Wet van de natuur

Merle Smeets
Lara Almarcegui, MINERAL RIGHTS (2015) Courtesy Ellen de Bruijne Projects

De aarde, van wie is die eigenlijk? Mogen wij ons de grondstoffen die zich in de aarde bevinden zomaar toe-eigenen? En welke rechten heeft de natuur zelf? Antwoorden op deze vragen zijn van grote invloed op onze relatie tot de natuur, maar worden veelal door politieke en economische motieven ingegeven. De kunst biedt een kritisch tegengeluid en vraagt ons bestaande verhoudingen opnieuw te overwegen. Kunstenaar Lara Almarcegui deed onderzoek in een afgelegen deel van Noorwegen en presenteert haar bevindingen in het werk Mineral Rights, te zien bij Ellen de Bruijne Projects in Amsterdam. Gelijktijdig tonen kunstenaar-onderzoeker Ursula Biemann, en architect en stedenbouwkundige Paulo Tavares bij BAK in Utrecht hun gezamenlijke video-installatie Forest Law, waarvoor zij diep de wouden van Ecuador in trokken. Beide tentoonstellingen openen de discussie over het eigendomsrecht op natuurlijke bronnen.

In eerdere werken vulde Lara Almarcegui tentoonstellingsruimten met dezelfde hoeveelheid ruwe materialen als waar ze ooit uit vervaardigd werden. Hiermee riep zij vragen op over de hoeveelheden grondstoffen als koper, ijzer en beton die nodig zijn om onze steden te vormen en waar deze materialen vandaan komen.
Ook voor haar recente project Mineral Rights zoekt ze naar de kenmerken van onze verbondenheid met de aarde. Hoewel voor een particulier doorgaans vrijwel onmogelijk, wist Almarcegui in de Noorse regio Tveitvangen de rechten te verkrijgen over de grondstoffen binnen een gebied van één vierkante kilometer. Negen jaar lang heeft zij het recht om in dit gebied onderzoek te doen naar de eigenschappen van de bodem en de mineralen die daarin aanwezig zijn. Zij heeft echter geen toestemming deze grondstoffen te delven: de staat blijft eigenaar.

In haar installatie neemt Almarcegui ons mee naar dit afgelegen gebied waar zij verkent, verzamelt en documenteert. De foto’s die zij projecteert tonen details van het Noorse landschap vol ruwe rotsen bedekt met mos, hier en daar nog bedolven onder een laag hagelwitte sneeuw. Zo vormt zich het beeld van een ruig gebied waar de mens vrijwel geen toegang tot heeft en waar de natuur haar eigen gang lijkt te gaan. Deze beelden worden afgewisseld met korte feitelijke teksten die vertellen over de voormalige mijnen in het gebied waar ijzer en koper werd gewonnen, mineralen die zich miljoenen jaren geleden vormden. De nauwkeurige terughoudendheid waarmee Almarcegui haar werk presenteert, lijkt haar ontzag voor de natuur te weerspiegelen. De aanwezigheid van de mens verdwijnt naar de achtergrond, terwijl de hoofdrol wordt vervuld door het landschap zelf. Hiermee slaagt de kunstenaar er op verassende wijze in een abstract onderwerp als het eigendomsrecht op grondstoffen tot de verbeelding te laten spreken.

Dwingender is de toon van Ursula Biemann en Paulo Tavares. We worden meegenomen naar Ecuador, waar inheemse volkeren het opnemen tegen oliegiganten als Chevron/Texaco. De intensieve gaswinning en mijnbouw brengt daar grote schade toe aan de regenwouden en de mensen die er wonen. De leidraad voor Forest Law wordt gevormd door het onderzoek dat Biemann en Tavares deden naar een reeks spraakmakende rechtszaken aan het Inter-Amerikaanse Hof voor de Rechten van de Mens. Hier werd de afgelopen jaren in een serie rechtszaken gepleit voor het vastleggen van basisrechten van natuurlijke ecosystemen en de natuur te erkennen als rechtspersoon. Op grond hiervan kunnen in Ecuador sinds 2008 overheden en bedrijven juridisch ter verantwoording worden geroepen wanneer zij zich natuurlijke grondstoffen met geweld toe-eigenen.

Biemann en Tavares leiden ons diep het regenwoud in, waar onderzoekers grondmonsters verzamelen en lokale bewoners pleiten voor een meer harmonieuze relatie met de natuur. Een relatie waarin de natuur niet alleen wordt beschouwd als een schijnbaar onuitputtelijke bron van grondstoffen, maar als een levend organisme waarmee wordt samengeleefd en waarvoor wordt gezorgd. Beelden van dichtbegroeide stukken woud, waarin het getjilp van vogels en insecten levendig klinkt, worden afgewisseld met flinke stukken tekst. Anders dan de zakelijkheid van Almarcegui, zijn deze teksten van Biemann en Tavares emotioneler van aard. Voor hen geen vrijblijvende observaties, maar gedreven activisme gevoed door een sterke overtuiging. Het is verfrissend een project te zien dat zich zonder omzichtigheid ergens sterk voor maakt, en op gepassioneerde wijze kunst en activisme samenbrengt. Door de natuur te presenteren als een subject met eigen rechten geven Biemann en Tavares een niet te ontkomen aanzet om onze denkwijze ten aanzien van de natuur radicaal te veranderen.

Toch vormt zich zo een paradox: door de natuur met zo luide stem te verdedigen, wordt haar weinig ruimte gelaten zelf te spreken. Hoewel inhoudelijk nauw verwant, mist Forest Law dan ook de subtiele gelaagdheid die Mineral Rights zo krachtig maakt. Wellicht ligt dit ook in de locatie die de kunstenaars respectievelijk kozen voor hun werk. Het koele Noorwegen met zijn uitgestrekte landschappen ademt openheid en laat daarmee veel ruimte voor eigen inzichten en een open einde. Het tropisch regenwoud daarentegen is drukkend, rommelig en zit je veel dichter op de huid. 

Ursula Biemann en Paulo Tavares, FOREST LAW (2014), afbeelding met dank aan de kunstenaars en BAK, basis voor actuele kunst.
Suzanne Treister, HFT THE GARDNER/BOTANICAL PRINTS (2014-2015), tentoonstellingsoverzicht. Foto: Gert-Jan van Rooij

De dag nadat ik Algorithmic Rubbish: Daring to Defy Misfortune in SMBA bezocht, surf ik op mijn laptop naar Karen (2015). Ze bevindt zich op de website van kunstenaarsgroep Blast Theory. Karen is een levenscoach, iemand die me helpt om bepaalde dingen in het leven te doorstaan. Door vragen te stellen kan Karen leren wat voor persoon ik ben, en kan ze me persoonlijk advies geven.

Karen is grappig, nieuwsgierig en betrokken. Haar grote blauwgroene ogen kijken me bemoedigend aan vanonder een bruine pony. Maar een unheimisch gevoel bekruipt me als ik lees dat Karen met me wil afspreken. Ik kan haar downloaden als app, en ik overweeg dat te doen. In het holst van de nacht zal Karen me bellen om met me te praten over mijn leven. Om gek van te worden, lijkt me. Maar ik ben ook benieuwd naar Karen, of liever gezegd, die anonieme schurken van kunstenaars die schuilgaan achter Karens schijnbare onschuld.

Algorithmic Rubbish gaat over de manier waarop de deelnemende kunstenaars in deze tentoonstelling geheimzinnige strategieën uit de digitale wereld naar hun hand zetten. De titel van de tentoonstelling werd automatisch gegenereerd en verwijst naar de rol van algoritmes in het werk van de kunstenaars en in de samenleving. Algoritmes verbinden ons met elkaar en leiden tot producten die ons leven beïnvloeden.

Ze omringen ons in onschuldige vermommingen, zoals Karen. In SMBA hangt haar gezicht op een groot diagonaal geplaatstscherm. Boven haar hoofd lees ik ‘A white lie is often a good thing’. Links en rechts de opties ‘Strongly disagree’ en ‘Strongly agree’. Ik denk na over deze vraag, met de betrouwbare ogen van Karen op mij gericht. Nergens kan ik mijn keuze ingeven. Pas als ik de app download zal het menens worden. Langzaam maakt Karen me duidelijk dat de tentoonstelling een reclamecampagne is. Of, in de woorden van curator Jelle Bouwhuis en assistent-curator Joram Kraaijeveld, ‘een uithangbord voor kunst in het digitale domein’. Als reclameborden voor een Italiaans restaurant langs een autosnelweg zijn deze werken als het ware aan de tentoonstellingsruimte vastgegroeid; op internet en hard drives, verscholen in software.

Het meest in het oog springt Suzanne Treister, die met weinig middelen de occulte, fictieve wereld van haar project HFT, The Gardener (2014/2015) weet neer te zetten. Twintig zwarte prints waarop tekeningen van kleurrijke planten zijn afgebeeld vatten haar boodschap samen. Als in neon gehulde sterren doemen ze op uit het donkere vlak. Bovenaan prijken namen van bedrijven die vanwege hun beursnotering zijn opgenomen in de Financial Times Global 500 Index, zoals Samsung of Apple.

Hillel Fischer Traumberg, een door Treister verzonnen personage dat zijn initialen deelt met high-frequency trading (ofwel flitshandel), experimenteert hier met een kabbalistische vorm van numerologie die Gematria wordt genoemd. Deze leer zet woorden om in getallen en vice versa. Een algoritme doorzocht het internet op planten met een getalswaarde tussen 1 en 20, gelijk aan de twintig hoogst genoteerde bedrijven op de beurs van 31 maart 2014. Treister maakte dit mogelijk door de botanische namen te vertalen naar het Hebreeuws, een taal waarin alle letters een eigen getalswaarde hebben. Als een echte flitshandelaar laat HFT de kijker verbluft achter met de neus haast tegen het papier gedrukt, gissend naar een verband tussen planten en bedrijven.

Ook Femke Herregraven is in haar video-installatie Precarious Marathon (2015) op zoek naar het vermogen van algoritmes om verbanden te leggen. Vier schermen hangen op kleine hoogteverschillen in een verduisterde ruimte. De door een computer gegenereerde vlakken en lijnen dansen over de schermen met felgele, violette en turquoise achtergronden. Een oneindig gesprek vindt plaats tussen chatbots: een moderator, een flitshandelaar, een kunstcriticus en een kunstenaar met chronische slaapproblemen. Beleefde uitingen over en weer lichten als ondertiteling op van de verschillende schermen.

De titel Precarious Marathon verwijst naar de onvoorspelbare uitkomst van het geheugen en gedrag van de vier deelnemers en hun onuitputtelijkheid. De dansende vlakken en lijnen geven het gesprek fysiek gestalte, als een choreografie die uitbeeldt hoe vier mensen van vlees en bloed met elkaar om zouden gaan in een ruimte. Met het verschil dat de bots in Precarious Marathon nooit verveeld of moe worden, tenzij je de stekker eruit trekt.

Hoe gemakzuchtig ik mijn eigen keuzes laat afhangen van een algoritme van Google, zo veel moeite kost het me om Karen, Gematria en de chatbots toe te laten in mijn leven. Langzaam begin ik te begrijpen waarom deze kunstenaars hebben ingestemd met een tentoonstelling bij SMBA. Zij willen de algoritmemarkt terug veroveren. In de greep van het bedrijfsleven of beurshandel zijn algoritmes resultaatgericht, maar in handen van kunstenaars worden zij het doel zelf, en worden hun mechanismes op gevatte wijze geopenbaard. De tentoonstelling vraagt ons de afslag te nemen: download Karen, verdiep je in de manier waarop ook de kunsthandel wordt overgenomen door computers en leer Gematria. Omarm ze, met het gemak waarmee we alle andere algoritmes in ons leven hebben gesloten.

Suzanne Treister, HFT THE GARDNER/OUTSIDER ARTWORKS (2014-2015), tentoonstellingsoverzicht. Foto: Gert-Jan van Rooij

Ondingen

Pia Louwerens
Uta Eisenreich, THIS IS WHERE THE MAGIC HAPPENS (2015), foto: Gert Jan van Rooij

Wat zijn dingen? Zijn het simpelweg objecten, of zijn het kruispunten van beweging, zoals gesteld wordt in de tekst bij de expositie Something Thrown in the Way of the Observer? Als er een antwoord op deze vraag is zou hij te vinden zijn in de beeldende kunst. Wat is een kunstenaar immers anders dan “iemand die dingen maakt”?  Voor een expositie over dingen zijn in Museum van Loon op dit moment opvallend weinig dingen-makers vertegenwoordigd. Tegen de achtergrond van het intense antieke stijlkamers van het museum kiezen de meeste kunstenaars ervoor niet nog meer spullen toe te voegen. Een betere vraag is hier: wat doen de dingen? In dit geval zou het antwoord luiden: de kijker laten observeren.

Uta Eisenreich dekte het hemelbed in de slaapkamer af met zwarte stof en maakte er, met een kijkgaatje en een lamp aan de binnenkant, een grote kijkdoos van. Door het kijkgaatje zie je alleen dwarrelende stofdeeltjes verlicht, als magisch glitterstof, of (met een beetje fantasie) het heelal. Het stof is afkomstig uit het antieke interieur van het museum en van de bezoekers zelf, die steeds maar stukjes materie verliezen. Veel van de toeschouwers snappen trouwens niet wat ze door het kijkgaatje horen te zien, wat aantoont dat zoiets afgezaagds als “het alledaagse tot spektakel verheffen” nog steeds relevant kan zijn.

In Untitled (Symmetry Performance) (2015) analyseert Luuk Schröder het kijken van de toeschouwer zelf met twee videoschermen. Aansluitend op de symmetrische bouwstijl binnen het huis liet Schröder twee performers perfect gespiegeld van elkaar, in een strakke choreografie, de objecten in het museum bekijken. In strakke hoeken en lijnen lopen zij van object naar object, kriskras van familieportret naar spiegel naar bank. Het kijken als beweging of dans is hierbij belangrijker dan de objecten die bekeken worden.

Een andere buitengewone observator is Paulien Oltheten met de rondleiding/performance In dit museum vallen geen doden. Oltheten knoopt het museum en de buitenwereld associatief aan elkaar door middel geobserveerde parallellen. Hierbij doet zij mooie vondsten, bijvoorbeeld wanneer de poses van handen in de aanwezige familieportretten worden vergeleken met de hand-houdingen van mensen in India – willekeurige passanten die onnadenkend sensueel met hun handen langs een trapleuning strijken. De rondleiding, hoewel sporadisch uitgevoerd, vormt een belangrijke aanvulling op de expositie. Door de formele context van het museum blijft er een afstand bestaan tussen jou als toeschouwer en de museale objecten die je bekijkt. Het is een opluchting wanneer het museale fatsoen even wordt doorbroken en de rondleidster een kastje opentrekt, of haar papieren op het bed neerlegt. De enige kanttekening bij deze performance is dat het zonder de geforceerde identiteitsverwarring tussen kunstenaar (Paulien Oltheten) en rondleidster (Jasmin Moeller) zou kunnen. Het werk heeft dit niet nodig, een performance is al spannend genoeg, vooral als er ook dingen aangeraakt worden die wel of niet aangeraakt mogen worden (inclusief werk van anderen, wat terloops door dit werk toegeëigend wordt).

Ik stelde net dat er niet veel “dingen-makers” bij deze expositie betrokken zijn. Een prachtige uitzondering hierop is Rosa Sijben, die juist een hele interessante relatie met dingen heeft. Bij binnenkomst van de expositie zie je, om te beginnen, een stapel grijs geverfde langwerpige blokken: een onderdeel van haar installatie Zouden zijn zullen (volumes 2) (2015). De blokken hebben bijna een jaren ’80 esthetiek, functioneren ook gelijk als tafeltje voor de zaalteksten en zijn een koud bad van lelijkheid voor iemand die net alleen maar antieke objecten gezien heeft. Verder in de gang ligt een onderdeel van Zouden zijn zullen (volumes 1) (2015), een verzameling van in totaal honderd transparante oranjerode staven van polyester. In de “vogelkamer” bedekken een tiental van deze kleine objecten verschillende delen van het interieur. Ze liggen in een vast raster; deels op een bed, deels op een kastje en deels op de grond. Ergens anders lijken de grijze blokken nog het meeste op pilaren, en in de gang lijken de polyester dingen weer op kinderspeelgoed. De vormen en materialen van deze twee installaties zijn dusdanig vreemd in deze omgeving dat er iets nieuws gebeurt: het werk wil absoluut geen relatie aangaan met zijn context. Er ontstaat hierdoor, bovenop het interieur van het regentenhuis van Loon, een soort parallelle laag van dingen die helemaal niet functioneel en zelfs volkomen absurd zijn. Er ontstaat een wisselwerking tussen de objecten en het bed, tussen de objecten en het exotische vogelbehang, zelfs tussen de blokken en de programmaboekjes.

Dat een kunstobject als ding zichzelf niet centraal hoeft te stellen, bewijst deze expositie. Een kijkdoos, een videoscherm of een performance hoeft geen interessant ding te zijn om de toeschouwer iets te tonen. Toch is het bijzonder wanneer in zo’n heftige context een verzameling objecten tegelijkertijd zichzelf en haar omgeving compleet absurd weet te maken. Daar waar de dingen onderling gaan schuren en alles vreemd wordt, daar laten de dingen-makers hun grootste kracht zien. 

Luuk Schröder, UNTITLED (SYMMETRY PERFORMANCE) (2015) en Rosa Sijben, ZOUDEN ZIJN ZULLEN (VOLUMES 1) (2015),foto: Gert Jan van Rooij
Paulien Oltheten, IN DIT MUSEUM VALLEN GEEN DODEN (2015), foto: Gert Jan van Rooij
Rosa Sijben, ZOUDEN ZIJN ZULLEN (VOLUMES 1) (2015), foto: Gert Jan van Rooij
Craig Ames, LEFT RIGHT LEFT (2000-2001)

‘Werken bij defensie. Je moet het maar kunnen.’ Met deze slogan en een prikkelend reclamespotje worden jonge mannen en vrouwen opgeroepen om zich aan te melden bij de Nederlandse krijgsmacht. Het geromantiseerde beeld dat in reclamecampagnes wordt geschetst van het leger spreekt zeer tot de verbeelding, met name bij jonge jongens die in hun dagelijkse sleur hunkeren naar avontuur, onafhankelijkheid en waardering.

Met deze motieven meldde ook Craig Ames zich in 1989 aan als infanterist bij het Britse leger. In 2001, tien jaar nadat hij zijn diensttijd had afgebroken om fotograaf te worden, keerde Ames terug naar zijn oude regiment om de andere, verborgen kant van het soldatenleven, die niet door de media wordt laten zien, vast te leggen.

De jongens in zijn foto’s zijn geen stoere, gestaalde helden, maar zitten onderuitgezakt op de bank verveeld naar een pornofilm te kijken of een computerspelletje te spelen. Een enkeling heeft geprobeerd zijn kale onderkomen wat op te leuken door een Perzisch tapijtje op de grond te leggen en posters van sexy dames boven zijn bed te hangen. Verder dan dit gaat de verpersoonlijking van de ruimte niet. Heimwee naar thuis, naar geliefden en familie lijken de rekruten liever voor zichzelf te houden. De liefde voor het vaderland wordt daarentegen niet onder stoelen of banken geschoven, gezien de Britse vlag die als beddensprei en tafellaken dient.

Naast de soberheid en verveling legt Ames de nadruk op de regelmaat en disciplinering die in het leger heersen. Dit komt goed tot uiting in een foto van een stellingkast waarin het keukengerei en gereedschap stuk voor stuk zijn genummerd, en in een foto waarin een rekruut keurig zijn eigendommen op het bed heeft uitgespreid voor inspectie.

Hoewel Ames de wereld van zijn oude strijdmakkers met een zekere kritische afstand bekijkt – hij is er immers voortijdig uitgestapt – is zijn betrokkenheid bij hun situatie onmiskenbaar. Ver van huis, op een plaats waar alle warmte en geborgenheid uit lijkt te zijn weggezogen, hebben de jongens alleen elkaars aanwezigheid. Samen pornofilms kijken wordt daarmee een teken van kameraadschap.

Ames’ manier van fotograferen past binnen een richting in de documentairefotografie die in de jaren tachtig opkwam rond Britse fotografen als Martin Parr, Paul Graham en Victor Burgin, en die wordt gekenmerkt door een directe en onesthetische beeldtaal en het gebruik van kleurenfotografie. Dit was zeer revolutionair in een tijd dat dramatische zwart-witfoto’s nog de norm waren.

De felle weerkaatsende flitslichten, onevenwichtige composities en de rozige gezichten van de in camouflagekleding gehulde soldaten in het werk van Ames doen denken aan Parrs met daglicht ingeflitste foto’s van de overbevolkte Engelse badplaats Brighton uit de serie The Last Resort (1985). Waar Parr met een flinke dosis ironie de gevolgen van het Thatcherisme in beeld brengt, haalt Ames met zijn rauwe en troosteloze foto’s het door de Britse media gepropageerde beeld van defensie onderuit. Geen spannende patrouilles, vijandelijke aanvallen en heldhaftige daden, maar verveling, eentonigheid en gelatenheid zijn het lot van de soldaat.

Craig Ames, LEFT RIGHT LEFT (2000-2001)
Craig Ames, LEFT RIGHT LEFT (2000-2001)
Craig Ames, LEFT RIGHT LEFT (2000-2001)
Stout & Smits, IN LIMBO (2015)

“Ik werk aan het script, Jeroen houdt zich meer bezig met de stemregie en de montage,” legt Ineke Smits uit, “maar dat kan ook ineens weer andersom zijn”, vult Jeroen Stout haar direct aan. Verhalen vertellen is hun specialiteit. Zij is film- en documentaireregisseur, hij radiomaker. Daarnaast maken ze als Stout & Smits soundwalks, een samenwerking die vanzelfsprekend lijkt.

Voor Gimme Shelter werken Stout en Smits aan de soundwalk In Limbo. Met een koptelefoon op leggen luisteraars een route af door het landschap rondom Fort Nieuwersluis, begeleid door een meerduidig verhaal over oorlog, vrede en het spanningsveld daartussen. Hoe gaan ze te werk, wat maakt een soundwalk aantrekkelijk, en wat is het eigenlijk?

“Bij een museale audiotour gaat het om de feiten, dat is bij ons totaal niet het geval”, vertelt Smits. “Onderzoek naar de geschiedenis van het fort ligt wel aan de basis van ons werk. Dat fort heeft iets heel interessants. Om de Fransen buiten te houden werden in 1672 de dijken doorgeprikt, waardoor het landschap onder water kwam te staan. Daarna is er een waterlinie en een fort gebouwd, dat vervolgens nooit als fort is gebruikt. Wel heeft het steeds een rol gespeeld bij dreigingen, zoals tijdens de Frans-Pruisische oorlog in 1870, en later tijdens de Koude Oorlog.”

“Als je er nu rondloopt is het een heel vreedzame omgeving waar je prachtig kunt picknicken”, stelt Stout. “Tegelijk voel je de oorlogsgeschiedenis. Dat is raar, en bracht ons op het idee drie personages in het leven te roepen die verschillende periodes hebben meegemaakt. Ze gaan met elkaar in gesprek, waardoor verschillende tijden en situaties uit de geschiedenis van het fort naast elkaar worden gepresenteerd, maar ook conflicterende visies naar voren komen. Zo leggen wij deze beladen geschiedenis als een extra werkelijkheid over het landschap heen. Het gaat ons hierbij om een abstracter idee van oorlog. We willen de luisteraar meeslepen in een andere wereld, maar tegelijkertijd ook aan het denken zetten.”

In Limbo is de tweede soundwalk die Stout & Smits produceren. In 2010 maakten zij The Hive, waarbij luisteraars met een koptelefoon over de Kop van Zuid in Rotterdam dwaalden en werden meegenomen in een sinister verhaal over de dood van een Koreaanse actrice. Voor het Nationaal Archief ontstond in 2013 Een Haagse Affaire, een audiovisuele installatie over een controversiële rechtszaak in 1700.

“Het leukste van deze projecten is dat ze buiten de kaders vallen van onze professie. Met ons eigen werk lopen we toch tegen grenzen aan; de productiekosten daarvan zijn vaak hoger, waardoor je afhankelijk bent van anderen. Ook het format is dwingend, van een film heeft men bepaalde verwachtingen waaraan je moet voldoen, dat is bij radio ook zo.”

De soundwalks bieden Stout & Smits ruimte voor experiment. Chronologie wordt losgelaten, en meerdere verhalen vormen een complex geheel. Ook wordt de beeldregie overgedragen aan de luisteraar, die zelf bepaalt waar de blik zich op vestigt. Ondertussen zijn er alweer plannen voor een derde soundwalk, die in het centrum van Rotterdam moet plaatsvinden. Vol enthousiasme noemen Stout en Smits de vele vormen die de soundwalk kan aannemen, met behulp van posters, gps of nieuwe media. “De uitdaging ligt in het doen van iets totaal anders. Een soundwalk heeft eigenlijk nog geen format, er zijn geen conventies, dat geeft een enorme vrijheid.”

Wij wachten moedig

Manon de Vries
Esther Jiskoot in haar studio, COURAS NR. 2, 2015

Een beeld van 1,60 meter groot zit in een inham boven de entree van KunstFort Asperen. Een fort dat ooit gebouwd werd als onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, waar soldaten wachtten op een vijand, die nooit kwam. De sculptuur boven de inham is een reusachtige figuur, voorzien van een grote romp met tentakels gemaakt van honderden koperen schildjes, die vermoeid rust en uitkijkt naar een vijand die nooit komt.

De in 1963 in Breda geboren Esther Jiskoot maakt sinds haar afstuderen aan de Rietveld Academie en de Rijksakademie in 1993 sculpturen met zeer grillig en kleurrijk glas die tegelijkertijd robuust én kwetsbaar zijn. Ze houden het midden tussen man en vrouw, hebben vreemde aanhangsels en uitstulpingen. Haar werk gaat vaak over tegenstellingen. Het verleiden en het afstoten, het mannelijke en het vrouwelijke, of het kwetsbare en het sterke. Jiskoot: “Schijnbare tegenstellingen die bijna altijd samengaan en onderdeel zijn van de menselijke natuur.” Loop om Jiskoots beelden heen en een wereld van vier dimensies opent zich. “Glas,” zegt de kunstenaar, “is één van de weinige materialen die licht in zich vangt, maar zelf ook diepte in zich heeft.” Misschien staat glas voor Jiskoot daarom wel voor zuiverheid.

In de sculptuur met de titel Couras nr. 2, dat Jiskoot maakt voor Gimme Shelter, komt geen glas voor. Wel piepschuim, touw, ijzergaas, haakwerk en honderden schildjes van gebogen koper. Toch draait het ook in dit werk om Jiskoots favoriete thema, licht en innerlijke reflectie. “Glas trekt het licht in het beeld, maar bij het thema ‘wachten op de vijand’ was het beter om het licht terug te kaatsen als een beschermwand, daarom heb ik nu niet voor glas gekozen.” Jiskoot liet zich inspireren door een brief van een kapitein die het fort moest bewaken. Uit die brief kwam naar voren dat het grootste gevecht van soldaten tegen de verveling was. Om dit tegen te gaan hield de kapitein hen constant bezig om zo baldadigheid te verhinderen. Allerlei klusjes liet hij zijn mannen doen, zoals het eindeloos oppoetsen van de geweren. Dit beeld zou het resultaat kunnen zijn van een dergelijk tijdverdrijf, wat Jiskoot versterkt door haar gebruik van materialen die voor de soldaten voorhanden waren.

Het wachten op de vijand had als gevolg dat de soldaten constant in verschillende gemoedstoestanden verkeerden. Want wat voor beeld ontstaat er van jezelf en de ander als je jaren op een onzichtbare vijand wacht? Houd je moedig vol, of zakt de moed je regelmatig in de schoenen? En als je het soms even niet meer ziet zitten, hoe pep je jezelf dan weer op? Niemand kan zich constant heroïsch voelen. Deze vragen liggen ten grondslag aan de sculptuur, en zijn ook de gedachten die door de hoofden van de kijkers gaan spoken. De twee kanten van wachten vormen tevens de inspiratie voor de titel van het werk, een samentrekking van courage (moed) en as (kruispunt).

“Het beeld straalt ambivalentie uit: het is fysiek sterk, maar ook vermoeid. Het wil graag verleiden, maar stoot ook af,” aldus Jiskoot. “De tentakels van het beeld zijn een soort touwen waarin je naar boven kunt klimmen, om zo nog verder te kunnen uitkijken.” Maar ook de tentakels dragen dat dualisme in zich. Aan de andere kant van het kunstwerk stromen ze het beeld weer uit: als de moed die langzaam uit de lamlendige wachter druipt.

Esther Jiskoot in haar studio, COURAS NR. 2, 2015

Onverwachte perspectieven

Niels van Maanen
Jasper Niens, UNTITLED, 2015

Jasper Niens (1980) is een ontregelaar in hart en nieren. Hij bouwt grootschalige, architecturale installaties die de indeling en het gebruik van bestaande ruimtes bepaald niet ongemoeid laten. Zo liet Niens de bezoekers van kunstbeurs Art Basel Miami Beach 2010 zich door een uiterst nauwe gang wurmen om de stand van galerie West uit Den Haag te kunnen bezichtigen. Bezoekers van ARCOmadrid 2013 kregen daarentegen een onvoorzien weids uitzicht aangeboden doordat Niens een grote trap in de beursstand van West bouwde. Tot en met augustus dit jaar is in Nieuwe Vide in Haarlem zijn installatie Inside out & Upside down (2014) te zien, een enorme ribbenstructuur die de expositieruimte in vieren deelt. Niens werpt obstakels op, biedt beschutting en opent onverwachte perspectieven.

In opdracht van Gimme Shelter realiseert Niens momenteel een installatie op het terrein van Fort bij Vijfhuizen. Een door Niens ontworpen brug zal het fort met de nabijgelegen, maar enkel via een forse omweg te bereiken, dijk verbinden. In navolging van Gimme Shelter vroeg ook Tubelight aan Niens een werk te maken.

Niels van Maanen: Ik ken je als een rasechte bouwer. Hoe is het om nu in Tubelight een tweedimensionaal werk te presenteren?

Ik speelde al langer met dat idee. Al mijn installaties komen namelijk voort uit tekeningen. Als ik een installatie ontwerp, dan doe ik eerst altijd grondig onderzoek naar de locatie. Ik meet de plek op en maak er vervol¥gens met de computer een 3D-model van. Aan de hand daarvan denk ik na over wat ik wil gaan doen en maak ik ontwerpen. Onder andere met behulp van Grasshopper, een applicatie waarmee je 3D-vormen kunt programmeren. Veel van die ontwerptekeningen zijn mooi om naar te kijken, en in de toekomst zou ik er daarom graag grote prints van maken, ook bij wijze van onderzoek. Voor Tubelight wilde ik een veel abstracter werk maken. Ik heb ankerpunten aangegeven op een netstructuur en er daarna krachten op losgelaten. Zo ontstaat een interessant lijnenspel. Toch zullen de tekeningen altijd ondergeschikt blijven aan mijn driedimensionale werk. Ik ben en blijf een bouwer.

De laatste jaren zijn je installaties steeds grootschaliger en complexer geworden.

Vroeger deed ik alles zelf: tekenen, uitmeten, zagen. Maar de laatste drie jaar zijn mijn installaties allemaal digitaal ontworpen. Houten onderdelen laat ik tegenwoordig door een machine snijden. De vormen in mijn werk zijn zo complex geworden dat ik ze Ÿberhaupt niet meer zou kunnen uittekenen. Ik wil daar in de toekomst nog veel verder in gaan. Samen met ontwerper Thijs Ewalts heb ik afgelopen zomer een bedrijf opgericht: Superproject. Met behulp van software ontwerpen we in opdracht van klanten complexe, geometrische vormen. We voorzien klanten ook gelijk van de snijpatronen om de vormen snel en accuraat te fabriceren. Dat wat ik met Thijs doe, wijkt eigenlijk niet zo veel af van mijn eigen praktijk. Het enige verschil is dat ik radicaler kan zijn in mijn eigen werk. Zo is de installatie die ik bij Nieuwe Vide heb ge•nstalleerd gerelateerd aan de schouderbreedte van de mens. Dat kan alleen in een galerieruimte.

Mis je het niet om te werken met je handen, nu je tijdens je ontwerpproces zo afhankelijk bent geworden van software?

Ja, het is natuurlijk een beetje jammer dat ik tegenwoordig eigenlijk alleen nog maar met de computer werk. Ik kan niet langer zomaar even met de hand een simpele maquette maken. Tegelijkertijd heb ik hier natuurlijk ook voor gekozen. Mijn mogelijkheden zijn enorm vergroot. Ik kan nu in mijn eentje gigantische dingen bouwen. Daar had ik eerst heel veel mensen voor nodig.

Ook voor Gimme Shelter ontwierp je weer een grootschalige en complexe installatie.

Toen mij werd gevraagd om een werk te maken voor Fort bij Vijfhuizen ben ik er gaan kijken. Wat me direct opviel was de dubbele gracht rondom het fort. Tussen beide grachten in ligt een laag dijkje, dat je alleen via de uiterste zijkanten van het terrein kunt benaderen. Vanaf de dijk kun je Vijfhuizen mooi van een afstand bekijken, en daarom besloot ik een brug te ontwerpen. De brug bestaat uit twee delen: een vlonderbrug, aan de zijde van het fort, met daaraan vast een opklapbare brug. Deze opklapbare brug zakt in onder het gewicht van mensen, waardoor ze de dijk kunnen bereiken. Als je alleen bent zul je de overkant Ÿberhaupt niet halen, want daar is het gewicht van meerdere mensen voor nodig.

Je installaties zijn altijd locatiespecifiek. Wat gebeurt er eigenlijk mee nadat ze zijn afgebroken?

Ik bewaar veel van mijn installaties. Hier in mijn studio staat bijvoorbeeld een grote, houten kist met daarin Revolver, de trap die ik bouwde voor ARCOmadrid. Om de trap opnieuw betekenis te geven, zou ik de beursstand weer moeten opbouwen. Hij is namelijk specifiek voor die context ontworpen. Het zou zonde zijn om de trap los te verkopen. Een deel van het interieur van mijn stu¥dio heb ik gebouwd met materiaal afkomstig uit oudere werken. Vroeger kon dat nog. Als ik een installatie maakte, bleven de onderdelen basismaterialen. Recht¥hoekige, houten planken kun je makkelijk hergebruiken. Bij mijn huidige werk is dat niet langer het geval. Elk onderdeel heeft tegenwoordig een complexe vorm en unieke afmetingen. Om het overzicht te bewaren, moet ik elk onderdeel voorzien van een code. Wat moet je daar nou nog mee?

Kunst tegen gevoelsarmoede

Roosmarijn Hompe
Koen Taselaar, UNTITLED (2011), Courtesy Francis Boeske Projects, Foto: Jhoeko

Neometrism is een presentatie waarin het werk van Babette Kleijn, Thomas Raat en Koen Taselaar naast elkaar wordt getoond. Het zijn drie kunstenaars die vooral bezig zijn met het construeren van een beeld, waarbij ze lustig leentjebuur spelen bij modernistische kunst en vormgeving. Ze putten inspiratie uit het dagelijks leven, maar citeren ook uit eigen werk.

Motieven en vormen die de kunstenaars in hun werk gebruiken lopen in elkaar over of versterken elkaar. Zo resoneren de geometrische vormen van Kleijns Scherpte-oefeningen en Klembeelden in een indrukwekkende sculptuur van Taselaar, waarbij de 26 letters van het alfabet achter elkaar zijn geplaatst en een ingewikkeld driedimensionaal patroon vormen. De overeenkomsten tussen het werk van de kunstenaars zijn vooral van formele aard, zoals ook Raat signaleert in de video die bij de tentoonstelling is gemaakt.

In de zaaltekst beschrijft Nest-directeur en curator Eelco van der Lingen hoe het decor van de bekende tv-serie Mad Men een metamorfose ondergaat wanneer de serie van de jaren 60 overgaat in de jaren 70. De stijlvolle houten Scandinavische meubelen en stemmig gekleurde gordijnen maken plaats voor organisch gevormde fauteuils en groovy behang. Volgens Van der Lingen is het moeilijk voorstelbaar hoe men veertig jaar geleden in zo’n bontheid verzeild is geraakt. Als mogelijk relevante achtergronden noemt hij de emancipatiebewegingen uit die tijd, het opkomende individualisme en de behoefte aan zingeving.

Het is jammer dat Van der Lingen in zijn inleidende tekst de beeldtaal van de drie geselecteerde kunstenaars zo krampachtig verbindt aan die van de jaren 70. Hierbij dringen zich stereotype beelden op van bruin behang, zitkuilen en macramé die niet direct zijn te rijmen met de kunstwerken in de tentoonstelling. Zo wordt de bezoeker in eerste instantie op het verkeerde been gezet, want veel meer dan op het tijdsbeeld van de jaren 70 blijken Kleijn, Raat en Taselaar voort te bouwen op de tijdsgeest die zo bepalend is geweest voor de kunst, vormgeving en architectuur zoals we die nu kennen. Net als veel kunstenaars en ontwerpers in de jaren 70 reflecteren Kleijn, Raat en Taselaar op de erfenis van het modernisme.

De functionalistische beloften van vooruitgang, ordelijkheid en rationaliteit bleken aan het einde van de jaren 60 geen stand te houden. De avant-garde was uitgeraasd en het modernisme werd door kunstenaars, ontwerpers en critici doodverklaard. In architectuur, interieur en vormgeving moest plaats komen voor ‘het menselijke’. Expressie en decoratie werden het weerwoord op het ‘gevoelsarme’ functionalisme.

Het prefix ‘neo’ in de titel van de tentoonstelling is goed gekozen. Het is evenwel onduidelijk waar ‘metrism’ op slaat. De term is nog het meest van toepassing op het werk van Kleijn, die haar werkwijze omschrijft als oefeningen in scherpte. De titel ‘Neomodernism’ was wellicht passender geweest, omdat deze kunstenaars – met name Kleijn en Raat – het modernisme als beeldende grabbelton gebruiken.

Zo speurt Raat in kringloopwinkels en op veilingen naar tweedehandsdesignmeubels die hij zo aanpast dat ze ambigue objecten worden, zwevend tussen kunst en design. Schuin op het onderstel van een bekende Italiaanse salontafel plaatste hij een plaat met een holografisch op-artmotief. Verderop staat een houten bankje op een witte sokkel. In beide gevallen is het niet helemaal duidelijk waar het kunstwerk ophoudt en de sokkel begint.

Ook zijn er enkele oudere werken aanwezig: abstracte schilderijen die zijn afgeleid van boekomslagen. De sterk uitvergrote omslagen, ontdaan van tekst en logo’s, blijken losjes gebaseerd op modernistische beeldtaal, maar met een decoratieve toepassing. Kleijn en Taselaar samplen eveneens, zowel bewust als onbewust, de beeldtaal van vroegere tijden. Zo bouwt Kleijn voort op constructivistische muurreliëfs uit de jaren 30 en gebruikt daarbij de decoratieve en hobbyistische ‘string art’ uit de jaren 70.

Het werk van Taselaar doet denken aan de DIY-mentaliteit van punk. Kenmerkend is zijn improviserende werkwijze, waarbij hij ruimte laat voor toeval en ongelukjes, en zijn werk vaak lardeert met een dosis humor. Zijn tekeningen zijn grotendeels opgebouwd (en volgestouwd) met patronen en tekst, waarbij Taselaar elk van de 26 letters van het alfabet evengoed opvat als een ornament. In de ‘woordpap’ die tekst voor hem als dyslecticus soms is, ziet hij beelden die hij in zijn tekeningen vastlegt. Waar Raat het beeld ontdoet van tekst en andere symbolen, maakt Taselaar tekst tot beeld.

Gelukkig is er van de jaren 70-referentie uit de zaaltekst niets te merken in de tentoonstelling. In de tentoonstellingsruimte zijn de kunstenaars vrijgelaten om met elkaar te jammen. Tussen de werken onderling ontstaan spannende relaties en beeldrijm. Dit alles resulteert in een stimulerende tentoonstelling. Het modernisme hoeft dus nog niet in de mottenballen, maar blijkt daarentegen reuze actueel.

Thomas Raat, BERLIOZ AND HIS CENTURY, AN INTRODUCTION TO THE AGE OF ROMANTICI (2012), Courtesy Juliètte Jongma, Foto: Jhoeko
Yan Michon, ZONDER TITEL, 2014

Voor het eerst in het tweehonderdjarig bestaan van de linies vormen drie forten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam het decor voor een internationale kunstmanifestatie. Gimme Shelter: forten en ficties in Laagland combineert tweehonderd jaar (militaire) geschiedenis met hedendaagse kunst in Asperen, Vijfhuizen en Nieuwersluis. In gesprek met de samenstellers van Gimme Shelter: Lucette ter Borg en Sacha Bronwasser.

‘Militaire fictie’ is de rode draad die de drie deeltentoonstellingen van Gimme Shelter met elkaar verbindt. Het fictieve aspect van strijd en verdediging, wat houdt dat precies in? “Het is alsof de forten zijn gebouwd en steeds weer worden verbeterd om een vorige oorlog te winnen”, citeert Lucette ter Borg de vroegere landbouwminister Cees Veerman als toelichting. “Het idee dat je krijgsmachines en gebouwen ontwikkelt die alweer achterhaald zijn op het moment dat ze worden opgeleverd.” Sacha Bronwasser vervolgt: “Het hele militaire apparaat moet natuurlijk enorm speculatief zijn. Het dient zich voor te bereiden op iets wat uit de toekomst komt, maar de basis ligt in het heden. Technologische ontwikkelingen bepalen hoe gebouwen worden gemaakt. Niemand weet of er over tien jaar wellicht iets totaal nieuws wordt uitgevonden. Je moet dus altijd vooruitkijken: wie is mijn vijand, hoe denkt die? Dat aspect heeft zoveel met verbeelding te maken.”

Van daaruit is de brug naar kunst snel gelegd. “Het is heel interessant om met een kunstblik te kijken naar voorwerpen en foto’s die eigenlijk niet als kunst zijn bedoeld”, vertelt Ter Borg. “Zo tonen we luchtfoto’s uit 1920, die allemaal van ongeveer dezelfde hoogte Nederlandse forten laten zien. Dan verschijnt een mooi geografisch patroon van stervormen, pijlen, gekke ruiten, cirkels…” Bronwasser vult aan: “Eigenlijk ligt heel Nederland vol met dit soort grafische signalen. Een marsmannetje toekijkend vanuit de ruimte zou denken: wat is dit?” Ook te zien is de fotoserie van Dik Bouwhuis (NL) uit de jaren negentig, net nadat Nederland de dienstplicht afschafte. Bouwhuis kreeg toestemming om te fotograferen in verschillende kazernes, waarvan een groot deel na de Koude Oorlog werd gesloten of herbestemd. “De foto’s tonen het absolute failliet van het militaire apparaat”, beschrijft Ter Borg. “Alles daar ziet er semiglorieus uit. Een lullig raketje op een tafel in een enorme vergaderzaal. Dat moet dan iets representeren wat er allang niet meer is.”

De forten vormen het grootste bouwproject van de Nederlandse overheid in de negentiende eeuw – nog duurder dan het aanleggen van de Deltawerken – maar zijn uiteindelijk nooit in bedrijf genomen. Tientallen jaren woonden soldaten op Fort Asperen, zonder dat er een vijand kwam. Een fascinerend gegeven, vindt Ter Borg: “Wat doet het met je als je zo lang in een groep zit te wachten? Dat zit ook in het cirkelvormige gebouw: je komt steeds weer bij jezelf uit.” Fort Vijfhuizen was een decorfort, gebouwd om door één iemand bemand te worden, terwijl Fort Nieuwersluis sinds de oorlog onder meer in gebruik was als atoombunker en als schuilplaats voor dienstweigeraars tot vrouwelijke gevangenen. Ook dat heeft weer met fictie te maken, concludeert Bronwasser. “Midden in een dorp bevindt zich iets waarvan niemand wist wat er aan de hand was. Als je er vandaag de dag binnenloopt, zie je de voedselpakketten en gasmaskers nog liggen. Het is bevroren sciencefiction.”

In Nieuwersluis draait het dan ook om geheimhouding, verborgenheid en schuilen in de tentoonstelling Verborgen krachten. Ook KunstFort Asperen neemt de lokale geschiedenis als uitgangspunt voor Brief aan mijn vijand, dat de nadruk legt op de microkosmos van een soldatengemeenschap en het construeren van een vijandbeeld. Kunstfort bij Vijfhuizen onderzoekt in Strijdtoneel het spelaspect van strijd, zoals in spellen en games, strategie en survivaltactieken. Zonder fixatie op namen of periodes zijn Ter Borg en Bronwasser op zoek gegaan naar historisch beeldmateriaal en bestaand werk, wat tot een gevarieerde selectie heeft geleid. Waar beeldhouwer Esther Jiskoot (NL) een mythisch mens-dierwezen op de uitkijk zet boven de poort van Asperen, is het werk van Akram Zaatari (LBN) tamelijk conceptueel van aard. Terwijl de Canadese kunstenaar Micheal Blum in zijn film een bekende speech van George Bush jr. verhaspelt, creëert Ralf Westerhof (NL) in de kelder van Asperen een sprookjesachtig schimmenrijk van draadfiguren die allerlei vijanden representeren. Ook worden twaalf werken in opdracht gemaakt.

De eclectische opzet van de tentoonstelling is een bewuste keuze, vertelt Bronwasser. “Het zit ook in onze natuur. Wij schrijven beiden voor een krant, dat heeft ons gevormd in onze houding ten opzichte van het vertalen van beeldende kunst. Je weet eigenlijk nooit voor wie je schrijft. Je publiek is een soort heel algemene lezer, die tegelijkertijd heel specifiek is. Zonder op je knieën te gaan moet je die toegang bieden. Bovendien worden deze locaties niet alleen bezocht door kunstliefhebbers, maar ook door erfgoedliefhebbers, toeristen en dagjesmensen. We komen verschillende groepen tegemoet.” Ter Borg voegt hieraan toe dat de eclectische aanpak wat haar betreft niet zozeer samenhangt met publieksvriendelijkheid. “Wij gaan uit van de kunst. We proberen het beste werk bij elkaar te vinden en dat zo toegankelijk mogelijk uit te leggen. Er zijn zo veel tentoonstellingsplekken waar haast niemand komt na de opening. Dat willen we hier echt voorkomen. Ik voel me een soort ambassadeur van de kunst op deze forten.”

Het organiseren van een kunstproject in de landelijke openbare ruimte bracht nieuwe inzichten met zich mee. Ter Borg: “Als je in de kunstwereld werkt, ben je gewend om met kunst om te gaan. Je verkijkt je erop hoe raar ‘normale’ mensen tegen kunst aankijken.” Ze realiseerden zich al snel dat ze alle betrokken partijen, van Staatsbosbeheer tot Natuurmonumenten, één voor één moesten overtuigen. “Buurtvergaderingen, een bloemetje brengen als iemand ziek is, dat hoort erbij. Daardoor ontstaat steeds meer goodwill”, zegt Ter Borg. “Ik zie regelmatig tentoonstellingen waarvan ik denk: jullie begrijpen dit onderling heel goed, en dat jargon is fijn als je met z’n allen in een zaaltje zit, maar hoe breng je dit over op mensen die er anders in staan? Hiervan zijn we ons nog meer bewust geworden.” Ook bleek het boeiend om het Nederlandse subsidiestelsel eens van dichtbij mee te maken. Bronwasser: “Je wordt gedwongen heel hard te rennen terwijl er nog geen financiële zekerheid is. De fondsen hebben zich fantastisch naar ons opgesteld, maar het systeem zelf is op z’n minst onhandig. Het gaat uit van de verwachting dat deze beroepsgroep, hoe armetierig het ook uitpakt, het toch wel tot een goed einde zal brengen – en verdorie, dat is ook zo.”

Verwijst Gimme Shelter ondanks het historische uitgangspunt ook naar de actualiteit? “Absoluut”, vindt Bronwasser. “Geschiedenis is altijd van nu. In de twee jaar dat we nu bezig zijn is Oekraïne ontploft en dook IS op; middeleeuwse krijgers waarvan je denkt: uit welk oud schilderij komen zij? Terrorismedeskundige Beatrice de Graaf schreef in januari een mooie column in NRC Handelsblad over de noodzaak van een groter verhaal, die wij kwijt zijn in het Westen. Wij zijn consumenten geworden die reageren op onze behoeftes, terwijl de IS-strijders zich vasthouden aan een verhaal. Hoe moet je daar weerwoord aan bieden als je zelf geen hoger streven hebt?” Ter Borg vult aan: “Het gaat ook over menselijk falen. Het zijn fata morgana’s die mensen bouwen, om maar een doel te hebben. Dat komt in deze tentoonstelling op verschillende manieren naar voren. De link met het heden is alomtegenwoordig.”

Dit blijkt ook uit de drie boegbeelden die de forten zullen sieren: spectaculaire interpretaties van Joint Strike Fighters door Stefan Gross, Zoro Feigl en Matjaž Štuk & Alena Hudcovičová. “Wij hebben er drie, nog voordat de Nederlandse overheid er één heeft”, lacht Bronwasser. “De JSF is in onze ogen bij uitstek de militaire fictie van deze tijd.” Ondanks de politieke thema’s die voorbijkomen, beschouwen de curatoren Gimme Shelter niet als een politieke tentoonstelling. “Zodra een werk met een actuele situatie te maken heeft, wordt het vaak meteen bestempeld als politiek, terwijl het lang niet altijd gaat over de positie van de maker. In onze manifestatie is nauwelijks oorlog te zien. We hebben zoveel biënnales en tentoonstellingen bezocht waarin de hele wereldproblematiek aan bod kwam, dat wilden we vermijden. Het is namelijk ook een vorm van gratuit engagement. Als je tentoonstelling is afgelopen, wat dan? Engagement kan zich evengoed tonen in het vooropstellen van de verbeelding. Dat is het enige weerwoord wat we hebben. Wij kiezen de kant van de kunst.”

Juan-Pedro Fabra Guemberena, GILBERTO KNEELING, 1997
Lida Abdul, WAR GAMES (WHAT I SAW), 2006

Lachen om de vijand

Agnes Winter
Dick Verdult, HAPPY THATCHERCIDE (2015)

Voor Gimme Shelter maakte Dick Verdult het werk Happy Thatchercide, waarin hij Margaret Thatcher en haar rol in de Falklandoorlog op geestige, maar tegelijkertijd ernstige wijze als onderwerp neemt. Het Falkland-conflict vond plaats in 1982, toen Thatcher met harde hand een einde maakte aan de Argentijnse bezetting van de Brits gekoloniseerde eilandengroep voor de kust van Argentinië‘. De oorlog kostte het leven aan 649 Argentijnen en 258 Britten, en de Falklandeilanden bleven Brits grondgebied. Voor de Argentijnen luidde de traumatische nederlaag het einde in van de militaire junta, die na veel protesten werd afgezet en vervangen door een democratisch gekozen overheid.

Verdult dook al vaker in het thema van slagvelden, zoals in zijn werken over de Zilvervloot, die in 1628 door Piet Hein werd gekaapt. “Een veelbezongen slagveld dat veel wegheeft van een komedie”, aldus Verdult. “Ik zie in slagvelden en al het gehannes van manoeuvres een grootse dans, een percussieve opera van ellende.”

Het Falkland-conflict gaat hem echter nauw aan het hart, en krijgt in Happy Thatchercide een persoonlijk karakter. Verdult bracht zijn jeugd door in Latijns-Amerika, waaronder in Argentinië‘. Hij was 25 jaar en woonde weer in Nederland toen de Falklandoorlog begon. “Thatchers archa•ïsche trots en de gevolgen daarvan dwongen me om sympathie te hebben voor de Argentijnse dictatoriale generaals”, vertelt Verdult. Dat was uiterst ongemakkelijk en dat neem ik haar nog steeds kwalijk.

In Happy Thatchercide speelt Thatcher als archetypische vijand de hoofdrol. Een pop van de iron lady hangt als een lompe pi–ñata in de toren. Beelden, foto’s, video’s en geluid laten zien hoe Thatcher wordt uitgebeeld in de Argentijnse volkskunst. Volgens Verdult is Thatcher de belichaming geworden van haat, domheid en leedvermaak. Als in een etnografisch onderzoek verzamelt hij bewijzen hiervoor. Deze interesse in etnografie speelt in op de Europese arrogantie waar Verdult zich mee bezighoudt. “Etnografie is een probleemgebied. Het verzamelt, legt vast en catalogiseert vanuit het perspectief van de catalogiseerder, vaak een Europeaan. De misverstanden die daaruit voortkomen vind ik po‘ëtisch en pijnlijk. Etnografie is een pijnpunt binnen het gezwel van de arrogantie.”

We kunnen een wonderlijke multimediale presentatie verwachten, zoals we die van Verdult gewend zijn. Hij maakte Happy Thatchercide speciaal voor de lichttoren op KunstFort Asperen. “Het is een fantastisch emblematisch punt in de klamme bunker, met veel opties en kansen om de blik te manipuleren. Ik heb het menu daarvoor klaar, en de kettingzaag ook.”

Hij noemt zijn totaalinstallaties voliriès, als de grote kooien waarin paradijsvogels getoond worden, “ruimtes met een organisatie van informatie en een overdaad aan manipulerende afleidingen.”

Een installatie als Happy Thatchercide komt tot stand door “een choreografie aan handelingen. Ik begin aan veel dingen tegelijkertijd, sommige elementen vallen af en andere komen daarvoor in de plaats. Uiteraard weet ik daarvoor al welke kant ik alles wil opsturen, in dit geval: lachen om Thatcher, want dat mag als het de vijand is.”

Collectieve bewaarplaats

Docus van der Made
Mykola Ridnyi, SHELTER, 2013

Een vervallen bunker, de muren vol met informatieposters van op het oog niet het meest moderne wapentuig. Op de voorgrond, centraal in beeld, een oude man die lesgeeft over verschillende typologieën van schuilkelders en de benodigdheden bij de inrichting ervan. Hij lijkt de stof al duizend maal te hebben opgesomd, zijn vocabulaire stamt nog uit vroegere tijden. In de video Shelter uit 2013 volgt de Oekraïense kunstenaar Mykola Ridnyi zijn oude leraar van het middelbare schoolvak ‘Pre-service Training’, dat tijdens de Sovjetgeschiedenis van het land een klassikale voorbereiding was op de dienstplicht. Met dit werk geeft Gimme Shelter bij Fort Nieuwersluis, destijds ook uitgerust met een Koude Oorlog-bunker, een inkijkje in het leven aan de andere kant van het voormalige IJzeren Gordijn.

De jonge Ridnyi (1985) heeft al een behoorlijk track record. Op twintigjarige leeftijd was hij medeoprichter van de kunstruimte SOSka en op de afgelopen Biënnale van Venetië vertegenwoordigde hij zijn land. Zo heeft hij de laatste jaren een actieve en centrale positie ingenomen tussen een nieuwe generatie Oekraïense kunstenaars. Een terugkerende factor in het werk van Ridnyi en zijn generatiegenoten – allen opgegroeid na de val van de muur en werkend vanuit een internationale context door recent verworven mogelijkheden als residentieprogramma’s en uitwisselingen – is hun kritische blik op het eigen recente Sovjetverleden.

De tijden die de leraar representeert zijn niet meer. Hoewel begin jaren negentig de onafhankelijkheid van Oekraïne werd uitgeroepen, zet de tachtigjarige leraar zijn lessen gestaag en schijnbaar onveranderd voort. De bunker heeft zijn langste tijd gehad, en de leraar zal spoedig volgen: eind 2013 besloot Oekraïne de dienstplicht af te schaffen. Waar de leraar voor altijd met één been in het Sovjetver leden zal blijven staan, staan zijn scholieren met beide benen in een nieuwe wereld. De leraar beschouwt de wereld nog steeds in het vocabulaire van vroeger, terwijl het wereldbeeld van de nieuwe generatie vooral gebaseerd is op de actiefilms uit Hollywood en oorlogen verpakt in computergames. De ideologische functie van de pre-militaire training is zo goed als verloren, hoogstens het wapentuig lijkt hen nog enigszins te boeien.

In de film benadert Ridnyi zijn onderwerp vanuit een alledaagse insteek, met uit de hand geschoten camerabeelden van ‘kleine’ verhalen over praktische zaken en dagelijkse routine. Daarnaast bestaat Shelter ook nog uit zes betonnen schaalmodellen van verschillende typen bunkers. De alledaagse scènes en het rommelige camerawerk van de video steken af tegen de opmerkelijk esthetische betonnen afgietsels. Tegenover deze betonnen sculpturen – de wereld van de ontwerptafel – vertellen de gefilmde individuen des te geloofwaardiger over hun complexe geschiedenis.

Zo toont Shelter niet alleen de grote maatschappelijke veranderingen die Oekraïne de afgelopen decennia heeft doorgemaakt. Door de beladenheid die schuilgaat achter de schijnbaar alledaagse beelden – denk aan het nog ietwat onhandige doorladen van een machinegeweer in de handen van een middelbare scholier – komt er langzaamaan een krachtige dubbelheid naar voren. Het moderne Oekraïne kent nieuwe mogelijkheden en economische voorspoed, maar ondiep cultureel geworteld lijken de leerlingen ideologisch verloren. Andersom is voor de oude leraar de angst van de Koude Oorlog voorbij. En toch is er nostalgie te zien in zijn ogen.

Hertog & Nadler, THE FOUR RIDERS (2010), foto: met dank aan de kunstenaars

Ze waren nog gewaarschuwd om te allen tijden de drie B’s te vermijden: baby’s, boten en beesten. Te onvoorspelbaar om te filmen. Maar kunstenaarsduo Hertog & Nadler sloeg het advies in de wind. Vier paarden namen plaats op een speciaal ontworpen orthopedische loopband. Chaja Hertog en Nir Nadler brachten ze close-up en vanuit verschillende standpunten in beeld voor hun video-installatie The Four Riders (2010). Even dreigde het verkeerd te gaan toen een van de dieren zich verstapte. Het ging goed, en de installatie zal te zien zijn in KunstFort Asperen, aangepast aan het formaat en de akoestiek van de ruimte.

Het werk wordt getoond op vier levensgrote schermen waarop de paarden op geen enkel moment volledig in beeld zijn. De kijker ziet samentrekkende spieren, spitsende oren en schuddende huidplooien. Neuzen briesen ongeduldig. Alles wijst erop dat de paarden ieder moment de aanval kunnen inzetten. Een soundscape van ruis en stampende hoeven verhoogt de anticipatie.

Eerder was de film al te zien op Cinedans in Amsterdam, en niet zonder reden. Het ritme en de compositie van de paarden doen denken aan een choreografie. The Four Riders werd dan ook geïnspireerd door Muybridge’ studie naar beweging en is een ode aan de anatomie. Ook verwijst het naar Dürers houtsnede De vier ruiters van de apocalyps. Maar de apocalyptische dreiging ligt er in het videowerk nergens duimendik bovenop, en dat past bij het werk van Hertog & Nadler.

“Ons werk heeft geen overduidelijke politieke lading, en dat willen we ook niet”, vertellen de kunstenaars in hun atelier in Amsterdam. Toch belicht hun werk dikwijls beladen thema’s, zoals de situatie in Nadlers geboorteland Israël. In Nation for Two (2008-2012), een stop-motion animatiefilm, graven een man en een vrouw zich onder de grond een weg naar elkaar, onder steden, natuur en oorlogsgebieden door. Het werk stelt de absurditeit van landsgrenzen ter sprake, en toont aan dat liefde geen grenzen kent. Ook de film Harvest (2012) behandelt oorlog en opstand.

Er wordt echter nooit een directe of letterlijke boodschap overgebracht. “Ons werk heeft wel een ideologische inslag, maar wil niet moralistisch zijn.” Kunst met een duidelijk statement over het conflict wordt snel propagandistisch en plat, vindt Nadler. Voor Gimme Shelter was een ander werk uit hun oeuvre een voor de hand liggende keuze geweest, maar The Four Riders sluit op een indirecte en poëtische manier bij het thema aan. Het festival gaat voor de kunstenaars eerder over ontwapening dan over conflict.

De video-installatie komt prachtig tot zijn recht in KunstFort Asperen, het enige fort waar een soldatengemeenschap verbleef. Ook voor paarden, die de kanonnen moesten trekken, was er een speciale plek ingericht. Deze is echter nooit daadwerkelijk gebruikt. Met de installatie van het werk wordt militaire fictie alsnog even feit, en kan de paardenkelder eindelijk worden gebruikt waarvoor die bedoeld was.

De historische omgeving versterkt de film in ieder opzicht. Het schept ruimte om het werk op een abstracte maar toch open manier te bekijken, vindt Hertog. “Kunst hoort een uitnodiging te zijn voor een feest waarop alles mogelijk is,” zegt Nadler. Het duo zal zelf niet te vaak bij het feestje langsgaan, want er moet hard worden gewerkt aan de volgende opdracht: een kunstroute tussen het station en de oude binnenstad van Zwolle, in samenwerking met kunstenaar Ram Katzir. Een massaal project, waarbij de inwoners worden uitgenodigd om te participeren. Allemaal? Misschien dat de drie B’s deze keer worden vermeden.

Hertog & Nadler, THE FOUR RIDERS (2010), foto: met dank aan de kunstenaars