Grensoverschrijdend

Vinken en Van Kampen

Adverterend, curaterend, site ontwerpend, voorfilmmakend, televisiezendend, filosoferend, musicerend, dansend, en theatermakend gaat de kunstenaar anno 2001 door het leven. Hij is zich op allerlei terreinen in de maatschappij aan het manifesteren als een vrijwillige herintreder. De oorzaak zal wel zijn dat kunstenaars over kunst wel een beetje zijn uitgepraat en dat er buiten de kunst veel meer spectaculairs te doen lijkt.

Het is om te beginnen natuurlijk de vraag of het daadwerkelijk zo is dat ‘de kunst' en ‘de maatschappij' twee te scheiden begrippen zijn, maar het is ontegenzeggelijk waar dat veel vooral jonge kunstenaars deze scheiding als een voldongen feit beschouwen. Door te beweren dat je grensoverschrijdend bezig bent toon je in ieder geval aan dat je de opvatting hebt dat er grenzen zijn. Hoe dan ook, je kunt je afvragen of dit wederzijds is. Bestaat er in ‘de maatschappij' eenzelfde aanname? De hippe beroepsopvatting van de kunstenaar lijkt eerder eenzijdig, meer voortgekomen uit een behoefte van de kunstenaars dan uit een vraag vanuit andere disciplines.

Dat blijkt bijvoorbeeld op de tentoonstelling van Orgacom in Bureau Amsterdam. Op een interventie vanuit de kunstwereld wordt gereageerd door de reclamewereld. Van het spanningsveld dat Orgacom veronderstelde te veroorzaken door zich op het eigen terrein van de ‘marketingcultuur' te begeven is niets te merken. De werken bestaan uit een (gevraagde) reactie op hun aanwezigheid door de betrokken bedrijven en zijn vooral een schrijnende onthulling van de naiviteit van de kunstenaars.

Orgacom probeerde de taal van de marketingwereld te spreken. Zo proberen tegenwoordig steeds meer kunstenaars zich de specifieke taal van hun target eigen te maken. Het idee is dat ze zich dan, niet al te allochtoon in een buitenkunstige omgeving, een signalerende functie aan kunnen meten. Als waarnemers met een uitzonderlijk kunstenaarsinzicht gaan ze te werk en proberen daar waar onwetendheid heerst de mensen hiervan bewust te maken. Bijvoorbeeld door verborgen (maar voor hen wel zichtbare) mechanismen bloot te leggen. Gebruikelijk wordt later in een kunstcontext de conclusie van het ‘project' of de ‘actie' gepresenteerd.

Bij Annet Gelink Gallery is een werk te zien van Marine Hugonnier. Als reactie op de verkiezingsuitslagen in Oostenrijk in 1999 ondernam ze zo'n actie. Ze vroeg een vrouw die lid was van een gevangenenorkest in een concentratiekamp een stuk te spelen, dat op de nationale radio werd uitgezonden. De registratie hiervan wordt in de galerie getoond: videobeelden van de radio-opname doorsneden met beelden van Wenen.

De muziek van Arvo Pärt klinkt, er brandt een kaars, er staan bloemen en er ligt een lijvige brochure waarin de kunstenaar haar beweegredenen beschrijft, twee jaar en zo'n duizend kilometer verwijderd van de aanleiding. Door de poging mensen over die tijdbrug aan te spreken, onder meer door de suggestie van een suggestieve sfeer (bv. kaars = memento mori, licht en hoop), verdwijnt de boodschap door de open deur. De kunstenaar stelt zich daarbij op als gezegend met zoveel verschillende bijzondere gaven (empatisch, filosofisch, psychologisch, analytisch, kunsttheoretisch, filmisch, literair, etc.) dat geen kunstwerk deze meer kan herbergen.

Na het signaleren van een mechanisme en het stelling nemen (de actie), zou er – met een doel voor ogen, het bewustmaken of communiceren of zoiets – nu in een galerie in Amsterdam iets meer moeten gebeuren.

In Amsterdam zijn nu eenmaal weinig Weners en de angst voor de verkiezingsoverwinning van Haider en extreem rechts is een stuk getemperd sinds de koningin er op vakantie ging. Daarnaast is het brede publiek tegenwoordig waarschijnlijk net zo slim als Hugonnier. De context is hier de kunst en daar weet iedereen nu wel dat het kwaad nooit uitgeroeid zal worden en dat muziek en kunst in het algemeen de redding van de mensheid zijn – een abc-tje. Toch wordt hier een historische relatie (concentratiekamp-Haider) in een galerie gesleept om ons er iets over te zeggen. Maar wat zegt ze? Het zal toch niet de bedoeling zijn ons er op te wijzen dat die relatie bestaat?

ORGACOM – FHV CORPORATE * INC-21 * PROXIMITY * SIGNUM * XSAGA, t/m 9 dec

Stedelijk Museum Bureau Amsterdam, Rozenstraat 59, Amsterdam

MARINE HUGONNIER

Annet Gelink Gallery, Laurierstraat187-189, Amsterdam

Een klein meisje getooid met een enorm veren hoofddeksel, geleend van een Amazone-indiaan, presenteert in een uitstalkastje om haar nek plastic oorlogsspeelgoed. Aan haar voeten liggen houten kruizen en een grote kei. Een lichte glimlach speelt om haar lippen. Ze gaat gekleed in een camouflagejurkje, terwijl een gouden kruisje boven haar oorlogshandel bungelt. Dit beeld is geladen met symboliek. Elk detail verwijst naar iets, en de details samen vertellen een verhaal. Ritsaert ten Cate is de maker van het werk. Hij verbleef afgelopen zomer in New York in het atelier in PS1 en toont in Galerie Reuten het resultaat van zijn verblijf. Even verderop staat een houten Jezusbeeld, zo van het kruis gestapt, de stigmata nog bloedend van negentiende-eeuwse rode verf. Ten Cate laat de Jezusfiguur een tweede leven leiden als pelgrim met een leren rugzak op de rug, waaruit een klassieke schone dame opduikt, een duif de vrijheid insturend. Het houten kerkbeeld staat op een fontein, omringd door water. Muntjes liggen in het spiegelgladde water. Zelf een muntje erin gooien betekent een eerbetoon aan een heilige, maar de vraag is wat nu eigenlijk geëerd wordt? Het theatrale beeld heeft iets dubbels: de vrouw uit de rugzak wordt meegevoerd, maar stuurt nog een duif de wijde wereld in om uit te kijken naar veilig land, een manier, die Noach met zijn ark ook al eens toepaste.

Verwijzingen naar religie en oorlog zijn legio. De titels van de twee werken zijn zwanger van betekenis: Peace? Been there, done that I en Peace? Been there, done that II. Ten Cate duidt hier op de snelle consumptiemaatschappij zoals die in de Pepsireclames naar voren komt. Hippe jongens jumpen bungee, of skateboarden roekeloos door de urban jungle, met als lifestyle Pepsi Max. Been there, done that. De installaties van Ten Cate leveren een commentaar op het Westen, dat vrede ziet als een vanzelfsprekend consumptiegoed, om naar eigen behoefte vrij over te beschikken, en dat ongeacht de consequenties kan ingrijpen in de wereld. Opvallend is dat deze werken al gemaakt zijn voor de aanslag op het WTC gebouw in New York. De installatie Remembrance of things past, die de kunstenaar in oktober maakte naar aanleiding van de terroristische actie van Bin Laden, is van een verstilde aard. Een glazen plaat wordt op zijn plaats gehouden door verschillende klemmen. Een ouderwets decorstuk neemt de voorgrond in. Een jager mikt op een duifje hoog in een boom. In een andere boom zaagt een man een tak af. Daarachter foto's; twintig mannen met en zonder baard, oud en jong, allemaal van Arabische komaf, en Bin Laden tussen hen in. Deze foto's stonden anderhalve maand geleden in de krant. Zij zijn de meest gezochte terroristen van dit moment, een lijst samengesteld door de FBI. Achter de mannen hangen vijf foto's van een en dezelfde cumuluswolk. Ritsaert ten Cate componeert zijn kunst uit verschillende onderdelen, foto's, oude beelden en kitschdingen, kinderspeelgoed. Hij combineert alle elementen tot een nieuw geheel. De symboliek in zijn werk is met aandacht gecreëerd door de verschillende gevonden voorwerpen tot een dramatisch geheel samen te smelten. Zo geeft hij commentaar op de politieke gang van zaken. Zijn gevoel voor dramatiek en compositie komt niet uit de lucht vallen: Ritsaert ten Cate was in de jaren zeventig betrokken bij het theatercentrum Mickery. Hij schreef, regisseerde en produceerde diverse theaterproducties. In de jaren negentig was hij leider van DasArts, een interdisciplinair theater. Deze achtergrond als theatermaker laat zich zien in zijn beelden, waar zeker in het werk Remembrance of things past de gelaagdheid van de presentatie een aandacht voor het samengestelde beeld verraadt. Minder sprekend en theatraal zijn de Rembrandtportretten. In een rode gloed heeft Ten Cate de verschillende zelfportretten van de meester weergegeven. Met behulp van video heeft de kunstenaar telkens twee verschillende zelfportretten over elkaar heen geschoven, alle 66 foto's in een rode gloed. In deze expositie vallen ze weg tegen de installaties. Rembrandt is een helrood behang geworden, met als functie de dramatiek van oorlog en vrede te onderstrepen.

DRAMATIEK VAN OORLOG EN VREDE. ‘HONESTLY STOLEN FROM THE EXPERIENCE OF A LIFETIME', Ritsaert ten Cate, t/m 25 nov

Galerie Reuten, Fokke Simonszstraat 49, 1017 TE Amssterdam

Kunst en bedrijf

Nathalie Zonnenberg

Kunstenaars moeten af van het Romantische beeld dat zij afgezonderd van de wereld aan hun werk schaven totdat het moment daar is dat het de blik van het publiek kan weerstaan. Ze moeten de wijde wereld in, de concurrentie aangaan met filmmakers, reclamemakers en televisiemakers. Ze moeten zich meer conformeren aan zelfstandigen in reclame- en amusementsindustrie, zoals Endemol. Een voorname rol hierin is weggelegd voor het onderwijs, waar professionals uit het bedrijfsleven hun expertise zouden moeten uitwisselen met de kunstenaars in spé, die nu in plaats van in kapitaal te denken slechts één enkele weg naar het geld weten te bewandelen, namelijk de weg naar het Fonds voor Beeldende Kunst Vormgeving en Bouwkunst. Dat was zo ongeveer de strekking van de stelling die Rutger Pontzen verkondigde tijdens een debat in het Fonds voor BKVB over de Blokkade in de Beeldende Kunst.

Twee dagen na dit debat, dat werd aangezwengeld door reacties van Koen Brams en Kees Vuijk, opende in Bureau Amsterdam een ‘presentatie' van het kunstenaarsduo Orgacom. Presentatie liever dan ‘tentoonstelling' – een naar het schijnt inmiddels verouderd begrip in de hedendaagse kunst – want Orgacom stelde geen werk tentoon. Het duo Teike Asselbergs en Elias Tieleman heeft zichzelf tot taak gesteld in bedrijven te integreren en daar door middel van (beeldende) kunst veranderingen teweeg te brengen in ORGAnisatie- en COMmunicatieprocessen. Dat lijkt een aanpak te zijn die Pontzen zou bevallen: deze kunstenaars tonen ondernemingszin.

Maar hoe vertaalt zoiets zich naar een gegeven tentoonstellingsruimte? Orgacom gaf hierop een gepast en professioneel antwoord: zij vroeg vijf communicatie- en reclamebedrijven waarmee zij heeft gewerkt, hun visie op Orgacom te verwoorden in de vorm van een bedrijfspresentatie. Het lijkt voor de hand te liggen dat de bedrijven hun visie zouden baseren op de artist-in-residence periode die Orgacom doorbracht bij de FHV Groep, waar de bedrijven bij zijn aangesloten en waarvoor een kunstwerk werd gerealiseerd. Het resultaat is echter een tamelijk zakelijke presentatie die in het beste geval een reclamecampagne voor de kunstenaars is, en in het slechtste geval hetzelfde voor het bedrijf zelf. De presentaties geven in geen geval inzicht in wat Orgacom voor de bedrijven heeft betekend of zelfs waar hun werkperiode uit bestond. En dat is jammer, want hoe denkt Orgacom nu "een discussie aan te moedigen over de manier waarop de kunstwereld ‘sociale kunst' beoordeelt" zoals er in de begeleidende folder staat?

Het duo wil, net als een groot aantal andere kunstenaars van haar generatie, de kloof tussen kunst en maatschappelijke werkelijkheid overbruggen. Zij neemt daarin naar eigen zeggen een bijzondere plaats in, want richt zich specifiek op bedrijven en organisaties. Wat ontstaat is echter een promotionele verwarring. Wie prijst nu eigenlijk wie aan? Orgacom lost op in de propaganda die de bedrijven met name voor zichzelf verspreiden, waardoor de kloof die gedicht zou moeten worden, alleen maar groter dan ooit het traditionele kunstpubliek aangaapt. Jos Houweling zei het eigenlijk al, op dat bewuste debat in het Fonds voor BKVB: "wij hebben die professionele mensen van bedrijven en amusementsindustrie de academie binnengehaald, het is interessant, maar het levert niets op." Het levert niets op: de kloof wordt niet gedicht. De intentie van Orgacom is een veelbelovende, en naar ik hoop is de invloed die zij heeft op de bedrijven waarmee zij werkt noemenswaardig, maar wat zien wij, de toeschouwers hiervan? De ware betekenis van het werk blijft verborgen, want communiceert op een ander niveau, binnen de onbekende, gesloten context van het bedrijf. De enige wijze waarop dit naar een (kunst)publiek kan worden gecommuniceerd is een documentaire: door middel van een evaluatie van de verrichtte arbeid binnen de bedrijven. In lezingen en presentaties over haar activiteiten, zoals tijdens een workshop in het voormalig Vormgevingsinstituut, ontstaat die betekenisvorming wel. Dan wordt door het overdragen van ervaringen en met suggestieve documentatie een verrassend beeld geschetst van hoe Orgacom kunstmethodes inzet in een maatschappelijke(re) context. Maar helaas voor ons kunstminnaars: het is eigenlijk niet voor onze ogen bedoeld. Wil kunst maatschappelijk zijn, werkelijk van invloed, en zich op andere terreinen begeven, dan zal zij (tijdelijk) het veld van de beeldende kunst moeten verlaten en zich tevreden moeten stellen met een blik op afstand.

ORGACOM- FHV CORPORATE * INC-21 * PROXIMITY * SIGNUM * XSAGA, t/m 9 dec

Stedelijk Museum Bureau Amsterdam, Rozenstraat 59, Amsterdam

Op 4 november ben ik getuige van de opening van de tentoonstelling met de lange titel van Jennifer Tee (Arnhem, 1973) in het Stedelijk Museum in Sittard. Voordat we de zaal in mogen, wordt de openingshandeling verricht: een optocht van drie enorme kleurige spandoeken, van het museum naar de even verderop gelegen markt en weer terug. Onwillekeurig denk ik eraan hoe ik in dit stadje jarenlang carnaval heb gevierd. Carnaval is een ritueel, en daar gaat deze tentoonstelling ook over.

Jennifer Tee, werkzaam aan de Rijksakademie in Amsterdam, maakt TTT's, Total Tee Transformers, multimedia installaties die mentale werelden verbeelden. In haar onderzoek naar de mythologieën van de mens was voor deze tentoonstelling Brazilië onderwerp van research. Museumdirecteur Stijn Huijts leidt de openingsgangers, die in groten getale zijn meegekomen uit Amsterdam, in in de tentoonstelling. Hij voelt zich als het konijn in ‘Alice in Wonderland' want ook wij moeten straks met hem mee, door een sluis naar de sprookjeswereld van Jennifer Tee. Wat we daar mogen verwachten, is in ieder geval geen l'art pour l'art waarschuwt hij, geen formalisme en ook niet What you see is what you get, maar een visualisatie van een intens engagement, de wereld van een kind van deze tijd. En die modelleert zich aan de hand van verhalen van helden. Wie zijn Tee's helden dan? Twee in Brazilië geboren kunstenaars: Helio Oiticica (1937-1980) en Öyvind Fahlström (1928-1976), die zich allebei afzetten tegen de kunstwereld. Oiticica legde zich toe op antikunst, Fahlström op het zogenaamde ‘open kunstwerk'. Werk van beiden is opgenomen in de tentoonstelling, als een fictieve posthume ontmoeting.

Ook Jennifer Tee's werk is een vermenging van de kunstwereld en de echte wereld. Zij beoefent haar kunstenaarschap op een open en vloeiende manier.

Soms lijkt een tentoonstelling net een voorstelling: de opening is een happening, daar moet je bij zijn. De resten vormen de expositie. Moeilijke opgave om daarvoor dezelfde spanning te creëren. Maar goed, ik was bij de opening: achter de spandoeken aan mogen we door de sluis die zich achter een deur bevindt. Het is een houten gebouwde gang waar op een verhoging lampjes staan en kussentjes en kleurige klompen gestold kaarsvet liggen. Dan een gang door met aan het eind een rode vlag met de tekst ‘Seja Marginal, Seja Herói' (Wees Marginaal, Wees een Held). Dan gaat de stoet de hoek om en komt in een soort heiligdom. De spandoeken lopen een tijdje in de rondte en worden dan aan de kanten neergezet. Als je goed luistert, hoor je swingende Braziliaanse muziek. Er zijn projecties op de muren en een monitor met een dansende Braziliaanse man. Als je goed kijkt, zie je door de vrolijke Braziliaanse kleuren op de spandoeken ineens de voorstelling van de motieven: rijen handen die een pistool richten op een schietschijf en heel veel losse vingers.

In het midden van de grote, van de buitenwereld afgesloten museumzaal bevindt zich een opstelling van opgestapelde blokken getooid met banen gekleurde stof. Er rond omheen ligt een strook kaarsvet waaruit kleine schelpjes steken en, verontrustend: een stuk of tien paar gele opgezette handen. De buitenste ring van het ‘altaar' bestaat uit gekleurde kussentjes die op de grond liggen. Samen met de kunstenaar voert een drietal helpers het ritueel uit: op elk kussentje leggen zij dichtgeknoopte pakketjes stof met een mengsel van specerijen, bloemen, rijst en granaatappel. Als sluitstuk voert de kunstenaar de toverknal uit in de vorm van (binnen)vuurwerk! Als je voor het altaar staat, kun je lezen wat er op de linten geschreven is: ‘through my blood, through my sweat this love will live'.

Voor Jennifer Tee is de tentoonstelling een weerslag van een vijf weken durende ontdekkingsreis door Brazilië, een zoektocht naar het leven en werk van haar helden en naar de verschillende facetten van het leven en de cultuur in Brazilië. Net als haar helden neemt ook zij geen genoegen met het één op één karakter van de kunstwereld, zij verwerkt de maatschappelijke realiteit in haar kunst. De expositie In Air I presume… toont de mix van lichtheid, blijheid en liefde met de hardheid, de armoede en het onrecht van het Braziliaanse leven. Voor de museumdirecteur is het zichtbaar een groot genoegen deze solo in huis te hebben gehaald. Voor mij blijft, ondanks de aardige ervaring en de mooie werken van de helden, de vraag hangen of deze kunstvorm wel thuishoort in een museum voor hedendaagse kunst. De gebezigde terminologie: onderzoek, participatie en de voltooiing van het kunstwerk in contact met publiek, zet mij er op zijn minst toe aan de kunstenaar aan te moedigen deze TTT aan te bieden bij andersoortige musea zoals het Amsterdamse Tropeninstituut. Dan blijft de ervaring niet voorbehouden aan het kleine kunstpubliek dat op zijn manier kijkt. Breek de kunstcodes open, zeker als je je associeert met een Oiticica die antikunst predikt.

En dan heb ik het nog niet eens over de vraag of je met een TTT het gewenste authentieke Brasil-effect bereikt in een museumzaal met systeemplafond.

JENNIFER TEE: IN AIR I PRESUME THE NON-LOGICAL HUNT FOR TOVERKNAL, 4 nov 2001 tot 6 jan 2002

Het Domein, Kapittelstraat 36, Sittard

Publicatie: een ‘landkaart' in de vorm van een T, met een tekst van Roel Vlemmings.

Open ateliers

Arne Hendriks

Het is bijna zover, ‘Open Ateliers’ van de Rijksakademie in Amsterdam. De deelnemers aan één van Nederlands meest befaamde opleidingsinstituten voor kunstenaars gooien de deuren open en gunnen iedereen een kijkje in hun tijdelijke studio’s. Een mooier weekend bestaat er niet op Neerlands kunstkalender. Ik kan iedereen aanraden om de KunstRAI uit de agenda te schrappen en naar de ‘Open Ateliers’ te gaan.

De kwaliteit is beter, veel van het werk is te koop zonder de tussenkomst van galeries, het gebouw is minder deprimerend dan de RAI, en het is nog gratis ook. Of dat niet genoeg is krijg je als neutrale toeschouwer ook nog eens een interessant kijkje in de machinaties van de kunstwereld. Tijdens de ‘Open Ateliers’ worden de deals gemaakt. Collectioneur struikelt over galerist, botst tegen kunstcriticus, valt over onafhankelijke tentoonstellingsmaker. Dominodag voor de cultuurindustrie. Je moet en wilt er geweest zijn. En dat geldt zeker ook voor de deelnemers zelf. Een verblijf aan de Rijksakademie kan een belangrijke opstap betekenen in de wereld van de high art. Van de circa 700 aanmeldingen per jaar kan helaas slechts een handjevol worden aangenomen. Een elitegezelschap dat gedurende twee jaar de beschikking krijgt over een atelier, materialen, de expertise van bekende kunstenaars en vaklui in een luilekkerland van mogelijkheden. En dat trekt kunstenaars van divers pluimage aan. Schilders, filmers, beeldhouwers en fotografen, nergens kun je in zo korte tijd zoveel verschillende werelden binnenstappen.

Eén van deze werelden is het fraai aan de binnenplaats gelegen atelier van Pieter Dobbelsteen. Dobbelsteen vermengt aspecten van architectuur met autonome sculptuur. Zo ontstaan vervreemdende maquettes en plattegronden. De geest knippert tussen de zakelijke betrachting van een schaalmodel en de introverte bespiegeling op een autonoom beeld. Dobbelsteen stuurt dit proces ook nog eens in de war door hier en daar schaalmodellen van autonome beelden in zijn architectonische modellen in te brengen. Of hij vergroot plotseling aspecten zoals fragmenten die lijken op de exorbitante korstmossen die veel van zijn beelden bezoedelen.

Een organische ontlading, aangekwakt tegen de ruïnes van modernistische en postmodernistische vormen. De grens tussen architectuur en kunst is bij Dobbelsteen effectief opgeheven. Herkenning en verwarring wisselen elkaar af, ook in zijn mooiste beeld dat haast nonchalant schuin tegen de muur staat. Een plattegrondje waarin we nog vuurtjes en muren herkennen staat zij aan zij met een bak gevuld met de grillige vormen van purschuim. Sporen van acties uit verleden en heden tarten een dreigende vormloze massa. The Blob ontmoet Madurodam.

Het atelier van de Amerikaanse kunstenares Martha Colburn is eerder een gruwelkabinet. Overal slingeren enorme hoeveelheden uit tijdschriften geknipte vogelspinnen, naaktmodellen, sprinkhanen en televisiepersoonlijkheden. Het zijn hoofdrolspelers in de korte, maar krachtige, animatiefilms die zij maakt. De filmpjes duren slechts een paar minuten maar zijn een neurotisch bombardement van de net- en trommelvliezen. Met evident genoegen neemt zij de spastische en perverse gewoontes van de mens op de hak, inzoomend op sex, geweld en massaconsumptie. Oprah Winfrey wordt in elkaar geslagen, Kermit de Kikker blijkt een voetfetisjist en Bill Clinton legt Hillary nog maar eens uit dat hij niet inhaleert. De geur van frituurolie, sigarettenrook en gebruikte condooms hangt in de lucht. Martha Colburn laat zien dat de vrijgevochten generatie van de jaren 70 eigenlijk een beetje zielig is geworden in de in zichzelf gekeerde verering van genot. Maar moraliserend wordt zij nergens. Colburn geniet van de op hol geslagen mensheid.

Bijna verstopt, in het verste hoekje van de Rijksakademie, is het atelier van de Britse kunstenaar Ryan Gander. Alsof hij vanuit deze afgelegen positie een beter commentaar op de wereld kan formuleren. Het is niet ongebruikelijk dat Gander zich wegcijfert. Tijdens een groepsexpositie in de Jan van Eyck Akademie in Maastricht was zijn enige bijdrage een loket waar de bezoeker informatie over de overige exposanten kon krijgen. De enige hint dat het hier een kunstwerk van Ryan Gander betrof was de verwijzing naar de materiaalsponsors, Mr. en Mrs. Gander. Bij een andere gelegenheid creëerde hij een ingang met welkomstboodschap. Zelf bleef hij weer buiten beeld. Het werk maakt nieuwsgierig, maar met name naar andere dingen. Voor Gander is de kunstenaar vooral degene die de structuur aanbrengt en de inhoud verzorgt. Het zichzelf wegcijferen van Gander is lang niet zo bescheiden als het in eerste instantie misschien lijkt. Hij wil instructies geven, de kijkrichting beïnvloeden en laten zien wat hij zelf ziet. De aanwezigheid, of liever gezegd het aanwezig geweest zijn, van Gander verraadt zich in de manier waarop de toeschouwer de ruimte ervaart, niet in de persoonlijke toets van de kunstenaar. Stijl is Ryan Gander een gruwel. Het kan alleen tot een molensteen om je nek worden en de plaats van inhoud vervangen. In een recent project gaf Gander vijf designers een opdracht tot het ontwerpen van affiches voor denkbeeldige events. Door samenwerkingsverbanden aan te gaan voorkomt Gander de persoonlijke handtekening zonder geheel af te moeten zien van de visuele component. Inhoud is de specialiteit van de kunstenaar, vorm die van de ontwerper.

Veel kunstenaars aan de Rijksakademie verkennen en overschrijden de grenzen tussen verschillende vakgebieden. Maar ook kunstenaars die op zoek zijn naar vernieuwing binnen de traditionele media hebben dit jaar meer ruimte gekregen. De geur van verf is terug in de gangen van de Rijksakademie. De schilder Maurice Braspenning heeft de laatste jaren enige bekendheid gekregen met geabstraheerde landschappen, maar gooide het roer in zijn laatste maanden aan de Rijksakademie radicaal om. Herinneringen, flarden uit een ver verleden, vinden plotseling hun weg naar het linnen. Fascinerend is het schilderij waarin een volwassene met twee kinderen eendjes voert. Het sentimentele thema wordt in evenwicht gehouden door de bewust gemankeerde manier waarop de verf is aangebracht. Braspenning hoeft niet meer te bewijzen dat hij kan schilderen. Hij zoekt de uitdaging in het verkennen van zijn eigen grenzen. Deze persoonlijke vernieuwing die tijdens de ‘Open Ateliers’ bij veel kunstenaars zichtbaar is, is misschien wel het meest interessante aspect van een bezoek aan de Rijksakademie.

OPEN ATELIERS, Rijksakademie van beeldende kunsten, 30 nov tm 2 dec open dag, 12-19 uur

Sarphatistraat 470, 1018 GW Amsterdam

2 FILMS VAN MARTHA COLBURN, te zien op PARK 4DTV in Amsterdam
Cinemadness #1op 16 dec, Cinemadness #2 op 26 dec

Bijzondere personages

Afshan Ayar

Zesentwintig hoofden hangen kriskras aan de wanden van galerie Ron Mandos. Het zijn de recente olieverfschilderijen van de kunstenaar Theo Poel. Een kunstenaar die al jaren gefascineerd is door het menselijke gezicht. Hoewel, menselijk? Het zijn frontaal geschilderde mannenhoofden met enorme flaporen, rozige, varkensachtige neusgaten. Sommigen hebben drie paar ogen, anderen hebben gaten in plaats van ogen. Gezamenlijk vormen ze een serie. Het vraagt enige tijd om de gezichten op je in te laten werken. Niet zozeer vanwege de anatomische eigenaardigheden, maar vooral vanwege de gelaatsuitdrukking. Portretten zijn het niet. Voor karikaturen kunnen ze ondanks de overdrijvingen niet doorgaan. Het meest treffend is de weergegeven gemoedstoestand, die moeilijk te duiden is. De ogen – de spiegel van de ziel – bieden meestal geen aanknopingspunt. Vaak zijn ze gesloten of helemaal hol. De neus zegt weinig. De mond is een lange streep. Een big smile met gesloten ogen. Dat kan alleen maar binnenpret zijn.

In zijn catalogus vertelt Poel dat hij niet in karakters maar in gezichtsuitdrukkingen is geïnteresseerd. Inspiratie te over. Van het in religieuze extase verkerende gelaat van de heilige Theresia van Bernini tot de dramatische foto's van door honger en rampen geteisterde gezichten uit de World Press series. Het gezicht is het belangrijkste communicatiemiddel. Maar ook het meest raadselachtige. Een vluchtige gelaatsuitdrukking die is vastgelegd in olieverf wordt al snel een grimas. Juist doordat de huid bij Theo Poel met veel aandacht voor dieptewerking is geschilderd, krijgt het gezicht iets van een masker. Een dun vel dat je eraf zou willen trekken, om het ware gezicht eronder te zien.

Een etage hoger word je verrast door het werk van de Britse kunstenares Lisa Holden. Grote opgeblazen digitale fotoprints van een vreemde jongeman, waarvoor de kunstenares zelf model heeft gestaan. Me and Johnny, luidt de titel. Lisa Holden heeft een volledige familie verzonnen. Met bijbehorende kleding, muzieksmaak en psychologie. Johnny is haar fictieve broertje. Een in zichzelf gekeerde, contactgestoorde jongeman, die geïsoleerd van de buitenwereld dagenlang op een zolder doorbrengt. Alleen met zijn eigen gedachten en dromen. In een zijkamer word je getrakteerd op een overvloed aan snapshots met het gezicht van Johnny vanuit verschillende hoeken en een enkel videobeeld, begeleid door muziek uit de jaren zeventig. Het opgeblazen formaat in close-up, de halfopen mond, en de abrupte afsnijdingen maken de sfeer compleet. Terwijl ook hier de blik van het personage van de toeschouwer is afgewend. Johnny kijkt de andere kant op, of ligt onder een soort matras. Hij draagt een geruit overhemd en zijn streepjesdas is half opengeknoopt. Het door de schmink glimmende gezicht maakt een ‘vette', haast morsige indruk. Ook zonder kennis van het bijbehorende ‘familieverhaal' zijn het sterk tot de verbeelding sprekende portretten.

De titel van de groepstentoonstelling draagt de naam Breekbaar, bijzondere personages. De vraag is wat deze personages breekbaar maakt. Het zijn eerder vreemde personages die genoeg aan zichzelf hebben. Het lijkt wat vergezocht om de introverte blik van de contactgestoorde Johnny en de brede glimlach van Poels personages breekbaar, lees kwetsbaar, te noemen. Wel letterlijk breekbaar zijn de ‘voids' van Sonja Oudendijk. Glasobjecten in verschillende metalictinten, die op het eerste gezicht aan vazen doen denken, maar de vorm van een zittend boeddahbeeld blijken te hebben.

Minder breekbaar, maar erg melodramatisch zijn de witte polyesther fonteintjes van Arjen Lancel. Half verscholen in de tuin staat een fonteintje van een Pinokkiohoofd. Uit de ogen en de opengesperde mond stroomt onophoudelijk water. Vergelijkingen met kitscherige huilende pierrots dringen zich op. Alhoewel deze Pinokkio behalve de bekende grote neus, ook een grote pukkel heeft en zelfs een oorbel draagt. Van dezelfde kunstenaar is boven in het zijkamertje nog een fonteintje te zien, getiteld Spoken huilen, omdat ze niet bestaan. Een vormeloos wit figuur met slechts twee gaten op de plaats van de ogen, waar water uit stroomt. Alleen, met het geluid van het kletterende water en met de titel in gedachten, raak je algauw vertederd.

BREEKBAAR! BIJZONDERE PERSONAGES, Theo Poel, Lisa Holden, Sonja Oudendijk en Arjen Lancel, t/m 24 nov (op afspraak nog te zien tm december)

Galerie Ron Mandos, Rodenrijselaan 24, Rotterdam

De stad Brescia kan niet echt worden beschouwd als het bruisende middelpunt van hedendaagse kunst in Italië. Wie galeries zoekt die op dit terrein actief zijn, begeeft zich eerder richting metropool Milaan. Toch is in de stad een galerie te vinden die al enkele decennia een prominente plaats inneemt op het internationale podium: Galleria Massimo Minini. Het is een galerie die in het tentoonstellingsprogramma een mix van generaties voor het voetlicht brengt: niet alleen wordt de jonge (Italiaanse) avant-garde gepresenteerd maar ook zijn internationaal bekende kunstenaars van een oudere generatie in het tentoonstellingsprogramma te vinden. Massimo Minini vertelt dat musea en verzamelaars uit Europa bij zijn galerie aankopen. Zo heeft bijvoorbeeld Wim van Krimpen onlangs twee foto's verworven. Minini was enkele jaren actief als jurist alvorens hij besloot zich geheel aan de kunst te wijden. Interesse in kunst had hij eigenlijk altijd al en galeries in Milaan bezocht hij met regelmaat. Toch ziet hij zijn besluit om een galerie te beginnen (1973) als een spontane actie. De eerste groepsexpositie die Minini in zijn eigen galerie organiseerde, bestond uit werk van onder anderen Gilbert & George en Hamish Fulton. Naast eigenaar en oprichter van de galerie is Massimo Minini onder meer lid van de selectiecommissie voor de kunstbeurs van Bazel, een plek waar hij overigens al korte tijd na het openen van de galerie werk van zijn kunstenaars toont. Namen zoals Sol Lewitt, Richard Long, Giulio Paolini, Luciano Fabro, Daniël Buren, Dan Graham, Jiri Dokoupil en Michelangelo Pistoletto passeren in de jaren zeventig en tachtig de revue in de galerie. De laatste tien jaar komen ook Ettore Spalletti, Anish Kapoor, Peter Halley, Robert Barry, Jan Fabre en Vanessa Beecroft voor. Massimo Minini richtte zich op stromingen zoals Arte Povera, conceptuele kunst en Minimal Art maar toonde ook eenlingen binnen de kunstwereld. Bovendien exposeert hij de laatste jaren met regelmaat werk van jongere kunstenaars. Hij biedt de jonge Italiaanse avant-garde de kans zich te tonen aan het internationale publiek. Hoewel Minini gelooft in het promoten van jonge kunstenaars, waarbij hij zich terdege bewust is van het belang van een galerie voor deze groep, is hij eveneens van mening dat een kunstenaar vooral op eigen kracht verder dient te komen. Het onwrikbare geloof in jezelf is een credo dat zowel voor hemzelf als voor zijn kunstenaars geldt. Bij het selecteren volgt hij, zoals hij zegt, zijn neus, waarbij hij de kanttekening maakt dat je als galeriehouder toch wel de meeste binding hebt met kunstenaars van je eigen generatie. Dat hij zich dan ook is gaan concentreren op een andere, jongere generatie, ziet hij als een spannende ontdekkingsreis. Daarnaast werkt hij zijn dochter Francesca in, die zowel de nieuwe ontwikkelingen op het hedendaagse gebied als de jonge generatie op de voet zal volgen.

In oktober en november exposeerde Sabrina Mezzaqui (Bologna, 1964). Een kunstenaar die als thema binnen haar werk het onthaasten als uitgangspunt neemt, waarmee zij haar reactie geeft op het motto snel-sneller-snelst van vandaag de dag. Ze toont een projectie op de wand van een raam, een gordijn is gesloten, de andere helft is half open. Pas na geruime tijd ontdekt de toeschouwer dat het licht langzaam maar zeker van kleur verandert en dan wordt duidelijk dat Mezzaqui tijdens een zonnige middag filmde hoe het licht in een kamer naar binnen valt.

Mezzaqui exposeert ook een video waarop een blauwe hemel is te zien met witte wolken, hetzelfde uitgangspunt wat zij in haar projectie toepast, is hier te zien. Lichte veranderingen bepalen de sfeer van de video. Ervoor staand veronderstel je soms op je rug in het gras te liggen, gedachteloos naar de lucht starend en je zo nu en dan verwonderend over de schoonheid van zoiets simpels als een heldere hemel tijdens een mooie zomerdag. De kunst van Mezzaqui geeft de hectische stedeling een moment van contemplatie, een kort tijdsbestek waarin het besef doordringt dat schoonheid in zoiets simpels kan schuilen als van hoedanigheid veranderend licht. En niet in de laatste plaats werkt haar kunst rustgevend. Door haar poëtische houding ten aanzien van alledaagse zaken, weet zij de aandacht van de toeschouwer gedurende lange tijd vast te houden.

SABRINA MEZZAQUI, INSTALLATIES

Galleria Massimo Minini, Via Apollonio 68, 25128 Brescia, Italie, open di t/m za 15.30-19.30 uur

email:Galleriaminini@numerica.it
www.artnet.com/minini.html

Tuin der Lusten

Lotte Haagsma

Tussen de bloemen van galerie annex bloemenzaak Brutto Gusto hangen de dagboektekeningen van Bas Meerman. Stoere mannen, mooie jongens en enkele glamourous dames in zwart-wit tekening en kleurige aquarel lijken zich zeer thuis te voelen in de weelderige omgeving.

In de met eikenhouten lambrisering beklede zijruimte van galerie Phoebus zijn tekeningen van Simon Benson te zien. Zacht gearceerde bomen groeien ondersteboven met in hun takken teksten als ‘Is the air on fire, I think I see it in your eyes’ en ‘Do you still fall asleep in one world and wake up in another’.

In Rotterdam openen een aantal galeries het seizoen met kunstenaars die zich hebben laten inspireren door het schilderij Tuin der Lusten van Jheronimus Bosch. De galeries hebben zich met dit initiatief aangesloten bij de grote Bosch-tentoonstelling die op dit moment loopt bij het Museum Boijmans Van Beuningen. Het bewuste schilderij is daar overigens niet te zien, het Prado – dat het in bezit heeft – leent het niet uit.

Voor Bosch was de tuin der lusten geen paradijselijke omgeving, maar een plek waar de mens zijn domme driften uitleeft om vervolgens gestraft te worden in het hellevuur. Zijn schilderij bestaat uit drie panelen met op het linkerpaneel Adam en Eva, op het middenpaneel het onbezorgd uitleven van de seksualiteit en op het rechterpaneel de hel en verdoemenis waar deze genietingen toe leiden. Geen vrolijke boodschap dus, hoewel het middenpaneel uitblinkt in schitterende kleuren, prachtig geschilderde mensfiguren en vreemde creaturen.

De tuin der lusten is bij Brutto Gusto op onbezorgd vrolijke manier tot stand gekomen. De dreiging van de hel waar het zwakke vlees der mensheid zal branden is ver te zoeken. Tussen echte bloemen hangen mooie mannen. Bas Meerman tekent en schildert met krachtige lijnen en eenvoudige vormen zelfbewuste figuren die genieten van seks, zonder schaamte of angst voor afkeuring. Trotse mannelijke geslachtsdelen en getrainde torso’s, zachte jongelingen en grote mannen in uniform, kijken de toeschouwer helder aan of richten hun blik op de partner waarmee zij verstrengeld zijn. De enige schaamte bij dit werk ontstaat misschien bij de toeschouwer die, terwijl het werk in zinderende kleuren en volle tekenpracht hem wenkt om te kijken, bij het zien van zoveel zelfbewustzijn en genieten zich toch enigszins voyeur voelt.

Simon Benson exposeert bij galerie Phoebus een installatie over het gehele oppervlak van een muur. De tekst ‘You showed me something but I couldn’t see what it was’ is in drukletters uit mdf gezaagd en aan de wand bevestigd. Ook Benson heeft de tuin der lusten als uitgangspunt genomen. Maar bij hem geen geëtaleerd genot maar ingetogen onbereikbaarheid: ‘I looked at one thing and it became something else’.

Naast installaties maakt Simon Benson tekeningen waarin het menselijk lichaam, de natuur, de architectuur en de taal hoofdrollen spelen. Het zijn fijnzinnige en doorwrochte werken. Geen om aandacht schreeuwende expressie, maar overpeinzingen, gefluisterde overwegingen, gedachten die langzaam uitgewerkt worden. Zachte arceringen worden overschreven door strakke drukletters of een krabbelig handschrift.

Schepping, leven en ondergang; drie fases beeldt Bosch in zijn Tuin der Lusten uit. Ook Benson brengt in zijn werk verschillende dimensies samen: een mens wordt boom, het hoofd van een vrouw zit gevangen in een gebouw, de iris van het oog is tegelijkertijd een planeet. Vliegende vogels, ogen die planeten worden, bomen die naar beneden groeien; de tuin van Benson is schaduwrijk, geen lichtvoetig lustoord. Seksualiteit verstopt zich, blijft over: verlangen naar liefde. Hier is geen sprake van straf, maar van afstand en bezinning.

Net als Jheronimus Bosch zijn Bas Meerman en Simon Benson verhalende kunstenaars die hun potlood, pen en penseel gebruiken om te vertellen over wat hen bezighoudt. De liefde voor het materiaal en de aandacht voor technieken zijn van alle tijden, maar de manier waarop de verhalen worden beleefd en uitgebeeld veranderd steeds. De presentaties bij Phoebus en Brutto Gusto zijn een ‘lust’ voor het oog zoals ook de tentoonstelling bij het Boijmans zeer ‘de moeite’ – van het in de rij staan voor een kleine selectie échte Bosch’en – waard is.

TUIN DER LUSTEN
t/m 7 oktober 2001

Bas Meerman
Brutto Gusto, Rotterdam
Simon Benson
PHOEBUS, Rotterdam

Art Basel

Rob Malasch

“Als je deze foto aanschaft dan zal ik je eeuwig dankbaar zijn…” fluistert de bevallige Adriaan van de Have in het eveneens bevallige oor van Hans Voorheen Kemna Casting. “Moet ik je soms even pijpen” ketst in onvervalst Rotterdamse tongval Kemna gewiekst terug. Maar de toon is nu op deze, zoveelste editie van Art Basel gezet. En die toon heeft alles te maken met de onderhuidse seksuele voor- of afkeur van de toegestroomde hordes aan kunstverzamelaars, media- en andersoortige geile mensen. Voor de goede orde, de koop van Kemna ging niet door. Want wat Adriaan natuurlijk niet kon weten, was dat Kemna (Hans) de hele avond geen oog dicht heeft kunnen doen omdat onder zijn wijd openstaand raam van nota bene hotel l’Europe, het gekerm en geweeklaag van de locale, Taiwanese hoertjes die voortdurend à la Suisse gepenetreerd werden, voor behoorlijk veel overlast zorgden. Kemna mag dan veel gewend zijn als voormalig casting director, deze integratie van allochtonen ging zelfs hem door merg en been.

Zelf slaap ik helaas door alles en iedereen heen; maar mijn verbazing ‘s ochtends nog voordat ik ‘n stap buiten ons hotel heb gezet: er staan twee levensgrote, echte olifanten in het gelid de uitgang te blokkeren. Is dit een secret performance van alweer die Maurizio Catelan? Nee, het is een demonstratieve reclamestunt van Circus Knie die pal tegenover de ingang van Art Basel zijn tenten heeft opgeslagen. Amper bekomen van de schrik struinen Hans en ik de verdiepingen af naar leuke lekkere nieuwe kunst. Het fascinerende aan zo’n mega-kunstbeurs als Basel (60x de KunstRai en 1000x interessanter) is het betrappen van het ongegeneerde mechaniek dat geruisloos zuivere make believe, “Paul Shallow is hot”, tot klinkende munt weet om te zetten. Vaak binnen luttele seconden als het gerucht van wie Hot en wie not so Hot aan de juiste (lees de rijkste, de machtigste) verzamelaars ter ore is geserveerd. Het artificiële gerucht is oppermachtig in Basel, daardoor ook daarbuiten.

Dus is Wolfgang Tillmans nog steeds meer dan superhot. Van hem kochten Hans en ik dan ook enkele werken, die ongetwijfeld tot sleutelwerken van zijn oeuvre zullen worden. Van Erwin Wurm hebben we geloof ik ook het nodige weten te bemachtigen. Deze Oostenrijkse fotograaf had een vetwagen op de verdieping art unlimited, die veel indruk maakte. Van Matthias Hertman, Fiona Tan, Morimura, Raf Simons en van een Zuid-Afrikaan uit de stal van Maryan van Tilborg werd het een en ander ingeslagen. Shop Untill you Drop was weer eens het devies.Voor het fenomeen kunsthandel (grof geld uitgeven en verdienen aan en met moderne kunst) wordt in de vaderlandse media en door ambtelijke beroepsgroepen als museumdirecteuren en conservatieve aanhang enigszins meesmuilend, met dédain collectief de neusjes opgetrokken. Het is in Holland niet sjiek om een stuiver aan kunst over te houden. Het vrije marktmechanisme is ten aanzien van moderne actuele kunst ordinair, onbetrouwbaar en weet ik al wat nog niet meer. Daar hebben de standhouders op Basel echt geen boodschap aan en dat is maar goed ook. Want wat is er in godsnaam leuker om met eigen geld te smijten en er nog een fantastisch kunstwerk voor te krijgen ook.

Tja, je moet zelf het geld eerst verdienen en daar maken ze in Basel echt een feest, een soort hogere wiskunde van. De ravissante Hester A. van Akzo-Nobel kon niet wachten om zichzelf te laten scannen voor 2000 dollar om aan iedereen te kunnen laten zien hoe beeldig ze wel was geworden. Hans en ik moeten toegeven, Hester is ‘n blonde stoot waar de artistieke lage landen nog veel mee te stellen zullen krijgen. Chris Dercon, die een of twee dingen die ik van hem weet, kocht voor wel twee miljoen aan serieuze kunst voor ‘n Spaans museum. Voor het Boijmans kocht hij bij ondergetekende twee zwarte (“heb je die echt nog?”) Jan van Eyck spiegels van de formidabele Bernard Heesen. Zo combineren we business with pleasure.

Op de afterparty van de Liste, de jonge galeriebeurs, bleek Dirk Vermeulen zich kostelijk te vermaken met Wouter van Leeuwen, de jonge Rotterdamse fotoverzamelaar, die er over denkt om een nieuwe galerie te openen in Amsterdam. Ook de inspirerende Diana Stigter kan nauwelijks meer wachten om haar nieuwe galerie te openen op 1 september. En dan zal ik het maar niet hebben over het spook van The Secondary Market dat wel degelijk ook in Basel rond sloop. Maar daarover misschien de volgende keer.

Als altijd je Rob Malasch

Rivier die altijd stroomt

Alied Ottevanger

In Kunsthal De Remise in Amsterdam zal in augustus een grote eenmanstentoonstelling van Ben Sleeuwenhoek (geb. 1951) te zien zijn. De overzichtsexpositie die vanaf eind mei tot 22 juli in De Beyerd in Breda werd gehouden zal in Amsterdam worden aangevuld met meer recente schilderijen, gouaches en aquarellen (vanaf 1994) die eveneens eerder deze zomer zijn getoond, in de kabinetten van de Vleeshal in Middelburg en bij Galerie Van Den Berge in Goes. Ik zag het werk op de Zeeuwse locaties en bezocht de retrospectieve in Breda waar schilderijen en keramiek uit de periode 1987 tot op heden bijeen gebracht waren. De tentoonstelling in De Beyerd opende met de twee versies van De tranen van Heraclitus uit 1987 en 1988, de twee vroegst gedateerde werken in de presentatie. De twee schilderijen zijn al vaker beschreven en, terecht, geïnterpreteerd als sleutelwerken in Sleeuwenhoeks oeuvre (recentelijk door Bert Jansen en in 1995 door Ruud Schenk). In Breda leken De tranen van Heraclitus duidelijk bedoeld als een handreiking aan de tentoonstellingsbezoeker. Ze zetten in ieder geval de toon, zowel in formeel als in stilistisch opzicht.

Ook de overige schilderijen in de tentoonstelling, in datering oplopend tot 2001, zijn alle vlak, dat wil zeggen tweedimensionaal geschilderd, zonder enige ruimtelijke illusie. Het zijn bijna abstracte schilderijen met plat weergegeven decoratieve patronen en figuratieve motieven. Spaarzaam en sober verbeeld, kunnen de meeste patronen en motieven in verband gebracht worden met de notie van 'stromen'. Er zijn in de werken talloze golven te ontdekken, vooral veel golvende lijnen en randen. Ook zijn er motieven te vinden die afgeleid zijn van dingen die heen en weer kunnen bewegen, in de wind (schommels en piratenvlaggen), door middel van licht (sterrenhemels stralen en lichtbundels worden geprojecteerd), en ook de blik van de toeschouwer wordt door de doeken heen en weer geslingerd, de ene keer wordt uitzicht geboden op de oneindigheid, de andere keer wordt zij door een baksteenmuur teruggestuiterd. Zoals tegenover de golvende lijn en de schommel (of: beweging) de rechte lijn en het egale kleurvlak (of: rust) staan, staan tegenover voorstellingen die als bij daglicht geschilderd zijn, doeken met identieke scènes die als nocturnes verbeeld zijn (en die daarom moeilijker te bekijken zijn). Ook bij deze paren (zoals de twee versies van De tranen van Heraclitus) wordt de rust die zowel de weergave bij dag als die bij nacht uitstraalt, op een mooie, onopvallende wijze gekoppeld aan de suggestie van beweging. De zon gaat op en de zon gaat onder, de aarde draait en beweegt. Hoewel ogenschijnlijk alles hetzelfde blijft is altijd alles aan voortdurende verandering onderhevig. De titel die Ben Sleeuwenhoek aan de tentoonstelling in De Beyerd gaf: 'De rivier die altijd stroomt' lijkt op een dergelijke opvatting te kunnen worden betrokken. Ze roept natuurlijk ook onmiddellijk Heraclitus' uitspraken in de herinnering: 'alles stroomt, en niets blijft', en 'we kunnen niet tweemaal in dezelfde rivier Ben Sleeuwenhoek, De tranen van Heraclitus, 1987, olieverf op doek, 90 x 70 cm., coll. ICN stappen' (want, dan is er niet alleen ander water toegestroomd, maar is alles intussen veranderd). Daar lijkt het Sleeuwenhoek in zijn schilderijen, gouaches en keramiek ook om te gaan. Er is niets wat niet doorlopend in beweging is en van het ene moment op het andere in zijn tegendeel kan veranderen. De wind waarin de schommel zwaait kan dezelfde zijn die, verderop, de strop heen en weer doet bungelen. De golven waarop 's morgens de lotusbloemen zachtjes wiegen, kunnen 's nachts het wrakhout naar de oever drijven.

Het lijkt erop dat Sleeuwenhoek zich sinds 1987 met name door deze filosofie laat leiden, aanvankelijk misschien niet zo bewust als op dit moment, nu hij omziet en zijn oeuvre in ogenschouw neemt. In de periode daaraan voorafgaand maakte hij andersoortige werken, werken waarvan de inhoud heel dicht bij zijn persoonlijke gevoelens lag. Zo maakte hij na zijn academietijd een poos kleine objecten, onder andere stoffen zakjes waarin hij voor hem betekenisvolle dingetjes verpakte die hij in reeksen neerlegde, en boeken, vol geschilderd met patronen en tekeningetjes waarvan hij sommige inbond in zacht leer en versierde met echte vleugels. In de jaren tachtig, toen hij definitief voor de schilderkunst koos, verschoof het accent naar de betekenissen die zijn gouaches onderling konden krijgen in de grote meerdelige werken waarin hij ze samenbracht. Met de twee doeken waarin de tranen van Heraclitus neerstromen zijn die eerdere twee fasen afgesloten. Sleeuwenhoek stelt zijn eigen kwetsbaarheid niet meer centraal. Hij heeft zich geoefend in het schilderen, heeft vooral in combinatie met zijn reizen in Azil een eigen beeldtaal en een eigen manier van werken ontwikkeld. Hij heeft zich een afstandelijker èn oppervlakkiger (in de goede zin van het woord) visie eigen gemaakt. En de toeschouwer mag kiezen. Hij mag stilletjes aan de kant blijven staan, genieten van de rimpeling en de schittering van het oppervlak, maar hij mag ook het diepe in duiken, het ongeziene in schieten.

DE RIVIER DIE ALTIJD STROOMT
BEN SLEEUWENHOEK, SCHILDERIJEN EN KERAMISCHE OBJECTEN 1987- HEDEN, 27 mei-22 juli
De Beyerd, Breda

BEN SLEEUWENHOEK, GOUACHES 1987 – HEDEN, 29 mei-5 aug
De Vleeshal, Middelburg

BEN SLEEUWENHOEK, RECENTE WERKEN, 27 mei-7 juli
Galerie van Berge, Goes

Deze drie tentoonstellingen worden voortgezet in een soloexpositie in Kunsthal De Remise, Amsterdam, 9-26 aug.

Visitekaartjes

Vinken en Van Kampen

En verder… is een presentatie met belofte voor de toekomst. Aan het einde van het seizoen laat Annet Gelink Gallery werk zien van meerdere kunstenaars met klinkende namen. Voor de meesten van hen geldt dat zij voor de tweede keer in de galerie exposeren, hoewel deze pas anderhalf jaar bestaat. Gelink laat er mee zien dat continuïteit in de relatie met de kunstenaars – of zoiets als de opbouw van ‘een stal’ – een prioriteit is. Alicia Framis was in januari 2000 de kunstenaar waarmee haar galerie opende. Het werk maakt deel uit van het project Domestic Loneliness.

Het is een maquette van een huis dat misschien het probleem van eenzaamheid kan oplossen: het is voor stellen die zowel samen als apart willen wonen. Een foto laat twee mannen zien die bij de maquette staan alsof ze dit serieus overwegen, maar op een tweede foto zie je ze inschattend kijken of een LAT-relatie op elkaars lip wel een goed idee is.

De kunstenaars exposeren niet hun meest spectaculaire werk, het zijn eerder visitekaartjes. Mat Collishaw is bekend om zijn imponerende videoprojecties en computergemanipuleerde foto’s. Hier hangt een serie collages van met aquarel bewerkte pornoplaatjes. Anya Gallaccio vult normaliter ruimtes met installaties van levend materiaal – appels of bloemen die de duur van de tentoonstelling niet mogen overleven. Nu is een foto te zien waarin een meisje levenloos drijft in een vijver tussen de bladeren en de bloemen. Dit onverwachte maakt En verder… een sympathieke tentoonstelling, want het is wel eens prettig om te zien dat de tot aanstormend talent verklaarde kunstenaars meer pijlen op hun boog hebben en nu eens niet hun succesnummers in reprise hoeven nemen. Bovendien zijn dit soort werken natuurlijk beter te verkopen.

Annet Gelink Gallery claimt deze kunstenaars met recht – en met hun welnemen natuurlijk. De galerie is in korte tijd een plek geworden in Amsterdam waar kunstenaars die het afgelopen jaar ‘in het nieuws’ waren te zien zijn. Op zich is dat in deze stad al een zeldzaamheid aan het worden. Daarbij heeft de kunstenaar er zelf ook baat bij om vertegenwoordigd te worden, in een tijd dat de geringste misvatting genoeg is om kunst en kunstenaars in een kwaad daglicht te stellen. Dit overkwam Kiki Lamers een paar maanden geleden door de vertroebelde blik van de Franse jurisprudentie op haar kinderportretten. Op deze expositie laat ze een groot schilderij zien van een kindergezicht. Het brengt het voorval in herinnering, maar verklaart het ook – gesteund door de kunstcontext van de galerie – tot een nachtmerrieachtige absurditeit.

In The Bakery – de broedplaats voor nieuw talent in de kelder – hangt werk van John Biesheuvel. Een kunstenaar die vooral bekend is door illustraties die hij maakte voor tijdschriften als View on Colour, het prestigieuze trendwatchers tijdschrift van Anthon Beeke en Li Edelkoort. Het zijn frisse en bevreemdende collages die het midden houden tussen de het werk van Heartfield, zoete erotische plakplaatjes, Felicien Rops en effectieve Franse parfumadvertenties.

EN VERDER…, Mat Collishaw, Alicia Framis, Anya Gallaccio, Kiki Lamers, Govinda Mens, David Shrigley, Georgina Starr, Barbara Visser. The Bakery: Psyche, John Biesheuvel, t/m 28 juni

Annet Gelink Gallery, Laurierstraat 187-189, Amsterdam

Met de tentoonstelling Un art populair die nu is te zien bij Fondation Cartier pour l'art contemporain in Parijs wilde conservator Hervé Chandès tonen dat volkskunst niet zozeer is gerelateerd aan onveranderlijke tradities, overerfde procedures en vaste vormen, maar dat deze vorm van kunst vooral een spiegel is van de mens en zijn bezigheden, van zijn herinneringen en gebruiken. Chandès stelde een tentoonstelling samen met werk van kunstenaars uit Europa, Azië, Noorden Zuid-Amerika waarbij het geheel toont dat de natuurlijke scheidingslijn tussen volks- en hedendaagse kunst helemaal niet zo strikt is als wordt verondersteld. Volkskunst blijkt niet alleen prominent aanwezig te zijn in de samenlevingen – collectieve contexten- zoals die bestaan in uiteenlopende verre werelddelen, maar is er ook in een hedendaagse variant, in een contemporain jasje. Met andere woorden; volkskunst dringt het terrein van de eigentijdse kunst binnen zonder altijd te verschijnen in de gedaante van de welbekende gemeenplaatsen. Belangrijk uitgangspunt voor Chandès was echter wel het tonen van zowel traditionele eigentijdse volkskunstuitingen (persoonlijk handschrift van Mexicaan Virgil Ortiz in relatie tot traditionele vormen van Cochiti-keramiek) als hedendaagse varianten (Wim Delvoye, België) zonder hiërarchie. Het ging hem om het laten zien van kunstvormen -gemaakt in verschillende werelddelen- die op de één of andere manier het leven van alledag verbeelden. Om een tentoonstelling die volks- en hedendaagse kunst samenbrengt waarbij duidelijk wordt dat de ene helemaal niet zo heel erg ver van de andere ligt én dat er sprake is van kruisbestuiving. Met de nadruk op kunstenaars en niet op de landen waarin de kunst is ontstaan. Hij wilde over de grenzen van zijn continent kijken en laten zien dat aan het maken van kunstvoorwerpen, waar ook ter wereld, een eigentijdse betrokkenheid en een dagelijkse omgeving ten grondslag ligt. Centraal bij Un art populair staat het begrip mimesis, de uitbeelding van de werkelijkheid in het kunstwerk. Hierbij zijn deze kunstvormen vooral een spiegel van de mens en zijn dagelijkse omgeving. Hoe uiteenlopend deze is, toont Un art populair. Samba's De dagelijkse omgeving van Adalton Lopes (Brazilië) concentreert zich rondom het vermaarde carnaval van Rio de Janeiro. Op miniatuurformaat swingen de bevallige dames en danst de menigte op wilde samba's. Het geheel doet denken aan van die apparaten die nu helaas nergens meer zijn te zien: je moest er een kwartje ingooien en prompt gingen de aapjes achter glas drummen, gitaar spelen en zingen.

Even landgebonden en herkenbaar Amerikaans is de installatie van Liza Lou. Op reëel formaat bootste zij een typisch Amerikaanse tuin, compleet met BBQ, na. Samengesteld uit kraaltjes en pailletten. Wie ooit een handjevol losgenaaide pailletten op een avondjurk heeft gezet, weet uit ervaring hoeveel tijd dit kost. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat Liza Lou jarenlang met vele assistenten aan deze installatie heeft gewerkt. De wereld die deze kunstenaar oproept bestaat uit glitter en glamour, uit namaak en fictie. Exact wat je je voorstelt bij het land van de vele mogelijkheden, waar niets onmogelijk lijkt te zijn, waar groot pas bestaat bij de gratie van groter, grootst. Het kunstwerk Memory Wares van Mike Kelley refereert aan het persoonlijke geheugen. Het werk is opgebouwd uit buttons en badges. De kunstenaar hergebruikt gebruiksvoorwerpen uit zijn privé leven met de bedoeling zijn eigen herinneringen levend te houden. De vorm die hij kiest voor dit kunstwerk heeft zijn oorsprong in de Canadese volkstraditie. Het is hier één van de voorbeelden waarbij duidelijk een interactie plaats heeft tussen overgenomen volkskunstvormen en hedendaagse 'hogere' kunst. Het is kunst die zich op het terrein van de kruisbestuiving beweegt, waarbij het artistiek inhoudelijke garant staat voor het in werking zetten van de verbeelding van de toeschouwer. Daarnaast is het tevens een feest voor het oog. Bij de tentoonstelling Un art populair ligt de nadruk in grote mate op het object, op het door de kunstenaar geconstrueerde ding dat is gerelateerd aan de dagelijkse werkelijkheid waarin hij of zij verkeert, waartoe hij of zij zich verhoudt. Het resultaat is een expositie waar kunstvormen zijn te zien die voortvloeien uit sociale gebruiken, die betekenis ontlenen aan een collectief verband, die prominent aanwezig zijn in samenlevingen die zijn georganiseerd rondom het begrip gemeenschap, die een weerslag zijn van de geschiedenis en traditie, die scènes uit het leven van alledag verbeelden, die een relatie leggen met een sociale of politieke context of die ontstaan vanuit het private gebied en in het publieke domein ineens beleefbaar zijn voor derden. Niet onvermeld mag hier overigens blijven dat de Fondation Cartier telkens bij dergelijke (mega)tentoonstellingen kunstwerken aankoopt of opdrachten geeft aan kunstenaars om een nieuw kunstwerk te maken. De Fondation bezit inmiddels over de 1000 kunstwerken.

UN ART POPULAIR, Wim Delvoye, Liza Lou, Alessandro Mendini, Takashi Murakami, Mike Kelley, Virgil Ortiz e.a., t/m 4 nov

Fondation Cartier pour l'art contemporain, Boulevard Raspail 261, Parijs. open: dinsdag t/m zondag