Kunstige verhoudingen

Agnes Winter
Suus Groenleer, SECLUDED MOMENTS (2014). Foto courtesy of Sign

In de tentoonstelling Places ↔ Spaces staat het gebruik van maquettes door kunstenaars centraal. Bij maquettes denk ik gelijk terug naar de biënnale in Venetië in 2013, waar het imponerende schaalmodel van The Encyclopedic Palace of the World van Marini Auriti het startpunt was van de hoofdtentoonstelling van Massimiliano Gioni. Het paleis, waarin Auriti alle werken en ontdekkingen van de mensheid wilde verzamelen, werd nooit gerealiseerd. Wat dat betreft functioneerde de maquette niet zozeer als een architectonisch model, maar eerder als een belichaming van een waanzinnig idee. De maquette was een manier om iets voor te stellen en te onderzoeken. In Places ↔ Spaces  wordt de maquette niet zozeer als architectonisch model gebruikt, maar als een middel om ideeën en onderzoek vorm te geven.

Bij het betreden van de tentoonstellingsruimte loop je tegen het werk Secluded Moments (2014) van Suus Groenleer aan. Ze heeft een reeks kijkdozen gemaakt, die scènes tonen van volwassen mannen samen met kinderen. Bij een eerste blik lijken het neutrale voorstellingen, zoals een vader die zijn kind komt ophalen bij de speeltuin of bij de crèche. Maar na een paar kijkdozen krijg je toch het gevoel dat er iets niet klopt. Is die man bij de speeltuin wel een vader? Of is het een vreemde? Dat Groenleer juist deze vragen wil oproepen blijkt ook uit de kaartjes die bij de kijkdozen liggen om in te vullen, waarbij de bezoeker kan kiezen tussen reacties als ‘Why is this man alone with this child?’ of ‘Are there surveillance cameras here?’

Deze ambiguïteit in de voorstellingen maakt ze spannend om naar te kijken en confronteert de kijker met zijn eigen vooroordelen. Zijn we zo bang gemaakt dat we een liefdevolle vader aanzien voor een pedofiel? De voorstellingen zelf zijn al genoeg om dit gevoel van ongemak op te roepen, waardoor de in te vullen reactiekaartjes overbodig en te expliciet zijn, wat de spanning uit het werk haalt.

Net als Groenleer gebruikt Tim Hollander een schaalmodel om bepaalde gedragingen en verwachtingspatronen te onderzoeken. In zijn werk Proposal for a Cabinet (2014) neemt Hollander de manier van tentoonstellen en presenteren in de kunstwereld  — en al diens pretenties, gemaaktheid en ongemakkelijkheden  — onder de loep. Hij maakt slim gebruik van typische presentatievormen, zoals een grote muurtekst die verwijst naar de geplaatste nummerbordjes in zijn schaalmodel, die tegelijkertijd als een kabinet en een tentoonstellingsruimte kan worden opgevat. Vanuit de traditie van institutionele kritiek lijkt hij met zijn werk de kunstwereld en diens mechanismen op de hak te nemen. Zijn observaties zullen een feest der herkenning zijn voor de doorgewinterde kunstbezoeker. Toch vraag ik me af of er na deze herkenning nog iets over is wat kan blijven boeien en wat de kunstenaar daadwerkelijk zelf zou willen toevoegen aan de kunstwereld.

Wat dat betreft zijn de schilderijen van Thomas van Rijs een stuk spannender. In het midden van de ruimte hangt een groot doek, wat qua vorm iets weg heeft van een vliegdekschip of een gevechtsvliegtuig. Boven het diep zeeblauwe doek, waarin de sporen van de schilder nog goed te zien zijn, zweven zes schepen, die met koperen buizen aan de rand van het doek zijn gemonteerd. De scheepjes, samen met het witte raster op het doek, doen denken aan het bordspel Zeeslag.

Het kleinere doek Couveuse (2014) lijkt op een constructietekening voor een futuristische cryo chamber, waarin mensen kunnen worden ingeslapen om na eeuwen weer te ontwaken in een andere wereld. Met deze verwijzingen naar veldslagen, spelletjes en sciencefiction doen zijn werken denken aan jongensachtige avonturen en fantasieën. De sporen van zijn potlood en liniaal laten zien dat Van Rijs als een ware ingenieur deze werelden nauwkeurig probeert te construeren. In zijn werk wordt het concept van de tentoonstelling dan ook het meest interessant daar waar het oorspronkelijk praktisch bedoelde hulpmiddel van de maquette op gespannen voet staat met een fantasiewereld die nooit zal worden gerealiseerd.

Places ↔ Spaces laat zien dat de maquette op zeer diverse manieren kan worden ingezet door de kunstenaar, waarbij de ene manier interessanter is dan de ander. Net als Auriti dat probeerde te doen, willen de kunstenaars ons meenemen naar een andere plek, om deze ruimtes en taferelen te doorgronden óf, en hier wordt de fascinatie pas echt geprikkeld, om dingen voor te stellen die anders buiten onze verbeelding hadden gelegen. 

Thomas van Rijs, COUVEUSE (2014). Foto courtesy of Sign

Experimenteren in gedachten

Judith Spijksma
Sil Krol, PLATFORMS FOR CIVIL RESISTANCE (2012-ongoing) foto: Hristina Tasheva

De voormalige zuivelfabriek waar kunstinitiatief KIK (Kunst in Kolderveen) gehuisvest is, doet op dit moment dienst als tentoonstellingsruimte en artist-in-residence. Het is één van de Tijdelijke Binnenlandateliers gefinancierd door het Mondriaan Fonds. Edwin Stolk werkt hier aan zijn project Gedachte-Experiment: Het geluid van coöp. Fabriek De Venen (2014). In de zuivelfabriek zal Stolk de fabrieksgeluiden van weleer reconstrueren en opnieuw laten klinken. Om zijn project van context te voorzien stelde Stolk een tentoonstelling samen met eveneens de titel Gedachte-Experiment.

De titel van dit project heeft Stolk ontleend aan een methode die vaak in wetenschap en filosofie wordt gebruikt om nieuwe kennis naar voren te halen. De denkstappen die gemaakt worden (vaak in verhalende vorm uitgeschreven) zijn zo overtuigend en geven voldoende bewijs om het experiment niet in werkelijkheid te hoeven (of kunnen) uitvoeren. De verbeelding speelt dikwijls een grote rol in dit soort experimenten. Het is zo beschouwd een vorm van kennisproductie of een manier om een onderzoek verder te brengen. Tijdens het zien van de tentoonstelling wordt duidelijk waarom Stolk voor dit uitgangspunt gekozen heeft. Het biedt een kader waarbinnen een groot aantal kunstwerken nieuwe situaties voorstelt, bestaande structuren aanpast of een hypothetisch situatie voorlegt, inclusief de gevolgen.

In de tentoonstelling is het werk te zien van veertien kunstenaars. Het levert een diverse samenstelling van films, foto’s, schilderijen, performances en installaties op. De begane grond telt twee grote, van elkaar afgescheiden ruimtes. Bij binnenkomst in de fabriekshal is er relatief weinig te zien. Het kunstwerk hier is het residu van een performance van Marijn Ottenhof. Deze werd tijdens de opening gespeeld: een spelletje bingo in binaire taal (een getalensysteem dat bestaat uit uitsluitend enen en nullen). Nu zijn alleen de overblijfselen te zien: een bingorad met de balletjes één en nul, wat stoelen en tafeltjes. Omdat er alleen enen en nullen meedoen zijn de bingobriefjes ook gevuld met die getallen. De speler kan nu zelf kiezen welke één of nul hij doorstreept. Het toeval speelt een aanzienlijk kleinere rol in een toch al niet zo opwindend spel. Door het tientallig systeem te vervangen voor een binair systeem (enen en nullen), wordt het spel letterlijk een continue herhaling van zetten, waar iedereen de uitkomst van kan raden.

Een verdieping lager in de donkere kelder met half open ruimtes draait onder andere de film Harvest (2012) van Nir Nadler en Chaja Hertog. Zoals in het Bingo spel een aanpassing leidt tot een andere, eentonige, manier van spelen, leidt de ingreep van Nadler en Hertog tot een geheel nieuwe interpretatie van een bestaande traditie. In de film zien we een olijfboomgaard. De bomen beginnen langzaam te ritselen en steeds harder te bewegen. Plotseling trekt de mobiele eenheid op om de bomen in bedwang te houden door er met stokken op los te slaan. Dat laatste is een eeuwenoude gewoonte en manier van oogsten, maar krijgt een totaal andere lading door de kleding die gedragen wordt. De film schetst een absurde situatie die tot nadenken leidt over de verhouding tussen mens en natuur en hoe we eenzelfde actie verschillende betekenissen kan hebben.

Waar een aantal werken gebruik maakt van een bestaand fenomeen of structuur, zijn er ook werken te zien die een nieuwe situatie voorstellen. In de film Hybris (2014) van Arjan Brentjes zien we een wetenschapper in een talkshow spreken over de toekomstige mogelijkheid van eeuwig leven. Dit idee brengt een aantal vragen met zich mee die in de film naar voren komen. In welke zin bepaalt de mens zijn eigen lot? Stel je voor dat je eeuwig leeft, dan is er geen noodzaak tot voortplanting. Seksuele opwinding heeft geen functie meer. Liefde ook niet; emoties worden overbodig. De film gaat ongemerkt over naar het begin en blijkt vast te zitten in een eindeloze loop. Een verbeelding van wat het eeuwige leven mogelijk zou kunnen zijn; een voortdurende herhaling van zetten.

Deze en andere werken zijn door Stolk geselecteerd om zijn eigen project van context te voorzien. Dat project bestaat eruit dat Stolk op basis van historisch materiaal en gesprekken met oud-medewerkers en betrokkenen de situatie in de fabriek in kaart brengt. Het doel hiervan is het geluid dat vroeger in de in werking zijnde fabriek te horen was terug te halen en opnieuw te laten klinken. Met dit project haalt Stolk de geschiedenis van de plek de tentoonstellingsruimte binnen. Hoe dat klinkt en wat voor effect dat zal gaan hebben moet nog blijken, maar naar aanleiding van de tentoonstelling is het vermoeden het eentonige industriële geluid aangedreven door machines en mankracht.

Tot dusver heeft Stolk de nodige informatie naar voren weten te halen over de mensen en het leven in en om de fabriek. Zo kwam hij er tijdens de gesprekken met ex-medewerkers achter dat het fabrieksgeluid een sociale functie had. Iedere dag om 12.00 uur blies iemand de stoomfluit en wist het hele dorp hoe laat het was. Sommige medewerkers konden zelfs aan het geluid van machines horen, waar er iets fout ging in het productieproces. Zijn blog staat vol verhalen over deze mensen, waarin allerlei onderwerpen aangehaald worden van beeldvorming rondom kunst tot het maken van kazen en daarmee gewonnen prijzen. 

Stolks project lijkt daardoor op historisch onderzoek, waarbij gekeken wordt hoe het geluid van de fabriek de beleving van de omgeving heeft beïnvloed, en vervolgens hoe na de sluiting van de fabriek de omgeving anders is gaan klinken. De titel Gedachte-Experiment die Stolk zelf aan het project heeft toegeschreven lijkt minder op zijn plaats. Het is verleidelijk om iedere hypothetische situatie (zoals voorgesteld in sommige van de tentoongestelde kunstwerken) een gedachte-experiment te noemen. Maar een gedachte-experiment is iets anders dan nadenken over een experiment of je iets indenken om dit vervolgens te toetsen aan de werkelijkheid.

Intrigerend is dat Stolk met zijn geluidsinstallatie voorbij gaat aan de intenties van een doorsnee gedachte-experiment; in de meeste gevallen heeft het niet als doel om uitgevoerd te worden. Vanwege zijn keuze voor de genoemde kunstwerken, lijkt het Stolk dan ook meer te gaan om het effect dat een gedachte-experiment kan hebben; buiten gebaande paden denken, voor waar aangenomen kennis bevragen en nieuwe kennis naar voren halen. In het geval van het geluidsproject is dat in de vorm van een door verschillende betrokkenen gedragen initiatief.

 

Gedachte-Experiment: Het geluid van coöp. Fabriek De Venen (2014) wordt op 21 december uitgevoerd.

Chaja Hertog & Nir Nadler, HARVEST (still) (2013)
Arjan Brentjes, HYBRIS (2014) foto: Hristina Tasheva
Edwin Stolk, HET GELUID VAN COOP. ZUIVELFABRIEK DE VENEN (2014) foto: Hristina Tasheva

Geheimen blootleggen

Rosan Dekker
Alicia Framis, ROOM FOR FORBIDDEN BOOKS (2014). Foto door Michel Claus. Courtesy Annet Gelink Gallery, Amsterdam.

Aan de Amsterdamse Laurierstraat is deze winter de expositie Forbidden Rooms te bezoeken. Vanuit verschillende invalshoeken belicht de Spaanse kunstenaar Alicia Framis de werking van censuur en geheimhouding. Er zijn schetsen en plattegronden, boeken en tekeningen, maar de meeste indruk maken Framis’ installaties.

In het werk Room for Forbidden Books (2014) biedt Framis een podium aan boeken die eens verboden waren. Bezoekers van de tentoonstelling worden uitgenodigd om een kleine kamer te betreden, een installatie die van buiten doet denken aan een houten transportkist. Langs de wanden van de ruimte staan tientallen boeken met zwarte stofomslag, van Nabokovs Lolita tot Marx’ The Communist Manifesto en van Alice’s Adventures in Wonderland tot het dagboek van Anne Frank. Op de kaften staan korte teksten die uitleggen waarom en wanneer de censuur plaatsvond. Boeken die verboden werden vanwege religieuze of politieke motieven, omdat ze schunnig waren of racistisch, of omdat ze – een bijzondere – dieren portretteerden die in mensentaal konden praten.

Framis nodigt de bezoeker uit om ongehoorzaam te zijn. Ze speelt met de notie van censuur en maakt het haast gezellig: het werk moet betreden worden zonder schoenen en de zachte vloer, kussens en leeslampjes maken het een intieme ruimte. Je zou hier best een paar uur rustig lezend door kunnen brengen. De bonte verzameling boeken geeft op bijzondere wijze inzicht in de geschiedenis van de censuur en sluit tegelijkertijd aan bij de actualiteit – denk aan de ophef die onlangs nog ontstond toen een Amsterdamse galeriehouder antiquarische exemplaren van Mein Kampf verkocht.

Toch zijn er ook wat schoonheidssfoutjes. The Tale of Peter Rabbit is naar mijn weten nooit verboden geweest en hierover kan ik ook geen betrouwbare informatie vinden. De tekst op de wikkel is letterlijk overgenomen van het internet. Jammer, omdat juist dit boek in de persaankondiging wordt genoemd en het verbod ervan danig tot de verbeelding spreekt. Het maakt dat ik de andere boeken toch wat achterdochtig bekijk. De teksten op de omslagen zijn soms gecentreerd, dan weer links uitgelijnd. Ook de hier en daar ontbrekende leestekens en kromme afbrekingen zijn jammer. Gezever misschien, maar in een werk waarin taal zo’n grote rol speelt, vind ik zulke slordigheden storend.

Dat geldt niet voor Framis’ prachtig uitgevoerde Confessional Room (2014). Midden in de galerieruimte staat een transparante biechtstoel, opgebouwd uit plexiglas. Een priester wacht geduldig op iemand die bij hem wil komen biechten. Hij leest zachtjes prevelend passages uit de Bijbel. Als bezoeker ben je welkom om naar binnen te stappen en je zonden uit de doeken te doen, maar ik betwijfel of er veel animo voor is. Het absurdistische werk geeft je een gevoel van onbehagen, alsof je kijkt naar iets dat je eigenlijk niet hoort te zien, naar iemand die je niet zou mogen storen. Je geheimen opbiechten in deze openbaarheid, omringd door nieuwsgierige blikken, dat schuurt toch een beetje.

Soms is het idee van een verbod spannender dan het verbodene zelf. Het dagboek van Anne Frank, ooit gecensureerd vanwege enkele seksuele passages, is eerder kuis dan expliciet te noemen. De geestelijke in het biechthok, normaal gesproken een anoniem klankbord verborgen achter een rooster of gordijn, blijkt urenlang de Bijbel te lezen. Niet zo mysterieus eigenlijk. Framis’ werk breekt met de fantasie en ontnuchtert de angst. En dan blijkt de priester een gewone man met gepoetste schoenen, die zo nu en dan een koffiepauze heeft.

Alicia Framis, CONFESSIONAL ROOM (2014). Foto: Michel Claus. Courtesy Annet Gelink Gallery, Amsterdam.

Jagen en gejaagd worden

Sietske Roorda
Kim Boske, DECAY CAN BE VERY SLOW 3 Foto: Flatland Gallery,courtesy Aando Fine Art, Berlin

Het eerste wat je ziet als je Flatland Gallery binnen loopt is een foto van een groep wilde ganzen die zich opmaken om op te stijgen. Dit alles gebeurt in een maagdelijk wit winterlandschap. De bomen aan de horizon zijn echter geschilderd. De schildering onthult dat kunstenares Kim Boske een foto heeft genomen van een diorama. Deze wilde ganzen die lijken te vluchten voor het gevaar zijn al lang neergeschoten. Boske heeft haar werk de ironische titel gegeven Decay is Slow. De ganzen moeten de toeschouwer een idyllische indruk geven van het echte leven, terwijl hun opgezette lichamen heel langzaam weg rotten.

In de groepstentoonstelling ‘Hunting: The world of intense concentration’ bij Flatland Gallery staat het spel van leven en dood centraal. Wie jaagt en op wie wordt gejaagd? Wie misleidt wie? In de twee foto’s uit de serie Hunters Mourning van Cornelie Tollens lijkt de dood centraal te staan. In beide foto’s zijn jonge meisjes te zien in het bos. De één ligt op de grond en houdt een fazant in de lucht, de ander heeft een gans op haar schoot gedrapeerd. De meisjes houden de dode dieren vast als een jachttrofee. Maar wie is eigenlijk de prooi? De veren van de gans en fazant kleuren wel erg mooi bij hun gewaden van kant en tule. Hun blanke borsten zijn onthuld en ze nemen de verleidelijk poses aan van modellen uit modetijdschriften. Ze leiden ons af van het dode dier en laten de kijker met zijn oog op hen jagen.

Blanke borsten komen weer terug in de foto van Jocelyn Lee van Fiona en Jack. Het blote bovenlichaam is te zien van het roodharige meisje Fiona die op bed ligt. Ze kijkt geconcentreerd omhoog. In de linkerhoek is het oor en de staart van de rode kater Jack te zien. Het beeld voelt als een stilte voor de storm. Zou een plotse beweging van Fiona Jack kunnen laten schrikken, zodat hij zijn nagels in haar borst zet om vervolgens rode strepen in haar witte huid te trekken?

Telkens wordt de kijker op de proef gesteld en deelgenoot gemaakt van het spel van de jacht. In de muur vullende houtskool tekening Sagittarius Serpentarius laat Anouk Griffioen een mens zien met de kop van een beest. Griffioen heeft niet alles haarscherp getekend, sommige delen van de tekening zijn wazig, wat de tekening een mystieke zweem geeft. Het portret lijkt op een mythologisch figuur. De sluwe mens die zich laat leiden door haar dierlijke instinct en weet wanneer zij moet jagen en wanneer zij moet vluchten. De tekening wekt nostalgische gevoelens op, want hebben wij moderne stadsmensen nog iets te maken met ons natuurlijk instinct?

Misschien wel. Op een tafel in de galerie is een bakje ansichtkaarten met oude foto’s van herten erop afgedrukt. Ik kies een kaart uit van een moeder hert die haar kleintje zoogt. Het is een rustig en vredig tafereel, net als alle andere foto’s in de bak. En toch voelt het alsof het onheil nabij is. Iedereen weet wat er met de moeder van Bambi gebeurt.

Cornelie Tollens, HUNTERS MOURNING Foto: Flatland Gallery
Jocelyn Lee, UNTITLED (FIONA AND JACK)(2004), Foto: Flatland Gallery
Anouk Griffioen, SECRETARY (2012) Foto: Flatland Gallery, courtesy Kers Gallery, Amsterdam

Huiskamerkunst

Brenda Tempelaar
Thomas Raat, UNTITLED, 2014. Foto: courtesy of the artist en galerie Juliètte Jongma.

In de woonkamer van mijn opa heeft meer dan veertig jaar een houten lijstje gehangen met daarin een replica van Het melkmeisje van Johannes Vermeer. Toen mijn opa zijn huis wilde moderniseren gaf hij Het melkmeisje aan mij. Het ding staat bol van herinneringen, want het draagt zowel de geschiedenis van de schilderkunst als die van mijzelf met zich mee.

Zo zijn er meer kunstwerken die zowel institutionele – als huiselijke waardering genieten. Thomas Raat (1979) maakte er een werk over, momenteel te zien in de expositie Sanseveria bij galerie Juliette Jongma. Voor Untitled (2014) verzamelde Raat litho’s van Han van Meegeren waarvan Hertje (1921) de bekendste is. Van Meegeren maakte naast zijn eigen werk beroemde vervalsingen van Vermeer. Net als Het melkmeisje van mijn opa bereikte het hertje van Van Meegeren vele Nederlandse huiskamers. Raat kantelde de litho’s van herten, een geitje, pauwen en een zilverreiger en plaatste ze in passe-partouts die door de rechthoekige uitsneden toch weer modernistisch aandoen.

Verderop in de galerie hangen vier variaties op een schilderij van Kazimir Malevich die Raat spiegelde en roteerde tot een caleidoscopische compositie van rechthoeken. Raat plaatste gele biljartballen op de schilderijen die de geometrie benadrukken. De ronde biljartballen smelten in één oogopslag samen met een ander drieluik in de ruimte: Knowledge and Belief (2013), The Christian Science Way of Life (2013) en The Experimenter’s Dilemma (2013). In deze werken staan cirkels centraal die Raat maakte door het ontwerp met een spijker in MDF te etsen en de groeven te vullen met inkt. De zwarte lijntekening die daardoor ontstond beschilderde Raat vervolgens met matte olieverf.

Raat vergeet nooit zijn modernistische cirkels te voorzien van een alledaagse context. De drie titels zijn bijvoorbeeld afkomstig van paperbacks uit 1962 waar Raat de tekst en prijs vanaf haalde om het ruwe ontwerp over te houden. Deze boekomslagen waren, net als replica’s van bekende kunstwerken, door hun toegankelijkheid vaak de enige kunstvormen die de middenklasse in huis had.

Die verhouding tussen het toegankelijke en het elitaire wordt in bovengenoemde werken soms pas duidelijk als je de titel leest, of een persbericht. Maar in het spektakelstuk van Sanseveria draait Raat er niet langer omheen. Hij maakte twee kloosterbankjes na die hij op roze podia plaatste. Één daarvan ken ik als het kloosterbankje van Hans van der Laan, de andere is mij onbekend. Een ampul met rode wijn en een appel bevestigen de Benedictijnse context. De houten verhogingen waar de banken op staan moeten het geheel uit de context van de galerie trekken. Tegelijkertijd zijn de op Malevich geïnspireerde schilderijen bij beide bankjes prominent op de achtergrond geplaatst.

Houdt Raat meer van huiskamerkunst dan van elitair modernisme? De rechthoeken van Malevich of de pooltafel van mijn opa? Een modernistisch schilderij of de vergeelde bladzijdes van oude paperbacks? Van mij mag hij zich nog sterker uitspreken. Maar ook de vraag alleen levert een boeiende tentoonstelling op.

Thomas Raat, THE EXPERIMENTER'S DILEMMA, 2014. Foto: courtesy of the artist en galerie Juliètte Jongma.
Thomas Raat, UNTITLED, 2014. Foto: courtesy of the artist en galerie Juliètte Jongma.

Prikkeling voor de zintuigen

Miriam van Ommeren
Felix Burger, SHELL SHOCK SYNDROME, 2014. Foto: Lost Painters

Is RijksakademieOPEN dé barometer voor de nieuwste ontwikkelingen in de (voornamelijk Nederlandse) kunst? Het valt niet te ontkennen dat het jaarlijkse open studio-weekend van de Rijksakademie van beeldende kunst iets is waar veel mensen naar uitkijken. Het is zelfs zo’n happening dat er in de hoofdstad een heel weekend omheen is gebouwd: Amsterdam Art Weekend gaat vandaag z’n derde editie in, met ruim veertig deelnemende galeries, musea en andere culturele instituten. Festivalstress voor de kunstliefhebber dus, maar dan zonder blokkenschema.

Maar terug naar de Sarphatistraat. Naar schatting zullen komend weekend, als de studio’s worden opengesteld voor het grote publiek, zo’n 7000 (!) mensen door de poort lopen. Woensdag werd deze alvast geopend voor leden van de pers, die als eerste mochten kijken naar het werk van de vijftig residents. Velen van deze kunstenaars liepen er zelf ook rond. Hier en daar moesten ook nog dingen opgehangen worden, of er werd nog snel even een vloer in de lak gezet. Ik voelde me die gast die veel te vroeg op een feestje komt.

Het gevoel dat men er nog niet helemaal klaar voor was wordt ook door sommige presentaties opgeroepen: een deel van de kunstenaars lijkt halverwege een ‘schets-fase’ te zijn blijven steken. Die presentaties beklijven niet of lijken het knutselniveau niet te ontstijgen: ik zag meer pur-schuim en tape dan me lief is.

Een verblijf aan de Rijksacademie is voor veel kunstenaars een moment om een nieuwe fase in hun werk in te gaan; dit gaat gepaard met veel experiment, met zeer opvallende, extraverte resultaten tot gevolg. Het Grote Gebaar ontbreekt ook dit jaar niet, vaak in de vorm van groots opgezette installaties die de grootste presentatieruimtes in beslag namen. Opvallend genoeg ruikt het in veel van die ruimtes ook sterk; in sommige gevallen ging ik me afvragen of er bewust een extra zintuig aangesproken werd door de kunstenaar. Grootse presentaties die hun doel niet missen zijn o.a. Fraser Stewarts spannende en dramatische installatie Behind the wheel, Janis Rafa’s video-installatie-met-aarde (diep inademen!), en de presentatie van Felix Burger, die onder de titel Shell shock syndrome het verduisterde laboratorium van een mad scientist lijkt te openbaren. De hoofdrol wordt hierin opgeëist door de mechanische poppen die de openingshymne van de Matthaüs Passion zingen, temidden van kluwen elektriciteitsdraden, projectoren en tekeningen. Fascinerend en verontrustend.

De presentatie van Katja Novitskova lijkt op het eerste gezicht van een heel andere aard, maar ook hier bekruipt je een onaangenaam gevoel. Novitskova heeft de lichte hoekruimte gevuld met banale babyzitjes, die ze gehackt en getransformeerd heeft tot onbruikbare maar zeer opmerkelijke sculpturen. Alles ratelt, schommelt en bouncet, en ondertussen kruipt er in snel tempo een mechanische rups rond je voeten. Ook bijzonder is de presentatie van Catherine Biocca: alsof lawaaierige ‘internetkunst’ zo van het scherm is getrokken en in de ruimte is geplaatst, zonder impact te verliezen. De vloer, waar overduidelijk veel handwerk in zat, geeft het geheel een hallucinant randje.

Ingetogenere werken die in de smaak vallen zijn o.a. van Shigeo Arikawa, Wouter Venema en Naïmé Perette, wiens video-installatie Plan d’Ensemble een mooie compositie had. In de manege toont Ehsan Ul Haq een installatie met een dier in de hoofdrol, die nieuwsgierig maakt naar meer.

Van residents die hun laatste jaar aan de Rijksakademie afsluiten is het interessant om te zien of hun presentatie aansluit bij die van vorig jaar, of juist helemaal niet. Zo herinner ik me nog goed de keramieken bekertjes die Masha Ru tijdens RijksakademieOPEN 2013 aan haar bezoekers aanbod om te eten; dit jaar is zij deze aan een chemische analyse gaan onderwerpen, om te kijken hoe gezond het eten ervan nu werkelijk is. Joost Krijnens trefzekere lijnenwerk was een persoonlijke favoriet van 2013: dit jaar lijken de tekeningen vrijer van vorm geworden, en zijn ze in een grote installatie gegoten.

Een middag langs de presentaties kan een enerverende onderneming zijn: nog natrillend van een luidruchtige installatie loop je een deur verder een serene ruimte met slechts een paar doeken binnen. De variatie in de werken, en in de residents, is en blijft één van de sterkste troeven van de Rijksakademie. Het vinden van één lijn of overkoepelend thema is dan ook onbegonnen werk, en elk zintuig komt aan zijn trekken. Bij de receptie ligt tot slot het werk van Magali Reus: haar presentatieruimte op de tweede verdieping blijft gesloten, maar hier ligt een zakje met parfummonsters, om mee naar huis te nemen. In 2014 doet zelfs de neus mee.

Katja Novitska, 2014. Foto: Lost Painters
Shigeo Arikawa, 2014.
Ehsan Ul Haq, 2014. Foto: Lost Painters
Magali Reus, 2014. Foto: Lost Painters

Verlangen naar openheid

Laure van den Hout
Noam Toran, DESIRE MANAGEMENT (2005), foto van de kunstenaar

‘We leven meestal in gesloten ruimtes. Deze vormen het milieu waaruit onze cultuur ontspruit,’ zo luidt de openingszin van Paul Scheerbarts Glasarchitektur uit 1914. Daarop voortbordurend zet hij in enkele zinnen zijn filosofie uiteen: willen we onze cultuur veranderen, dan zijn we genoodzaakt onze architectuur aan te passen. Door de buitenwereld toe te laten in onze binnenwereld – simpelweg door grotere vensters te maken – geven we ruimte aan de ontwikkeling van een nieuwe, visionaire cultuur.

Honderd jaar nadat Scheerbarts gedachtegoed van de persen rolde brengt A Glass Darkly de visie van hedendaagse kunstenaars op transparantie en openheid in de huidige samenleving voor het voetlicht. Volledige transparantie brengt een moreel dilemma met zich mee. Want, moet hetgeen dat blootgegeven kán worden ook daadwerkelijk worden blootgegeven? Het is deze (on)mogelijkheid van transparantie die in alle werken van A Glass Darkly een rol speelt.

“A public space, a secret pocket world,” is het eerste wat je hoort van Metahavens Black Transparency Videogram (2013). De bezoeker valt midden in een visueel bombardement dat beelden laat zien van rellen, rookbommen, woestijnruiters, lava en yuppen met flitsende gadgets. Centraal in het werk van studio Metahaven staat hoe informatie mondiaal georganiseerd wordt en de paradoxale rol die transparantie daarin speelt. De onheilsprofeet komt in de vorm van een voice-over: “Paranoia’s answer is always: more”. Schepping brengt tegelijkertijd vernietiging. Tekenend is het fragment waarin de voice-over spreekt van “a new beginning” wanneer stromen lava het aardoppervlak bedekken. De lava verwoest in het heden, maar maakt de toekomst vruchtbaar.

Een tentoonstelling koppelen aan een filosofische ideologie van honderd jaar geleden kan ertoe leiden dat de bezoeker het idee heeft rond te lopen in iets dat beter een essay had kunnen zijn. Dat dit bij A Glass Darkly niet het geval is komt in de eerste plaats door de kwaliteit van de afzonderlijke werken. Maar wat zeker niet onderschat mag worden is de zorgvuldigheid waarmee de tentoonstelling gedoseerd is. De keuze voor een beperkt aantal werken, waarbij elk werk een ander facet van transparantie belicht, geeft haar diepte en breedte. De tentoonstelling is tot in detail goed gearticuleerd en met zorg opgesteld.

De riante glazen pui die de gehele breedte van de tentoonstellingsruimte beslaat geeft de kijker het gevoel zelf onderdeel uit te maken van een experiment over transparantie. Op een drukke zaterdagmiddag wordt de bezoeker gadegeslagen door passanten vanaf de andere kant van het glas. De buitenwereld dringt zich op aan de binnenwereld: de kijker wordt bekeken.

Dit voyeurisme komt terug in Noam Torans Desire Management (2005). In vijf fragmenten toont het mensen wier eigen(aardig)heid alleen achter gesloten deuren tot uiting kan komen. De spanning tussen eigenheid en conformiteit wordt pijnlijk duidelijk doordat elk van de fragmenten begint met een ogenschijnlijk normale situatie. Zo stapt een man op leeftijd zijn huis binnen met een zojuist aangeschafte stofzuiger. Wat daarop volgt is even ontluisterend als bizar: dezelfde man staat ontkleed voor een installatie die hem van top tot teen stofzuigt.

Waar in Torans werk het persoonlijke de boventoon voert is het werk van Iman Issa, Imogen Stidworthy en Vermeir en Heiremans meer hermetisch. Elk op een eigen manier onttrekken ze iets aan het zicht. Zo wordt in Issa’s Image of a Center (2005) de natuur getoond en de cultuur verwoord. Deze geverbaliseerde werkelijkheid staat haaks op de beelden van wolken, ijs, bergen, meren, zee en erosie. De natuur geeft volledige openheid van zaken en toont een manier van maken die niet strookt met onze hang naar cultiveren.

Dit verschil tussen natuur en cultuur laat zich transponeren naar de wetenschap dat ideologie (zelfs die van Scheerbart) nimmer transparant is. Dat wat we ten diepste verlangen floreert bij een kleine maskerade. Want ontstaat het zuivere en echte (let wel, niet per se goede) niet juist bij de gratie van de mogelijkheid het te bedekken en te verbergen? Niet om het te onttrekken aan de buitenwereld, maar om te regisseren in welke mate je deze buitenwereld kennis laat maken met de binnenwereld. De werken in A Glass Darkly belichten elk een ander aspect van transparantie, maar hebben met elkaar gemeen dat de mogelijkheid van transparantie hand in hand gaat met bedekken en verhullen, met geheime plekken en achterkamertjes.

Play:display (2014) van Natascha Sadr Haghighian en Rashad Becker is moeilijk vindbaar en in dit kader tamelijk symbolisch. Het werk is een – transparante! – 7” vinyl plaat met daarop een soundscape, samengesteld uit opnames gemaakt in twee Berlijnse gebouwen. Het audiowerk zelf is niet in de tentoonstelling te beluisteren. De bezoeker zonder platenspeler is in het bezit van een belofte, een mogelijkheid. Er is een inhoud die te kennen valt, alleen niet binnen het hier en nu van zijn eigen huiskamer. Wanneer de nieuwsgierigheid het wint van de liefde voor symboliek zal hij, in de geest van Scheerbart, een venster moeten openen en de buitenwereld moeten betreden, op zoek naar een platenspeler.

Iman Issa, IMAGES OF A CENTER (2005), foto: Gerrit Scheurs, met dank aan Stroom
Dries Verhoeven, HOMO DESPERATUS (2014), foto: Willem Popelier

Een zomer lang lopen er circa zeventigduizend mieren op de eerste etage van het Stedelijk Museum ‘s-Hertogenbosch. Het zijn niet de eerste mieren die een museum ‘gewenst’ betreden, en het zullen vermoedelijk ook niet de laatste zijn. Kunstenaars lieten ze eerder eenzaam doch georganiseerd uit muren kruipen (Pierre Huyghe in Museum Ludwig, Keulen, 2014), of in een voltallige kolonie hun weg banen door nationale vlaggen van zand (Yukinori Yanagi, 1989).

In Homo Desperatus (2014) laat Dries Verhoeven 44 mierenkolonies los in evenveel met maquettes gevulde vitrines. Het zijn schaalmodellen van brandhaarden en ongemakkelijke, zelfs onmenselijke plekken uit de 21ste eeuw. Achter een maquette van de kernreactor in Fukushima tref je onder andere het parlementsgebouw in Kiev, een drugskliniek in Duitsland en een ingestorte kledingfabriek in Bangladesh. De geschiedenis van sommige plekken staat je nog vers in het geheugen, andere roepen vergeten verstomming op, of zeggen je simpelweg – schandalig – niets.

De mierenkolonies belichamen de lijdende mensheid die zich begeeft in een ambivalente wereld, een wereld die nog nimmer zo succesvol was en waarin alles mogelijk lijkt, maar tevens een wereld die constant afziet. Een bewustzijn dat via de media non-stop gevoed wordt en, al dan niet gewenst, tot in de huiskamer doordringt. Verhoeven laat 44 plekken symbool staan voor deze verschrikkingen. In schaars verlichte vitrines, opgesteld als couveuses in een ziekenhuis, kun je als bezoeker de ‘mensheid’ belichaamt door deze mieren van een afstand beschouwen. Op het eerste gezicht lijkt het individu in Verhoevens setting niet meer dan een ‘willekeurige’ pion, zoals de mieren zich ogenschijnlijk als identiteitsloze wezens langs elkaar voortbewegen. Maar stuk voor stuk maken ze deel uit van een groot, geolied systeem.

Mieren hebben de naam ‘alles’ te overleven en weten na een ramp meteen hoe ze zich moeten aanpassen. Het collectief heeft in dergelijke situaties voorrang boven het lot van de individuele mier. De expositie vraagt naar dit ‘grote’ te kijken. Door de rampplekken geen menselijk gezicht te geven, bekijk je het juk van de mensheid met afstand. Het confronteert je met de vraag wat de mens kan leren van de mier. Hoe nietig is de mens als individu? En hoe nuttig is de mens als onderdeel van een groter geheel? 

Scenograaf Verhoeven weet een indrukwekkende, beeldende setting te creëren. Toch zijn het de projecties achter de vitrines die je direct aanspreken en je afstandelijke, analytische en observerende blik voor een moment doen vergeten. Camerabeelden vanuit de miniatuurwerelden geven je een blik op een dynamisch straatbeeld uit Bagdad of een immens stadion in Brazilië, alle bevolkt door schichtig voortvarende mieren. De levensgrote beelden, waar je gevoelsmatig meer ‘tussen’ staat dan op neerkijkt, doen je de levensechtheid van de taferelen pas echt realiseren. Wat bij vertrek vooral raakt is het willekeurige getal 44, bevolkt door 70.000 mieren. Het doet je beseffen wat voor een nietswaardig getal het is, en hoe ontoereikend getallen in het algemeen zijn wanneer je spreekt over mondiale rampen. Het bewustzijn dat er nog eindeloos veel maquettes bijgeschoven kunnen worden laat je nietig vertrekken. Een confrontatie met zachte handschoen.

Dries Verhoeven, HOMO DESPERATUS (2014), foto: Willem Popelier

Oriënt Express

Kitty van Leeuwen
Matthias König

De dertien kunstenaars van het AKI uit Enschede waren op een avond aan het brainstormen over hoe ze het beste hun Achterhoekse roots naar W139 in Amsterdam konden brengen. ,Ik heb het’, zei één van hen, we laten een koe grazen in de tentoonstellingsruimte, dan zullen de arrogante stedelingen zeker hun wenkbrauwen optrekken.’ De koe kwam er niet, maar het bijbehorende grasveld wel. Bij het binnentreden van de tentoonstelling AKI Goes Amsterdam; From Borders Of Perception To Destination Unknown komt de geur van het oosten des Nederlands je al tegemoet. De grasmat die de lange hal van W139 bekleedt, wordt dagelijks netjes bijgehouden door Jan Bilitewski, een van de deelnemende kunstenaars die zijn intrek heeft genomen in de tentoonstelling. “Ik ben nu twee dagen weg geweest en ik merk dat ze het gras niet goed hebben bijgehouden”, vertelt hij teleurgesteld terwijl hij met een provisorische watersproeier op zijn rug het bruin geworden gras met kwetsbare precisie nat spuit.

“East is east and west is west and never the twain shall meet” zei Rudyard Kipling. Een stelling die in ons geglobaliseerde en gedigitaliseerde media tijdperk niet minder waar kan zijn, desalniettemin lijkt deze stelling toch aftrek te nemen in de nieuwste tentoonstelling van W139. Aan de jonge schilder van Iraanse afkomst Sam Samiee —alumnus van AKI en momenteel verbonden aan de Rijksacademie— de eer om de kunstruimte in de Amsterdamse rosse buurt om te toveren tot een AKI kunstenaarskamer. De invloed van deze kunstenaars is ongehoord maar daarom niet minder belangrijk, blijkt uit zijn inleidende tekst op de website: ‘AKI matters. Artist-run spaces matter. W139 is in the Red light district, right next to the Condomerie. AKI is in Enschede. Enschede is in the east of the Netherlands, not very well known in the west. Well known W139 started to give shape to the ambition of exploring the Unknown.’

De wereld volgens W139 is duizenden kilometers gekrompen, Enschede is onbekend terrein geworden, het zwarte gat in het dagelijkse leven van Randstedelingen. Dit op het eerste gezicht absurde idee geeft een prikkelende visie op de realiteit, want misschien is het wel zo dat de eens zo grote wereld inmiddels zo klein is geworden dat we geen oog meer hebben voor wat zich op dichter gelegen afstand afspeelt. Ergens tussen het Oriëntalisme van Delacroix en de enorme populariteit rondom Chinese kunst van de afgelopen jaren zijn we onze eigen uit de klei getrokken kunstenaars uit het zicht verloren.

Drie werken van zo’n Nedersaksische kunstenaar, Matthias König, vullen de tentoonstellingsruimte met verschillende geluiden. Zijn sculpturen bestaan uit houten plankjes versierd met allerlei willekeurige attributen die door een mechanisme in beweging worden gezet, waardoor een bepaald geluid ontstaat. Zijn werken lijken zeer fragiel opgebouwd. Op een houten tafeltje dat bij elkaar gehouden wordt door middel van tiewraps staat een toren van Delfts blauwe vazen met daarop een box gemonteerd. Uit de box steekt een dertigtal kleine houten stokjes waaraan drie espresso-potjes door middel van ducttape zijn vastgeplakt. Het werk ziet er lang niet zo bizar uit als deze beschrijving klinkt, het is met een bepaalde precisie in elkaar gezet waardoor de installatie een sierlijk geheel vormt. De trilling uit de box werkt via de houten stokjes door op de espresso-potjes, waardoor om de paar minuten een zacht tromgeroffel klinkt. Doordat het in verbinding is met zijn andere geluidsinstallaties, weerklinkt er een wisselwerking van geluiden in de ruimte. In samenspraak met de overige installaties, de grasgeur en de schilderijen, waant de bezoeker zich in een afgesloten Achterhoekse kunstwereld.

In die verkleinde kunstwereld grijpen vele schilders ironisch genoeg terug op klassieke schilders. Zo creëerde Bilitewski een nieuwe variant van Fra Angelico’s Annunciatie. Hij ondernam een zoektocht naar een nieuwe interpretatie van een gegeven kunstwerk, zoals Johnny Cash andermans liederen naar zijn eigen stijl wist te brengen. Alhoewel andere kunstenaars zich misschien minder direct door voorgangers lieten inspireren, zijn invloeden van voorgaande beeldende kunstenaars te herkennen, variërend van het abstract expressionisme in het werk van Sam Samiee, Albrecht Dürer in de etsen van Caroline Krajenbrink, tot William Turner in een van de schilderijen van Dewi Hoppe.

Of deze kunst veel verschilt van wat alumni van kunstacademies uit de Randstad voortbrengen valt moeilijk te zeggen, waarschijnlijk niet. Maar we hadden het misschien nooit geweten als de kersverse kunstenaars geen podium hadden gekregen in W139. Waar het gras snel opgeruimd zal worden en de artiesten zullen terugkeren naar huis, heeft Amsterdam heel even kennis mogen maken met het Onbekende oosten.

Bas van der Linde
Tentoonstellingsoverzicht AKI goes Amsterdam, W139, 2014

Beladen ruimte

Roosmarijn Hompe
Esther Stocker, TRIANGLE VERSUS RECTANGLE (2014). Foto: Thomas Lenden

Het fort bij Vijfhuizen maakt onderdeel uit van de Stelling van Amsterdam, een 135 kilometer lange verdedigingslinie rondom de hoofdstad daterend uit het einde van de negentiende eeuw. De linie behield tot 1963 zijn militaire status, maar werd nooit actief gebruikt. Door modernisering van de oorlogsvoering was de verdedigingslinie bij oplevering al een monument. Veel van de in totaal 42 forten hebben nu een culturele of recreatieve bestemming gekregen. Het zijn plaatsen die herinneren aan een strijd die hier nooit gevoerd is.

Sinds 2005 organiseert het gerestaureerde Kunstfort bij Vijfhuizen jaarlijks enkele tentoonstellingen in de grotachtige ruimtes van het voormalige verdedigingswerk. Voor het Kunstfort stelde gastcurator Nathalie Zonnenberg de tentoonstelling Size Matters samen. De titel van de tentoonstelling is ontleend aan een artikel dat Robert Morris (een van de voormannen en theoretici van het minimalisme) nog in 2000 publiceerde, waarin hij het belang van schaal in Minimal Art benadrukt. Uitgangspunt van de tentoonstelling is de erfenis van deze kunststroming die is terug te zien in het werk van hedendaagse kunstenaars. Zonnenberg selecteerde werk van Eva Berendes, Lucas Lenglet, Navid Nuur, Esther Stocker en Remco Torenbosch. De meeste werken zijn bestaande projecten die voor deze tentoonstelling zijn aangepast. Zo werd de plaatsing van de geometrische elementen van Esther Stockers Triangle versus Rectangle (2014) in de Poterne (entree) bepaald aan de hand van een 3D-computertekening.

Volgens de inleidende tekst bij de tentoonstelling speelt de ‘Gestalt’ (de fysieke relatie tussen lichaam en kunstwerk) in het werk van de jongere generatie kunstenaars een cruciale rol. Daarbij heeft ook de monumentale en karakteristieke omgeving van het fort een groot effect op hoe de bezoeker de getoonde kunst ervaart. Bovendien sluiten de conceptuele werken in de tentoonstelling aan bij de geschiedenis en uitstraling van deze plek. Zo demonstreert de kanarie in de felgele gestapelde kooien van Lucas Lenglets A Canary in a Coalmine (2008) het belang van ruimte, daglicht en zuurstof, maar verwijst ook naar het dreigende gevoel van opsluiting en zuurstofgebrek dat je in de nauwe ruimtes van het fort kan bekruipen. Navid Nuur compenseert het gebrek aan zonlicht door in elk van de ruimtes van het fort een muur te beschilderen met latex waarin vitamine D is opgelost. Van Nuur zijn in totaal vier werken te zien. De glimmende reddingsdekens van aluminumfolie, die over de lengte van de smalle gang hangen, ruisen zachtjes als je er langs loopt. Nuurs werk vormt letterlijk en figuurlijk een verbinding tussen de verschillende werken in de tentoonstelling.

Waar de meeste werken de bezoeker uitnodigen om zich lichamelijk tot het werk en de ruimte te verhouden, is het abstracte werk van Remco Torenbosch minder toegankelijk. De betekenis van zijn Miners (2014) bevindt zich deels in een andere, virtuele ruimte. De drie zwarte boxen die aan de muren zijn bevestigd blijken computers te zijn waarmee bitcoins kunnen worden ‘gedolven’. Torenbosch heeft het geheugen van de machines deels overschreven met sociaaleconomische informatie over de mijnbouw. Zo wordt een link gelegd tussen de zware, industriële mijnbouw zoals we die van vroeger kennen, en het geruisloze, efficiënte werk van de hedendaagse supercomputers. De Miners verwijzen naar een digitale wereld, een sciencefictioneconomie die vanuit het Kunstfort bezien net zo ver weg is als oorlog en belegering.

 

Lucas Lenglet, CANARY IN A COALMINE (2008). Foto: Luuk Kramer

The Occidental Accident

Marjolein van de Ven
Maarten Boekweit, TRASHCAN DANCE (2014)

Tijdens het betreden van de de ‘één-avond-tentoonstelling’ The Occidental Accident in Nest word ik overweldigd door een kakofonie van geluid. Het blijkt afkomstig van ongeveer veertig videowerken en enkele ruimtelijke objecten en foto’s die de 400m2 van de Haagse tentoonstellingsruimte vullen. De presentatie, georganiseerd door kunstplatform The Naked, toont een selectie van werken die eerder dit jaar in de Bank Al Maghrib in Marrakech werden gepresenteerd als onderdeel van de Marrakech biënnale.

The Naked werd ongeveer twee jaar geleden geïnitieerd door vijf Haagse culturele ondernemers. Johan Gustavsson van 1646, Rob Knijn van Heden, Marius Lut van Billytown, Eelco van der Lingen van Nest en Hachim Khalidi van het toenmalige TAG, besloten samen iets groters op te zetten dan ze ieder met hun eigen initiatief kunnen bereiken. Na een reeks diepgaande gesprekken – door de open insteek ook wel ‘naked sessions’ genoemd – nam het plan vorm aan: een tweejaarlijkse Haagse manifestatie voor het tonen van internationale hedendaagse kunst. Anders dan bij een biënnale, die dikwijls de persoonlijke visie en methodiek van een vooraanstaande curator als vertrekpunt heeft en schermt met gevestigde namen uit de internationale kunstscène, wil The Naked juist een ‘neutraal’ overzicht geven van wereldwijde, lokale en alternatieve bewegingen en initiatieven. Door wisselende presentaties en veel activiteiten willen ze een toegankelijke, energieke en laagdrempelige sfeer creëren.

Als basis voor een internationaal netwerk en om inzichtelijk te maken welke onderwerpen en ontwikkelingen voor lokale initiatieven wereldwijd actueel zijn, startten ze een blog waarop curatoren en kunstenaars van over de hele wereld zich kunnen profileren en zowel tekstueel als visueel op elkaars bijdragen kunnen reageren. De blog, zonder noemenswaardige redactie, is de afgelopen twee jaar gestaag gegroeid; momenteel zijn 44 initiatieven uit 29 landen aangesloten.

De avond in Nest is de eerste fysieke presentatie van The Naked binnen Nederland. Om een statement te maken is het geluidsniveau van de videowerken overdreven hard en is de hoeveelheid werken overvloedig. De onderwerpen van de werken zijn uiteenlopend, maar meerdere werken haken in op vraagstukken over herkomst en culturele verschillen. In zijn video Trashcan Dance (2014) gaat kunstenaar Maarten Boekweit de straten van Chicago op om Afro-Amerikaanse inwoners zijn zelfbedachte choreografie te leren. Met deze eenvoudige maar bedachtzame sociale interactie speelt Boekweit op ludieke wijze stereotype denkbeelden met betrekking tot etniciteit uit. Nuria Güells Humanitarian Aid (2008-2013) toont hoe de Spaanse kunstenares in Cuba een wedstrijd uitschrijft, waarin zij de schrijver van de best geschreven liefdesbrief ‘beloont’ met een huwelijk met haar en zodoende de mogelijkheid biedt naar Spanje te emigreren. In haar poging de schrijnende geopolitieke positie van Cuba te belichten overschrijdt Güell wellicht de ethische grenzen.

Voor Like a King in Marrakech (2014) liet Edd Schouten zich in Marrakech door verschillende lokale fotografen portretteren. Dit mondde uit in een scala van vervreemdende foto’s, digitaal bewerkt en met surrealistische, clichématig geënsceneerde achtergronden. Een mooie toevoeging is het gesprek tussen Van der Lingen en Khalidi (vanuit zijn positie als curator van de Marrakech-biënnale) dat eveneens deze avond plaatsvindt. Tijdens de open en eerlijke dialoog wordt tastbaar hoe moeilijk het is ons eigen (westerse) perspectief opzij te zetten bij het kijken naar kunst, welke is ontstaan in een voor ons onbekende context.

De avond in Nest is inspirerend, maar toont eveneens dat The Naked momenteel een work in progress is. Ten eerste geven de geselecteerde initiatieven nu nog geen mondiaal overzicht; het overgrote deel is afkomstig uit Europese landen. Het is daarom belangrijk om de selectiecriteria kritisch te bekijken. Tegelijkertijd kan worden afgevraagd in hoeverre het ‘kunstenaarsinitiatief’ een bestaand fenomeen is in niet-westerse landen. Geven de initiatieven een neutraal en lokaal overzicht van de wereldwijde gang van zaken, wetende dat ze door een kleine groep westerse individuen bij elkaar zijn gezocht, onoverkomelijk uitgaande van westerse kunstprincipes? Ten tweede kan de blog levendiger, en mag deze af en toe meer zelfbeschouwend en kritisch zijn. Goede redactie en reflectie door specialisten kan hier een uitkomst bieden. Tenslotte bestaat het publiek voor The Occidental Accident voornamelijk uit het bekende, vertrouwde Nest-publiek en maakt de keuze voor deze locatie de kans een nieuw publiek aan te boren niet veel groter.

In deze ontwikkelingsfase moet nog veel worden onderzocht, gelobbyd en georganiseerd voor Den Haag zich daadwerkelijk rijk mag rekenen met een ‘The Naked Festival’. De organisatie is zich hiervan bewust, maar beschikt momenteel eenvoudigweg niet over genoeg mankracht en middelen. Hopelijk verandert dat als binnenkort, samen met de gemeente Den Haag, de mogelijkheid voor een substantiële subsidie wordt verkend. Ik ben benieuwd hoe ze een groot publiek gaan aanspreken zonder te vervallen in spektakel, en hoe objectief de besluiten van de curators uiteindelijk kunnen zijn. Echter, het initiatief is verfrissend, vooral door de onbevangen en open manier waarop de organisatie het eigen perspectief probeert te verbreden zonder het als hogere wiskunde te bestempelen. Het is deze nuchtere en toegankelijke mentaliteit die maakt dat hun naakte missie interessant is om te volgen.

Edd Schouten, LIKE A KING IN MARRAKECH (2014)
Tentoonstellingsoverzicht The Occidental Accident, NEST, 2014

Een filmische LSD-trip

Britte Sloothaak
Jos de Gruyter & Harald Thys, DE BLOEMENFONTEIN VAN WORPSWEDE (2014) Video, kleur, geluid, 23 min. Courtesy: de kunstenaars en de galeries Isabella Bortolozzi, Berlijn, Micheline Szwajcer, Brussel, en 1646, Den Haag

Voor de kunstruimte 1646 in Den Haag is deze zomer een nieuwe film geproduceerd door Jos de Gruyter & Harald Thys. Het Vlaamse kunstenaarsduo werkt sinds de jaren 80 aan een wonderlijk en idioot oeuvre van films, tekeningen, installaties, performances en fotografie waarbinnen dit recente werk niet misstaat. Tijdens de openingsscène verschijnt de titel van het werk, De Bloemenfontein van Worpswede (2014), dat een verwijzing is naar een schilderachtig plaatsje vlakbij Bremen dat in de 19e eeuw een belangrijke thuishaven was voor expressionisten en impressionisten. Gedurende de daaropvolgende 23 minuten is een duidelijke relatie tussen de film en titel ver te zoeken, wat frustrerend zou zijn wanneer je niet zou weten dat de Gruyter & Thys juist een wereld scheppen met overlappende realiteiten en bizarre samenstellingen doordrongen met zwarte humor.

De film begint met een close-up van een uit hout gesneden kop. Dan ineens zijn de gesloten ogen geopend. Middels een animatietechniek is de houten kop veranderd in één van de vier personages uit de film: twee mannen in knullige blauwe overhemden en bermudabroeken, een vrouw met een krentenbaard en een dame met een wandelstok en opeengeklemde kaken in lange jas met capuchon. Het verhaal, voor zoverre het een verhaal te noemen is, voltrekt zich aan de hand van een zware computerstem die vertelt over een kip genaamd Jaap die eigenlijk een aap is met een computer waarmee je ook gras kunt maaien. De dwaze zinnen staan volledig los van de statische taferelen die in afwisselende samenstelling te zien zijn op het projectiescherm: ‘Jaap wist niet dat hij een blinde darmontsteking had dus veranderde hij zijn naam in Appel.’ De overdracht van de Nederlandse tekst, uitgesproken door een met computer verdraaide stem, voorzien van Engelse ondertiteling, verraden een interesse van de kunstenaars in vertaling en metamorfose.

Een terugkerend thema in het videowerk van de Gruyter & Thys zijn de figuratieve sculpturen, gemaakt van klei (Der Schlamm von Branst, 2008), poppen (Les énigmes de Saarlouis, 2012) of in dit geval figuratieve sculpturen van hout. In hun films nemen acteurs de plaats in van de sculpturen en andersom. Dit is een verwijzing naar de beeldende kunst en niet, zoals soms het geval is bij videokunst, een verwijzing naar het medium film of het documentaire genre. Hierin onderscheiden de Gruyter & Thys zich van andere kunstenaars. Ook is hun werk consistent: De verstilde houding van de acteurs en de manier waarop zij voor zich uitstaren met de gezichten in gespannen of juist apathische grimas, voorzien het werk van een snel herkenbaar handschrift. De traagheid van de film, de verstilde beelden, en het absurde verhaal dat verteld wordt door een machinale stem (zoals ook in Das Loch, 2010) zorgen ervoor dat de film voelt als een LSD-trip. Niet per se een onprettige ervaring, maar wel louter voor degenen die zich eraan willen overgeven.

Tot slot: Het is opvallend dat in de tentoonstelling en de online aankondiging nergens de titel vermeld wordt, maar dat de brochure en de website wel aandacht besteden aan een citaat in oud-Nederlands: 

‘Van wat kant dat ik myn leven aenzie, ik vind’et vol zonden. Sy komen my met menigten te voor, en vervult zynde van Schrik, keere ik my tot u, ô mynen Godt! weest tog my rampzalig mensch genadig. Doet my door boedtveerdige werken uwe verzoening verdienen: en laet niet toe, dat ik uwe bedienaers zou pramen, van my de teekenen van uwen vrede en liefde te geven, voor dat ik zal hebben getragt uwen toorn te verzoenen, en door de werken, die sy my zullen voorschryven, aen uwe regtveerdigheyt eenigsins zal hebben voldaen – Gendt 1727.’ 

De tekst is een vertaling van de Franse de priester en theoloog Charles Gobinet waarin God wordt aangesproken om vergiffenis van de menselijke zonden. Dit moet een artistieke overweging zijn geweest van de kunstenaars, maar de reden waarom ze de tekst gebruiken, blijft onduidelijk. Het is in ieder geval exemplarisch voor de uiteenlopende inspiratiebronnen voor de Gruyter & Thys en de losse manier waarop zij refereren aan onze culturele geschiedenis.

Jos de Gruyter & Harald Thys, DE BLOEMENFONTEIN VAN WORPSWEDE (2014) Video, kleur, geluid, 23 min. Courtesy: de kunstenaars en de galeries Isabella Bortolozzi, Berlijn, en Micheline Szwajcer, Brussel
Jos de Gruyter & Harald Thys, DE BLOEMENFONTEIN VAN WORPSWEDE (2014) Video, kleur, geluid, 23 min. Courtesy: de kunstenaars en de galeries Isabella Bortolozzi, Berlijn, Micheline Szwajcer, Brussel, en 1646, Den Haag