Casting Call? #1

All the Cunning Stunts
All the Cunning Stunts, Casting Call?, 2015 (oorspronkelijk in opdracht gemaakt van de Nieuwe Vide, Haarlem).

All the Cunning Stunts is een vierkoppige kunstenaarsgroep die op ludieke wijze kijkt naar hoe queer-representaties worden gevormd door populaire cultuur en identiteitspolitiek. De groep werkt veel in de openbare ruimte en doet performances. De lijntjes met het publiek zijn daardoor kort. In 2010 maakte de groep een project in reclamelichtboxen op straat in Wellington, Nieuw-Zeeland. Het viertal plaatste kleurrijke posters boordevol referenties naar popcultuur. Met deze posters wilden ze de representatie van online LGTQI+ groepen bevragen, door ze naast elkaar te plaatsen met mainstream reclame.

Met Casting Call? (2015) nodigt All the Cunning Stunts wie dan ook uit om auditie te doen voor een nieuw videowerk. De afbeeldingen spelen met het idee van een gefragmenteerd zelf. Met hedendaagse internet(beeld)taal wijzen ze ons op verschillende kanten van het zelf die we willen laten zien: online, op straat. Dit kan zowel worden opgevat als kritiek maar ook als een uitnodiging om andere facetten – een queer-kant – van jezelf te laten zien. Op speelse wijze blijft het doel van de uiteindelijke video onbepaald.

Kun je queering toepassen op een museumcollectie? Deze vraag vormde het uitgangspunt voor een ietwat enerverende middag in het Van Abbemuseum bij het project Queering the collection. Toevalligerwijs was het carnaval vierende Eindhoven die dag het kader voor mijn museumbezoek. Wellicht was dit geen beter moment om op avontuur te gaan door het museum.

Het Van Abbemuseum streeft er op verschillende manieren naar om steeds inclusiever te worden. Het museum staat erom bekend constant het instituut ‘museum’ te overdenken en biedt verschillende ‘tools’ aan om de collectie op een andere manier te ervaren. Queering kan worden gezien als één van deze methodes. Queering gaat verder dan alleen onderwerpen rondom LHBT-kwesties te bespreken en homoseksualiteit in de kunst te onderzoeken. Met name het tegendraadse, het onverwachte en het fluïde in seksualiteit, identiteit, en politiek staan in het proces centraal. Het verwerpt daarbij de algemene categorieën en standaarden, als de man-vrouw indeling.

Het museum zet hierin een eerste stap door de toiletten in het gebouw tot gender-neutrale toiletten om te toveren. Doorgaans wordt bij het gebruik van toiletten slechts onderscheid gemaakt tussen twee genderidentiteiten: man en vrouw. In deze veranderende tijden waarbij gender een steeds ruimer begrip omvat, is het achterhaald om deze beperkende indeling aan te houden. Mensen met een minder eenduidige identiteit kunnen zich gekwetst voelen of in een hokje geduwd worden. Deze vervelende confrontaties wil het museum juist voorkomen door gender-neutrale toiletten te hanteren en inclusiviteit zo ook terug te laten komen in de facilitaire voorzieningen.

Maar het Van Abbemuseum wil deze inclusiviteit verder trekken door queering ook op de collectie toe te passen. Het wil hiermee de zichtbaarheid van LHBT-erfgoed in de kunst vergroten. Handvatten die hiervoor worden gegeven zijn een mantel en een sjaal die je als bezoeker kunt aantrekken. De mantel heeft afbeeldingen van enkele kunstwerken uit de collectie. De sjaal is voorzien van termen gelieerd aan LHBT-kwesties als ‘androgynous’, ‘cisgender’, ‘tomboy’, of ‘transphobia’ (jammer genoeg in het Engels). Het museum beweert dat bezoekers zo informatie van hun ‘eigen’ kledingstuk en van andere bezoekers kunnen lezen die ook deze tool gebruiken. Zo word je uitgenodigd om vanuit een ander vertrekpunt naar de kunst te kijken. Maar is dit mogelijk?

Rondwandelend door het museum ga je op zoek naar de specifiek op queering uitgezochte kunstwerken. Als bezoeker ben je meer bezig met het spotten van de regenboogkleurige Q op de titelbordjes dan daadwerkelijk de kunst te aanschouwen en te overdenken. Je vergeet aandachtig om je heen te kijken. Dit lijkt me tegendraads. Moet kunst juist niet in een grotere context worden geplaatst, rekening houdend met de heersende tijdsgeest, culturele gebeurtenissen, tradities, politieke evenementen? Heeft een Javaanse danser van Isaac Israëls bijvoorbeeld iets te maken met queering? De danser, een man, is gehuld in een traditioneel Javaans kostuum en draagt enkele sieraden. Zijn traditie, een ander cultuur en daarbij andere gebruiken, niet essentieel hier? Is een verklede man uitzonderlijk? Of het beroep dat hij uitoefent? Of is het feit dat deze vragen bij mij opkomen juist wat het museum wil? Draagt dit bij aan ‘queering the collection’?

Als bezoeker word je sterk gestuurd doordat een enkel werk specifiek is uitgekozen en bestempeld tot queering. Het is echter niet altijd duidelijk waarom dat werk in het plaatje past. Het is een raadsel waarom bijvoorbeeld Les animaux de la ferme (1974) van Marcel Broodthaers die Q-stempel krijgt. Broodthaers was gefascineerd door de manier waarop René Magritte woorden gebruikte om een visueel beeld tegen te spreken. In Les animaux de la ferme vervangt Broodthaers de namen van de veerassen door die van autofabrikanten. Hier speelt hij visuele en taalkundige betekenissen tegen elkaar uit. Het in hokjes stoppen van mensen en het labelen van bepaalde voorkeuren zouden in dit opzicht op dit werk aansluiten. Zouden. Want dit is verre van een vanzelfsprekende aanname. Het is gemakkelijk om werken uit te kiezen die een element van queering bevatten. Maar behoudt het werk dan wel haar waarde? De oorspronkelijke betekenis van een werk en de context waarin het geproduceerd is blijven door deze methode links liggen. En dat lijkt me niet de intentie van dit project.

Queering the collection is een ludiek project dat wel degelijk essentiële kwesties rond identiteit, sekse, seksualiteit en politiek aan het licht wil brengen. Echter werkt het dragen van een kostuum en het labelen van bepaalde werken het inclusiviteitsgevoel tegen, terwijl dit het juist zou moeten vergroten. Dit is in schril contrast met de carnavalsvierders waar samenhorigheid, groepsgevoel en het dragen van kostuums de overhand hebben. Het Van Abbemuseum toont wel degelijk durf met dit initiatief. Het blijft belangrijk om kunst te overdenken en de toeschouwer op een andere manier te leren kijken. Echter, laat de kunst zelf spreken en laat het haar waarde en betekenis behouden. Daar is geen regenboogkleurige Q voor nodig.

Wat is (hier) queer?

Léon Kruijswijk
Ulay, (S)HE, 1973

Rondom de recente verkiezingen in de VS ging het filmpje van de artistiek veelzijdige en genderfluïde Mykki Blanco viral waarin hij het gedicht I want a president (1992) van kunstenares Zoe Leonard voordraagt. Hij noemt verschillende minderheden die vanwege hun seksualiteit, culturele identiteit of sociaaleconomische omstandigheden gemarginaliseerd worden. Zo zou Blanco bijvoorbeeld graag een lesbische vrouw, iemand met aids of iemand die ooit seksueel is geïntimideerd als de volgende president zien. Het gedicht schetst op confronterende wijze de eenzijdigheid van vroegere en huidige presidentskandidaten en de talloze gemeenschappen die zich niet kunnen identificeren met het heteroseksuele, witte establishment.

Zo’n establishment neemt niet alleen in de politiek een dominante machtspositie in, maar ook in de Nederlandse kunstwereld. Er zijn nauwelijks LGBTQ+-perspectieven te bekennen. Dat deze groepen niet gerepresenteerd worden ligt niet aan de kunstenaars. Velen spelen sinds jaar en dag met seksuele identiteiten en/of gender: Alice Austen met haar foto’s van vrouwen in mannenkleding (ca. 1896), Marcel Duchamp’s met zijn alter ego Rose Sélavy (ca. 1920), Ulay met zijn vroege polaroids (ca. 1973), Robert Mapplethorpe met zijn foto’s van fetisjen (ca. 1979) en Nan Goldin met haar representaties van LGBT-subculturen en de aidsepidemie (ca. 1993).
Het probleem ligt echter bij de instituten die zich nauwelijks toeleggen op de representatie van onderwerpen, perspectieven en thematiek met betrekking tot mensen die lesbo, homo, bi, transgender, interseksueel, aseksueel of queer zijn. Deze laatste term wordt het vaakst gebruikt binnen de kunsten om LGBTQ+ thematiek aan te duiden. In dit essay doe ik een poging om meer duidelijkheid te scheppen over de betekenis van een complex en gelaagd begrip als queer, over een veelal verwarrende afkorting als LGBTQ+ en over de verhouding tot de hedendaagse beeldende kunst in Nederland.

Queer-theorie kwam in de tachtiger jaren op in de sociale wetenschappen.[1] Belangrijk binnen het debat van seksualiteit en genderidentiteit is het besef van de eigen positie en welke privileges dit wel of niet met zich meebrengt. Het concept queer is niet inwisselbaar met gay, homo of lesbisch. Queer is een term die wordt gebruikt om constructies van een identiteit te bevragen. Aan dit construeren van een identiteit liggen verwachtingen ten grondslag van zowel maatschappelijke als persoonlijke aard (‘wie ben jij?’ of ‘wie ben ik en wie wil ik zijn?’). Ik ervaar het als een blokkade dat binnen het Nederlandse kunstdiscours weinig discussie is over kunst en kunstenaars die een perspectief bieden dat anders is dan heteronormatief, wit of cisgender.[2]
De term queer behelst homoseksuele, lesbische, biseksuele, transgender en zelfs heteroseksuele strategieën als tegenhanger van heteronormativiteit en cisgender-identiteiten.[3] Ook is het tegengesteld aan homonormativiteit, wat staat voor de vereenzelviging van LGBT-personen en cultuur met heteroseksuele normen, waarbinnen witte, cisgender, heteroseksuele middenklassen dominant zijn. Een voorbeeld van homonormativeit is het legaliseren van het homohuwelijk. Het huwelijk wordt namelijk beschouwd als een heteronormatief instituut, aangezien het traditioneel enkel een verbond was tussen man en vrouw.[4] Zodoende houdt queer-theorie dominante, diepliggende structuren tegen het licht om posities van gemarginaliseerde personen en gemeenschappen te bevragen op het gebied van seksualiteit, gender en culturele identiteit.

Tegelijkertijd is de afkorting LGBTQ+ aan verandering onderhevig omdat sommige gemeenschappen zich niet met een van de termen kunnen identificeren. Vandaar wordt de ‘+’ toegevoegd om dat te ondervangen.[5]
Niet iedere LGBT-er identificeert zichzelf als queer. De term queer heeft dan ook een sociaal-politieke lading met als doel normatieve concepten van mannelijkheid en vrouwelijkheid te ontwrichten, categorieën van gender en seksualiteit te ontkoppelen, de tweedeling van heteroseksueel en homoseksueel te destabiliseren, en om seksueel pluralisme te erkennen.[6] In mijn ogen is het domein van de kunsten dan ook erg geschikt voor dergelijke bevragingen. Met de verbeeldingskracht van een kunstenaar kan voorbij reeds bestaande kaders, beelden of verstandshoudingen worden gedacht. De macht om deze bevragingen ook in het publieke kunstdomein te laten plaatsvinden is in institutionele handen. Instituten kunnen immers beschouwd worden als spiegels van de maatschappij en als verlengstuk van de openbare ruimte.

Verreweg de meeste queer-kunstpraktijken vinden een podium bij alternatieve underground initiatieven, zogenaamde safe spaces, omdat ze de strijd aangaan met dominante kaders. Het Amsterdamse voorbeeld van een safe space is de Vrankrijk dat stamt uit de kraakscène van de jaren tachtig. Bijna iedere week host het WTF Wednesday Queer Night met een cultureel diverse gemeenschap als publiek. Kunst als expressiemiddel vindt op zo’n plek vaak plaats in de vorm van performances; een kunstvorm die vanwege het tijdgebonden, kortstondige karakter lastig is te institutionaliseren. Zo schuilt er een paradox in mijn pleidooi om meer queer-perspectieven in Nederlandse kunstinstellingen toe te passen, en dus te institutionaliseren, omdat queer juist reeds geïnstitutionaliseerde normen en kaders wil ontwrichten.

Institutionele pogingen in Nederland om op kunstzinnige wijze inclusiever te zijn op het gebied van LBGTQ+ gemeenschappen zijn er zeker, zij het minimaal. Een voorbeeld is de erfgoedorganisatie IHLIA die een collectie beheert met als doel de geschiedenis van de LGBT-gemeenschap te documenteren. Het Amsterdam Museum en het Stedelijk Museum organiseerden in 2016 rondom de jaarlijkse Pride een programma met LGBTQ+ kunstenaars. Ook verzamelt eerstgenoemde objecten rondom genderdiversiteit, met name naar aanleiding van de tentoonstelling Transmission uit 2015. Het enige hedendaagse kunstinstituut dat zich structureel toelegt op queer-onderwerpen is het Van Abbemuseum met het programma Queering the Collection, een reeks publieke discussieavonden en gender-neutrale toiletten (zie ook de recensie over Queering the collection bij deze webspecial).
Verder is er een aantal kleinere kunstinitiatieven aan te wijzen dat zo nu en dan projecten rond queer organiseert, zoals NEVERNEVERLAND, Framer Framed en rongwrong. Het buitenland is een stuk verder op dit gebied, waarbij de tentoonstelling Queer British Art 1861-1967 in Tate Britain later dit jaar er met kop en schouders bovenuit steekt. Nederlandse instituten kunnen er nog een puntje aan zuigen.

Het integreren van LGBT+-perspectieven in het algemeen, en queer-perspectieven in het bijzonder, in het Nederlandse kunstdiscours zou een begin zijn om alomtegenwoordige normatieve kaders te bevragen en open te breken om zo ruimte te maken voor andersoortige identiteiten en denkwijzen. Met queer-perspectieven kunnen museale collecties op een andere manier worden gelezen om recht te doen aan mogelijke lagen van kunstwerken of de identiteit van kunstenaars. Het presenteren van meer kunst over  LGBTQ+-kwesties bij kunstinitiatieven en -instituten kan ons helpen om inzicht te krijgen in lokale conflicten of problematiek van gerelateerde gemeenschappen elders. Ook kan kunst voorstellen doen voor queer-toekomsten of utopieën. Een uitbreiding van LGBTQ+-representaties zal uiteindelijk leiden tot betere reflectie van de maatschappelijke diversiteit en meer inclusiviteit van gemarginaliseerde gemeenschappen. De beperkende institutionele representaties van deze gemeenschappen zijn niet voldoende om recht te doen aan het brede palet van seksualiteiten, genders en culturele identiteiten aanwezig in de kunsten, in safe spaces en daarbuiten. Laat de grenzeloze verbeelding van de kunst spreken.

Léon Kruijswijk is freelance cultureel producent en onderzoeker. Hij coördineert o.a. de tentoonstellingen bij Framer Framed en is initiator van de Queer Series.

In het kader van dit essay wilde hij zijn eigen positie weergeven. ‘Als ik mijzelf nauwgezet profileer ben ik een homoseksuele, cisgender, witte man uit de middenklasse, met een queer mindset en een grenzeloze interesse in de fascinerende wereld van de hedendaagse kunst.’

 

[1] Lord, C. en R. Meyer. Art & Queer Culture. New York & Londen: Phaidon Press Limited, 2013: 10.

[2] Cisgender is een term waarmee mensen worden aangeduid van wie de seksuele identiteit overeenkomt met het biologische geslacht waarmee zij geboren zijn.

[3] Schwärzler, D. ‘QQ: Queer and Questioning’ in: Erharter, C. e.a. Pink Labor on Golden Streets. Wenen: Sternberg Press, 2015: 12.

[4] Lees hier meer over homo-normativiteit. Kacere, L. ‘Homonormativity 101: What it is and how it’s hurting our movemen’. Everyday feminism. Datum publicatie: 24.01.2015. Datum bezoek: 06.03.2017 < http://everydayfeminism.com/2015/01/homonormativity-101/>.

[5] Vaak volgen ook de letters I, A, P en K, die respectievelijk staan voor interseksueel, aseksueel, pan-seksueel en kink. Bij de afkorting LGBTQIAPK lopen de termen voor seksualiteit en genderidentiteit door elkaar, waarbij voornamelijk queer betrekking heeft op beide.

[6] Schwärzler, D. ‘QQ: Queer and Questioning’ in: Erharter, C. e.a. Pink Labor on Golden Streets. Wenen: Sternberg Press, 2015: 13.

Alice Austin, JULIA MARTIN, JULIA BREDT AND SELF DRESSED UP AS MEN. 4:40 P.M., THURS., OCT. 15TH. 1891, 1891, © Collection, Staten Island Historical Society, New York
Man Ray, RROSE SELAVY (MARCEL DUCHAMP), 1920, © Man Ray Trust/ADAGP, Paris and DACS, London 2015
Robert Mapplethorpe, BRYAN AND LYLE HEETER, 1979, © Robert Mapplethorpe
Nan Goldin, GOTSCHKO KISSING GILLES, PARIS, 1993
Raúl Ortega Ayala, STILL LIFE WITH MEADOW FLOWERS AND ROSES (AFTER VINCENT VAN GOGH), 2016, Uit de serie FROM THE PIT OF ET CETERA

Op een wandvullende foto is een betonnen muur met daarop afgebladderd behang te zien. Behang met daarop een foto van behang. Tegenover het behang, getiteld Field Note 10-05-16-1 (Wallpaper, Pripyat, Chernobyl), is een vergelijkbaar werk te zien waarop naast verweerde muren ook een half geopende deur zichtbaar is. Toeval of niet, achter de muur waarop dit werk wordt getoond, bevindt zich daadwerkelijk de deur waardoor de bezoeker de galerie binnenkomt.

Het is een spel van verhullen en onthullen in de solotentoonstelling van de Mexicaanse kunstenaar Raúl Ortega Ayala. Naast het recente videowerk The Zone wordt een serie foto’s en werk op houten panelen getoond. Ze maken deel uit van Ortega Ayala’s serie From the Pit of Et Cetera, waarin hij onderzoek doet naar de effecten van social amnesia, een term geïntroduceerd door de Amerikaanse historicus Russel Jacoby. De term, die verwijst naar een ‘collectieve vorm van vergeten’, leidde Ortega Ayala naar Pripjat, de stad in Oekraïne die na de kernramp van Tsjernobyl volledig werd ontruimd.

Gedurende vier jaar bezocht de kunstenaar het gebied meerdere malen, tijdens verschillende seizoenen. Het resulteerde in de video The Zone die de plek op een intieme manier in beeld brengt. De film is opgebouwd uit verschillende cameraperspectieven. Soms zie je de verlaten stad ver van bovenaf gefilmd met drones, waarna je weer direct op de grond wordt teruggebracht alsof je zelf door de overwoekerde gebouwen loopt. In de video vertellen vier voormalige bewoners een persoonlijk verhaal, waarbij je het gebied als het ware door hun ogen bekijkt. Er is een groot contrast tussen de voice-overs waarin de vertellers de herinneringen aan hun geliefde woonplaats met de kijker delen, en de beelden van de geruïneerde gebouwen die je ondertussen te zien krijgt.

De film maakt duidelijk dat Ortega Ayala zich naast zijn rol als kunstenaar ook als antropoloog profileert. In plaats van duidelijk zijn eigen stempel op dit beladen verhaal te drukken heeft hij ervoor gekozen om een observerende positie in te nemen. We zien de kunstenaar zelf niet terug; hij is alleen aanwezig als observant die op gepaste afstand toekijkt om zo het verhaal zelf te laten spreken. Natuurlijk is deze passieve rol gedeeltelijk schijn. Na een periode van vier jaar lang filmen toont hij zeer bewust maar een glimp van de door hem verzamelde beelden. Je wordt als bezoeker niet meegesleept in een dramatisch verhaal van de desastreuze gevolgen van ongrijpbare, uit de kluiten gegroeide technologie, maar enkel meegenomen op een, zoals Ortega Ayala het zelf mooi verwoordt, ‘walk through the present and the past.’

In contrast met The Zone staan de foto’s uit From the Pit of Et Cetera? meer open voor eigen interpretatie van de bezoeker. Terwijl je in de video direct wordt herinnerd aan de vroegere aanwezigheid van mensen in de door de natuur overgenomen gebouwen, schittert de mens door afwezigheid in de foto’s van afgebladderde muren, een openstaande deur of reclamezuilen. Ook in de titels van deze werken maakt Ortega Ayala duidelijk welke rol hij als kunstenaar wil innemen. De foto’s zijn benoemd als field notes, verwijzend naar de onderzoekende en observerende rol die hij vervult.

Een tweede deel van de serie bestaat uit röntgenfoto’s die worden gemaakt om onderliggende beelden op schilderijen zichtbaar te maken. Ortega Ayala heeft ze afgedrukt op houten panelen en vervolgens bewerkt met verschillende materialen. Het resultaat bestaat uit grijstinten, omrand door een zwarte lijst. Met enkel kijken naar deze werken kom je als bezoeker niet heel ver. Afhankelijk van je kunsthistorische kennis is het mogelijk om de oorspronkelijke schilderijen voor ogen te halen waarnaar de titels verwijzen. Zo onthult Still Life with Meadow Flowers and Roses (After Vincent van Gogh) een onderliggende schildering van twee worstelaars. En in het werk Four Figures at a Table (After The Le Nain Brothers) zit onder de bekende voorstelling waarin een simpel arbeidersgezin van een alledaagse maaltijd geniet, een portret van een welgestelde man verborgen. Ook in deze werken speelt Ortega Ayala met de spanning tussen het heden en het verleden, waarbij hij ons erop wijst dat niets is wat het lijkt.

De kunstenaar als charlatan

Rosanne Schipper
Arabian Street Artists, HOMELAND IS NOT A SERIES, 2015 (vertaling: we die…)

Nepnieuws rondom de Amerikaanse verkiezingen, ophef over WikiLeaks, video’s van politiegeweld en Trumps beledigende tweets. De relevantie van een tentoonstelling over politiek geïnspireerde mediakunst had op dit moment niet groter kunnen zijn. In As if: The Media Artist as Trickster staan kunstenaars centraal die zich aan urgente politieke en maatschappelijke kwesties wagen en de invloed die de media uitoefenen op de samenleving aan de kaak te stellen.

As if: The Media Artist as Trickster gaat over de geëngageerde hedendaagse kunstenaar die niet meer vooraan op de barricades staat te schreeuwen in de hoop het verschil te maken. Nee, de kunstenaar wordt neergezet als een ‘trickster’ en activist, een slimme charlatan die door middel van trucs weet te misleiden. Kunst wordt tactisch ingezet om dominante machtsstructuren aan het licht te brengen en te ondermijnen. De kunstenaars in de tentoonstelling hebben hierbij vooral afgekeken van Tactical Media, een politieke en culturele stroming die is ontstaan in de jaren negentig met de opkomst van de nieuwe media, en waarin voor het eerst de krachten van kunst en public relations werden gebundeld om zo misstanden te onthullen.

De tentoonstellingsruimte in Framer Framed is visueel in tweeën gedeeld. Het eerste gedeelte, de zogenaamde Newsroom, toont kunst waarin hacks en verzonnen ‘nieuwsfeiten’ een rol spelen. De werken laten zien hoe nieuws steevast gekleurd is en nog altijd als propagandamiddel dient. De door curatoren Annet Dekker en David Garcia geselecteerde kunstenaars zijn niet vies van een vergaande publiekelijke hoax en geloven dat leugens de waarheid uiteindelijk kunnen onthullen. In het provocerende Dow Does The Right Thing (2004) zien we hoe Andy Bichlbaum van The Yes Men zich voordoet als woordvoerder van Dow Chemical Company, het bedrijf dat verantwoordelijk was voor het gaslek in Bhopal in 1984, waarbij honderdduizenden mensen werden blootgesteld aan schadelijke stoffen. De kunstenaar heeft het voor elkaar gekregen om aan te schuiven in een live-uitzending op BBC World, waar hij publiekelijk bekendmaakt dat Dow de slachtoffers schadevergoedingen zal geven en de bodem gaat reinigen. Het nieuws sloeg destijds in als een bom… Het was echter niet waar. Dow verloor die dag twee miljard dollar op de aandelenmarkt. Met dit werk hebben The Yes Men, net als de andere kunstenaars in de tentoonstelling, het maatschappelijk debat aangewakkerd en nieuwe onderwerpen op de politieke agenda weten te zetten.

Het tweede deel van As if: the Media Artist as Trickster is een tentoonstelling in een tentoonstelling. De muren van dit gedeelte zijn diepzwart geschilderd en bovenin staan met grote plakletters de woorden GUANTANAMO BAY MUSEUM OF ART AND HISTORY. De tekstbordjes hebben een feloranje kleur die herinnert aan de overalls van de gevangenen in de beruchte Amerikaanse gevangenis en de donkere sfeer zorgt voor een beklemmend gevoel.

Dit virtuele museum is samengesteld als onderdeel van het werk van Ian Alan Paul, tevens oprichter van de organisatie. Het bevat een collectie met werken van kunstenaars die reflecteren en kritiek geven op Guantanamo Bay en gerelateerde onderwerpen. Een van de intrigerende werken die Paul heeft geselecteerd als onderdeel van het project is de video Homeland Is not a Series (2015) door de kunstenaarsgroep The Arabian Street Artists. In deze video zien we hoe de makers door de Amerikaanse televisieserie Homeland werden gevraagd om graffititeksten te spuiten op muren die dienden als decor. De kunstenaars maakten echter gebruik van de mogelijkheid om in het Arabisch kritiek te leveren op de opdrachtgever. Zij schreven satirische teksten die pas werden ontcijferd nadat ze al waren uitgezonden.

Ook verschillende websites, gebouwd door kunstenaars, vormen onderdeel van Pauls collectie. Zo maakte het collectief UBERMORGEN.COM in 2000 de website voteauction.com, die het deed voorkomen alsof Amerikanen tijdens de presidentsverkiezingen hun stem konden verkopen aan de hoogste bieder. The Yes Men lanceerden lanceerden in 2016 sharethesafety.org, die de indruk wekte dat de National Rifle Association beweerde dat gevaar lopende burgers een pistool gedoneerd kregen. Pauls uitwerking van het ‘Guantanamo Bay-museum’ is erg sterk en geeft diepte aan de tentoonstelling. Jammer is echter dat dit concept niet duidelijk wordt toegelicht, waardoor waarschijnlijk een groot deel van de bezoekers het narratief er niet uithaalt.

Los van elkaar zijn de kunstwerken in de tentoonstelling zeer krachtig, maar vooral de samenhang maakt indruk. As if: The Media Artist as Trickster is activistisch en speelt in op radicale bewustwording. Toch voelt de tentoonstelling niet zwaarbeladen of deprimerend aan, maar eerder als het wakker worden uit een roes. De kracht van kunst bij het aankaarten van maatschappelijke problemen kan nog altijd niet worden onderschat. Deze kunstenaars signaleren niet slechts problemen, maar hebben het heft in eigen handen genomen. Dit doet beseffen dat de media ons dan misschien wel dagelijks beïnvloeden, maar dat wij als burgers net zo goed zelf druk kunnen zetten: If you can’t beat them, join them.

Arabian Street Artists, HOMELAND IS NOT A SERIES, 2015 (vertaling: Homeland is racist)
Arabian Street Artists, HOMELAND IS NOT A SERIES, 2015 (vertaling: #blacklivesmatter)
Ian Alan Paul, GUANTANAMO BAY MUSEUM OF ART AND HISTORY (since 2012)
Tentoonstellingsoverzicht Englishes

Sinds 2013 verkent Nicoline van Harskamp ‘Englishes’ – de verschillende versies van de Engelse taal zoals zij door niet-native speakers gesproken wordt. In de tentoonstelling Englishes analyseert zij de klasse- en machtsstructuren die met taal gepaard gaan. Het is een terugkerend thema in het werk van Van Harskamp: eerder al legde zij de structuur van retoriek bloot in de performance en video Any Other Business (2009 en 2011) en later onderzocht ze de omvangrijke briefwisseling van de Nederlandse anarchist wijlen Karl Max Kreuger in de video-installatie Yours in Solidarity (2011 – 2013). Ook Englishes is omvangrijk geworden; BAK presenteert een eerste overzicht met acht losstaande video’s en PDGN (2016), het nieuwste werk van het project.

De tentoonstelling heeft als uitgangspunt dat taal geworteld is in klasse- en machtsstructuren, wat ‘Englishes’ tot een politiek geëngageerd onderwerp maakt. Een taal bevestigt dikwijls een culturele hiërarchie: als gevolg van de koloniale geschiedenis van Engeland bijvoorbeeld, hebben ongeveer zestig landen in de wereld Engels als officiële taal, maar blijft het Britse Engels dominant en als enige Engels ‘correct’. Van Harskamp behandelt deze hiërarchie in de video Her Production (2014), door haar eigen uitspraak door een groep fonetici te laten bespreken. Het geluid uit de koptelefoon – de stemmen van de fonetici – wordt visueel begeleid door een vertaling in fonetisch schrift. Opvallend is dat de stemmen van de fonetici zelf merkwaardig zijn, soms zelfs lachwekkend; elke vorm van autoriteit, ook die van de kunstenaar zelf, wordt in dit werk uiteindelijk in twijfel getrokken. De urgentie van het onderwerp wordt zichtbaar in de video Darling Good Night (2016), waarin vluchtelingen in een Noors asielzoekerscentrum in ‘Englishes’ praten over de talen die ze op hun vlucht hebben opgepikt. Voor hen betekent taalbeheersing het verschil tussen een toekomst binnen de samenleving of in de marge daarvan.

Vanuit een politiek perspectief symboliseert de taal ‘Englishes’ een overdracht van macht van de hogere klasse naar de massa. In het toneelstuk van Bernard Shaw uit 1912, getiteld Pygmalion – A Romance in Five Acts, sluit een foneticus een weddenschap af dat hij een eenvoudig Cockneysprekend bloemenmeisje goede manieren kan leren, onder andere door haar netjes te leren spreken. Van Harskamp liet tijdens een performance eenentwintig vertalingen van het stuk door niet-native speakers live terugvertalen naar het ‘Englishes’. Een opvoering van dit script resulteerde in de video A Romance in Five Acts and Twenty-one Englishes (2015). Met deze opzet biedt Van Harskamp een alternatief voor de sociale structuur zoals hij in het toneelstuk geschetst wordt. Zij geeft de macht aan de massa die het stuk collectief herschrijft: een grote symbolische daad, vergelijkbaar met de toenemende emancipatie van het bloemenmeisje uit de tekst.

Als taal en macht zo met elkaar verbonden zijn, zou een nieuwe taal dan macht opnieuw kunnen verdelen? Van Harskamp doet een poging een nieuwe taalwereld te visualiseren in PDGN, het nieuwste werk binnen het Englishes-project, bestaande uit een korte film en een computerprogramma. De korte film PDGN (2016) toont een aantal vrouwen dat zich beweegt in een postapocalyptisch uitziend niemandsland. Zij spreken de door Van Harskamp ontwikkelde taal PDGN – een geëvolueerde versie van het ‘Englishes’ die door samenwerking tot stand is gekomen. PDGN heeft ook geleid tot een computerprogramma, tevens in BAK te zien, dat doorlopend zinnen uit het script in nieuwe versies van Engels verandert. Dit programma is gebouwd aan de hand van supervised learning – taalregels die Van Harskamp handmatig aan het programma heeft toegevoegd. Het roept beelden op van een compleet digitaal gegenereerde taal: ongehinderd door menselijke biases, en ongevoelig voor machtsstructuren. De film PDGN heeft in vorm, met vrouwen die een nieuwe wereld inrichten, een sterk feministisch karakter – eens te meer doordat Van Harskamp ook voor het script uit feministische literatuur putte. Toepasselijk, gezien feministische bewegingen altijd hebben gestreden voor een herverdeling van macht. PDGN is science fiction – het toont een andere voorstelling van de wereld. Deze voorstelling is niet goed of slecht; het resultaat is wat Van Harskamp op haar website toepasselijk als “dystopisch noch utopisch” omschrijft.

Met ‘Englishes’ heeft van Harskamp een zeer vruchtbaar onderwerp gevonden om de relatie tussen taal en macht te analyseren. Het bestaan van Englishes is een gegeven, maar het benoemen als taal levert nieuwe inzichten op. Zou het mogelijk zijn om een nieuwe taal te bedenken die machtsstructuren niet bevestigt, maar juist op losse schroeven zet of herverdeelt? In haar veelzijdige zoektocht naar een alternatief voor de heersende taalorde raakt Van Harskamp aan collectivisme, feminisme en digitale technologie. Haar experimenten met een nieuwe taal zijn niet langer enkel kritisch maar vormen een toekomstvisie, en dat is bewonderenswaardig. Van Harskamps science fiction biedt ons de mogelijkheid om met een maakbare wereld in aanraking te komen. Englishes is een overtuigende uitnodiging aan het publiek om voor te stellen hoe die wereld eruit moet komen te zien.

Nicoline van Harskamp, PDGN (2016)

Nog steeds wordt het genderdebat in de kunsten vaak gevoerd vanuit een scherpe tegenstelling tussen mannen en vrouwen. Het probleem zou zijn dat er te veel mannen de lakens uitdelen, en dat hun leiderschap de ongelijkheid in stand houdt. De heren aan de top zijn de fout, en de dames daaronder de oplossing. Komen we daar ooit uit?

‘Leiderschap is als geld: het heeft geen geslacht’, stelt Frances Hesselbein, ooit CEO van de Amerikaanse Girl Scouts en vandaag een 100-jarige autoriteit in management. Lees: vrouwen aan de top kunnen zich net zo bossy en autoritair gedragen als mannen. Veel cursussen over vrouwelijk leiderschap sturen daar trouwens nog altijd op aan. Ze leren vrouwen om meer mannelijke assertiviteit te ontwikkelen, om extra haar op hun tanden te kweken en zo beter hun mannetje te staan in een mannelijke omgeving. Ze willen vrouwen conformeren, het kwaad verslaan met hetzelfde kwaad. Nochtans is het niet de sekse van de baas die het verschil maakt, wel de manier van leidinggeven en de structuur van de organisatie. Dáár moet het genderdebat in de kunsten over gaan.

WATER EN VUUR IN BALANS
Dit debat moet zich dus niet funderen op een gesplitst, maar op een holistisch denken. Centraal in dit denken staat het streven naar meer eenheid tussen mannelijke en vrouwelijke energie. Die energieën zijn in elk van ons aanwezig, als twee polariteiten van dezelfde levengevende kracht. Mannen hebben dus niet het patent op mannelijke energie, vrouwen niet het patent op vrouwelijke energie. En zo beschikt ook elke organisatie in meer of minder mate over beide krachten. Een holistisch denken kiest voor een dynamische balans tussen beide. Mannelijke en vrouwelijke energie definiëren als twee polaire helften is op het randje van essentialistisch, maar tegelijk bouwt zo’n denken op een eeuwenoude culturele ervaring.

Mannelijke energie is de energie van het vuur. Zij manifesteert zich krachtig tot in het kleinste detail, maar werkt ook allesverterend als ze niet getemperd wordt. Vrouwelijke energie is de zorgende, omhullende energie van water. Het is de energie van intuïtie, introspectie, reflectie. Natuurvolkeren leren ons dat mannelijke energie naar buiten gericht is, vrouwelijke energie naar binnen. Als de stam wordt aangevallen, grijpt de mannelijke kracht naar het zwaard, de vrouwelijke kracht naar de baby.

RADAR OF LASER?
Zelfs al sta je sceptisch tegenover bipolaire denkoefeningen, ze helpen wel om het huidige probleem in onze organisatiecultuur helderder te krijgen. Ze laten toe om evenwicht te vinden van mannelijke en vrouwelijke aspecten van leiderschap. Als ‘vrouwelijke voordelen’ noemt het standaardwerk The female advantage van Sally Helgesen bijvoorbeeld de kunde om relaties uit te bouwen, het vermogen tot directe communicatie, een vanzelfsprekende omgang met diversiteit, de procesmatige aanpak van onderhandeling en de neiging om een ploeg te leiden vanuit het centrum in plaats van top-down. Vrouwelijk leiderschap werkt vanuit een wijd spectrum, meer als een luisterende radar dan als een snijdende laser. Vrouwelijk leiderschap denkt veeleer systemisch dan mechanisch, vanuit een sterke aandacht voor de bredere relaties.

Dat wil niet zeggen dat mannelijk leiderschap minderwaardig of verkeerd zou zijn, noch dat we vrouwelijk leiderschap moeten verheerlijken als de enige juiste weg. Elke vorm kent zijn kwaliteiten én zijn excessen. Het komt er vooral op aan om beide energieën samen te gebruiken op hun hoogste kwaliteitsniveau. De ideale leider is de herder die zich, afhankelijk van de situatie, flexibel kan bewegen tussen die twee polen. Soms zet hij/zij zich bescheiden achteraan de groep om iedereen bij elkaar te houden en te beschermen. Soms gaat hij/zij voor de groep staan wanneer er gevaar dreigt, of wanneer er een duidelijke richting nodig is.

Onevenwichtigheid ontstaat bij een overheersing van de ene op de andere kracht. Als de mannelijke energie in een systeem groter is dan de vrouwelijke, drijven beide polen uiteen. Dan blijft de mannelijke energie groeien, terwijl de vrouwelijke verder krimpt. In een natuurlijke verhouding is de vrouwelijke energie nochtans groter dan de mannelijke: omdat ze naar binnen is gericht, omhult ze de uitstralende mannelijke energie. Alleen zo houden beide tegengestelde krachten elkaar én het systeem in een dynamische balans.

MANNELIJKE CULTUUR
Het is precies die balans die in de kunsten helemaal scheefgetrokken is: de sector neigt te sterk naar de mannelijke pool. Dat zie je vooral aan de suprematie van het artistieke ego in het kunstenveld. De natuurlijke manifestatiedrang van de kunstenaar – mannelijk of vrouwelijk – heeft in onze organisatiecultuur een onaantastbaar, bijna heilig statuut. Zeker in verschillende organisaties die zijn opgebouwd rond succesvolle internationale kunstenaars, wordt desnoods alles opgeofferd aan zijn of haar expansieve creatiezucht en bewijsdrift naar de buitenwereld.

Als je kijkt naar de gebruikelijke indeling van een organisatie kun je stellen dat de vrouwelijke pool zich veeleer toont in de zakelijke en productionele omkadering. Zij is in de kunstenorganisatie de zorgende energie: ze dient en faciliteert de creatieve output en staat in voor de verbinding met de wereld. ‘Het kantoor’ wordt in de kunsten alleen vaak behandeld met een impliciet of expliciet dedain. We hebben er de term ‘overhead’ voor bedacht, als ging het om ‘overlast’. Die omkadering wordt beschouwd als een beperking van het creatieve ego, als een noodzakelijk kwaad voor de realisatie van de artistieke droom.

Artistieke expansie is de norm. In het geval er meer geld komt in een organisatie, gaat dit bijna automatisch naar meer producties en zelden naar meer zorg. ‘Alles voor de kunst’ is een religie geworden, met pausen en al.

In een gezond en duurzaam systeem bestaat tussen die beide polen een dynamische balans. Dit jaar geen vierde productie, bijvoorbeeld, om de ploeg en de balans weer op adem te laten komen. Of er wordt eens niet ingegaan op een prestigieus aanbod voor drie optredens in Azië. Samen groeien en krimpen. In de kunsten blijkt dat moeilijk. Waarom leeft nu zo sterk het gevoel dat iedereen op zijn tandvlees zit? Dat duidt niet alleen op afnemende subsidies, maar ook onevenwichtigheid. Iedereen moet mee in ‘hoger, sneller, beter’: een tandje bijzetten in het weekend, overwerken als norm, nog dieper in het krachtenarsenaal tasten. Want de kunstenaar, om wie alles draait, doet dat ook. The sky is the limit, en de rest moet volgen.

TIJD VOOR TRANSITIE
Natuurlijk is het kunstenveld niet uniek in deze mannelijke overdrive. Het spiegelt de scheeftrekking van een heel maatschappijmodel dat gericht is op groei en expansie. De voorbije eeuwen hebben we die mannelijke kant in al zijn facetten ‘verkend’ en kansen gegeven, op sommige vlakken ook met groot succes. Alleen is de zorg voor het grotere (sociale, culturele, ecologische) geheel tegelijk gekrompen tot een soft skill die meestal aangevoeld wordt als een rem op de ambitie tot groei. Vandaag botsen we op de destructieve gevolgen van dat overwegend masculiene wereldbeeld. Onze maatschappij viert het ik en de eigen natie, loopt zichzelf voorbij in een dwangmatige competitiedrift en dreigt kopje onder te gaan aan een totaal gebrek aan verbondenheid en zorg voor de omgeving. Rationele beheersbaarheid en spreadsheet- management prioriteren het hoofd boven de buik.

Maatschappelijk gezien is een tegenbeweging al zichtbaar. We maken vandaag de opmars mee van een bewustzijn dat kenmerken heeft van vrouwelijke energie: zorg voor het geheel, wij-gerichtheid, introspectie. Kijk naar nieuwe initiatieven van de deeleconomie, co-housing, ecologische transitie of verbindend burgerprotest zoals Hart boven Hard. Volgens economiefilosoof Rogier De Langhe (UGent) gaat het om een fundamentele shift van een verticale hiërarchie naar een horizontaal netwerk. ‘De digitalisering heeft alles omgegooid. Het model van de piramide is vervangen door het model van het netwerk. Dat is veel beweeglijker, past zich sneller aan, valt minder te sturen. Dat zie je niet alleen op sociale media, maar ook bij autodelen of energiecoöperaties: zij functioneren veel horizontaler, in een breder web. We komen van een wereld die beheerst wordt door markt en staat. Door de digitale revolutie gaan we naar een wereld waarin iedereen macht kan uitbouwen.’

GEDEELDE MACHT, DUBBELE MACHT
Loopt het kunstenveld niet achter op deze verschuiving? Al ontwikkelen zich bij een jongere generatie kunstenaars nieuwe en meer collectieve organisatiemodellen, de meeste artistieke structuren blijven vrij star ogen in vergelijking met experimenten in andere sectoren. Dat brengt de kunsten in lastig vaarwater. De complexiteit en de snelle veranderingen van onze samenleving zullen het voor traditioneel mannelijk leiderschap steeds moeilijker maken om snel en adequaat te reageren op de buitenwereld. Strakke structuren met gecentraliseerde kennis en macht zijn daarvoor veel te beperkend. Zij zijn gebouwd op de principes van klassiek ‘2D- of spreadsheet-management’.

Laat niemand de zichtbare kantelingen onderschatten. We staan aan het begin van een paradigmaverschuiving in onze kijk op machtsstructuren. We moeten evolueren naar systemen waarin niet de sterkste, maar de meest wijze krachten leiding geven. Die wijsheid kenmerkt zich door de breedte en de diepte van de blik, de mate van bewustzijn en de relativiteit van het ego. Het lijkt er zelfs op dat we evolueren naar organisaties zonder één directieve leider aan de top. Zo onderzoekt de Antwerpse kunsthal Extra City de mogelijkheid van een gedecentreerd organisatiemodel waarin elke medewerker eindverantwoordelijk wordt voor zijn of haar deelterrein, terwijl de organisatie gestuurd wordt door onderling advies en een aantal basisregels in geval van conflict. Uitgangspunt van dit model is de maximale autonomie van de onderdelen: een verschuiving van machts- naar natuurlijke hiërarchie. In een zelfsturende structuur met gedeeld leiderschap (en dus een veel grotere betrokkenheid van elke medewerker) wordt het coachend en inspirerend vermogen van leidinggevenden veel belangrijker dan hun vermogen om de zaak onder controle te houden.

BACK TO THE ROOTS
Hoe dat er in de praktijk kan uitzien? Buurtzorg Nederland is een mooi voorbeeld. De filosofie van deze thuiszorgorganisatie is dat de rechtstreekse relatie tussen zorgverstrekker en patiënt weer in het centrum staat, in plaats van de bureaucratie hier omheen. Zo zette initiatiefnemer Jos de Blok sterk in op zelfsturende en zelflerende professionele teams: een groep van gelijkgestemde verpleegkundigen kan zichzelf aanmelden, heeft een aantal gesprekken met een regioverantwoordelijke om te kijken of dat gaat werken, en kan dan zelf aan de slag. Slechts 1% van alle uitgaven gaat naar overhead, en 99% naar het oplossen van het zorgprobleem zelf. Thuisverplegers kunnen weer bezig zijn met waarvoor ze zijn opgeleid. De tevredenheid bij cliënten is navenant.

Natuurlijk is dit model niet zomaar te kopiëren naar de kunsten, maar de basisprincipes ervan zijn universeel. De voordelen van zelfsturing blijken zo groot, wekken bij medewerkers zoveel energie op, dat kunstorganisaties niet kunnen achterblijven. We denken dat het zo hoort dat iemand leiding over ons neemt op basis van macht en ego, maar dat is een (mannelijke) misvatting. Vrouwelijke kwaliteiten toevoegen aan mannelijke: dat is de uitdaging. Hetzelfde geldt voor organisaties. Gender gaat niet om polariteiten, maar om een herstelde eenheid tussen gedeelde basiswaarden en leidende ego’s. Een beter evenwicht tussen mannen en vrouwen in de kunstensector, binnen een samenleving in balans, zal dan vanzelf volgen.

Dit artikel verscheen eerder op de website van rekto:verso – www.rektoverso.be

Charlott Markus, UNTITLED (HIDE & KEEP) (2016)

Rumination Tale is de zesde door Plan B georganiseerde tentoonstelling in de door Mertens Frames gesponsorde projectruimte in Amsterdam-Noord. Ditmaal kregen kunstenaars Sara Bjarland en Charlott Markus de vrije hand om in deze kleine ruimte samen een tentoonstelling te maken. De kunstenaars ontmoetten elkaar nog niet zo lang geleden, vertelt Charlott Markus. Ze bleken beiden vaak het gevoel te hebben dat ze bezig zijn met het zoeken naar oplossingen voor zaken die onoplosbaar blijven; een onophoudelijke speurtocht zonder het vinden van een eindpunt of antwoord. Dit mondde uit in deze tentoonstelling over ‘het eindeloos herkauwen op dingen, en het knagende gevoel dat er misschien nog iets niet klopt’.

Deze Rumination Tale wordt in de ruimte vertaald in een op het eerste gezicht wat grauwig geheel van losstaande objecten en installaties. Een desolaat soort huiselijkheid lijkt de enige gemene deler. Wat het meeste opvalt is Charlott Markus’ installatie van vitrages. Deze zijn een reflectie van de vele vitrages van de bewoners van Amsterdam-Noord. In verschillende modellen en patronen proberen de semi-transparante stukjes stof de scheiding tussen binnen en buiten, privé en publiek, onszelf en de samenleving, op een subtiele manier aan te brengen. Een typisch Nederlands fenomeen dacht ik altijd, aangezien woningen hier vaak direct aan de straat grenzen. Maar ook Markus, die opgroeide in Zweden, herinnert zich de vitrage uit haar jeugd nog goed. Een twintigtal van deze halfdoorschijnende lapjes, allemaal ongewassen en tweedehands, heeft ze op zo’n manier in de ruimte gehangen dat er een nieuwe ruimte ontstaat. Deze is juist niet vanuit binnen, maar alleen van buitenaf door het raam te zien.

Op verschillende plaatsen in de tentoonstelling liggen stukken ventilatiebuizen, althans zo lijkt het. Maar de buis is verdwenen en alleen een vulling van grijsgekleurd gips ligt statisch op de grond. Het voelt zacht en fluwelig aan, bijna als huid. De tegenstrijdigheid tussen een buis die een huishouden van schone lucht hoort te voorzien, en deze vulling die viezig en zwaar aandoet, verwijst naar wat in de introductietekst wordt omschreven als ‘stagnatie en lucht die te zwaar is om te ademen.’

Boven in een hoek hangt een groezelige prop; een soort wespennest gemaakt van vergane plastic sinaasappelnetjes. In een andere hoek staat een verroeste stok van een oude mop. Beide gevonden voorwerpen die Bjarland uit hun originele context (lees: huisvuil) haalt en nu aan ons toont om stil te staan bij de materiële eigenschappen van alledaagse producten.

Achter de vitrages van Markus staan drie houten doosjes. Twee zijn er dicht, één staat er open op zijn kant. Er zitten twee foto’s in, maar deze tonen niets: twee ingepakte en dus onbekende objecten, gevonden in China, waar Markus een residency deed. Naast de doosjes staat een wit plankje. Was dit plankje eigenlijk bedoeld om hierop de doosjes aan de muur te presenteren? Zitten er ook foto’s in de andere doosjes? En wat zijn die ingepakte objecten? Ik stel mezelf deze vragen maar realiseer me dat het de bedoeling is dat ik hier geen antwoord op krijg. Dat er iets niet klopt, en dat ik er niet bij kan. Als ik hier langer over nadenk, bekruipt me het gevoel dat zoeken naar oplossingen op vragen die altijd open zullen blijven, in groter en kleiner verband, precies hetgeen is wat de wereld voort doet gaan. En dat dit is waar de tentoonstelling over gaat. Zo komt deze Rumination Tale toch nog samen in een verhaal dat groter is en helpt onszelf te verzoenen met de dingen die wij niet begrijpen.

Kunst en welke werkelijkheid?

Justa van den Bulk
Ulf Aminde, video still LUST (2007)

Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek kampten meer dan 1 miljoen Nederlanders in 2014 met een depressie. Met dit ogenschijnlijk objectieve gegeven opende Jean-Pierre Geelen, kunstcriticus en journalist, het symposium Kunst & Werkelijkheid. Geelen stipte hiermee het ontbreken van één almachtige waarheid aan. Zowel zijn eigen krant, de Volkskrant, als het NRC Handelsblad checkten het bericht over depressie. En wat bleek, NRC bestempelde het bericht als grotendeels waar. De Volkskrant daarentegen kwalificeerde het nieuwsbericht als onzin: testen van het meer gespecialiseerde Trimbos-instituut zouden uitwijzen dat slechts vijfhonderd- tot zevenhonderdduizend Nederlanders lijden aan een depressie. Twee kwaliteitskranten met twee verschillende waarheden, wat is waarheid? Is dit hetzelfde als realiteit en hoe gaat de kunst hiermee om? Dit was het uitgangspunt van een inspirerende maar ook verwarrende symposiumdag.

Het eerste panel, bestaande uit theoreticus en docent Michael van Hoogenhuyze, criticus Philip Peters en schrijver Nina Polak, grijpt onder leiding van moderator Edo Dijksterhuis, recensent voor onder andere Het Parool, snel terug op het idee dat één waarheid tegenwoordig niet bestaat. De termen versplintering, authenticiteit en identiteit vliegen over tafel. Met de stellingen van Polak kan ik me het beste vereenzelvigen, wellicht vanwege het verschil in leeftijd tussen de jonge schrijver en de andere panelleden, die meer redeneren vanuit een klassiek idee van een kunstenaar die creëert zonder inbreng van de dagelijkse realiteit. Polak vraagt zich openlijk af wat de versplintering in de maatschappij betekent voor kunstenaars. Zij neemt een bewuste beweging naar collectiviteit waar en benoemt daarnaast een romantische obsessie voor authenticiteit. Door de versplintering en de daarbij horende zelfreflectie ervaart Polak een vorm van apathie die er ook voor zorgt dat er weinig reactie is op de steeds meer populistische houding tegenover kunst. Jannet de Goede, conservator bij het Kröller-Müller Museum, roept tijdens de rondvraag vanuit het publiek op tot meer actie tegen populisme. Maar hoe doe je dat in een maatschappij zonder waarheden en idealen?

De hang naar individualiteit en authenticiteit is ook terug te zien in het werk van Ulf Aminde, dat tijdens het symposium tentoongesteld is in het statige Huis Huguetan. Voor zijn videowerk Lust (2007) registreerde hij het geïsoleerde leven van zijn nichtje. Ze leeft teruggetrokken met enkel contacten via internet of met haar konijnen. Om het ijs te breken en een juiste sfeer te creëren tijdens de opname draagt zijn nichtje, maar achter de camera ook de kunstenaar, een konijnenpak. Aminde toont in Lust flarden van haar leefwereld, zittend op bed, al rokend en de konijnen knabbelend aan een blaadje sla. Aminde besteedt veel aandacht aan de vormgeving van zijn installaties door bijvoorbeeld twaalf monitoren te stapelen of zeven schermen willekeurig in een ruimte te plaatsen om de illusie van een straatbeeld te geven. Lust heeft het karakter van een diashow, die per slide een aspect blootlegt van een leven dat normaal onzichtbaar is. Na een intermezzo in de vorm van een doortastend interview met Aminde door curator Felix Ensslin komt het tweede panel aan het woord.

Kunstenaars Marcel van Eeden en Harmen de Hoop, en conservator Jannet de Goede vertrekken vanuit een citaat van Conny Palmen: De fantasie drukt vaak meer werkelijkheid uit dan de werkelijkheid zelf vermag. Van Eeden veegt het citaat van tafel met de simpele redenatie dat je ook niet kunt zeggen dat rood meer blauw uitdrukt dan blauw zelf. Moderator Dijksterhuis trekt een vergelijking tussen het werk van Van Eeden en De Hoop. De laatste werkt veelal in de openbare ruimte waardoor hij de dagelijkse realiteit niet kan buitensluiten. Van Eeden kan zich hier makkelijker van afsluiten omdat hij werkt met historische bronnen. In het verlengde van het werk van Aminde vraagt het panel zich af of pure documentatie van, veelal de marges van, de samenleving kunst kan zijn. Als voorbeeld haalt Van Eeden Enno Develing aan, in de jaren zestig een voorvechter van Minimal Art in Den Haag. Develing zag in de pure vorm de hoogste kunst zonder associaties en bijbedoelingen. Is pure documentatie dan misschien de hedendaagse waarheid in kunst?

Wat is echt? Wat is onecht en wat is authenticiteit? Vragen die volgens de introductietekst van het symposium gesteld zouden worden aan kunstenaars, filosofen en critici om ideeën over realiteit en kunst te bespreken. De paneldiscussies waren degelijk, in de zin dat de panelleden elkaar aanvulden. Maar duidelijk werd ook dat praten over waarheid of realiteit moeilijk is: het zijn ongrijpbare begrippen die niet te vangen zijn in woorden. Woorden die wel nodig zijn voor het voeren van een discussie. Er zijn vragen gesteld, maar meer over de stand van zaken in de kunstwereld, over authenticiteit en populisme. Waar is in dit grote verhaal de realiteit, of is deze versnipperde manier van discussiëren nu juist de werkelijkheid van deze dag? Kortom stof tot nadenken, maar verhelderend, nee!

Over kaders

Marjolein van de Ven
Digitale scan, CARAVAGGIO - BN WALLCOVERING, Munken Print Creme 90gr/m2, 180 mm x 267 mm, 300 dpi, geprint op gesatineerd mc 150 gr/m2 (2016).

Op de vierde verdieping van het kantoorgebouw Spaces in Den Haag, bij de pre-eindexamenexpositie Quote Me If I’m Wrong (2015) van de KABK, zie ik voor het eerst werk van Jeannette Slütter. Haar performance De derde verdieping speelt zich echter een etage lager af, in een kantoortuin die het publiek slechts van bovenaf, hangend over een balustrade op de vierde verdieping kan zien. Twee personen herordenen of verplaatsen continu het kantoormeubilair en andere aanwezige materialen – zoals doorzichtig folie, kartonnen platen en een gele strook plastic. De acties beginnen subtiel, maar worden steeds rigoureuzer. Met dit vormexperiment lijkt Slütter de formele kantoor-atmosfeer in Spaces te willen bevragen en doorbreken. Ook het werk dat ik een paar maanden later van haar zie bij The Tongue of the Chameleon, een tentoonstelling in Locatie Z, speelt met de gegeven context. Dit keer zijn het vier sculpturale ingrepen die het monumentale pand op een eenvoudige maar eigenzinnige manier accentueren. De meest wonderlijke is een strook wit plaatmateriaal die op de vloer begint, om het verwarmingselement langs de muur omhoog kruipt, subtiel om de vensterbank heen buigt en door het open raam naar buiten verdwijnt.

Ik bezoek Jeannette Slütter in haar atelier in Den Haag in het pand waar eerder tentoonstellingsruimte GEMAK gevestigd was. Overal liggen en hangen spullen: op de grond een wolkvormige uitsnede (en zijn negatief) van een soort vloerbedekking van kleine kiezelsteentjes, tegen de muur staat een papieren zakje waar een teddybeer van piepschuim uit tevoorschijn komt. Bij het neerzetten van mijn tas stoot ik bijna tegen een roze spriet die uit een balk lijkt te komen. Slütter heeft alle spijkers in de ruimte ‘versierd’ met geel, blauw en roze rietjes.

Marjolein van de Ven: Kun je iets vertellen over wat hier te zien is?

Jeannette Slütter: Wat in mijn atelier staat, wordt vaak als af werk geïnterpreteerd, terwijl het meer materiaalonderzoek is. Hier zet ik dingen bij elkaar, vorm ik stillevens. Dat gaat vaak heel gemakkelijk. Vervolgens staat het hier een lange tijd, tot het vervelend wordt om naar te kijken. Dan pas kan ik bepalen of iets goed werkt of niet, of de materialen goed zijn, de combinatie, of het een bepaald aura heeft. En of het niet te mooi is om naar te kijken of teveel ergens anders aan doet denken. Dan verander ik het. Ik ben heel zuinig, ik zou niet snel iets kapotmaken. Misschien zou ik dat juist moeten doen, het gewoon doormidden knippen. Maar dat zou ik lastig vinden, want ik weet dat ik die juiste combinatie dan niet meer zo snel kan terugvinden. Wegleggen is geen optie, als ik het idee heb dat ik ergens iets mee moet, dan moet dat op dat moment. Uiteindelijk worden de elementen in mijn atelier omgevormd tot een werk. Het krijgt pas echt betekenis als het samenkomt op locatie.

Hoe komt een werk dan tot stand?

De plek en de context vormen altijd het kader. Ik kijk naar wat de ruimte te bieden heeft en neem de materialen die ik daar vind als uitgangspunt. Samen vormt dat de leidraad voor het werk. Ook houd ik ervan om regels te doorbreken. Zo was met Spaces afgesproken dat de tentoonstelling alleen maar op de vierde verdieping zou zijn. Daar wil ik dan graag wat mee doen om te kijken hoe ver deze regel is op te rekken.

Voordat je bij beeldende kunst begon heb je ook vier jaar fotografie gestudeerd. In hoeverre keren elementen uit de fotografie terug in je huidige manier van werken?

De onderwerpen zijn hetzelfde gebleven. Tijdens mijn studie fotografie maakte ik al veel stillevens en was de ruimte ook altijd een belangrijk aspect. Maar het platte vlak en de kadrering van een foto waren voor mijn gevoel altijd heel beperkend: dat ene shot dat alles moet vertellen, met weinig ruimte voor wat daaromheen gebeurt. Bij een installatie of performance wordt die ruimte fysiek. Ook kan ik meer spelen met het kader, binnen de lijnen blijven of er juist overheen gaan. Tijdens De derde verdieping kwamen de performers naar boven om een biertje te drinken. Daardoor ontstond verwarring over de vraag of ze aan het performen waren, of als bezoekers met mijn werk aan de haal gingen.

En je werk voor Tubelight?

Het liefst maak ik werk over kunst zelf, en hoe we dit definiëren. Kunst lijkt vrij maar is dat eigenlijk niet. Ook om kunst zit een kader. Het wordt vaak ingebed in veel woorden, die soms zo’n grote lading hebben dat de tekst het werk beïnvloedt. Ik heb nagedacht over de betekenis van mijn beeld, en hoe zich dit verhoudt tot het interview.

Eenmaal thuis vraag ik me af in hoeverre mijn tekst invloed heeft op het werk dat Jeannette Slütter voor Tubelight creëert. Ik twijfel. Is de aanwezigheid van deze tekst een toevoeging, of juist een onnodig kwaad? Ga jij, als lezer, anders naar het beeld kijken na het lezen van dit interview? Of mijn tekst anders lezen na het bekijken van het beeld? Uiteindelijk is het maar de vraag wie van wie afhankelijk is.

Een te ambitieus spel

Sophia Zürcher
David Bernstein, CHAIR AS MAN AS CHAIR (2012)

Het gaat hier niet over Scrabble of Tetris. De tentoonstelling Games People Play in Nest heeft het veel te ambitieuze doel om het hele concept ‘spel’ in twijfel te trekken. De titel van de expositie is ontleend aan de bestseller Games People Play: The Psychology of Human Relationships (1964) van psychiater Eric Berne. Met een spel bedoelt Berne een stereotype gedragspatroon, vaak met een voorspelbare uitkomst. Dat is heel breed, en de definitie wordt in Nest ook niet vernauwd. Waar gaat het hier nou over? Over heel veel: over doen alsof, sport, spelregels, echt en namaak, de realiteit en virtualiteit, een bizar pretpark en je kunt er zelfs zelf een ingewikkeld schaakspel spelen.

De rode lijn in de tentoonstelling lijkt het aantonen van de afstand die het spelen van een spel veroorzaakt. Dat past bij de theorie van Berne, die ook meent dat het spel in essentie een vorm van bedrog of misleiding is: je maakt de ander (of jezelf) iets wijs. De kunstwerken in de linker ruimte van Nest gaan daar het duidelijkst over. De sculptuur Chair as Man as Chair (2012) van David Bernstein bijvoorbeeld. Hij liet zich inspireren door het verhaal dat er in de zestiende en zeventiende eeuw heersers in Afrika waren die op hun slaven zaten. De slaaf deed alsof hij een stoel was, en de vorst deed alsof de slaaf een stoel was. Bernstein maakte vervolgens een houten stoel die doet alsof hij een mens is: het werk lijkt op een mens die op handen en voeten zit.

In de video For a Better World van Priscila Fernandes doen kinderen alsof ze volwassen zijn. Fernandes filmde in het Portugese pretpark KidZania, waarin kinderen verschillende beroepen kunnen proberen. Ze bakken hamburgers, voeren operaties uit en blussen nepbranden met echt water. Het zorgelijke is dat het pretpark zwaar wordt gesponsord door McDonald’s, Coca-Cola en andere bedrijven. Het geld dat de kinderen met hun beroepsbeoefening verdienen, kunnen ze gelijk weer uitgeven aan deze multinationals. In dit park vol branding worden de kinderen dus voorbereid op het echte leven als consument. Een vreemd spel. De realiteit is hier vreemder dan fictie, Fernandes hoeft het eigenlijk alleen maar te tonen.

Ook in het schaakspel van Patrick Bernier en Olive Martin wordt het rollenspel geproblematiseerd. De zetten zijn hetzelfde als in het traditionele schaakspel, maar als bijvoorbeeld de zwarte pion de witte pion slaat, worden ze samen een zwart-witte pion. De pion wordt dus een dubbelspion, of een diplomaat die voor beide spelers werkt. Of voor geen van hen. Een slimme manier om een nieuwe strategie van de spelers te eisen, want wat te doen met een schaakstuk dat maar voor de helft aan jouw kant staat?

Deze drie werken over rollenspellen zijn nog aan elkaar te haken, maar het thema wordt steeds breder. Op een laptop kun je een enquête invullen van kunstcollectief Apparatus 22. Ze stellen diverse vragen over echt en nep (eerste vraag: ‘Heb je weleens een namaakproduct gekocht?’). Op de muur staat de vraag ‘Is there fake in afterlife?’. Dat is een zeer filosofische vraag, maar hebben we het nu nog wel over een spel?

Het gaat nu meer over echt en nep. The Conversation (2016) van Marijn Ottenhof bestaat bijvoorbeeld uit een nagemaakte talkshowset, met daarboven een video van twee mensen, een koppel waarschijnlijk, die een gesprek voerden op die set. Hun script is een vreemde collage van zinnen uit uiteenlopende bronnen, waaronder het tweede debat tussen Trump en Clinton. Politieke, manipulatieve trucs worden door Ottenhof omgevormd tot een echtelijke ruzie in de performance. Werkelijkheid wordt televisieshow wordt performance wordt video. Zoiets. Het is moeilijk om vat te krijgen op wat hier gebeurt. En om het nog ingewikkelder te maken: er komt ook een logische paradox uit het boek van Berne langs: ‘But not playing games may itself be a game’, zegt de vrouw tegen de man. Tja, zo komt het koppel natuurlijk nooit verder.

In zijn hilarische video houdt Feiko Beckers zich niet aan de spelregels die tot een succesvolle conversatie leiden. A Conversation Is a Risk to Lose Your Own Opinion (2015) bestaat uit drie aktes waarin twee mannen de dilemma’s bespreken van een oude wasmachine, een kapotte stoel en het beste Italiaanse restaurant. Met de uiteindelijke oplossingen van hun problemen zal geen van beiden echt tevreden zijn.

Volgens Berne is het spel uiteindelijk een barrière: echte intimiteit ontstaat in een spelvrije relatie. Maar dit is geen zelfhulptentoonstelling om die barrière weg te nemen. Dit is een tentoonstelling waarin kunstenaars zich niet houden aan de spelregels (Beckers), ze omkeren (Bernstein) of regels toevoegen (Bernier en Martin). De spellen in deze kunstwerken eindigen in een patstelling, want wat te doen als alle schaakstukken zwart-wit zijn? Wat te doen als niet-spelen ook een spel is?

Marijn Ottenhof, THE CONVERSATION (2016)

Sociaal experiment

Victoria Anastasyadis
Met Andere Woorden: Johannes Kronenberg, Eef Veldkamp, 13,80m3 (2016)

Social design is hot. Ontwerpen en concepten die bijdragen aan betere economische systemen, een schoner milieu, verantwoord energiegebruik en maatschappelijke cohesie staan volop in de belangstelling. Denk aan tentoonstellingen als Dream Out Loud (nu te zien in het Stedelijk Museum), evenementen als What Design Can Do en Utrecht Manifest en de publicaties Looks good, feels good, is good en Design for the Good Society.

In het kader van de serie Curated by… nodigde culturele broedplaats WOW Amsterdam Jurgen Bey uit om een tentoonstelling te maken over social design. De veelzijdige ontwerper en directeur van het Sandberg Instituut liet zich inspireren door de locatie en de wijk. Hij maakte Onzijn, een veelzijdige manifestatie bestaande uit een maatschappelijk relevante tentoonstelling en ‘sociale’ evenementen georganiseerd door ontwerpers en kunstenaars.

WOW, het voormalige hts-gebouw middenin de roemruchte Amsterdamse Kolenkitbuurt, is van zichzelf een ‘social hotspot’. Naast ontmoetingsplek, hostel en broedplaats biedt het gebouw onderdak aan vijftig recent afgestudeerde kunstenaars. De tentoonstelling en evenementen leggen nadrukkelijk een verbinding met de buurt.

Tijdens Onzijn komen tweeëntwintig door Bey geselecteerde projecten samen. De manifestatie is opgedeeld in elf brede thema’s met intrigerende aanduidingen als De Maskerade, Gedomestificeerde Beesten en De Werkelijke Fictie, elk met werk van twee ontwerpers en/of kunstenaars. Hier komt de voetbalanalogie om de hoek kijken, zoals onlangs ook als leidraad gebruikt voor de grote tentoonstelling Design Derby in Museum Boijmans van Beuningen. De ene ontwerper/kunstenaar is onderdeel van het team ‘stand-in’ en vertegenwoordigt met een bestaand werk, de ander van team ‘actief’ en maakt nieuw werk dat inspeelt op de omgeving.

De bonte mix van werken en evenementen laten op uiteenlopende manieren licht schijnen op aspecten uit onze omgeving; van lokaal tot mondiaal. Een houten kooi met bed in de lobby refereert aan de tijdelijke habitat van een ho(s)tel. Bezoekers kunnen zich hier acht uur laten opsluiten. In een indrukwekkend fotoproject confronteert Wendy Bos de kijker met de ruwe, verborgen werkelijkheid van de illegale handel in wilde dieren. Job Koelewijn laat de toeschouwer met frisse blik naar zijn of haar entourage kijken en Joanne Hakkert bevraagt in een videowerk de stereotype beeldvorming rondom de vrouw en haar vruchtbaarheid.

De evenementen, als aanvulling op de tentoonstelling, geven de manifestatie een extra actieve dimensie. Het meest concrete voorbeeld van een project dat aansluiting zoekt bij de gemeenschap, is het werk van Marjanne Kuipers. Zij gaat op zoek naar de identiteit van de Kolenkitbuurt door middel van gesprekken met buurtbewoners. Het boek waarin ze haar ervaringen vastlegt, aangevuld met informatie over de wijk in de vorm van gefingeerde krantenberichten, kunnen bezoekers doorbladeren op de tentoonstelling. Ook kan men zich opgeven voor een tour door de buurt onder haar leiding.

‘Onzijn’ is de naam van een versvorm van elf regels, ook wel ‘elftal’ genoemd, bedacht door de inmiddels overleden Zwitsers-Nederlandse schrijver Drs. P. Een referentie die de meeste backpackers en millennials die in WOW verblijven waarschijnlijk weinig zal zeggen. Hierin zit het spel met het getal elf, zoals ook terug te zien in de teamindeling. De introductietekst legt echter een ander verband. ‘[De titel is] een ode aan Drs. P., maar suggereert ook: het niet-zijn, of het tegenovergestelde van wel-zijn, de ultieme positie voor een sociale gemeenschap.’ Dit wat krom geformuleerde statement verwoordt kennelijk Beys overkoepelende visie op social design. Helaas wordt het niet verder uitgelegd en dáár zit de pijn. Telkens als het erop aankomt en er een uitspraak over de betekenis of invulling van social design wordt gedaan, wordt vervallen in vaagheden. Het concept van het ‘onzijn’, (‘de structuur ervan is niet te lang en ook niet te moeilijk, maar heeft muzikaliteit en zeggingskracht’), lijkt aangegrepen om vooral niet te ingewikkeld en hoogdravend te zijn. Daar staat jammer genoeg geen helder verhaal tegenover. Dat aan de expositie wel degelijk een beter begrip en groter idee ten grondslag liggen, is voelbaar, maar of dit voor de meeste bezoekers ook duidelijk wordt, is niet zeker.

Dit neemt niet weg dat de tentoongestelde werken en evenementen in combinatie met WOW als locatie voor een spannend geheel zorgen. Lokale, maatschappelijke onderwerpen krijgen een frisse betekenis door de koppeling aan bredere en universele thema’s. Zo zorgt de tentoonstelling ervoor dat ik na kennismaking met de manifestatie met een hernieuwde blik door dit stuk Bos en Lommer buiten de ring van Amsterdam loop. WOW bewijst zich als uitstekende uitvalsbasis voor dit project. De broedplaats stimuleert de uitwisseling van creativiteit op ongedwongen wijze door middel van zijn robuuste architectuur, de kleurrijke vormgeving en relaxte sfeer. Onzijn is wat betreft social design, met al haar vormen en perspectieven, even divers als rijk. Ondanks het onnodig ingewikkelde concept en het gebrek aan duidelijke definiëring is de manifestatie een geslaagde bundeling van sociaal experiment.

Jurgen Bey tijdens de opening van Onzijn