Jeugdfoto Martin Scorsese met zijn ouders

Meewarig keek zij in de camera zoals alleen oude mensen dat kunnen – met grote ogen waaruit evenveel argwaan als afschuw spreekt. Vroeger was alles beter.
“Vertel maar gewoon over je ballen, mama”, klinkt een stem.
De oude vrouw rolt ongeduldig met haar ogen. “Nééhéé, je moet me eerst wat vragen. Zo hoort dat.”
“Nee, praat maar gewoon. De camera loopt al.”
“Je moet me eerst wat vragen.”
“Dat hoeft niet. Het is een film, geen interview.”
Gedecideerd haalt mama haar wenkbrauw op. “Je moet me eerst wat vragen.”
De persoon achter de camera zucht.
“Goed dan: hoe kom je aan het recept voor de ballen?”
“Ah! Dat weet je toch wel, Marty Mio? Dat heb ik je al zo vaak verteld … Waarom doen we dit?”

Tot 3 september 2017 is de tentoonstelling Martin Scorsese te zien in het EYE Filmmuseum Amsterdam. De tentoonstelling opent met de hierboven geschetste, vreemd-vrolijke home video’s die Scorsese maakte van zijn moeder. Zij was zijn eerste muze, en werd het prototype Italiaanse mama dat verscheen in veel van zijn latere films. Deze reizende overzichtstentoonstelling – voorheen te bezoeken in Berlijn, Parijs, Melbourne en New York – focust zich op het leven én werk van de Italian-American filmregisseur Martin Scorsese (1942). Zijn persoonlijke gesprekken, voorwerpen en fascinaties vullen de museumruimten. Centraal in de tentoonstelling staat telkens de relatie tussen de levenservaringen van de regisseur en zijn filmthematiek. Deze insteek ligt in lijn met de huidige trend om de popster in het kunstmuseum te portretten als persoon. Op deze manier wordt hij gedemystificeerd maar toch vereerd, zoals gebeurde bij de tentoonstelling David Bowie in het Groningermuseum (2015). Is eren en demystificeren ook wat Martin Scorsese – The Exhibition bewerkstelligt? De hoofdcurator van EYE, Jaap Guldemond, stelt dat het museum vooral zoekt naar het grensgebied tussen cinema en beeldende kunst; daar waar het ene medium het andere raakt.

In tien donkere kamers wordt de bezoeker door het artistieke leven van Martin Scorsese geleid. Niet chronologisch, maar thematisch. Er zijn fragmenten uit verschillende films op het witte doek te zien. Hierdoor wordt de consistentie van Scorsese’s filmthematiek duidelijk. Zo toont de tweede tentoonstellingsruimte Broers de fascinatie van Scorsese voor het broederschap. Veel van zijn films gaan over een intense vriendschap tussen twee mannen – figuurlijke broers die een balans proberen te vinden tussen trouw en verraad, mentorschap en gehoorzaamheid. De bokser Jake uit Raging Bull (1980) weet anderen keer op keer tegen zich in het harnas te jagen, waarna zijn broer en manager Joey voor hem opkomt. In The Last Temptation of Christ (1988) voelt Judas zich op eenzelfde manier verantwoordelijk voor de perikelen van Jezus. De vierde kamer, Eenzame helden, laat Scorsese’s voorkeur zien voor een wat agressieve antiheld als hoofdpersonage. Zowel Jordan uit The Wolf of Wallstreet (2013) als Teddy uit Shutter Island (2010) vinden boetedoening voor hun zonden. Het is grappig en mooi om te zien hoe totaal verschillende karakters voort lijken te komen uit dezelfde basis. Tegelijkertijd is dat ook wat deze curator’s cut problematisch maakt. Zijn de meeste verhalen die wij vertellen niet onder te verdelen in dergelijke levensthema’s? Is dat echt wat een Scorsese een Scorsese maakt?

De tentoonstelling toont niet alleen films, maar ook persoonlijke voorwerpen. Zij staan als relikwieën. Zo toont de achtste ruimte Cinefiel de doos-televisie waarop Marty zijn eerste films zag als kind. Marty vertelt hoe dit ding zijn motivatie aanwakkerde om films te maken, en hoe hij als elfjarige zijn eerste storyboard tekende, niet wetend wat het was. Ook het storyboard hangt daar. Op dit soort momenten benadert de tentoonstelling Martin Scorsese meer als popster en minder als kunstzinnig filmmaker. Dit maakt de tentoonstelling fundamenteel anders dan het moderne kunstmuseum, waar een dialoog tussen kunstwerk en toeschouwer centraal staat. Door de hapklare thema’s die de tentoonstelling belicht, lijkt de toeschouwer haast onderwezen te worden in de interpretatie van het werk. Hierdoor is een dialoog tussen de bezoeker en de tentoonstelling lastig, evenals een eigen of hernieuwde interpretatie van Scorsese’s werk. Het zou bijvoorbeeld zo kunnen zijn dat de regisseur ook onbewuste keuzes maakte in zijn artistieke proces en karakterschetsen, bijvoorbeeld door de sterk sociaal gesegregeerde maatschappij waarin hij terecht kwam in de Verenigde Staten. Misschien past een directere benadering bij het medium film en hoe wij gewend zijn filmmakers te zien. De tentoonstelling doet wat dat betreft ook wat zij moet doen: het leven, de films en fascinaties van Martin Scorsese op een duidelijke en mooie manier tonen. Het grensgebied tussen cinema en beeldende kunst lijkt echter nauwelijks opgezocht, terwijl juist het laten zien van die interdisciplinariteit is hoe het EYE Filmmuseum zich kenmerkt. De vraag rijst dan ook of dit grensgebied eigenlijk wel bestaat. Is cinema niet een afgebakende kunstvorm met een duidelijke tentoonstellingspraktijk, namelijk het grote doek?
Naast de tentoonstelling biedt EYE een nevenprogramma dat de 24 speelfilms van Scorsese toont, plus een aantal van zijn belangrijkste documentaires en shorts.
Misschien was andersom beter geweest: de films van Martin Scorsese in de hoofdrol, en zijn persoon in het nevenprogramma.

Installatiefoto Martin Scorsese - The Exhibition, 2017

Netwerk van verstoringen

Niels Bekkema
Rosa Sijben, SCULPTURE LUGGAGE (2016). Courtesy Galerie Rianne Groen.

Chinese Whispers is de naam van het kinderspel waarbij één persoon een boodschap in het oor van zijn buurman fluistert, die vervolgens de boodschap weer aan de volgende doorgeeft, totdat, uiteindelijk, de laatste persoon een compleet andere boodschap aan de groep vertelt. Het is ook de naam van de tentoonstelling in Galerie Rianne Groen. De werken van vier kunstenaars die Groen heeft samengebracht gaan allen over hoe de overdracht van verhalen onze blik op de wereld kleurt.

Al vanaf de straat gezien vallen de zwarte Friso Kramer banken op die direct achter het raam staan opgesteld. Bij binnenkomst blijkt naast de banken een gelakte houten koffer te staan. De sfeer van een boarding gate doemt op. Op een van de zittingen ligt een A5 met hierop de woorden: Sculpture Luggage; an invitation to own, en een uitnodiging de koffer te huren. Sijben is geïnteresseerd in de gebieden waar kunst en leven overlappen, als huurprijs voor Sculpture Luggage wil ze daarom graag documentatie in woord of beeld ontvangen.

Rianne Groen draagt een tweede werk van Sijben, genaamd Pocket Work, bij zich. Om dit sculptuur van vergeeld epoxy en hout te zien moet het publiek Rianne Groen aanspreken. Sijben speelt met de vele verschijningsvormen waarop een werk getoond kan worden en bevraagt hoe fysieke draagbaarheid zich tot de kunstenaarspraktijk verhoudt en wat er gebeurd als niet het werk zelf, maar de documentatie ervan handelswaar wordt. De rol van de banken blijft helaas onduidelijk, wat jammer is aangezien de fysieke aanwezigheid van de meubels afbreuk doet aan het losse, vluchtige karakter van de twee performatieve werken.

Even verderop in de entree maken de vragen over mobiliteit en eigendom van Sculpture Luggage plaats voor de enigmatische, verstilde werelden van Bernice Nauta en Wouter Venema. Van beide kunstenaars zijn zowel tekeningen als sculpturen te zien, die in materialiteit en kleurtonaliteit zo sterk met elkaar corresponderen dat het niet direct duidelijk is dat het werk van twee verschillende kunstenaars betreft. The Pleasant Art of Spending Money van Nauta, een rood keramieken trog die van binnen wit is geglazuurd, is gevuld met een paar centimeter water. Even denk ik aan de glaswerken van Roni Horn. Een aantal tinnen, handgemaakte muntjes liggen verspreid om het werk en in het water. Het lijkt een scéne waar lang geleden iets gebeurd is, en wij als publiek speculeren over de betekenis van deze sporen. Wie heeft de munten in de trog geworpen, en met wat voor een wens? Ik lees dat Nauta geïnteresseerd is in het scheppen van fictieve karakters, die zij ziet als stadia in de metamorfose van een individu. De fictieve karakters zelf worden hier niet verbeeld, wel de situatie waarin deze karakters zich kunnen bevinden: turend in wensput, wensend dat er maar wat te wensen valt.

De muntjes verspreid over de vloer rijmen met de stekelhoornen in Broken Shells van Venema. Deze schelpen liggen op een houten paneel dat net iets boven de vloer lijkt te zweven en waarop de kustlijn van de Middellandse zee is getekend. De zee is niet langer een open gebied dat twee continenten van elkaar scheidt, maar een gekleurd voorwerp, een op het ritme van de golven en getijden ademend organisme. Het paarse lijnenspel van drie gouache- en potloodtekeningen op papier, eveneens van Venema, verwijst naar een gebied wat zowel water als wolken kan voorstellen. Op deze massa drijven twee figuren: een nar en een hond. In iedere hoek is een zegel getekend met daarop symbolen die de werken een laag van heraldiek en symbolisme meegeeft, maar dan wel van het soort dat meer vragen dan antwoorden biedt.

Helemaal achterin de lager gelegen ruimte, onder een bureau, ligt een stuk vloerbedekking uitgesneden in de vorm van Texas. Hierop zijn vormen geschilderd die zowel cartoonachtige ontploffingen als uitgerekte sterren kunnen zijn. Het doorpluizen van de website van David Bernstein leert dat hij in Texas is geboren, en dat hij geshockeerd was door de hoeveelheid wapens die hij zag toen hij terugging. De vraag is of dit werk Bernsteins ervaring niet te eenduidig en banaal maakt.

Van de banaliteit van het werk op de vloer is niets terug te vinden in de installatie van Bernstein in dezelfde ruimte. Vier pistoolvormen op metalen staanders zijn op elkaar gericht. Ik moet denken aan de veel voorkomende stand-off scènes in films van Quentin Tarantino waarbij twee of meer karakters tegelijk hun wapens op elkaar richten, waardoor een intense stase wordt bereikt. Er is hier echter meer aan de hand dan alleen dreiging, één van de vormen houdt het midden tussen een architectuurmodel en een wapen.

Iedereen die het spel Chinese Whispers wel eens heeft gespeeld weet dat de uiteindelijke boodschap altijd anders is dat de oorspronkelijke. Ieder knooppunt in een keten van informatie draagt een verstoringspotentieel in zich. Deze tentoonstelling laat genoeg open voor eigen interpretatie: al dwalend ontwikkelen zich gedachten over mobiliteit, karaktervorming, de zee, en uiteindelijk over dreiging en stase. Toch blijft de vraag knagen: is niet iedere presentatie een spel van interpretatie, en daarmee van Chinese Whispers?

Bernice Nauta, NEE (2017). Courtesy Galerie Rianne Groen.
Philipp Gufler, MENU BEI COSY 1963 (2017) © Inga Danysz

Op de deur van RONGWRONG hangt een briefje met een slordig pijltekeningetje: ‘Bei Cosy – ingang om de hoek’. Aangekomen in de steeg achter het gebouw zie ik een ingang die niet hoger reikt dan halverwege mijn been. Het blijkt een raam van het souterrain te zijn. Behendig probeer ik me door het raam te wurmen en stap het trappetje af, waarop ik in een kleine ruimte sta vol met mensen, rode en blauwe verlichting, en een bar van beton en staal. Het is even schakelen: ben ik op de opening van de expositie, of in een mij nog onbekende kroeg? Of beide?

En dat is precies waar de expositie over gaat. Bei Cosy is ‘a somewhere between an exhibition, a bar and a costume party’, met iedere vrijdag- en zaterdagavond discursieve en flamboyante events met onder meer performances en een lip sync show (meer info). De naam refereert aan de gelijknamige bar, gerund door kunstenaar Cosy Pièro tussen 1962-1982 in München.[1] Het concept is van de kunstenaars Philipp Gufler en Richard John Jones, dat zij samen met Pièro, Sands Murray-Wassink en Laurie Cluitmans uitwerkten.
In een van de tentoonstellingsteksten die Pièro zelf schreef, is te lezen dat de bar een extravagante smeltkroes was voor musici, acteurs, travestieten en dansers en een ontmoetingsplaats bleek voor homo’s, lesbiennes en hetero’s. Toch besloot Pièro het ‘island of happines for all kinds of creatures of the nights’ na ruim twintig jaar stop te zetten, zodat zij zich weer volledig op haar kunstpraktijk kon richten.[2]  De versie van Gufler en Jones is dan ook een hommage aan het moedige werk van Pièro dat zij deed in een tijd waarin acceptatie van LGBTQI+’s nauwelijks aanwezig was. Op geslaagde wijze onderzoeken de twee kunstenaars de verschillende functies van zo’n safe space: als een plek van artistieke creatie, als een sociale ruimte voor gelijkgestemden, en als een veilige haven voor mensen met een variëteit aan genderidentiteiten en seksualiteiten.

In het souterrain hangt Menu Bei Cosy 1963 (2017) van Gufler, de prijslijst van de huidige bar in rood op zilver leer in Duitse marken. Het camp werk brengt je voor een moment terug naar tijden van vóór de euro, de tijd van de originele plek. Betalen kan desalniettemin wel met de munteenheid van dit millennium. Ook wordt de video All Closing And Dyke Bar And Everything Ending And Not And Death To The Ahistoric Vacuum (2015) van Jones getoond, die wat moeilijk te zien is vanwege de drukte in de ruimte. Op de laatste avond van een lesbische bar in München vertellen markante personages verhalen over de plek, LGBTQI+ problematiek en heteronormativiteit. De video benadrukt het sociale aspect van een bar, hoe verhalen elkaar kunnen raken en conflicteren maar ook naast elkaar leven.

Bei Cosy gaat boven verder. Ook daar is de hybride vorm van bar en expositie in eerste instantie verwarrend en lastig te plaatsen. De sfeer blijkt een essentieel element te zijn. Aan het plafond hangen fittingen met ronddraaiende gekleurde verlichting. In de hoek staat een DJ-booth waarvandaan new wave en disco wordt afgespeeld. Boven de DJ-booth hangt het mixed media werk Bandit van Johannes Büttner met referenties aan en symbolen uit de gay-cultuur, zoals aan elkaar geknoopte bandana’s in verschillende kleuren (lees hier meer over de betekenis). Op een sokkel staan 3D-geprinte objecten van Fabian Hesse die een soort kruising zijn tussen ondraagbaar hoge hakken en Chinese lucky cats.

De tentoonstelling bevat ook werken van AA Bronson, Johanna Gonschorek, Caspar Heinemann, Sands Murray-Wassink en Evelyn Taocheng Wang. Indrukwekkend is dat al deze kunstenaars nieuw werk in opdracht van Gufler en Jones creëerden. Zij zijn gevraagd inspiratie te halen uit een serie tekeningen van Pièro. Zij maakte de  serie voor haar bar, maar deze werd in 1962 als onzedelijk beschouwd en door de autoriteiten in beslag genomen en vernietigd. De video Projection on the Crisis (Gauweilereien in Munich) (2014) van Gufler gaat dieper in op dit soort verontrustende wetgeving in München, die gelukkig van voorbije aard is.

De kracht van Bei Cosy ligt in de hybride vorm en kan inderdaad het beste worden omschreven als a somewhere. Met nieuw vervaardigd werk vol symboliek van gay-subculturen, video’s met referenties aan andere tijden voor LGBTQI+’s, new wave en disco uit de speakers, discoverlichting, en een bar die op volle toeren draait, maken dat je je niet helemaal hier noch daar voelt. De gelaagde expositie laat zien dat de positie van LGBTQI+’s sterk is verbeterd maar helaas is het verdwijnen van safe spaces immer actueel, zoals te lezen in krantenartikelen die verspreid door RONGWRONG hangen.[3] Bei Cosy benadrukt dat we nog altijd een veilige ruimte nodig hebben voor artistieke creatie en experiment met genderidentiteit, seks en seksualiteit. Zo’n ruimte is helaas minder vanzelfsprekend dan ik zou willen.

1 Tentoonstellingstekst Bei Cosy, 2017
2 Tentoonstellingstekst Bei Cosy, 2017
3 ‘Legendarisch vrouwencafé Vive la Vie sluit zijn deuren.’ Hans van der Beek. Het Parool. 23.06.2017: http://www.parool.nl/stadsgids/legendarisch-vrouwencafe-vivelavie-sluit-zijn-deuren~a4502276/
‘Gemeenten proberen homo-ontmoetingsplaatsen te ontmantelen’. Anneke Stoffelen. De Volkskrant. 03.04.2017: http://www.volkskrant.nl/binnenland/gemeenten-proberen-homo-ontmoetingsplaatsen-te-ontmantelen~a4482156/

Bei Cosy, installatiefoto. Vlnr: Johanna Gonschorek, STICKING BY LOSING IT (2017); Fabian Hesse, BEI COSY HAIKU CAT (2017) © Inga Danysz
AA Bronson, BLESSING FOR BEI COSY (2017) © Inga Danysz
Bei Cosy, installatiefoto. Vlnr: Richard John Jones, ALL CLOSING AND DYKE BAR AND EVERYTHING ENDING AND NOT AND DEATH TO THE AHISTORIC VACUUM (2015); Philipp Gufler, MENU BEI COSY 1963 (2017); Cosy Pièro, ‘VIELLEICHT HABE WIR SOLCH GROSSE SEHNSUCHT JA VERDIENT’ (PERHAPS WE HAVE DESERVED SO MUCH DESIRE) (2009-17) © Inga Danysz

Een boek aan de museumwand

Masha van Vliet
Alec Soth, zonder titel. Uit de serie Broken Manual. (2008) © Alec Soth

Alec Soth is een van de meest gevierde Amerikaanse fotografen van dit moment. Hij wordt vaak in een adem genoemd met grootheden als Robert Frank, Lee Friedlander en Stephen Shore. Soth doorkruist met een auto de VS om op eigen wijze het land in beeld te brengen. Hierbij maakt hij gebruik van een grootformaatcamera, wat verstilde en haarscherpe beelden oplevert.

De reizende tentoonstelling Gathered Leaves, die tot nu toe Londen, Belfort, Helsinki en Antwerpen aandeed en vanaf november te zien is in de Deichtorhallen in Hamburg, neemt Soths vier belangrijkste fotoboeken van de afgelopen tien jaar als uitgangspunt om de ontwikkeling in zijn carrière zichtbaar te maken. Tentoonstellingsmaker Kate Bush, conservator fotografie van het Science Museum in Londen, stond hierbij voor de uitdaging om de tweedimensionaliteit en het narratieve karakter van een boek naar de museumwand te vertalen.

In FOMU worden de series in vier zalen en in chronologische volgorde belicht. Een selectie uit de verschillende series hangt als afdrukken aan de wand, terwijl in vitrines het ontstaansproces en het onderzoek van de verscheidene boeken worden getoond. Het is een zeer esthetische maar ook enigszins statische presentatie. Desondanks slaagt de tentoonstelling erin het bijzondere, poëtische narratief van zijn boeken goed zichtbaar te maken.

Soths eerste succesvolle fotoboek Sleeping by the Mississippi (2004) is het resultaat van een 3.200 km lange road trip langs de oevers van de Mississippi. Het is een ode aan de rivier en de bijzondere mensen die langs haar oevers wonen. Portretten worden afgewisseld met poëtische landschappen en interieurs waarin Soth dromen en geloof, maar ook de realiteit van verval en armoede zichtbaar maakt.

Sleeping by the Mississippi betekende Soths doorbraak. Het leverde hem een plek bij het fotoagentschap Magnum en roem binnen de kunstwereld op. Kortom, zijn werk wordt zowel gewaardeerd als sociaal document én als kunstfotografie. In de tentoonstelling wordt vooral de artistieke kant van Soths werk belicht. Per zaal is steeds één tekst die uitleg geeft over de serie als geheel waarin vooral het poëtische karakter van zijn werk wordt beschreven. De individuele foto’s krijgen geen verdere achtergrond, waardoor de aandacht volledig uitgaat naar het beeld op zich. Het sociale aspect wordt wel duidelijk in de documentaire Somewhere To Disappear (2010). De film illustreert hoe Soth in contact komt met de geportretteerden en hoe hij ze op een zeer integere manier benadert waardoor ze zich open en kwetsbaar durven op te stellen.

Soths tweede fotoboek Niagara (2006) staat in aanpak en sfeer dicht bij zijn eerste serie. Ook hier vormt water de achtergrond van het verhaal, met ditmaal (mislukte) liefde en kwetsbaarheid als leidraad. De beroemde Niagara watervallen, vanouds symbool voor de liefde, worden tegenwoordig vooral geassocieerd met massatoerisme, goedkope huwelijksreisjes en, helaas, ook zelfmoorden. ‘Als ik de watervallen als metafoor beschouw, dan denk ik aan intense seksualiteit en een onhoudbaar verlangen’, schrijft Soth. In Niagara verenigt hij de twee gezichten van deze plek: goedkope motels en clichébeelden van de watervallen worden afgewisseld met tedere portretten van jonggehuwden.

Met Broken Manual (2010) slaat Soth een andere weg in. Tussen 2006 en 2010 gaat hij op zoek naar mensen die zich hebben teruggetrokken uit de bewoonde wereld en alleen in de natuur gaan leven. Aanleiding is Soths eigen behoefte aan afzondering en zijn fascinatie voor de industrie die zich rond dit fenomeen heeft ontwikkeld (denk aan zelfhulpboeken tot makelaars voor grotwoningen). Broken Manual is in tegenstelling tot zijn voorgaande publicaties geen klassiek fotoboek, maar een handboek voor een teruggetrokken bestaan buiten de samenleving. Ook laat hij zichzelf toe de camera wat losser te gebruiken, wat deze serie een minder statisch karakter geeft. Toch bevat de serie ook zeer iconische foto’s, zoals het portret van een jongen in een schilderachtig landschap. Echter, zijn skinhead-achtige uiterlijk en het hakenkruis op zijn bovenarm halen je weer terug naar de realiteit.

In zijn meest recente serie Songbook (2015) kiest Soth voor een meer klassieke benadering van reportagefotografie. De beelden zijn spontaner dan zijn voorgaande werk omdat deze niet met een grootformaatcamera zijn geschoten en voor het eerst zwart-wit zijn. Ook is de fotograaf zelf minder ‘aanwezig’ in de beelden en zijn de taferelen luchtiger van toon, soms zelfs humoristisch. Hij neemt met deze serie voor het eerst een duidelijk maatschappijkritisch standpunt in, en wel tegen de sociale media en het daaruit voortvloeiende individualisme. Foto’s van plekken waar mensen naartoe gaan voor sociaal contact, zoals de hobbyclub, een dansgroep of een muziekfanfare worden afgewisseld met beelden die de leegte van de sociale media symboliseren.

De tentoonstelling toont een interessante ontwikkeling in Soths oeuvre en weet zowel de kracht van zijn individuele foto’s als de bijzonderheid van zijn publicaties te tonen. Tegelijkertijd is het ook een enigszins conventionele benadering van zijn werk, waarbij voorbij wordt gegaan aan de sociale en meer vernieuwende kant van Soths praktijk. Dat hij bijvoorbeeld ook actief is als Instagrammer, blogger, uitgever van kleine artistieke tijdschriften en publicaties, en als fotografiedocent met een zeer onorthodoxe lesmethode, komt in Antwerpen niet aan bod. Hoe dit te vertalen naar de museumwand is aan de makers van zijn volgende overzichtstentoonstelling.

Alec Soth, MELISSA. Uit de serie Niagara (2005) © Alec Soth
Alec Soth, BILL SANDUSKY, OHIO. Uit de serie Songbook (2014 ) © Alec Soth

Fragmenten voorbij

Thomas Nuijten
Gerald van der Kaap, 3 screen 'immersive' trailer, 2017. Foto Peter Cox

In de benedenruimte van Club Solo toont kunstenaar, fotograaf, filmmaker en VJ Gerald van der Kaap drie trailers voor zijn nieuwe film Beyond Index. Een paar klapstoeltjes staan verspreid door de ruimte: om pilaren heen, tegen een wand, in een hoek. Ik neem de vrijheid er een op te pakken en net niet midden in de ruimte neer te zetten, zodat ik gemakkelijk mijn aandacht tussen de drie aanwezige projectieschermen kan verdelen.

Gerald van der Kaap is de twaalfde kunstenaar die in Club Solo oud en nieuw werk tentoonstelt in een door hemzelf gecureerde tentoonstelling. Van der Kaaps werk wordt vergezeld door een werk van kunstenaar Li Mu: A Man, A Village, A Museum – Qiuzhuang Project (2015). De keuze hiervoor komt voort uit een spannende samenwerking tussen Club Solo, het Van Abbemuseum en M HKA, waarbij curatoren van deze musea een werk kiezen als reactie op het tentoongestelde in Club Solo.

De drie schermen om mij heen worden bewandeld door verschillende personages in een Chinese stad, afgewisseld met beelden van de stad in beweging die doen denken aan een hedendaagse variant op de stadssymfonieën uit de jaren 20 en 30. De kalme, observerende shots van de stad vol neon- en tl-licht krijgen extra kracht door de afwisseling met korte fragmentarische scènes: een close-up van een huilende jonge vrouw, een beladen telefoongesprek, twee lichamen in een bed. Ook krijg ik een kijkje binnen de muren van wat lijkt op een kunstacademie. Wanneer een van de personages tape van een doek verwijdert en hiermee Zwart Vierkant van Kazimir Malevich onthult en even later een andere jongedame met een pot International Klein Blue lijkt te lopen, rijst het vermoeden dat er binnen deze muren bekende werken uit de kunstgeschiedenis worden gereproduceerd.

Veel expliciet narratieve informatie wordt er echter niet gegeven. De video’s dagen uit tot reflectie en projectie, het zoeken of creëren van een narratief aan de hand van de getoonde fragmenten, en ze zijn in dat opzicht totaal anders dan conventionele bioscooptrailers. De enige overeenkomst die de rustige sequenties hebben met conventionele trailers, is het fragmentarische karakter. Door de drie trailers bovendien in één ruimte te plaatsen, haalt Van der Kaap de video’s nog meer uit de context van de bioscoop. Er ontstaat zo een spel tussen documentaire en fictie, tussen de video’s in deze ruimte en dat waar de video’s naar verwijzen: de uiteindelijke film. Dit spel, dit nieuw ontstane werk uit verwijzingen naar het grotere geheel, werkt wat mij betreft perfect als trailer: zodra Beyond Index op het witte doek te zien is, zal ik zeker mijn opwachting maken.

Op de volgende verdieping staat mij een selectie van ouder (voornamelijk fotografisch) werk van Van der Kaap en de reactie daarop van het Van Abbemuseum te wachten. Li Mu’s Qiuzhuang Project heeft meer overeenkomsten met het werk van Van der Kaap dan het land waar het ontwikkeld is. Het project van Mu is uitgebreid: in zijn geboorteplaats in China kopieert hij moderne kunstwerken uit de collectie van het Van Abbemuseum van onder andere Sol Lewitt en Andy Warhol. Het resultaat bestaat uit een publicatie en video-installaties, waarvan maar een gedeelte in Club Solo aanwezig lijkt te zijn. Een televisiescherm toont twee fragmenten van Li Mu’s documentaire waarin we hem twee kunstwerken zien kopiëren op kleine gebouwen in het dorp en waarin hij een korte interactie heeft met een voorbijganger. Een paar schetsen van de betreffende kopieën in kleur op vier verschillende tafels en de publicatie van het project illustreren het werk zoals een trailer dat doet.

Zowel het werk van Mu als van Van der Kaap speelt met het reproduceren van bekende werken uit de kunstgeschiedenis en de invloed daarvan op maker en publiek. Daar waar Van der Kaap het onderzoek het fictieve in trekt, hanteert Li Mu een meer documenterende werkwijze. Hoewel deze verschillende werkwijzen op zichzelf interessant zijn, lijkt het hier getoonde werk van Li Mu als reactie toch net iets te voor de hand liggend om een dialoog aan te gaan met dat van Van der Kaap. Door de beperkte ruimte die het werk krijgt, komt het meer over als vergelijking dan reactie. Zonde, want Li Mu’s project intrigeert.

Ik laat mijn blik over Van der Kaap’s foto’s aan de muur glijden: portretten, was die op de balkons van een studentenverblijf in China hangt, een eindeloze verstrengeling van elektriciteitskabels. Ik kijk ernaar en denk aan een uitspraak van fotograaf Wolfgang Tillmans: ‘Information density nowadays is incredibly high. For that reason, only fragments can actually be processed. We might possess more absolute knowledge than ever before, but everything is fragmented—the same way hard drives save “fragmented” files. There is no longer a view of the totality, of the whole’. En toch ga ik op zoek naar een geheel, de fragmenten voorbij, en maak mijn eigen verhaal.

 

Beyond Index van Gerald van der Kaap is een kunstfilm over een studente die als bijbaantje Europese meesterwerken kopieert. Via de geheimzinnige Yves krijgt ze inzicht in de betekenis van de kunstwerken die ze naschildert. De film wordt naar verwachting getoond op het IFFR en de Berlinale.

Gerald van der Kaap, Tentoonstellingsoverzicht Club Solo Breda, 2017. Foto Peter Cox
Merel Jansen, FLORA & FAUNA, 2016

Door de grote ramen, met uitzicht over de brede uiterwaarden, in de verte de IJssel, valt prachtig licht in de tentoonstellingsruimtes van Het Kunstgemaal. De witte muren en kleine zalen lenen zich goed voor eenvoudige presentaties. Een kleine white cube aan de dijk. De bescheiden hedendaagse kunstinstelling, opgericht in 2013, toont in deze dubbeltentoonstelling werk van de vorig jaar overleden Franca Brunet de Rochebrune – van Lier en Merel Jansen. Twee kunstenaars, beiden afkomstig uit de regio, beiden werkend met textiel en draad. De één een nooit eerder geëxposeerde ‘volkskunstenares’, de ander een recentelijk afgestudeerde ArtEZ student. En daarmee heeft Joost Wolters oprichter, directeur en curator van Het Kunstgemaal, eveneens uit de regio afkomstig, zich op glad ijs begeven.

Van Lier, kleindochter van kunsthandelaar Carel van Lier, bracht in haar archaïsche wandtapijten, waarin zij patchwork met wollig borduurwerk combineerde, haar dagelijkse landelijke omgeving in beeld. De liefhebber waardeert ongetwijfeld het gebruik van de vele verschillende stukjes stof en andere materialen, de ruwe stiksels, de naïviteit van de taferelen, de abstracte kwaliteit van sommige details. De werken zijn overduidelijk met veel liefde tot stand gekomen. In hun soort echter niet uitzonderlijk of bijzonder inspirerend, wat oubollig zelfs.

Jansen maakt, van haar vrienden, familie en van haarzelf, geschilderde portretten op doeken die zij doorboort met draad. De eigenheid van haar waterverf-signatuur combineert ze met de onpersoonlijke lijn van een levendige, zacht vloeiende draad. De gelaagdheid en lichtheid van de portretten wordt versterkt door het gebruik van meerdere doeken over elkaar en door de werken midden in de ruimte te hangen. Zodat ze zowel recto als verso te bekijken zijn. We zien referenties aan Ingres, Vélasquez, Rembrandt; klassieke schilderkunst in ieder geval. De koppen zijn sereen, realistisch en bedachtzaam; triestig, als Fayoum-paneeltjes, de poses elegant en trots.

Voor de tentoonstelling werd Jansen gevraagd te reageren op de stukken van Van Lier. Ze ging dapper deze wat ongepaste confrontatie aan. Voor de portretten die zij speciaal voor deze presentatie maakte, bewerkte, verknipte en beschilderde ze een stapel oude lappen afkomstig uit het bejaardentehuis waar haar moeder werkt. Er is een portret dat zij over een klein wandtapijt van Van Lier heeft gehangen. Een prachtig stukje, op zelf geweven doek, getiteld Flora & Fauna (2016). Het tapijtje van Van Lier heeft ze voor de gelegenheid wel achterstevoren gehangen. Is dit mogelijk wat spottend bedoeld? Misschien niet. Inspiratie vond zij naar eigen zeggen minder in het werk maar des te meer in de vrouw die Van Lier volgens de overlevering was; elegant, excentriek, adellijk.

Recente tentoonstellingen als Threads. Textile in art & design in het Museum voor Moderne Kunst Arnhem (2014), Hand Made: lang leve het ambacht in Museum Boijmans van Beuningen (2013) of minder recent PRICKED! EXTREME EMBROIDERY (2007) in het Museum of Arts & Design in New York hebben reeds lang en breed bewezen dat het gebruik van textiel en draad zeer geëmancipeerde media zijn in de hedendaagse kunst, daar waar het in de jaren zeventig vooral nog als statement werd gebruikt door feministische kunstenaars om de positie van de vrouw aan de kaak te stellen. Gevestigde Nederlandse kunstenaars als Berend Strik of Michael Raedecker hebben laten zien dat borduren of stikken niet truttig hoeft te zijn. Het aantal interessante kunstenaars werkend met textiel, zowel nationaal als internationaal, is legio. Zou het dan ook niet interessanter geweest zijn om het werk van Jansen als jonge trots uit de regio in die context te tonen? Zeker ook omdat een van de doelstellingen van Het Kunstgemaal is hedendaagse kunst voor de regio te ontsluiten. Een dergelijke tentoonstelling had bovendien de internationale hedendaagse kunst scene wellicht wel kunnen bewegen tot een Gelderse excursie.

Het Kunstgemaal bezoeken is an sich een plezier, de omgeving is weelderig en Bronckhorst zelf is het summum van pittoresk. Prikkelender dan de schoonheid van het IJssellandschap is Verborgen verleden… Verborgen verlangen echter niet. Daarbij is de boodschap van de tentoonstelling dubieus. Wil Het Kunstgemaal het verschil tussen twee generaties vrouwen uit de regio tonen; de één belemmerd, niet eerder getoond, ondergewaardeerd, de ander vrijgevochten, geëmancipeerd, ambitieus, om daarmee iets te zeggen over de prachtige ontwikkeling van de positie van de vrouw in zijn algemeenheid en de vrouwelijke kunstenaar in het bijzonder? Of wil Wolters, verblind door nostalgische bewondering, volkskunst tot hogere kunst verheffen en Van Lier coûte que coûte zien als de ondergewaardeerde grande dame van de textielkunst en haar zelfs als voorbeeld laten dienen voor een jonge belofte als Jansen? Ook de begeleidende teksten laten de bezoeker hierover in het ongewisse.

Marlise van der Jagt is kunsthistoricus. Ze werkte als tentoonstellingsmaker in Parijs en schrijft over kunst.

De Gouden Geest van Lomme

Veerle Driessen
Tentoonstellingsoverzicht The Ghost of Weaving, 2017. Foto: Freek Lomme

Door de ruimte van Onomatopee leidt een meanderend touw je langs de werken van de groepstentoonstelling The Ghost of Weaving. Deze tentoonstelling –op de site aangekondigd als research project– is samengesteld door de oprichter en directeur Freek Lomme. Op de website staat hijzelf vermeld tussen de andere kunstenaars van het project. Behalve het touw heeft Lomme zijn gedachten over het patroon achtergelaten in de vorm van een ingesproken tekst. Terwijl je langs de werken slingert zorgt deze audiotour voor een poëtische laag, het touw verweeft het geheel tot een narratief.

Wie denkt aan patronen maakt al snel de associatie met de mozaïeken van het Alhambra. Net als veel islamitische kunstenaars kiezen de kunstenaars in The Ghost of Weaving om hun ideeën te verbeelden in abstractie, of iets dat daarbij in de buurt komt. In tegenstelling tot de figuratieve, didactische vertaling van de Bijbel in de katholieke kerk bieden de geabstraheerde beelden ruimte voor eigen interpretatie. Een patroon lijkt misschien weinig ruimte te bieden om buiten de lijntjes te kleuren maar in feite zijn er oneindige mogelijkheden binnen die gegeven structuur. Door het wiskundige karakter van patronen is de tentoonstelling op het eerste gezicht wat eentonig, maar juist de gelijkenissen –het gebruik van het raster, de lijnen, ruiten en structuren– maken onderlinge verschillen zichtbaar.

Hoewel de werken van bijvoorbeeld Sigrid Calon en Koen Taselaar meer overeenkomsten met elkaar hebben dan met de rest, wordt door de gelijkenis juist het onderlinge verschil onderstreept. De werken van beide kunstenaars hebben opvallend fellere kleuren dan andere werken in de tentoonstelling, en zijn allemaal gebaseerd op bestaande patronen. De composities zijn bij zowel Calon als Taselaar opgebouwd uit fijne structuren die door de kleurcontrasten grovere geometrische vormen krijgen. Calons werk is afkomstig uit haar boek To the extend of /, \, |, & – waarin 120 composities te zien zijn in riso-print. Alle composities zijn gebaseerd op een borduurstramien van een minimaal rooster van drie bij drie stippen dat haar in combinatie met het gebruik van acht kleuren veel verschillende mogelijkheden biedt. Door digitaal te ‘borduren’ ontstaan er grafische mogelijkheden, zoals het toevoegen van een omtreklijn of het gebruik van lagen, die de variatie in combinaties nog meer uitbreidt. De gelaagdheid die in Calons werk met de computer is gecreëerd contrasteert met Taselaars handwerk. Hij gebruikt ouderwets een sjabloon om een eigen laag over een bestaand patroon te leggen. Doordat de strakke digitale riso-prints van Calon vlak bij het werk van Taselaar zijn gehangen wordt de nonchalante stijl van Taselaar zichtbaar.

Opvallend is dat veel werken in de tentoonstelling een dergelijke tegenspeler lijken te hebben. Het touw leidt je aan het begin van het narratief langs een werk van Elisa van Joolen, zij heeft met een handdoek een zwarte afdruk op het canvas achtergelaten, de structuur hiervan gaat speels een relatie aan met het zebra-achtige breisel van Hansje van Halem en Tracy Widdess dat midden in de ruimte staat. Verderop in de tentoonstelling lijken de geruite overhemden van Maria Hedlunds fotoserie niet geheel toevallig tegenover het bijna abstracte Too Big to Fail van Timon van der Hijden te hangen, en is het was- en beddengoed van Har Sanders net zo gekreukt als de proppen van Esther Stocker.

Hoewel de werken in de tentoonstelling vaak nog verwijzen naar het ambacht neemt het machinale het tegenwoordig vaak over. De patronen van Calon zijn weliswaar gebaseerd op een klassiek borduurstramien maar de computer heeft de overhand in haar werk. Het breisel heeft Widdess, hoewel gebaseerd op het werk van Van Halem, op afstand gemaakt. Bij Van der Hijden is er nog een referentie naar textiel maar het persoonlijke wordt genegeerd. Het hemd is niet gemaakt om zich te plooien naar de lichaamsvormen van de drager. ‘… as productive mastery is channelled through ever more abstract processes, digital tools and semi-finished particles, don’t we lose touch with the fundamentals of the pattern produced?’ is de vraag die wordt gesteld in het zaaloverzicht.

Misschien is juist door deze groeiende digitale afstand de drang van Lomme ontstaan om het persoonlijke te laten doordringen in The Ghost of Weaving. Dit terwijl de werken zelf soms juist afstand nemen van het persoonlijke. De rol van Lomme is in de tentoonstelling moeilijk te negeren. In de gesproken tekst komt zijn fascinatie tot uitdrukking voor het werk van de kunstenaars die hij uit persoonlijke beweegredenen heeft samengebracht. Maar waar is de objectiviteit die je verwacht van een onderzoeksproject? De waarde van abstractie zit hem bij Islamitische motieven in de afstand die hierdoor ontstaat, en daarmee de ruimte voor eigen interpretatie,. Lomme legt daarentegen juist de nadruk op zijn persoonlijke affiniteit met het getoonde, en schept een gouden kalf om te verafgoden.

Veerle Driessen is conservator in opleiding bij het Van Abbemuseum.

Maar ik weet wat ik zie…

Miriam van Ommeren
Bart Hess, VEINS1 (detail), 2015-2016. Foto: Josefina Eikenaar / TextielMuseum

Het was een gewoonte waar een van mijn ex-vriendjes een bloedhekel aan had: als we in bed lagen streelde ik zachtjes zijn balzak met mijn nagels. Het was niet bedoeld als pesterij maar als liefkozing, en ik was ontegenzeggelijk gefascineerd door het effect ervan: na de eerste strelingen begon de huid van de balzak te krimpen, met een licht draaiende beweging. Het ene moment strak en glanzend, het volgende moment dof en gerimpeld, met binnenin een lichte kronkeling. Als een amorf wezen met een eigen wil. Filmscènes schoten ongewild door mijn hoofd: Alien, het vroege werk van David Cronenberg, gore Japanse manga… Ik vond het zo bijzonder dat ik het bleef herhalen, het liefst met langere nagels. Op een dag was hij het zat en mocht ik niet meer met mijn vingers in de buurt komen.

Zodra ik één van de zaaltjes op de begane grond van het TextielMuseum binnenloop ben ik direct weer terug in dat moment, met hem tussen de lakens, mijn vingertoppen in de aanslag. Op de muur is namelijk een meer dan levensgrote projectie te zien van een balzak die ronddraait, terwijl de huid diezelfde beweging vertoont. In de bij de tentoonstelling verschenen publicatie wordt kuis gesproken van een ‘zacht pulserende, roze vorm. Je kijkt ernaar en je voelt je verward. Wat zie ik?’ Maar ik weet wat ik zie.

Het werk behoort toe aan Bart Hess, een van de zes kunstenaars die onderdeel uitmaken van de tentoonstelling Rafelranden van schoonheid. Zodra ik mijn ogen heb weten weg te rukken van het filmbeeld op de muur dient het volgende zacht pulserende roze zich aan: op een lage vitrine ligt een wirwar van siliconen zakjes, met elkaar verbonden met ‘harige’ koorden. De objecten van Hess reageren op omgevingsgeluiden: ze kronkelen, ademen, schokken. Dat de kunstenaar zich laat inspireren door het menselijk lichaam, of iets wat erop lijkt, lijdt geen twijfel.

Rafelranden van schoonheid is sowieso een tactiele aangelegenheid. De titel verwijst naar de onafgewerkte rafels van textiel, of naar eveneens onafgewerkte stedelijke gebieden. In beide gevallen een associatie met grilligheid, ruwheid en de mogelijkheid tot ontbinding die op de loer ligt. Die spanning hebben de deelnemende kunstenaars ieder op eigen wijze verwerkt in hun objecten. Objecten waar je aan wil zitten, op wil liggen en in wil kruipen.

De organisch ogende werken van Tanja Smeets lijken zich als een schimmel door de ruimte te verspreiden. Wie langer kijkt ontwaart in de ‘schimmellaag’ van Nebula and the Soft Machine verschillende materialen en vormen: zacht vilt, gelaserd in organische vormen, gecombineerd met harde plastic bladvangers. Smeets is van oorsprong schilder, een die zich op een zeker moment te beperkt voelde door het canvas en vervolgens ging experimenteren met bolletjes kinderklei. Dit is terug te zien in haar werk: de vormen van het grijze vilt hadden van een kwast afkomstig kunnen zijn, maar de derde dimensie die zij aan haar werk toevoegt, geeft het letterlijk en figuurlijk meer diepte. Inmiddels is een variant van het werk ook te zien in het trappenhuis van het Centraal Museum in Utrecht waar het, hangend vanaf het plafond, de associatie met druipsteen opwekt.

Het TextielMuseum in Tilburg is een unieke plek die niet alleen het rijke textielverleden van de stad mooi weergeeft (oude weefgetouwen staan uitgestald), maar ook de hedendaagse toepassingen van textiel in de volle breedte tentoonstelt. Het inpandige TextielLab geeft kunstenaars de kans om elke mogelijke fantasie uit te leven, en de deelnemende kunstenaars van Rafelranden van schoonheid hebben die gelegenheid met beide handen aangegrepen. De indrukwekkende installatie van Karin van Dam, The Polyp Form of the Red Eye Medusa 2: Black Moon is een gigantische cocon van gebreide polyestergarens, die ook tot stand kwam in het laboratorium. Het is een overweldigend werk, sereen zwevend tussen plafond en vloer, mysterieus en in de ogen van sommige bezoekers een beetje eng. Wie net als ik voldoende sciencefictionfilms heeft gekeken, maakt direct associaties met ongrijpbare buitenaardse fenomenen, zoals de pod uit Invasion of the Bodysnatchers, maar Van Dam laat zich vooral inspireren door zeer aardse groeiprocessen in de natuur én de stad. Haar driedimensionale sculpturen zijn collages van breiwerken aangevuld met pvc en bamboe, materialen die zij als bouwstenen gebruikt, met rafelranden duidelijk zichtbaar. Rafelranden van schoonheid is een bijzondere tentoonstelling. Maar of die nou visueel aantrekkelijk of afstotend is, hangt af van je persoonlijke smaak. Hoewel de werken van de kunstenaars onderling sterk verschillen, hebben ze allemaal in meer of mindere mate het vermogen je aan te trekken en te verleiden. De creativiteit en het vakmanschap spatten er vanaf, en aan de unieke installaties van de deelnemende kunstenaars is duidelijk te zien hoe die twee in het TextielLab alle ruimte hebben gekregen.

Tanja Smeets, NEBULA AND THE SOFT MACHINE, 2015. Foto: Josefina Eikenaar / TextielMuseum

Gender Transketeer

Jessica Gysel
Chris Rijksen, DOCUMENT UIT AKTZEICHNUNG, DOCUMENT 3 VAN DE TRANSFORMATIE

Chris Rijksen groeide op in Utrecht, studeerde fotografie aan de Koninklijke Academie in Den Haag en brak in 2013 door met zijn serie Gender as a Performance, een fascinerende fotoserie waarin hij gender-vooroordelen op een subtiele manier ontmantelt. Er volgden meer tentoonstellingen (waaronder een groepsexpositie in New York) en een periode van zelfreflectie, waarna hij in 2015 een Master bij het Dirty Art Department aan het Sandberg Instituut in Amsterdam afrondde. Vorig jaar richtte hij samen met transmannen Bart Peters en Jonah Lamers het makerscollectief Transketeers op, waarbij kunst met een grote en kleine K naadloos in elkaar overlopen. Rijksen is naar eigen zeggen een van de weinige mensen die zelf een voornaam heeft kunnen kiezen, en heeft al meer dan zes jaar een relatie met een meisje: “Ik heb een langere relatie met haar dan dat ik een jongetje ben.”

Jessica Gysel: Je bent ooit begonnen als fotograaf bij het lgbt-jongerenblad Expreszo; je hebt altijd gefotografeerd. Kun je hier iets meer over vertellen?
Chris Rijksen: Ik heb het altijd al leuk gevonden om mooie dingen te maken en te zien. Toen ik een camera kreeg gingen er opeens allerlei deuren voor me open. Ik mocht naar binnen kijken. Mensen gedragen zich anders als je een camera in je handen hebt, zeker toen ik net begon en nog niet iedereen een smartphone had. Mijn foto’s zijn een debatopener, ik vind het belangrijk dat mensen zelf kunnen lezen wat ze willen.

In eerdere interviews definieer je jezelf nog niet echt als transgender, maar meer als genderfluïde. Sinds een tijdje ga je als transman door het leven. Ik vraag me af hoe dat zo is gegaan, omdat ik de indruk heb dat juist veel (jonge) mensen ervoor kiezen om ‘fluïde’ te blijven, en afwijken van het binaire genderbegrip.
Ik verwerp het concept van vaststaand gender, nog steeds. Ik heb bij mijzelf ondervonden dat ik een stuk minder gefrustreerd raak met de wereld en de mensen om mij heen wanneer mensen mij zien als jongen. Het kost enorm veel moeite om continu zichtbaar genderqueer te zijn – ik identificeerde me niet als fluïde, wel als queer.

Dat is fascinerend, maar als redacteur van een feministisch/ queer kunstblad herken ik dat natuurlijk wel. Het is moeilijk om iets te maken in een vorm die mensen nog niet kennen.
Ja, precies. Iedereen die queer is herkent dat sowieso. Maar voor veel kunstenaars geldt het ook, zeker voor kunstenaars die niet willen of kunnen meedoen met het huidige systeem binnen de kunstwereld. Bij het Sandberg Instituut heb ik erg veel gedacht over: ‘Ben ik nou kunstenaar en wat behelst dat precies?’ Nu ben ik onderdeel van Transketeers; we doen als collectief veel verschillende dingen waaronder performances en filmvertoningen, maar ook interventies. Tijdens de ‘Week van de Vooroordelen’ hebben we in de toiletten van het gemeentehuis van Utrecht een serie posters opgehangen met slogans als ‘Wat als jouw dochter met een Pool thuiskomt?’ of ‘Gefeliciteerd met uw huidskleur’. We wilden eigenlijk ook een poster plaatsen met daarop ‘Gefeliciteerd met uw piemel’, maar dat mocht helaas niet.

Ik vind het goed dat je probeert om een dialoog aan te gaan met mensen buiten de kunstwereld. Het is namelijk gemakkelijker om voor je eigen parochie te preken.
Ik geloof heel erg in je eigen veilige clubje, je eigen veilige blad en je eigen veilige mailinglijst. Daarom woon ik ook in Amsterdam. Het is de enige stad in Nederland waar ik me echt queer kan voelen. Maar op het moment dat ik de rest van de wereld vooruit wil helpen moet ik weg uit die veilige omgeving. Bijna iedereen op de kunstacademie is boos op de patriarchale samenleving.

Kun je iets meer vertellen over de Transketeers?
We zitten ergens op een soort snijvlak tussen entertainment, lgbt-educatie, documentaire- en videokunst, en ook een soort van emancipatie: hardcore activisme.

Wat is de succesformule van jullie collectief?
We zijn alle drie goed in iets anders. We hebben bijna een soort van zakelijke droogheid. Bart is fictieregisseur, ik ben goed met de camera en Jonah is antropoloog en educator, maar ook producer. Hij zorgt ervoor dat dingen gebeuren. In je eentje is het veel lastiger, het loopt altijd vast op het punt waar je niet goed in bent.

Gaan jullie democratisch te werk?
Met z’n drieën is het vrij doorzichtig. En we zijn ongeveer even slim. Als we er niet uitkomen zetten we een stap terug.

Ten slotte: wie uit het huidige kunstklimaat vind je inspirerend?
Ik ben een groot fan van componist Merlijn Twaalfhoven, en ook van theatermaker Lotte van den Berg. Ik kijk sowieso veel naar theater en installatiemakers. En verder hou ik erg van zowel het werk als de persoonlijkheid van Anouk Kruithof. En Jan Hoek natuurlijk. Ik vind hem een van de weinige mensen die de machtspositie die de fotograaf heeft en zo vaak wordt misbruikt weet op te lossen. Samen met zijn modellen maakt hij eerlijke, gave dingen, zonder spot. Als ik in de geschiedenisboeken naast hem eindig, zou ik dat een hele eer vinden.

Jessica Gysel is oprichter en redacteur van feministisch queer kunstblad Girls Like Us.

Chris Rijksen, stills uit BOSJACHT, DOCUMENT 2 VAN DE TRANSFORMATIE, 2015
Chris Rijksen, stills uit BOSJACHT, DOCUMENT 2 VAN DE TRANSFORMATIE, 2015

Transhapticity

Eveline Vondeling

Terwijl mijn handen op de tafel leunen, bewegen mijn ogen over tekens die woorden worden, zinnen en vormen die de aanwezigheid omlijnen van spookachtige tussenregels. Wat ik ervaar zijn de gedichten van Trish Salah, omschrijvingen van haar gewaarwording van haar eigen lichaam, neergezet als een afdruk op het papier. Wellicht kunnen de gedichten worden gezien als een compositie van haarzelf en haar lichaam in transitie. Mijn ogen bewegen over de woorden zoals strelende vingertoppen over een borduurwerk of zoals ogen een woestijn ontdekken: dwalend over de vlakte, zoekend naar de horizon. Het sentiment waar ik zelf in terecht kom lijkt los te staan van alle conventies. De woorden, alleenstaand of in relatie tot, cursief of doorstreept, vragen van mij een intensiteit die wordt gedreven door het verlangen dat uit het werk spreekt en de sterke aanwezigheid van het gevoel van in betweenness. Ik ervaar Salahs poëzie als haptisch. Haar identiteit en gender, haar lichaam in transitie, en staat van verlangen, in love, vraagt mij deel te worden van haar ervaring. De afdruk op papier is het medium.

HAPTISCHE VISUALITEIT
Hapticiteit is een feministische visuele strategie die wordt gebruikt in de videokunst om tegen objectivering in te gaan en conventies te ondermijnen. Laura Marks, hoogleraar aan de Simon Fraser University in Canada, gebruikt in haar artikel ‘Video Haptics and Erotics’ de term ‘haptic visuality’ (haptische visualiteit).1 Deze term gaat in tegen het fallocentrisme van optische visie, oftewel zicht, en benoemt de mogelijkheid van het opdoen van kennis door middel van wat ervaren wordt. Maar op welke manier opent het onze blik? Hoe kan haptische visualiteit worden gebruikt om de kijker te helpen binaire constructies, zoals man en vrouw, los te laten en buiten conventionele paden te treden?

Marks legt uit dat haptische perceptie doorgaans wordt gedefinieerd als de combinatie van de tactiele (door aanraking), kinesthetische (gevoel door beweging) en proprioceptieve (informatieve prikkels uit de spieren) functies. De manier waarop we ervaren heeft zowel te maken met wat we voelen op het oppervlak van ons lichaam als wat er ‘in’ ons lichaam gebeurt.

Bij haptische visualiteit is volgens Marks sprake van een ‘caressing gaze’: de ogen functioneren als ‘organs of touch’. Deze caressing gaze is een intieme, gedetailleerde en erotische blik die contrasteert met optische zichtbaarheid. Kenmerkend voor het werk van de Amerikaanse feministische videokunstenares Sadie Benning en de Koreaanse videokunstenaar Seoungho Cho, dat Marks in haar artikel bespreekt, is het gebruik van lagen waardoor de relatie tussen de voorgrond van het beeld en de positie van de camera onduidelijk is. Beide kunstenaars zetten technieken in zoals lange sluitertijd en slow motion. Deze leiden tot ‘ghostly paths of light that swirl through the space of vision’2. Die abstracte beelden vragen van de toeschouwer een andere participatie, namelijk die van belichaming. Dat betekent dat de kijker niet alleen kijkt met zijn of haar ogen, maar met zijn of haar gehele lichaam een relatie aangaat met het werk.

Hoewel Marks haptische visualiteit zelf niet in relatie brengt met andere media binnen de kunst, is die er wel degelijk. Tijdens een workshop/seminar van de Canadese Trish Salah (trans-poëtica, schrijfster, activiste, cultuurhistoricus en hoogleraar aan de universiteit van Queens in Kingston) afgelopen zomer in Leiden, werd duidelijk hoe de zichtbaarheid van transgender baat kan hebben bij deze visuele strategie in een medium als poëzie. In haar gedichten roept Salah met veel evocatieve zeggingskracht zintuigelijke, erotische ervaringen op. Wat haar lichaam ervaart, geeft ze weer in woorden. Bij de afdruk van deze processen op papier verhoud ik mij niet alleen met mijn ogen tot haar gedichten. Terwijl ik zoekend, aftastend lees, ervaar ik haar gedichten ook lichamelijk. Het werk wordt een loep voor de ontdekking van beweging en transities van woorden, gedichten die werken als afdrukken en sentimenten. Het speelse en hoog esthetische woordenspel op het papier heeft een visuele kracht en maakt mij een affectieve waarnemer. Het lezen wordt een actieve gebeurtenis en er ontstaat een eenwording tussen papier en oog.

TRANSGENDER
We delen graag in, plakken gemakkelijk ergens etiketten op. Daarmee gaan we echter voorbij aan de complexiteit van het fenomeen transgender. We hebben geen oog voor de nuance, met als gevolg dat de transgender vaak niet wordt begrepen en in feite onzichtbaar blijft. Nu er ook in de kunst steeds meer aandacht is voor transgender, dringt de vraag zich op in hoeverre kunst over of door transgender personen toegankelijker (zichtbaar) kan maken wat veelal nog steeds onzichtbaar is. Ik ben ervan overtuigd dat het inzetten van haptische visualiteit als strategie kan bijdragen aan de zichtbaarheid van het veelkleurige en veelzijdige genderpalet, en dus ook kan leiden tot een beter maatschappelijk begrip van wat transgender is.

Toen ik mij ging verdiepen in visuele strategieën die in de kunsten worden gebruikt om deze zichtbaarheid te verbeteren, werd al gauw duidelijk dat het lichaam een belangrijk uitgangspunt is voor kunstenaars die transgender zijn. Het nadrukkelijk aanwezige lichamelijke representeert een wijze van herontdekken van het lichaam, een herformulering of herobjectivering, om zo tot een nieuw bewustzijn te komen, voorbij normatieve conventies en categorisatie. De transities zijn nodig om los te komen van de binaire constructies waarin het lichaam doorgaans wordt beschouwd (zoals bekwaam – onbekwaam, gezond – ongezond). Meestal vormt dit transitieproces een wezenlijk onderdeel van het creatieve proces. Ook wordt het vaak getoond aan de toeschouwer en maakt het deel uit van het artistieke eindproduct, het kunstwerk.

De aanwezigheid van het lichaam geeft aan veel werken een hoge mate van hapticiteit en tactiliteit. Dit is bijvoorbeeld ook te zien in het werk van de Nederlandse kunstenaar Chris Rijksen (zie ook de Vrijplaats verderop in het blad). Zijn werkproces toont een interessante transitie in zijn benadering van zijn lichamelijke aanwezigheid. Het werk van Rijksen ontwikkelde zich van het fotograferen van optisch identificeerbare lichaamsdelen, gepresenteerd als geobjectiveerde Ikea-achtige afbeeldingen, naar video’s waarin het lichaam een minder statisch gegeven is. In Bosjacht, deel van de transformatie zien we Rijksen bloot door een bos rennen, achtervolgd door een handy-cam. Deze beelden zijn bewerkt tot schokkerige cuts die je als kijker niet volledig kunt objectiveren en vastgrijpen. Zowel het ‘maken van’ door Rijksen als het ‘kijken naar’ door de toeschouwer wordt een affectieve gebeurtenis. Door het editen van het filmmateriaal ontstaat een collage van zijn lichaam die de ogen van de kijker laat zoeken naar een referentiekader dat er niet is of dat constant wordt afgenomen.

Door het ontbreken van de referentiekaders en oriëntatiepunten lijkt haptische visualiteit lijnrecht tegenover optische visie te staan. In haar artikel volgt Marks de richtlijnen van de Weense kunsthistoricus Alois Riegl (1885-1905), die hapticiteit anders benadert dan de postmoderne filosofen Gilles Deleuze (1925-1995) en Félix Guattari (1930-1992) dat deden. Voor hen ligt hapticiteit in het verlengde van hun concept ‘nomad art’, waarnaar ik een korte uitstap wil maken aangezien het een andere benadering geeft dan de hapticiteit van Marks en Riegl.

GLADDE EN GEGROEFDE RUIMTE
Het verschil tussen de benadering van Riegl en die van Deleuze en Guattari ligt voornamelijk in de manier waarop zij de termen ‘espace lisse’ (gladde ruimte) en ‘espace strié’ (gegroefde ruimte) definiëren. Deze twee conceptuele termen worden gebruikt om naar bewoonde ruimtes te kijken, waarbij nomadische ruimtes (zonder vaste verblijfplaats) tegenover sedentaire (het verblijven op een vaste verblijfplaats) worden geplaatst. Bij beide benaderingen komt hapticiteit voort uit de gladde ruimte, in tegenstelling tot de optische visie die voortkomt uit de gegroefde ruimte. Volgens Riegl en Marks komt hapticiteit voort uit de gladde ruimte, maar houdt altijd een verband met de gegroefde ruimte.

Deleuze en Guattari benadrukken juist hoe de gegroefde ruimte voortkomt uit de gladde ruimte. Deleuze en Guattari nemen als uitgangspunt dat de gladde ruimte wordt bewoond door nomaden, zoals in iglo’s en in trekkershutten in de woestijn het geval is. Deze bewoonde oppervlakten zijn ‘glad’. De oriëntatiepunten in steppen en de woestijn zijn voortdurend in wording (‘becoming’) en variëren constant. Daartegenover staan de oriëntatiepunten in steden relatief gezien vast en zijn onveranderlijk. De stad als bewerkte, homogene ruimte (gegroefd) staat lijnrecht tegenover de ruimte ingenomen door nomaden. Deze is veelal onbewerkt en heterogeen (glad). Ook materialen zijn onder te verdelen in deze termen. Een geweven stof, die bestaat uit een vaste structuur van wollen draden, kan worden gezien als gegroefd. De huiden die Mongoolse nomaden gebruiken voor de bekleding van hun ruimtes, louter opgebouwd uit verstrengelde vezels, zijn glad. De opvatting van Deleuze en Guattari is dus dat hapticiteit voortkomt uit de gladde ruimte en onafhankelijk is van de gegroefde ruimte.

Riegls perceptie van hapticiteit komt voort uit de voorwaarden van de kunst uit het oude Egypte, die uitgaat van een systeem van rechte omlijningen die individualiteit als het ware zouden vastzetten en de kans op verandering verkleinen. Riegls definitie van hapticiteit komt voort uit zijn idee van de horizon als achtergrond. Oude Egyptische kunst had zogezegd een gladde ruimte nodig om de gegroefde ruimte tegenover te zetten, om zodoende de laatstgenoemde te kunnen definiëren. Deleuze en Guattari argumenteren echter als volgt: ‘The striation of the earth implies as its necessary condition this double treatment of the smooth: on the one hand, it is carried or reduced to the absolute state of an encompassed horizon, and on the other it is expelled from the relative encompassed element. Thus the great imperial religions need a smooth space like the desert but only in order to give it a law that is opposed to the nomos in every way, and converts the absolute.’3

Deze tegenstelling maakt Riegls definitie niet geschikt om louter naar de abstractie van een teken te kijken of naar het affect van de gladde ruimte als iets opzichzelfstaands, zonder angstgevoelens die behoefte hebben aan hiërarchie, categorisatie en structuur. Dat maakt het moeilijk om hapticiteit in relatie te brengen met bijvoorbeeld de transpoëzie van Salah.

Hapticiteit in relatie tot transgender zou meer baat hebben bij een haptische benadering vanuit de gladde ruimte, zonder de gegroefde ruimte in acht te nemen. In het imperialisme was abstractie altijd ondergeschikt aan het concrete van de gegroefde ruimte. Het is daarom vooral een uitdaging om naar verschillende kunstvormen te kijken die haptische visualiteit tot stand kunnen brengen en zonder deze reductie een relatie hebben met transgender. Met het idee van de gladde ruimte als close-vision en een abstracte lijn als affect – voor zowel maker als toeschouwer – kan hapticiteit een manier zijn voor herontdekking van het lichaam, een (mis-)identificatie met het binaire normatieve model van gender (man – vrouw), categorisatie en objectivering.

Bij de term transgender in relatie tot kunst is men snel geneigd te denken aan kunst die gaat over ‘transgender zijn’ of de rol van transgender binnen de samenleving. Veel van deze kunst vermijdt directe representaties van dat soort onderwerpen. Trace Peterson, een van de eerste gepubliceerde Amerikaanse transpoëten, verheldert dit als volgt in relatie tot poëzie: ‘One’s identity status is “not the status” (…) biographical material may appear in the oblique form of references to gender ambiguity or transition, but the writing is framed in a way that separates the author from the ‘I’ of the speaker.’4

De scheiding van de auteur en het ‘ik’ is wat ik eerder in deze tekst heb aangeduid met objectivering als een transitieproces. Kunst die wordt gerelateerd aan transgender, in welke vorm dan ook, koppelt identiteit aan gender. Deze twee begrippen kunnen niet los van elkaar worden benaderd. Sekse, gender en identiteit raken dan als het ware in een fusie: complex, transcendentaal en niet te categoriseren. A. Finn Enke, hoogleraar aan de universiteit van Wisconsin en gespecialiseerd in de geschiedenis van seksualiteit en gender, gebruikt de term ‘translation’ (afkomstig van: to carry across, terwijl transitie betekent: to go across) in plaats van transitie. Ze legt uit dat de activiteit van vertaling van belang is voor transgender: ‘A necessary and profoundly hopeful act for those who trans gender, for we have been taught that transgender is marked by dysphoria (…) In order to carry or bring across, we become poets, storytellers, and artists.’ 5

Trish Salah sluit zich daarbij aan; zij omschrijft zichzelf als een ‘identity of translatedness’. In de eerdergenoemde workshop in Leiden sprak ze over ‘poetics of equivocation rather than equivalency’ en stelde daarbij de belangrijke vraag: ‘How that ethical commitment to indeterminacy sits alongside global lingualism of imperialism, of certain linguistic frames they bring into being, to certain ways of being through the exclusion of others?’ Volgens Salah is vertalen het vertroebelen van globaal, modern taalgebruik.

De stellingen van Peterson, Enke en Salah over identiteit creëren een basis om te kijken naar en geaffecteerd te zijn door haptische visualiteit in relatie tot transgender, oftewel ‘transhapticity’ – om zodoende te kijken naar strategieën die worden gebruikt in relatie tot taal en esthetica die voorbijgaan aan identiteit, gender en conventies. Een andere belangrijke vraag zou kunnen zijn hoe deze strategieën het imperialisme vertroebelen.

Naar mijn mening zou transhapticity (als vernieuwde strategie) door lichamelijke ervaringen nieuwe inzichten kunnen bieden. Het is een abstracte strategie die is gebaseerd op connectie en beweging, niet op punten van oriëntatie maar juist op creatieve mutaties tussen tekens, woorden en zinnen (in poëzie) of beeld/performance en de ruimtelijke opstelling (bij beeldende kunst).

Bepaalde esthetische aspecten die Peterson in zijn artikel over transpoëzie benadrukt zijn bijvoorbeeld de witregels tussen de woorden en tekens. Dat aspect breekt met conventies als homogeniteit, taalkundige gendering en sociale constructies, maar ook met meerdere posities die de schrijver of kunstenaar inneemt in relatie tot gender of andere vormen van lichamelijke categorisatie op basis van etniciteit, ziekte of werksituaties. Deze categorisering vraagt om het centraal stellen van het lichaam. Door transhapticity ontstaat een totale overgave, waarbij het kunstwerk fungeert als een soort tweede huid.

Eveline Vondeling is projectleider van de eerste zichtbaarheidsdag voor transgenders, die in maart 2018 wordt georganiseerd door Transgender Netwerk Nederland. Als curator stelt zij een tentoonstelling samen die onderdeel vormt van deze dag. Daarnaast volgt Vondeling de onderzoeksmaster Gender and Ethnicity aan de Universiteit Utrecht.

1 Laura Marks, ‘Video Haptics and Erotics’, in: Journal Article, Screen (Glasgow, University of Glasgow, 1998)
2 Idem, p. 331
3 Gilles Deleuze en Félix Guattari, ‘Thousand Plateaus’, in: Capitalism and Schizophrenia, vert. Brian Massumi, p. 575 (Londen, Bloomsbury Publishing, 2013)
4 Trace Peterson, ‘Trace’ in: Transgender Studies Quaterly: Becoming a Trans Poet, p. 524 (Durham, Duke University Press, 2014)
5 A. Finn Enke, ‘Translation’ in: Transgender Studies Quarterly, p. 241 (Durham, Duke University Press, 2014)

Evelyn Taocheng Wang, solotentoonstelling Allegory of Transcience, De Hallen Haarlem, 2017. Foto: Gert Jan van Rooij

Allegory of Transcience, een allegorie van vergankelijkheid, is de eerste museale solotentoonstelling van Evelyn Taocheng Wang in Nederland. Ze is geschoold in de traditionele Chinese schilderkunst, maar sloeg tijdens haar studie in Frankfurt en Amsterdam een conceptuele richting in. Deze mix van culturen en stijlen is sterk aanwezig in haar werk.

In de eerste zaal, waarin een ruimtevullende installatie omgeven door schilderijen wordt getoond, is deze mengvorm van invloeden vrij letterlijk vertaald. Oudhollandse taferelen zijn op traditionele Chinese wijze geschilderd. Op de grond liggen stapels van papieren kussentjes, met daarop schilderingen van tulpen. Op het eerste gezicht is het een fantasieloos cliché: tulpen als symbool van Nederland, maar dan op Chinese wijze. Het is echter niet zo vanzelfsprekend als het lijkt.

Wangs interpretatie van de Nederlandse kunstgeschiedenis heeft namelijk oog voor andere narratieven, voor verhalen van mensen en vanuit perspectieven die we juist niet kennen. Zo zien we twee oudere vrouwen, met wind in hun rokken, genietend van het landschap – en stiekem ook van elkaar. Het is alsof je een inkijkje krijgt in de geheime gedachten van vergeten figuren uit de alledaagse taferelen van Hollandse meesters. Het is een gesitueerde interpretatie – dat wil zeggen, een interpretatie met inachtneming van haar context, zonder te pretenderen een universele blik te vertegenwoordigen – van de Nederlandse kunstgeschiedenis. Hierdoor voegt Wang op subtiele wijze een ander perspectief toe aan de Hollandse meesters.

De video-installaties in de naastgelegen ruimte hebben een andere vorm dan het eerste deel van de tentoonstelling en roepen opnieuw vragen op. In het nieuwe werk The Interview zien we twee versies van een interview dat Wang aflegde naar aanleiding van de Volkskrant Beeldende Kunst Prijs, die ze in 2016 won. In deze video bekijkt ze samen met een man in blauw pak Oudhollandse meesterwerken in een museumdepot. Ze bespreken de verschillen tussen Nederlandse kunst, waar het lichaam een belangrijke plaats inneemt, en Chinese kunst, waar lichamen juist als de laagste vorm van kunst worden gezien. In het oorspronkelijke interview is het vooral de mannelijke interviewer die uitleg geeft, wat leidt tot een scheve verhouding tussen presentator en kunstenaar. Maar dan verschijnt er een andere man in beeld, zonnebankbruin met harde spieren, en hij draagt enkel een zwarte string. Het interview raakt erdoor uit balans en de presentator wordt zenuwachtig, maar Wang vertelt onverstoorbaar verder. Ze wil het lichaam met zich meebrengen zegt ze, want dat is waar haar werk over gaat. Deze man in zijn broekje is veel meer dan een ludieke truc. Door het contrast met Wang en de interviewer verwordt hij tot beeld, tot lichaam waarnaar gekeken wordt. In relatie met de beelden van de oude meesters roept het vragen op over schoonheid en masculiniteit. Hoe verhouden we ons tot ideaalbeelden en gendernormen, en in hoeverre zijn die beelden zelf aan verandering onderhevig?

Deze vragen komen nog sterker naar voren in Dusk. Dit filmische videowerk, met dramatische muziek van Beethoven, vormt een vervreemdend, soms zelfs onheilspellend beeld. We zien Wang zelf, op een bootje in de grachten, met naast haar opnieuw het mannelijke model uit The Interview en een vrouwelijk model met lange zwarte haren. De modellen zoeken trots naar aandacht, ze willen bekeken worden. Wang daarentegen lijkt eerder ongemakkelijk, alsof ze onopgemerkt wil blijven. Even later staan de modellen als Griekse standbeelden in een tuin, als representaties van hedendaagse visies op schoonheid, mannelijkheid en vrouwelijkheid. Ze zijn wit, gespierd, slank, onthaard. Ook hier presenteert Wang het lichaam als object. Maar ze laat ook zien dat dat niet voor elk lichaam op dezelfde manier werkt. Kunnen we een mens wel objectiveren, hem of haar alleen als lichaam zien?

Het is geen nieuwe kwestie die Wang hier aan de kaak stelt, maar door dicht bij haar eigen positie te blijven slaagt ze erin vernieuwend te zijn. Ze ambieert geen alomvattende antwoorden te geven, maar neemt je mee in haar perspectief. En juist zo’n gesitueerde aanpak leidt tot inzichten. Tussen die cisgender man en vrouw, die beide aan elke gendernorm conformeren, zit ze zelf. Ze probeert zich tot hen te verhouden, als vrouw met een Chinese afkomst, als kunstenaar, als transgender vrouw. Tegelijkertijd belicht ze ook de vergankelijkheid van schoonheid; met maiskolven als metafoor voor collectiviteit en vergankelijkheid laat ze zien hoe steeds wordt verteld dat dat wat niet meer in bloei staat, zijn schoonheid heeft verloren. Soms kun je naar kunst kijken zonder de context te kennen, maar in deze tentoonstelling is een begrip van Wangs positie en achtergrond een belangrijke toevoeging aan de ervaring. De werken zijn soms abstract; Wang stipt bepaalde thema’s aan maar legt niets uit. Haar werk gaat over het plaatsen van kanttekeningen en het aanbrengen van nuance. Tegelijkertijd is het in een specifieke context gesitueerd en subjectief: Wang blijft dicht bij haarzelf, en daar ligt in mijn ogen de kracht van de tentoonstelling.

Rosa Wevers is student van de research master Gender and Ethnicity aan de Universiteit Utrecht.

Evelyn Taocheng Wang, solotentoonstelling Allegory of Transcience, De Hallen Haarlem, 2017. Foto: Gert Jan van Rooij

Een dichter aan het woord?

Ceciel Stoutjesdijk
Dirk de Herder, DE AMSTELBRUG, Amsterdam, 1946

Een woeste zee, de schuimkoppen verlicht door het maanlicht, vastgelegd door Margot Rood. Een bruisende dansende uitgaansmenigte van Raymond Meeks of een verlaten steeg bij nacht van Desiree Dolron. Alle foto’s in de collectietentoonstelling Nacht ontwaakt tonen de aantrekkingskracht van de duisternis en het nachtleven. Fotografie als het vastleggen van licht krijgt hier een andere betekenis: het is eerder een zoektocht naar licht, of een experiment naar wat het ontbreken ervan teweegbrengt. Silhouetten, reflecties, schaduwen, abstracte vormen. De nachtelijke beelden zijn per thema (landschap, stad en nachtleven) gerangschikt, zonder onderscheid tussen fotografisch medium en techniek.

Hoe prachtig de beelden ook zijn, deze klassiek-thematische opstelling stelt enigszins teleur als duidelijk wordt dat er gedurende de totstandkoming van de tentoonstelling sprake is geweest van een bijzondere samenwerking tussen conservator Wim van Sinderen en writer-in-residence Mischa Andriessen. Samenwerkingen met schrijvers of dichters komen vaker voor bij een tentoonstelling. Denk bijvoorbeeld aan filosoof en schrijver Alain de Botton die de kunstwerken in de Rijksmuseum-tentoonstelling Art Is Therapy (2014) toelichtte op post-its. De discussie over de invulling van het tekstbordje naast een kunstwerk – welke toon en vorm, wel of geen citaten, geschreven door de conservator of juist niet – lijkt steeds weer op te spelen. Vrij spel geven aan een writer-in-residence is een mooie manier om werk van het kunsthistorische perspectief los te zingen, het vanuit een andere hoek te belichten dan een conservator zou doen.

Andriessen is de tweede writer-in-residence die een half jaar lang achter de schermen van het Gemeentemuseum mocht meekijken. Hij kon rondstruinen in de depots en de zalen tijdens de opbouw van een tentoonstelling betreden om zich te laten inspireren. Bij het zien van de selectie werken voor Nacht ontwaakt dacht Andriessen aan het gedicht Zonder liefde van André Frénaud: ‘Aanvaard mij wanneer de maan veranderlijk is // Loop niet verder dan mijn liefde // De Snuitkevers vraten gaatjes in de dageraad // Aan mijn gestalte voorbij is alles zwart // De seizoenen reiken niet langer hun gulle handen // Je hebt een hart nodig dat zich aan jou geeft // Ik zal de kleuren van de wereld voor je ophalen // indien je bij me blijft, want ik ben bang – Een vrouw is aan het woord.’

Als reactie op deze bestaande tekst (en de werken in de tentoonstelling?) schreef hij een zogenaamd ‘contrastvers’: ‘Mijn stappen verklonken in leven // het lonken onder licht, de aarzeling // ik wachtte terwijl ik liep, liet de schemer // verreinen dat ik hier ten einde kwam // en al die tijd was ik alleen, misbaar // tussen hen die droomden of dealden // een angstig jong dat jachtig doorstapt // nog nachtbewaard het zicht ontsnapt – Een man is aan het woord.’ Zelf zegt Andriessen hierover: ‘In een contrastvers gaan de twee teksten de dialoog met elkaar aan. Er ontstaat een verbinding en dat is precies hoe ik mijn residentschap ook zie: ik wil verbindingen leggen tussen de beeldende kunst en andere kunstvormen zoals de dichtkunst. Mijn hoop is dat er spannende verbindingen ontstaan die iets nieuws toevoegen aan het bestaande werk.’

De thematische overlap en het mystieke gevoel dat zowel de dramatische poëtische regels als de nachtelijke taferelen teweegbrengen sluiten perfect op elkaar aan. Het is alleen jammer dat het gedicht vrij losgezongen van de tentoonstelling wordt gepresenteerd. Hierdoor lijkt het alsof er sprake is van eenrichtingsverkeer. Hoe verrassend zou het zijn geweest als de conservator zich op zijn beurt had laten inspireren door Andriessens contrastvers en de verschillende beelden een onvoorspelbare dialoog met elkaar had laten aangaan, in plaats van landschappen bij landschappen, architectuur bij architectuur en nachtelijke portretten bij nachtelijke portretten. Zo had het gedicht van Andriessen een spannende toevoeging kunnen zijn aan de tentoonstelling, waarbij de kijker wordt uitgedaagd om de beelden op een andere manier te interpreteren, in plaats van de automatische zoektocht van overeenkomst en verschil die nu plaatsvindt. Laat de writer-in-residence een manier zijn om ook te experimenteren met presentatievormen. Pas dan kunnen er nieuwe verhalen tot stand komen die iets toevoegen aan de collectie en de geschiedenis van het museum.