Martin Scorsese en het grensgebied tussen cinema en beeldende kunst

—Annabel Essink
Jeugdfoto Martin Scorsese met zijn ouders

Meewarig keek zij in de camera zoals alleen oude mensen dat kunnen – met grote ogen waaruit evenveel argwaan als afschuw spreekt. Vroeger was alles beter.
“Vertel maar gewoon over je ballen, mama”, klinkt een stem.
De oude vrouw rolt ongeduldig met haar ogen. “Nééhéé, je moet me eerst wat vragen. Zo hoort dat.”
“Nee, praat maar gewoon. De camera loopt al.”
“Je moet me eerst wat vragen.”
“Dat hoeft niet. Het is een film, geen interview.”
Gedecideerd haalt mama haar wenkbrauw op. “Je moet me eerst wat vragen.”
De persoon achter de camera zucht.
“Goed dan: hoe kom je aan het recept voor de ballen?”
“Ah! Dat weet je toch wel, Marty Mio? Dat heb ik je al zo vaak verteld … Waarom doen we dit?”

Tot 3 september 2017 is de tentoonstelling Martin Scorsese te zien in het EYE Filmmuseum Amsterdam. De tentoonstelling opent met de hierboven geschetste, vreemd-vrolijke home video’s die Scorsese maakte van zijn moeder. Zij was zijn eerste muze, en werd het prototype Italiaanse mama dat verscheen in veel van zijn latere films. Deze reizende overzichtstentoonstelling – voorheen te bezoeken in Berlijn, Parijs, Melbourne en New York – focust zich op het leven én werk van de Italian-American filmregisseur Martin Scorsese (1942). Zijn persoonlijke gesprekken, voorwerpen en fascinaties vullen de museumruimten. Centraal in de tentoonstelling staat telkens de relatie tussen de levenservaringen van de regisseur en zijn filmthematiek. Deze insteek ligt in lijn met de huidige trend om de popster in het kunstmuseum te portretten als persoon. Op deze manier wordt hij gedemystificeerd maar toch vereerd, zoals gebeurde bij de tentoonstelling David Bowie in het Groningermuseum (2015). Is eren en demystificeren ook wat Martin Scorsese – The Exhibition bewerkstelligt? De hoofdcurator van EYE, Jaap Guldemond, stelt dat het museum vooral zoekt naar het grensgebied tussen cinema en beeldende kunst; daar waar het ene medium het andere raakt.

In tien donkere kamers wordt de bezoeker door het artistieke leven van Martin Scorsese geleid. Niet chronologisch, maar thematisch. Er zijn fragmenten uit verschillende films op het witte doek te zien. Hierdoor wordt de consistentie van Scorsese’s filmthematiek duidelijk. Zo toont de tweede tentoonstellingsruimte Broers de fascinatie van Scorsese voor het broederschap. Veel van zijn films gaan over een intense vriendschap tussen twee mannen – figuurlijke broers die een balans proberen te vinden tussen trouw en verraad, mentorschap en gehoorzaamheid. De bokser Jake uit Raging Bull (1980) weet anderen keer op keer tegen zich in het harnas te jagen, waarna zijn broer en manager Joey voor hem opkomt. In The Last Temptation of Christ (1988) voelt Judas zich op eenzelfde manier verantwoordelijk voor de perikelen van Jezus. De vierde kamer, Eenzame helden, laat Scorsese’s voorkeur zien voor een wat agressieve antiheld als hoofdpersonage. Zowel Jordan uit The Wolf of Wallstreet (2013) als Teddy uit Shutter Island (2010) vinden boetedoening voor hun zonden. Het is grappig en mooi om te zien hoe totaal verschillende karakters voort lijken te komen uit dezelfde basis. Tegelijkertijd is dat ook wat deze curator’s cut problematisch maakt. Zijn de meeste verhalen die wij vertellen niet onder te verdelen in dergelijke levensthema’s? Is dat echt wat een Scorsese een Scorsese maakt?

De tentoonstelling toont niet alleen films, maar ook persoonlijke voorwerpen. Zij staan als relikwieën. Zo toont de achtste ruimte Cinefiel de doos-televisie waarop Marty zijn eerste films zag als kind. Marty vertelt hoe dit ding zijn motivatie aanwakkerde om films te maken, en hoe hij als elfjarige zijn eerste storyboard tekende, niet wetend wat het was. Ook het storyboard hangt daar. Op dit soort momenten benadert de tentoonstelling Martin Scorsese meer als popster en minder als kunstzinnig filmmaker. Dit maakt de tentoonstelling fundamenteel anders dan het moderne kunstmuseum, waar een dialoog tussen kunstwerk en toeschouwer centraal staat. Door de hapklare thema’s die de tentoonstelling belicht, lijkt de toeschouwer haast onderwezen te worden in de interpretatie van het werk. Hierdoor is een dialoog tussen de bezoeker en de tentoonstelling lastig, evenals een eigen of hernieuwde interpretatie van Scorsese’s werk. Het zou bijvoorbeeld zo kunnen zijn dat de regisseur ook onbewuste keuzes maakte in zijn artistieke proces en karakterschetsen, bijvoorbeeld door de sterk sociaal gesegregeerde maatschappij waarin hij terecht kwam in de Verenigde Staten. Misschien past een directere benadering bij het medium film en hoe wij gewend zijn filmmakers te zien. De tentoonstelling doet wat dat betreft ook wat zij moet doen: het leven, de films en fascinaties van Martin Scorsese op een duidelijke en mooie manier tonen. Het grensgebied tussen cinema en beeldende kunst lijkt echter nauwelijks opgezocht, terwijl juist het laten zien van die interdisciplinariteit is hoe het EYE Filmmuseum zich kenmerkt. De vraag rijst dan ook of dit grensgebied eigenlijk wel bestaat. Is cinema niet een afgebakende kunstvorm met een duidelijke tentoonstellingspraktijk, namelijk het grote doek?
Naast de tentoonstelling biedt EYE een nevenprogramma dat de 24 speelfilms van Scorsese toont, plus een aantal van zijn belangrijkste documentaires en shorts.
Misschien was andersom beter geweest: de films van Martin Scorsese in de hoofdrol, en zijn persoon in het nevenprogramma.

Installatiefoto Martin Scorsese - The Exhibition, 2017