Marjet Zwaans, COLOR SPACE (2014). Courtesy of the artist.

Vriendelijk word ik op een doordeweekse avond in Amsterdam ontvangen door Marjet Zwaans. Momenteel heeft ze haar atelier aan huis. Ons gesprek begint aan de keukentafel en al vrij snel eten we opgewarmde, zelfgemaakte quiche. Gedurende ons gesprek loopt ze af en aan om nieuw werk te halen, aan het eind van de avond hangt een van haar foto’s Paper Light Frames (2013) aan de muur. Het werk is een wit vlak met daarin een aantal uitsparingen waar licht doorheen valt. “Mensen dachten dat het echt was, een oppervlakte met gaten”, ze laat de foto die al een tijdje opgeborgen was voor nu aan de muur hangen.

Zwaans studeerde in 2013 af aan de afdeling Fine Arts van Academie Minerva in Groningen. Momenteel is ze bezig met de masteropleiding Cultural Economics and Entrepreneurship aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam. Voor Zwaans, die ook een economische achtergrond heeft, is dit een natuurlijk vervolg. “Als kunstenaar creëer je, ben je op zoek naar mogelijkheden en dat is vergelijkbaar hoe een ondernemer naar de wereld kijkt.”

Na haar afstuderen ging Zwaans een half jaar naar Santiago, Chili. Daar maakt ze de tentoonstelling Cubo – No Tan Blanco (De kubus die niet zo wit is). Het is een presentatie die het wit van de white cube onderzoekt. Cubo – No Tan Blanco richt zich op de subjectiviteit van wit. Wit in een ruimte heeft vele kleuren en gradiënten door de lichtinval. Driedimensionale ruimte worden vlakken, lijnen en kleuren. Door kleurenwaaiers ernaast te leggen onderzoekt Zwaans de eigenlijke ruimte en de kleur die deze heeft. Ze onderzoekt het ogenschijnlijke egale wit.

Deze nauwkeurige analyse ligt ten grondslag aan al haar werk, wat vaak foto’s zijn. “Ik gebruik fotografie. Ik gebruik het om iets te laten zien. Ik wil laten zien hoe je kunt kijken en hoe het je verandert. Hoe leuk het is om goed te kijken.” “Toen ik voor het eerst de gebogen horizon [Big Comet 6°-72°, Sky-Land-Sky uit 1973, red] van Jan Dibbets zag was ik verbaasd. Dat wil ik ook laten zien, dacht ik.” Haar analyses zijn schatplichtig aan het werk van Dibbets, maar ook met een speelse eigenzinnigheid.

Een voorbeeld hiervan is Inconsistent Frame Possibility II; met tape kadert ze een foto van een papieren trapje. “Ik wilde het juist als foto laten zien: waar je naar kijkt bestaat niet meer. Als kijker wil ik je sturen, zelf heb ik eromheen gelopen. De foto is het beste perspectief om te kijken.” Haar werk bestaat niet alleen uit foto’s. Een voorbeeld hiervan is het werk Dimensions Variable (2014), een meetlijn van dertien centimeter geprint op een ballon. De afstanden op de lege ballon komen overeen met de numerieke standaard. De inhoud van de ballon is causaal verbonden met de definitie van die afstanden. Zwaans onderzoekt de flexibiliteit van ruimte, hoe ruimte beweegt en waar ruimte ophoudt.

Voor deze Vrijplaats maakte Zwaans een ruimte van het blad. Het vertrekpunt is het papier waar Tubelight op wordt gedrukt. Daar maakt ze een maquette van die ze vervolgens fotografeert. “Ruimte is lijnen en vlakken. Vooral lijnen. Maar toch ook vlakken als ik hier naar kijk.” Per vlak kiest ze voor een gemiddelde kleur. Het resultaat is dat de vlakken die allen van hetzelfde witte papier zijn gemaakt, veranderen van vorm en kleur. “Je voelt dat het klopt, maar je gelooft het niet helemaal. Dat is anders dan een zelfbedachte compositie getekend op papier. Het is belangrijk dat het komt uit een werkelijke situatie, hoe de papieren ten op zichten van elkaar zijn geplaatst in plaats van de vlakken te construeren. Je voelt dat het een foto is van een bestaande installatie.”

Marjet Zwaans, COLOR SPACE (2014). Courtesy of the artist.
Marjet Zwaans, COLOR SPACE (2014). Courtesy of the artist.

Binge-watching The Common Sense

Andreea Braazu, Marlies Noijens
Melanie Gilligan, THE COMMON SENSE (2013), film still

Alleen al logistiek gezien is het bekijken van de filmcyclus The Common Sense van de Canadese kunstenares Melanie Gilligan een hele klus. Het werk is gemaakt in opdracht van drie instellingen, Casco in Utrecht, De Hallen in Haarlem en de Appel in Amsterdam, en is verdeeld over drie tentoonstellingen bij deze instellingen die bovendien niet parallel lopen. Slechts op een dag, zaterdag 24 januari, waren alle drie de tentoonstellingen geopend voor het publiek – een dag na de opening in de Appel en voor de sluiting in Casco. Op die dag werd er een bustour georganiseerd en reden we, door de sneeuw, van Amsterdam naar Utrecht en naar Haarlem, en weer terug naar Amsterdam. Met een groep van ongeveer veertig kunstenaars, curatoren, studenten en andere geïnteresseerden bekeken we op deze manier alle afleveringen van de ‘sci-fi’ mini-serie achter elkaar.

Het werk van Gilligan doet in eerste instantie denken aan de roman De Cirkel van Dave Eggers. Ze delen een interesse in technologische dystopie, waarin grote bedrijven steeds meer de macht krijgen over onze (online) identiteit en bewegingsvrijheid. The Common Sense gaat een stapje verder en reflecteert op de kapitalistische uitbuiting van iets dat we graag zien als een laatste ‘eigen’ en intiem domein; menselijke interactie op gebied van gevoel en emoties. De vraag is trouwens hoe science fiction dit nog is in deze tijd.

Zo beschrijven Ewa Hess en Henric Jokeit in hun artikel Neurocapitalism (2009) de manier waarop psychologische studies en drugs worden ingezet om onze ervaringen te optimaliseren en gedrag van werknemers te controleren: “global capitalism now seems to be claming to – and seeking to realise instantly – another myth borrowed from the storeroom of communist dreams: that of a new and better human being.” Gilligans kritische verbeelding van deze ontwikkelingen in de neurowetenschappen komt griezelig dichtbij de realiteit.

De afleveringen duren elk ongeveer zeven minuten en worden afgespeeld op individuele schermen, die met elkaar verbonden zijn door een aluminium frame. Zo wordt de toeschouwer door de ruimte van het ene naar het andere scherm geleid aan de hand van de verhaallijn.

Fase 1 in Casco (Utrecht) verbeeldt een post-individueel tijdperk waarin The Patch, een soort prothese, toestaat dat mensen hun gevoelens direct aan elkaar kunnen overbrengen zonder tussenkomst van interpretatie. Op die wijze ontstaat er een collectieve ervaring. De revolutionaire technologie wordt echter voornamelijk eenzijdig ingezet om arbeidsrelaties te reguleren en controleren, en met een constante stroom van feedback proberen managers de productiviteit en effectiviteit van hun werknemers te beïnvloeden. De personages doen apathisch aan, en kennen geen andere wijze van communiceren meer dan via The Patch. Als de werking van de prothese uitvalt in de laatste aflevering van deze fase, blijft iedereen gedesoriënteerd achter.

De volgende fases 2A (de Hallen) en 2B (de Appel) verbeelden twee mogelijke scenario’s van het vervolg. De eerste onderzoekt de mogelijkheid van verzet in een bottom-up aanpak: studenten gaan protesteren en er wordt geleerd aan kleine kinderen hoe ze The Patch op een andere manier kunnen inzetten. In deze afleveringen maken vrouwen de dienst uit en lijken ze mannen niet meer echt nodig te hebben, ook niet voor emotionele of seksuele binding.

In fase 2B treedt The Patch opnieuw in werking maar vertonen enkele personages een afweerreactie. Neurowetenschappelijk onderzoek toont dat ze een nieuw orgaan ontwikkelen in dit proces. De vrouwelijke onderzoekster is geïnteresseerd in de herkomst van verlangen, en komt er gaandeweg achter dat geld centraal staat. “The act of exchange separates my need from your need”. Haar mannelijke baas blijkt eropuit om de mens, als product, zo ver mogelijk te laten voldoen aan de wensen van de klant. Hoewel deze verschillende fases enerzijds een speculatieve en anderzijds een dystopische benadering lijken te verbeelden, blijkt er uiteindelijk in beide fases geen uitweg te zijn.

Gilligan beschermt zichzelf voor een té optimistische kijk op technologische ontwikkeling. Het werk is niet zozeer speculatief over mogelijke andere bestaanswijzen buiten een kapitalistisch systeem, maar bevraagt de potentie tot verzet. Uiteindelijk is vooral de kritiek van Gilligan op neurowetenschappen verfrissend, sterk en noodzakelijk.

Voor een beter begrip van The Common Sense is het geschreven werk van Gilligan interessant. Ze beschrijft in haar essay Affect and Exchange (2012) haar eigen werk als “theory that is also fiction and fictions that are also theories”. De keuze voor de vorm van een tv-serie impliceert een oppervlakkig, op amusement gerichte productie. Deze spanning wordt onder andere opgelost door een visueel intermezzo, dat de verhaallijn van de scènes onderbreekt. In fase 2A verbeeldt het symbolisch gebruik van schetsen een terugkeer naar het sociale, en in fase 2B worden datastromen ingezet om abstractie uit te drukken. Zo correspondeert de beeldtaal met een andere levensopvatting in elk scenario. Haar aanpak beweegt zich dus tussen het abstracte en het anekdotische. Precies omdat het werk van Gilligan complexer en gelaagder is dan een reguliere televisieserie, is het marathon-kijken enigszins uitputtend; het is een aanrader om de verschillende afleveringen in alle rust te bekijken.

Melanie Gilligan, THE COMMON SENSE (2013). Installation view Casco, Utrecht. Foto: Niels Moolenaar
Melanie Gilligan, THE COMMON SENSE (2013). Installation view de Hallen, Haarlem. Foto: Gert Jan van Rooij
Melanie Gilligan, THE COMMON SENSE (2013). Installation view de Appel, Amsterdam. Foto: Cassander Eeftinck Schattenkerk
The Common Sense Bustour op 24 januari. Foto: Carina Erdmann
Art Rotterdam 2015 in de Van Nelle Fabriek. Foto: Ula Mirowska

Op Art Rotterdam moet je in de rij om op de foto te gaan met een groot opgezet paard van kunstenares TINKEBELL. De beurs wordt geprezen om zijn ‘festivalgevoel’, en zoals op ieder festival zijn de hoofdacts populair. Dus zijn bij de stands van prominente galeries gevestigde kunstenaars uit binnen- en buitenland te zien. Je kunt een ge-airbrushd portret kopen van Erwin Olaf, of een zeefdruk van Andy Warhol. Maar voor de bezoeker die niet alleen de main stage bezoekt en zich verdiept in de randprogrammering is de beloning vele malen groter.

Die bezoeker had daar dit jaar meer dan ooit gelegenheid voor. Art Rotterdam, voor de tweede keer gevestigd in het monumentale pand van de voormalige Van Nellefabriek, is uitgebreid met een sectie voor non-profit spaces en kunstenaarsinitiatieven: Intersections. In de oude werkplaatsen van de fabriek presenteerden zij video-, installatie- en performancekunst van opkomende kunstenaars. Daarnaast waren bij DordtYart grote sculpturen, en bij Projections videokunst te zien. Bij We Like Art was werk te koop van onder de vijftienhonderd euro. Tevens toonde het Mondriaanfonds bij Prospects and Concepts dertien kunstenaars die allen in 2013 de Werkbijdrage Jong Talent ontvingen.

Wat hebben kunstinstellingen zonder winstoogmerk op een beurs te zoeken? Volgens directeur Fons Hof draagt de toevoeging van non-profit spaces juist bij aan de festivalsfeer, die op haar beurt de toegankelijkheid weer vergroot. Galeries hebben moeite het hoofd boven water te houden, maar beurzen worden druk bezocht – in het geval van Art Rotterdam wel door zo’n 25.000 mensen.

Metropolis M constateerde met enig onbehagen dat Art Rotterdam nog maar weinig met kunstverkoop te maken heeft, nu alle niet-commerciële programmering zo prominent aanwezig is. De beurs is bezig een ontmoetingsplek te worden in plaats van een marktplaats, en wordt daardoor té alternatief, aldus hoofdredacteur Domeniek Ruyters. Er wordt gekeken, maar niet gekocht.

De niet-commerciële secties van Art Rotterdam konden het zich veroorloven om risico’s te nemen en presenteerden werk dat weliswaar minder verkoopbaar is, maar des te interessanter. In Prospects and Concepts onderscheidden jonge kunstenaars zich met snedig, innemend en kritisch conceptueel werk. In de installaties en interventies van Guy Königstein (Israël, 1982) bijvoorbeeld staat herinnering in relatie tot geschiedschrijving centraal. Zijn provocerende werk Bloody Business (2014) bestaat uit een serie deeguitstekers die de verschillende vormen aannemen die Israël sinds het koninkrijk van Juda heeft gehad. Alleen al in de 20e eeuw veranderde het land meerdere malen van oppervlak, door de verdeling van de VN, de Zesdaagse Oorlog en de recente kolonisaties. Met zijn deeguitstekers maakt Königstein het traditionele chanoekagebak, dat van binnen gevuld is met druipende vruchtenjam en tijdens het eten onvermijdelijk bloedrode vlekken op de vloer achterlaat.

De serie Reflections (2014) van Lotte Reimann (Duitsland, 1982) toont een serie naaktportretten gereflecteerd in glanzende objecten die op internet te koop worden aangeboden. Reimann stuitte bij toeval op deze ‘reflectoporn’, verzamelde de beelden en vulde ze aan met eigen foto’s. De komische reeks wordt afgesloten met een gortdroge e-mail van eBay, waarin het bedrijf laat weten dat haar account wegens onzedige activiteiten wordt geblokkeerd.
De doorsnee verzamelaar zal alleen al om praktische redenen niet snel geneigd zijn om een installatie van Kevil Gallagher (VS, 1986) aan te schaffen. Zijn meest intrigerende werk Space Ink (2014) bestaat uit een met vloeibare inkt gevulde vulkaan van glasvezel. De inkt wordt in beweging gebracht door de trilling van onderliggende luidsprekers, die geluiden produceren die corresponderen met de frequentie van een animatiefilm. Met iedere trilling spettert er inkt op een witte ondergrond; een uitvinding die zowel Jean Tinguely als Jackson Pollock had kunnen waarderen.  

Dat non-profit een vrij rekbaar begrip is op Art Rotterdam, bewijst Omar Koubâa (Nederland, 1979). Zijn prachtige kleurrijke abstracte schilderijen werden getoond bij Prospects and Concepts, maar bleken tegelijkertijd ook erg succesvol bij Nouvelles Images uit Den Haag. De galerie verkocht acht doeken van de kunstenaar. 

Ook bij het niet-commerciële Intersections is werk te zien dat elders op de beurs verkrijgbaar is. Zo toont Hotel Maria Kapel het werk van Artun Alaska Arasli, dat tevens bij galerie Wilfried Lentz verkocht wordt. De tentoonstellingsruimte uit Hoorn doet mee met Intersections om publiciteit te genereren voor zichzelf en voor de kunstenaar. Deelnemende kunstinstellingen werden geselecteerd op kwaliteit van hun voorstel voor de expositie, maar deelname is zeker niet gratis. Hoeveel de non-profitorganisatie moest betalen, wilden medewerkers niet zeggen. “Niet zoveel als op de ‘gewone’ beurs,” vertellen ze, “maar toch een flink bedrag.” Dat deelname voor de kunstenaars gunstig is, staat buiten kijf. Maar hoe waardevol de investering voor de kunstinstellingen is, is moeilijk te zeggen. Komen er vooral festivalgangers kijken, die de laagdrempeligheid van de beurs aangrijpen om zich wat breder te oriënteren, of slagen de niet -commerciële presentatieruimtes erin om individuele en terugkerende bezoekers aan zich te binden?

Art Rotterdam kan zich niet meten aan de grote internationale beurzen zoals Art Basel en Frieze, maar wil dat ook niet. De beurs kiest er bewust voor om zich te profileren met een sterk en gevarieerd programma dat de ruimte biedt aan commerciële en niet-commercële kunstinstellingen. Dat de beurs niet ‘té alternatief’ is geworden, blijkt wel uit de vervlechting tussen die twee. Bovendien bieden de niet-commerciële secties van de beurs, ver van de opgezette paarden en ge-airbrushde foto’s, verrassing en verdieping. Kijken, kijken, niet kopen? Prima. Er is immers genoeg te zien.

Guy Königstein, BLOODY BUSINESS (2014). Foto: courtesy of the artist en Metropolis M
Lotte Reimann, REFLECTIONS (2014). Foto: courtesy of the artist
Kevin Gallagher, SPACE INK (2014). Foto: courtesy of the artist en het Mondriaanfonds
Omar Koubâa, PAST THE EDGE OF CIRCUMSTANCES 18 (2014). Foto: courtesy of the artist en Nouvelles Images

Deze dialoog tussen hoofdpersoon Junior en de man aan wie hij zijn amateur porn-dvd’s verkoopt, vormt een heldere prelude in Videophilia (and Other Viral Sories). Seks is een constante factor in het leven van de hoofdpersonen van deze Peruaanse film (die tijdens het IFFR een Hivos Tiger Award won) en wordt als zodanig dan ook over de hele breedte aan de kijker gepresenteerd. Seks is overal en makkelijk voor handen, dus waarom zou het nog geënsceneerd moeten worden in pornofilms?

Puberale seks, (al dan niet stiekem) gefilmd, wordt door Junior op dvd gebrand en verhandeld, en zijn vrienden in het internetcafé kijken tussen het gamen door gerust even naar een filmpje vol extreme anime. Een toevallige kennismaking in een chatscherm mondt al snel uit in masturbatie voor de webcam. Je zou je als kijker ongemakkelijk kunnen voelen, maar omdat alles met dezelfde dosis nonchalance wordt gebracht verdwijnt dat snel. Wat niet verdwijnt is de verwondering.

Videophilia (and Other Viral Sories) is de tweede film van regisseur Juan Daniel F. Molero en werd over een periode van twee jaar geschoten. Het werk refereert losjes aan het idee van het einde van de wereld volgens de Maya-kalender: die magische datum van 21 december 2012 die kwam en uiteindelijk ging zonder noemenswaardige incidenten. Maar in het universum van Molero is de apocalyps alsnog niet ver weg, en de bewoners lijken die met nonchalance af te wachten. Zelfs een gruwelijke moord op klaarlichte dag, door de dader vastgelegd met zijn mobiele telefoon, wordt met gegiechel ontvangen.

Hoofdpersoon Junior kan een conspiracy theorist worden genoemd, maar boven alles is hij een luie twintiger, geobsedeerd door seks. Op internet raakt hij betoverd door de jonge Luz, die net klaar is met school en haar dagen vooralsnog vult met drugsgebruik en haar baantje in een manga-themarestaurant. Hun verhaal begint als een inmiddels bijna klassiek te noemen scenario: Facebook-chatsessies monden uit in webcamseks, en Junior en Luz willen hun contact verleggen naar ‘de echte wereld’. Maar waar bevindt die ‘echte wereld’ zich eigenlijk? Online of offline?

Molero laat de kijker zien, en bij vlagen zelfs voelen, hoezeer internet en technologische ontwikkelingen zijn geïnfiltreerd in onze stoffelijke wereld. Het computerscherm vormt hier de eerste dimensie: daarop wordt contact gelegd, gechat, seks bedreven en seks bekeken. De stoffelijke wereld is bij Molero in feite maar een slap aftreksel van het internet, maar hij lost dit handig op door zijn film zodanig te monteren dat de kijker het idee heeft zich te bevinden in een chatscherm, een videospel of een Geocities-website uit 1993, of een combinatie van die drie. Het is eigenlijk onlogisch om een film als Videophilia zo ‘analoog’ op een filmscherm, in nuchtere toestand, in een bioscoopzaal te bekijken; het voelt ouderwets en ontoereikend.

De sfeer van de film doet denken aan David Cronenbergs klassieker Videodrome (1983), waarin eveneens de versmelting van de stoffelijke werkelijkheid en het beeldscherm (in dit geval het televisiescherm) centraal staat. Maar ook de hallucinante beeldtaal van Gaspard Noé’s Enter the Void (2009) komt op, zoals in de fascinerende scène waarin Molero de effecten van een slechte drugstrip letterlijk op de kijker overbrengt door middel van langgerekte glitches. Als kijker zou je soms willen dat er een escape-knop is die je kunt indrukken, maar je bent overgeleverd aan de grillen van een regisseur die de kracht van het beeld – verleidend, misleidend of ronduit ontregelend – volledig de vrije teugel geeft.

Het meest geslaagde aspect van Videophilia is het vrijwel naadloos in elkaar overlopen van verschillende lagen: niet alleen de virtuele wereld en het dagelijks leven, maar ook de moderne samenleving en het oude, tribale Peru vloeien in de film constant in elkaar over. Zo beklimmen Luz en haar vrienden voor een stevige drugssessie een oude ruïne die midden in een woonwijk ligt; voor de kijker een bizarre aanblik, maar niet voor hen. En wanneer Luz zich wil ontdoen van de slechte vibes die de omgang met Junior haar oplevert ondergaat ze, in een achterkamertje van een winkelcentrum, een heus exorcismeritueel met de ingewanden van een cavia. Ook van een kloof tussen het hypermoderne en het tribale lijkt hier geen sprake, en in interviews verduidelijkt Morelo dat hij niks heeft overdreven: dit is werkelijk het Lima waarin hij woont.

Door de overmatige (puber)seks en het nonchalante drugsgebruik lijkt Videophilia soms niet meer dan een matige op film vastgelegde stonerfantasie, om in de volgende scène zwaar over te hellen naar videokunst. En heel af en toe is het zelfs een ouderwets romantische boy-meets-girl-film, waarbij een jongen door een stad rent, op weg naar een meisje dat hij graag wil zien.

Juan Daniel F. Molero, VIDEOPHILIA (AND OTHER VIRAL STORIES), 2015.

Het kat-en-muisspel

Sietske Roorda
Illustratie door Constantijn Smit (2014)

‘Onze zangeres heet Josefine. Wie haar niet gehoord heeft kent de macht van het gezang niet. Er is niemand die door haar gezang niet wordt meegesleept, wat des te meer waarde heeft waar ons geslacht over het algemeen niet van muziek houdt.’ Zo begint het laatste verhaal Josefine de zangeres, of het muizenvolk uit 1924 van Franz Kafka. Kafka vertelt over Josefine, de enige kunstenares van het muizenvolk, vanuit het perspectief van een sceptische en ongevoelige verteller-muis. Wat maakt Josefines gezang nu zo bijzonder dat elke muis er door betoverd raakt?

Het is namelijk geen geheim dat Josefine ‘nauwelijks boven het niveau van het gebruikelijke piepen uitkomt – ja misschien is haar kracht voor dit gewone piepen niet eens toereikend.’ Josefines gepiep lijkt dus op het alledaagse doodgewone gepiep van elke muis en toch heeft ze het tot kunst weten te verheffen. De vragen die de sceptische muis stelt, zijn de vragen die iedere kunstenaar, kunsttheoreticus of -liefhebber zich weleens afvraagt.

We bevinden ons in goed gezelschap. Eeuwenlang hebben filosofen en andere denkers zich gebogen over de vraag wat iets verheft tot kunst. Het traditionele beeld van de kunstenaar als maker van het kunstwerk en de filosoof die zich als analyticus over het kunstwerk buigt, gaat echter niet meer op. In het onlangs verschenen boek Hoe kunst en filosofie werken beargumenteert de samensteller en universitair docent Filosofie van de kunsten aan de Universiteit van Amsterdam Sybrandt van Keulen, dat kunst en filosofie lang als gescheiden domeinen zijn opgevat. ‘Er wordt wel gezegd dat kunst uitsluitend om “creëren” draait en wetenschap om “kennen”, maar juist die twee kern activiteiten [sic] lijken nu in een soort wisselwerking dichter bij elkaar te komen’, aldus Van Keulen.

Dat kunst en filosofie steeds meer met elkaar vervlochten raken is in Nederland te zien aan de verschillende programma’s die kunstenaars in de gelegenheid stellen om onderzoek te doen en daarnaast werk te maken. Er zijn twee masterprogramma’s artistic research in Nederland: aan de Universteit van Amsterdam en aan de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunst te Den Haag. Kunstenaars kunnen aan de Universiteit Leiden zelfs promoveren via het PhDArts-programma. Dat kunstenaars onderzoek doen is nu dus geïnstitutionaliseerd. Dat betekent, zoals Van Keulen in zijn essay schrijft, dat kunst niet alleen het object is van wetenschappelijk onderzoek, maar ook als subject deelneemt aan kritisch onderzoek, waarbij filosofie een grote rol speelt.

KUNST EN FILOSOFIE
Hoe kunst en filosofie werken bestaat uit verschillende essays die los van elkaar gelezen kunnen worden. Hierin worden bekende en minder bekende theorieën aangehaald uit de esthetica en kunsttheorie. Van Keulen wijst in zijn introductie op alom bekende samenstellingen tussen filosofen en kunstenaars zoals: ‘Hegel en de Antigone van Sophocles, Heidegger en Der Ister van Hölderin, Walter Benjamin en Angelus Novus van Paul Klee, Michel Foucault en Las Meninas van Velasquez, Jacques Derrida en de Schoenen met losse veters van Van Gogh, Gilles Deleuze en Francis Bacon.’ Kunstenaars zetten al tijden filosofen aan het denken, maar uit het boek blijkt dat de invloed wederzijds is én dat kunstenaars ook elkaar aan het denken zetten.

Hoe kunst en filosofie werken gaat niet over traditionele vormen van esthetica, waarbij vragen over kunst, schoonheid en smaak centraal staan. Deze begrippen lijken nauwelijks nog met elkaar verbonden en de in het boek aangehaalde filosofen stellen ze ook nauwelijks ter discussie. De vraag die wel wordt gesteld is: Wat doet kunst? Deze vraag is interessant geworden door de ontwikkelingen die de kunst heeft doorgemaakt in de twintigste eeuw. Als lichtend voorbeeld is er het befaamde urinoir van Marcel Duchamp, dat hij in 1917 op zijn kop op een sokkel plaatste. Net als de muis Josefine uit Kafka’s verhaal wist hij het alledaagse tot kunst te verheffen. Onder anderen Kafka werd aan het denken gezet door Duchamp, zoals Frank Vande Veire, filosoof en docent aan KASK in Gent, in zijn essay opmerkt.

Het verhaal over de kunstenares Josefine was een manier voor Kafka om over zijn eigen schrijverschap na te denken. Hij vertelt met opzet het verhaal vanuit het perspectief van de verteller-muis, zodat hij enige objectiviteit kan genereren door zich te verplaatsen in de huid van een sceptische en ongevoelige toeschouwer. Kafka maakt in zijn verhaal een plek waar hij iets kan onderzoeken en ergens over kan nadenken. Daarnaast laat Kafka de lezer ook meedenken. Kennis over het kunstwerk zit dus niet alleen in wetenschappelijke analyses of teksten van de hand van de kunstenaar, maar is een intrinsiek onderdeel van het kunstwerk. Maar hoe vergaren we als toeschouwer deze kennis?

TOUCHES DE SENS ET JE NE SAIS QUOI
De essays in Hoe kunst en filosofie werken refereren naar de in het kunstwerk besloten kennis die van toepassing is op beeldende kunst, literatuur, muziek, en cinema. In het eerste essay maakt Aukje van Rooden, universitair docent Kunst en cultuur aan de UvA, duidelijk wat het verband is tussen de diverse kunstvormen. Kunst heeft nooit een gemeenschappelijke oorsprong gekend en is altijd meervoudig geweest. In tegenstelling tot wetenschap probeert het geen algemene ordening aan te brengen, maar probeert kunst juist af te wijken van deze algemene ordening. Volgens Van Rooden zijn het die meervoudige verschijningsvormen die de kunsten verenigen.

Ze argumenteert verder: ‘Kunstwerken, zo zouden we met [Jean-Luc] Nancy kunnen zeggen, zijn ’touches de sens’, zintuigelijke aanrakingen die raken aan onze zintuigelijkheid omdat ze op de een of andere manier altijd óók onze zintuigelijke ervaring zelf ervaarbaar maakt. Kijkend naar een schilderij of luisterend naar muziek, ervaren we onszelf als kijkende en luisterende wezens die zintuigelijk geraakt kunnen worden.’ Die ervaring maakt het mogelijk dat wij de kennis die in het kunstwerk is opgeborgen tot ons kunnen nemen. Het is vervolgens niet altijd eenvoudig voor de toeschouwer om uit te leggen wat het kunstwerk bijzonder maakt en welke kennis het bevat.

Birgit Maria Kaiser, universitair docent Vergelijkende literatuurwetenschap aan de Universiteit van Utrecht, zet in haar essay de verlichtingsesthetica van Immanuel Kant en de je ne sais quoi-theorie van Gottfried Wilhelm Leibniz tegenover elkaar. Kant maakt een strikte scheiding tussen de kennis die we hebben over een kunstwerk en onze ervaring van het kunstwerk. Onze waarneming van schoonheid en het sublieme in de kunst kan ons alleen een ervaring bieden van subjectief genot, maar geen kennis over het waargenomen object. De je ne sais quoi-theorie van Leibniz daarentegen stelt dat onze waarneming wel degelijk een vorm van kennis oplevert, hoewel we niet in staat zijn te verklaren waarom een kunstwerk ons precies bevalt of niet. ‘Dit impliceert enerzijds dat kunst en de specifieke aandacht waar zij om vraagt (namelijk om het geheel en zijn uitwerking waar te nemen) een manier van denken tot stand brengen die haar eigen is (dat wil zeggen: kunst produceert een specifieke manier van denken en leidt noch tot een volstrekte afwezigheid van denken noch tot het louter beschouwen van het samenspel van onze vermogens).’

Kaiser illustreert het je ne sais quoi van kunst met het toneelstuk Das Käthchen von Heilbronn oder Die Feuerprobe (1807-1808) van de schrijver Heinrich von Kleist. Kaiser: ‘In het toneelstuk volgt Käthchen de graaf Wetter vom Strahl met onwrikbare zekerheid, al is zij niet in staat om bewust duidelijk te maken hoe het komt dat zij hem zo is toegewijd. Onder de personages van Kleist vertoont zij het meest prominent een vorm van kennis die op waarneming gebaseerd is – een je ne sais quoi waarnaar zij handelt, blijkbaar zonder enige twijfel, maar ook zonder verklaring.’ Hoewel de graaf het zelf in eerste instantie irritant vindt dat Käthchen niet kan zeggen waarom ze van hem houdt, is het nobel van het meisje dat ze deze verklaring niet geeft en daardoor niet hoeft te vervallen in kleffe romantische clichés.

Ook de verteller-muis komt volgens Vande Veire niet goed uit de vraag wat het doodgewone gepiep van Josefine zo bijzonder maakt. Ze presenteert haar piepen als iets groots en verwacht dat iedereen naar haar luistert. Ze begint pas als er zich een menigte om haar heen heeft gevormd en dan piept ze vol overgave. Daarmee maakt ze haar toeschouwers bewust van het alledaagse muizengepiep. Daar luisteren de muizen nooit naar, omdat ze altijd op hun hoede moeten zijn voor het gevaar. Maar Josefine eist niets minder dan hun volledige aandacht. En ze wil ook bewondering en erkenning, hoewel ze weet dat haar publiek haar nooit volledig zal begrijpen.

DE GROTE VERDWIJNTRUC
De kunstenaar zal nooit de kennis zo kristalhelder als de wetenschapper prijs geven. Het is een spel om de toeschouwer deels in het ongewis te laten, zodat deze blijft gissen. Wim Kok, kunstenaar en tweede promovendus van het PhDArts-programma, beschrijft in zijn essay hoe Duchamp hier een meester in was. ‘Hij deed er juist alles aan om elke poging tot het definiëren van zijn kunst of de kunst in het algemeen te ondermijnen.’ Om Duchamps ontsnappingspoging te verklaren refereert hij naar het idee van Gilles Deleuze en Félix Guattari over het ‘gladde’ en ‘gestreepte’. Het ‘gestreepte’ representeert het gesystematiseerde en geïnstitutionaliseerde, terwijl het ‘gladde’ juist onvatbaar is.

In Koks argumentatie komt de drang van de kunstenaar naar voren om ongrijpbaar te blijven. Dat van de tien readymades die Duchamp maakte, slechts één de tand des tijds doorstond, beschrijft hij als triomf. Daarbij haalt Kok het ondergronds atelier (het gladde) aan, dat Duchamp twintig jaar voor iedereen verborgen wist te houden, terwijl hij deed alsof hij zich compleet op schaken had gericht (het gestreepte). Toch blijkt uit Koks conclusie dat zelfs de meest geslepen kunstenaar niet kan ontsnappen aan het gestreepte. Als de ‘waarde’ van de kunst uiteindelijk wordt ingezien, zal de kunstgeschiedenis altijd vat krijgen op de kunst en het een onderdeel maken van het instituut.

Eenzelfde lot valt ten deel aan Kafka. Ook hij wilde zichzelf en zijn oeuvre onttrekken aan de literatuurgeschiedenis, hoewel dit een tragische reden heeft. Vande Veire beschrijft hoe de verteller-muis zich afvraagt of de muizen niet te veel worden afgeleid door het gezang van Josefine en daardoor niet meer op hun hoede zijn voor het gevaar. Kafka twijfelde zeer over zijn positie als schrijver en voelde zich overbodig en zelfs schadelijk. De meest extreme uitdrukking hiervan is uiteraard dat hij wilde dat zijn oeuvre verbrand werd na zijn dood.

Alleen zijn personage Josefine lukt het om geheel in het niets te verdwijnen en haar kunst met zich mee te nemen. Zij eist van het muizenvolk dat zij wordt vrijgesteld van werken, waardoor ze zich volledig aan haar kunst kan wijden en een afstand kan creëren tussen zichzelf en het publiek, zodat er een grotere mystiek kan ontstaan. Als dit haar wordt geweigerd door het muizenvolk, verdwijnt ze. De muizen blijven onthutst achter, maar de verteller-muis verzekert de lezer dat de muizen over dit verlies heen zullen komen. Uiteindelijk zullen zij Josefine en haar gepiep vergeten, gezien het muizenvolk geen geschiedschrijving kent. Hoewel er al eerder in het verhaal werd gerefereerd aan hoe Josefines gepiep de muizen bewust maakt van hun dood en eindigheid, levert haar verdwijning daar het ultieme inzicht in.

Daarbij merkt Vande Veire op: ‘De muis kan zijn eigen fascinatie voor Josefine slechts erkennen door er tersluiks, verborgen onder een functionalistisch vertoog, zijn toehoorders mee op te zadelen.’ Niet elk kunstwerk zal gestreept worden, maar dit betekent niet dat het bij de toeschouwer geen ervaring oplevert die hem nog lang bij zal blijven.

HET SPEL
Kunst heeft altijd een ongrijpbaar element voor de toeschouwer. De kennis is aanwezig in kunst, maar het is niet reproduceerbaar, zoals dit van wetenschap wordt vereist. De filosoof neemt de lezer mee in een gedachtegang en moet elke stap die hij zet logisch kunnen verklaren. De kunstenaar mag in zijn werk daarentegen sprongen en kwinkslagen maken en compleet onnavolgbaar zijn.

Het boek Hoe kunst en filosofie werken laat dat in elk van de zestien essays zien. De essays zijn van een verschillend kaliber, doordat ze zowel door wetenschappers als kunstenaars zijn geschreven. Toch werken ze allemaal even verhelderend, omdat ze op elkaar voort lijken te borduren. De essays zetten je als lezer telkens aan het denken over een andere interactie tussen kunst en filosofie. Daarbij heb je als lezer het idee dat je steeds een stapje dichterbij de waarheid komt over wat kunst is en doet.

Het laatste essay is door Van Keulen zelf geschreven en gaat over het spel. Ook hier worden geen kant-en-klare antwoorden gegeven. Kunst speelt spelletjes met de toeschouwer binnen de omlijnde theoretische kaders. Maar soms worden deze kaders door de kunstenaar doorbroken en mag de filosoof opnieuw beginnen. Het kat-en-muisspel.

Hoe kunst en filosofie werken

Redacteur: Sybrandt van Keulen
Boom Filosofie, Amsterdam 2014
ISBN 9789461053329 

Taal als mal

Laure van den Hout
A ROMANCE IN FIVE ACTS AND TWENTY-ONE ENGLISHES (2015). Installation view, foto: Peter Cox

‘Teach me my own language’, zegt working class girl Liza Doolittle in Pygmalion, een door George Bernard Shaw in 1912 geschreven toneelstuk. Je eigen taal leren, het is iets dat we allemaal moeten doen. Echter, je eigen taal nogmaals leren nadat je het al spreekt is iets ongewoner.

Met dit dilemma worstelt Liza Doolittle. Ze is geïntrigeerd door het idee dat een zekere professor Higgins haar Engels kan leren spreken als een lady. Taal is als het ware een mal waarin we gegoten worden: onze achtergrond bepaalt in hoge mate hoe we onze taal vormgeven en hoe deze klinkt. Of is het andersom? Hoe deze taal ons vormgeeft, hoe wij klinken?

Niet voor niets verwijst de titel van Shaws stuk naar de Griekse mythologische figuur Pygmalion. Een beeldhouwer die zichzelf liever omringt met kunst dan met vrouwen, omdat zij hem naar eigen zeggen alleen maar kunnen kwetsen. Hij hakt een perfecte vrouwfiguur uit ivoor die door Aphrodite met het leven bezield wordt – een perfecte mal voor een perfect afgietsel. De notie van maakbaarheid – een vrouw naar je zin creëren, een thema dat voor spanning zorgt in het toneelstuk aangezien Higgins probeert meer dan alleen Liza’s spraak te kneden, hij probeert haar te kneden – ligt dus tevens besloten in de titel.

De tentoonstelling A Romance in Five Acts and Twenty-One Englishes van Nicoline van Harskamp (1975) in de nieuwe locatie van Onomatopee neemt Shaws Pygmalion als uitgangspunt om de Engelse taal, gesproken door mensen wiens moedertaal het niet is, te onderzoeken. In het najaar van 2014 nam Van Harskamp in Kunstraum in Londen twee live vertalingen op van het stuk. Elke lezer, er waren er 32 in totaal, werd gevraagd om de passages vanuit de eigen taal naar het Engels te vertalen. Een van deze opnames vormt, samen met een monitor met daarop zogenaamde ‘reportage drawings’ en een tweede monitor waarop te zien is welke akte van het toneelstuk het betreft en wie er aan het woord is, het werk Pygmalion (2014). Deze opnames vormden eveneens de aanleiding voor de publicatie A Romance in Five Acts and Twenty-One Englishes, een herschreven versie van Shaws werk, samengesteld uit de live vertaalde passages van 21 verschillende talen.

Speciaal voor de opening van de tentoonstelling brengen vijf native speakers deze versie van het stuk ten tonele. Een ervaring op zich, aangezien de dictie en tongval ervoor zorgen dat alles klinkt als correct gesproken Engels. Bovendien komt het stuk uit 1912, dus zelfs wanneer je een vreemde zin denkt te horen, valt dit mogelijkerwijs te wijten aan de taal die in de loop van de tijd aanzienlijk is veranderd.

Maar kunnen we überhaupt spreken van zoiets als ‘het Engels van nu’? Deze vraag staat niet alleen centraal in A Romance in Five Acts and Twenty-One Englishes, maar speelt eveneens een rol in Van Harskamps werken Her Production (2014) en She Put Me In Complexity of Words (2014). Her Production bestaat uit een projectie van wat fonetisch geschreven woorden en zinnen lijken te zijn, maar heeft, door de vele accenten die rondom de woorden zweven, ook iets weg van het Arabisch schrift. Wanneer de bezoeker de koptelefoon opzet hoort hij een conversatie die in eerste instantie moeilijk te volgen is doordat hij alleen maar bezig is met wat gezegd wordt te koppelen aan wat fonetisch geschreven op de projectie te zien is. Na langer luisteren blijkt dat het niet alleen gaat om de koppeling van audio (spraak) en beeldende audio (fonetisch, maar in zekere zin ook spraak), maar dat het onderwerp van de conversatie zelf de Engelse uitspraak van een zeker iemand betreft. Een soort Droste-effect in audiovorm, een bijzonder intrigerende reflectie op reflectie.

She Put Me In Complexity of Words bestaat eveneens uit een projectie en koptelefoons. Het beeld volgt vier vrouwen die rondlopen op een grillige rotsformatie aan de kust, de zee zo nu en dan opspattend tegen de rotswanden. De vrouwen hebben een verschillende nationaliteit en spreken steeds na elkaar een Engelse zin uit. Bij een ieder die een zin uitspreekt is er een aantal woorden dat terugkomt, bijvoorbeeld ‘sharpness’ en ‘blurry’, maar de zin zelf is steeds verschillend. De vrouwen lijken elkaars zin te herformuleren en te herinterpreteren, hetgeen een merkwaardige tweeledigheid voelbaar maakt. Het herformuleren kan enerzijds geïnterpreteerd worden als een vorm van aanscherpen en anderzijds als een haast encyclopedische poging een betekenis te vangen door zoveel mogelijk nuances te categoriseren.

Bij de tentoonstelling is een publicatie met uitgebreide informatie beschikbaar waarin valt te lezen welke technieken en experimenten Van Harskamp gebruikte voor Her Production en She Puts Me In A Complexity of Words, die op hun beurt elk weer refereren aan al reeds in de taal of literatuur opgenomen grootheden. Toch is het prettig om als bezoeker in eerste instantie zelf verstrikt te raken in het web van taal dat Van Harskamp creëert, aangezien op die manier de ultieme reflectie op interpretatie ontstaat. Immers, bij elk werk dat je bekijkt loopt er een stem mee in je hoofd, die ondertitelt wat je aan het bekijken bent. Het is een vorm van ondertiteling die weliswaar niet letterlijk vertaalt, maar in plaats daarvan jouw interpretatie weergeeft. Zoals ook de vertalingen van Shaws stuk door anderstaligen hun interpretatie van de taal en hun culturele context weergeven.

A ROMANCE IN FIVE ACTS AND TWENTY-ONE ENGLISHES (2015). Installation view, foto: Peter Cox

Vind je innerlijke Shakira

Simone van Hulst
Tentoonstellingsoverzicht MINDPLACE THOUGHTSTREAM, 1646, foto: 1646

“Ik wil niet.” Een eerste gedachte als ik 1646 binnenstap. Dit is De Tuinen, een wellnesswinkel waar me iets wordt aangepraat wat ik niet wil kopen of geloven, waar een cd met walvissenmuziek opstaat en onduidelijke objecten met onduidelijke functies, maar duidelijke prijzen, me aanstaren. Gelukkig, er is nog een ruimte.

Nog meer onduidelijke pastelkleurige objecten, zogenaamde sfeermakers (ik weet echt niet wat het zijn), geprojecteerde lichaamsdelen en videoprojecties. De visuele elementen krijgen context en betekenis door audio, TED Talk-verhalen over het bewustzijn en later een sussende maar sturende vrouwenstem. Hier maak ik kennis met Cynthia, het alter ego van Shana Moulton, die met een jaloersmakende onbevangenheid haar fysieke en geestelijke gezondheid onderzoekt. Ze gebruikt het apparaat wat in de eerste ruimte van de galerie stond uitgestald: de Mindplace ThoughtStream, een zogenaamd Biofeedback Performance System (BPS). Dit apparaat zou je stress en angst verminderen, dieper leren mediteren, je concentratie verhogen en de bewustwording van lichaam en geest synchroniseren. Ook kun je het overal mee naartoe nemen. En belangrijk: het maakt korte metten met het zogenaamde mysterie van stressmanagement; je wordt er namelijk hartstikke ontspannen van. Het is trouwens te koop voor maar 99 dollar.

Cynthia gebruikt het systeem en komt in een dieper bewustzijn terecht. We volgen haar in de video’s. Als je het nog niet eerder had gevoeld wordt het hier kraakhelder: dit is een prachtig commercieel spel. Het synchroniseren van lichaam en geest is een gat in de markt. Want wie wil dat nu niet? Het maakt niet uit welke objecten er aangeschaft moeten worden, we gaan erin mee. Commercie goes spiritual. Dat gaat best goed. De commercieel spirituele taal die Moulton laat terugkomen in haar installatie is opvallend alledaags. We horen deze taal dagelijks terug in promotionele uitingen. De belangrijkste boodschap: controle is mogelijk. Met je geest kun je echt je lichaam sturen. Stress is niet meer nodig, dames.

Hier komt een cruciaal punt. Die taal lijkt zich namelijk vooral te richten op de vrouwelijke medemens. De medemens die zoekend is naar oplossingen voor al dan niet ingebeelde aandoeningen (het prikkelbaredarmsyndroom, in Cynthia’s geval) en openstaat voor oplossingen van elk kaliber. Het zit in jezelf, je moet je innerlijke vrede vinden, je innerlijke godin. Dat probeert Cynthia. Ze gaat mee in het lineaire narratief. Je bent ziek en dan word je beter. Probeer Activia eens, bijvoorbeeld. Dat is niet alleen lekker, maar maakt van jou bovenal een sexy danseres. En tegelijkertijd promoten we ook de nieuwste clip van Shakira. Wat heeft zij hiermee te maken? Buikdansen natuurlijk! Dat kan niet zonder tevreden darmflora. Is er logica? Maakt niet uit, het werkt. Cynthia wordt Shakira, op een huis-tuin-en-keuken-Photoshop-manier, maar toch.

Moultons expositie toont treffende maar tergende scenario’s voor de commercieel spirituele narratieven die we uit ons dagelijks leven kennen. Die scenario’s lijken zich te richten op het vrouwelijke karakter van ‘goed in je vel zitten’, kiezen op basis daarvan hun doelgroep en zijn voornamelijk te herkennen aan de weeïge taaluitingen en (daar zijn ze weer) onduidelijke pastelkleurige objecten.

Als de video’s zich beginnen te herhalen loop ik terug naar de eerste ruimte. Ik kijk nog eens naar alle objecten: badparels met avocado of abrikoos, oorbellen met glimmende stenen, een stoel met voetenbank met extra donutvormige kussens en het ThoughtStream-apparaat. Er is wel iets veranderd. Moulton heeft een kritische laag toegevoegd aan deze objecten.

Hoe overdreven en exotisch Cynthia’s ‘trip’ ook lijkt, het is echt geen ‘andere wereld’ waarnaar ze je meeneemt. Integendeel, het is juist deze wereld die ik opnieuw bezie. Cynthia’s aandoenlijke maar kitscherige bereidwilligheid voedt mijn scepsis ten opzichte van strategieën die baat hebben bij een naïeve, gewillige consument. Met Mindplace Thoughtstream trekt Moulton het gordijn weg dat opgetrokken is door het commercieel spirituele discours. Een welkome ontnuchtering.

Tentoonstellingsoverzicht MINDPLACE THOUGHTSTREAM, 1646, foto: 1646
Shana Moulton, MINDPLACE THOUGHTSTREAM, 2014.

Een speurtocht naar kunst

Niek Steegemans
Carolin Eidner, UNTITLED (PARTY DELAY 2), (2013-14) Courtesy: de kunstenaar en Natalia Hug Gallery

De werken van negentien jonge kunstenaars zijn verspreid over vele verschillende kleine en grotere ruimtes, karakteristiek voor het historische pand dat Marres huist. Het samenspel tussen en de specifieke plaatsing van de werken in de tweede editie van Marres Currents Rumour Has It, maakt de expositie tot een dynamisch geheel. Er is gebruik gemaakt van de eigenschappen van huis Marres, zoals de werken in de voor en achterkamers, de gangen, de imposante trap, en zelfs een tuinhuisje. Als bezoeker kom je binnen in een tentoonstelling waar je niet aan de hand wordt meegenomen, maar moet zoeken. Rumour Has It is samengesteld door de twee jonge curatoren Hélène Webers en Mels Evers. Hiermee biedt Marres gevestigd in Maastricht met haar Currents programma een platform aan startende curatoren en kunstenaars in de regio uit Nederland, België en Duitsland.

Het werk van Carolin Eidner springt gelijk in het oog wanneer je de eerste tentoonstellingsruimte binnenloopt. In de lichte voorkamer, uitkijkend op de straat, staat onder meer een installatie die bestaat uit een stapeling van gekleurde keramiek en piepschuim platen in diverse kleuren. Over dit kleurenspel is een spit, waar rode en gele paprika’s en een courgette aanhangen. De brandplekken op de gekleurde platen en een overblijvend uitgebrand kampvuurtje daarbovenop, wijzen erop dat de brand letterlijk als een lopend vuurtje op verschillende plekken heeft plaats gevonden. Toch heeft de hitte geen vat gehad op de groentes die erboven zweven.

In dezelfde ruimte als de kleurrijke installatie van Eidner zijn de haast onzichtbare lithografieën van Arnold Wittenberg te zien. De kwaliteit van de werken is te vergelijken met die van de ruimte. In de vrij kleine witte voorkamer, wordt je aandacht door de ramen naar buiten getrokken. De slordig ingelijste werken van Wittenberg, lijken op het eerste gezicht vellen grof wit papier achter glas in een wit kader. De alerte kijker ziet echter dat de rechter helft van elk vel bedrukt is met een structuur van takken. Na wat speurwerk valt er wellicht een landschap te ontdekken. Daarbij sta je als bezoeker jezelf soms behoorlijk in de weg. Door de verlichting werpt je eigen lichaam een prominente schaduw op het werk, waardoor de minuscule weergave aan het zicht onttrokken wordt. De positie die je inneemt voor het werk blijkt cruciaal.

Wanneer je verder loopt naar de volgende ruimte, passeer je eerst een klein binnenplaatsje overdekt met een glazen dak. Hier is op de donkergrijze tegelvloer een zwart hoogglanzend bassin geplaatst. Dit is het werk van Tom Hallet. De langwerpige bak, die aan één kant halfrond is, is tot de rand gevuld met water. De oppervlaktespanning van het water draagt een dunne film stof, dat door het heldere daglicht duidelijk zichtbaar wordt. Tevens is in de reflectie van het zwart, de hemel en het weer te zien. Door de serene sfeer en de diagonale plaatsing van het object op de grond, doet het denken aan een zeer kleine doodskist of sarcofaag. Het vloeibare water lijkt te refereren aan de oneindige mogelijkheden. Aan de muur hangt een wit op zwart geprinte theatrale tekst in een net zo glimmende lijst. Een dialoog vol keuzes en optionele scenario’s die aan de toeschouwer lijkt te worden voorgesteld over dood en macht. Verschillende manieren waarop persoon A persoon B zou kunnen vermoorden, en wat persoon B vervolgens zou doen. “What would you do if I would crush your skull with one of these rocks?”

Links achter in de hoek van de volgende ruimte vind je een t-shirt en handschoenen gemaakt van schuurpapier. Deze kleding, gemaakt door Laura van Biervliet, ziet er gedragen uit en is waarschijnlijk gebruikt om oppervlakten te schuren. Het werk suggereert het resultaat te zijn van handelingen waarbij de kunstenaar de relatie van het lichaam tot haar omgeving schurend blootlegt. Waar Yves Klein in performances lichamen besmeerd met verf en afdrukken liet maken, lijkt dit werk door het wegkrabben een spoor achter te laten. De uiteindelijke sporen zijn te zien op de nu fragiele beschermende tweede huid van het kledingstuk.

Als je de trap oploopt een smal gangetje doorgaat, waar de weg lastig wordt gemaakt door twee grote houten balken, kom je bij twee kamers. De werken gaan allebei over kleur, maar de kamers ademen een hele verschillende sfeer. Links, een witte box waar een mist hangt, en rechts, een ruimte die met veel hout en een schuin dak aandoet als een zolder. In deze stoffige donkere kamer vind je een installatie van Polien Boons die schittert en lonkt als vloeibaar goud. Het lijkt alsof je overspoeld wordt door het deinende goudkleurige folie, dat door een ventilator in beweging wordt gehouden. De elegante ladder naast deze oogverblindende zee, nodigt uit om hoger te gaan staan en misschien wel een duik te nemen in een hypnotiserend bad. De door mist gevulde ruimte links van de lange smalle gang, is een video-installatie van Jerome Daly. Proppen gekleurd papier, een man met een masker, een stem die kleuren opnoemt, het werk analyseert kleuren in meerdere beelden. Maar het heeft ook een vervreemdende werking doordat de kleur in beeld en de genoemde kleur niet synchroon lopen.

De tentoonstelling is een zoektocht door de verschillende ruimtes, iedere ruimte brengt een andere sfeer in samenspel met de werken. Het zoeken wordt benadrukt door werken die bijna onvindbaar zijn wanneer er niet specifiek op gewezen wordt, of doordat een andere bezoeker er toevallig voor staat. Het werk van Evelien Mattheij is haast onzichtbaar. Dit subtiele werk bevraagt de architectuur van het gebouw maar ook de kunst zelf. Het werk werd voor mij pas zichtbaar nadat een andere persoon zeer geïntrigeerd van zeer dichtbij naar een lege muur stond te kijken. Pas toen deze persoon verder liep, bleek het een langzaam draaiende spijker te zijn. Een bewegende spijker, de spijker die normaal gesproken de constructie vast houdt, is nu een minutieus vraagteken. De draaiende spijker bevindt zich tussen conventionele kunst aan de muur en een installatie. Aan een bewegende spijker kun je immers geen schilderij ophangen. 

Arnold Wittenberg, ARKI (2014) Foto: Gert Jan van Rooij
Tom Hallet, SOME PLACE #1 (2014) Foto: Gert Jan van Rooij
Laura van Biervliet, STILL LIFE #4, STILL LIFE #2 (2014) Foto: Gert Jan van Rooij
Polien Boons, ZONDER TITEL (2014) Foto: Gert Jan van Rooij
Jerome Daly, UNTITLED (POSTMODERN TIMES) (2014) Foto: Gert Jan van Rooij.
The Otholith Group, STATECRAFT (2014). Foto: Niels Moolenaar. Courtesy of Casco

The Otolith Group, bestaand uit Anjalika Sagar en Kodwo Eshun, werkt in de expositie In the Year of the Quiet Sun met een belangwekkende geschiedenis: die van de Afrikaanse dekolonisatie. De tentoonstelling in Casco bestaat uit drie werken: One Out of Many Afrophilias (2014): een installatie die 50 nummers presenteert van Transition, een literair-politiek tijdschrift dat in de vroege jaren 1960 het licht zag in Kampala, Uganda; Statecraft (2014): een chronologische presentatie van 4000 postzegels die de staatsvorming van alle Afrikaanse staten in beeld brengt; en de film In the Year of the Quiet Sun (2013), waarin het verhaal van de Pan-Afikaanse droom gereconstrueerd wordt aan de hand van historische filmfragmenten en met gebruikmaking van de postzegels. De opzet van de expositie forceert een confrontatie met het materiaal en daardoor met de geschiedenis. In deze confrontatie worden onafhankelijkheid, de blijvende invloedssfeer van de kolonisatoren en de positie van de kijker op een sterke manier tegen elkaar afgezet.

Zowel de tijdschriften als de postzegels worden zonder veel aankondiging getoond. De zegels zijn geordend op volgorde van datum van onafhankelijkheidsverklaring, beginnend bij Liberia in 1847, tot aan Zuid-Sudan in 2011, maar stammen regelmatig van een later tijdstip zoals een 50-jarig jubileum van het regime. De helderheid die deze chronologie lijkt te verschaffen, wordt echter al gauw in de war geschopt als in de reeks al niet meer bestaande staten als Katanga of Haute-Volta opduiken. Dit wekt de interesse van de kijker: er is hier meer aan de hand, al moet nog blijken wat precies. Wat heeft het bijvoorbeeld te betekenen wanneer het portret van een staatshoofd met drukinkt is doorgehaald, of als in donkere inkt over de originele afbeelding de nieuwe naam van het land, of een nieuwe munteenheid wordt weergegeven? Wat is het verhaal van onafhankelijkheid waarin, terwijl de zegel geldig blijft, de staat aan de kant wordt geschoven? En de vraag die daaraan vooraf gaat: wat verbeeldde de zegel aan machtsverhoudingen, en hoe waren die op dat ogenblik problematisch? In een rondleiding langs de expositie noemt Kodwo Eshun het “officieel optimisme” dat de postzegels communiceren. Hier worden alle esthetische kwaliteiten ingezet om de staat in een positief daglicht te stellen, terwijl geweld, zoals bij een militaire coup, wordt verbloemd.

Hoe weinig belicht sommige geschiedenissen van Afrikaanse staten ook mogen zijn in de dominante geschiedschrijving, de verwevenheid van beide is er niet minder om. Dat blijkt bijvoorbeeld uit welbekende iconen van modernistische vooruitgang als stuwdammen of vliegtuigen die prijken op de Afrikaanse postzegels. Als beeldtaal worden varianten van Popart gebruikt, of wordt geëxperimenteerd met nieuwe druktechnieken. Het gevoel van vertrouwdheid, dat bij de kijker tegelijk verontrusting wekt, wordt verklaarbaar als blijkt dat druk en ontwerp van veel zegels in de VS, België of zelfs Nederland plaatsvonden. Op een internationale gemeenschap van staten wordt zo een paradoxaal appèl gedaan om de soms jonge staat die de zegel uitbrengt in autonomie te erkennen.

De ernst van deze vervlechting blijkt des te duidelijker uit het verhaal dat hoort bij de Transition-tijdschriften die parallel aan de postzegels getoond worden. Transition gaf bij ontstaan een stem aan een groeiende kritische gemeenschap uit de jonge staten. Na meer dan een decennium bleek echter dat het fonds dat het tijdschrift sponsorde door de CIA was opgezet om tegenwicht te bieden aan ‘culturele besmetting’ uit de Sovjet-Unie. Het effect van de reeks tijdschriften is vergelijkbaar met die van de postzegels, doordat de kijker in de expositie aangewezen is op de covers van de bladen. Deze zijn echter de moeite van het bestuderen waard en onthullen door de esthetiek en coverteksten veel over de karakterontwikkeling van het blad. De reeks roept bij de kijker, net zoals bij de zegels, echter vragen op die niet beantwoord worden. Doordat het blad een ander verhaal vertelt dan de postzegels — een persoonlijk-kritisch discours in plaats van een staatsnarratief — wordt tussen de werken een spanning gecreëerd die beide uittilt boven het niveau van tijdsdocument.

Het slot van de expositie — de half uur durende film In The Year of The Quiet Sun (2013) — werkt in op de vermoedens die de eerdere werken oproepen. De film vormt een een soort associatieve verkenning van de esthetiek van het Pan-Afrikanisme. Hierin krijgt de Popart van de postzegels (en een deel van de tijdschriftcovers) een expliciete lading door de verbinding met de aspiraties van de politieke beweging die onder aanvoering van Kwame Nkrumah, de eerste president van Ghana, in de jaren ‘50 en ‘60 werd opgezet. De film toont daarvan onder meer fragmenten van de drie belangrijke All-African Peoples’ Conferences uit die tijd, en verbindt het aan de vorming van de Non-Aligned Movement (NAM), als een derde blok naast uitdijende invloedssferen van de VS en de Sovjet-Unie. Echter de transformerende machtsverhoudingen en de neergang van het Pan-Afrikaanse ideaal die ook getoond worden, benadrukken andermaal de precariteit van de Afrikaanse onafhankelijkheid en hoe die in de kunst tot uiting kwam.

Samenhang ontwikkelt zich in de gelaagdheid van de identiteitsontwikkelingen die de expositie behandelt. Tegelijk worden telkens vragen opgeroepen over de betekenis van onafhankelijkheid en invloed, en daarmee over de stem van de kunst die hiervoor wordt ingezet of zich er juist tegen af wil zetten. De kijker wordt hierdoor gedwongen zich in dit globale spel te identificeren. Op deze manier weet The Otolith Group een krachtige stem te vormen: het weet het geweten succesvol te koloniseren.

The Otholith Group, ONE OUT OF MANY AFROPHILIAS (2014). Foto: Niels Moolenaar. Courtesy of Casco
The Otholith Group, IN THE YEAR OF THE QUIET SUN (2013). Foto: Niels Moolenaar. Courtesy of Casco
The Otholith Group, STATECRAFT (2014). Foto: Niels Moolenaar. Courtesy of Casco

Camouflagekunst

Noor Nuyten
WE ARE HERE ACADEMY (2014) Foto: Manette Ingenegeren

Gisteravond scrolde ik argeloos door de tijdlijn van mijn Facebook, totdat ik een opvallende melding kreeg. Samen met al mijn Facebook-vrienden ontving ik een oproep om een benefietdiner te organiseren. De opbrengst van het diner gaat naar de nieuwe We Are Here Academy. Dit project geeft vluchtelingen, die tussen wal en schip terecht zijn gekomen, de kans om onderwijs te krijgen.

Vluchtelingen worden buiten de samenleving gehouden. Naast dat je geen sociale zekerheid hebt, heb je ook geen recht op onderwijs. De We Are Here Academy is ontstaan vanuit de overtuiging dat iedereen, dus ook een vluchteling, recht heeft op onderwijs. Professionele hbo- en universitaire docenten geven er op vrijwillige basis les. Door middel van verschillende lessenreeksen waarin onder andere debattechnieken, vrouwenemancipatie en Nederlandse politiek worden behandeld, krijgen de vluchtelingen de mogelijkheid zichzelf te ontwikkelen. Deze academie zorgt ervoor dat de vluchtelingen, ontdaan van burgerlijke rechten en plichten, weer serieus genomen worden als individu.

De inhoudelijke koers van We Are Here Academy wordt onder andere bepaald door kunstenaar Elke Uitentuis. In het verleden heeft Uitentuis meerdere projecten opgezet in samenwerking met Wouter Osterholt. De projecten tonen een betrokkenheid bij de samenleving met de ambitie sociale structuren te veranderen. Neem bijvoorbeeld het project Model Citizens uit 2009, dat door schaalmodellen voorstellen voor een directe democratie in Caïro deed. De door burgers voorgestelde veranderingen voerden de kunstenaars op kleine schaal uit met behulp van de modellen. Het uiteindelijke doel was deze voorstellen op grote schaal te verwezenlijken.

Met elk project lijkt Uitentuis de kunst als platform te gebruiken om burgers en/of minderheden te ondersteunen en tegelijkertijd de politieke situatie in het land waar zij zich op dat moment begeven zichtbaar te maken. In 2009 was dit een wijk in Caïro, nu is het Nederland en werkt Uitentuis sinds haar residentieperiode aan de Jan van Eyck Academie aan dit project.

De We Are Here Academy is een samenwerkingsverband tussen kunst en andere vakgebieden dat succesvol lijkt te integreren in de samenleving. Er zijn genoeg voorbeelden te noemen van geëngageerde kunstenaars die eenzelfde poging deden. Een goed voorbeeld is Joseph Beuys, die betrokken was bij de oprichting van meerdere politieke partijen en maatschappelijke initiatieven. In de kunstwereld is het verhaal over deze Duitse kunstenaar bekend, maar het is moeilijk te zeggen of Beuys buiten de kunstwereld iets heeft kunnen veranderen. Dit voorbeeld en vele anderen waren afgelopen lente te zien tijdens de tentoonstelling Meer Macht, samengesteld door Hans den Hartog Jager in Museum de Fundatie te Zwolle. Centraal stond de vraag of kunst voldoende macht heeft om de samenleving te veranderen. De initiatiefnemers van de academie gaan echter verder dan de kunstwereld: het is een vooruitstrevend voorbeeld waarbij kunst lijkt te integreren in de samenleving, om uiteindelijk daadwerkelijk verschil te maken.

Als ik mijzelf voorstel aan onbekenden op een feestje zeg ik liever niet dat ik kunstenaar ben. Dit heeft verschillende redenen, één daarvan is de vraag naar functionaliteit. Alles lijkt functioneel te moeten zijn, vooral in een gereguleerd land als Nederland. Ik ben van mening dat kunst ook functioneel kan zijn, maar dan wel op een eigen manier. Dat deze functionaliteit door de meerduidigheid minder meetbaar is, maakt het niet minder noodzakelijk. De We Are Here Academy vult de gebreken van de overheid aan. Hiermee wordt de functionaliteit van kunst benadrukt; het is de kunstenaar die een inventieve oplossing vindt voor een maatschappelijk probleem. Dit is het punt waarop dergelijke geëngageerde kunst haar hoogtepunt lijkt te bereiken. Daar kun je wél mee aankomen op een feestje.

De vraag blijft of kunst, zonder zich te camoufleren of samenwerkingen met andere disciplines aan te gaan, voldoende serieus wordt genomen om daadwerkelijk maatschappelijke veranderingen teweeg te brengen. Mocht de We Are Here Academy haar camouflage vaarwel zeggen, dan dreigt het gevaar dat alleen de kunstwereld het project nog serieus neemt, met als gevolg dat de academie verwordt tot een tijdelijke statement van de kunstenaar, misschien zelfs ten koste van de vluchteling. De tijd zal moeten uitwijzen wat het effect en de draagkracht, en dus de betekenis, van het project is op de lange termijn. Maar wat mij betreft wordt de We Are Here Academy geen partytrick.

WE ARE HERE ACADEMY (2014) Foto: Manette Ingenegeren

Vrees uw angsten

Lotte Batelaan
Pieter Van den Bosch, AANSLAGEN ZONDER GEVOLGEN, 2014. Foto: Annegien van Doorn

In De Brakke Grond onderging ik onlangs een ‘aanslag zonder gevolgen’. Samen met 99 andere vrijwilligers begaf ik mij op pantoffels, in beveiligingspak en met bivakmuts en motorhelm op in de tuinzaal van het cultuurhuis. De Belgische kunstenaar Pieter Van den Bosch (1983) had voor de gelegenheid honderd met lichtgevende verf gevulde zakjes aan het plafond gehangen. Gedurende de ‘aanslag’ explodeerden deze verfbommetjes met keiharde knallen stuk voor stuk in de donkere zaal.

Het was bemoedigend deze uitdaging met vele anderen aan te gaan. Het idee dat ik mij slechts met de anderen mee moest laten voeren, stelde mij gerust. Daarbinnen had ik zo mijn eigen onzekerheden. Was ik nu echt de enige die nog haar oordoppen in moest doen, nu de lichten doofden, ik mijn helm op had en het geknal ieder moment kon beginnen? En was ik de enige die niet haar lichaam onder controle had en bij iedere knal schokte? Het was een claustrofobische ervaring, temeer omdat je gevangen leek in het afsluitende beveiligingspak en helm en de ruimte zich telkens meer met damp en stank vulde. Het deed mij verlangen naar een uitgang.

Na afloop liep iedereen in slow motion door een rookgordijn naar buiten en passeerden als marsmannetjes de dinergasten in het eetcafé, waarna we een paar minuten later weer opgelucht in onze eigen kleding stonden. Inderdaad, alsof er niets gebeurd was. Deze aanslag, tevens de opening van de expositie, was het sluitstuk van een serie ‘aanslagen zonder gevolgen’ die de kunstenaar dit najaar initieerde in België en Nederland.

In deze explosieve vuurconstructies maakt hij telkens gebruik van een ander brandbaar materiaal: hout, ethanol, magnesium, propaan en buskruit. De aanslagen zijn toegankelijk voor toeschouwers, waarbij ze zo dicht mogelijk in, op, of tussen het vuur geplaatst worden en de bezoekers niet zelden zelf deelnemen aan het werk. Registraties van deze aanslagen zijn te zien in de grote theaterzaal die voor de expositie is omgebouwd tot een black cube.

Een andere bijzondere ruimtelijke interventie is de lichtmuur die is opgesteld aan de buitenkant van de tuinzaal. Opgestapelde TL-buizen blokkeren hier het zicht op de tuin en verlichten om de twee minuten de ruimte. In het donker lichten de verfspatten op die de verfbommetjes hebben achtergelaten en vormen een grillige sterrenhemel op de muren en het plafond. Ze vormen een afdruk van de ontploffingen; ze lichten steeds opnieuw in het donker op en kunnen op deze manier worden herbeleefd.

De nadruk op het beslissende moment van ontploffing en ontvlamming kenmerkt veel werk van Van den Bosch. Door een veilige constructie aan te bieden waarbinnen explosieve momenten plaatsvinden kunnen de toeschouwers zo dichtbij mogelijk komen. Onder het motto ‘vrees uw angsten maar wees vooral niet bang’ neemt de kunstenaar de toeschouwers liefkozend bij de hand en laat ons kijken naar onze angsten.

Even doordacht als onverwachts, even poëtisch als humorvol zijn ook zijn eerdere werken die te zien zijn in de expositie. In een installatie zijn werken te zien die zijn recente aanslagen in een ruimer kader plaatsen. Nog meer dan in zijn ‘aanslagen zonder gevolgen’ vormt de relatie tussen cultuur en natuur hier een rode draad. Zoals in het videowerk Jos (2009), waarin te zien is hoe de kunstenaar drie maanden samen leefde met het lammetje Jos. Of het werk Lighting the Forest (2009) bestaande uit vijf verschillende lichtconstructies die hij met TL-licht in het bos creëerde.

Verder biedt de tentoonstelling een inkijkje in Van den Bosch’ ijsexperimenten in Lapland, een oplichtende auto, vuurballen en een uitvaartdienst voor alle dode dieren die de kunstenaar gedurende één dag op de autoweg had verzameld. Zo flitsen er op de beeldschermen in de expositieruimte continu onverwachte werken voorbij. De Brakke Grond presenteert hier, niet voor de eerste keer, een sterke en opzienbarende tentoonstelling waarmee het zich als hedendaagse beeldende kunstinstelling stevig op de kaart zet.

Pieter Van den Bosch, AANSLAGEN ZONDER GEVOLGEN, 2014. Foto: Annegien van Doorn
Pieter Van den Bosch, AANSLAGEN ZONDER GEVOLGEN, 2014. Foto: Annegien van Doorn

Compositie en kleur

Judith Spijksma
Lauren Hillebrandt, JUST FRUIT 2 (2012)

Compose is een duopresentatie van Rob Strick en Lauren Hillebrandt, twee jonge kunstenaars die er weliswaar een geheel andere werkwijze op nahouden, maar voor wie kleur en compositie op het eerste gezicht belangrijke uitgangspunten vormen.

Hillebrandt studeerde in 2010 af aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag, waarna ze zich ging toeleggen op stilleven fotografie. In Compose toont Hillebrandt de stillevens die ze fotografeerde voor verschillende tijdschriften en kranten zoals HP/De Tijd. Een groente- en fruitstilleven in combinatie met wat wit, vloeibaar glazuur of verdunde yoghurt is bijvoorbeeld gemaakt bij een artikel over vrouwvriendelijke pornografie. In de context van zulke opdrachten is haar werk illustratief en humoristisch.

Naast werk in opdracht is er vrij werk van haar te zien, waarin duidelijk wordt waar het de fotografe eigenlijk om te doen is. Het idee dat een foto een waarheidsgetrouw beeld geeft van de werkelijkheid is al lang losgelaten. Hillebrandt is niet een fotograaf die foto’s maakt als afdruk van de werkelijkheid. Van voorstelling tot uiteindelijke foto, alles is in scene gezet en vastgelegd. Hiermee sluit ze naadloos aan bij hedendaagse Nederlandse fotografen als Krista van der Niet en Fleur van Dodewaard, wiens werk eveneens is geïnspireerd door het stilleven en wordt gekenmerkt door een heldere, minimalistische beeldtaal. Een belangrijk aspect van het werk van deze fotografen is dat zij geen foto’s maken van een bestaande werkelijkheid, maar hun onderwerp volledig ensceneren en vervolgens vastleggen.

De foto’s van Hillebrandt doen grafisch aan en lijken digitaal geconstrueerde composities. Het in dit kader toepasselijk getitelde Composition laat dat goed zien. Tegen een strakblauwe achtergrond is een roze vlak te zien. Een oranje diagonale lijn doorbreekt het blauwe vlak tot ver halverwege het beeld. De details maken duidelijk dat het om een eenvoudige combinatie van gekleurd papier gaat, opgehangen met een stukje schilderstape aan visdraad tegen een blauwe achtergrond. De voorstelling is sterk belicht en daardoor krijgt deze grafische kwaliteiten. Hillebrandt onderzoekt haar potentieel aan hand van techniek en enscenering van de voorstelling, waarbij ze steeds meer afstand doet van de werkelijkheid zonder deze werkelijk los te laten.

Anders dan bij Hillebrandt komt het werk van Rob Strick juist voort uit verhalen en gebeurtenissen uit kranten, boeken of zijn eigen leven. Hij combineert vrijwel abstracte vormen met realistische beeldfragmenten. Zijn tekeningen en schilderijen lijken rechtsreeks uit een graphic novel te komen, maar dan een waarin het verhaal zich maar niet prijs wil geven. Tijdens zijn studie aan de AKI te Enschede werkte hij dikwijls naar aanleiding van artikelen in de krant. Die verhalen werden door Strick in fragmenten samengevoegd tot één beeld waarin de oorsprong van sommige fragmenten nog valt te herleiden. In het recente werk is die oorspronkelijke aanleiding minder goed te achterhalen.

In het meest recente werk zijn echte objecten toegevoegd zoals een kleine plastic goudvis die als een objet trouvé is gecombineerd met een vage zwart-witfoto tegen geschilderde kleurvlakken. De combinatie van foto en ruimtelijk object roept allerlei associaties op en de wens de voorstelling van een logisch en coherente betekenis te voorzien. Daarnaast maakt Strick gebruik van tekst, halve zinnen als: ‘Het lot is eigendom van …’. Het laatste deel van de zin is weg geschilderd. Het is een cryptische toevoeging zonder dat het iets uitdrukt of constateert. Taal is in zijn werk gelijkwaardig aan beeld en wordt op dezelfde fragmentarische wijze ingezet.

Het recente werk heeft over het algemeen geen titel, maar enkel een datum – de dag waarop het werk is afgerond. Die datum verbindt het werk aan een moment zonder van betekenis te zijn, net als de andere fragmenten in het werk. Strick lijkt dan ook geïnteresseerd te zijn in de manier waarop we fragmenten aan elkaar verbinden, hoe we van het ene stukje informatie naar het andere springen en op basis daarvan concepten vormen.

With Tsjalling legt de focus van het galerieprogramma op tekenkunst. In dat opzicht is deze presentatie met de toevoeging van Hillebrandts werk een uitstapje. Daarnaast richt de galerie zich op het narratieve aspect van kunst, iets waar Hillebrandt zich – zeker in haar vrije werk – eveneens weinig mee bezighoudt. Toch dient deze duotentoonstelling als een aanvulling voor het werk van beide kunstenaars. Compose zet ze niet alleen in een nieuw daglicht, met dit soort presentaties tast With Tsjalling de grenzen van het galerieprogramma af. Al blijft het in deze presentatie nog wel beperkt tot de formele aspecten van het werk van beide kunstenaars.

Rob Strick, UNTITLED 1-9-2014 (2014)
Rob Strick, UNTITLED 30-4-2014 (2014)