Installatiefoto Otto Berchem - Dive for Dreams, 2017, Ellen de Bruijne Projects

Synesthesie is een aandoening waarbij door een vermenging van de zintuigen kleuren een smaaksensatie oproepen, geluiden zichtbaar worden, of bij het lezen van letters en cijfers kleuren worden ervaren. Het is een van de onderliggende thema’s in het werk van Otto Berchem en zijn presentatie Dive for Dreams, dat nu te zien is bij Ellen de Bruijne Projects. Het is zijn vijfde tentoonstelling bij de galerie, waar de kunstenaar al sinds 2000 aan verbonden is.

Berchem onderzoekt sociale en visuele codes, waarbij hij focust op de relaties tussen taal, architectuur, geschiedenis en poëzie. Zijn onderzoek werkt hij uit in verschillende media, waaronder schilderkunst, video, fotografie en publieke interventies. Deze zijn allen vertegenwoordigd in de huidige tentoonstelling.

Een rij vrolijk gekleurde bezems leunen nonchalant tegen de witte muren van de grote ruimte. Ook hangt er eentje aan de muur, die de aandacht vestigt op schilderijtjes met subtiele grijze vlakken. Verstopt in het kantoor vind je een serie foto’s. Wie goed kijkt ziet dat de kleurvlakken op de foto’s wel erg veel lijken op de compositie van de muurschildering recht tegenover de ingang en de schilderijtjes in de grote ruimte. Ook de nieuwste film van Berchem, Inverted Americas (2017), is in deze presentatie te zien. De film is een videoloop van een vlaggenmast met de vlaggen van de Verenigde Staten en Colombia. Het absurde in dit werk zit in wat je ogen proberen waar te nemen. De vlaggen hangen verkeerd om aan de vlaggenmast, die op zijn beurt weer op zijn kop wordt getoond. Duidelijk is dat je zonder achtergrondinformatie bij het werk van Berchem niet veel verder komt dan een redelijk aangename visuele ervaring. Wil je er meer uit halen dan is enig onderzoek vereist.

Om te beginnen heeft Berchem zijn eigen “chromatische alfabet” ontwikkeld, waarbij elke letter vervangen wordt door een kleur. De code is onder andere geïnspireerd op de teksten van Vladimir Nabokov en de Uruguayaanse Jorge Adoum, Peter Saville’s ontwerpen voor de eerste drie New Order albums, en de aandoening synesthesie. Door gebruik van zijn ‘kleurenalfabet’ herziet Berchem iconische foto’s en beelden, waarin hij op strategische wijze de aanwezige betekenissen, protestborden en slogans vervangt door kleuren om zo zijn eigen interpretatie van de situaties te geven. Op dezelfde manier vormt elke bezem een ander woord. Wie goed kijkt, en de titels tot zijn of haar beschikking heeft, kan zo de boodschap van Berchem ontcijferen.

Naast de solopresentatie van Berchem is ook de film A Beautiful Living Thing (2015) van Ross Birrell te zien. Begeleid door vioolmuziek worden schrijnende beelden getoond van de Mackintosh bibliotheek van The Glasgow School of Art, die in 2014 is gesneuveld in een onopzettelijke brand. In tegenstelling tot het werk van Berchem, is bij Birrell de boodschap makkelijker te begrijpen. De verkoolde boeken en meubels, gesprongen ramen en zwartgeblakerde sculpturen moeten duidelijk een gevoel van nostalgie en emotie oproepen. En, hoewel de beelden mooi zijn om naar te kijken, hebben ze bij lange na niet de impact die je zou verwachten. Of dit komt door de overbelichte ruimte waarin het werk wordt getoond, of een gebrek aan diepgang in het werk zelf is om het even. Naast elkaar getoond laten de werken van Birell en Berchem zien dat makkelijke kunst niet altijd de beste is.

Installatiefoto Otto Berchem - Dive for Dreams, 2017, Ellen de Bruijne Projects
Installatiefoto Otto Berchem - Dive for Dreams, 2017, Ellen de Bruijne Projects
Tentoonstellingsoverzicht Christian Boltanski: NA, 2017, Oude Kerk. Foto: Gert-Jan van Rooij

Op de Documenta in Kassel, afgelopen augustus, kocht ik het boek Ways of Curating van Hans Ulrich Obrist. Het leek een uitstekend moment om eens een publicatie van deze ‘ster-curator’ aan te schaffen. Het boekje bleef maandenlang half gelezen op mijn nachtkastje slingeren tot ik vorige week het programmaboekje van het Amsterdam Art Weekend doornam en de naam Ulrich Obrist opnieuw tegenkwam. Voor ik goed en wel in mijn agenda had gekeken, zat er al een toegangskaartje voor zijn interview met Christian Boltanski in mijn winkelmandje.

De Oude Kerk had de curator gevraagd dit interview af te nemen ter gelegenheid van de nieuwe tentoonstelling van Boltanski: Na. De dialoog die ik van het interview verwachtte, was eerder een monoloog van Boltanksi die af en toe doorbroken werd door Ulrich Obrist. Boeiender vond ik de keuze van het interview als medium.

De avond voor het gesprek sloeg ik er zijn boek nog even voor open, en het werd me duidelijk dat Ulrich Obrist overtuigd is van de toegevoegde waarde van interviews. Niet alleen schrijft hij: ‘most of curatorial history is oral history’, maar hij refereert ook regelmatig aan de interviews die hij door de jaren heen met kunstenaars (waaronder Boltanski) heeft gehouden.

Hoe moest ik dit interpreteren? In de jaren zestig publiceerde theoreticus Roland Barthes het essay La mort de l’Auteur waarin hij verkondigde dat de betekenis van een tekst niet de betekenis is van de auteur, maar de betekenis die de lezer eruit haalt. Deze theorie werd later ook in de kunsten toegepast, het ging vaak niet meer om de bedoelingen van de kunstenaar maar om de ervaringen en ideeën van het publiek. Tegenwoordig worden de bedoelingen die kunstenaars in hun werk leggen weer vaker centraal gesteld. Net als Ulrich Obrist denk ik dat het van belang is om opnieuw met de makers van kunstwerken in gesprek te gaan, en deze gesprekken te gebruiken als informatiebron om te reflecteren op het werk.

Het interview dat directrice, Jacqueline Grandjean, Boltanski afnam voor het krantje bij de tentoonstelling wijkt maar weinig af van het live interview van Obrist. Voor mij blijft daarom de vraag: wat is de toegevoegde waarde van Hans Ulrich Obrist, als interviewer? Gaat het enkel om de publiekstrekker, net als vorig jaar toen Jean Hubert Martin een lezing in de Oude Kerk gaf?

Ik geloof zeker dat interviews een goede manier zijn om dichter bij de betekenissen en ideeën rondom kunst te komen, maar hebben we Ulrich Obrist daar voor nodig? Een ding is zeker hij zorgde ervoor dat het evenement was uitverkocht en dat mensen zonder kaartje ’s ochtends bij de kerkdeuren stonden, in de hoop toch naar binnen te mogen. En eerlijk is eerlijk, ook voor mij was zijn aanwezigheid de reden voor het bezoek aan de Oude Kerk.

Het interview tussen Christian Boltanski en Hans Ultrich Obrist werd georganiseerd in het kader van de huidige tentoonstelling NA – Christian Boltanski, te zien tot en met 29 april 2018 in de Oude Kerk.

Interview Hans Ulrich Obrist met Christian Boltanski, 24 november, Oude Kerk
Tentoonstellingsoverzicht Christian Boltanski: NA, 2017, Oude Kerk. Foto: Gert-Jan van Rooij
Overzicht tentoonstelling Zwart en Revolutionair: Het verhaal van Hermina en Otto Huiswoud, 2017, The Black Archives

Vandaag opent The Black Archives zijn eerste tentoonstelling getiteld Zwart en Revolutionair: Het verhaal van Hermina & Otto Huiswoud. Otto en Hermina, twee zwarte revolutionairen, reisden vanaf de jaren ’20 de wereld rond om te strijden tegen kolonialisme, racisme en economische ongelijkheid.

The Black Archives werd in 2016 geopend door New Urban Collective. In het pand van Vereniging Ons Suriname beheren zij sindsdien boekencollecties, archieven en artefacten uit het nalatenschap van zwarte schrijvers en wetenschappers. Ook organiseren zij evenementen om kennis uit te wisselen over culturele diversiteit. Veerle Driessen ging in gesprek met Jessica de Abreu en Mitchell Esajas van New Urban Collective, en met kunstenaar Iris Kensmil wiens werk deel uitmaakt van de tentoonstelling.

Waarom programmeert The Black Archives, als archief, een tentoonstelling?

Mitchell Esajas: Het idee is ontstaan omdat we al jarenlang bezig zijn om de kennis uit het archief over te brengen door middel van debatten, lezingen, workshops en activisme. Daarmee bereik je een specifiek publiek. We denken dat we met kunst een breder publiek kunnen bereiken. Deze expositie creëert ruimte voor interpretaties van kunstenaars, artiesten en tentoonstellingsmakers rondom de kennis en geschiedenis die wij hebben.

Hoe kwamen jullie bij het werk van Iris Kensmil?

Jessica de Abreu: In het Van Abbemuseum, waar Iris Mitchell en mij had uitgenodigd om te spreken voor Becoming More (een tiendaags publieksprogramma met lezingen, performances, discussies en kunst), hebben we het veel gehad over het verhaal van voornamelijk Hermina Huiswoud. Sindsdien zijn we samen gaan werken.

Het verhaal van Hermina Huiswoud was je bekend Iris?
Iris Kensmil: Nee. Jessica vertelde over Hermina en daar werd ik meteen door getriggerd. Ik dacht: ‘waarom ken ik dat eigenlijk niet?’ Ondanks dat het een belangrijke figuur is in de Nederlandse geschiedenis is ze voor mij onbekend. Ik vond het heftig om me dat te realiseren.

Je gebruikt in veel van je werk archiefmateriaal. Wat betekenen The Black Archives voor jou?

IK: Ik heb een eigen archief en met The Black Archives voelt het alsof zij verder gaan met wat ik in het klein ben begonnen. Dat is echt fantastisch. Met Otto Huiswoud kwam dat heel mooi uit. Hij heeft een reis gemaakt van Suriname naar New York en daar is hij terechtgekomen in de pre-Harlem Renaissance, waar helden als W.E.B. Dubois en Marcus Garvey een rol in hebben gespeeld, helden die ik eerder in mijn werk heb gebruikt. Een archief als The Black Archives is op het gebied van onderzoek naar antiracisme en dekolonisatie onmisbaar en daardoor echt een verrijking voor Nederland, vooral voor de jongere generatie.

Waarom de jongere generatie?

IK: Omdat veel jongeren te weinig weten over deze geschiedenis, en over meer geschiedenissen die verborgen zijn en wellicht nog boven water moeten komen.

Weten jongeren dan minder dan de oudere generatie?

JdA: Ik vind het belangrijk om te weten dat de realiteit die wij (als zwarte jongeren) meemaken niet iets nieuws is. Het heeft altijd bestaan, net als het verzet ertegen. Nederland lijkt een liberale, tolerante wereld, maar ik kwam erachter dat het helemaal niet zo is. Al heel lang niet. Kennis hierover is belangrijk voor je eigen identiteit, hoe je in het leven staat, waar je naar toe wilt gaan. The Black Archives is voor mij een manier om ermee om te gaan. Er is genoeg literatuur over kolonialisme en het slavernijverleden om deze geschiedenis te ontdekken. Eén van die verhalen is dat van Otto Huiswoud. Zijn verhaal gaat over het verzet en de situatie in Nederland die je doet twijfelen over je eigen realiteit. Verhalen van eerdere generaties vertellen dat je niet hoeft te twijfelen aan je eigen realiteit en dat racisme echt bestaat.

De antropologe Gloria Wekker zegt dat we in een tweede antiracistische golf zitten, voelen jullie dit ook zo?

JdA: Interessant dat je dit noemt. In veel recente academische literatuur wordt de anti-Zwarte Piet beweging uit 2011 gezien als de tweede antiracistische golf (na de eerste in de jaren 80). Door The Black Archives beseffen we dat er een langere traditie is van antiracistische golven, beginnend in de tijd van Otto Huiswoud. Dat betekent dat we wellicht meerdere verhalen kunnen tegenkomen over verzet.

ME: Met de expositie proberen we zichtbaar te maken dat de periode van de Huiswouds ook een antiracistische golf is geweest. Die periode is zo onzichtbaar geworden dat zelfs mensen als Gloria Wekker pas over een tweede golf spreken.

Iris, wat voor werk heb je gemaakt voor de tentoonstelling?

IK: Voor het werk dat ik nu hier toon heb ik me geconcentreerd op het nu, op Nederland, op de mensen om mij heen. Ik voelde dat ik dit moest doen. Ik voelde dat ik deze mensen (die actie voeren tegen racisme) op dit moment moest verbeelden.

Wil je dat je werk behalve observeert ook activeert?

IK: Ik hoop het wel. Zelf ben ik geen activist maar ik vind het wel belangrijk dat het mee zou kunnen bewegen, als het ware. Ik ben van mening dat kunst ook verandering kan veroorzaken.

JdA: In de (officiële) tweede antiracistische golf werd racisme in Nederland aangekaart door Zwarte Piet Is Racisme, dat als kunstproject een belangrijke rol speelde in het ontstaan van deze golf. Kunst is cruciaal voor sociale verandering.

Studio overview Claudia Martínez Garay, RijksakademieOpen 2017.

Ieder jaar opent de Rijksakademie haar deuren voor het publiek tijdens de RijksakademieOPEN. Dit is hét moment om een nieuwe generatie veelbelovende kunstenaars te ontdekken door een kijkje te nemen in hun studio’s. Nina Svenson selecteerde enkele studio’s die je absoluut niet mag missen. Sociaal-maatschappelijke en politieke thema’s als culturele identiteit en migratie worden hier in een eigen, unieke beeldtaal onderzocht.


Claudia Martínez Garay

De studio van de Peruaanse Claudia Martínez Garay baadt in het licht. Op de vloer treffen we een verzameling van sculpturen: paarse en zwarte maïskolven, een kleine witte slak op een ronde vlakke, bruine sokkel, en een slangetje. Lichaamsdelen lijken te balanceren op stokken die samen met bakstenen op de grond sokkels vormen. De objecten staan los van elkaar, maar gaan door thematiek en gelijkenis in kleur en materiaal een relatie met elkaar aan. Het geheel is speels: door de sierlijke sokkels en de verschillen in hoogte lijken de objecten te dansen in de ruimte. Aan de muur zien we een deel van een menselijk gezicht en een schildering bestaande uit drie panelen die doen denken aan een oude muurschildering. Het werk van Martínez Garay  gaat over de ontwikkeling die artefacten doormaken van ontstaan tot conservering en circulatie. Door middel van verhalen over deze objecten onderzoekt ze hun transformaties. Ze is geïnteresseerd in het effect van institutionalisering en kolonialisme op de artefacten.

Deniz Eroglu

In de studio van de Deens-Turkse Deniz Eroglu vinden we de werkplaats van een animator. Op een tafel, waarvan de vorm en gebogen poten doen denken aan een kever, staat een klein sculptuur van een kakkerlak. Het beestje kijkt naar een animatievideo aan de wand waarop een grote groep vrolijk marcherende kakkerlakken te zien is. Aan een andere wand zien we een animatiefilm met een sip kijkende rat en een baby. Baby Fugi staat symbool voor een vluchtelingenbaby uit Syrië tijdens zijn reis naar Europa, terwijl de rat de straatwijze immigrant verbeeldt. Eroglu stelt urgente thema’s als de vluchtelingencrisis en migratieproblematiek aan de kaak door middel van de luchtige taal van animatie. Dergelijke beeldtaal blijft volgens de kunstenaar, die in zijn werk wel vaker refereert aan specifieke cinematografische beeldtalen, het best hangen bij het publiek en is daarom uitermate geschikt voor het aankaarten van serieuze onderwerpen.

Esteban Cabeza de Baca

In de studio van Esteban Cabeza de Baca (US/MX) stappen we een wereld van warme kleuren en planten binnen die doet denken aan een woestijnlandschap. Aan de muren hangen kleurrijke figuratieve en meer abstracte schilderijen. Cabeza de Baca werkt vanuit een combinatie van dromen, observaties en politieke en maatschappelijk kritiek. Een centraal thema in het werk van Cabeza de Baca is ‘de muur’. Dit thema heeft een persoonlijke connectie voor hem en komt in verschillende schilderijen terug. Cabeza de Baca is opgegroeid in een gebied van de Verenigde Staten dat grenst aan Mexico en dit speelt een grote rol in zijn leven. Het thema is bovendien weer actueel geworden door Trumps plannen voor het bouwen van ‘de muur’ om Mexicanen te weren. Aan de stenen muren van de oude cavaleriekazerne van de Rijksakademie hangen maskers van zowel mensen- als dierenhoofden, gemaakt van klei in witte en terracotta kleuren. In de ruimte liggen sculpturen van doodskoppen en gebitten die doen denken aan de overblijfselen van overleden wilde dieren uit de woestijn. Binnen het werk van Cabeza de Baca speelt zijn achtergrond (Native American, Mexicaans en Spaans) een grote rol. Door middel van zijn werk poogt hij kritiek te leveren op de wijze waarop zijn thuisland is gekoloniseerd en uitgebuit door de Amerikanen en hoe we in de westerse samenleving omgaan met de natuur. Door de algehele sfeer die Cabeza de Baca creëert in zijn studio en de iconografie die hij gebruikt in zijn werk, zet hij de thema’s die hij aankaart overtuigend neer.

Monira Al Qadiri

Wanneer je de studio van Monira Al Qadiri uit Koeweit binnenstapt is het alsof je een Amerikaanse diner bezoekt. De glimmende rode dinerbanken nodigen de bezoeker uit om te gaan zitten en het videowerk dat in de ruimte hangt te bekijken. Hier zien we videobeelden van Al Qadiri en haar familie uit haar kindertijd die zij in Koeweit doorbracht. De video heeft echter ook science-fiction elementen. De kunstenaar vertelt in deze video een verhaal, geïnspireerd op een droom, of fantasie, die zij en haar zusje beiden hadden toen ze klein waren en stelt de vraag of hun ouders samenzweerden met buitenlandse wezens. In de video doemt een ruimteschip op, terwijl de diner waarin de we ons bevinden tegelijkertijd de binnenkant van dit ruimteschip voorstelt. De kunstenaar speelt hier met de grenzen tussen fictie en realiteit en herinneringen en dromen. Al Qadiri grijpt de bezoeker door middel van haar persoonlijke benadering. Met haar voice-over creëert ze een sfeer van suspensie terwijl ze je meeneemt in haar mysterieuze verhaal.

Studio detail Deniz Eroglu, RijksakademieOpen 2017.
Studio overview Esteban Cabeza de Baca, RijksakademieOpen 2017.
Studio overview Monira Al Qadiri, The Craft, RijksakademieOpen 2017. VHS video, kleur met geluid, American Diner installatie, 16 min.

Kunstverein Goes Bananas

Floor van Luijk
Anna Banana, tentoonstellingsoverzicht, 2017, Kunstverein Amsterdam

Bananen: wie houdt daar nou niet van? De Canadese kunstenaar Anna Banana (1940) weidde haar leven die langgerekte, met stevige schil omhulde vruchtvleesstaaf. Sinds de jaren 70 geldt zij als één van de spilfiguren van de internationale mail-art beweging. Behalve de duizenden poststukken die zij in circulatie bracht werkte zij als kostuumontwerper, performer, verzamelaar en uitgever. In Kunstverein Amsterdam is op het moment inzicht te verkrijgen in dit merkwaardige oeuvre.

Het is de eerste overzichtstentoonstelling van Anna Banana in Nederland. De tentoonstelling werd eerder georganiseerd in Kunstverein Toronto, een van Kunstvereins zusterondernemingen, en zal na Amsterdam doorreizen naar Milaan. Met een drietal vroege kostuums, een aantal video’s, publicaties en twee vitrines vol briefkaarten, enveloppen, kunstenaarspostzegels, boekjes en tijdschriften geeft de tentoonstelling een bescheiden maar toch verassend panoramisch beeld van deze merkwaardige kunstenaar.

Het begon allemaal toen Anne Lee Long zichzelf in 1971 benoemde tot town fool van Vancouver, en in een eigengemaakt kostuum publieke performatieve projecten initieerde. Nadat zij tijdens een feestje over een bananendoos struikelde was de naam Anna Banana een feit. Wat begon als een serie ludieke projecten groeide uit tot een levenswerk. Zij liet zich zelfs officieel als Anna Banana registreren.

De praktijk van Banana is extreem divers. Zo zijn in Kunstverein video-opnames te zien van publieke evenementen zoals de Banana Olympics (San Francisco 1975 en Surrey 1980). Deelnemers aan dit banaangerelateerde sportevenement werden hierbij niet beoordeeld op hun atletische prestaties maar op hun kostuums en entertainmentwaarde. Deze evenementen werden door velen in eerste instantie helemaal niet als kunst bestempeld. De locale overheid zag de Banana Olympics vooral als sportevenement, waardoor het project financiële steun ontving. De Going Bananas Fashion Contest (1982) die Anna Banana organiseerde werd op de Canadese televisie uitgezonden.

De belangrijkste kern van Banana’s oeuvre bestond echter uit het versturen en ontvangen van post door het internationale neo-dadaïstische netwerk waarvan zij deel ging uitmaken. Via het Image Bank International Mail Art Network (IMAN) van Michael Morris en Vincent Trasov (Mr. Peanut) kwam zij in aanraking gelijkgestemden – vrijwel uitsluitend mannen – zoals Professor Bananaco waarmee zij het veld deelde.

Via het mail art netwerk bracht zij talloze poststukken in omloop. Het gaat hierbij niet alleen om de meer reguliere postkaarten en brieven die zij stuurde, de kern van de zaak was immers de interactie met een internationaal kunstenaarsnetwerk en het spel met de infrastructuur die deze uitwisseling mogelijk maakte. Banana nam zelf bijvoorbeeld ludieke enquêtes af onder de noemer Specific Research Institute en tastte zo het netwerk af. Zelf ontving zij een groot aantal banaangerelateerde parafernalia in de bus waarvan zij een ondertussen immense collectie opbouwde. De poststukken bevatten vaak eigengemaakte bananenpostzegels of stempels die naast officiële postzegels en stempels op enveloppen meereisden. Ook in Nederland kwam Anna Banana via de mail art met kunstenaars in aanraking. Zo droeg zij bij aan enkele edities van Ephemera van UlisesCarrión, en stelde zij in 1978 werk tentoon in de Stempelplaats van Aart van Barneveld.

De tijdschriften die Banana maakte, vormen tevens een zwaartepunt in haar oeuvre. In Kunstverein zijn verschillende edities van de Bananarag uitgestald. Dit blad begon als een ‘Sometimes Weekly’, maar werd door haar velen andere taken snel een ‘Sometimes Monthly’en later een ‘Sometimes Yearly’. Nog altijd verschijnen er onregelmatig nieuwe edities van deze nieuwsbrief. Recente edities zijn bij Kunstverein voor een paar euro te koop, de vroege nummers ervan zijn inmiddels echter collectors items geworden. Dat geldt ook voor de edities van het blad VILE (1974-1978) waarvan in Kunstverein edities zijn door te bladeren. Het blad bood een platform voor bijdragen uit het mail art netwerk van Banana en geeft een mooi tijdsbeeld. Het ontstond in reactie op het door General Idea uitgegeven tijdschrift FILE (1972-1989) dat door Banana al snel te main-stream en een tikkeltje elitair werd gezien. General Idea’s FILE was overigens op zijn beurt een parodie op het beroemde LIFE Magazine (1936-heden).

Terwijl haar omgang met een onofficieel circuit en haar onconventionele gebruik van het publieke postsysteem als subversief gezien kunnen worden, en haar interactie met een breed publiek doet denken aan latere participatieve kunstvormen, valt vooral op hoe lichtvoetig, vrolijk en speels het werk van Banana is. Lastig daaraan is wel dat die spontaniteit zich ongemakkelijk in vitrines laat leggen. Zo ontstaat de indruk dat je naar relikwieën uit een bruisend maar afgesloten tijdperk kijkt. Dat hardnekkige probleem bij dit type werk is de vrucht van een doelbewuste anti of a-institutionele houding. De vraag is of en hoe dit oeuvre wel opnieuw geactualiseerd kan worden.

De tentoonstelling in Kunstverein moet daarmee vooral als documentair gezien worden, en daarin zeer geslaagd. Met weinig middelen weet de tentoonstelling een veelzijdige indruk te bieden van dit voor velen onbekende oeuvre. Naar meer smaakt dat zeker. De vraag blijft hoe.

 Tijdens Amsterdam Art Weekend organiseert Kunstverein Amsterdam op zondag 26 november om 16:00 uur een Book Launch. Kunstenaar Pierre Leguillon en curator Carrie Pilto presenteren dan het boek Oracles. Artists’ Calling Cards, een boek over visitekaartjes van kunstenaars van de 18e eeuw tot vandaag de dag. Het boek bevat 123 facsimile’s van visitekaartjes.

Oracles. Artists’ Calling Cards 
Softcover, 320 pages, 123 color plates
20 x 26.5 cm
ISBN: 978-3-906803-16-6
Published by Edition Patrick Frey, 2017
Out of print, last three copies available at the event

Anna Banana, tentoonstellingsoverzicht, 2017, Kunstverein Amsterdam
Anna Banana, tentoonstellingsoverzicht, 2017, Kunstverein Amsterdam
Anna Banana, tentoonstellingsoverzicht, 2017, Kunstverein Amsterdam
Anna Banana, tentoonstellingsoverzicht, 2017, Kunstverein Amsterdam
Inti Hernandez, IT RAINS, YET WE HAVE TIME, 2017, gesneden hout, 91 x 28 x 30 cm

Galerie Ron Mandos presenteert in de tentoonstelling Cotidiana (Dagelijks) een combinatie van oud en nieuw werk van Inti Hernandez. Volgens de galerie brengt de presentatie een aantal belangrijke thema’s binnen Hernandez’s oeuvre samen, waaronder “het metafysisch aspect van tijd”, “de relatie tussen sociale verantwoordelijkheid en vrije wil”, en tenslotte, “illusie”.  Aan de bezoeker om te bepalen in hoeverre dit daadwerkelijk duidelijk wordt in de tentoonstelling.

Verspreid door de galerie staan objecten uit de serie Useless Objects (Human Needs series). Te zien zijn onder andere een paraplubak, een paar laarzen, een ventilator, en een stoffer en blik. Op het eerste gezicht alledaagse objecten, die na beter kijken geen van allen bruikbaar blijken te zijn. Ze zijn namelijk volledig gemaakt van hout en verwijzen slechts naar de objecten die ze tot in detail representeren. Uiterst zorgvuldig zijn ze met de hand uit massieve stukken hout gesneden door de kunstenaar. Het is nutteloos, maar prachtig vakmanschap.

Het complexe, tijdrovende maakproces benadrukt de absurditeit van de objecten die te zien zijn. Ze dienen niet langer dat doel dat ze suggereren, maar hebben een nieuwe functie gekregen: het louter charmeren of fascineren van de aanschouwer.

De grootste kracht van de tentoonstelling zit in het meest aanwezige en tegelijkertijd onopvallendste werk in de hele galerie: de schijnbaar met modder besmeurde vloer. Echter is bij Hernandez niets wat het lijkt: de vloer is zorgvuldig besmeurd met een mengsel van onder andere houtskool en Arabische gom. Het patroon van voetstappen is niet door de vele bezoekers maar door de medewerkers van de galerie gevormd. Tussen de zwarte vegen is een tegelpatroon op de vloer aangebracht, dat verwijst naar een eerdere performance van Hernandez, Propia Iniciativa 2002-2011. Foto’s hiervan zijn achterin de galerie te vinden. Het tegelpatroon dat op de vloer van de galerie is aangebracht wordt in de performance juist gevormd door het weghalen van vuil op de straten van Havana. In de galerie brengt het patroon op de vloer alle losse objecten bij elkaar. Tegelijkertijd gebruikt Hernandez het om de individuele objecten te benadrukken door rondom zorgvuldig te hebben schoongeveegd.

Dat de objecten moeten fascineren, of in ieder geval de aanschouwer laten stilstaan bij de schoonheid van alledaagse objecten, wordt verder benadrukt door de titels die Hernandez gebruikt. De paraplubak is getiteld It rains, yet we have time, evenals een onbruikbare radiator met de titel It’s cold, yet we have time en zo zijn meerdere objecten vergelijkbaar benoemd. Zo bedoeld of niet, het werkt. Bij het verlaten van de galerie valt er opeens iets op in de gang, dat bij binnenkomst nog geen aandacht trok: een bak met paraplu’s. Een stuk minder mooi dan de houten variant van Hernandez. Maar wel bruikbaar, dat dan weer wel.

Inti Hernandez, WE ARE OVERHEATED, YET WE HAVE TIME, 2017, gesneden hout, metaal, 90 x 30 x 30 cm
Inti Hernandez, WE ARE THIRSTY, YET WE HAVE TIME, 2016, gesneden hout, 218 x 495 x 41 cm
Inti Hernandez, CHAIR IN DISBALANCE (COMMUNITY OF TWO, IMPOSSIBLE), 2015, hout, riet en metalen schroeven, 155 x 65 x 118 cm

Topkunst op fietsafstand

Katinka Duffhuis
Kevin Bray, IMPOSSIBLE EXHIBITION #3, 2017 © Kevin Bray

Het Amsterdam Art Weekend, dit jaar alweer met haar zesde editie, belooft weer groots te worden. Van 23 tot en met 26 november kent de hoofdstad een bomvol programma van meer dan honderd tentoonstellingen, performances, lezingen en openingen op ruim vijftig locaties. Een dag voor de start van het evenement sprak Katinka Duffhuis met Adriana Gonzalez Hulshof, directeur van Amsterdam Art.

Katinka Duffhuis: Wat vind je het belangrijkste doel van AAW?

Adriana Gonzalez Hulshof: Het nationaal en internationaal onder de aandacht brengen van het hedendaagse kunstaanbod in Amsterdam zie ik als hoofddoel. We willen Amsterdam presenteren als de culturele, creatieve stad die zij is. Het idee is om mensen in beweging te brengen, om te laten zien wat voor geweldige culturele infrastructuur we hier hebben. Amsterdam heeft een rijk aanbod met onder meer de Rijksakademie van beeldende kunsten en de verschillende galeries die jong talent een podium bieden voordat zij naar alle grote internationale tentoonstellingen gaan. Daarnaast kent de stad natuurlijk een groot museaal aanbod. Dit zijn bovendien allemaal instellingen die internationaal goed meedoen in de kunstwereld, en het mooie is: alles is op fietsafstand. Dat maakt Amsterdam uniek.

Er doen dit jaar meer instellingen mee dan ooit, en er lijkt meer aandacht voor verdieping en discussie binnen het programma. Waardoor verschilt dit AAW nog meer van vorige edities?

De aandacht voor discussie en het verdiepende programma zijn in elke editie aanwezig geweest. Dit jaar is het wel extra zichtbaar voor publiek, doordat dit element tot nog toe vooral in het professionals programma verwerkt was. Bij het opstellen van het programma selecteren we enerzijds uit het aanbod van de instellingen, anderzijds initiëren we zelf programma’s. Bij het maken van die selectie zijn er dit jaar veel debatten naar voren gekomen, zoals het symposium Humans of the Institution en The Black Archives. Bovendien hebben we dit jaar de samenwerking met de Duitse Kunstvereine opgezet voor een uitwisseling van kennis en ons netwerk.

Wat zou je een beginnende kunstverzamelaar die het Art Weekend bezoekt willen aanraden?

Het AAW is bij uitstek de plek om je te oriënteren op alles wat er is. Er zijn veel galeries die deelnemen en die werken allemaal met verschillende kunstenaars dus ik zou vooral willen zeggen: kijk en vergelijk. Neem daar ook echt de tijd voor tijdens dit weekend. Als je daar tools voor wil, hebben we op onze website thematische routes beschikbaar gesteld: als je in eerste instantie meer geïnteresseerd bent in schilderkunst, fotografie of tekeningen hebben we daar aparte routes voor. Maar daarnaast: sta vooral open voor nieuwe dingen. Je zal verrast staan door hoe je een heel andere weg in kan slaan en je je smaak kan ontwikkelen. We hebben op zaterdag een Amsterdam Art Afternoon, waarin jonge tentoonstellingsmakers vertellen over hun visie op kunst. Daarna kunnen de bezoekers in groepjes met die tentoonstellingsmakers een galerietour doen gebaseerd op de keuzes van die professionals. Het is interessant om kunst door hun ogen te zien. Dit kan je ook een geheel nieuwe kunstervaring brengen.

Het AAW vindt plaats in hetzelfde weekend als de PAN, wat onderscheidt jullie van beurzen zoals deze of biënnales?

Wat ons onderscheidt is onder meer dat al onze locaties verspreid zijn over de hele stad. Het gaat over het aanbod van Amsterdam, daarbij werken we samen met zowel commerciële galeries, als met non-profit partijen. Een ander verschil is dat je tijdens AAW naar gecureerde tentoonstellingen kijkt. Bij een stand in een beurs zal een galerie misschien twee of meerdere kunstenaars uitlichten, maar dat zijn vaak fragmenten van het oeuvre van een kunstenaar, terwijl bij een tentoonstelling wordt gekeken naar hoe die werken zich tot elkaar verhouden, daar zit meer een verhalend concept achter. Dat biedt een heel andere manier van kijken. Bovendien zijn de kunstenaars tijdens AAW zelf ook aanwezig. Bij de studio’s, in De Ateliers, bij de Rijksakademie, maar ook in de project spaces; die kunstenaars kan je volop ontmoeten.

Wat zijn je inspiratiebronnen voor de organisatie van het weekend? Met welke evenementen uit het buitenland zou je je willen meten?

Toen we begonnen met het AAW was het Gallery Weekend in Berlijn een grote inspiratiebron. Wat me inspireerde was dat van overal ter wereld mensen op de galeries afkomen om te kijken wat daar gebeurt. Dat wilden wij voor Amsterdam ook, maar we wilden het breder trekken dan enkel de galeries: het gaat over de hele stad. En daarvoor dient de Havana Biënnale als interessant voorbeeld, tijdens dit evenement ademt de hele stad kunst. Ze hebben daar heel weinig middelen, maar iedereen doet mee, iedereen participeert, dat is fantastisch om te zien. Daarnaast hebben we natuurlijk naar voorbeelden zoals Art Basel of de TEFAF gekeken, hierheen komen van heinde en verre verzamelaars, kunstprofessionals, curatoren en museumdirecteuren: de top van de top. Deze willen wij nog meer naar Amsterdam trekken. AAW is hierin wel echt een evenement op zichzelf. In vergelijking met andere art weekends internationaal denk ik dat wij het meest verscheiden aanbod van deelnemers presenteren, profit, non-profit in allerlei vormen en op topniveau. Het is een grote samenwerking tussen alle partijen waarbij we het karakter van het individu bewaken en tegelijkertijd zorgen dat het een sterk, inspirerend totaalaanbod is. Iedereen pakt uit.

Er is de laatste jaren veel kritiek op de positie van kleinere instellingen en beginnende kunstenaars in Amsterdam, hoe kijk je hier zelf tegenaan en hoe kan het AAW hier een rol in spelen?

Ik denk dat die kleinere instellingen nodig zijn om een brug te slaan tussen de beroepspraktijk van beginnende kunstenaars en tentoonstellingen in grote musea. Die kleine instellingen bieden ruimte voor experiment en de mogelijkheid voor het ontwikkelen van een oeuvre. Dat is hard nodig. Ik ben heel blij dat we deze plekken in Amsterdam hebben en ik zou vooral stimuleren dat dit soort plekken er nog meer komen. Tijdens AAW opent ISO (www.isoamsterdam.com), dat is een nieuwe plek waar er kunstenaarsateliers zijn, er is een tentoonstellingsruimte, maar er zijn ook een paar residencies, daar komen kunstenaars van overal ter wereld om te verblijven. Ze richten zich niet alleen op hedendaagse beeldende kunst maar ze betrekken daar bijvoorbeeld ook design bij. Verschillende takken van de kunst worden er verweven en dat maakt het interessant. Zo zijn er nog meer kleinere instellingen die deelnemen aan het AAW en die wij graag een podium geven.

Dit is de laatste editie waarbij je als directeur van Amsterdam Art, waar kijk je met de meeste trots op terug? Wat zou je de Amsterdamse kunstwereld willen meegeven bij je vertrek?

Waar ik het meest trots op ben is dat we al die mensen de afgelopen jaren in beweging hebben gebracht voor de kunst, zowel kunstprofessionals als kunstliefhebbers. Bovendien hebben we het cement gecreëerd tussen al die partijen. Er is nu een geraamte voor het AAW dat we samen kunnen inzetten om de beste tentoonstellingen te laten zien en ieder jaar echt uit te pakken. Doordat iedereen daar zijn best voor doet heeft het ook resultaat. Als je kijkt naar toen we begonnen, en dat vergelijkt met nu dan zie je dat het aantal kunstenaars dat we een podium hebben kunnen bieden is verdubbeld. Dat is natuurlijk heel belangrijk. Daarnaast is het aantal deelnemers verdubbeld, het aantal activiteiten is vervijfvoudigd. De Amsterdamse kunstscène is levendig en er gebeurt van alles. Het aantal bezoekers is verdrievoudigd, en dat groeit nog steeds. Hiermee zie je dat mensen echt geënthousiasmeerd raken door het Amsterdamse culturele aanbod. Dat heeft niet alleen een effect op het moment tijdens het AAW maar dat heeft natuurlijk ook een weerslag door het jaar heen.

Tot slot: wat zijn de highlights van dit jaar die je mensen absoluut zou willen aanraden?

We hebben meer dan 150 evenementen, dus kijk vooral op onze website en stem het af op je eigen voorkeur! Voor Tubelight heb ik per dag twee hoogtepunten geselecteerd:

Woensdag beginnen we met het voorprogramma van het AAW, daarin opent de nieuwe projectruimte ISO (Isolatorweg 17) met de openingstentoonstelling ISOLA 3000. Bovendien opent een deel van de triptiektentoonstelling van het Prins Claus Fonds bij Eenwerk (Koninginneweg 176), ook een fantastische nieuwe kunstplek, daar is het werk This Way Brouwn van Stanley Brouwn te zien.

Donderdag opent bij de Prins Claus Fonds Gallery het tweede deel van die triptiektentoonstellingen, met het werk van Ibrahim El-Salahi. Ook opent de tentoonstelling van Christian Boltanski in de Oude Kerk.

Vrijdag hebben we de Gallery Night, tijdens deze avond tonen de galeries een heel bijzonder aanbod van kunstenaars, zowel nationaal als internationaal, je kunt die avond ook echt op ontdekkingstocht. Wanneer dit rond 21.00 uur is afgelopen, zou ik aanraden om richting Noord te gaan, daar opent Framer Framed de groepstentoonstelling ‘House of Wisdom’. Bij Eye toont de internetkunstenaar Rafaël Rozendaal een gigantisch werk op LED-schermen van vier meter hoog en zes meter breed, dat wordt heel spectaculair. Tegelijkertijd zijn er allerlei performances te zien, is de tentoonstelling Locus gratis te bezoeken, kan je een VR-kunstwerk zien van Gina Kim, dus in Noord gebeurt een hele boel die avond.

Zaterdag zou ik aanraden om naar de Rijksakademie Open en De Ateliers te gaan. Eens per jaar opent de Rijksakademie haar deuren en het is heel bijzonder om een kijkje te nemen in de kunstenaarsstudio’s waar je normaliter geen toegang tot hebt. De Ateliers pakken ook helemaal uit met performances, talks, en filmscreenings. Dit wordt gepresenteerd als een totaalinstallatie rondom een bar.

Op zondag zou ik de eerste dag van de tentoonstelling Jump into the Future van het Stedelijk Museum bezoeken. Ook zou ik de Manifesta (Herengracht 474) willen aanraden: die locatie in het monumentale grachtenpand is heel bijzonder. Zij nodigen elk jaar een galerie uit om een tentoonstelling te maken en dat pakt altijd erg goed uit. Het oude statige grachtenpand in combinatie met hedendaagse kunst geeft een heel bijzonder effect.

Overweldigd door dit enorme aanbod? Geen zorgen, de organisatie biedt voldoende mogelijkheden om zo veel mogelijk van het programma mee te krijgen. Zo zijn er thematische routes, ontworpen door professionals uit de kunstwereld, toegespitst op je voorkeuren. Ook zijn er gratis rondleidingen door de stad die worden verzorgd door studenten, waar je met je fiets bij kunt aansluiten vanaf het vertrekpunt bij de AAW Hub bij het Stedelijk Museum.

 

Ibrahim El-Salahi, BY HIS WILL, WE TEACH BIRDS HOW TO FLY NO. 4, 1969, pen, inkt en was op papier, 38 x 56 cm (V02571)

Van 23 tot en met 26 november is het weer Amsterdam Art Weekend. In dit weekend kent de hoofdstad een bomvol programma van meer dan honderd tentoonstellingen, performances, lezingen en openingen op ruim vijftig locaties. Vooral wie ook graag film kijkt krijgt het lastig: tijdens het weekend draait IDFA tevens zijn programma. Dat is nogal wat. Wie niet alert is wordt overdonderd, zweeft mee in de roes, en bevindt zich plotseling aan de andere kant van het weekend, zich afvragend of het niet allemaal een droom was.

Om dit jaarlijkse geraas niet als een sneltrein te laten passeren publiceert Tubelight de komende week dagelijks interviews, recensies, previews en verslagen. Zo lichten wij enkele hoofdzaken uit, en bieden respons en reflectie.

Gezien een constant gevoel dat je iets belangrijks mist haast kenmerkend is voor dit soort grote evenementen, is goed selecteren en plannen essentieel. Om daarbij te helpen, hierbij alvast een paar suggesties uit het rijke aanbod. 


Tip 1 : Framer Framed – House of Wisdom

In Framer Framed opent vrijdagavond de tentoonstelling/bibliotheek House of Wisdom, gecureerd door het Turkse Collective Çukurcuma. Uitgangspunt voor dit project is de vaak onderschatte politieke potentie van bibliotheken in tijden van onderdrukking en collectief verzet. Net als musea en archieven zijn bibliotheken geen instanties die passief informatie accumuleren, maar spelen zij een actieve rol bij de ontwikkeling van ideeën en de circulatie van informatie.

Het project ontleent zijn titel aan de gelijknamige bibliotheek die aan het begin van de achtste eeuw in Bagdad werd opgericht, maar verwijst ook naar recentere bibliotheken zoals de bibliotheek die werd opgericht in de context van de Taksim Gezi-Park protesten in Istanbul in 2013 en de ‘geheime bibliotheek’ die vorig jaar in Syrië werd opgericht.

Voor House of Wisdom vroeg het curatorencollectief een groot aantal kunstenaars en onderzoekers om bij te dragen aan deze bibliotheek, en zo licht te werpen op de toenemende censuur in het huidige Turkije. Het resultaat is een bibliotheek en tentoonstelling in één. Het project reflecteert dus niet alleen op de potentie van bibliotheken en boeken an sich, maar is vooral ook een werkende bibliotheek met een specifieke invalshoek. Het project is steeds in ontwikkeling, en was dit jaar eerder te zien in Istanbul en Berlijn.

Bezoekers worden uitgenodigd om te kijken, lezen en discussiëren. Behalve de tentoonstelling/bibliotheek wordt de komende weken ook een reeks lezingen, leesgroepen en andere publieke evenementen gehouden.

Wat: Bibliotheek / Tentoonstelling House of Wisdom
Waar: Framer Framed, IJpromenade 2
Wanneer: zaterdag 25 en zondag 26 november, 11:00-21:00

Tip 2 : De Appel Arts Centre – Hiwa K en Footnotes #2

In De Appel Arts Centre is momenteel de solotentoonstelling To Remember Sometimes You Need Different Archeological Tools te zien van kunstenaar Hiwa K. Voor deze tentoonstelling werd K uitgenodigd om in samenwerking met De Appel Arts Centre twee nieuwe werken te realiseren waarbij conflict en geweld centraal staan. Deze onderwerpen waren al eerder thema in het werk van K, door zijn werkwijze resulteert dit vaak op poëtische wijze waarbij vanuit individuele kennis en persoonlijke verhalen een groter geheel wordt aangeduid. K werkt vaak aan projecten die hij in samenwerking met locale gemeenschappen tot stand laat komen. Op de Biënnale van Venetië in 2015 toonde hij het prachtige tweeluik The Bell Project. Zijn werk was ook te zien op de Documenta 14, ondermeer op het centrale Friedrichsplatz, bovendien had hij deze zomer een grote tentoonstelling bij KW in Berlijn.

In tandem met de tentoonstelling van het werk van K toont De Appel Arts Centre bovendien de archieftentoonstelling Footnotes #2. Nell Donkers beheerder van de bibliotheek en het archief van De Appel Arts Centre, heeft met deze tentoonstelling het rijke archief van het instituut geactiveerd en documenten en video’s opgerakeld waarin sporen van geweld en conflict tussen kunstenaar, publiek of kunstwerk zichtbaar worden. Met Footnotes #2 activeert De Appel Arts Centre zijn archief en verbindt zo het werk van K aan zijn institutionele geschiedenis.

Tijdens Amsterdam Art Weekend organiseert De Appel Arts Centre tevens een aanvullend programma.

Wat: Tentoonstellingen Hiwa K, To Remember Sometimes You Need Different Archeological Tools en Footnotes #2
Waar: De Appel Arts Centre, Schipluidenlaan 12D4
Wanneer: Donderdag 23 – zondag 26 november, 12:00-18:00

Tip 3 : ISO – ISOLA 3000

Een nieuwkomer in het Amsterdamse circuit is de experimentele broedplaats ISO, die tijdens Amsterdam Art Weekend voor het eerst de deuren opent voor publiek met de tentoonstelling ISOLA 3000. ISO is een initiatief van oprichters Florence Parot en Dajo Bodisco, en komt voort uit het collectief Krux. In een voormalig industrieel pakhuis aan de Isolatorweg worden verschillende atelierruimtes gemaakt, waar naar verwachting zo’n 25 kunstenaars en ontwerpers gaan intrekken. Bovendien zal er plaats zijn voor een residentieprogramma, en worden er verschillende werkplaatsen ingericht voor technieken zoals zeefdrukken, metaal- en houtbewerking, fotografie en keramiek. Veelbelovende kunstenaars krijgen de mogelijkheid expertise, kennis, netwerk, gereedschap en kosten te delen. Naar verwachting draait ISO aan het eind van de winter op volle toeren.

In ISO is bovendien een grote tentoonstellingsruimte beschikbaar waar regelmatig tentoonstellingen zullen openen. De eerste, ISOLA 3000, opent morgen en is gecureerd door Florence Parot. In de tentoonstelling is werk te zien van de tien kunstenaars die momenteel al werkzaam zijn in ISO. In deze diverse tentoonstelling ligt de nadruk op interdisciplinariteit en multi-sensorische ervaring. Hoewel veel van het getoonde werk op zichzelf staat, heeft een aantal kunstenaars de mogelijkheid aangegrepen om samen aan projecten te werken. ISOLA 3000 is een goede mogelijkheid kennis te maken met een nieuw initiatief waar we in de toekomst wellicht meer van zullen horen.

Wat: groepstentoonstelling ISOLA 3000
Waar: ISO, Isolatorweg 17
Wanneer: donderdag 23 – zondag 26 november, 12:00-18:00

Kijk voor meer informatie over Amsterdam Art Weekend op: 
http://weekend.amsterdamart.com/

 

Hiwa K, DIAGONAL, 2009. Courtesy de kunstenaar, KOW, Berlin en Prometeogallery di Ida pisani, Milan/Lucca
ISO Amsterdam
Project New World Summit—Rojava, 2015-2017 © Democratische Zef-Administratie van Rojava en Studio Jonas Staal

Het discursieve programma viert hoogtij binnen de hedendaagse kunstsector: het aanbod van ‘verdiepende’ evenementen zoals film screenings, boekpresentaties, lezingen en debatten wordt steeds groter. Over de inhoud van deze evenementen, en de daadwerkelijke meerwaarde van de programma’s wordt echter weinig geschreven. Als onderdeel van de serie ‘Discursief geluister’ neemt Miriam van Ommeren de komende drie maanden een aantal (door haar zelf geselecteerde) evenementen onder de loep.

Deel 2: Over kunst en democratie


Twee weken geleden was ik bij een symposium met presentaties door verschillende sprekers en een drukbevolkt panelgesprek; vanavond een ouderwetse lezing voor een goedgevulde zaal, die valt of staat bij de kwaliteit van de spreker en zijn verhaal, en van het interview dat erop volgt.

Uit de kunst is een lezingenserie van (en over) de Akademie van Kunsten (AvK). Meermalen per jaar wordt één lid gevraagd een lezing te geven over zijn/haar werk, om zich voor te stellen aan het publiek. Aansluitend wordt het lid geïnterviewd over diens ideeën over de rol van kunst in de samenleving, de relatie tussen kunst en wetenschap, ‘en nog veel meer’. Vanavond is Jonas Staal de gelukkige. Het publiek is goed gemixt: oud en jong door elkaar, kunstenaars en typisch ‘bibliotheekpubliek’. Naast mij een paar giechelige meisjes die, voor zover ik kan achterhalen, aan ArteZ in Arnhem studeren en dus een flink eind hebben gereisd hiervoor, wat me deugd doet. Zij maken net als ik driftig aantekeningen.
Na een korte opening door Gijs Scholten van Aschat, de huidige voorzitter van de AvK, knalt Staal er gelijk in met een paar (gigantische) slides. Beelden van de inval in Irak in 2003; George W. Bush in z’n tweede leven als schilder, staand achter zijn ezel; Geert Wilders als Michiel de Ruyter in die potsierlijke fotobewerking voor Veronica magazine (met op de achtergrond nota bene de vlag van de Nederlandse Antillen). Voor wie het nog niet helemaal begrepen had: het gaat vanavond over politiek!

Wat weet ik van Jonas Staal? Hij heeft een prachtige naam en ziet er uit als een archetypische ‘serieuze kunstenaar’, met z’n sobere zwarte kleding, kortgeschoren haar en kleine ronde brilmontuur. Ik ben het meest bekend met zijn project ‘Gesloten Architectuur’ (2011), waarin hij de masterscriptie (2001) van PVV-politica Fleur Agema over een nieuw gevangenisconcept gericht op herconditionering van de gevangene, vertaalde naar een model. Agema studeerde  namelijk aan de AKI Academie Beeldende Kunst en Vormgeving in Enschede, de Academie van Bouwkunst in Amsterdam én de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht en is formeel interieurarchitect. Onvervalst links hobbyisme dus, en dat voor een politica wiens partij… Enfin; het gaat vanavond gelukkig niet over de PVV, maar over Staals zeer geslaagde interpretatie van haar ambitieuze gevangenisconcept. In de laatste fase van Agema’s vierfasige model, ‘het licht’ genaamd, waarbij geen bewakers meer aanwezig zijn maar de gevangene in de gaten wordt gehouden door middel van permanent cameratoezicht, ziet Staal een overduidelijke verbeelding van democratisch fascisme anno nu: we worden geacht onszelf te monitoren, 24/7, en doen dat ook, vaak zonder morren.

Staal is geen flamboyante spreker, die typering past niet bij hem, maar hij is intelligent en zeer gedreven en hij weet heel goed hoe hij zijn boodschap moet overbrengen. Ik ben geen moment verveeld. De vele beelden die hij toont ondersteunen zijn verhaal. Maar de vraag die in me opkomt na het eerste kwartier is: wil hij het eigenlijk wel over kunst hebben? Of zijn kunst en politiek bij hem werkelijk zo versmolten, en ben ík degene die hier onterecht verlangt naar een onderscheid tussen de twee? Die als in een reflex vervalt in l’art pour l’art-denken? Terwijl ik hier nog even over doormijmer geeft Staal achter het katheder antwoord op mijn niet gestelde vragen: volgens hem zijn kunst en politiek nooit helemaal los van elkaar te zien, elke vorm van kunst is ooit tot stand gekomen in relatie tot de heersende machten. “Alle kunst is propaganda,” zo citeert hij Upton Sinclair, de Amerikaanse schrijver/journalist die 85 klassieke schrijvers en kunstenaars langs een socialistische meetlat legde in zijn boek Mammonart. An Essay on Economic Interpretation (1925).

Wacht eens even: álle kunst propaganda? Dat is wel heel kort door de bocht. Over die wisselwerking tussen kunst en maatschappij, daarover kunnen Staal en ik het eens zijn. Maar om nu gelijk het stempel ‘propaganda’ op alles te drukken… Nee, ik vind het een boude stelling. En enigszins negatief ook. Maar dat is prima, ik ben hier immers niet om bevestigd te worden in mijn eigen denkwijze. En Staal is zeker niet een kunstenaar die zich daarvoor leent.
Afgaande op de slides krijg je sterk de indruk dat al zijn werken in feite samen te vatten zijn als ronde arena’s waarin ernstig kijkende mensen met elkaar in debat gaan. Zoals de New World Summit, een ongelooflijk ambitieus project dat stateloze staten en autonome groepen bij elkaar brengt in een soort alternatief parlement. Of het werk dat Staal maakte voor DiEM25 (de pan-Europese politieke beweging opgericht door de Griekse econoom Yanis Varoufakis): een arena met manshoge rode sterren die lijken weg te zakken in de grond, als een symbool van de Europese crisis en de daaruit voortvloeiende nieuwe allianties. Grote gebaren. En onmiskenbaar politiek. Zo politiek, dat…enfin.

Na het verheffende, af en toe licht abstracte maar daarom niet minder boeiende verhaal van Staal zindert er wat door de zaal. Die bijna voelbare elektrische lading wanneer iemand iets meeslepends vertelt/vertoont/uitvoert, en daarmee het publiek, of in ieder geval een deel daarvan, een stukje uit de stoelen heeft kunnen optillen en meevoeren.

Helaas land ik al snel met een harde, bijna pijnlijk dreun wanneer het vraaggesprek met Stine Jensen (Deens-Nederlandse filosoof en publicist) begint. Jensen, geheel in het wit gekleed waardoor ze sterk afsteekt tegen Staal en de donkere achtergrond, stelt vragen op instapniveau en met een veel te hoog ‘tjongejonge’-gehalte voor een avond als deze. Haar opening “Nou Jonas, jij bent volgens mij wel de meest politieke kunstenaar die ik ooit heb ontmoet, denk je niet?” wordt beantwoord met een droog “Ik weet niet welke kunstenaars jij allemaal hebt ontmoet”. De toon is gezet.

Het is duidelijk dat Jensen Staal heel graag weg wil lokken van die ronde arena’s vol ernstige mensen. Ze focust in haar vragen op de persoon Staal, vraagt door naar ‘het jongetje Jonas’ en of die ook al zo serieus was. Het is duidelijk dat Staal hier niet op in wil gaan, en hij doet dit dan ook zo min mogelijk, maar Jensen zet door.
Onmiddellijke ergernis vlamt in mij op. Ook naast en achter mij wordt hoorbaar gezucht. Ik begrijp heel goed dat een interviewer op een avond als deze deels de taak heeft om een brug te slaan tussen het al dan niet hoogdravende verhaal van de spreker en de realiteit van de luisteraar, maar waarom moet dat zo? Alsof de al te veel naar high brow neigende lezing vlugvlug gecompenseerd moet worden met een forse injectie low brow human interest. Is het werkelijk zo belangrijk om erachter te komen wat ‘het jongetje Jonas’ vroeger bezighield? Mij interesseert het niet; ik wil meer weten over de kunstenaar die hij nú is, en de toekomst die hij voor ogen ziet: voor zichzelf, zijn werk en de democratie die hij opnieuw wil verbeelden. Daar gaat deze lezing toch over?
De klok tikt door, zoals gebruikelijk zijn de laatste paar minuten bestemd voor vragen uit de zaal. Sommige daarvan zijn scherp en to the point, andere langdradig en eigenlijk geen vraag, zoals vaak het geval is. Er zitten ook de nodige “En wat vindt u daar van?”-s tussen, over Zwarte Piet en referenda, die Staal met moeite beantwoordt. Niet omdat hij dat niet wil, vermoed ik, maar omdat het ‘kleinere’, praktische kwesties zijn, die (te) ver af staan van een arena in Noord-Syrië. En dan zit het erop.

Een lezing vergt commitment, je zit immers toch 40, 60 of met een beetje pech 90 minuten naar één persoon te luisteren (en kijken). Maar ik heb Jonas Staal altijd al eens willen horen spreken over zijn eigen werk, en ben wat dat betreft niet teleurgesteld. ‘Op papier’ klinkt het wellicht niet altijd even aantrekkelijk, maar vanavond heeft hij zijn werk voor mij tot leven gebracht. Ondanks het teleurstellende vraaggesprek is het doel van de lezing –het introduceren van een AvK-lid en diens werk – in ieder geval bereikt: niemand in deze zaal die na deze avond niet weet wie Staal is en waar hij voor staat. Al heb je geen flauw idee wie Fleur Agema is, al interesseert het lot van de Rojava in Noord-Syrië je geen biet; Staal brengt je in vervoering. Mij althans. Precies zoals goede propaganda werkt.

Volgende sessie: Socratisch gesprek in NEST, Den Haag, 26 oktober. Niet alleen luisteren, ook zelf meedoen!

Project New Unions: DiEM25, Athens, 2017 © Studio Jonas Staal en DiEM25
Jonas Staal, CLOSED ARCHITECTURE, 2011 © Studio Jonas Staal

Zijn wij publiek(en)?

Nynke Feenstra

Being Public. Door de verscheidene interpretatiemogelijkheden zet de titel van deze onlangs verschenen publicatie gelijk aan tot nadenken. Ik ben onderdeel van een publiek maar er kunnen verschillende typen publiek afkomen op een tentoonstelling of kunstwerk. Kunst kan voor iedereen toegankelijk (publiek) zijn, maar ook privé. En, denkend aan wat er online allemaal zichtbaar is, wat is tegenwoordig de scheidslijn tussen publiek en privé? De publicatie – een essaybundel onder redactie van Jeroen Boomgaard en Rogier Brom (red.) – onderzoekt de relatie tussen kunst en publiek en/of de publieke ruimte. De bundel is geen zoektocht naar definities maar stelt vragen bij gekozen benaderingen in de hedendaagse kunstpraktijk om grip te krijgen op deze dynamische begrippen die vaak als vanzelfsprekend worden beschouwd.

Being Public bevraagt het hybride veld dat Boomgaard en Brom zien ontstaan, waar de publieke ruimte zich vermengt met de ruimte van en rondom een kunstwerk. Tegelijkertijd lijken grenzen te vervagen tussen wat publiek is en wat privé. Het boek concentreert zich op de complexe relatie tussen kunst en publiek in deze hybride omgeving. Kunst is geen statisch gegeven in een afgebakende ruimte, maar een manifestatie die enerzijds oncontroleerbaar is doordat zij wordt gedefinieerd door de context en (de verwachtingen en reacties van) het publiek. Anderzijds dwingt kunst door haar intrinsieke eigenschappen ook een bepaalde plek en een bepaald publiek af.

Het boek is opgedeeld in drie thema’s: art and its public; the personal, the public and the political; en public behaviour and public domain. Daarnaast komen ook twee andere onderwerpen sterk naar voren. Allereerst het onderscheid tussen fysieke en non-fysieke deelname van het publiek. Brom benadert in zijn essay het publiek als een performatief concept: als een gemeenschap, een tijdelijke verbinding die wordt geactiveerd in relatie tot een geheel. Deze cohesie kan worden gecreëerd door een fysieke plek, zoals het bezoeken van eenzelfde tentoonstelling in het museum. Maar zoals Boomgaard en Maaike Lauwaert stellen, ontstaat het publiek tegenwoordig ook in de virtuele wereld. Social media zijn belangrijke spelers geworden in het aantrekken en betrekken van een groot (internationaal) publiek bij kunst, zowel door actieve als passieve online participatie. Bijvoorbeeld het zelf online samenstellen van een museale collectie of het volgen van een galerie op Facebook.

Dit doet denken aan een andere niet-fysieke vorm van deelname aan kunst: de mentale interactie met een kunstwerk. Kunstenaar Gabriel Lester reflecteert in zijn essay op de specifieke benadering die hij kiest voor werk dat in de publieke ruimte komt te staan. Waar hij normaliter in zijn werk de onzichtbare (mentale) verbeelding van de bezoeker wil activeren, probeert hij bij werk in de publieke ruimte veel meer in te spelen op het zichtbaar (fysiek) activeren van de toeschouwer. In hoeverre dit lukt is natuurlijk altijd de vraag, maar duidelijk wordt wel dat net als in het publiek, ook in het kunstwerk beheersbare en onbeheersbare elementen zitten.

Een tweede thema dat in de publicatie niet als zodanig wordt gepresenteerd maar duidelijk naar voren komt is de wijze waarop de media interacteren met en van invloed zijn op het publiek. Tegenwoordig spelen zowel de geijkte media, als online kanalen een invloedrijke rol in de ervaring van het publiek. Maar de mate van media-aandacht bepaalt ook voor een groot deel het type publiek en de omvang ervan. Het boek plaatst een kritische noot bij de hedendaagse tendens waarin het succes van een kunstwerk of tentoonstelling wordt afgemeten aan de bezoekersaantallen.

Al met al is Being Public een prettige mix van theorie, voorbeelden en praktijkervaringen. Maar hoewel de essays op zichzelf staan en de onderlinge link duidelijk is, miste ik toch een rode draad. De kleine tekstuele maar grote inhoudelijke verschillen tussen een publiek en het publieke zorgden tijdens het lezen soms voor verwarring. Ondanks dat de beknopte inleiding de drie overkoepelende thema’s introduceert, had een toelichting op deze thema’s voor meer samenhang kunnen zorgen. Daarnaast wordt zowel in de inleiding als in de essays regelmatig het werk van filosoof Jacques Rancière aangehaald. Een korte toelichting op (de relevantie van) zijn werk zou voor lezers onbekend met zijn denkwijze zeer welkom zijn.

Afgezien van deze kanttekeningen nodigt de publicatie uit tot nadenken over het publiek(e). Een begrip waar – zoals ook benoemd door de redacteuren – vaak te snel aan voorbij wordt gegaan. Al lezende zag ik een web van factoren ontstaan die van invloed zijn op een publiek. Inzicht krijgen in deze factoren helpt mij als onderzoeker kritisch na te denken over hoe een publiek zich vormt en hoe een museum deze bij haar activiteiten kan betrekken. De uitdaging die ik daarbij zie is om het onbeheersbare van het publiek beheersbaar te maken.

Nynke Feenstra schrijft een proefschrift aan de Universiteit Leiden over inclusieve musea en adviseert musea op het gebied van toegankelijkheid voor mensen met een beperking.

 

Being Public: How art creates the public
Jeroen Boomgaard, Rogier Brom (red.)
Valiz, Amsterdam 2017
ISBN 978-94-92095-28-2
www.valiz.nl

Hollandse nieuwe

Katinka Duffhuis
Valentina Gal, BEST OF BREED, 2017, video, 6.46 min, editie van 5 plus 1 AP

Een animatron in een glanzend, langharig kostuum beweegt soepel over het scherm. Dankzij het pak heeft ze wel wat weg van een kruising tussen een mens en een Catalaanse herdershond. De beelden van de hond-vrouw worden afgewisseld met bevreemdende close-ups, zoals zwevende kettingen met plukken bont of een scherm dat wazig is door regendruppels. Aan het eind van de video somt een vrouwelijke voice-over de eigenschappen van een goede hond op, de Best of Breed – ook de titel van het werk. Deze intrigerende video is het afstudeerproject van Valentina Gal (ArtEZ, Arnhem). Ze is een van de zeventien pas afgestudeerde kunstenaars die zijn geselecteerd voor de tiende editie van The Best of Graduates. Voor deze tentoonstelling selecteert Galerie Ron Mandos jaarlijks met curator Radek Vana de meest veelbelovende talenten van de Nederlandse kunstacademies.

Bij binnenkomst valt me direct de verscheidenheid aan gebruikte media op. Het is als bezoeker dan ook even oriënteren: er zijn veel werken te zien en het is niet in een oogopslag duidelijk hoe deze zijn geordend. De meeste kunstwerken krijgen genoeg ruimte. Achter in de galerie levert het echter toch een probleem op, waar drie videowerken dicht op elkaar hangen en het geluid van de een soms een ander overstemt.

Verwacht geen overkoepelend thema. Toch lijken de geselecteerde werken bijna allemaal voort te komen uit een bepaalde fascinatie, of het nu gaat om hoe substanties als wodka en terpentine op elkaar reageren, zoals in het werk van Martin Brandt, of hoe je een fotografisch beeld construeert door technische manipulatie, zoals in de surrealistisch aandoende foto’s van Vytautas Kum.a (beiden afgestudeerd aan de Gerrit Rietveld Academie, Amsterdam). Ook Maarten Broekhuizen (KABK, Den Haag) houdt zich bezig met hoe fotografie zich tot de werkelijkheid verhoudt. De realistisch ogende landschappen in The Post Topographic blijken bij nader inzien tot stand te zijn gekomen door bewerking van digitale laserscans afkomstig uit de U.S. Geological Survey database. De gegenereerde beelden vertonen geen sporen van subjectieve of esthetische keuzes – ze zijn immers door een programma gemaakt – maar herinneren toch aan traditionele landschapsfotografie.

Halverwege de galerieruimte staat het schilderij Untitled van Joris Strouken (AKI ArtEZ, Enschede), rechtop gezet met een constructie van latten. De oude man rechts op het doek doet me direct aan Picasso denken. De galeriemedewerker bevestigt mijn vermoeden, en wijst me op een ander detail: de compositie van het schilderij is gebaseerd op het bekende meesterwerk Las Meninas (ca. 1656) van Diego Velázquez. Picasso maakte in de jaren vijftig een studie naar dit werk, en is nu op zijn beurt in de hedendaagse versie van Strouken geplaatst. Het werk is fascinerend en bovendien goed geschilderd, en het houdt me dan ook even vast. Meer kunsthistorische referenties zijn te vinden in de installatie Rutetintrooth van Caz Egelie (HKU, Utrecht), waarin miniaturen naar moderne meesterwerken van onder meer Hans Arp, Henry Moore, Constantin Brancusi en Klaas Gubbels figureren. Het is aan de bezoeker om deze sculptuurtjes te rangschikken op de installatie. Het doet me denken aan hoe Marcel Duchamp dacht over kunst, met zijn draagbare minimuseum La boîte-en-valise (1935-1940): een koffertje waarin hij miniatuurversies van zijn hele oeuvre stopte die je zelf kon rangschikken en uitstallen. Egelie stelt zijn eigen oeuvre in Rutetintrooth nog niet centraal – hij is immers pas net begonnen – maar plaatst zijn werk wel al tussen de grote namen uit de kunstgeschiedenis. Een gewaagd statement, maar het resulteert in een geestig en origineel werk.

Arthur Boer & Boris Smeenk (WdKA, Rotterdam) houden zich juist bezig met hedendaagse trends, met name de digitale cultuur. Het kunstenaarsduo is gefascineerd door hoe kunstmatige intelligentie de menselijke wereld interpreteert op basis van algoritmes, beelden en classificaties, en door de symbiotische relatie tussen mens en machine. Als fervent Instagrammer kan ik wel lachen om Epoch – Decoding Meaning, waarvoor zij een apparaat ontwikkelden dat Instagram gebruikt als database om nieuwe afbeeldingen te genereren. Van afbeeldingen die worden ingevoerd maakt het apparaat automatisch continu nieuwe screenshots, waardoor de afbeeldingen steeds onherkenbaarder worden en de identiteit van het beeld verandert. De machine heeft drie botaccounts aangemaakt, gebaseerd op bestaande accounts, waarop het de gegenereerde beelden en bijschriften plaatst. De accounts richten zich op drie populaire hashtags: #selfie, #dog en #beauty. De output wordt getoond in de vorm van drie lappen stof die zijn bedrukt met een waas van gecomprimeerde foto’s. Het resultaat is treffend en actueel, en doet me nadenken over de invloed van een medium als Instagram op beeldvorming in onze hedendaagse cultuur.

De deelnemende kunstenaars maken kans op de Ron Mandos Young Blood Award, en verwerven daarmee mogelijk een vertegenwoordiging door de galerie. Eerdere winnaars zoals Jan Hoek, Rik Smits en Tom Lore de Jong zijn inmiddels gevestigde namen in de Nederlandse kunstwereld. Vooral de kunstenaars die werken met nieuwe media zoals Gal en Boer & Smeenk zijn veelbelovend, maar het werk van Strouken doet me geloven dat de schilderkunst nog steeds niet achterhaald is – gelukkig maar.

Joris Strouken, UNTITLED, 2017, olieverf, paneel, textiel, 275 x 300 x 112 cm