Third Opinion

Martin de La Fin

Enkele jaren geleden struikelde ik op het strand van Marbella aan de Costa Del Sol over een getatoeëerde Nederlander. Likkend aan een steeds sneller smeltende Cornetto Royal belandde ik met een smak boven op de bolle buik van Marc Bijl. Tussen de stukjes koek van het horentje en het druipende restant van mijn ijsje zag ik in koeien van letters op zijn buik getatoeëerd: mede mogelijk gemaakt door het Fonds BKVB.

Ik barstte in lachen uit, maar Marc aanvankelijk niet. Hij veegde zijn buik schoon met mijn handdoek en vroeg totaal verbouwereerd wat me bezielde. Pas toen ik zei een schrijver uit België te zijn en dat ik een stukje over hem zou schrijven als de tijd daar was, kalmeerde hij. Daarna vertelde hij met veel plezier over zijn kunstenaarsbestaan en over het grote geld afkomstig uit de lage landen. De mogelijkheden waren eindeloos: zijn metgezel had enkel een offerte van een vliegticket opgestuurd naar het Fonds BKVB en omdat de beoordelingscommissie het zo’n originele aanvraag vond, had hij het nodige geld nog gekregen ook.

In een ver, ver verleden heeft een grote kunstvriend genaamd Thorbecke bepaalt dat de Nederlandse overheid zich niet mag bemoeien met de kwaliteit van kunst. Van heinde en verre kwamen kunstenaars aanzetten om te genieten van het liberale kunstklimaat. Tussen 1965 en 1983 steeg in Nederland het aantal kunstenaars van 365 naar 3800. (Vandaag staan er alleen bij het CBK Rotterdam al meer dan 1000 kunstenaars geregistreerd.)

Ik kon mijn oren niet geloven en dacht meteen: daar moet ik ook heen! Terug thuis propte ik snel wat penselen in mijn rugzak, stak mijn duim omhoog en voor ik het wist stond ik in het beloofde land. Wat een rijkdom! Wat een diversiteit! Wat een ongekende weelde! En iedereen heeft hier zo’n tatoeage op zijn buik. Sommige zelfs meerdere. Een zekere Joep van Lieshout, een van de bekendste lokale kunstenaars van het moment, heeft er zelfs een op zijn sluitspier staan naar het schijnt.

Nu, drie jaar later, weet ik niet meer zo goed wat ik nog moet verzinnen voor een nieuwe subsidieaanvraag. Alles is al gedaan. Om niet teveel tijd te verdoen aan de eindeloze vergadersessies kiezen de commissieleden toch gewoon één voor één wat vrienden uit de stapel aanvragen. In het onlangs verschenen Second Opinion, een kritische publicatie afkomstig van Lex ter Braak en Gitta Luiten, wordt gepleit voor een radicale hervorming van het subsidiestelsel. Is het dus niet hoog tijd om weer te vertrekken? Net op tijd krijg ik een hoopgevende brief in de bus van de Stichting Beroepspensioenfonds voor Zelfstandige Kunstenaars AENA. ‘Beste geadresseerde! Heeft deze pensioenbrief u volkomen verrast?’ Het blijkt dat er sinds 2005, met terugwerkende kracht, een pensioen wordt opgebouwd voor zelfstandige kunstenaars die een individuele en rechtstreekse subsidie ontvangen van één van de volgende instanties:
– Fonds voor Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst
– Fonds voor de Letteren
– Fonds voor Amateurskunst en Podiumkunsten
– Fonds voor de Scheppende Toonkunst
– Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds
– Mondriaan Stichting
De pensioenpremie wordt betaald door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur & Wetenschap zonder dat je er verder iets voor hoeft te doen. Kijk, dan wordt het weer interessant om te blijven. Mijn bedje is gespreid. Ik kan met een gerust gemoed gaan slapen en kunstschaapjes tellen: 34.001, 34.002, 34.003, … . Nederland is nog steeds het aardse paradijs voor kunstenaars. Oogjes dicht en snaveltjes toe! Slaap lekker….

Mocht iemand op zoek zijn naar een plek met een hogere kunstdichtheid dan Art Amsterdam, dan is een bezoek aan een eindexamententoonstelling van een Nederlandse kunstacademie van harte aan te bevelen. De tentoonstellingen worden zonder uitzondering gekenmerkt door een barokke overdaad aan beelden. Bovendien vinden ze allemaal in dezelfde week plaats, waardoor het logistiek volstrekt onmogelijk is alles te bezoeken tenzij men de beschikking heeft over een eigen helikopter. Dit wordt ook dit jaar bevestigd in een rondgang langs de tentoonstellingen van de Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam, de Willem de Kooning Academie in Rotterdam en de ArtEZ Academie Arnhem. Toch is er veel interessants te beleven, zolang men accepteert dat de kans groot is dat men iets heel erg moois simpelweg over het hoofd ziet.

Er zijn een aantal duidelijke verschillen tussen de genoemde academies als het gaat om organisatie van de tentoonstelling. Zowel de Gerrit Rietveld Academie als de Academie Arnhem zijn gevestigd in een gebouw van Rietveld, maar deze lijken wel tot verschillende werelden te behoren. Alleen in Arnhem dringt de nuchterheid en helderheid van de architectuur door in de opzet van de tentoonstelling. De werken zijn duidelijk afgebakend per afdeling en de heldere indeling leidt de bezoeker in een aangenaam ritme door de ruimtes van de tentoonstelling. De Rietveld Academie is hiermee vergeleken een levendige maar ook volstrekt chaotische bedoening, doch wel van het soort dat maakt dat de bezoeker zo af en toe als bij toeval op iets totaal onverwachts stuit. Helaas bezwijkt de tentoonstelling soms wel onder haar eigen gewichtigheid: er is een aangename veelheid opvattingen te ontdekken en deze zijn veelal zorgvuldig uitgewerkt, maar de opzet biedt te weinig ruimte voor de bezoeker om op adem te komen. De Willem de Kooning Academie in Rotterdam heeft er dit jaar voor gekozen de tentoonstelling op twee locaties te laten plaatsvinden. De studierichting Autonome Kunst heeft het ateliergebouw van de academie in het centrum van de stad tot haar beschikking en alle overige studierichtingen bevinden zich in Las Palmas op de Kop van Zuid. Hoewel het werk van de studenten autonome kunst waarschijnlijk inderdaad beter op zijn plaats is in het ateliergebouw, is het wel spijtig dat er nu een kunstmatig onderscheid ontstaat tussen autonome kunst en dat wat dat blijkbaar niet is. De kracht van de Rietveld tentoonstelling is dat dit onderscheid juist regelmatig vervaagt.

De verschillen in de opzet van de tentoonstellingen lijken hier en daar samen te hangen met dat wat uit de werken spreekt. Zo maakt het over het algemeen hoog ontwikkelde vormgevoel van de Arnhemmers grote indruk. Niet alleen in het productieproces van de tot in perfectie afgewerkte gebruiksvoorwerpen bij de afdeling Product Design, maar ook bij de afdeling Vrije Kunst neemt de aandacht voor de technische kant van het maken van kunst een belangrijke plaats in. De fantasmagorieën van Anneke Ingwersen zijn bekorend op een manier zoals ook de films van Lotte Reiniger dat zijn. Julius van der Vaart presenteert onder andere zijn verzameld werk, gefotokopieerd in ordners, zodat de bezoeker deze naar believen kan doorbladeren en eventueel kopiëren. Deze en een aantal andere werken bezitten een prikkelende lichtheid waardoor je je als bezoeker eenvoudig laat meevoeren.

De Rietveld studenten vragen om een ander soort concentratie. Hierbij is het van belang de visuele chaos simpelweg te accepteren en te zoeken naar wat te midden daarvan overeind blijft. Een aantal werken hebben hier geen enkele moeite mee, zoals dat van Zoro Feigl. Zijn suikerspinmachine vult een gehele ruimte met roze spinsels die hem, mogelijk omdat ze ook opgegeten kunnen worden, een grote schare publiek opleveren. De ietwat bombastische film van Maarten Gisbertz is een van de weinige audiovisuele werken die door een strakke presentatie onmiddellijk de aandacht weet vast te houden. Een werk van een totaal andere orde, dat van Linn Eriksen en Anne Grandin, bestaat onder andere uit een in een muur ingebouwde kijkdoos met daarin een aantal objecten zoals glaswerk, miniatuurbomen en een hoopje suiker of zout. Ze zijn zo belicht dat op een witte achterwand scherpe schaduwen valen die zelf ook prominent als vorm aanwezig zijn. Dit is één van de meer gereduceerde werken, maar toch in staat de aandacht vast te houden door een subtiel spel met de waarneming.

Zonder afbreuk te willen doen aan de grote diversiteit aan aanwezige opvattingen, valt in Rotterdam op dat men zich daar regelmatig op een zeer directe of letterlijke wijze verhoudt tot de maatschappij. Wapens, Bush en olie zijn de meest in het oog springende iconen die engagement moeten belichamen. Toch is het werk van Ruben Dario Kleimeer in dat opzicht interessanter. Een reis naar China resulteerde bij hem in een fotoserie die niet de geijkte stadsgezichten oplevert, maar op een veel subtielere wijze vervreemt. Ook opvallend is de relatief grote hoeveelheid korte animatiefilms, die bovendien van een constante hoge kwaliteit is. Alle visuele registers worden in principe bespeeld, van klassieke stop-motion tot en met computergegenereerde beelden

Zoals gezegd zijn de tentoonstellingen divers en tonen ze veel interessante werken. Toch voelt de bezoeker zich soms enigszins aan zijn lot overgelaten, en op de Gerrit Rietveld Academie soms zelfs ontkend als factor van betekenis. Wat dat betreft springt Arnhem er absoluut boven uit, met een tentoonstelling vormgegeven met veel oog voor de bezoeker en bovenal met werken van een hoge kwaliteit.

FINAL WORKS 2007
27 juni t/m 1 juli 2007

Gerrit Rietveld Academie
Frederik Roeskestraat 96, Amsterdam
www.gerritrietveldacademie.nl

DE KOONING KIJK ZELF
30 juni t/m 8 juli 2007

Willem de Kooning Academie
LPII, Las Palmas, Wilhelminapier, Rotterdam
Ateliergebouw Karel Doormanhof, Rotterdam
www.wdka.hro.nl

Zie ook www.krooning.nl 

EINDEXAMEN EXPOSITIE ACADEMIE ARNHEM
26 juni t/m 3 juli 2007

Artez Academie Arnhem
Oude Kraan 26 en Onderlangs 9, Arnhem
www.eindexamenacademiearnhem.nl

Tubelight 51 is uit!

Redactie Tubelight

Bij het verschijnen van Tubelight 51 neemt de redactie met dankbaarheid afscheid van Karmin Kartowikromo en Carlijn Diesfeldt.

Karmin stond aan de wieg van Tubelight en heeft ook daarna zijn vaderrol steeds met verve vervuld. Niet alleen met wijze raad en het nodige vertrouwen, maar ook door op zondagen (en tijdens redactievergaderingen) het vlees te snijden. Het is voor een groot deel aan hem te danken dat Tubelight inmiddels op eigen benen kan staan. Karmin kan nu wat meer aandacht schenken aan zijn andere geesteskinderen, waaronder zijn twee galeries in Rotterdam en Berlijn. Gelukkig blijft hij actief als bescheiden gangmaker van het Rotterdamse kunstleven én als bestuurslid van Stichting Tubelight.

Carlijn Diesfeldt heeft de afgelopen jaren als aanspreekpunt en redacteur gediend voor veel verschillende auteurs en columnisten. Omdat haar kwaliteiten ook zijn doorgedrongen tot de rest van de culturele sector, konden we haar niet langer voor onszelf houden. Dat is de tol van succes. De komende jaren komen we haar ongetwijfeld nog vaak, en met wederzijds genoegen, tegen.

Het tijdschrift Tubelight verschijnt zes keer per jaar en is gratis verkrijgbaar bij ruim 200 kunstinstellingen, galeries en boekhandels in Nederland.

Haal nu een exemplaar, of neem een abonnement via info@tubelight.nl.

Voor slechts 19 euro per jaar ontvangt u het blad voortaan thuis en steunt u Tubelight!

Geoff McFetridge, YEAH & YES

Eindhoven is voor velen PSV, Philips, Theo Maassen en voor cultuurkenners kan daar het Van Abbemuseum nog aan toegevoegd worden. De stad wordt, vanwege haar grote hoeveelheid na-oorlogse fabrieks- en kantoorgebouwen vaak laatdunkend omschreven als DDR-stad. Jaren lang leken zo’n beetje alle gebouwen ouder dan vijftig jaar uit principe rijp voor de sloop, om zonder blikken of blozen vervangen te worden door weer een blokkendoos van glas en beton. Deze al dan niet gepaste vernieuwingsdrift heeft ervoor gezorgd dat Eindhoven altijd in beweging is geweest, en nooit ‘af’ heeft gevoeld. Er is veel loze ruimte en er zijn veel overgangsgebieden; niet uitgekristalliseerde plannen, verlaten fabrieksgebouwen en bouwplaatsen. Er wordt de laatste jaren hard gewerkt om dat te veranderen, maar de plekken zijn er nog steeds. Deze grijze gebieden worden sinds jaar en dag geclaimd door een levendige undergroundcultuur: Eindhoven heeft een rockscene met een heel eigen geluid (denk aan Peter Pan Speedrock), veel skaters (op het stadhuisplein), stickeraars (overal eigenlijk), grafisch ontwerpers (op de Design Academy) en jonge kunstenaars (De Fabriek, TAC).

Het was in deze omgeving dat bijna tien jaar geleden MU (Japans voor synergie of de meerwaarde die ontstaat door het samenvoegen van verschillende elementen) werd opgericht. Trouw aan haar omgeving put zij inspiratie uit design, techniek en architectuur, waarbij de (pop)cultuur als voedingsbodem geldt. De praktische insteek van het instituut heeft er bij veel tentoonstellingen voor gezorgd dat barrières tussen gebieden als beeldende kunst, design en architectuur geslecht werden, door simpelweg niet te hard te hameren op de verschillen tussen de disciplines, maar door gewoon aan het werk te gaan en het resultaat voor zich te laten spreken.

Momenteel is bij MU de overzichtstentoonstelling Bend the Void van de Canadees/Californische vormgever Geoff McFetridge te zien. McFetridge werd in eigen land bekend dankzij de vormgeving van het magazine Grand Royal (spreekbuis van de Beastie Boys), videoclips voor The Avalanches en Simian en zijn werk aan de titelsequenties voor films als Adaptation en Sofia Coppola’s The Virgin Suicides.

McFetridges werk kenmerkt zich door het gebruik van heldere simpele lijnen in zijn tekeningen, afgewisseld met harde kleurvlakken in zwart, rood, blauw, groen of oranje. Bepaalde motieven keren regelmatig terug in zijn werk: yeti’s (of hun voetstappen of tanden), muziekinstrumenten (trompetten, piano’s), walvissen, skaten en surfen, om er een paar te noemen. McFetridge put voor zijn inspiratie vaak uit zijn oude schetsboeken met afgekeurd materiaal voor commerciële opdrachten, een soort copy-pasting van zijn eigen werk. De oorspronkelijke commerciële betekenis vervangt hij door persoonlijke betekenissen, die zich beeldmerk na tekening na slogan na animatie aaneenrijgen tot een persoonlijk verhaal. Humor en vervreemding spelen zowel in zijn commerciële als vrije werk een centrale rol: ‘Humor is the most solid form of content. Humor travels fast and easily’ zegt hij zelf. Bij Bend The Void wordt duidelijk dat deze humor met name in zijn vrije werk iets onwapenends, soms tragisch of melancholisch heeft.

Toch is de uitstraling van de tentoonstelling als geheel alles behalve verstild. Wie dacht vitrines met affiches, tijdschriftcovers, platenhoezen en netjes uitgestalde limited edition Nike sportschoenen te zien te krijgen heeft het mis, al zijn er wel enkele vitrines te vinden. De meeste aandacht wordt opgeëist door de speciaal voor de tentoonstelling gemaakte hybride installatie die MU in tweeën deelt. McFetridge dook in Eindhoven een grafisch atelier in om grote hoeveelheden zeefdrukken te maken op een gigantische rol papier die hij dwars door de tentoonstellingsruimte opstelde (wat er nog over is ligt in een grote prop op de grond). De iconische tekeningen, dichterlijke slogans en grote kleurvlakken die hij erop aanbracht domineren de ruimte al direct bij binnenkomst. De barrière dient door de bezoeker geslecht te worden: ergens in de wand zit een deurtje verstopt dat door een gangetje met walvissenbehang leidt naar een geheime kamer, die op zijn beurt doorgang biedt naar de andere zijde van de tentoonstelling. Het resultaat is een gevoel van avontuur en verwondering dat doet denken aan Alice die door de spiegel stapt. Ook het object zelf blijft een bron van verwondering: het is beeld en drager tegelijk, is zowel billboard als tekening, heeft muren en een kamer maar is desondanks geen gebouw, zou installatiekunst kunnen zijn, maar ook een onderdeel van de tentoonstellingsvormgeving.

Ondertussen blijft McFetridges stijl als ontwerper zowel op meta- als microniveau duidelijk herkenbaar. Visueel is er geen wezenlijk verschil tussen zijn vrije werk en zijn commerciële werk. Hij geeft zelf ook toe voor beide soorten werk dezelfde strategieën te gebruiken, waardoor een zeefdruk van zijn hand eruit kan zien als een affiche of beeldmerk, en een videoclip er hetzelfde uit kan zien als een van zijn vrije animaties. Het grote verschil zit uiteindelijk in de vrijheid die hij zich permitteert in het combineren van oude en nieuwe ideeën (die zowel commercieel als persoonlijk kunnen zijn) en de boodschap die hij over wil brengen. McFetridge vertelt in MU een groot driedimensionaal verhaal over zijn eigen fascinaties en gedachten, waarbij hij gebruik maakt van zijn bestaande visuele repertoire. Het eindresultaat van zijn formele combinaties en persoonlijke associaties is moeilijk definieerbaar. Het lijkt alsof McFetridge zich beseft heeft dat het grensgebied van kunst en vormgeving ook een gebied op zichzelf is, waar tussen beide zijden van de scheidingswand toch nog plaats blijkt te zijn voor een eigen kamer.

BEND THE VOID. THE SPACE BETWEEN YEAH AND YES
Geoff McFetridge
t/m 5 augustus 2007

MU
Emmasingel 20, Eindhoven
www.mu.nl

Helvetica: Join the club

Muriëlle Polak
Gary Hustwit, still uit HELVETICA

Nog vorige week schreef ik een klachtenbrief die ik gemakkelijk per e-mail kon versturen, maar geprint in mijn geliefde Helvetica Neue Light veel trefzekerder vond overkomen. Je weet immers nooit hoe het via de digitale snelweg daarginds ontvangen wordt. Toen ik vijftien jaar geleden op mijn eerste Apple-tje overtuigd koos voor Rotis Semi Sans had ik als niet-vormgever nooit gedacht nog na te denken over een ander lettertype. Gaandeweg ben ik inmiddels ‘trouw' geweest aan ondermeer Gill Sans en Tahoma, heb ik Courier en Baskerville geprobeerd en voor een mooie koptekst Square721 BT op internet gevonden. En die zoektocht kwam niet zelden voort uit ergernis over het vaak standaard gebruikte Arial. Toeval? Persoonlijk heb ik nooit persé iets tegen Microsoft gehad. Mijn neutraliteit sust mijn geweten.

Vrijdagavond 22 juni vertoonde de Amsterdamse bioscoop Kriterion de documentaire Helvetica van Gary Hustwit over het gelijknamige lettertype. Na nog dezelfde middag te hebben gebeld om op de reservelijst te komen voor één van de twee uitverkochte Nederlandse première-voorstellingen, kon ik naar de late screening. Het beloofde een onderhoudende avond te worden, georganiseerd door MyLittleUnderground a.k.a. Femke Dekker, ondersteund door de bekende Amsterdamse vormgevers Experimental Jetset, met een poster-expositie door Rietveld studenten en talkshowparticipatie door ondermeer grafisch-vormgevingsgoeroe Wim Crouwel en regisseur Gary Hustwit. Ik kwam binnenvallen op een event dat al goed op gang was en liet me niet weerhouden door het idee dat alleen de insiders van de grafische wereld appeleren aan het ‘Helvetica-gevoel'. Want zoals Gary Hustwit zegt: miljoenen mensen zien en gebruiken dagelijks Helvetica.

Helvetica viert dit jaar haar vijftigjarig bestaan en de filmavond is dan ook een ode aan dit bekende schreefloze lettertype. Door Max Miedinger in 1957 ontworpen voor de Zwitserse Haas'sche Schriftgießerei, onderging het oorspronkelijke Neue Haase Grotesk een naamsverandering omwille van marketingoverwegingen. Geheel in de lijn van het vooruitgangsdenken van het toen heersende modernisme werd gebroken met de traditie van het vooroorlogse erfgoed. Het nieuwe lettertype wilde afstand doen van de geografische en historische begrenzing van de identiteit, zij het niet rigoreus, want het font is afgeleid van Akzidenz Grotesk en de benaming Helvetica is bovendien een vervoeging van de Latijnse naam voor Zwitserland. Hoe dan ook blijkt de naamsverandering een goede keuze te zijn geweest; Helvetica wordt nog steeds veelvuldig en wereldwijd gebruikt. Volgens kenners is er geen lettertype dat zo perfect beantwoordt aan de nog immer geprezen modernistische eigenschappen functionaliteit, helderheid en neutraliteit. De kracht van Helvetica is om zichtbaar te zijn en tegelijk ‘onzichtbaar' op te gaan in de dagelijkse omgeving.

De film Helvetica is gemaakt uit pure passie voor het lettertype en toont duidelijk dat Gary Hustwit de kennis heeft om dit over te brengen naar het publiek. De documentaire opent met beelden van een ambachtelijk staaltje handmatig letterzetten van het woord Helvetica. Je ruikt bijna het lood en inkt op papier: prachtig sentiment. Vloeiend leidt de film het publiek vervolgens naar z'n doel; een volmondige erkenning van een onomstotelijk feit: Helvetica is overal, je kan er niet omheen. We kunnen niet zonder. Na de veelvuldige bewondering door grafische grootheden zoals modernisme-liefhebber Wim Crouwel, ontwerper van de New Yorkse metrobewegwijzering Massimo Vignelli, de kritische typomaniak Erik Spiekermann en vele andere persoonlijkheden in combinatie met beelden van bekende en minder bekende uitingen, zal iedereen moeten toegeven te zijn omgeven door een lettertype dat onmisbaar is voor onze visuele orientatie in de publieke omgeving.

De consensus daarover legitimeert haast de evocatief propagandistische toon die de film aanslaat. Zelfs vormgevers met artistieke of ethische bezwaren bieden weinig relativering. Hoewel de film onafhankelijk is gemaakt, kan ik het niet helpen om halverwege door de beperkte editing, de toenemend dwepende achtergrondmuziek en de sequentie van de clips met geïnterviewden, de indruk te krijgen een corporate product te aanschouwen. Enige verdieping over de mogelijke invloed van externe ontwikkelingen, in het bijzonder de marktstrategie van de concurrent (Microsofts gelijkende Arial), mist echter. En de film komt niet aan meer toe dan het slechts benoemen van de intrede van de computer en de gevolgen daarvan in de grafische industrie. De vervanging van letterzetten door desk top publishing heeft toch ook een behoorlijke invloed gehad op de toepassing van lettertypes. Historische beelden uit zowel het mechanische als digitale tijdperk zouden de film dan ook niet hebben misstaan. De regisseur koos voor een actuelere invalshoek, maar ik vraag me toch af of een clip waarin Freitag-tassen die voor de gelegenheid worden gefabriseerd met de tekst Helvetica, niet kon worden vervangen.

Feit blijft dat de film staat als een monument voor de verdiensten van Helvetica. Het lettertype is geslaagd in universele en tijdloze toepasbaarheid en verdient minimaal zo'n kadootje. Als dit lettertype al op een sokkel stond bij professionele gebruikers – volgens de toegewijde Neville Brody moet Helvetica gezien worden als een club met membership – dan bevestigt de film dit voor iedereen die het nog niet wist. En iedereen die nog overtuigd wil worden krijgt de kans om de film te zien in Nederland, hoogstwaarschijnlijk wederom in Kriterion in juli van dit jaar. Ook belooft het vertoningsschema op de eigen site van de film nog een vertoning in Rotterdam. Zeer de moeite waard om dit in de gaten te houden, al was het alleen al om te delen in de ‘Helvetica-euforie' en daarna Neerlands stedelijke omgevingen plaatselijk te betrappen op Helvetica toepassingen. Join the club.

HELVETICA
Gary Hustwit
22 juni 2007

Kriterion
Roetersstraat 170, Amsterdam
www.helveticafilm.com

Gary Hustwit, still uit HELVETICA
Jasper Niens en Thijs Ewalts, POSITIVE VOLUME (foto Katja Nootenboom)

Op de openingsavond van het 38e Poetry International Festival draagt de Taiwanese Ye Mimi voor. Eerst verschijnt de houten verhoging op het podium, daarna de dichter. Ze introduceert zichzelf met een zachte stem: ‘I would like to read my poetry now'. De klanken van een zoete Taiwanese popsong vullen de zaal. Mimi wacht geduldig af en begint dan voor te dragen over curry, stroperige liedjes, kittens. Op Poetry is de bezoeker tegelijkertijd toeschouwer, luisteraar en lezer. Achter de dichters worden foto's geprojecteerd die ze in opdracht van het festival hebben gemaakt van hun leefomgeving. Boven hen zijn gelijktijdig vertalingen te lezen, want er wordt voorgedragen in het Arabisch, Deens, Afrikaans. Sommige sprekers dragen enkel gedecideerd hun tekst voor, maar in de meeste gevallen komt de tekst echt tot leven op het podium.

In de afgelopen decennia is Poetry van een bescheiden evenement in de kleine zaal van de Rotterdamse Doelen uitgegroeid tot een internationaal toonaangevend festival. De poëzie is altijd centraal blijven staan, maar door de jaren heen is de programmering steeds breder geworden. In 2003 trad Bas Kwakman aan als nieuwe directeur. Hij initieerde met kunstenaar Kamiel Verschuren de kunstmanifestatie NewCanvas©Poetry&Art die van 2004 tot 2006 deel uitmaakte van Poetry. Pas in 2008 vindt er hiervan weer een aflevering plaats, maar dat wil niet zeggen dat het visuele dit jaar een onderschikte rol speelt. Ook nu is op een aantal locaties beeldende kunst te zien die op verschillende manieren verband houdt met achtereenvolgens het festival, woorden en verhalen.

Om te beginnen is de Schouwburg zelf podium voor twee installaties en een videowerk. De installatie Positive VOLUME van Jasper Niens en Thijs Ewalts is onontkoombaar om de simpele reden dat het de gehele foyer in beslag neemt. Niens en Ewalts berekenden het aantal kubieke meters mensen, tafels en stoelen dat benodigd is voor Poetry en dit bleek slechts 64% van de foyer te zijn. De overige 36% werd vervolgens letterlijk afgesloten met behulp van zes bouwers en 10.000 kilo materiaal. De bezoeker van het zaalprogramma kan in de pauze rondwandelen tussen de hoge witte wanden, en ontmoet hier andere bezoekers, dichters en acteurs die hem een gedicht toefluisteren. Toegegeven, in eerste instantie heb je het gevoel dat je op een bouwplaats loopt, maar na afloop van de voordrachten in de grote zaal blijkt dat het verkleinen van de foyer iedereen – in ieder geval fysiek – dichter tot elkaar brengt, en dat leidt tot leuke gesprekken. Een groots effect blijft echter uit, ondanks de omvang van het werk.

Bewust bescheidener van opzet is de videocompilatie Words die ter gelegenheid van Poetry te zien is in de videolounge van de Urban Espresso Bar. Onder het genot van de lekkerste koffie van Rotterdam zijn elf werken te zien, van zowel beeldend kunstenaars, filmmakers als klankperformers, waarin het gesproken woord de hoofdrol speelt. Diego Castro leest voor terwijl hij port drinkt uit limonadeglazen, tot hij te dronken is om nog uit zijn woorden te komen. In Not I, een fragment uit Beckett on Film, kijken we dertien minuten naar de mond van Julianne Moore die een tekst van Samuel Beckett voordraagt. Door de extreme uitvergroting verschuift de nadruk van de betekenis van de tekst naar de daad van het spreken zelf, de lippen, tanden en tong, die de woorden vormen. In Art is van George Quasha is videokunstenaar Gary Hill te zien en te horen, die in woorden probeert te vatten wat kunst definieert: ‘Art needs to happen'. Kunst is niet te forceren, manipuleren, of in scène te zetten. Kunst moet gebeuren.

En het gebeurt later die dag, bij bezoek aan Witte de With. In het kader van Poetry geeft Tris Vonna-Michell performances bij de tentoonstelling die Witte de With aan zijn recente werk heeft gewijd. De verschillende installaties maken in feite deel uit van hetzelfde (autobiografische) verhaal, opgebouwd uit feiten en fictie, hoofd- en bijzaken, in Vonna-Michells eigen terminologie ‘relevancies' en ‘irrelevancies'. Down the rabbit hole (2006) bestaat uit een bureau, drie stoelen, een diaprojector, zes op A4-tjes geprinte aktes en op het eerste gezicht willekeurige objecten zoals een diadoosje, een folder van een tentoonstelling van Henri Chopin en een kleine papierversnipperaar. Tijdens zijn performance structureert Vonna-Michell dit materiaal en vertelt in hoog, ritmisch tempo wat de verkoop van zijn ouderlijk huis te maken heeft met zijn zoektocht naar kwarteleieren in Parijs. Chaos verandert tijdelijk in orde, maar de grens tussen realiteit en fictie blijft vaag. Vonna-Michell is een meesterlijke verteller en zijn performance is een indrukwekkende gebeurtenis.

De programmering van Poetry International Festival is aantrekkelijk, zowel op het gebied van de poëzie als de beeldende kunst. Het blijft echter de vraag of de poëzieliefhebbers de weg vinden naar Witte de With en andersom. Ik had graag gezien dat Tris Vonna-Michell een performance had gegeven in de Schouwburg, of dat er een programma met voordrachten was gepland tussen de kunstwerken in Witte de With. De installaties in de Schouwburg zijn een mooi begin, maar de grens tussen poëzie en beeldende kunst kan nog veel verder worden uitgediept. Ik ben benieuwd wat er volgend jaar op het programma staat voor NewCanvas©Poetry&Art.

POETRY INTERNATIONAL FESTIVAL
16 t/m 22 juni 2007

Rotterdamse Schouwburg
Schouwburgplein 25, Rotterdam
www.poetry.nl

WORDS
t/m 1 juli 2007

Sub-Urban Video Lounge
Botersloot 44a, Rotterdam
www.sub.urbanespressobar.nl

TRIS VONNA-MICHELL
t/m 19 augustus 2007

Witte de With
Witte de Withstraat 50, Rotterdam
www.wdw.nl

Diego Castro, videoregistratie van de performance JOHN BARLEYCORN
Claire Harvey, courtesy Witte de With (foto Rita Klaucke)

1.

Het mooie van een tentoonstelling als Prix de Rome 2007 is dat zij geen thema heeft, dat er geen achterliggend concept is waar we over moeten nadenken. Prix de Rome 2007 is een tentoonstelling waarin de kunstenaars het helemaal zelf voor het zeggen hebben. Prix de Rome 2007 bestaat in feite uit acht solotentoonstellingen: van de vier genomineerden op de shortlist en van de vier overigen op de longlist, de afvallers dus. Lastig is wel dat je er rondloopt met in je achterhoofd de vragen of de vier nominaties terecht zijn en aan wie jij de prijs zou geven als jij het voor het zeggen had, wie 'de beste' is. Dat leidt nogal af.

En je denkt na over wat dat 'beste' zou moeten inhouden. Dat leidt nog meer af. Betekent 'de beste' dat zij (of hij – want er is één man onder de vier genomineerden) het meest verrassende werk maakt? Het meest doordachte? Het meest actuele, meest veelzijdige, meest tot nadenken stemmende? Het raadselachtigste, ergerlijkste, meest doorwrochte, pijnlijkste, uitbundigste, meest ontregelende? Het hartverwarmendste? Het ideeënrijkste? Het meest op het spel zettende?

Maar jij hebt het niet voor het zeggen, godzijdank, er is een commissie ingesteld die voor deze rotklus wordt betaald. Jij mag vrij rondlopen, en ontspannen kijken en proeven. Jij mag ervan denken wat je wilt, maar je hoeft niet te vergelijken. Je hoeft je er zelfs niet om te bekommeren wie van de acht exposanten de vier genomineerden zijn. Je bezoekt acht tentoonstellingen en hoopt er het beste van.

De bevindingen zijn gemengd. De foto's die Viviane Sassen in Ghana maakte zien er aantrekkelijk uit: mooie, zwarte mensen in grappige of aansprekende poses en scènes. Wat aanvankelijk documentair leek, blijkt in veel gevallen geënsceneerd: beschilderde huid, houdingen die onmogelijk spontaan kunnen zijn. Er gaan je details opvallen: schaduwen, het glanzen van een vingernagel, de blankheid van een handpalm, en vooral de prachtige, kleurige kleren. Zijn het modefoto's? Deze onduidelijkheid is sterk aan Sassens werk, maar allengs gaat de leegte storen: te mooi, te veel plaatje, te weinig verhaal, te vlak. Te quasi-betekenisvol ook.

De sculpturen van Maartje Korstanje – kleurige fantasie-bouwsels van allerlei gewone materialen als karton, plakband, jute, purschuim, touw – blijven ook steken in schoonheid. Positief is dat Korstanje verder ook geen pretenties heeft. Haar beelden doen weliswaar denken aan totemfiguren en afgodsbeelden, en suggereren met enige goede wil exotische cultussen en kosmologieën, ze zijn toch louter wat ze zijn: capabele uitingen van speelse creativiteit. Dat is te weinig.

Intrigerender en ongrijpbaarder zijn de… ja, hoe moet je ze noemen… constellaties van kleine tekeningetjes op plakband en overheadsheets, kistjes met zand, kistjes met spiegels, wit koord, allerlei bevestigingsmaterialen, lichtprojecties en architectonische ingrepen van Claire Harvey. Hier wel een raadselachtige kosmologie, die bovendien – nog raadselachtiger- samenvalt met de tentoonstelling. Er is geen elders, alleen een peilloos hier. Alhoewel… Net binnen of net buiten (of half binnen/half buiten) de ruimte die Harvey tot haar beschikking heeft, staat tegen de muur geleund, heel onopvallend, een smal stuk witgeschilderd hardboard waarvan je je afvraagt of het bij de installatie hoort of niet. Op de muur erboven, nog onopvallender, is heel klein een schaap getekend. Zó gemakkelijk maakt Harvey het je niet.

Het veelzijdigst is Sung Hwan Kim. Kims werk – een video, een installatie, een boek, een performance – is even onderhoudend als ongrijpbaar. Het centrale onderdeel, de video, bestaat uit een stroom navrante, verwarrende en humoristische herinneringen, oral history, observaties en fantasieën. De film- en videofragmenten, tekeningen, foto's, geluiden, muziek en tekst die Kim gebruikt zijn vaak niet van eigen makelij; ze worden door hem aaneengesmeed in een meeslepende, ritmisch zeer gevarieerde montage. Het geheel suggereert een verhaal, een dwingend betoog. Maar waarover? Kim stelt vragen over authenticiteit en waarheid: wie is de maker, wie is de protagonist, is dit allemaal echt gebeurd, en zo ja, wie is het dan overkomen, Kim zelf, anderen? Maar wat het belangrijkst is, als de video na zevenentwintig minuten is afgelopen, wil je hem ogenblikkelijk nog eens zien. En daarna nog een keer. Kim laat je kijken met andermans ogen, zijn vragen en raadsels nestelen zich in je hoofd en laten je niet meer los. Bij amateurfilmbeelden van een Afrikaanse wilde hond in Artis, die bezeten langs het hek van zijn verblijf ijsbeert, zegt een stem bedachtzaam: 'I like this./ Some people think it's cruel./ I don't think so./ They're having a good time.' Je vraagt je af: Wie zijn they? Die wilde honden, of die bezoekers van de dierentuin die 'think it's cruel'?

2.

In september vorig jaar was het ineens een hot item: zijn er niet teveel kunstprijzen in Nederland? Aanleiding waren de toekenningen en de bijbehorende tentoonstellingen van The Vincent (Stedelijk Museum Amsterdam) en de Biennial Award for Contemporary Art (Bonnefantenmuseum Maastricht). Winnaars waren Wilhelm Sasnal en Bethan Huws. Iemand die zich dat nog herinnert? Die discussie over kunstprijzen – het-mag-wel-wat-minder versus hoe-meer-hoe-beter – woei even aan en ging weer liggen. Je had voorstanders van het een en voorstanders van het ander, daar kwam het zo'n beetje op neer. In de besprekingen van de nu spelende Prix de Rome-aflevering is deze discussie vredig blijven liggen. Geen zuchtje. Wel lees je ineens overal dat je appels en peren niet met elkaar kunt vergelijken.

Appels en peren kun je heel goed met elkaar vergelijken: het zijn beide vruchten. Maar evenzeer geldt dat je appels zelfs niet met appels kunt vergelijken. Hoezeer verschillen goudreinetten tenslotte niet van jonagolds! Tot voor kort had je de NPS Cultuurprijskamp waarin beeldend kunstenaars, choreografen, musici, filmers, fotografen en schrijvers (allen jong, natuurlijk) om de eerste prijs dongen. De Prix de Rome-oude stijl vergeleek beeldend kunstenaars werkzaam binnen een specifieke categorie – bij de laatste aflevering in 2004 ging het om de categorie tekenen/grafiek (winnaar: Mariana Castillo Deball). De vernieuwde Prix de Rome (vanaf 2005 ) is hier tussenin gaan zitten: wel alleen beeldend kunstenaars (architectuur bleef een aparte categorie), maar allen op één hoop. Terecht lijkt mij. De oude onderscheidingen in het metier zijn allang niet meer geldig.

Ik vermoed dat over een jaar of wat de Prix de Rome nog een stap verder zal gaan en voor de NPS Cultuurprijsvariant zal kiezen. Ook dat zal terecht zijn. Beeldende kunst incorporeert of mixt nu al in veel gevallen muziek, film, literatuur en zelfs dans (denk aan Tino Sehgal in het Stedelijk, een paar maanden geleden). Ook muziek, dans en literatuur gebruiken steeds vaker middelen uit andere kunstdisciplines.

Andere mogelijkheid: over een jaar of wat zal de Prix de Rome niet langer worden toegekend aan een beeldend kunstenaar maar aan een kunstproduct. Nu al worden kunstwerken zelden door één iemand uitgevoerd en geïnstalleerd. Zelfs de gedachten achter een kunstwerk, de ideeën en emoties die eraan ten grondslag liggen (zo die al los staan van de ontwikkeling en uitvoering ervan – en dat is mijns inziens niet het geval) ontstaan uit een wisselwerking van personen, uit discussie en samenspraak, uit conflict en cohabitatie. Het zal steeds moeilijker worden om aan te geven wie van de vele betrokkenen de kunstenaar genoemd moet worden. Daar komt bij dat binnenkort de technologie zelf autonome kunst zal gaan voortbrengen. De term beeldend kunstenaar zal over niet al te lange tijd een archaïsme zijn. Of een meervoud.

3.

Op grond van 1. en 2. denk ik dat Sung Hwan Kim de Prix de Rome 2007 zal krijgen.

PRIX DE ROME 2007
Shortlist: Sung Hwan Kim, Maartje Korstanje, Claire Harvey, Viviane Sassen
20 mei t/m 1 juli 2007

De Appel
Nieuwe Spiegelstraat 10, Amsterdam
www.deappel.nl

Witte de With
Witte de Withstraat 50, Rotterdam
www.wdw.nl

Sung Hwan Kim, courtesy De Appel (foto Rita Klaucke)
Eric Baudelaire, THE DREADFUL DETAILS (uitsnede)

Kunst mag weer geëngageerd zijn, bleek in Venetië en Basel. Maar hoe verbeeld je de toestand in de wereld?

De Amerikaanse Biënnalecurator Robert Storr zette de toon met zijn polderieke indeling van het grote Biënnalepaviljoen in de Giardini. Hij bedeelde de sacrale kunst als vanouds de eerste rangen toe: kunstenaars als Lewitt, Polke, Kelly en Richter. Dit kordon schilders en minimalisten bespeelde de erezalen met het gemak dat alles weg had van een routineklus. Verworden tot mooie, maar onschadelijke kunst, met op het tweede gezicht de eerste sleetse plekken die de tijd nu eenmaal toebrengt. Het kritische, geëngageerde perspectief schoof Storr het tweede balkon op in de persoon van Kara Walker, Steve McQueen en – iets ruimer bedeeld – Chéri Samba. Zij kregen de achterkamertjes toegeworpen en maakten er rauwere kunst die met twee benen in het nu staat. Fier en met rechte rug.

In de langgerekte Corderie van het Arsenaleterrein daarentegen, stapelde Storr de actualiteit zonder enige dosering op. Aan nieuwsbeelden, foto’s van soldaten en rampgebieden geen gebrek. De vraag die Aernout Mik indirect stelt in het Nederlandse paviljoen kwam er als vanzelf bovendrijven. Wat vermag een beeldend kunstenaar met de taaie wereldproblematiek vol verschuivende conventies, kadreringen en perspectieven?

De tijd waarin Warhol mensen schokte met de overzichtelijkheid van zijn repetitief gezeefdrukte verkeersslachtoffers ligt definitief achter ons. De wereld is groter gebleken, en vooral minder eenduidig. Media walsen dagelijks over ons heen met schokkende beelden, waarlangs we per etmaal eindeloos kunnen zappen. Wel weten we inmiddels dat we die beelden en gegevens met een grove korrel zout mogen nemen. Nieuws wordt op zijn zachtst gezegd geselecteerd en soms gewoonweg gemaakt. Op basis van deze mix van ‘toeval’ en bijgestuurde informatie worden conclusies getrokken. Door persbureaus, redacties, correspondenten en niet in de laatste plaats door kijkers en lezers. Wat kan een beeldend kunstenaar daaraan toevoegen of liever nog: tegenover plaatsen?

De excercitie van Storr maakt duidelijk dat expliciete beelden het hardste binnen komen, maar zelden aanzetten tot reflectie of een dieper besef van de complexiteit van de wereld anno 2007. De wereld die tot op de centimeter afgestroopt wordt door satellieten. Een wereld ook die dubbelzinniger, complexer en voller lijkt dan ooit. Beeldend kunstenaars laten zich vaker laten meevoeren in die manipulatieve beeldenstroom dan dat ze werkelijk tegenwicht bieden. Want hoe schokkend een voetballend jongetje met een schedel in een desolate woonwijk ook is, veel meer dan een dreun deelt Paolo Canevari in Venetië niet uit met zijn film Bouncing Skull. Ook het werk van Eric Baudelaire op Art Basel is als een wolf in schaapskleren. The dreadful details toont een fotografisch tweeluik van een beschieting op een binnenplaats ergens in het Midden-Oosten. Talloze scènes worden in elkaar geschoven, waarbij de meeste figuranten de toeschouwer aankijken. Een man die wanhopig zijn handen ten hemel houdt, gesluierde vrouwen die knielen voor de gewapende indringers. Vanaf het balkon maken mannen met hun telefoontje een foto van deze ‘soldaten’, die hun geweer op scherp hebben staan. De lopers zijn gericht op de kijker. Baudelaire gijzelt zijn toeschouwers door op maniëristische wijze het manipulatieve beeldenspel van menige nieuwszender te herhalen.

Dan houden kunstenaars als Aernout Mik, Charles Gaines of Lisa Oppenheim de kijker subtieler onder schot. Zij blijven rekenen op de verbeeldingskracht van de toeschouwer en kauwen niet alles uit. De Britse Gaines zet je in de Corderie op het verkeerde been door met een simpel tekenpennetje op grote vellen papier het wit in te sluiten. Hij roept een sfeer op van dromerige wolkenluchten die bij nader inzien veroorzaakt blijken door explosies en bombardementen. Ook Lisa Oppenheim toont op de Liste in Basel een dubbelzinnig werk dat verleidt én schuurt. In een hoek toont ze op de linkerwand een verzameling fijnzinnig gestippelde sterrenstelsels, die niet lukraak gekozen blijken. Op de rechterwand plaatst ze een verzameling krantenberichten van dieptepunten uit de Amerikaanse geschiedenis, zoals de grootste olieramp aller tijden veroorzaakt door de firma Exxon Valdez. Dat wat romantisch oogt, blijkt een verzameling ongelukkige gesterntes te zijn.

En dan is er nog een terloopse gouden greep van Storr te vinden in het uiterste hoekje van het grote Biënnalepaviljoen: een enkele tekening en twee borduursels van de te vroeg overleden Braziliaan José Leonilson. Hij tekende in een uitgebot proza op hoe een oorlog de liefde tussen twee zielen kan verzengen. Niet met schokkende beelden, maar met een paar zuivere woorden, neergekrabbeld op een kattebelletje. Enkele dagen later, bij het zien van een neonwerk in het Kunstmuseum van Basel, schoot uitgerekend dit kleinste werkje fonkelend naar boven. The true artist helps the world by revealing mystic truths (1978). Met dank aan Bruce Nauman.

BIENNALE DI VENZIA
10 juni t/m 21 november 2007
www.labiennale.org

ART BASEL
13 t/m 17 juni 2007
www.art.ch

Tubelight zoekt een acquisiteur

Redactie Tubelight

Wie wil helpen verder bouwen aan een solide basis voor Tubelight?
Vanaf het volgende seizoen zijn wij op zoek naar een nieuwe advertentieacquisiteur voor het blad en de website. De (parttime) werkzaamheden bestaan uit het contact onderhouden met en het benaderen van (mogelijke) adverteerders en het begeleiden van de aanlevering van advertenties. Vergoeding vindt plaats in overleg.

Bent u geïnteresseerd of heeft u vragen? Neem contact op via info@tubelight.nl

Daphne Hooiveld (foto Regina Kelaita)

Het project Utrecht Uploaded #2 is meer dan een expositie. Vijf weken lang staat Expodium geheel in het teken van jonge kunstenaars, waarbij niet alleen werk van onder andere Rein Blank, Martijn Dijksma, en Ola Vasiljeva te zien is, maar ook iedere week een event plaatsvindt naast een afsluitend festivalweekend op 2 en 3 juni. Verschillende disciplines komen samen aan bod (beeldende kunst, design, fotografie, poëzie, muziek) en bieden de bezoeker zo een gevarieerde blik op aanstormend talent in Utrecht.

Als je de ruimte aan Bovenvredenburg binnenloopt, valt in eerste instantie het werk op dat Danny Groenenveld mocht maken voor Expodium als winnaar van de regiofinale Kunstbende 2007. Hij heeft zich met zwart-wit prints en witte en zwarte verf uitgeleefd in de ruimte, op muren en op banken. Dit werk maakt weliswaar geen deel uit van Utrecht Uploaded, maar het is kenmerkend voor waar Expodium voor staat: het uitdagen van jonge kunstenaars om te experimenteren, bijvoorbeeld met voor hen ongebruikelijke materialen of door ze site-specific werk te laten maken. Dit laatste is het geval bij de kijkdoos die Daphne Hooiveld maakte voor de tentoonstelling. De animatie die te erin te zien is, mist nog diepgang, maar met de installatie als geheel verandert Hooiveld de toeschouwer in een voyeur. Nieuwsgierig naar wat er in de kijkdoos te zien is, wordt deze gedwongen op een verhoging te gaan staan en door de ogen van een masker te kijken, dat als het ware in de muur gemetseld is. Is dit werk een toevalstreffer, of is Hooiveld hiermee een nieuwe fase ingegaan?

Jasmijn Visser, winnaar van de Utrechtse Piet Bakkerprijs 2006, werd voor de gelegenheid gevraagd een ruimtelijk werk te maken in plaats van haar bekende tekeningen. Het resultaat, een installatie die grotendeels uit aarde en eieren bestaat, is op de begane grond tentoongesteld in de ruimte aan de Vredenburgpassage. Op ingenieuze wijze is in Vissers installatie de transformatiethematiek van haar tekeningen terug te zien, terwijl ze door de rangschikking van de eieren en eierschalen het narratieve element dat haar tekeningen kenmerkt ook ruimtelijk gestalte weet te geven. Vissers werk blijkt hierdoor boven materiaalkeuze te zijn verheven, en hiermee laat ze de andere deelnemers aan Utrecht Uploaded eigenlijk al achter zich. Het enige minpunt van het werk is dat uitgebreide bestudering ervan niet aan te raden is vanwege de penetrante geur van aarde en rottende eieren.

Ook in de programmering van de begeleidende events van Utrecht Uploaded komen de uitgangspunten van Expodium terug: het experiment, het reageren op de ruimte en het spelen met materiaal. Juist omdat er in Utrecht veel meer gebeurt op cultureel gebied wil Expodium zich niet beperken tot de beeldende kunst. Ook Guy Seret en Tommy, actief bij het Kaasschaafcollectief, horen thuis bij Utrecht Uploaded. Tijdens de literaire avond op 24 mei wandelt de 21-jarige poetryslammer Seret rond, voor zover het snoer van zijn microfoon dat toelaat. Hij draagt soms voor van een schrijfblok, maar improviseert ook veel, en speelt met het publiek. De beats van Tommy geven de nodige ritmische ondersteuning en zorgen bovendien dat het geheel lekker in het gehoor ligt. Regelmatig valt Seret in herhaling, maar zijn uitstraling en energie houden de overhand. Hij is hier goed op zijn plek. Wat centraal staat bij Expodium is immers niet een gelikt resultaat, maar het ontstaan van een dynamische situatie.

Expodium daagt jonge kunstenaars uit om hun grenzen te verleggen en nieuwe dingen te proberen, om zich zo verder te ontwikkelen. De kunstenaars worden hiervoor intensief begeleid tijdens het ontstaansproces van hun werk. Problematisch is echter dat dit proces voor de bezoeker onzichtbaar blijft. Expodium profileert zichzelf hierdoor als een platform voor en door kunstenaars, en blijft voor buitenstaanders minder toegankelijk. De rol die Expodium kan spelen voor beginnende kunstenaars is echter niet te onderschatten. Het is de vraag of subsidieverstrekkers en beleidsmakers zich bewust zijn van de noodzaak van een dergelijk platform dat jonge kunstenaars helpt hun weg te zoeken in de beroepspraktijk. Expodium gaat zelf de discussie over de functie van de instelling in elk geval niet uit de weg en organiseert zaterdag 2 juni een debat waarin openlijk de vraag wordt gesteld: welke rol speelt een kunstenaarsplatform, en welke taken kan het bijvoorbeeld beter overlaten aan galeries en musea?

Er zijn meer spannende dingen te verwachten tijdens het festivalweekend op 2 en 3 juni, dat zowel de afsluiting vormt van Utrecht Uploaded als het eind van Expodiums verblijf op de huidige locatie. Rauwe Kost verkoopt dan artikelen van jonge kunstenaars en ontwerpers, er zijn films en video's te zien uit het archief, er is veel muziek en op zondagavond wordt er gebarbecued. De grote vraag is waar Expodium ná het festival terecht kan. Je zou verwachten dat het in Utrecht niet zo moeilijk is om een leegstaand pand te vinden dat enige tijd gebruikt kan worden, maar dit valt tegen. De organisatoren van Expodium zijn hard op zoek, en roepen op de website iedereen op om tips te geven. Persoonlijk hoop ik dat vastgoedbeheerder Corio ze weer een ruimte toebedeelt in Hoog Catharijne. Het complex wordt de komende jaren ingrijpend aangepakt, maar een echte imagoverandering wordt pas in gang gezet wanneer er meer van wordt gemaakt dan enkel een consumptietempel. Jonge kunstenaars een plaats geven om ideeën uit te wisselen, te exposeren, of gewoon koffie te drinken zou een goede stap in de richting zijn.

UTRECHT UPLOADED #2
Rein Blank, Martijn Dijksma, Chantal Ehrhardt, Iris Frerichs, Daphne Hooiveld, Jasmijn Visser en Ola Vasiljeva
t/m 3 juni 2007

Expodium, platform voor jonge kunst
Vredenburgpassage 88 en Bovenvredenburg 27, Utrecht

Jasmijn Visser (foto Regina Kelaita)
Marta de Menezes, NATURE?

Wetenschapsmuseum NEMO heeft er een concurrent bij. Met de tentoonstelling Genesis in het Centraal Museum dringt de wetenschap het kunstmuseum binnen. Een combinatie die niet zonder risico’s is, want wetenschappers en kunstenaars die zich met elkaars vakgebied bezig houden produceren geregeld oppervlakkige visualisaties of pseudo-wetenschappelijke experimenten. Om dit probleem te omzeilen maken de kunstenaars in Genesis kunst en de wetenschappers wetenschap. In de lijst van getoonde werken staat Saskia Olde Wolbers daarom naast DNA-ontdekkers Crick en Watson. De tentoonstelling laat overeenkomsten zien tussen kunst en wetenschap aan de hand van een thema waar beide disciplines zich volgens gastcurator Emilie Gomart op hun eigen manier mee bezig houden: ‘de informatiemetafoor’. Ze doelt hiermee op het idee dat alles is te reduceren tot een reeks tekens, daarbij refereert ze met name aan de ontdekking van het DNA in de biologie en de ontwikkeling van de computer en het bijbehorende binaire systeem.

De tentoonstelling probeert de invloed van dit idee op de kunst – en vice versa – op verschillende manieren in beeld te brengen. Zo zijn er kunstenaars die de computer hebben omarmd vanwege de nieuwe mogelijkheden die het apparaat verschafte. ‘Computerkunstenaars’ als John Whitney en Erwin Driessens en Maria Verstappen vertegenwoordigen deze ontwikkeling. Whitney gebruikte in de jaren zeventig oude legercomputers om een kleurrijke dans van sinussen en cosinussen te programmeren. Het resultaat is een filmpje dat tegenwoordig doet denken aan een versimpelde versie van de golfpatronen die elke media player tevoorschijn kan toveren, maar was indertijd het resultaat van ingewikkelde wiskundige berekeningen van Whitney zelf. Ongeveer dertig jaar later laten Driessens en Verstappen het rekenwerk over aan de computer, die ze (semi)willekeurig gevormde sculpturen laten tekenen en uitvoeren (Tuboid, 1999).

Genesis laat een licht schijnen op de gevolgen van de ontdekking van het DNA. Biologen ontdekten dat het leven in al zijn complexiteit voortkomt uit combinaties van simpele chemische bouwstenen. Dit had grote gevolgen voor hun vakgebied: biologie ging niet meer over de verschillen tussen de soorten, maar over de overeenkomsten. Gentechnologie bood ook de mogelijkheid tot het veranderen van de gevonden codes, door voor- en tegenstanders respectievelijk genetische modificatie of manipulatie genoemd. Deze ontwikkeling zorgt tot op de dag van vandaag voor veel maatschappelijke discussie. Veel mensen voelen een bepaalde afkeer bij het idee dat ‘zoiets moois en ingewikkelds als het leven’ bepaald wordt door een ‘simpele’ code. Kunstenaar Eduardo Kac speelt daar handig op in met zijn transgenetische (van het Engelse ‘transgenic’) werk Genesis uit 1999. Kac vertaalde een vers uit het bijbelboek Genesis via morsecode naar DNA om dit vervolgens via genetische modificatie in te laten brengen bij bacteriën, daarmee commentariërend op de verhouding mens-God. Daarnaast probeert hij de toeschouwers ongerust te maken over het potentiële gevaar van een muterende bacterie in hun directe omgeving. Een in deze tentoonstelling ongegronde angst: genetische manipulatie is alleen in enkele gecertificeerde laboratoria toegestaan en zeker niét in een museum. Kac speelt een mind game met ons; hij ensceneert en dramatiseert, met als resultaat een pseudo-wetenschappelijk experiment volgens het Hollywood-adagium: als het er maar moeilijk uitziet, denken de mensen vast dat het echt is.

De tentoonstelling laat zien dat ook wetenschappers ontevreden zijn met het idee van het leven als code. Hoewel de informatiemetafoor perfect voldoet aan het vooroordeel van de kille, mechanische wetenschap, blijken veel biologen ook geen genoegen te nemen met deze uitleg. De genetische code is geen onveranderlijke blauwdruk van het leven. Bij het kopiëren van DNA sluipen er fouten in de code en daarnaast reageren genen ook op hun leefomgeving. Dit mechanisme verenigt de complexiteit van het leven met de simpele vorm van haar bouwstenen. Gomart illustreert dit met Marc Quinns Popcorn sculptuur, die ook te zien was bij een overzichtstentoonstelling van diens werk in het Groninger Museum in 2006. De sculptuur is een bronzen uitvergroting van een gepofte maïskorrel; een ‘toevallig’ ontstane vorm. In Groningen werd de nadruk gelegd op de perfecte computergestuurde imitatie van de popcorn. In Genesis wordt naast Quinns bronzen popcornsculptuur een film getoond over het ontstaan ervan, waaruit blijkt dat origineel en sculptuur niet zo identiek van vorm zijn als in Groningen werd gesuggereerd. Tijdens het ontstaansproces spelen vele soorten omgevingsfactoren een rol die hun invloed hebben op het eindresultaat: de computerscan, het gietproces en de voortdurende bijsturing van Quinn en zijn assistenten.

Ondanks het zoeken naar common ground door Gomart is Genesis toch niet in balans. Alleen Koen Vanmechelens werk over de kosmopolitische kip bewandelt de dunne lijn tussen kunst en wetenschap met overtuiging. Vanmechelen kruiste Belgische kippen met soortgenoten uit andere werelddelen en herhaalde dat proces met het resultaat van elke kruising. Zijn doel: het vinden van de ‘oerkip’ of ‘kosmopolitische kip’: een kip met DNA-elementen van alle kippensoorten op aarde. De (voorlopige) resultaten scharrelen rustig rond in een van de tentoonstellingszalen.

Op wetenschappelijk gebied legt de tentoonstelling beginselen van de genetica uit en slaagt daar wonderwel goed in. Op het gebied van de kunst was meer mogelijk geweest. Verschillende kunstenaars komen niet verder dan clichématig gebruik van Hollywood-beeldtaal of de overbekende gelikte computergraphics. Anderen spelen wat met de apparaten en ideeën van wetenschappers en produceren een paar aardige gimmicks of wat esthetische beelden, maar vaak blijft het daarbij. Kunstenaars die affiniteit hebben met de natuurwetenschappen én de visie om iets betekenisvols met die kennis te doen lijken een schaars goed.

GENESIS
t/m 12 augustus 2007

Centraal Museum
Nicolaaskerkhof 1, Utrecht

Floris Kaayk, THE ORDER ELECTRUS (foto Microbia.nl)
Driessens/Verstappen, TUBOID