De tekenkunst staat momenteel volop in de schijnwerpers. In het Stedelijk Museum Schiedam is nu de tentoonstelling All about drawing. 100 Nederlandse kunstenaars te zien. Die tentoonstelling geeft inzicht in de tekenkunst van de jaren zestig tot nu. Zeven kunstenaars daarvan zijn afkomstig van Van Galerie Smarius/Steven Sterk in Gorredijk. Aanvullend organiseert de galerie in eigen huis de expositie Drawing. The best! 12 kunstenaars. Naast de zeven kunstenaars van wie ook werk in Schiedam te zien is, wordt daar het werk van nog vijf kunstenaars getoond: Pedro Bakker, Hans Klein Hofmeijer, Maria Jager, Jissel Kerkstra en Henrik Kröner. Met name het werk van Pedro Bakker (1952), die vorige zomer nog in W139 te Amsterdam en in galerie Witzenhausen in New York exposeerde, staat in de belangstelling. (AB)

Tijdens Holland Festival staat niet alleen het muzikale werk van Iannis Xenakis (1922-2001) prominent op het programma, maar geeft een tentoonstelling een gezicht aan de architect die hij óók was. Iannis Xenakis: composer, architect, visionary, samengesteld door The Drawing Center (New York) laat zien hoe zijn muziek doordrongen is van zijn architecturale achtergrond. Xenakis zag zijn composities als klankbewegingen in de ruimte. In het Muziekgebouw aan ‘t IJ zijn handschriften, architectonische tekeningen, concepten, schetsen en grafische partituren te zien. Zijn rake tekeningen roepen de vraag op of ‘artist’ niet aan de tentoonstellingstitel toegevoegd had moeten worden. (NM)

De Chileense Alfredo Jaar (1956) transformeert het SMBA voor korte tijd in een uitgebreid archief en bibliotheek met verzameld materiaal van politieke en filosofische stromingen. Marx neemt een centrale rol in, en ook de hele rits aan (inmiddels) usual suspects passeren de revue, zoals Zizek, Hall, Rancière, Butler, Laclau, Mouffe. Als het iets doet is het een tijdsgeest weergeven. Interessanter is het uitgebreide lezingenprogramma dat een centraal onderdeel is van dit project. Minimaal drie keer in de week presenteert SMBA een lezing of conversatie, met onder andere Rainer Gahnal en Renzo Martens. (NH)

Dat een beursstand niet de ideale locatie is voor het tonen van kunst zal menigeen onderkennen: te veel verschillende werken wedijveren met elkaar op een te klein aantal m2. Solo’s worden praktisch niet gedaan, omdat voor een goede verkoop de kansen gespreid dienen te worden. Galeries proberen een zo smaakvol mogelijke winkel te presenteren om bezoekers binnen te krijgen en af te leiden van de lelijkheid van bordkartonnen wandjes, harde verlichting en algehele misère die een beursgebouw eigen is. Weinig galeriehouders zullen er over peinzen aan een kunstenaar te vragen iets speciaal voor een beursstand te maken. De meeste kunstenaars hebben überhaupt een hekel aan kunstbeurzen, omdat de context ervan niet bijdraagt aan een goede appreciatie van hun werk.

Toch zijn er gelukkig galeries die het wel wagen op een beurs een solostand te maken. Op Art Amsterdam sprongen Galerie Barbara Seiler met Justin Bennett en Wetering Galerie met Stephan van den Burg er in positieve zin uit. Ondanks de goede bedoelingen zijn de solopresentaties onder de noemer No Holds Barred geen vervanging voor een goede solostand, omdat er geen inzicht wordt gegeven in het bredere oeuvre van de kunstenaar.

Tegenover het gemis van een aantal toonaangevende Nederlandse galeries die dit jaar afzagen van deelname stond de verassende deelname van een Nederlandse topgalerie op het gebied van vormgeving, die ook op de designsectie van Art Basel toont. Galerie VIVID zag er geen been in een kunstenaar van een opdracht te voorzien en vroeg de internationaal werkende Lily van der Stokker om speciaal voor de stand één van haar kenmerkende muurschilderingen te maken. Deze werd gecombineerd met een door haar ontworpen tapijt. Het vormde een geheel dat duidelijk uiting gaf aan de visie van de Rotterdamse galerie, die zich specialiseert in vormgeving, maar daarbij continu de grensvlakken tussen vormgeving en beeldende kunst opzoekt en bevraagt. Conceptuele vormgevers die nu internationaal bekend zijn, zoals onder meer Hella Jongerius en Studio Job, hebben bij VIVID hun eerste baanbrekende tentoonstellingen gehad.

Het werk van Van der Stokker oogt decoratief, naïef en zoet. Ogenschijnlijk hoef je niet te lang na te denken om de cartoonachtige tekening te begrijpen en de vrolijke kleuren doen zelfs de grootste cynicus even glimlachen. Het comfortabele wollen tapijt nodigt uit om het moede kunsthoofd op een van de gekleurde cirkels neer te leggen. Het blijkt een perfect tegengif tegen de brave gelijkvormigheid die Art Amsterdam dit jaar typeert. Hier blijft het echter niet bij. De oranje vormen aan de linkerkant van de muurtekening lijken oplaaiende vlammen, die het werk binnen de kortste keren zullen verzengen. Aan de rechterkant staat het woord mistake. Dit roept vragen op over het bestaansrecht van het werk zelf, maar tevens over de plek waar het wordt getoond en de twijfel van de kunstenaar om de opdracht aan te nemen. Allemaal essentiële vragen die nergens anders op Art Amsterdam zo speels en terloops, maar toch pregnant aan de orde worden gesteld.

Het spel en de ontregeling

Stefan de Graaf
Simon Gush, IN THE COMPANY OF (2008)

Wie de plattegrond van de deelnemers aan de 27e editie van Art Amsterdam voor zich houdt ziet een plattegrond van een stadion, een arena. Aan weerszijden de goals, die hier het parkterras en het zuidterras heten. Met op het speelveld de spelers, door Art Amsterdam aangeduid als een mix van ‘het jongste talent’ en ‘gevestigde namen uit de naoorlogse beeldende kunst’. Tot hier de vergelijking. Breekpunt in de gelijkenis met een speelveld is de pontificaal in het centrum geplaatste groepsstand, genaamd No Holds Barred.

No Holds Barred biedt ruimte aan 12 kunstprojecten. De titel is ontleend aan het Amerikaanse show-worstelen en betekent ‘geen restricties, geen regels’. In de context van Art Amsterdam betekent het een vrijplaats, een moment onaangedaan door de wereld van geld, markt, vraag en aanbod.

Eén van deze 12 projecten is een videoinstallatie van de Zuid Afrikaanse Simon Gush (1981), getiteld In the Company Of (2008). Komisch, zo op het eerste gezicht. Het werk toont een registratie van tien voetballende jongemannen op een rangeerterrein. Door de overdwars liggende treinsporen stuitert de bal steeds in onverwachte richtingen of komt klem te zitten tussen een wissel. Meer flipperkast dan voetbal.

Witte lijnen over rails en grind markeren de grenzen van het speelveld. Het terrein met op de achtergrond de gerangeerde wagons is – op de voetbalteams na – verlaten. Geen spoor van menselijke aanwezigheid, laat staan publiek. Het roept bij mij een associatie op met het werk van de Dogma 95 filmmakers, die zich vrijwillig beperkende regels oplegden. De hindernissen belemmeren de controle over het spel. Een spel beheersen betekent het minimaliseren van toevalsfactoren binnen vastgelegde regels, maar hier wordt het toeval opzettelijk een handje geholpen.

Ik herinner me de film Zidane (2006) van Douglas Gordon en Philippe Parreno, waarbij het volgen van een voetbalwedstrijd een individuele aangelegenheid wordt door één van de spelers, Zinedine Zidane, op de voet te volgen. Betrokkenheid met de individuele speler zie je ook bij In the Company Of. Elke speler wordt individueel weergegeven door één speaker. De tien spelers hebben daarmee elk een eigen stem.

De spelers van In the Company Of zijn allen immigranten. Die wetenschap maakt het werk tegelijk een komisch understatement over de manier waarop immigranten zich proberen te handhaven in een cultuur waar zij niet thuis zijn. In het kader van Art Amsterdam is het werk slechts één ontregeld spel binnen een groter geheel van spelen.

Simon Gush, IN THE COMPANY OF (2008)
Femke Schaap, PROPOSAL FOR LUNA PARK #11 (2011)

De galeriehouder staat bij Art Amsterdam voor een eeuwige tweestrijd: aan de ene kant een interessante presentatie neerzetten, aan de andere kant gewoon keihard verkopen. Vaak gaan deze twee aspecten niet samen, vandaar dat de organisatie vorig jaar No Holds Barred in het leven heeft geroepen. Een paar jongere galeries wordt de ruimte gegund om eens helemaal los te gaan en de regels even te laten voor wat ze zijn. Het enige echte criterium: de voorgestelde solopresentatie moet passen in een ruimte van 5 bij 5 meter. In het hart van de beurs zijn de twaalf presentaties te zien die door een jury uit 79 inzendingen zijn gekozen. De Amsterdamse galerie Metis_nl selecteerde het werk van Femke Schaap (Woerden, 1972).

Haar Proposal for Lunapark #11 is het voorlopige eindresultaat van een serie kleinere installaties die ze eerder maakte. Wat begon als een projectie met video-beelden van schreeuwerige kermisfaçades in miniatuurformaat is vereenvoudigd tot een installatie waarbij geometrische vormen zich duizelingwekkend over ronde en rechthoekige oppervlakten manoeuvreren. De lichtprojecties bewegen al draaiend, van links naar rechts en op en neer over de stukken piepschuim die in de ruimte zijn geplaatst. Wat rest is een caleidoscopisch landschap dat wel refereert aan een aantrekkelijke pretpark sensatie, maar dat toch – ook door het ontbreken van geluid – sereen en sober oogt. Ingehouden en hysterisch tegelijkertijd.

‘Uiteindelijk wilde ik een werk maken dat minder letterlijk was en waarbij de nadruk meer zou liggen op vorm en licht. Een soort landschap dat wel refereert aan een kermis, maar waarbij je niet direct begrijpt waarom.’

Ook bij Metis_nl zelf is een werk van Femke Schaap te zien. Op een kleine tafel zijn elementen uit Proposal for Lunapark #11 teruggebracht tot vier knipperende objecten, die als fotolijstjes op de tafel zijn geplaatst. Deze zogenaamde tabletop video-installaties zijn vrij gebruikelijk in het werk van Schaap. Ze hebben de maat van een televisie of een krant die de dagelijkse realiteit naar de huiskamer brengt.

‘Onze wereld bestaat heel erg uit geconstrueerde beelden. Mijn werk gaat over fysieke beleving en de manier waarop je die naar iets mentaals vertaalt. En over hoe een kunstmatige werkelijkheid een virtuele stempel drukt op het dagelijks bestaan. Het maakt daarom wel degelijk uit waar je je bevindt als je de projectie bekijkt. Bij de installatie Proposal for Lunapark #11 had ik dan ook liever een tweede deurtje in de ruimte gehad. Nu is het meer een bewegend schilderij van een afstand en heeft het meer het effect van een kijkdoos. Maar ach, dat zijn natuurlijk beperkingen die er een beetje bij horen als je op een beurs als Art Amsterdam staat.’

Zaaloverzicht MAY IN A'DAM, Nieuw Dakota

De periferie, niet het centrum, daar moest je zijn. Iets van die strekking betoogde ik naar aanleiding van Art Rotterdam. Daar zou ik ook nu, in het kader van Art Amsterdam, voor willen pleiten. Dat Art Amsterdam teleurstelt is de afgelopen dagen ruimschoots besproken: de grote galeries ontbreken, het aanbod is behoudend en past overwegend boven de gemiddelde bank. We lopen er, kortom, niet warm van. Maar genoeg gelamenteerd. Laten we het voorbeeld van whatspace.nl volgen en ons richten op waar je het komende weekend wél tijd en aandacht aan moet besteden. Het randprogramma van Art Amsterdam heet dit jaar Art in Amsterdam. Het programma bevat overwegend tentoonstellingen en projecten die eenvoudigweg gelijktijdig met de beurs open zijn maar ook een aantal projecten die speciaal voor de beurs zijn georganiseerd.

Bij Nieuw Dakota is bijvoorbeeld May in A’dam te zien, een tentoonstelling met het werk van internationale kunstenaars geselecteerd door de galerie Frank Elbaz uit Parijs. De galerie heeft Nieuw Dakota als het ware tijdelijk overgenomen en verrast vooral met werken van Gyan Panchal die afval- en verpakkingsmaterialen combineert met natuurlijke materialen zoals honing en olie en Susan Collis die stukken sloophout opwaardeert.

P/////AKT en Apice for Artists hebben aangrenzende ruimtes in een oude verfwinkel op een klein stukje industrieel Amsterdam. De Belgische Herman van Ingelgem toont bij P/////AKT een serie objecten die de grenzen van kunst met prettige humor oprekt. Net als bij andere conceptuele kunstenaars gaat het Van Ingelgem niet precies om die plak kaas of die zak cement maar om de geste die hij maakt met kaas, cement, kroonkurk, touwtjes en slingers. Een platgeslagen stoel wordt een hulpeloos liggend mensding. Een dichtgeknepen kroonkurk is een kussende mond met getuite lippen.

Bij Apice voert de jonge kunstenaar Tijl Orlando Frijns de grote verdwijntruck nog verder door. Als ik er niet op gewezen was, had ik niet geweten dat het stuckwerk op de muren ook een werk van hem was, of de pilaar die onhandig uit de muur steekt en waar een klein werkje aanhangt. Zijn sterkste werk bestaat uit de abstracte houten vormen die hoekig staan of hangen.

Verder zijn er dit weekend ook nog beurzen naast die ene beurs. De Affordable Art Fair natuurlijk maar, allicht meer de moeite, de eerste editie van de Amsterdam Art Book Fair bij De Brakke Grond met onafhankelijke uitgevers, kunstenaarsboeken en een inhoudelijk programma.

Susan Collis, DRILLER KILLER (2010)
Herman van Ingelgem in P/////AKT
Tijl Orlando Frijns in Apice for artists

Rampen en kinderspel

Marianne van Dijk
Abner Preis, THE FLOWER (2011)

Als een malafide architect presenteert Abner Preis een bouwsel dat nog het meest weg heeft van een maquette, maar dan van een ingestorte stad. The Flower bestaat uit bezweken huisjes, overgoten door een witte substantie, gepresenteerd op een plat vlak op schagen. Het lijkt erop dat Preis ons de gevolgen van een ramp onder de neus wil wrijven, wat bevestigd wordt door het enigszins sentimentele verhaal van een grootmoeder en haar kleinzoon, dat via luidsprekers te horen is: ‘a shake spilled our tea and smashed our table’.
 
Maar als we ons met gepast ontzag rond de catastrofe bewegen, ontdekken we tussen de witte troosteloosheid een rood bloemetje. Van Lego. Wie vaker verhalen van Preis heeft gehoord, weet ook wel dat ze altijd een happy end hebben van het soort dat in Disneyland niet zou misstaan, maar in het geval van The Flower doet het de vraag rijzen of hij het leed van rampen wel serieus neemt. Of probeert hij ons duidelijk te maken dat het grootste onheil niet van de natuur buiten ons komt, maar van onze eigen natuur, waarin cynisme lijkt te prevaleren over positiviteit.

Ook Sylvie Zijlmans laat kinderspel de hoofdrol spelen in een ramp geïnspireerd op tsunami’s. Zij zet ons middenin de huiskamer waarin de ramp zich voltrekt. Dat heeft inderdaad het effect dat we ons het drama beter voor kunnen stellen, beter dan wanneer we haar via helikopterbeelden op het journaal zien. Maar Zijlmans’ foto’s vormen niet zozeer een nieuwe journalistieke invalshoek. Het gutsende water is gepresenteerd in schilderij-achtig licht, druipende boeken en servies zijn gerangschikt in een uitgebalanceerde compositie. Dit is een portret van een waterramp, zoals je ook een portret van een mooie vrouw zou kunnen maken.

Een raadselachtig portret is het wel, want je ziet niet waar het water vandaan komt – de ramen zijn nog heel – en het lijkt alleen maar op de tafel te vallen waar kinderen onder schuilen. Dat geeft een science fiction-achtige sfeer aan de beelden. We kunnen de omvang en aard van de ramp hier niet overzien, wat maakt dat hij ook niet hoeft te worden ingedeeld in een disneyland-categorie als goed of kwaad. Als het waterportret kon glimlachen zou het een glimlach van Mona Lisa zijn, een die al onze aangekoekte ideeën over rampen spottend wegspoelt.

Sylvie Zijlmans, THE GUILTY (2009)

Twente Biënnale is een nieuw evenement met een uitdagend programma van hedendaagse kunst, dat plaats vindt op 3 hectare industrieel erfgoed nabij het centrum van Hengelo (OV). Internationaal bekende kunstenaars (Abner Preis, Atelier van Lieshout, Marc Bijl) worden kriskras gemixt met oost-Nederlandse talenten uit de kunst(opleidingen). Op woensdag 18 mei is er een gratis symposium met onder andere Joost Zwagerman, Rob Scholte en Anna Tilroe.Twente Biënnale vindt voornamelijk plaats in en om de fabriekshallen van het voormalige Hazemeijer Holec. (YJ)

In 1862 formuleerde de liberale staatsman Thorbecke het credo ‘de regering is geen oordelaar van wetenschap en kunst’. Dat houdt in dat de staat principieel geen oordelen uitspreekt over de inhoud van kunsten en wetenschappen en evenmin de richting bepaalt waarin kunst- en wetenschapsbeoefening zich moeten ontwikkelen.

In het kader van de huidige bezuinigingen op kunst en cultuur maak ik mij dan ook niet zozeer zorgen om de bezuinigen zelf, omdat dit soort maatregelen in tijden van recessie van maatschappelijk belang en veelal van tijdelijke aard zullen zijn. Ik maak mij eerder grote zorgen over de mate waarin rechts het kunst- en cultuurbeleid inzet als politiek instrument en hiermee het credo van Thorbecke tracht te ondermijnen door de kunst- en cultuursector in het debat af te doen als een nutteloze staatspost. 

Er van uitgaande dat het kabinet de ministeriële verantwoordelijkheid voor kunst en cultuur de komende jaren deels wil overdragen aan particuliere initiatieven, zou je verwachten dat maatschappelijke implementatie zeer belangrijk is om een dergelijke overheveling effectief te laten plaatsvinden, met name wanneer het gaat om het nut van de autonome ontwikkeling van de kunst.

Niets lijkt echter minder waar wanneer we de suggestieve verantwoording van de bezuinigen in ogenschouw nemen. Kunst zou namelijk een ‘linkse hobby’ zijn uitgevoerd door flierefluitende profiteurs van de staat, die we als maatschappij en kostenpost op de rijksbegroting liever kwijt dan rijk moeten zijn. Hoe kan je als regering verwachten dat deze overheidstaak deels zal worden overgenomen door de burger zelf, zeker wanneer het draagvlak voor de kunst binnen onze samenleving al relatief klein is? Stuur je dan als regering niet bewust aan op het vernietigen van deze sector en stuur je hiermee de kunst niet in een richting waarvoor Thorbecke juist wilde waken? 

Het gevaar schuilt hem dan ook in de populistische toon van enkele rechtse partijen, die enkel datgene propaganderen wat onder de bevolking zou leven. Juist de doorvoering en bevestiging van deze ideeën maken het onmogelijk om de kunst- en cultuursector op zowel de korte als lange termijn te privatiseren. Als de kunst zich moet zien te verhouden tot de on demand cultuur waarin we vandaag de dag leven, dan zal het belang van het experiment ten ondergaan aan de vanzelfsprekendheid van de vraag van de massa.

Het is dan ook de duale positie van de kunst ten opzichte van de democratie die middels dit discours naar voren wordt gebracht en die we in ons eigen belang zeker niet moeten onderschatten. Ik zou de laatste zijn die wil betogen dat kunst niet kan bestaan zonder overheidssteun. Er zijn immers tal van voorbeelden uit het buitenland met een levendig kunstklimaat zonder deze steun. Als we kijken naar de verwijdering tussen het gros van de maatschappij en de kunsten in ons land en daarbij de negatieve houding van de regering optellen, dan kan kunst hier (voorlopig) niet bestaan zonder overheidssteun.  

Ik zie educatie als een van de belangrijkste middelen om het belang van een autonome ontwikkeling van de kunst tot een maatschappelijke vanzelfsprekendheid te verheffen. Dit betekent naar mijn idee dat men vaker bewust met kunst in aanraking moeten komen om het belang ervan te kunnen begrijpen, zonder kniebuiging van de kunstenaar of kunstwereld. Iets dat reeds moet beginnen op de basisschool.  

Ook als galeriehouder zie ik hier mijn verantwoordelijkheid. Een galerie is bij uitstek een ruimte die grotendeels afhankelijk is van particuliere inmenging. Binnen mijn doelstellingen (en dat van een aantal andere galeries) betekent dit niet dat ik toon wat men wil zien volgens het algemene markteconomische principe van vraag en aanbod. Ik wil juist het experiment tonen, met grote aandacht voor de context en vind het belangrijk dat mijn galerie functioneert als actief platform waar eenieder zich welkom voelt om de tentoonstellingen te bekijken, maar waar ook ruimte is voor ontmoeting en informatie-uitwisseling.  

Een actief debat rondom de herdefiniëring van traditionele rolverdelingen binnen de kunst is mijns inziens naast educatie dan ook van groot belang om een levendig kunstklimaat in Nederland te bewaken. Om zelf actief bij te dragen aan dit debat zal ik op 11 juni aanstaande in samenwerking met curator Fleur van Muiswinkel een ‘Speakers’ Corner-event’ organiseren in mijn galerie.

Ik wil dit betoog dan ook afsluiten met de uitnodiging voor eenieder betrokken bij de kunstwereld om tijdens dit event zijn of haar mening, ideeën of strategieën ten aanzien van de huidige bezuinigen publiekelijk te delen zodat we gezamenlijk tot alternatieven kunnen komen om het tij van populistisch rechts te keren en om het credo van Thorbecke te beschermen!

En dan

Jaap Röell
Dominique Teufen, OFFICE DAYDREAM

De bekende uitspraak van Henry Ford dat de T-Ford in alle kleuren kon worden geleverd zolang het maar zwart was, is ook van toepassing op de installatie die de Zwitserse Dominique Teufen (1975) in Utrecht laat zien, als het maar grijs is.

Grijs in alle nuances, opgebouwd uit zwart en wit. Daar is niets saais aan, integendeel. De kleuren spatten er in feite vanaf voor wie wil kijken en zich wil laten meeslepen in de oceaan van kleurschakeringen, zolang het maar een van de ontelbare accenten van grijs is. 

Teufen heeft haar installatie bij Moira in Utrecht opgebouwd rond een imaginaire kantoorruimte: grijze Heugaveld tapijttegels, grijze ladekasten, stoel, ordners, prullenbakken vol met grijze papieren, zelfs een grijs gemaakte plastic fles Ajax vloerreiniger; maakt alle afwasbare oppervlakten snel en streeploos grijs. Aan deze installatie geeft ze de omineuze titel Office Daydream.

Je ziet de af en toe weemoedig uit het raam (volgens contract één maal per twee maanden door de glazenwasser gelapt) starende ondergewaardeerde secretaresse dromen over haar grijze prins op een appelschimmel. De foto van het paard hangt aan de witte muur. Alleen de treurig makende verlepte kamerplant in de hoek van de kantoorkamer ontbreekt. Bij Teufen springen enkele madeliefjes, vanzelfsprekend grijs, uit het kantoorbrede tapijt.

Zij houdt van grijs: het is allesomvattend, alles in zich hebbend. In de installatie plaatste ze een bord waarop schematisch alle Golden Artist Colors zijn vermeld zoals rood, oranje, violet, blauw, groen, maar dan in grijs uitgevoerd. Een fascinerend schema van een kleurenpalet van de eindeloze reeks van licht naar donkergrijs en weer terug. Je leest de kleur, je ziet grijs. Een grijze regenboog.

Teufen is in 1999 naar Nederland gekomen om artistieke vrijheid te zoeken aan de Rietveld Academie. Daarvoor studeerde ze een jaar aan de Kunstacademie in Basel maar vond het er te schools. Na de Rietveld is ze een paar jaar gaan reizen – Australië, Verenigde Staten, er staat bij Moira ook een grijze doos met grijze koffers en een grijze wereldkaart – om vervolgens in 2010 haar MA Fine Arts aan de St. Joost Academie in Breda af te ronden.

Het ultieme bewijs van de kleurrijkheid van grijs levert Teufen in haar werk American Sunset. Zij zag ergens in Amerika een op het trottoir gevallen ijsje. Het smolt. Ze maakte er een foto van. De vele kleuren van de ondergaande zon werden weerspiegeld in het smeltende ijsje. Die foto heeft ze helemaal grijs gemaakt maar op de achterkant ervan de drie primaire kleuren – blauw, geel, rood – in neonverf aangebracht. De foto hangt 9 cm van de witte muur. Als je er schuin voorstaat zie je de neonkleuren op de achterwand schemeren alsof ze uit de grijze voorkant van het gefotografeerde ijsje voortkomen. Het bewijs is geleverd; grijs is de moeder van alle kleuren.

Dominique Teufen, GOLDEN ARTIST COLORS
Dominique Teufen, AMERICAN SUNSET