Fiona Weir

Alexander Mayhew, Arjen Born

Toen Fiona Weir (1973) nog klein was, ging zij wel eens stiekem in het foto- en geluidsarchief van haar vader neuzen. Het materiaal uit dit archief laat haar vader zelden zien of horen, zelfs niet aan zijn naaste familie. Dit fascineerde Weir zodanig dat zij op haar veertiende zelf begon met fotograferen. Inmiddels heeft ook zij een behoorlijk archief met beeldmateriaal opgebouwd, waar nog elke dag beelden aan worden toegevoegd. Op de vraag of zij nu niet genoeg beelden heeft om uit te putten, luidt het antwoord: “Nee, je zult zien dat je in je archief net een bepaald beeld zoekt dat je niet kunt vinden, of een bruikbaar beeld toch weer even anders gefotografeerd moet worden. Omdat fotografie inmiddels zo alomtegenwoordig is, moet ik streng zijn in de selectie van de beelden die ik wil tonen.”

In 1995 werd Weir op basis van haar tekeningen en zwart-wit foto’s aangenomen aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag. Zij wilde graag schilderen, maar werd bij de afdeling grafiek geplaatst. Daar kreeg zij echter veel vrijheid om te experimenteren. Weirs afstuderen bestond uit grote, bruine tekeningen die waren geïnspireerd op foto’s die zij maakte tijdens een uitwisseling in Portugal. Na haar opleiding aan de kunstacademie in Den Haag deed Weir een tweede fase opleiding aan het Piet Zwart Instituut in Rotterdam, waar zij zich volledig op de fotografie stortte en haar onderzoek zich richtte op de verbeelding van de momenten voor en na een gebeurtenis. “Het tekenen op basis van fotografie klopte voor mij op een gegeven moment niet meer. Waarom eerst fotograferen en dan op basis daarvan een tekening maken, wanneer de foto op zichzelf ook kan volstaan?”

Tegenwoordig bestaat Weirs werk dan ook voornamelijk uit foto’s, die in kleine series een kort verhaal vertellen. In het werk Clapping Hands uit 2009, dat bestaat uit drie opeenvolgende foto’s, zien we telkens de rug van dezelfde op wacht staande militair. De handen van de militair bevinden zich op elke foto op een ander punt langs zijn lichaam. De foto’s geven uitdrukking aan de verveling van het lange staan van de militair en aan zijn poging deze te verlichten door zo nu en dan zijn armen en handen heen en weer te bewegen. Het liefst zoekt Weir naar dergelijke momenten, waarop een persoon zich er niet van bewust is dat hij wordt gefotografeerd. “Bij het fotograferen van mensen die zich daar niet bewust van zijn, is er altijd het spanningsmoment of zij het toch gaan merken. Soms word ik ontdekt en verdwijnt de magie van het moment. Dat kan erg frustrerend zijn.”

Weirs werk kan als voyeuristisch beschreven worden: om mensen makkelijker onbevangen vast te leggen, maakt Weir als basis voor haar fotowerken ook gebruik van een super 8-camera. “Mensen voelen zich minder snel betrapt wanneer je in het openbaar aan het filmen bent. Bovendien leg je meerdere momenten vast, waaruit je later een selectie kunt maken.” Filmen kan ook onbewuster gebeuren dan het maken van een foto. Later bij het monteren ziet Weir pas of bepaalde beelden bruikbaar zijn. “Als maker ben ik deels intiem betrokken, deels een buitenstaander in mijn eigen enscenering. Hierdoor ligt het eindresultaat nooit van tevoren vast. Ook de rol van de uiteindelijke toeschouwer van mijn werk verschuift voortdurend tussen die van deelnemer en voyeur.”

Een werk waarbij de verschuivende rol van de toeschouwer zich nog duidelijker manifesteert, is de fotoserie Tante Riet is er niet uit 2006. De foto’s uit deze serie zijn klein van formaat en tonen korrelige beelden van een interieur. Het zijn stills van een super 8-opname, gemaakt in een huis waarvan de bewoonster onlangs is overleden. De foto’s zijn tegelijk een eerbetoon aan de overledene en een intieme inkijk in een privésituatie. Deelneming en voyeurisme strijden hier, bij zowel de kunstenaar als de toeschouwer, om voorrang. “Bij het werken met super 8 heb je weinig controle over het eindresultaat; je hebt vaak met toevalligheden te maken. Ik kies er bewust voor om op een moeilijke manier iets vast te leggen, waarbij ik niet zeker weet of het gaat lukken. Als gevolg hiervan ontlenen de uiteindelijke film- en fotografische beelden hun zeggingskracht meer aan de indruk dat het werk toevallig is ontstaan dan dat er sprake is van technische perfectie. Dat laatste is dan ook van ondergeschikt belang in mijn werk.”

Met Weirs vroegere voorliefde voor het schilderen in het achterhoofd lijkt haar werk thematisch te verwijzen naar de schilderijen van Edward Hopper. Ook bij Hopper lijken de afgebeelde personen zich niet bewust van het feit dat zij worden geobserveerd. De eenzaamheid en introspectie waaraan zij zich overgeven is ook bij Weir aanwezig, maar op een subtielere wijze. Zij kan de pijn van afscheid nemen en de onvermijdelijkheid van het alleen zijn ook overbrengen zonder enige persoon af te beelden.

Weirs meest recente tentoonstelling bestond uit een serie op groot formaat afgedrukte foto’s, waarvan een aantal dit jaar is geschoten en een aantal in haar pubertijd is genomen. In deze serie brengt zij verleden en heden bij elkaar: foto’s van onder andere een verblijf uit haar jeugd in Bristol worden gecombineerd met schemerige foto’s van ex-geliefden die met de rug naar de toeschouwer staan. Weir lijkt fragmenten uit haar verleden op te graven om ze te herschikken en op die manier het verleden mooier te maken. “Ja, ik herschik beelden uit het verleden, maar besef mij tegelijkertijd dat het verleden niet te herscheppen valt. Ook blijf ik mij bewust van de toeschouwer die het werk gaat zien. Net zoals herinneringen zich moeilijk laten vangen, bevinden mijn beelden zich tussen werkelijkheid en verbeelding in en kunnen associaties oproepen bij de kijker van herkenning tot onzekerheid. Mijn werken zijn ogenschijnlijk onverschillig neergezette flarden van een omgeving, waarbij ik continu zoek naar een spanningsveld tussen de confrontatie van het vluchtige moment enerzijds en het stilstaande, fotografische beeld anderzijds. Het zijn sporen die leiden naar of wegleiden van een gebeurtenis.”

Lotje van Lieshout, POPPENHUIS, 2002

Er is geen Van Lieshout-school. Er zijn geen evidente overeenkomsten in het werk van de vijf kunstenaars met die achternaam, die allen op eigen manier een plek in het hedendaagse kunstveld veroverden. Toch komt er een tentoonstelling waarin de gedeelde achternaam als kapstok dient. In kunsthal KAdE in Amersfoort, die sinds mei dit jaar geopend is, wordt het uiteenlopende werk samengebracht in een artistieke confrontatie.

VANLIESHOUTVANLIESHOUT
Atelier van Lieshout, Dirk van Lieshout, Erik van Lieshout, Lotje van Lieshout en Lotte van Lieshout
12 september t/m 16 november 2009

KAdE
Smallepad 3, Amersfoort

Ver voor het zomerreces van de Nederlandse kunstwereld stuurde kunstruimte Moira een berichtje rond: of iedereen op vakantie even aan de eerstvolgende expositie wilde denken, door verpakkingen met geïdealiseerd natuurschoon te verzamelen. Die souvenirs zijn inmiddels opgenomen in de tijdelijke ’toko’, die Simon Kentgens (1978) in de ruimte bouwde. Kentgens is gefascineerd door verpakkingen met paradijselijke verwijzingen, die we dagelijks in de winkel en in huis tegenkomen. In zijn expositie Puur ontdoet Kentgens de beelden van hun misleidende rol en laat ze weer zijn wat ze zijn: landschappen.

PUUR
Simon Kentgens
30 augustus t/m 20 september 2009

Moira Expositieruimte
Wolvenstraat 10, Utrecht

 

GPS van de waarneming

Aishlinn Bruinja
Esther Polak, NOMADICMILK, 2009

Er zijn talloze voorbeelden van falende GPS-systemen. Een man overlijdt, omdat de straat waar hij woont niet in de tomtom van de ambulance stond, een echtpaar belandt op het vakantieadres in het verkeerde land, of een vrouw rijdt tegen het verkeer in omdat het systeem rechtsaf aangaf waar dat niet mogelijk was. De toenemende mate waarin we ons afhankelijk opstellen van dergelijke digitale systemen om niet alleen onze weg op internet, maar ook in het dagelijks leven te vinden, is soms beangstigend. Zijn we straks nog wel in staat zélf een eigen route te vinden? Zal ons oriëntatievermogen niet langzamerhand verdwijnen? Wat als het GPS-systeem het dan ook begeeft? Verdwaald zijn kan namelijk heel heftige gevoelens van paniek oproepen, een soort oergevoel haast, dat nauw verbonden is met ons jachtinstinct en overlevingsdrang. Kunstenaar Esther Polak (1962) onderzoekt onze ervaring van ruimte, de routes die we dagelijks afleggen, en de visuele mogelijkheden van GPS. Momenteel is in kasteel Groeneveld in Baarn de presentatie te zien van NomadicMILK, haar meest recente project.

Met NomadicMILK brengt Polak twee zuivelroutes in Nigeria in beeld. Ze heeft een Fulani-herder en een vrachtwagenchauffeur een GPS-apparaatje meegegeven om hun routes mee vast te leggen. Voor beide mannen zijn beweging en het afleggen van routes de kern van hun werk. Het vee kan niet op één plek blijven vanwege de veranderende seizoenen, en chauffeurs zijn voor hun werk het hele jaar op pad om de regio van melk te voorzien, één van de voornaamste voedselproducten in Nigeria. Polak bouwde een klein wagentje waarnaar ze de GPS-routes uploadde. Op dit wagentje is een omgekeerde petfles vol met zand gemonteerd, die, wanneer het wagentje gaat rijden, een zandspoor achterlaat dat de oorspronkelijke route weergeeft. Het spoor laat de lengte en de snelheid van de route op schaal zien. Samen met Polak bekijken de herder en de chauffeur de route. Het zandspoor biedt punten van herkenning en de mannen halen herinneringen op: ‘Hier is het spoor wat dikker. We moesten langzamer lopen omdat de heuvel zo stijl was en niet alle koeien snel naar beneden durfden te lopen.’

In Baarn wordt Polaks project in één zaal gepresenteerd. In het midden hangen twee videoschermen, die met draden aan het plafond bevestigd zijn. Op het ene scherm zie je de kunstenaar, die met de herder en de chauffeur in gesprek is over hun afgelegde routes, terwijl ze naar het zandspoor kijken op een landweggetje. Op het andere scherm zie je opnames van de oorspronkelijk door de herder en de chauffeur afgelegde route. Onder de schermen liggen vellen papier in een vierkant waarop de zandsporen te zien zijn, die in het filmpje worden getoond. Op één van de muren zijn foto’s en teksten over het project te zien: een soort tastbaar blog. De presentatie van het project sluit naadloos aan bij de kern ervan. Er wordt op diverse manieren een beroep gedaan op onze waarneming. Zo lijken de twee schermen tegelijkertijd heden en verleden te laten zien en is het zandspoor uit de film fysiek aanwezig in de ruimte door de presentatie ervan op papier. Het project wordt met verschillende invalshoeken weergegeven, maar komt in zijn presentatie over als een vanzelfsprekend geheel.

Zoals de presentatie van het project logisch aansluit bij de essentie ervan, zo lijkt NomadicMILK een logisch vervolg op eerdere projecten van Polak, zoals AmsterdamREALTIME en MILKproject. Ook in deze projecten maakte ze gebruik van GPS en visualiseerde ze een onzichtbare route. Hiermee geeft ze haar publiek een tool in handen om de werkelijkheid met een andere bril waar te nemen. Ze maakt je bewust van datgene wat niet altijd zichtbaar is door onze selectieve manier van kijken, die gevormd wordt door bijvoorbeeld de cultuur waarin je opgroeit. De reacties van mensen die hun eigen route terugzien is veelzeggend. De opwinding en het enthousiasme van de herder die zijn route herkent zijn emotioneel. Hij ziet zichzelf, een deel van zijn leven, vanuit vogelvluchtperspectief.

Er zijn veel manieren om mensen weer te geven, en in die zin kun je de routes bijna omschrijven als portretten van de deelnemers. NomadicMILK vertelt niet alleen iets over iemands beleving van ruimte en de Nigeriaanse economie, maar ook iets over de verschillende karakters. De kracht van het project zit in deze gelaagdheid ervan. Polak biedt een nieuw perspectief op tijd en ruimte, terwijl ze tegelijkertijd op een intelligente manier de beperkingen van onze waarneming aansnijdt. Alles heeft zijn eigen kijkgrammatica, en als je die niet af en toe verandert, leef je misschien in een wereld waarin je meer niet ziet dan wel, aldus Polak. Af en toe verdwalen is dus geen reden voor paniek. Eerder is het een mogelijkheid, waarbij andere wegen nieuwe inzichten kunnen opleveren.

NOMADICMILK
Esther Polak
t/m 1 november 2009

Kasteel Groeneveld
Groeneveld 2, Baarn

Esther Polak, NOMADICMILK, 2009
Esther Polak, NOMADICMILK, 2009
Aniek Meeldijk, TUTTI FRUTTI

Op zondag 6 september vindt een sympathieke veiling plaats in Amsterdam: de Young Masters @ Auction. Kunstwerken van jonge kunstenaars worden er zonder tussenpersoon en per opbod verkocht. Het initiatief komt van twee kunsthistorici, die onder de naam ONGEKEND de bekendheid van jonge kunstenaars willen vergroten en kunst toegankelijker willen maken voor een breed publiek.

Nog dagelijks melden zich nieuwe deelnemers aan. Online staat een catalogus met daarin voor iedere kunstenaar de CV, een werkbeschrijving en foto’s van drie te veilen werken. Schilderijen, installaties, objecten, foto’s, films en tekeningen staan er te koop. Onder de deelnemers: Papa Adama (Rijksacademie), Mirjam Tonnaer (Piet Bakker Prijs 2009), Sean Hannan (genomineerd TENT. Academy Awards 2009) en Thomas Kuijpers (genomineerd Breda Art Award).

De kijkdagen van ONGEKEND vinden plaats van 3 tot en met 6 september 2009. De veiling begint op zondag 6 september om 15:00 en zal worden geopend door Edwin Jacobs (directeur Centraal Museum Utrecht). Er is muziek voor en na de veiling en er zijn performances tussendoor.

ONGEKEND / YOUG MASTERS @ AUCTION
Kijkdagen 3 t/m 6 september 2009
Veiling 6 september vanaf 15.00 uur

Prins Hendrikkade 33, Amsterdam

Lucy & Jorge Orta, ORNAMENTS OF SUFFERING, 2009

Buiten de zomermaanden is Kunstfort Asperen niet voor het publiek toegankelijk. Dan huist er een kolonie vleermuizen, die er winterslaap houdt. Maar nu zijn de kunstliefhebbers weer welkom, ditmaal bij RETREAT, een project van Ben van Berkel (architect) en Caroline Bos (kunsthistorica). Van Berkel en Bos zijn de oprichters van architectenbureau UNStudio, dat bekend is van bijvoorbeeld de Erasmusbrug in Rotterdam en het Mercedes-Benz Museum in Stuttgart. Opvallend aan het Kunstfort vonden zij de transformatie die het gebouw heeft doorgemaakt van verdedigingswerk tot idylle. Dit thema hebben ze voorgelegd aan twaalf kunstenaars – en dat zijn niet de minsten: Tobias Rehberger, Frank Havermans, Ann Lislegaard, Pipilotti Rist, Absalon, Andrea Zittel, A.P. Komen/Karen Murphy, COSMIC WONDER, Jerszy Seymour, Lucy Orta, Hans Op de Beeck en Sandra Backlund. Een voorproefje is te vinden op www.unstudio.com/retreat.

RETREAT
Tobias Rehberger, Frank Havermans, Ann Lislegaard, Pipilotti Rist, Absalon, Andrea Zittel, A.P. Komen/Karen Murphy, COSMIC WONDER, Jerszy Seymour, Lucy Orta, Hans Op de Beeck en Sandra Backlund
28 juni t/m 20 september 2009

Kunstfort Asperen
Langendijk 60, Acquoy

David Thorpe, THE COLONIST, 2004

Onder de titel Virtuoze Zinsbegoochelingen toont Stedelijk Museum Schiedam het werk van de Nederlandse Saskia Olde Wolbers en Anne Wenzel samen met dat van de Engelsman David Thorpe en de Oostenrijker Elmar Trenkwalder. Het zijn vier kunstenaars die niet terugschrikken voor een barokke beeldtaal, waarmee zij met onverstoord vakmanschap bouwen aan utopische, magische en fantastische werelden.

VIRTUOZE ZINSBEGOOCHELINGEN
Saskia Olde Wolbers, David Thorpe, Elmar Trenkwalder en Anne Wenzel
12 juli t/m 27 september 2009

Stedelijk Museum Schiedam
Hoogstraat 112-114, Schiedam

Model voor beschouwing

Alexander Mayhew
Jochem Rotteveel, SETTING 03, 2009

Academiepresentaties zijn soms net als kunstbeurzen: je ziet veel, maar het grootste gedeelte ben je na een paar minuten al weer vergeten. Gelukkig zijn er altijd wel afgestudeerden van wie het werk zich in je hoofd vastzet. Bij de eindexamenexpositie van de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag gold dit onder andere voor de presentatie van Jochem Rotteveel.

Rotteveel zoekt in zijn werk naar ‘het grensgebied en de atmosfeer waar verschillende dimensies samenvallen’ en onderzoekt hierbij ook de mogelijkheden van het gebruik van verschillende materialen. In zijn presentatie viel als eerste een uit landbouwplastic opgebouwde, doodlopende corridor op. Het plastic was zo gedrapeerd dat het leek of je je door een fluïde installatie van Richard Serra bewoog. Dit vormde een mooie opmaat voor de rest van de presentatie, waarbij in het werk Setting 03 de uitgangspunten van Rotteveel in het bijzonder naar voren kwamen.

Op een houten tekentafel staat een architectonisch ogende constructie, opgebouwd uit piepschuim, gips en tape. Het zou een schaalmodel kunnen zijn voor een grootstedelijk bouwproject van Rem Koolhaas. De lamp in het midden van de constructie lijkt echter eerder te verwijzen naar een binnenruimte dan naar een imposant stuk stadsvernieuwing. Het lijkt een kamer te verlichten waarvan de muren aan vier kanten zijn opengebroken en zelfs het plafond waaraan de lamp bevestigd zou moeten zijn ontbreekt. Als een deus ex machina dringt het felle peertje zich binnen in de constructie en in het gezichtsveld van de toeschouwer. Hierdoor ontstaat een sterk licht-donker contrast tussen de constructie en de tekentafel.

Het simpele feit dat de constructie op een tekentafel staat, lijkt het te reduceren tot het zoveelste model, het zoveelste ontwerp, de zoveelste schets die deze tafel al heeft mogen ondersteunen en die deze tafel ook weer zal verlaten. De tafel geeft uiting aan het basale ontwerp- en maakproces waar menig kunstenaar aan is onderworpen. In dit geval dient de tafel echter niet slechts ter ondersteuning, maar is het een integraal onderdeel van het werk. De poten van de tafel spiegelen zich aan en vinden verlenging in de constructie die er bovenop staat.

Door het gebruik van glimmend, grijs tape krijgt de constructie een uniforme uitdrukking en wordt de tweedimensionaliteit benadrukt. Ook het felle licht, dat wordt gereflecteerd door het tape draagt bij aan dit effect. Door het gebruik van een sterk contrasterend stuk rood tape wordt het oog binnengeleid in de rest van het werk. Natuurlijk kun je om het werk heen lopen, maar dit stuk rode tape beweegt je ertoe om het werk vanuit één standpunt te bekijken alsof het een tweedimensionaal werk betreft. Zo beschouwd zou Setting 03 ook een studie of een model voor een schilderij kunnen zijn.

Wanneer we echter naar de uitwerking van de lamp op de ruimte kijken, komt Work # 227: The lights going on and off van Martin Creed in gedachten. Mede met dit werk won hij in 2001 de Turner Prize. In een kale museumruimte van Tate Britain ging met intervallen van vijf seconden het licht aan en uit. Hiermee stelde de kunstenaar de traditionele methode van tentoonstellen op de proef en daarmee de ervaring die de toeschouwer normaal gesproken verwacht te hebben in een museum of galerie. De toeschouwer werd gedwongen zijn relatie met de ruimte om hem heen te onderzoeken, meerder malen te kijken en te bevragen waarmee hij nou eigenlijk werd geconfronteerd.

In dit opzicht zou de constructie op de tekentafel ook als een helverlichte white cube kunnen worden opgevat waarin de opengebroken muren als abstracte sculpturen fungeren; als een schaalmodel voor een inrichting van een tentoonstellingsruimte. Het werk is een onderzoek naar de effecten van tweedimensionaal en driedimensionaal gebruik van de ruimte op de blik van de toeschouwer. Waarmee de beschouwer uiteindelijk wordt geconfronteerd zijn de grenzen of juist de mogelijkheden van zijn eigen kijkvermogen.

Bezoek voor meer informatie ook de website van Jochem Rotteveel

Meschac Gaba, MARRIAGE ROOM (detail)

Je zou er in kunnen trappen. Een groot spandoek lokt bezoekers binnen in het Museum of Contemporary African Art. Het museum heeft zelfs een logo: een kaart van Afrika waarin met witte uitsparingen ‘ART’ is geschreven. Het is net echt. Museum De Paviljoens wordt tijdelijk opgeslokt door dit Museum of Contemporary African Art. Zozeer, dat zelfs de kamer van de directeur nu dienst doet als museumzaal.

Meschac Gaba’s museum is voor het eerst in zijn geheel te bewonderen; de afgelopen tien jaar presenteerde de kunstenaar de twaalf museumzalen afzonderlijk op verschillende exposities in Nederland en in het buitenland. De uit Benin afkomstige Gaba (1961) is tegelijkertijd curator, conservator en creator van het museum. Het is een onemanshow – alleen voor de museumwinkel heeft hij bevriende Afrikaanse kunstenaars uitgenodigd een bijdrage te leveren – en gezien de prestigieuze titel lijkt het zelfs een wat megalomaan project. Toch is voor Gaba een essentieel uitgangspunt dat dit museum ‘open’ is. Zo stelt hij voorop de tentoonstellingsbrochure: ‘You know, my museum of contemporary art has no walls. I want to show artists that you can show your work everywhere, you can do it on your own. You don’t need four walls to determine your place, to decide who you are.’

Om te kunnen begrijpen waarom Gaba zelf alsnog heeft gekozen voor de zeer ‘gedetermineerde’ structuur van een museum gespecialiseerd in hedendaagse Afrikaanse kunst, is het verhelderend de museumbibliotheek te bezoeken. Daar ligt een geluidssculptuur in de vorm van een houten doodskist waaraan een snoer met koptelefoon is bevestigd. Een mannenstem vertelt: ‘I have been invited to speak to you about the life of Meschac Gaba. This means I can only tell you things I know about him from the time before my death.’ De stem blijkt te spreken namens de overleden vader van Gaba. In korte anekdotes raak je vertrouwd met het verhaal van het Afrikaanse jongetje dat telkens zijn schoolboeken vol tekende. Een sleutelpassage is als Gaba in 1996 naar Nederland komt om aan de Rijksakademie te studeren. Eén van zijn drijfveren om naar Europa te gaan is dat hij wil begrijpen hoe buitenlanders naar Afrikaanse kunst kijken. Het verbaast hem dat buitenlanders in Benin Afrikaanse kunst ‘hedendaagse kunst’ noemen en tegelijkertijd vooral in traditionele Afrikaanse volkskunst handel drijven. Eenmaal in Amsterdam, is Gaba gechoqueerd dat er geen Afrikaanse kunst te zien is in instellingen voor moderne en hedendaagse kunst.

Het besef van deze clash of cultures en de shock die deze bij Gaba teweeg bracht, helpt om zijn museum te begrijpen. Het project is niet bedoeld om te stigmatiseren, of om te bepalen wat Afrikaanse hedendaagse kunst zou moeten zijn. Het museum is de verbeelding van Gaba’s voortdurende zoektocht. Dit verklaart waarom het museum zo persoonlijk is en een actieve bijdrage van de toeschouwer vraagt: in de zaal getiteld Architecture of the Museum nodigt de kunstenaar je uit om zelf te ontwerpen hoe het museum er uit zou moeten zien.

De eerste zaal van het museum, Draft Room, werd al in 1997 bij de Open Ateliers van de Rijksakademie gepresenteerd. Bezoekers konden het museum-in-wording ondersteunen door voorwerpen te kopen die zijn gemaakt van geld uit Benin. Er ligt nu een kleed onbemand op de grond, vlakbij een koffer met flashy horloges, alsof ze door een straatverkoper zijn vergeten. In dit museum wordt handel gedreven, een thema dat wordt benadrukt door de aanwezigheid van geld, overal en in vele gedaanten. Verknipte Afrikaanse bankbiljetten zijn op installaties geplakt, en in de Game Room nemen schaakstukken van euro’s het op tegen schaakstukken van dollars. Daarnaast maakte Gaba zelf bankbiljetten, waarop de hang naar het exotische van westerse kunstenaars wordt weergegeven.

Naast de uitwisseling van geld laat Gaba zien hoe muziek wordt verhandeld. In zijn Music Room toont hij verzamelcassettebandjes die op markten terecht zijn gekomen. Achterop staat netjes handgeschreven welke liedjes op kant A en kant B door de liefhebber bijeen zijn gebracht. Zelfs voor de uitwisseling van liefde is een plek in het museum. De Marriage Room toont een videoregistratie, foto’s en parafernalia van het huwelijk tussen Gaba en Alexandra van Dongen, dat in 2000 plaatsvond in het Stedelijk Museum tijdens de opening van de tentoonstelling For Real.

Het is jammer dat het Museum for Contemporary African Art veel moet teruggrijpen op performances en gebeurtenissen die eerder hebben plaatsgevonden. Het levert een redelijk statische expositie op. Zo komt de Humanist Room, een tijdelijke fietsenverhuur die in Kassel tijdens Documenta 11 in 2002 in functie was, niet tot zijn recht in de huidige setting. De zes fietsen aan een kettingslot doen eerder denken aan een fietsenstalling. Misschien is dit het nadeel van ergens vier muren omheen zetten en iets een museum noemen: dat het een beetje doods wordt. Het is aan Gaba zelf om het museum zo vaak mogelijk tot leven te wekken, opdat het inderdaad een levendig museum ‘zonder muren’ blijft. Zelfs nu het compleet is.

MUSEUM OF CONTEMPORARY AFRICAN ART & MORE
Meschac Gaba
25 april t/m 9 augustus 2009

Museum De Paviljoens
Odeonstraat 3, Almere

Meschac Gaba, MUSEUM SHOP (detail)
Meschac Gaba, DRAFT ROOM (detail)

Gijs Gieskes

Angelique Spaninks, Boudewijn Bollmann

Gijs Gieskes (1977) is geen man van veel woorden. Pratend over zijn werk ben je toch gauw een paar uur verder. Al was het alleen maar omdat hij ook graag laat zien wat hij bedoelt. Dan neemt hij je mee naar zijn studio boven de garage van zijn ouderlijk huis in Geldrop, waar het tot de nok toe vol staat met elektronica, zelfgebouwde instrumenten, speelgoed en computeronderdelen. Weggemoffeld in een hoekje staat ook nog zijn bed. Na een sessie waarbij hij het ene instrument na het andere aan twee aftandse computerspeakertjes koppelt om te laten horen wat ze kunnen voortbrengen, raak je helemaal verslingerd aan de ogenschijnlijke eenvoud, maar vooral speelse complexiteit van zijn creaties. Een echte designer wil hij zich niet noemen, ook al studeerde hij tien jaar geleden af aan de Design Academy Eindhoven. “Ik ben toch meer een soort van kunstenaar/vormgever geworden”, zegt hij bescheiden. “Op de academie kon ik grotendeels doen wat ik wilde. Ik studeerde af met filmpjes, een animatie en met een zelfgebouwde grammofoonrecorder.” De laatste jaren heeft Gieskes een eigen, heel specifieke plek in de kunstwereld veroverd. “Na mijn afstuderen vroeg ik een startstipendium aan. Ik wilde gaan reizen en overal waar ik kwam muziek opnemen. Maar ik kwam er al snel achter dat dat me helemaal niet lag. Ik voelde me eenzaam, het werkte niet. Ik ging weer terug naar huis en besloot instrumenten te gaan bouwen.”

Geïnspireerd door een TR-808, de klassieke analoge drumcomputer, bouwde hij verder aan zijn oude liefde: sequencers. Zijn ‘primitief geknutsel’ groeide al snel uit tot een soort praktijk op het breukvlak van kunst en design. Een praktijk voor de bouw van elektronische instrumenten, from scratch. Denk daarbij vooral niet aan wat je al kent aan instrumenten, want die van Gieskes zijn totaal anders. Zijn ‘hard soft synths’ bijvoorbeeld bestaan altijd uit een zelfgemaakt circuit, ingeklemd tussen twee houten balkjes met enkele druk- en draaiknopjes. Zelfs de printplaatjes en circuits etst hij zelf, in een bakje op het aanrecht. Hij bewerkt ze door er de laklaag van glossy magazines op te strijken; een trucje dat hij van internet plukte. “Ik haal veel informatie van internet. Dat is echt een uitkomst. Maar ik zet ook bijna alles wat ik zelf maak of ontdek terug op internet, via mijn website. Zo blijven dingen in ontwikkeling, en geef ik terug aan de gemeenschap wat ik ook van de gemeenschap krijg. En terwijl ik aan nieuwe instrumenten werk, wat meestal flink wat tijd vraagt, komen er altijd weer nieuwe ideeën.”

Even later, weer beneden bij de grote tafel in de woonkamer die net zo vol ligt met draadjes, relaistjes, contacten, schakelaartjes en andere onderdelen, haalt hij een klein, zwart plastic koffertje tevoorschijn – zo één waar een goedkope accuboor in heeft gezeten. Eenmaal opengeklapt blijkt ook hier een geweldig instrument in te zitten. Het belt en valt te bespelen als een keyboard, maar dan met magneetjes. Gieskes: “Dit is wat ik nu vooral probeer te doen. Ik maak al jaren instrumenten maar de laatste tijd worden ze wat te perfect naar mijn smaak. Ze zijn te af, te veel volgens het boekje en daardoor steeds minder interessant, voor mijzelf en dan dus ook voor anderen. Toch is het technisch gezien een vrij perfect instrument, bestaande uit het binnenwerk van een Casio keyboard met daarop losse magnetische contactjes die je per toon kunt verzetten. Daarnaast zit er een soort bel in en blijft er ook nog ruimte voor allerlei andere connecties die weer geluiden kunnen opleveren. Voor een concert of performance hoef ik alleen dit koffertje mee te nemen en open te klappen, het aan te sluiten op een versterker en ik kan spelen. En: het geluid heeft een heel eigen karakter. Het klinkt niet als een goedkope Casio. Dat komt vooral omdat ik altijd zoek naar de juiste balans tussen hoe ’t moet en hoe ‘t niet moet. Teveel technisch vernuft levert standaard geluiden op, terwijl je juist iets nieuws of iets eigens zoekt.”

Dat hij dat eigene inmiddels gevonden heeft, blijkt uit het feit dat hij ook met enige regelmaat in binnen- en buitenland gevraagd wordt voor optredens. “Dat zijn half performances, half demonstraties. Vroeger trad ik vooral op met Game Boys, maar dat was nooit met eigen software. Inmiddels zijn mijn eigen dingen goed genoeg. Vroeger was het ook erg voorgeprogrammeerd en gecomprimeerd wat ik liet horen. Heel intens en opgefokt, om er maar zoveel mogelijk uit te krijgen. Nu maak ik meer live improvisaties. Het zijn drone-achtige klankpatronen met veel herhaling, waardoor je in een soort trance kunt komen. Het lijkt heel minimaal, maar alles zit erin.”
Luisterend naar zijn ideeën en kijkend naar zijn werk, kan de combinatie van techniek en een zekere visuele esthetiek je nauwelijks ontgaan. Of dat iets te maken heeft met zijn achtergrond als ontwerper durft Gieskes echter niet geheel te beamen. “Ik vind het belangrijk dat je kunt zien waar het geluid vandaan komt, dat er iets van schoonheid in het spel is”, stelt hij. “Ik was vroeger ook echt geen computernerd, had eerder een hekel aan computers. Pas toen ik met mijn vader, ook kunstenaar, weleens naar de sloop ging en daar voor het eerst de printplaten uit het binnenste van oude computers zag, raakte ik gefascineerd door het mooie ervan. Dat je ziet wat het is zonder het ooit helemaal te snappen. En ik begrijp het eigenlijk nog steeds niet.”

Klik hier voor meer informatie over Gijs Gieskes en zijn werk

Zijn meest recente instrument Serv Seq is te zien in de expositie HIER&DAAR t/m 23 augustus bij MU in Eindhoven en KOP in Breda.

Sander Rood, BLOEM DER VERLICHTE SCHADUWEN, 2009 (foto: L. Cluitmans)

WORDT MORGEN OPGEHAALD. Een niet zo vreemde tekst in een gebied aan de rand van de stad, waar klus- en bouwbedrijven elkaar afwisselen. Maar het is wel wat vreemd en onverwacht om de tekst meer dan manshoog in rode hoofdletters op een loods tegen te komen. Al van een flinke afstand vallen de gigantische letters op. Hoewel de betekenis absurdistisch aandoet, lijkt ze tegelijkertijd prima op haar plaats in deze omgeving. Martijn Engelbregt (1972) maakte de tekst met plakband speciaal voor de gevel van het nieuwe onderkomen van Kunsteyssen, het centrum voor hedendaagse kunst in Alkmaar.

Kunsteyssen opende in 2004 haar deuren toen de gemeente Alkmaar de oude kaasfabriek Eyssen beschikbaar stelde. Het pand, waar de ambachtelijke geschiedenis nog goed voelbaar was, bood een spannende en passende omgeving voor de laboratoriumfunctie die Kunsteyssen zich vanaf het begin ten doel stelde. Vijf jaar na dato wordt die karakteristieke uitstraling van Eyssen echter ingeruild voor een meer eigentijdse variant: een voormalige meubel-outletstore in Overstad, het gebied dat de komende jaren tot een modern stadscentrum wordt ontwikkeld. Ter gelegenheid van de verhuizing is een vijftal kunstenaars uitgenodigd een visie te geven op het nieuwe gebouw en op Kunsteyssen zelf. Onder de noemer ‘identiteit’ wordt op zoek gegaan naar de betekenis en functie van het kunstcentrum in deze nieuwe en sterk veranderende omgeving. Naast Martijn Engelbregt installeerden Zoro Feigl (1983), Sander Rood (1973) en het kunstenaarsduo Powerplant, bestaande uit Krista Burger (1973) en Nina Thibo (1972), nieuw werk.

Bij betreding van de enorme, bijna tachtig vierkante meter grote ruimte heerst een zekere stilte en rust. De betonnen vloer na de entree is begroeid met groene plantjes die in patronen rondom een grote berg van tuinaarde zijn geordend. De zon, die tussen de dakspanten doorschijnt, laat hen eensgezind in dezelfde richting groeien. Gehurkt tussen het groen is een man bezig de plantjes te oogsten. Het is Sander Rood, maker en tuinman van de groeiende installatie Bloem der Verlichte Schaduwen. Tijdens de opening nodigde hij bezoekers uit plaats te nemen rondom de berg zand. Ieders schaduw werd vervolgens met krijt omlijnd, waardoor een gek patroon van gedrongen figuren ontstond. Rood vroeg de bezoekers een moment te nemen om zijn of haar eigen schaduwzijde te overdenken en die hersenspinsels binnen de contouren te schrijven. Vervolgens strooide hij aarde en zaden van bonen in de getekende schaduwvormen, die drie weken na de ceremonie klaar zijn om geoogst te worden. Hoewel men hier, zo vertelt Rood, niet bepaald bereid bleek te zijn de donkere zijde van het leven te benaderen, blijkt wel het klimaat in de loods uiterst geschikt voor de bonenplantjes. Dus krijgt eenieder die de tentoonstelling bezoekt een bundeltje bonenplanten mee naar huis, met de boodschap er zelf soep van te maken. Rood combineert persoonlijke reflectie met natuurlijke groei. Het is een gebaar dat past bij het nieuwe Kunsteyssen en zijn doelstelling het publiek intensief te betrekken bij hedendaagse kunstprojecten.

Ook het werk van Zoro Feigl doet in eerste instantie rustig en ingetogen aan. Zijn bijdrage bestaat uit vier hangende autobanden, genaamd Circling. Zodra de bezoeker ze nadert wordt een mechaniek in werking gesteld, waardoor de schijnbare rust verbroken wordt en een onheilspellende beweging ontstaat. Het mechaniek drijft de middelste autoband aan, waarop de andere drie banden langzaam reageren. Naarmate de kracht van de aandrijving toeneemt, wordt de dynamiek groter. De banden botsen tegen elkaar en springen steeds hoger op. De ogenschijnlijk ritmeloze bewegingen ontpoppen zich tot een dichterlijke dans, zij het begeleid door een hels kabaal. Met Circling refereert Feigl aan industriële activiteit, aan de geschiedenis van het gebouw, en claimt daarin tegelijk een duidelijke plek voor de kunst.

Waar het werk van Engelbregt, Rood en Feigl uit een minimum aan middelen bestaat, is de installatie van het duo Powerplant juist overvloedig. Van goedkope en gevonden materialen en objecten creëerden zij een doolhof van minuscule filmsets. Op twee grote schermen wordt een voorstelling geprojecteerd, die ter plekke gefilmd is. Met deze groots opgezette installatie probeert Powerplant op kritisch wijze te reflecteren op het Overstad van 2050, maar lijkt zich in de eigenhandig veroorzaakte chaos te verliezen.

In de ruw gestripte loods van Kunsteyssen gebeuren onverwachte dingen. Zo komt het werk van Engelbregt, Rood en Feigl er bijzonder goed tot zijn recht. Vanuit een minimum aan middelen zetten zij krachtig werk neer dat elkaar in hun eenvoud versterkt. Het werk van Powerplant biedt juist een meer theatrale tegenhanger. Hoewel het onderzoek naar de relatie tussen het nieuwe Kunsteyssen en de omgeving enerzijds, en de kunst anderzijds, niet in de meest coherente tentoonstelling heeft geresulteerd, geeft het wel inzicht in de mogelijk nieuwe identiteit van Kunsteyssen. Op een zelfreflectieve manier, zonder pretenties en met de kunst voorop gesteld weet Kunsteyssen fris licht te werpen op wat een kunstcentrum kan zijn in een sterk veranderende omgeving.

Powerplant, Zoro Feigl, Sander Rood, Martijn Engelbregt
29 mei t/m 12 juli 2009

Kunsteyssen
Koedijkerstraat 6, Alkmaar

Zoro Feigl, CIRCLING, 2009 (foto: L. Cluitmans)