er ook een groot aanbod aan design is (zogenaamde interieurproducten), zoals het werk van Esther Derkx. Tweedehands serviesgoed, tegels en toiletpotten wordt door haar van een humoristisch of romantisch motiefje voorzien.

Op het moment zijn, naast de keramiek van Esther Derkx, onder andere schilderijen van Bard Sloven en foto’s van Mamabart en Shirley Welten te zien. In het werk van Bard Sloven staat telkens een lichtbron centraal. Op Kleine Koppel (2004) is dit een tl-buis en op Viaduct (2004) wordt een verlaten viaduct verlicht. De schilderijen van Sloven krijgen door het sterke licht-donkereffect een bijna magisch-realistische sfeer. De foto’s van Mamabart zijn afwisselend bizar en poëtisch. A Bird (2003) laat een man zien, zittend op een boomstam in een bos met een vogel op zijn hand. Belangrijk detail: de bomen vullen horizontaal het beeld, terwijl de man gewoon verticaal op de boomstam zit. Zulke vervreemdingen zijn gewoon in het werk van Mamabart. Zo ook in Jack (2003), waar een zwemmer door een draad in zijn mond uit het water wordt gevist. Shirley Welten is vorig jaar afgestudeerd aan de academie in Den Bosch. Zij exposeert vier foto’s in Bart kunst in huis. Voor haar is verstilling heel belangrijk: ‘Met mijn werk probeer ik (…) een stilte te creëren waarbij je volledig kunt opgaan in je eigen gedachtewereld’. Die stilte komt in twee foto’s duidelijk naar voren: in Vogelgroep en in Planten in kerk (beiden 2004). De titels zeggen waar het op staat, maar de composities zijn juist heel poëtisch. De eerste foto laat een groep vogels zien met op de voorgrond een gele kanarie. Je kunt je een hoop gekwetter en gefluit voor- Bart kunst in huis doorlopende expositie van verschillende kunstenaars Ziekerstraat 87, Nijmegen www.bartkunstinhuis.nl stellen, maar doordat de foto out of focus is, krijgt deze juist een verstild karakter. Planten in kerk is opnieuw een werk waar de stilte hoogtij viert. Het laat een donkere, verlaten kerk zien met twee planten die amper te zien zijn in de schaduw.

Bart kunst in huis heeft nog steeds het karakter van een winkel, dankzij in de ruime etalages tentoongesteld designwerk, maar ook door de felgroene prijsstickers die quasi-nonchalant op de titelkaartjes van de kunstwerken zijn geplakt. De galerie oogt daardoor heel toegankelijk. Daarbij lijkt het huiselijke interieur van Bart kunst in huis een vette knipoog te zijn naar het soms benauwende karakter van de white cube. En dat is wel eens een verademing.

BART KUNST IN HUIS, doorlopende expositie van verschillende kunstenaars

Ziekerstraat 87, Nijmegen

Het onhoorbaar gezang van hermafrodiete sirenen gecombineerd met het doortastend gezoem van geschilderde klankschalen. Hoe klinkt dat? Dat is na te gaan in het Centrum Beeldende Kunst in Emmen, waar twee Groningse kunstenaars hun foto’s en schilderijen exposeren. Bij binnenkomst in de lichte zaal stellen Koos Lina en Janet Meester zich voor met een handvol kriskras door elkaar hangende werken. Twee op het eerste gezicht totaal verschillende beeldtalen hangen democratisch zij aan zij. Maar behoren de talen ook tot dezelfde stam?

De vierkante schilderijen van Janet Meester laten sobere vormen zien in ton sur ton kleurpatronen. Bij nader inzien zouden het schalen en potten kunnen zijn. Hoewel grondtoon en grondvorm telkens dezelfde zijn, is van herhaling toch geen sprake. Juist de subtiele details in verfbehandeling bij de ‘naden’ vallen hierdoor op. En waar de zijkant van de enorme kom net niet aansluit op het ovaal die de opening aangeeft, wordt het pas echt spannend. ‘Klopt’ dit werk wel? Die komopening eist de meeste aandacht op en gaat zo een eigen leven leiden binnen het schilderij. Maar ook buiten deze schilderijen ‘leeft’ die opening, in de ovaalvormige objecten die Meester exposeert. Ze kopiëren de openingen van de schalen in perspectief. Het gaat Meester er kennelijk om de ‘gaten in de kaas’ te tonen en daarmee het onnoembare te vangen. Dat lukt doordat abstract en figuratief in haar werk in elkaar overvloeien. Het is vreemd dat juist dit strenge werk een sterke lichamelijke aantrekkingskracht heeft.

Bekken trekken… Dit verbindt de schilderijen met het fotowerk van Koos Lina. Daarin trekken mannen met lang en weelderig haar en vrouwen met een gekortwiekte kop allemaal een moeilijk thuis te brengen vreemde bek. Opeens valt op dat de meeste portretten in populaire media sterk geïdealiseerd zijn. Lina toont met de open monden en de asymmetrische gezichtstrekken juist een natuurlijke ‘lelijkheid’ in wat zingende mensen blijken te zijn. Alle geportretteerden dragen dezelfde rafelige zwarte mantel om de blote schouders, zodat individuele kenmerken worden uitgewist. De vlaggen waar de hoofden op zijn afgedrukt, hangen vrij in de ruimte en vormen zo een luchtig koor van onhoorbare stemmen. Niet duidelijk wordt of zij een dringende boodschap of een vrolijk deuntje ten gehore brengen. De kracht van de foto’s zit er in dat ze overal een beetje tussen in blijven.

De potten van Meester en de hoofden van Lina lijken kenmerken van elkaar over te nemen. Servies wordt menselijk en de van de omgeving geïsoleerde hoofden worden teruggebracht tot hun basale ovale vorm. Daarom ‘zweeft’ boven de toegangsweg naar Emmen, waar het CBK zich bevindt, een ontmoeting tussen hoofden en schalen die beide naar heelheid lijken te streven.

Koos Lina – foto’s, Janet Meester – schilderijen, t/m 3 juli 2005

Centrum Beeldende Kunst Emmen, Raadhuisplein 1, Emmen

Op 26 juni geeft Janet Meester een rondleiding

Er hangt een Oudhollands groepsportret De regenten en rentmeester van het Heilige Geesthuis (1653) van Jan Daemen Cool. De regenten kijken me met vijf paar ogen streng aan. Ze lijken de andere kunstwerken in de ruimte als een kandidaat Idol te beoordelen. De ‘jury’ lijkt misplaatst in deze tentoonstelling, terwijl het toch als één van de weinige werken duidelijk met het thema ‘regering’ verbonden is.

Een storm aan gedachten van meer dan 26 kunstenaars is geperst in de twee verdiepingen van Witte de With te Rotterdam. De Duitse artistiek directeur van Documenta 12 (2007) Roger M. Buergel en landgenoot Ruth Noack lanceerden het ambitieuze plan om vijf thematentoonstellingen in diverse landen te organiseren. In Nederland hebben ze gekozen voor ‘het Oudhollands groepsportret’. Streng doch rechtvaardig lijken de regenten in een evenwichtige en harmonieuze vergadering verwikkeld te zijn. Moralistisch vragen de curatoren zich af wát er sinds dit schilderij is fout gegaan. Laconiek wordt de vraag óf het überhaupt is fout gegaan overgeslagen, want was de 17de eeuw zoveel democratischer en vrijer? Ook de titel Be what you want but stay where you are is een statement dat uitblinkt in simplisme. Des te vreemder is de volstrekte tegenstelling met de brede opvatting van het begrip ‘regering’: ‘Met andere woorden, ‘regering’ wordt niet verbonden aan politieke spelers, maar ruimer opgevat als een handeling of een reeks handelingen naar aanleiding van andere handelingen (de handeling van anderen)’.* Hoe ruim kun je ‘regering’ opvatten?

Dependance Buenos Aires van Matthijs de Bruijne & Javier Martínez definiëren ING Verzekeringen in Argentinië als ‘regering’. Door hun uitgekiende verleidingsstrategieën nodigen zij hun potentiële klanten uit. Maar begin 2004 sloot ING al haar filialen en liet zo veel werknemers zonder baan achter. De kleurige presentatie – de klachten worden in roze mappen bewaard – probeert speels het onderwerp naar voren te brengen, maar kan het documentaire karakter niet verhullen. Een documentaire waarbij gelezen moet worden.

De zaalteksten bij de tentoonstelling, maar liefst 16 pagina’s, zijn onmisbaar om inzicht te krijgen in de meeste werken. Eén van de weinige werken die de begeleidende tekst wél overstijgt is Imogen Stidworthy met Anyone who had a heart (2004). Het werk gaat verder waar een mythe eindigde: de zangeres Cilla Black die in Scotland Road in een lege kamer boven de woonruimten oefende omdat daar een goede echo was. Stidworthy vult de mythe aan door twee imitatoren dit lied te laten zingen in een ruimte waar juist geen echo is. Het enge geluid van het gezang gecombineerd met het beeld van een vrouw in een krappe ruimte werkt niet alleen humoristisch, maar toont ook het trieste verlangen naar de herinnering. Terwijl ik zo sta te genieten van de zangeressen die in de huid kruipen van Cilla Black, prikken de keurende ogen van de regenten nog in mijn rug. Een strengheid die ik mis bij de echte jury van deze voorronde van Documenta.

Annotaties

*Zaalteksten ‘Be what you want but stay where you are’

BE WHAT YOU WANT BUT STAY WHERE YOU ARE
Met o.a: Ricardo Basbaum, Matthijs de Bruijne & Javier Martínez, James Coleman, Alice Creischer & Andreas Siekmann, Ines Doujak, Peter Friedl, Andrea Geyer, Wendelien van Oldenborgh, Allan Sekula, Imogen Stidworthy, Lidwien van de Ven en Simon Wachsmuth Gastcuratoren: Ruth Noack en Roger M. Buergel

t/m 19 juni 2005, Witte de With Centrum voor Hedendaagse Kunst, Witte de Withstraat 50, Rotterdam

The city is full of potential

Annelieke van Halen

De performance van de Duitse kunstenaar Klaus Weber (1967, Sigmaringen) op het Hofplein in Rotterdam eindigt met de vraag of de stad potentie heeft. Deze woorden werden gesproken ter gelegenheid van de opening van zijn eerste overzichtstentoonstelling. In Showroom MAMA (Media And Moving Art) is werk te zien dat hij tussen 1991 en 2005 maakte. Zijn werk is onder andere geëxposeerd in New York bij Andrew Kreps Gallery (2004) en in Londen bij Frieze Art Fair (2003) en Cubitt Gallery (2004). Of Rotterdam potentie heeft als voedingsbodem voor één van zijn projecten moet nog blijken.

Het werk van Klaus Weber is een klein verzet tegen de vaststaande structuren in de stedelijke omgeving. Hij daagt deze structuren uit door verschillende nieuwe perspectieven te creëren. Een voorbeeld hiervan is de LSD Fountain (2003), die hij voor de eerste editie van de Frieze Art Fair maakte. Water waar homeopathische LSD aan is toegevoegd, stroomt over deze kristallen fontein. Boven de fontein hangen aan het plafond de vleesetende planten Nepenthes, genoemd naar een drug voor vergetelheid uit vroegere tijden. Volgens het oorspronkelijke ontwerp moet de fontein midden in een hal worden geplaatst, die een bestaande publieke ruimte omvat – bijvoorbeeld een grote kruising in een stad. De elementen die zich op die plaats bevinden, zoals verkeerslichten en zebrapaden, verliezen door deze isolatie hun functie. De hal moet van transparant materiaal worden gemaakt, waardoor je alleen van binnen naar buiten kunt kijken. De gelijktijdige positionering van het subject zowel binnen als buiten zijn bekende omgeving en de werking van het hallucinogeen LSD bieden een alternatief perspectief op de stedelijke ruimte. Webers streven om de fontein volgens het originele ontwerp in een grote Westerse stad te realiseren, is zeer idealistisch. In de hedendaagse maatschappij, waarin veel mensen van elkaar en hun omgeving vervreemd raken, kan LSD Fountain een plaats voor meditatie en toenadering zijn.

Een andere manier om de stad te transformeren, laat Klaus Weber zien met Unfold (2005). Hij kweekt eetbare ‘trottoirchampignons’ die door asfalt heen kunnen groeien. In Showroom MAMA is hieraan een ruimte gewijd. Unfold is een remake van Unfolding Culde- Sac (2004) in Cubitt Gallery in Londen en het bestaat uit een tuinhuisje waar asfalt omheen is gestort. Onder het asfalt zit een laag aarde en een laag compost waarop de sporen van de paddestoelen zijn uitgestrooid. De paddestoelen ontontwikkelen zich snel bij een hoge temperatuur en zullen over enige tijd door het asfalt heen groeien. In een hoek van de ruimte staat een koelkast met daarop de tekst Help yourself. Hij is gevuld met bierflesjes waarin sporen van de trottoirchampignon zitten. Weber nodigt de toeschouwer uit om zelf sporen uit te strooien in Rotterdam, om zo scheuren te veroorzaken in het openbare bezit. Als het publiek van deze tentoonstelling zich aangesproken voelt door zijn werk en zijn uitnodiging, zal deze stad van staal en beton binnenkort veel scheuren gaan vertonen.

Op originele wijze daagt Klaus Weber de vaststaande structuren in de stedelijke ruimte uit en onderzoekt hij de interactie tussen de mens en zijn omgeving. Zijn performances en projecten zijn verrassend en prikkelend. Weber doet een voorstel voor een alternatieve stad, waar paddestoelen door het asfalt heen groeien en de mens zich kan laven aan een fontein met LSD. Het klinkt als een droom, maar in Rotterdam is het werkelijkheid.

DER GEIST IST EIN WASSERFALL, Klaus Weber, t/m 3 juli 2005

Showroom Mama, Witte de Withstraat 29-31, Rotterdam