Een onmogelijk beeld

Suzie Hermán
Kathrin Schlegel, ONE IN LOVE SEES A FLOWER DIFFERENTLY THAN A CAMEL DOES (2014), foto: Q.R.J. van Dijk

One in love sees a flower differently than a camel does is een driedimensionaal kunstwerk in de openbare ruimte. Op het eerste gezicht lijkt het beeld eenvoudig, maar hierin ligt juist de kracht. Het werk is gesitueerd midden in het water in de chique nieuwbouwwijk Het Blokkerse Veld in Hoorn. Omdat One in love…  letterlijk en figuurlijk onmogelijk bereikbaar is wekt het een onbestemd verlangen op. Het werk speelt zich daardoor voornamelijk af in de gedachten van de passanten. Kathrin Schlegel heeft, uit de verschillende elementen die zich in de omgeving voordeden, zorgvuldig een compositie opgebouwd. In het water staan haaks op elkaar twee archetypische parkbankjes met daarop tekeningen, teksten en ingekerfde liefdesboodschappen, zoals we die vaker kunnen tegenkomen op openbare plekken. De bankjes worden geflankeerd door twee gele lantaarnpalen, ontworpen door Friso Kramer in de jaren 70, waarvan er in de buurt meerdere staan. Naast de tweeledigheid van de gebruikte materialen en het gecreëerde beeld is het werk ondenkbaar zonder de context.

Het ‘ensemble’ is zodanig ingebed in de omgeving, dat het weelderige groen, het water en de weerspiegelingen op het wateroppervlak onderdeel zijn geworden van de sculptuur. Het beeld maakt als vanzelf ideeën en gedachten los bij de kijker. De betekenis van het woord idea of eidos is niet alleen beeld of beeltenis, maar een beeld gereflecteerd in water of in een spiegel. Spiegelingen suggereren dat de beschouwer eerst moet contempleren om kennis te krijgen. We kunnen immers niet zien wat we niet geloven te kunnen zien. Doordat Schlegel een beeld uit het leven van alledag in een net iets andere context plaatst ontstaat een zinsbegoocheling. De bankjes en lantaarns zijn herkenbare vormen uit het alledaagse leven en bieden ons de mogelijkheid voor een verstild moment aan de waterkant. Tegelijkertijd is het werk genadeloos. Passanten kunnen wegdromen, maar zijn genoodzaakt hun verlangens te blijven koesteren zonder dat deze worden vervuld.

Zoals de titel van het werk aangeeft is het perspectief van de voorbijgangers een belangrijk aspect. One in love…, oogst steeds meer waardering wanneer het wordt bekeken vanuit verschillende posities en op verschillende momenten van de dag. Wanneer de avond valt is het een beeld dat ergens tussen realiteit en surrealiteit beweegt, zoals het beroemde schilderij l’Empire de Lumière (Het rijk der lichten) (1953-54) van schilder René Magritte. Op het schilderij is het avond en klaarlichte dag tegelijkertijd. Ook Schlegel speelt met het gegeven dat onze geest niet lijkt te kunnen beslissen wat we zien, totdat we ons volledig overgeven aan het beeld.

De realisatie van het tafereel was minder romantisch dan het beeld doet vermoeden. Het heeft van idee tot uitvoering drie jaar geduurd voordat het werk geplaatst werd. Kunst in de openbare ruimte kan tot felle discussies leiden; alle partijen, de kunstenaar, de kunstadviescommissie, de gemeente en de buurtbewoners hebben eigen ideeën en belangen. Ook One in love… is onderwerp van menige discussie geweest. Een vraag die hieruit voortkomt is wat de rol is van kunst in de openbare ruimte. Echter een veel pregnantere vraag is: hoe verhouden wij ons tot de plek van kunst in het publieke domein? Voor een analyse van deze thematiek, is het aan te bevelen het recent geschreven essay De publieke ruimte van de Staat van de hand van Joost de Bloois te lezen. Kathrin Schlegel maakt ons met One in love… eens te meer duidelijk hoe belangrijk bevlogen opdrachtgeverschap is in combinatie met de sterke visie van een kunstenaar. 

Bij de onthulling van One in love… waren de aanwezigen aanvankelijk verwonderd. De inwijding van het werk had klaarblijkelijk al op een eerder tijdstip plaatsgevonden. Er stonden twee kleine kabouterfiguren op de bankjes. Naar verluid zijn deze hier achtergelaten door kinderen uit de buurt die er met een bootje naartoe zijn gevaren. Is One in love… hiermee definitief opgenomen in haar omgeving? Het gebaar van de kinderen is mogelijk een antwoord op een onmogelijk beeld.

Kathrin Schlegel, ONE IN LOVE SEES A FLOWER DIFFERENTLY THAN A CAMEL DOES (2014), foto: Q.R.J. van Dijk
Tentoonstellingsoverzicht AO, Galerie Martin van Zomeren. foto: Peter Tijhuis

Zeven jonge kunstenaars tonen momenteel hun werk bij Martin van Zomeren in de tentoonstelling AO. Wat ‘AO’ betekent, wordt niet uitgelegd. Er is geen persbericht om te lezen, geen uitleg op de website. De groepstentoonstelling lijkt hierdoor een basis te missen die de zeven kunstenaars verbindt.

Rijksacademie resident Oscar Abraham Pabón laat in AO twee werken zien; een grote foto van een stuk zeep en drie zeepjes, dezelfde als in de foto. De zeepjes vallen in het niets na het zien van de foto, ze zijn klein en fragiel, niet zo groots als de foto doet vermoeden. Het alledaagse gebruiksvoorwerp is door Pabón gebruikt om de manipulatieve kracht van fotografie te tonen. Door menig krant en tijdschrift wordt het medium fotografie gebruikt om verhalen leven in te blazen en bepaalde kanten van die verhalen uit te vergroten. Hier wordt vervolgens geen kader bij geschetst, waardoor het context verliest en een eigen leven gaat lijden. Iets kleins kan hiermee iets monumentaals worden, net als in Pabóns werk.

Janis Rafa, tevens Rijksacademie resident, toont een videowerk. In haar video laat Rafa een bekend kenmerk van het medium zien, de mogelijkheid om een moment te herbeleven door het opnieuw af te spelen. Tegen een lichte achtergrond zijn twee aangestoken sigaretten op spelden gestoken. Je ziet de sigaretten en profil met de uiteinden naar elkaar toe. Ze branden rustig op en na een tijdje beginnen ze weer van voren af aan. Het doet denken aan het werk van Felix Gonzalez-Torres, Untitled (Perfect Lovers)(1987-1990), twee naast elkaar hangende klokken die synchroon beginnen met lopen maar uiteindelijk toch uit elkaar drijven in tijdsaanduiding. Uit elkaar groeien of althans de mogelijk hiervan, staat naast het vergaan van de tijd centraal in dit werk van Gonzalez-Torres. Dat de batterijen in de klokken naar verloop van tijd op zijn en na het vernieuwen van de batterijen de klokken weer synchroon lopen is tevens inherent aan het werk. Rafa haar werk reflecteert op eenzelfde manier op de vergankelijkheid van tijd, maar ook op de vernieuwing die optreedt in de wereld. Twee simpele opbrandende sigaretten worden hiermee verheven tot een esthetisch symbool van een levenscyclus of de vergankelijkheid van de wereld. 

Bij Juliaan Andeweg staat het verheffen van materiaal centraal in zijn werk. Alchemie ligt aan de basis van zijn werk. Hij gebruikt daarin materialen die normaliter niet als traditionele kunstenaarsmaterialen worden gezien. Epoxy, hars en ‘flip-flop’ verf, welke op getunede auto’s wordt gebruikt, worden door Andeweg gecombineerd tot een sculpturaal reliëf, wat zich hangend aan de muur manifesteert. Eerder presenteerde hij zijn werk al op de grond, of staand tegen de muur. Andeweg, opgeleid als schilder, doorkruist hiermee de noties van de schilder- en beeldhouwkunst. Zijn werk houdt zich vooral bezig met het verheffen van grondstoffen tot een uniek werk. Daarin concentreert Andeweg zich minder op de esthetische kenmerken van zijn werken. De rafelige randen en golvende vorm van het werk lijken de overhand te hebben, maar de alchemie en de daarbij horende verheffing van een grondstof naar een nieuw product is het meest van belang.

De tentoonstelling kent een grote diversiteit wat betreft het mediagebruik van de kunstenaars. Veel van de kunstenaars lijken alledaagse materialen en producten te verheffen tot iets hogers, kunst. Ze nemen gewone producten, zoals sigaretten, zeepjes, plastic en hars; en gebruiken dit om te reflecteren op de kenmerken van een medium, een unieke ervaring te creëren of een reflectie te geven op een existentiële vraag over leven en dood. Op het eerste gezicht zou de afkorting en tevens titel van de tentoonstelling, AO, ‘artificial objects’ kunnen betekenen, een term die overigens op alle kunst van toepassing is. Ook zou het ‘among others’ kunnen betekenen of ‘actuele onderwerpen’. Deze laatste twee opties zouden het meest voor de hand liggen; er worden jonge kunstenaars getoond die hun nieuwste werk laten zien en de tentoonstelling biedt zo een selectie uit het grote hedendaagse aanbod.

Links: Juliaan Andeweg, I TOTE SWIVEL (2014) Rechts: Oscar Abraham Pabón, (THIS IS FOREVER / THREE SOAPS) (2013) Foto: Peter Tijhuis
Oscar Abraham Pabón, (THIS IS FOREVER / THREE SOAPS) (2013)
Janis Rafa, I USED PLURAL BY MISTAKE (2014)

Ver lang en

Barbara Collé
Croquetspel

Kunstvlaai 2014, Amstelpark. Wat doe je in een park? Wandelen, picknicken, lummelen, lezen, spelen, bloemen ruiken, vogels horen, verliefd worden. Ik ben tijdens Kunstvlaai een beetje verliefd geworden. Verliefd op Arnisa Zeqo, de eigenaar van de Amsterdamse galerie Rongwrong. “Maybe I love books even more than art.” Dat zei ze en toen was het gebeurd. Of misschien daarvoor al, toen ik de aankondigingstekst las over wat Rongwrong zou tonen op Kunstvlaai.

Rongwrong is een galerie die kunst combineert met theorie. Voor Kunstvlaai heeft Rongwrong kunstenaar Olivia Dunbar uitgenodigd om werk te maken. Maanden geleden hebben Arnisa en Olivia samen een plek in het park uitgekozen. Ze kozen voor een grasveldje met daarnaast een perkje met een olijfboom en weer daarnaast een Romeinse zuilengalerij overwoekerd met klimop van rozen. Olivia heeft vervolgens verschillende werken gemaakt. Zowel de galeriehoudster als de kunstenaar bleken het boek De natuur van de dingen van de Romeinse dichter Lucretius te lezen en deze tekst vormt het theoretisch uitganspunt. Park, natuur én park en spel. Want naast het werk van Dunbar wordt er ook een spel gespeeld. Het grasveld gebruiken ze namelijk om een balletje croquet te slaan. Aan de achterkant van het speelveld is een leeshoek. Daar ligt De natuur van de dingen voor wie in het park wat lezen wil.

“This is my favourite”, zegt Arnisa. We staan in de Romeinse zuilengalerij en kijken naar het werk van Dunbar. Op een aantal zuilen heeft ze witte velletjes papier geplakt met daarop handgeschreven zinnen. Die zinnen komen uit De natuur van de dingen. Ik zie het grijze steen van de zuilen, doornen van de rozen. Het witte papier reflecteert het licht. Prachtige zinnetjes dwalen door mijn gedachten. Zo vaak mislukt subtiel werk, hier is het raak. Arnisa en Olivia vonden elkaar in de teksten van Lucretius, ik wil zijn boek nu ook lezen. “In death there is no longing”, staat er op Arnisa’s favoriet.

Een ander werk van Dunbar is een billboard met grote witte letters in een blauwe hemel: R U OK? De vraag komt je al uit de verte tegemoet. Als je doorloopt zie je dat daarachter mensen croquet spelen. Met hoe veel mensen gaat het in de wereld oké? En hoe veel mensen voelen zich verre van dat? En waarom helpt kunst daar niet tegen? “Waarom doe je niks?” De moed zinkt me in de schoenen als Arnisa dat vraagt.

Waarom lummelen we in een park? Omdat Rongwrong met deze bijdrage het publiek verheft. Het lijkt simpel en voor de hand liggend, maar dat verraadt goed werk. Trek je witste kleding aan en combineer het met een pastel. Slenter door de zuilengang, neem de gedachten van Lucretius in je op. Speel mee in het spel en ga daarna voldaan zitten bij de kapstok. En vraag dan: “Arnisa, zullen we nu samen Lucretius lezen?” Lezen omdat we leven. In death there is no longing, maar nu nog wel want we leven. Leven ís verlangen. Ver. Lang. En.

Croquetspel
Lucretius
Olivia Dunbar

White cube in een treintje

Julia Geerlings
Shanaynay, THE WHITE CUBE (2014)

Al meer dan veertig jaar rijdt de Amsteltrein rondjes door het Amstelpark, dat werd aangelegd ten tijde van de Floriade, de wereldtuinbouwtentoonstelling in 1972. Menig Amsterdammer heeft, net als ikzelf, in zijn jeugd het park en het malle treintje weleens bezocht. Voor de tiende Kunstvlaai heeft het Parijse kunstinitiatief Shanaynay de Amsteltrein gekozen voor de interventie The White Cube, een van de meest verrassende ruimtelijke ingrepen op de Kunstvlaai.

Shanaynay werd in december 2011 opgericht door Romain Chenais, curator uit Parijs en Jason Hwang, kunstenaar en curator uit Los Angeles. De naam van het kunstinitiatief stamt uit de tijd dat Chenais in Londen studeerde en zijn medestudenten hem Shanaynay noemden, refererend aan zijn achternaam Chenais(nay). De naam verwijst daarnaast naar het mondige typetje Sheneyney van Martin Lawrence uit de tv-serie Martin. Een half jaar geleden openden Chenais en Hwang in samenwerking met Philippe Joppin een galerieruimte genaamd High Art. Hoewel de heren nog steeds actief zijn bij Shanaynay, geven ze het stokje langzaam over aan een nieuwe generatie curatoren, onder wie Louise Sartor en Sabrina Tarasoff.

Shanaynay staat bekend om haar vele samenwerkingen met internationale kunstenaars en curatoren. Centraal staat een onderzoek naar de tentoonstellingsruimte, tentoonstellingsmodellen, de rol van de curator en die van de kunstenaar. Zo komt het regelmatig voor dat Shanaynay zelf een werk initieert en produceert als kunstenaar, waarmee ze kritiek lijken te uiten op de mythologisering van ‘de maker’. Tijdens ART-O-RAMA, een kunstbeurs in Marseille, organiseerde het collectief de Shanaynay Tours, waarin uitgenodigde gidsen zelf een associatieve invulling mochten geven aan de beurs of de stad.

Ook op de Kunstvlaai heeft Shanaynay zelf een werk verwezenlijkt, dat de ruimte en de context van de Kunstvlaai bevraagt. De interventie in het treintje bestaat uit een geluidswerk, dat elk uur tijdens de openingstijden van de Kunstvlaai te bezoeken is. Het werk bestaat uit verschillende omgevingsgeluiden van tentoonstellingsopeningen en scènes van openingen in bestaande films. Er is audio te horen uit Woody Allens Manhattan (1979) en Brian de Palma’s The Responsive Eye (1996), maar ook fragmenten van interviews met Peggy Guggenheim uit 1969 en Liam Gillick uit 2013.

De titel van het werk, The White Cube, verwijst naar een op internet gevonden gedicht van dichter en musicus Susan Joseph, eveneens te horen in het geluidswerk: “We start as a white cube, with a floor and walls, where we put up our ideas, and watch them hang, and then we take them down again…” Daarnaast reageert de naam op de locatie, die geenszins een ‘white cube’ is. Tijdens het treinritje worden bezoekers langs een groot deel van de presentaties in het park geleid. Al luisterend naar openingsgeluiden, kijken ze op bepaalde momenten ook daadwerkelijk naar kunst kijken. Met deze dubbele laag weet Shanaynay het pretparkgevoel en het bezoeken van een opening met elkaar te verenigen. Die in wezen toch niet ver van elkaar staan.

Shaynaynay, THE WHITE CUBE (2014)
Freek Wambacq, THUNDER RUMBLING (2014) foto: Sietske Roorda

Te midden van een grasveldje bij de vijver in het Amstelpark en het daarnaast gelegen café-restaurant staat het kunstwerk Thunder, Rumbling (2014) van de Belgische kunstenaar Freek Wambacq er een beetje verloren bij. Hoewel niet erg klein van formaat wordt het overschaduwd door de omringende werken van Le Cube – independent art room en Wilson Project Space, andere initiatieven op deze jubileumeditie van Kunstvlaai. Maar het is vooral de overweldigende groene omgeving van dit stadspark die de sculptuur overtreft.

Wambacq toont een verticale koker van zilver constructiemateriaal op een houtenpallet. Met zijn titel past Thunder, Rumbling volkomen bij het weerstype van de afgelopen dagen. Echter, geheel tegen deze broeierige en dreigende atmosfeer in, brengt het werk geen enkel geluid voort. Dit gebeurt puur cognitief. Een park is niet de veiligste plek om te vertoeven wanneer donder en bliksem het weer bepalen. Wambacq speelt met dit gegeven en toont deze geluidsloze installatie. Voor de toeschouwer een vreemde aanschouwing.

Wambacq werd door het Belgische kunstencentrum Objectif Exhibitions gevraagd om een site-specifiek kunstwerk te presenteren voor Kunstvlaai. De uit Antwerpen afkomstige kunstinstelling brengt en verspreidt diverse, hedendaagse kunstenaarspraktijken vanuit Antwerpen. Het toonde eerder het werk van Wambacq in een solotentoonstelling genaamd Rain After Snow. Voor deze tentoonstelling maakte Wambacq subtiele geluidsinterventies op verschillende locaties in Antwerpen. Geweerschoten in een bibliotheek, een aardverschuiving in de Nationale Bank en ritselende bladeren in een hoorcentrum. De inwoners werden door deze ongebruikelijke en stille geluiden ‘overdonderd’. Toch waren deze geluiden slechts geïmpliceerd opnames.

Geluid speelt een belangrijke rol bij Wambacq. Hij toont onder andere een grote interesse in hoe ‘foley’-kunstenaars – personen die voor geluidseffecten zorgen bij films of hoorspellen – bij het creëren van filmische geluidseffecten, objecten gebruiken omwille van hun sonisch potentieel en niet omwille van hun visuele aspect. Wambacq volgt deze traditie en tracht deze gedenatureerde objecten te integreren in een visuele context. Hij koppelt ze aan specifiek gekozen locaties om hun linguïstische capaciteit te versterken, als woordspelingen, onomatopeeën en alliteraties. Het werk Thunder, Rumbling bouwt hier op voort.

Het oeuvre van Wambacq valt niet onder één duidelijk medium. Beheerst door het sculpturale ligt de primaire kwaliteit van zijn werk in zijn methode. Hij denkt en handelt sculpturaal. In zijn werk gebruikt Wambacq gevonden materialen en objecten, naast bouw-, constructie- en doe-het-zelf-materialen. Deze combineert hij tot nieuwe, verrassende assemblages. Zijn constructies verwijzen nog altijd naar de oorspronkelijke functie van de materialen, terwijl ze tegelijkertijd kunsthistorische verbanden en sociologische commentaren aanbrengen. Zijn inspiratiebron vindt hij in vluchtige ontmoetingen en eigenzinnige ontdekkingen. Hij wil in zijn concepten vooral een kritische link leggen tussen de wereld van de kunst en de wereld buiten de kunst. Hij doet dit met een subtiele en vaak humoristische ondertoon. Subtiel in het feit dat hij veel zorg besteedt aan materiaalkeuze, presentatie en titels.

Door te kiezen voor Wambacq trachtte Objectif Exhibitions natuur en kunst te vereenzelvigen. Kunstvlaai was daarvoor het ideale platform en dus idealiter een perfecte omgeving om Wambacqs installaties tot bloei te laten komen. Maar waar juist kunst en natuur met elkaar een dialoog zouden moeten aangaan en waar de subtiele en humoristische noot van de kunstenaar tot zijn volle recht zou moeten komen, staat het kunstwerk als een bij elkaar geraapt hoopje, dat het niet op kan nemen tegen het groene geweld van het Amstelpark.

Freek Wambacq, THUNDER RUMBLING (2014) foto: Sietske Roorda

Bezige bijen

Agnes Winter
Ditte Knus Tønnesen en Amalie Bønnelycke Lunøe, ZONDER TITEL (2014) foto: Sietske Roorda

Tijdens een wandeling door de bloementuinen van het Amstelpark zie je er al een paar vliegen. Bijen fladderen van bloem naar bloem en brengen zo leven aan de flora van het park. De bijen zijn afkomstig van de installatie van het Kopenhaagse kunstenaarsinitiatief Green is Gold, die zij maakten voor de Kunstvlaai. In een perk achterin het park staat een bijenkast, waarin zo’n 10.000 bijen leven en werken. Een paar meter verderop ligt een 1:1 schaalmodel van een andere bijenkast, gegoten in cement, in losse onderdelen in een perk.

Door bijen te plaatsen in het park geeft Green is Gold gehoor aan de opdracht die ze meekregen van de curatoren Noor Mertens en Hendrik-Jan Hunneman, namelijk om de verticale ruimte van het park te benutten. Ze vullen deze ruimte letterlijk met bijen, die op een warme dag als een zwerm boven hun kast hangen.

Wat de kunstenaars achter Green is Gold, Ditte Knus Tønnesen en Amalie Bønnelykke Lunøe, interesseerde in bijen is de natuurlijke structuur van samenleven en werken die in de bijenkast plaatsvindt. Al eeuwenlang heeft de mens inspiratie gevonden in de manier waarop bijen hun gemeenschap vormgeven, zoals de koningen die vroeger hun legers ernaar ontwierpen. Daarnaast zien Tønnesen en Lunøe de bijen ook als een symbool voor hoe kunstenaars te werk gaan. In een hecht netwerk arbeiden kunstenaars ijverig aan hun eigen kunst, om daarmee bij te dragen aan een gezond en inspirerend kunstmilieu.

Daarnaast heeft het werk ook een onmiskenbare kritische laag, die ingaat op de milieuproblematiek. Het bestaan van de bijenpopulatie wordt immers ernstig bedreigd, door het gebruik van giftige bestrijdingsmiddelen. Het uitsterven van de bij zou catastrofale gevolgen hebben voor de bloemen en planten, die voor een groot deel afhankelijk zijn van de bestuiving door bijen. We hebben de bijen dus nodig, en zullen zorg moeten dragen voor deze kwetsbare en vergankelijke levensvorm. Deze vergankelijkheid lijkt gesymboliseerd in de tegenstelling tussen de ‘levende’ bijenkast en de uit elkaar gevallen cementen bijenkast. In tegenstelling tot de ‘levende’ bijenkast, die onderhouden en verzorgd moet worden, zou deze levenloze kast hier nog honderden jaren op eenzelfde wijze kunnen blijven liggen, als een monument van een lang vergaan volk.

De aandacht voor het milieu en de natuur lijkt ook weerspiegeld in de naam van het kunstinitiatief, Green is Gold. De naam is ontleend aan het gedicht Nothing Gold Can Stay van Robert Frost en staat als het ware symbool voor wat Green is Gold met hun initiatief voor ogen had. Ten tijde van hun oprichting in 2011 was de kunstscene in Kopenhagen naar eigen zeggen dood. Door de overheersing van grote musea en galeries en het gebrek aan kleinere, experimentele kunstruimtes, leek de ontwikkeling van nieuwe en grensverleggende kunst stil te staan. Green is Gold wilde een voedingsbodem zijn voor deze opkomende kunst en een gevoel van hoop en vooruitgang uitstralen. Ze beschrijven het veld van kunst(enaars)initiatieven, die inmiddels springlevend is in Kopenhagen, als de groene laag van de kunstwereld, waar nieuwe dingen tot bloei komen.

Met hun bijdrage aan de Kunstvlaai zorgt Green is Gold voor een subtiele interventie in het park, die toch meerdere lagen van interpretatie en betekenis in zich draagt. Met hun bijenkolonie brengen ze (letterlijk) leven en bedrijvigheid in het Amstelpark. In die zin symboliseert dit werk ook de grotere betekenis van de Kunstvlaai, waarbij kunstenaars het park nieuw leven inblazen.

Ditte Knus Tønnesen en Amalie Bønnelycke Lunøe, ZONDER TITEL (2014) foto: Sietske Roorda
Domenico Billari, TAKE A BREATH… THE BEST MUST COME (2013) Courtesy: Upominki

De kunstenaar en oprichter Weronika Zielinska vergelijkt Upominki, dat geschenk betekent in het Pools, met een cadeauwinkel. Maar niet een cadeauwinkel volgens de commerciële standaard. De begrippen gastvrijheid en wederkerigheid staan bij Upominki in een hoog vaandel. Twee tentoonstellingsruimtes en een werkplek vormen Upominki. Zielinska duidt Upominki als ruimte en methodiek. “Ik heb een kind en kan niet makkelijk lang reizen, daarom vraag ik kunstenaars hier te komen.” Samen met hen ontwikkelt ze projecten, die gemiddeld een maand tentoongesteld worden. De niet-materiële samenwerking, de weg die wordt bewandeld, is voor haar de sleutel van deze plek. Wederkerigheid is belangrijken Zielinska verlangt van de deelnemers wat terug, een (niet-financiële) transactie is noodzakelijk.

Zielinska is kunstenaar, gastvrouw, mediator en moeder. Haar opleiding genoot ze aan de Willem de Kooning Academie in Rotterdam. Vervolgens behaalde ze een master Artistic Research aan de Universiteit van Amsterdam. Haar onderzoek richt zich op het concept van gastvrijheid en gebruikt ze het werk van de kunstenaar Kipras Dubauskas. Kunstvlaai bood Upominki de mogelijkheid om met Dubauskas samen te werken. Dubauskas onderzoekt de relatie tussen kunstenaar en publieke ruimte. Hij gebruikt hiervoor processen en strategieën die verbonden zijn aan psychogeografie, de door Guy Debord geïntroduceerde speelse verkenning van de stedelijke omgeving. Dubauskas werkte als kunstenaar veel met graffiti, “dat doet hij nog steeds, maar dan zonder spuitbus”, vertelt Zielinska.

Over het project voor Kunstvlaai wil ze niet veel loslaten, alleen dat het werk zich richt op de spanning die is ontstaan tussen de overheid en kunstenaars(initiatieven). Kunstenaars waren en zijn boos. Zielinska is van mening dat het hier gaat om het spanningsveld van de verwachtingen die er waren en de mogelijkheden die er nu liggen. Dubauskas is gefascineerd door de kapitalistische structuur van het billboard en daar gaat hij in deze context wat mee doen.

De status van de gast is voor Upominki een belangrijk gegeven. Dit begon bij een eerder project, Guestroom (2011), waar kunstenaars twee weken introkken bij Zielinska en haar man en eindigde met een presentatie. “Wij waren host, de kunstenaar was host en ook het publiek was host”, legt Zielinska uit. Ze maakt al voor de oprichting van Upominki een verbinding met de Franse etnoloog Marcel Mauss en zijn concept van het geschenk. Mauss definieert geven als een verplichtende verbinding, een overeenkomst van wederkerigheid waarin gastvrijheid, sluipende hartelijkheid en uitdaging samengaan.

Het is een spanningsveld waarin Zielinska zich continu begeeft. Of gastvrijheid alleen thuis kan worden bedreven of ook op een meer neutrale plek waar de verantwoordelijkheid niet noodzakelijkerwijs bij de gastvrouw ligt, is de motivatie om te zoeken naar een ruimte waar deze spanningsvelden verder ontwikkeld kunnen worden. Het vormt de basis van Upominki. Het concept van gastheerschap dat ze gebruikt, creëert de noodzakelijkheid tot transacties. Zielinska haalt Jacques Derrida aan om het uit te leggen. De gastheer is thuis, door het bezoek van de ander, die van buiten het thuis komt. Deze confrontatie zorgt ervoor dat de gastheer, van binnenuit, het huis van buiten benadert. Zo ontstaat wederkerigheid die niet in een vastomlijnde definitie valt te kaderen, het is geen gegeven.
De aard van de gastvrijheid wordt mede bepaald door de bezoeker. “Ik durf veel”, aldus Zielinska. Dat is maar goed ook, als gastvrouw die wederkerig afhankelijk is van kunstenaars en kunstminnend publiek. Wees welkom op Kunstvlaai.

Ghislain Amar, TWO CONCRETE CAST OF TWO STAIRS EACH, PAINTED BOOK (2012) Courtesy: Upominki
Raumte, HAVE YOU SEEN THIS EXHBITION? (2014), Fotografie: Liesje de Laet

Frederik Vergaert wil niet graag curator, manager of cultureel makelaar genoemd worden, maar eigenlijk is hij dat wel. Vergaert is de man achter kunstenaarsinitiatief Lokaal01. Ooit begonnen in Breda, nu een atelier, expositieruimte en verblijfplaats midden in Antwerpen. Vergaert ziet Lokaal01 echter als meer dan alleen een fysieke ruimte, het is ook een doorgeefluik en de ruggengraat van vele (inter)nationale projecten. Het brengt (vaak jonge) kunstenaars, galeries, musea en instellingen samen, gaat in dialoog en creëert impulsen voor nieuw werk.

Zo’n nieuwe impuls ontstond toen hij een tijdje geleden een tiental diverse kunstenaars ontmoette die een grote open ruimte zochten om in te werken. Ze wilden deze ruimte niet opdelen in individuele ateliers, maar er als collectief in werken. “Qua mentaliteit anders dan de gangbare stappen die jonge kunstenaars meestal zetten”, legt Vergaert uit.

Het kunstenaarscollectief dat hier in 2013 uit voortkwam en nu uit zeventien kunstenaars bestaat, is omgedoopt tot Raumte. Een creatieve vijver, waar Vergaert graag in vist. Toen Vergaert van het Centraal Station Antwerpen een aanbod kreeg om zeven etalages van een voormalig diamantwinkel te huren om daar de tentoonstelling Traffic (2014) in te maken, besloot hij dat één etalage sowieso voor Raumte moest zijn.

Onder leiding van curator Frederiek Weda maakt Raumte een tentoonstelling die zich net als het station elke dag ontwikkelt. Een maand lang zal elke dag een andere kunstenaar van Raumte de ruimte aanpassen of aanvullen, wat uiteindelijk een kunstwerk oplevert. Zo ontstaat er een assemblage van een groep die zichzelf nog aan het verkennen is, en die de tentoonstelling an sich, maar ook de verschillende rollen van kunstenaar, curator, beschouwer en collega kritisch onderzoekt.

Voor Kunstvlaai maakt Raumte een kunstwerk met behulp van Rolykits, zeshoekige oprolbare opbergsystemen, die door het formaat van de in foedralen opgeborgen kunstwerken doen denken aan Duchamps Boîte-en-valise. Wanneer je de Rolykit opent ontstaan er steeds nieuwe combinaties en dus steeds een ander kunstwerk. Het is de bedoeling dat de Rolykits de hele wereld over zullen reizen met als doel dat andere kunstenaars iets aan het kunstwerk kunnen toevoegen. Wederom houden de kunstenaars zich in dit werk bezig met wat een tentoonstelling is en hoe kunst en kunstenaars zich tot elkaar verhouden.

De terugkerende vraag is steeds: is dit één gesamtkunstwerk of zien wij meerdere werken van verschillende individuen? Die vraag stond centraal toen Vergaert en Raumte voor het eerst bij elkaar kwamen in Lokaal01 en blijft een belangrijk onderwerp voor Vergaert, die op indrukwekkende wijze verder bouwt aan de veelkleurigheid van de Antwerpse kunstsector.

Raumte

Lokaal01
Provinciestraat 287, Antwerpen, België
www.lokaalo1.nl 

Duurzame kunst

Tessa Verheul
Various Artists, DROWN.I DROWN.Z (2014) Concept: Bernard Leroy

Het is een intrigerend beeld in de setting van het Amstelpark. Tussen de bomen van het Amsterdamse park staat het billboardbeeld van een bonsaiboompje in een goed gevuld aquarium. Het met zorg opgekweekte boompje staat bijna in zijn geheel onder water. Is hier sprake van sadisme of refereert het aan een dystopisch toekomstbeeld? Waar is het misgegaan? Het billboardbeeld is afkomstig van de installatie Drowning Bonsai (2013) en is gemaakt door Various Artists, een gedeeld pseudoniem voor een groep kunstenaars in Brussel. Het beeld is een foto van een installatie die bestaat uit vier aquaria, elk gevuld met water afkomstig uit verschillende delen van Portugal, een land waar het landschap in rap tempo aan het veranderen is.

Het project is tekenend voor nadine, de idealistisch georiënteerde kunstorganisatie in Brussel. Het ‘laboratorium voor hedendaagse kunst’ dat in 1999 werd opgericht door kunstenaars Trudo Engels en Ferdinand Dubois, biedt ruimte voor artistiek onderzoek en experiment. Nadine initieert projecten gericht op lokale onderwerpen, zoals de micro-economie in een wijk of het creëren van meer groen in de stad. Het project Default (2013) strekt zich echter buiten de landsgrenzen uit en behelst internationale fietstochten door kunstenaars. In de zomer van 2013 organiseerde nadine voor de tweede keer het Default-project, waarin een groep kunstenaars op de vouwfiets een parcours door Europa aflegt, als ware een mobiel atelier. De route wordt lukraak bepaald door de vouwlijn van een opgevouwen kaart, van Tory Island (Ierland) recht naar beneden naar het noorden van Spanje, en van daaruit naar het meest zuidelijke deel van Portugal. Waar de kunstenaars vol bewondering spreken over de biodiversiteit en de grote verscheidenheid van planten in Noord-Spanje, stuiten zij tijdens hun fietstocht naar het zuiden van Portugal op de desastreuze gevolgen van een snel veranderend landschap. Op plekken in Zuid-Portugal treffen zij hectares vol met overstroomde olijfbomenvelden. Hoewel dit beeld aan een natuurramp doet denken, blijkt het om een weloverwogen politiek besluit te gaan.

Vanuit economisch winstoogmerk is door multinationals (nota bene met steun van een Europees subsidieprogramma voor landbouw) besloten om de droge woestijnachtige grond door middel van een irrigatiesysteem kunstmatig geschikt te maken voor citroen- en sinaasappelbomen. Ironisch genoeg zorgen de kunstmatige meren, die water toeleveren aan de citrusplantages, voor extra droogte in de omliggende gebieden, waardoor landbouw voor de lokale boeren onmogelijk wordt. Various Artists verwerkte dit beeld op kleine schaal tot de installatie Drowning Bonsai, gebruikmakend van kunstmatig gekweekte boompjes als illustratie van de extreme impact van de mens op de natuur.

Een ander ‘eco-artistiek’ project dichter bij huis was de residentieplek Wasteland (2010 – 2013). Op een braakliggend terrein in Brussel werkten verschillende kunstenaars aan modellen voor ‘verticaal tuinieren’ en natural farming. Kunstenaar Christina Stadlbauer richtte zich op de bijensterfte en probeerde de bijen opnieuw naar de stad te laten trekken, terwijl Lina Kusaite een tuin creëerde die ook in de winter zou bloeien. Op deze manier probeert nadine, samen met kunstenaars en de lokale bevolking een positieve impuls teweeg te brengen. In bovenstaand voorbeeld de groei van groene en vruchtbare zones in de Europese hoofdstad. Iets soortgelijks is het geval bij The Shop (2010-2013), waar zes kunstenaars tijdelijk hun intrek namen in een winkelruimte in Noord-Brussel. Zo begonnen Efi&Amir een tijdelijk reisbureau en Überknackig startte de Might Shop (die sprekend op een nightshop leek).

Al deze maatschappelijk betrokken kunstprojecten leiden tot de vraag hoe nadine de rol van de kunstenaar wil omschrijven. Is de kunstenaar een aanjager van verandering in tijden van falend beleid? Volgens nadine stimuleert zij graag kunst met een sociale, politieke of inhoudelijke betrokkenheid. Maar dit wordt beslist niet opgelegd of gedefinieerd in de projecten, deze moeten worden ingevuld door de kunstenaars zelf. De rol van de organisatie zit eerder in het faciliteren dan in het dicteren, zoals in het mogelijk maken van een Default-reis of The Shop. Volgens medewerker Loes Jacobs zouden de projecten van nadine idealiter moeten leiden tot duurzamere kunst, projecten waar verschillende kunstenaars aan meewerken en waar langere tijd aan een onderwerp gewerkt kan worden. Met projecten als The Shop, Wasteland en Default worden specifieke onderwerpen aangeraakt die reacties uitlokken bij het publiek, en daarmee van betekenis zijn voor de maatschappij. De projecten hoeven dan zelf geen pamflet te zijn, maar geven wat nadine betreft daar wel een aan- of voorzet toe.

Various Artists, DROWN.I DROWN.Z (2014) Concept: Bernard Leroy
Casco, NEW HABITS (2014), Fotografie: Mattie van der Worm

Het zijn spannende tijden voor Casco. Het collectief – in eigen woorden een ‘Office for Art, Design and Theory’ – opent op 1 mei de tentoonstelling New Habits op een nieuwe locatie aan de Lange Nieuwstraat in Utrecht. Naast een verhuizing en een omvangrijke tentoonstelling staat ook deelname aan Kunstvlaai op de agenda. Aanleidingen genoeg om de missie en praktijk van Casco te verkennen. En wat hoopt Casco eigenlijk teweeg te brengen in het Amstelpark tijdens Kunstvlaai?

Casco laat zich niet gemakkelijk in één term vangen. De organisatie is in 1990 ontstaan als een platform voor experimentele kunst. Bijna 25 jaar later kenmerkt de praktijk van Casco zich als zeer interdisciplinair. Casco kiest ervoor om flexibel te programmeren, wat ertoe leidt dat naast beeldende kunst ook debatten, workshops en andere evenementen worden geprogrammeerd, soms in de publieke ruimte. Ook functioneert Casco als een kritische uitgeverij.

In een persbericht over de aanstaande verhuizing wordt de huidige missie van Casco duidelijk: Casco zet zich in voor de verkenning van denkpatronen, gedragingen en interventies buiten de door het kapitalisme gebaande paden. New Habits wordt een tentoonstelling over, letterlijk, nieuwe gewoonten. Het Engelse habit heeft twee betekenissen: als ingesleten gewoonte en als habijt, het gewaad dat een kloosterling draagt en waarmee hij of zij op kan gaan als gelijke aan de andere leden binnen een gemeenschap. Deze twee betekenissen zijn beide goed van toepassing op zowel de ambities van New Habits als die van Casco in het algemeen. Casco heeft een sociale agenda. Zowel de ruimte als de organisatie wil een speelveld zijn. Een plek waar nieuwe sociale contexten kunnen worden onderzocht en uitvergroot, waar nodig bekritiseerd en ook op waarde kunnen worden geschat. Casco legt de nadruk niet op de materiële eigenschappen van kunst, maar op de mogelijkheden die kunst biedt tot het spelen met nieuwe ideaalbeelden.

Jonathan Meese, Duits kunstenaar en provocateur extraordinaire, vertelde ooit aan de studenten van de Rietveld Academie dat wereldvrede mogelijk is. Een snipper van het wereldwijde militaire budget en een stuk niemandsland zijn de enige noodzakelijke ingrediënten. Alle wereldoorlogen en andere militaire conflicten kunnen daarmee worden uitgespeeld, als een soort politieke FIFA voor gevorderden. Het is een heerlijke gedachte die de eigenschappen van kunst uitvergroot, die eindeloos optimistisch en waardevol zijn. Dit is precies waarom de ambities van Casco hoopvol stemmen.

Voor Kunstvlaai bouwt Casco een ruimte in het Amstelpark waar samenkomsten plaatsvinden die in het verlengde van New Habits liggen. Het kernbegrip achter New Habits is commoning: het delen. Niet alleen van goederen maar ook van diensten en kennis. Het project is een zoektocht op welke manier commoning onderdeel kan worden van onze levensinrichting; een zoektocht naar collectiviteit. Ter voorbereiding op New Habits organiseerde Casco, als onderdeel van het Museum of Arte Útil (2013), een bijeenkomst rondom het werk The Highest Poverty: Monastic Rules and Forms-of-Life van de Italiaanse filosoof Giorgio Agamben. Tijdens deze bijeenkomst werd onderzocht welke monastieke vormen van commoning relevant zijn voor nieuwe vormen van samenleven. Het Museum of Arte Útil van Tania Bruguera, dat de afgelopen maanden huishield in het Van Abbemuseum, transformeerde het museum van een statische tentoonstellingsruimte tot een projectruimte. De invulling van de ruimte werd gedicteerd door de praktische eisen die de projecten onder de paraplu van Arte Útil aan de ruimte stelden. Hetzelfde principe lijkt van toepassing op Casco. De tentoonstellingen van Casco vloeien voort uit de achterliggende projecten, die bedoeld zijn om sociale contexten te verkennen. In het Amstelpark presenteert Casco een Publishing Class. Deze workshop is een concept van Casco en het Dutch Art Institute. Uitgeven wordt in deze workshop opgevat als een gemeenschappelijke oefening, waarbij deelnemers een tijdelijke gemeenschap vormen en gezamenlijk naar een publicatie toewerken die aansluit bij de thematiek van New Habits.

Kunst met een sociale ambitie is mooi. Op papier. Maar hoe de stap te zetten van papier, theorie, naar werkelijk sociaal effect? Yolande van der Heide, publishing coordinator bij Casco, gaat niet uit van concrete gegevens waaraan het succes van Casco kan worden gemeten. Wel benadrukt ze het belang van de gevolgen van het werk van Casco. Casco is praktijkgericht en zoekt aansluiting bij bestaande groepen, zoals Kritische Studenten Utrecht. Enerzijds is Casco, in haar verkennende en dynamische manier van werken, nog steeds een ruimte voor experiment. Anderzijds wordt gezocht naar manieren om de uitkomsten van deze experimenten te verankeren in een sociale context.

En op Kunstvlaai ben jij zelf die sociale context. Casco biedt je als bezoeker de kans om in een groep op zoek te gaan naar nieuwe denk- en gedragspatronen. Iedereen heeft weleens zware keukentafelgesprekken gevoerd over de comfortabele wurggreep van het kapitalisme. Over het wankele evenwicht tussen biologische groenten enerzijds en chiazaadjes anderzijds. Over thuis de kachel uit, maar toch lekker naar de film op donderdag. Voel je niet verlamd, maar ga het gesprek aan. Casco geeft je de ruimte.

Casco, NEW HABITS (2014), Fotografie: Mattie van der Worm

Een intiem roofhol

Lotte Batelaan
Fiona Larkin, WOLFSDEN (2010, New York)

Fiona Larkin studeerde autonome kunstaan het National College of Art and Design in Belfast. Momenteel werkt ze vanuit Newcastle als multimediakunstenaar aan tekeningen, fotografie, performance- en videokunst. Een vluchtig beeld, zoals een snapshot, vormt meestal de aanleiding tot het uitzetten van langdurige projecten. Van daaruit destilleert Larkin de kern uit een beeld en werkt dit, gebruikmakend van het publiek, uit in verschillende media waarin het nieuwe vormen aanneemt. Zij nodigt dat publiek vervolgens uit het originele beeld te vertalen, of zij worden zelf onderdeel van het project en vallen ten prooi aan de voyeuristische blik van de kunstenaar. Dat laatste is het geval bij Wolfs Den, een nog lopend project dat in 2011 voor het eerst plaatsvond in Catalyst Arts Gallery in Belfast.

De aanleiding voor dit project vormt een ontmoeting in New York, die zij later een “chance encounter” zal noemen. In de metro stuitte ze daar op een man die een lichtblauw spijkerjasje droeg met de woorden ‘Wolf Den’ op de rug geborduurd. Stiekem fotografeert ze hem om het moment, de opdruk en het beeld te documenteren. De mysterieuze woorden lieten haar niet los, en ze besloot een collectie ‘Wolfs Den’-jassen te maken. Ze verzamelde tweedehands spijkerjasjes uit winkels in Belfast, en voorzag ze van dezelfde woorden. De verzameling jasjes werd vervolgens vanuit de Catalyst Arts Gallery in Belfast verspreid om voor een vastgestelde periode te worden gedragen. Vanaf het moment dat de spijkerjasjes de deur uitgingen en de nieuwe dragers zich verspreidden door Belfast, konden zij – volgens afspraak –  door Larkin worden gevolgd, gefotografeerd en/of gefilmd. Een selectie van het gedocumenteerde fotomateriaal werd vervolgens tentoongesteld in de galerie.

Toezicht, controle, achtervolging en voyeurisme spelen vaak een rol in Larkins werk. Het is dan ook geen verrassing dat ze zo werd gegrepen door de woorden ‘Wolf Den’, ofwel wolvenhol. Een gevaarlijke, onbekende plek waarvandaan een roofdier onverwacht kan toeslaan. Tegelijkertijd roept het woord associaties op met een geheim – een intiem en warm hol van waaruit prooien en vijanden gadegeslagen kunnen worden zonder zelf te worden gezien. Een positie die Larkin zelf inneemt wanneer ze zich achter haar camera verschuilt en de deelnemers van achteren besluipt, bespiedt en fotografeert.

Met Wolfs Den doet Larkin niet alleen een poging om de man uit New York op te roepen, ook wekt ze de vorige dragers van de tweedehands jasjes opnieuw tot leven door ze uit te lenen aan de nieuwe dragers. Omdat er geen enkel spoor is dat Larkin terug kan volgen naar de vorige eigenaars, gebruikt zij stand-ins die nieuwe, fictieve verhalen kunnen creëren.

Een minimale wijziging die de kunstenaar aanbracht in de tekst, van ‘Wolf Den’ naar ‘Wolfs Den’, wijst erop dat het oorspronkelijke spijkerjasje een veelvoud heeft voortgebracht; een roedel wolven die door de straten van Belfast zwerft. De foutieve spelling van het meervoud (volgens correcte spelling zou het ‘Wolves Den’ moeten zijn) wijst tevens op de onmogelijkheid van haar exercitie. Er blijft altijd een onoverbrugbare afstand bestaan tussen het ene, originele karakter en de pogingen dit individu te benaderen en te doen herleven. Zoals Larkin zelf zegt: “I am interested in the fact that the imagined attempts to connect can only ever be a proxy or a substitute. The other point is that each new story is a thing in it’s own right, each extension is its own story. I like this kind of fractured narrative.”

Als toeschouwer getuigen we hoe Larkins observaties, zoals de vluchtige ontmoeting met de man in New York, aanleiding zijn voor verder onderzoek en creatie. Hoe ze de man najaagt en zijn mysterie probeert op te roepen door middel van andere personen. We volgen haar gedurende deze reis nauwgezet: vanaf het fotografische moment, het hergebruik van de woorden in de jassencollectie tot en met het achtervolgen van de nieuwe dragers. De interactie tussen de kunstenaar en de deelnemers, en tussen de deelnemers en hun stedelijke omgeving speelt daarbij een belangrijke rol, zoals er ook een rijke communicatie is tussen de verschillende fases van het project en de verscheidene vormen die het heeft aangenomen.

Zo ligt de New York-foto als het ware besloten in de latere Belfast-foto’s, en kunnen we met een beetje fantasie de geest van die Amerikaanse man in deze foto’s ontwaren. Op die manier blijft het project zich vertakken, heen en weer kaatsen en rondgaan. Het project demonstreert dat een object een reis kan maken, anderen kan aanraken en onderweg verschillende gedaantes aanneemt. Maar als geen ander laat het een kunstenaar zien die onderweg is naar het vreemde, en ‘de ander’ daarbij hard nodig blijkt te hebben.

Fiona Larkin wordt samen met Stephen Brandes op Kunstvlaai gerepresenteerd door Askeaton Contemporary Arts, Askeaton, Ierland. Bezoekers kunnen de spijkerjasjes lenen tijdens Kunstvlaai. Op 23 en 24 mei is de kunstenaar aanwezig om de bezoekers te filmen.

Wolfs Den – Do Unto Others

Fiona Larkin

Askeaton Contemporary Arts
Askeaton, Ierland 
www.askeatonarts.com

Fiona Larkin, WOLFS DEN - WALKS, HANNAH, LOUISE, PHILLIP, JADE, CHRIS (2012, Belfast)

Artistieke (on)gemakken

Gerben Bakker
Marianne Vierø, GREAT TRANSFORMATION (2014) Courtesy Ellen de Bruijne Projects

Er hangt een opgeruimde sfeer in de ruimte van Ellen de Bruijne Projects (rode deurbel, trap op, tweede deur links), en dat komt niet in de laatste plaats door de werken. De galerie toont Thomas Rentmeister, telg van de Kunstakademie Düsseldorf en bekend om de minimalistische vormtraditie, en Marianne Vierø, een jonge Deense die is geschoold aan de Rietveld Academie.

Allereerst Vierø. Opgesteld in de zijruimte Dolores dient het bij binnenkomst als de amuse voor het grotere werk. Wat we zien is een vitrine met daarin een ingestort bouwpakket van plastic scherven. Even is er verwarring: is dit de bedoeling of heeft een vorige bezoeker zijn WA-polisgegevens moeten achterlaten? Gelukkig is daar het velletje Tekst en Uitleg.

Het bouwpakketje blijkt een exacte weergave van de restanten van een verloren sculptuur, A Construction in Space ‘Two Cones’ (1927) van Naum Gabo. Laatste was een kunstenaar-architect die werkte in de geest van het constructivisme en de technologische vooruitgangsidealen van het interbellum. Zich afzettend tegen de klassieke kunsten schiep Gabo ruimtelijke objecten die je niet hoefde uit te houwen, maar gewoon in elkaar kon lijmen. Licht maar kwetsbaar. Nadat het werk zijn eerste barsten vertoonde en uiteindelijk in elkaar donderde, besloot het Philadelphia Museum of Art in 1969 dat het onherstelbaar was. De resten gingen naar het depot.

Vierø’s replica van de ruïne vormt een artistiek commentaar bij de vergankelijkheid van kunst en de menselijke ‘bewaarneurose’. Alle kunst is in essentie tragisch omdat ze (meestal) bedoeld is voor de eeuwigheid, maar nooit ontsnapt aan het verval. We weten dat heel goed, maar het blijft moeilijk te verteren. Denk aan de roof uit de Kunsthal: verloren kunst leidt tot morele verontwaardiging en symboliseert de kwetsbaarheid van het unieke. Vierø’s ‘gereconstrueerde destructie’ weet dat sentiment krachtig aan te spreken (en esthetisch interessant te maken) waarna je wel aan het filosoferen slaat. Maar het duurt even voordat we daar zijn.

De werken van Rentmeister zijn eerder antipretentieus te noemen. De kunstenaar heeft zijn sporen verdiend met composities van alledaagse voorwerpen die uit hun context zijn gehaald en op een wat droogkomische manier verwerkt. Dada inderdaad: een oude dweil die omgekeerd tegen de muur is geparkeerd, tampons in de zwarte verf gedoopt, een batterij zakdoekjes op een metalen platform. In het midden van de galerieruimte ligt een groot wit kussen met een hark. Het belooft weinig en het hoeft misschien ook weinig waar te maken. De ontreddering van de toeschouwer is immers onderdeel van het absurde experiment. Daar sta je dan met je goede gedrag, te observeren hoe een verfspatel is opgedroogd op een verfpotdeksel. Zet de kunstenaar ons een hak, of is het misschien toch allemaal bloedserieus?

Er zijn geleerden die in Rentmeisters dadaïsme een belangwekkende kritiek herkennen: the entropic end-stage of art. De willekeur en de lusteloosheid die ik in de voorwerpen meen waar te nemen zijn dan misschien bedoeld als voetnoot bij de betekenisinflatie van een ‘hyperconsumentistisch avondland’ of bij een decadente kunstscene die zich graag (quasi-)intellectueel laat verleiden. Ik blijf echter vooral zitten met de vraag of de dadaïstische middelvinger vandaag nog erg effectief is, laat staan bevredigend.

Bij mijn aftocht uit de galerie neem ik per ongeluk de verkeerde deur en loop zo het bezemhok in (derde van rechts). Gezien de expositie kan ik daar hartelijk om lachen, maar de galeriehoudster kijkt uiterst serieus: “Volgende deur alsjeblieft.”

Naum Gabo, model van CONSTRUCTION IN SPACE ‘TWO CONES’ (1927) Collectie Tate Gallery
Thomas Rentmeister, zonder titel (2013)