Vaast Colson, Better hand coin to the headsman, 14.12.2017, launch new edition

Tubelight ontmoet trampoline

Op 7 december 2017 opende bij trampoline het project /’haɪə en (nʊ)/, een bar-setting waarbinnen een divers programma van o.a. performances, talks, screenings, solo- en groepstentoonstellingen plaatsvindt. Tijdens dit project staat het samenkomen en de gespreksvorm centraal; het kunstwerk en de dialoog rondom het presenteren en produceren ervan.

Met een aantal kunstenaars en auteurs onderzoekt Tubelight tijdens /’haɪə en (nʊ)/ wat het betekent om een ‘ontmoeting’ of ‘moment’ te recenseren. Daarbij wordt geëxperimenteerd met verschillende formats – zoals beeld, tekst of geluid – en het moment waarop de recensie wordt gemaakt, achteraf of juist ter plaatse. Axel De Marteau bezoekt trampoline gedurende dit project op meerdere momenten, wat zal resulteren in een meerdelige recensie. Hierbij deel 2: Rum, whisky en een pink elephant cocktail. Lees deel 1 hier.


De grens tussen galerie en café verschuift tijdens /’haɪƏ en (nʊ)/ constant. Eens primeert het werk,  dan de aanwezigheid van de kunstenaar, dan weer de drank. Trampoline wordt zo een aangename en toegankelijke cocktail van gebeurtenissen met steeds een andere focus. Zowel de deelnemende kunstenaars als hun werk moeten zich aan deze nieuwe situatie aanpassen en gaan op zoek naar nieuwe vormen om dit te doen. Op een avond eind december, wanneer ik trampoline wil binnenwandelen, is alles donker in de galerie. Net als ik me afvraag of de ruimte onverwachts gesloten is, knipt plots het licht aan en dan weer uit.

3. Rum

Bij het betreden van de ruimte wordt duidelijk dat deze lichtonderbrekingen worden veroorzaakt door Afrolamp, een werk van Jean Katambayi Mukendi. Centraal in de voorste ruimte hangt op ooghoogte een aanzienlijk grote ronde lamp, opgebouwd uit een wirwar van koperdraden. In het midden hangt de lichtbron. Aan de koperdraden zijn twee tekeningen van ogen vastgemaakt, waardoor er tussen de draden een figuur ontstaat. Het geheel doet denken aan een zonnegod. Aan de hand van een bewegingssensor knipt de lamp aan en uit, waardoor het lijkt alsof er zich steeds stroomonderbrekingen voordoen.

Het ‘disfunctioneren’ van de lamp, alsook de materialen waaruit deze is vervaardigd, refereren naar de achtergrond van de Congolese kunstenaar die woont en werkt in Lubumbashi. De tegenstellingen die de lamp belichaamt zorgen op een ludieke maar treffende wijze voor een kritische ondertoon. Het koper, waaruit de lamp is opgebouwd, is een uitstekend geleidend materiaal. Ironisch genoeg zit men in Congo, een van de Afrikaanse landen waar veelal door Westerse overheden en bedrijven grondstoffen zoals koper worden ontgonnen, vaak zonder licht. In deze regio’s is licht allesbehalve een constante. Het haperen van het licht, zowel in het werk als in de realiteit, benadrukt de oneerlijke hiërarchie en de uitbuiting die in deze praktijken schuilgaat. Mukendi koppelt dit op een mooie, maar pijnlijke manier terug naar de voornamelijk Westerse bezoekers die ook hier in de galerie de stroomonderbrekingen veroorzaken.

Binnen de context van trampoline werpt de Afrolamp zich op als ‘conversation piece’. Dit doet het echter op een heel andere manier dan het eerder besproken Juk/Juk/Juk van Stefaan Dhedeene. De lamp neemt de ruimte over, wekt de suggestie dat het verlicht wat het wil en wanneer het dat wil. Op deze wijze beïnvloedt het de toeschouwer en hoe de andere werken in de ruimte worden gelezen.

…knip, licht aan…

…knip, licht uit…

En dit continu, zolang de Afrolamp er hangt.

4. Whisky

Ook tijdens de presentatie van Vaast Colson’s nieuwe editie Better hand coin to the headsman gaat het licht continu aan en uit. Bij de ingang hangt aan weerszijden van de deur een getekende karikatuur, een van galerist Simon Delobel en een van Colson. Ze doen denken aan koninklijke statieportretten. In dit geval zijn de portretten, inclusief lijst, in twee gedeeld en los van elkaar opgehangen. Alsof beiden heren met een guillotine werden onthoofd. Deze executie werd in mei 2017 in trampoline uitgevoerd door Delobel. Het was het begin van een uitermate relativerend werk waarin de spot wordt gedreven met de positie van zowel kunstenaar als galerist.

Net als in Mukendi’s Afrolamp bevat Better hand coin to the headsman een tegenstelling die tot stand komt door de materiaalkeuze en de wijze waarop het werk is gefabriceerd. De lijst, met daarin de karikatuur achter glas, is dwars doormidden gesneden. Toch is het glas niet gebarsten en valt het papier er niet uit. Het werk is zo zorgvuldig in elkaar gezet dat de act van het snijden eerder constructief is in plaats van destructief. Hierdoor lijkt het werk de gelijkwaardigheid van de twee personages – kunstenaar en galerist – te willen suggereren. Beiden kijken lachend neer op de tentoonstellingsruimte/het café en naar iedereen die er binnenwandelt. Spottend met zichzelf lijken ze de algemene machtsposities van kunstenaar en galerist te ondermijnen en hun persoonlijke relatie, alsook hun relatie met het publiek, te bevragen.

5. Pink elephant cocktail

Op dezelfde avond introduceert Simon Wald-Lasowski het werk There is an elephant in the room, dat slechts bestaat uit een gelijknamige url. Vol ongeduld en nieuwsgierigheid bekijk ik op mijn telefoon de website. Mijn kinderlijke verlangens worden ingelost als ik een oneindige stoet olifanten achterwaarts, van rechts naar links, op het schermpje zie voorbijschuiven. Het is een uitermate divers gezelschap, van kleine houten figuurtjes tot roze opblaasolifanten, afkomstig uit een grote verzameling olifanten beeldjes van Wald-Lasowski. Voor de website fotografeerde hij elk olifantje op eenzelfde neutrale wijze, waardoor de uniciteit van elk object naar voren komt.

Tijdens het evenement blijft de galerie echter leeg, mijn vriendin en ik zijn de enige bezoekers. Toch vormt deze minimale opkomst geen obstakel, het past wel bij de lancering van een online tentoonstelling. Samen met de galeristen nemen we plaats rond de tafel, onder Mukendi’s lamp, die het gesprek vanzelf op gang brengt. Tegelijkertijd start Wald-Lasowski een loterij waarbij elke bezoeker een lot mag trekken dat correspondeert met een van de ‘echte’ olifanten. Gezien het beperkte publiek van de avond zal de loterij tot het einde van /’haɪƏ en (nʊ)/ verdergaan.

Zodoende worden de echte objecten verspreid, en wordt de website een database van de collectie en tevens de enige plek waar de hele olifantengroep nog te zien is. Wat dit werk zo interessant maakt is dat het de waarde van de objecten bevraagt. De lieflijke olifanten hadden in eerste instantie, als afzonderlijke producten, weinig waarde. Wald-Lasowski bracht de voorwerpen bij elkaar, maar verspreid ze nu opnieuw als collection item, zodat eenieder die een olifant bezit onlosmakelijk deel uitmaakt van dezelfde collectie en verbonden is door een url.

Het gegeven van de ‘elephant in the room’ lijkt iets te zijn waarmee binnen de context van /’haɪƏ en (nʊ)/ vaak geëxperimenteerd wordt. Veel werken nemen een centrale rol in en eisen de aandacht op. Toch houdt het hier niet op en is er juist wel ruimte voor gesprek en discussie. Er wordt rond een bepaald werk gezeten, gedronken, gedebatteerd. Bijgevolg is het contact met het publiek zeer direct en wordt de galerie een open en publieke structuur waarbinnen aandacht is voor de kunst en de onderwerpen die ze aansnijden. Bij trampoline wordt duidelijk niet om de ‘elephant in the room’ heen gedraaid. Met open armen wordt hij ontvangen en meteen opgeworpen tot onderwerp van gesprek.

Simon Wald-Lasowski, www.thereisanelephantintheroom.com, 16.12.2017, presentation url
Simon Wald-Lasowski, www.thereisanelephantintheroom.com, 16.12.2017, presentation url
Jean Katambayi Mukendi, Afrolampes, 12.12.2017, solo exhibition
Kris Van Dessel, 06.01.2018, new work

Langzaam lezen

Esmee Postma
KONT Magazine #1, foto: Sas Schilten

Heeft de wereld behoefte aan nog een kunsttijdschrift? Deze vraag stelde de redactie van museumglossy See All This zich vorig jaar bij de oprichting hardop. Of de kunstliefhebber gebaat is bij een blad waarin Nederlandse kunstcollecties centraal staan, gesponsord door de instellingen waarin die collecties zijn gehuisvest, daar kun je in hun geval je twijfels bij hebben. Dat gezegd hebbende valt elk initiatief om in deze tijden van digitale hoogtij een papieren blad te starten alleen maar toe te juichen. Dergelijke overdenkingen kwamen onlangs bovendrijven bij de heuglijke geboorte van een ander nieuw kunsttijdschrift: KONT. Ook dit blad is dankzij kwalitatief hoogstaand drukwerk en glanzend papier met recht een glossy te noemen. Maar daar houdt de vergelijking direct op. Waar eerstgenoemde informeert over al dat te zien is in de grotere musea, gaat de tweede juist over dat wat doorgaans niet zichtbaar is (what’s in a name). Met deze ondubbelzinnige knipoog en dito logo – een paar knalroze billen opgebouwd uit leestekens – is de toon gezet. Een tweede karakteristiek blijkt uit de ondertitel: KONT is een zelfverklaard ‘slow magazine’. Langzaam omdat er jaarlijks slechts een editie verschijnt, maar ook omdat het de lezer aanmoedigt een heel jaar te doen over het lezen ervan. En tenslotte is er een geografische afbakening: het tijdschrift kwam van begin tot eind tot stand op Eindhovense bodem.

Wie of wat is dat doorgaans niet zichtbare? Initiatiefnemer en hoofdredacteur Griet Menschaert, zelf kunstenaar en schrijver, merkte dat zij in haar woonplaats Eindhoven veel kunstenaars kent en bewondert die bij het brede publiek buiten beeld blijven. Makers, werkend in verschillende disciplines, die geen deel uitmaken van het grotere discours, omdat ze niet in de juiste hokjes passen of minder talent hebben voor het vereiste creatief ondernemerschap. Met de oprichting van KONT wilde zij deze mensen niet alleen een platform bieden, maar ook de gelegenheid aangrijpen om verrijkt te worden door hun denkproces en creativiteit voorafgaand aan het uiteindelijke werk. Of zoals ze zelf zegt, ‘in deze mensen hun geest te graven’. Niet alleen de lezer krijgt een inkijkje, ook de makers kregen de kans om in elkaars geest te graven. Hiervoor stelde Menschaert telkens twee of drie creatieven aan elkaar voor en nodigde hen uit om samen iets te creëren.

Een ‘heidesessie’ tussen een cinematograaf, een architect en een dichter leidde tot een reflectie in drie disciplines op de uitgestrekte Strabrechtse Heide net buiten Eindhoven. Een ‘audioguide’ brengt de lezer op vier niveaus dieper in contact met zijn of haar eigen omgeving – een samenwerking tussen een ontwerper en twee kunstenaars, waarvan een blind. Soms wordt de samenwerking toegelicht in introducerende teksten, maar even vaak maakt de verslaglegging van het creatieve proces deel uit van het eindresultaat. Veel van de projecten kwamen over een maandenlange periode tot stand. De Gift bijvoorbeeld, waarvoor een kantklosser, een fotograaf en een schrijver de koppen bij elkaar staken, nam zeven weken in beslag. Het werk bestaat uit een kantwerk gemaakt door Olga Ieromina voor het huis van schrijver Koosje Hamerslag, op locatie gefotografeerd door Neel van Eupen en in het tijdschrift omlijst door een deels verhalende, deels verslag leggende en bij vlagen poëtische tekst.

Langzaam produceren en langzaam consumeren – gelijk aan al die andere slow-trends met als doel om te onthaasten. Voor de dertig makers creëerde het ruimte voor onderzoek, voor uitproberen, falen en nog eens proberen. Bij experimenten horen ook vergissingen. Niet alles is even geschikt voor het tijdschriftformat en soms bleek een gekozen werkwijze achteraf gezien niet optimaal. Zo geeft ontwerper Dasha Tsapenko bij haar samenwerking met architect Floor Frings eerlijk toe achteraf toch liever voor een andere aanpak gekozen te hebben. Maar om slechts een oordeel te vellen over het eindresultaat, is het missen van de essentie. Bladerend voel je je als lezer bovenal bevoorrecht om een inkijkje te hebben in het proces, waarvoor elke maker buiten zijn comfortzone trad.

Met een focus op het lokale zonder daarin naar binnen gekeerd te worden, op een fysiek contact tussen makers onderling en een tastbaar product voor lezers, is KONT een tijdschrift waarin niet wordt bekritiseerd, noch wordt verhelderd of geïnformeerd. In plaats daarvan wordt er gecreëerd en geëxperimenteerd – een veel kwetsbaarder uitgangspunt. Tegelijkertijd kun je je afvragen of dit nog wel een tijdschrift te noemen is. Met zijn 192 pagina’s is KONT een klein boekwerk, of wellicht een tweedimensionale tentoonstelling met Menschaert als curator. Die hybride vorm maakt het concept tegelijk ongrijpbaar en intrigerend – een vrijplaats voor experiment, zoals ook Tubelight daar een pagina voor heeft. Het editorial is helder over de missie: ‘KONT wil laten zien dat wij als kunstenaars zoveel talenten hebben ontwikkeld dat wij ook wel een indrukwekkend tijdschrift kunnen maken […], om onbeschaamd via een zogeheten massaproduct eigenhandig de weg naar ons publiek te bereiden.’ De ambitie is om tenminste vijf ‘kontjes’ te maken. Ik kijk nu al uit naar volgend jaar.

Esmee Postma is redacteur bij Tubelight.

KONT Magazine
CMMC, Friends call me Gass, performance 11 januari 2018, trampoline gallery, Antwerpen

Tubelight ontmoet trampoline

Op 7 december 2017 opende bij trampoline het project /’haɪə en (nʊ)/, een bar-setting waarbinnen een divers programma van o.a. performances, talks, screenings, solo- en groepstentoonstellingen plaatsvindt. Tijdens dit project staat het samenkomen en de gespreksvorm centraal; het kunstwerk en de dialoog rondom het presenteren en produceren ervan.

Met een aantal kunstenaars en auteurs onderzoekt Tubelight tijdens /’haɪə en (nʊ)/ wat het betekent om een ‘ontmoeting’ of ‘moment’ te recenseren. Daarbij wordt geëxperimenteerd met verschillende formats – zoals beeld, tekst of geluid – en het moment waarop de recensie wordt gemaakt. Lien Van Leemput woonde de drie uur durende performance Friends call me Gass door performance-duo CMMC bij en schreef ter plekke onderstaande recensie op haar mobiele telefoon. 

Deel 2: Tik Tik Tik


Tik Tik Tik.

Iemand lacht stiekem.
Stoelen kraken (iets te luid).

If you want a White Russian?
No, just water is fine.

Ergens bruist water.

HAMNA.

Ogen staan geconcentreerd zonder te knipperen.
Drinken?
White Russian?
No thank you.

123123123123123123

Mensen proberen heel stil hun sjaals en jassen uit te doen. Bladeren ritselen binnen, niet buiten.

Er is muziek.
Iemand lacht in mijn oor.
Ritsen worden opengeritst.

Er is te weinig plaats.

Er komt een man binnen die ik ken maar hij kent mij niet. Of niet meer. Misschien straks terug wel?

Mensen kijken. Mensen fluisteren.

Twee witte meisjes dansen.
Twee witte meisjes lachen.

Un deux trois, un deux trois…
De toiletten alstublieft?

Twee witte meisjes springen.

Ik hoor een man die plast.
Ze zoenen. Hout kraakt. Ze zoeken. Hout kraakt. Ze zingen. Hout kraakt. Ze zuchten.

Een twee drie.
Een wit meisje staat heel dicht bij ons.
Wie zijn ons?
Iemand leunt heel ver voorover om de meisjes te kunnen zien. Ik kan zijn adem voelen op mijn hoofd. Hij ademt traag.
I got beans in my belly and I don’t know why.
Borsten bewegen. Borsten ademen.
Iemand verlaat de ruimte. Hij zegt niets maar zijn hand gaat omhoog. Een andere man pakt de hand vast.

Tik Tik Tik
Er wordt gezoend.
De man naast me kijkt me aan. Ik kijk niet terug.
Er wordt gezoend.

Ik wou dat ik zo mooi was.
Zet u daar anders ofzo.
Iemand zucht.
Iemand gaat zitten.
White Russian?

Hamna hamna hamna ham.
Twee witte meisjes komen dicht tot bij ons.
Wie zijn ons?

123123123
Iemand verlaat de ruimte.
Iemand achter mij geeuwt.
Muziek en vingers en ogen en toen geen ogen meer.
De vrouw met de roze sjaal gaat zitten naast de vrouw met de blauwe sjaal.
Een tong tussen tik.

Vier ogen kijken ons aan. Wie zijn ons?
Er komt een vrouw binnen. Ze zegt hallo met haar ogen. Stilte. Stoelen.
Annoying!
I don’t know…
You fit but don’t you know it?
Yeah.
Even if…
I don’t know.
Mensen slikken luid als het stil is.
Mensen lachen stil als het stil is.
Drop it like it’s hot.
Attitude.
1 3 huh?
Twee dan. Je zei ’tw’.

Witte borsten gaan op en neer.
Witte meisjes bewegen traag.

1231231
Tre twee trois drie.

Een grote man komt binnen.
Iemand heeft honger. Dat weet ik omdat ik een maag hoor grommen.

Mensen verwisselen van plaats. Heel snel. Heel efficiënt. Ik zit nu naast een andere man. Hij kijkt naar mij. Ik kijk niet terug.

Ik moet cola hebben denk ik. Mag ik suiker?
Ja.

Een wit meisje likt en drinkt.
Oei sorry.
Ik ga ook even naar buiten.
HAMNA.
Een vrouw komt geschrokken binnen. Tik. Er is ook een man in een gele jas. Tik. Iemand neemt een White Russian. Tik.

Handen vouwen in elkaar. Ik voel een bil van de man naast me. Het is een zachte. PA PA PA! Voeten tikken in elkaar.
Meisjes schrikken. Meisjes lachen.
Er wordt een vorm getekend met twee handen.
I got beans in my belly – de mensen buiten zijn luid – and I don’t know why.

Er wordt tussen billen gezocht.
It’s ok!
123
Wow. What the fuck? 123
Hebben jullie een fout gezien?

Ja bij de twee.
Restore to number two.

Ik wou dat ik zo mooi was.
I got B…
Wauw danku.
Een wit meisje steekt een vinger op. Een wit meisje drinkt van de vinger.
Een mooie rode vrouw sluit een deur. Tik. Witte meisjes steken tongen uit. Tik. Een mooi wit meisje opent een deur. Tik.

Mensen verhuizen opnieuw. De man die ik ken gaat weg. Hij kent me nog steeds niet.
Mensen praten met vingers. De jongen voor me kijkt me aan. Ik kijk niet terug.

123

Ik wil effe wat eten gaan halen.
…interessant…
…….ja
Ik snap niet… ik heb echt… ik heb die keer…
Spell on you.
3? Neen.
Zestien?
Sluitingsuur…
Ja maar ik heb…

We restored.
Stilte.
Een glas op een tafel.
Een zucht.
Nog een glas op een tafel.
Stilte.
Een zucht.
Er wordt gefloten.

Een legerprintvrouw komt binnen. Ze zegt hallo met haar ogen én mond zonder geluid. De man naast me prutst aan zijn snor. Die maakt geluid. Er is muziek maar die kunnen wij niet horen. Wie zijn wij?

And maybe I can hold you much longer.
Mensen komen binnen.
White Russian?
In my motion.
Wacht ik ga efkes opschuiven.
White Russian?
So fine.
Kunnen wij ook twee krijgen?
Just a perfect day.
Merci.
Home…
And later…
Willen jullie ook? Met wodka en melk.
We just keep it hanging on.
Dankuwel.
Twee oude mensen komen binnen en zeggen ‘O’.
Just a perfect day.

Er kijkt een man door het raam. Tik. Door de deur eigenlijk. Tik. Door het raam van de deur. Tik.
De man komt binnen. Hij zegt hallo met een knipoog.

123

Moest het nu wat rustiger zijn…
Het moet nog…

PA PA PA!

Iemand schrikt. Iemand anders schrikt omdat iemand schrikt. Ik wou dat ik zo mooi was. I got beans.
Mensen gaan weg. Sorry. Een vrouw met rode lippen komt in de plaats.
Ciao! Vingers zwaaien.
White Russian. Veel melk. Echt lekker… het is volgens mij… totdat het wat kalmer is. Dankjewel. Het ziet er wel goed uit. 123… Echt?
Heeey ja! HA HA HA!

Veel melk. De man naast me heeft glitters in zijn hals. Wil jij ook? Vingers vormen een glas. Thank you. Muziek. Stilte. Lange tongen. Stiekem gelach. Een tong valt in het water.

Un. Een vinger aan een oor.
Deux. Een vuist tegen een palm.
Trois. Een elleboog op een knie.

123

Kijk eens aan wie we hier hebben!
Wil je een White Russian?
Oei…
Ik zal daar zitten.
Neen maar wij gaan weg.
O.
I got beans in my belly.
A A A

Er zijn te veel mensen. Ze weten niet waar ze naartoe moeten met hun lichamen.
Het is erg grappig dit.
Wilt gij nie graag zitten?
Witte meisjes doen alsof ze dansen.
O sorry.
Witte meisjes doen alsof ze zingen.
Ik wou dat ik zo mooi was.
I put a spell on you.
Restore to number two.
Iemand schrikt. Iemand lacht. Iemand schrikt. Iemand lacht.

I got beans in my belly and I don’t know why.

Hey.
Cava?

Restore to number 3.
Ja.
Er komt een man binnen die kijkt naar mij. Ik kijk terug.
Bye.
Ciao.
Iemand knipoogt naar mij zonder woorden.
Witte meisjes zoeken. Witte meisjes zingen.
Witte meisjes drinken.

123

Isaak: dan 23 bij mij.
Ik ben er maar ik durf gelijk niet binnenkomen. Dan moet ik langs die dansers passeren.
Gewoon tot het einde.
Gewoon bewegen.

Wil jij een White Russian?
Wat is dat?
Wodka met melk.
O jeetje.
Het is lekker.

I’m bringing sexy back.
Ik moet effe bekers halen.
Wil jij?
If I misbehave.
Restore to number one.
Deze is wel lekker sterk.

With the VIP.
Restore to number one.
Who’s the sexy girl?
Don’t let me go.
I wanna be like you you you.
No?

Hoe laat is het?
Zeven minuten voor tien.

Oké.

123123

 

Lien Van Leemput is grafisch ontwerper, schrijver en performer. Haar interesseveld schippert tussen het alledaagse en het bijzondere, tussen het rationele en het absurde. Ze probeert de banale alledaagse wereld te vatten in woorden, beelden en bewegingen.

www.lienvanleemput.com

CMMC, Friends call me Gass, performance 11 januari 2018, trampoline gallery, Antwerpen
CMMC, Friends call me Gass, performance 11 januari 2018, trampoline gallery, Antwerpen
Wendelien van Oldenborgh en Charl Landvreugd, Conversational Tones, 2017, muziek en visueel debat als onderdeel van Propositions #1: What We Mean bij BAK, basis voor actuele kunst, Utrecht op 7 oktober 2017. Foto: Tom Jansse

BAK is in transitie; het platform voor hedendaagse kunst en theorie in Utrecht renoveert gestaag een nieuwe locatie aan de Pauwstraat, het voormalige thuis van wereldmuziekpodium RASA. De renovatie en verhuizing vallen samen met een nieuw langdurig onderzoekstraject, Propositions for Non-Fascist Living, dat op 7 oktober 2017 van start ging met een performatieve conferentie getiteld Propositions #1: What We Mean.

Het concept voor Propositions for Non-Fascist Living vond zijn inspiratie in het gedachtegoed van filosoof Michel Foucault, die in zijn werk wijst op de werking en gevaren van het fascisme. Hij ziet het fascisme niet alleen als een politieke beweging vanuit overheden, maar heeft het (volgens het persbericht van BAK) ook over ‘het fascisme in ons allemaal, in ons hoofd en ons alledaagse gedrag, het fascisme dat ervoor zorgt dat we macht aanbidden en dat we verlangen naar datgene wat ons domineert en uitbuit.’ In de conferentie wordt dan ook gezocht naar manieren om voorbij onze individuele behoeften te kijken en strategieën te ontwikkelen voor alternatieve manieren om samen te leven in een diverse en non-hiërarchische maatschappij.

Dat fascisme en het verzet daartegen allerlei vormen aanneemt en overal in de wereld te vinden is, blijkt uit de omvang en verscheidenheid van de conferentie, bestaande uit lezingen, discussies, screenings en kunstwerken die verspreid over het gebouw worden tentoongesteld. Het is onmogelijk om het programma, dat een etmaal duurt en het hele gebouw beslaat, helemaal te volgen. Het gebouw is op dat moment nog niet in verbouwing en het wat afgedragen karakter past bij de activistische insteek van het evenement, maar doet niet alle kunstwerken, die in de foyer en in verschillende kleine zalen zijn geïnstalleerd, evenveel goed. Waar Tania Bruguera’s Transform your Ideas into Civic Actions (2017) een mooie concentratie vindt in een van de kleinere ruimtes, krijgt Yael Bartana’s neon-werk What if Women Ruled the World (2016) naast de bar bijna iets weg van een oversized Boomerang-kaart.

Het hoofdprogramma in het auditorium is een rijke samenkomst van (inter)nationale sprekers, bekend en minder bekend, waarvan het merendeel op het podium met elkaar in dialoog gaat, afgewisseld met video-statements van andere denkers en kunstenaars. Dit stuk biedt lang niet genoeg ruimte om alles in detail te bespreken, maar een voorbeeld was het gesprek tussen Elizabeth Povinelli en Vivian Ziherl over de praktijken van het Karrabing Film Collective aan de hand van een screening van de film Wutharr: Saltwater Dreams (2015). Dit collectief, bestaande uit leden van de inheemse bevolkingsgroep Karrabing in Australië, maakt filmportretten over hun dagelijkse leven. De films laten zien hoe moderne overheidsstructuren botsen met de leefwijze van oorspronkelijke bevolkingsgroepen in Australië en hoe zij continu in conflict zijn met de status quo. Vertrekkend vanuit hun eigen ervaringen – professor antropologie Povinelli als medeoprichter van het collectief en curator Ziherl vanuit haar Australische achtergrond – bracht het gesprek allerlei historische patronen en wetgeving naar boven die fascistische structuren van macht in zich dragen en daarmee minderheden benadelen.

De avond werd voortgezet met (al dan niet performatieve) bijdragen van onder meer kunstenaar Quinsy Gario, theoreticus en onderzoeker Gloria Wekker en kunstenaars Wendelien van Oldenborgh en Charl Landvreugd, die allen een sterke interesse delen in het koloniaal verleden en zijn doorwerking in het heden. Wekker besprak het onderzoek voor haar nieuwe publicatie Witte onschuld, waarin ze wit privilege en racisme in relatie brengt met de beleving van gender en seksualiteit in zowel Nederland als Suriname. Wekkers sociaalmaatschappelijke verhaal vond mooie verbanden met het meer beeldende relaas van Gario over de relatie tussen de Nederlandse marine en Curaçao en de samenkomst van beeld en muziek die Van Oldenborgh en Landvreugd al improviserend ontwikkelden.

De conferentie bood kortom een brede interpretatie van fascisme en besprak op Foucault-waardige wijze hoe autoritaire systemen ook op een intermenselijk niveau doorwerken. Het uitgangspunt dat racisme, seksisme, kapitalisme en andere vormen van in- en exclusiviteit slechts variaties op fascisme zijn, brengt fascisme eng dichtbij. Fascisme bestaat niet alleen uit dictators en neonazi’s, het werkt vele malen subtieler door in onze maatschappij. We kunnen allemaal iets doen door autoritaire overtuigingen in onszelf te herkennen en tegen te gaan. De vraag hoe je non-fascistisch moet leven, beantwoordde activist en theoreticus Mijke van der Drift in haar videobijdrage wellicht nog het meest raak met haar observering dat je simpelweg iets van jouw positie zult moeten inleveren om fascisme tegen te gaan: ‘See how you meet when you don’t know how to meet. Let loss in, and let it in generously.’

Adelheid Smit is curator en schrijver.

Wendelien van Oldenborgh en Charl Landvreugd, Conversational Tones, 2017, muziek en visueel debat als onderdeel van Propositions #1: What We Mean bij BAK, basis voor actuele kunst, Utrecht op 7 oktober 2017. Foto: Tom Jansse

De parodie en de werkelijkheid

Lotte van Geijn, George Vermij
Still van The Square, Ruben Östlund, 2017

Als je de pers en bezoekcijfers moet geloven is Ruben Östlunds kunstwereldsatire The Square (2017) goed ontvangen bij het grote publiek. De film over een sullige Deense curator van een prestigieus Zweeds museum voor moderne en hedendaagse kunst geeft een weinig rooskleurig beeld van de kunstscene. Gaat het hier alleen om leedvermaak of is de parodie vooral stigmatiserend? George Vermij en Lotte van Geijn gaan in gesprek over deze film.

George Vermij: Ik moet bekennen dat ik wel fan ben van de droge en realistische stijl van regisseur Ruben Östlund. Hij gebruikt keer op keer dezelfde aanpak om sociale vraagstukken uit te lichten op een ongemakkelijke manier. Zo gaat zijn film Involuntary uit 2008 over conformistische impulsen die altijd aanwezig zijn bij mensen. Door een verzameling pijnlijk herkenbare situaties te verfilmen liet hij treffend zien hoe we ons laten leiden door groepsdruk. Met Turist (2014), waarin een man op skivakantie zijn vrouw en kinderen achterlaat tijdens een kunstmatig opgewekte lawine om zichzelf te redden, bevraagt Östlund wat mannelijkheid precies betekent in een tijd waarin er schijnbaar geen verschillen meer mogen zijn tussen de seksen. In zijn films, vol komische en herkenbare momenten van plaatsvervangende schaamte, richt hij de schijnwerper heel nauwkeurig op de zwakheden van het menselijk gedrag. Met The Square zet hij die lijn voort maar de film vervalt op bepaalde momenten helaas in een te clichématig portret van de kunstwereld. Vaak kom je zo’n soort stijl tegen in minder serieuze films die vooral komisch bedoeld zijn. Van Östlund verwacht je echter wel meer, als arthouse regisseur die voor The Square zelfs een Gouden Palm won op het Filmfestival van Cannes.

Lotte van Geijn: Ik vond de film erg vermakelijk en moest zelfs een paar keer hardop lachen, bijvoorbeeld om de scène waarin conservator Christian zijn speech oefent voor de spiegel in het chique toilet van het museum en hij een zogenaamde ‘spontane actie’ zorgvuldig voorbereidt. Dat overkomt me niet vaak bij het kijken van een film. Östlund toont ons een parodie op de kunstwereld, als een gemeenschap die zich niet anders gedraagt dan andere groepen, met roddels en ego’s die vooral zichzelf naar voren willen schuiven. Toch is het geschetste beeld van een kunstwereld die weinig connectie heeft met de buitenwereld wel erg kortzichtig.

GV: De scène in het toilet is inderdaad een sterk moment in de film en laat goed zien hoe Östlund te werk gaat. In een lang en strak shot wordt Christian als het ware ‘ontleed’. Als curator heeft hij een hoge status die vaak wordt gezien als pretentieus of elitair, maar in deze scène zie je dat Christian ook maar een mens is die zijn imago hoog probeert te houden. Toch vond ik dat hij (en daarbij generaliserend de curator) iets te veel als een onbenullige sul wordt neergezet en niet goed weet wat hij zegt of doet. Het geschetste beeld is problematisch in een tijd waarin de pers vooral uit lijkt te zijn op sensatie, en conflicten vaak op schandalige wijze uitlicht, zoals bij het ontslag van Beatrix Ruf van het Stedelijk Museum Amsterdam. De concurrentie tussen journalisten is tegenwoordig zo groot dat iedereen koste wat kost de scoop wil hebben. Gedegen onderzoeksjournalistiek is schaars geworden mijns inziens. In The Square wordt de hoofdpersoon uiteindelijk ‘opgeofferd’ omdat een pr-stunt, waar hij verantwoordelijk voor was, helemaal uit de hand loopt zonder dat hij daarvan op de hoogte is. Is, in de kwestie rond het Stedelijk Museum en het directeurschap van Ruf, Ruf ook opgeofferd? Het op sensationele manier uitlichten van problemen binnen de kunstsector helpt niet echt voor het negatieve beeld dat reeds aanwezig is bij een deel van de bevolking. Op een zelfde manier is de film van Östlund niet bevorderlijk voor het huidige debat. Ik vrees zelfs dat bepaalde mensen zullen denken: ‘zie je wel, het is net zoals in The Square!’

LvG: Dat is inderdaad problematisch. Vooral aangezien er veel clichés worden aangehaald die niet kloppen. Kijkend naar mijn ervaring in het veld is het team van medewerkers vaak een hechte groep die nauw samenwerkt. Dat contrasteert erg sterk met de hoofdrolspeler, die het logge systeem en de externe factoren helemaal niet onder controle heeft. Wat mij verder opvalt aan The Square is dat de kunstenaar de grote afwezige is. Indirect zegt het iets over de positie van de kunstenaar. Volgens mij zou je de bedelaars in de film kunnen zien als metafoor voor de kunstenaar in de huidige maatschappij. De bedelaars staan in schril contrast met een schijnbaar smetteloze en welvarende wereld, alsof ze buiten de boot zijn gevallen. De realiteit is echter ook zorgwekkend: afgelopen april waarschuwde de Raad voor Cultuur en de SER (Sociaal-Economische Raad) voor de ‘uitholling van de culturele en creatieve sector’. Ruim de helft van de Nederlandse kunstenaars verdient minder dan 10.000 euro per jaar. De introductie van een richtlijn voor kunstenaarshonoraria is een belangrijke en goede stap om de positie van kunstenaars te verbeteren. Het is te hopen dat het hier niet stopt.

GV: Östlund portretteert maar een kunstenaar in de hele film. Deze voert een brute performance op tijdens een chique diner voor vrienden en begunstigers van het museum. In eerste instantie lijkt het een grappige situatie: we zien chic geklede dames en heren geconcentreerd kijken naar de kunstenaar, een gespierde man met ontbloot bovenlijf terwijl hij wilde bewegingen maakt. Het wordt ongemakkelijk wanneer hij het publiek begint lastig te vallen en hij uiteindelijk zelfs een vrouw hardhandig van haar stoel sleurt. Niemand durft te reageren.

LvG: Dat de scène redelijk uit de hand loopt is heftig, maar niet realistisch. Als er door een breed publiek echt gedacht wordt dat een dergelijke performance in een museum kan gebeuren, dan zou ik die mythe graag in stand houden. Over het algemeen is de film op meerdere momenten spannend, toch gebeurt er nooit écht iets. Voor mij vertegenwoordigt dit de collectieve angst voor het onbekende die er in de huidige maatschappij heerst. Ook zitten er verscheidene surrealistische momenten in, zoals de scène waarin een echte aap in een kamer verschijnt en op de bank gaat zitten tekenen. Een karikatuur van de kunstenaar? Deze vervreemdende momenten maken dat ik het toch geen slechte film vind.

GV: Een ander incident in de film vond ik erg flauw. Een schoonmaker veegt een kunstwerk op met een schoonmaakmachine. Het is zo’n gebeurtenis die een paar keer is voorgekomen en vervolgens als cliché eindeloos terugkomt tijdens borrelpraat. Geen sterke of originele invalshoek van Östlund helaas, maar een makkelijke poging om moderne kunst te ridiculiseren. En dan is er nog een choquerende pr-stunt die niet goed uitpakt voor Christian en het museum. Twee gladde marketinggasten van een hip pr-bureau besluiten om een promotiefilmpje op YouTube te zetten waarin een klein meisje wordt opgeblazen. Het is natuurlijk een makkelijke manier om zoveel mogelijk reacties te willen uitlokken.

LvG: Die pr-stunt vind ik exemplarisch. Vooral hoe de media erop duikt als de curator een persconferentie erover geeft: er gebeurt iets in museumland. The Square gaat te veel over de kunstwereld zelf en te weinig over de wereld daarbuiten. De kunstenaar komt amper tot niet in beeld en de kunst zelf ook maar mondjesmaat. De film schetst een kortzichtig, clichématig beeld van het museum dat achter de feiten aan loopt, alsmaar verder op dezelfde voet.

Is de museumwereld niet juist de plek voor zelfreflectie en veranderingen? Het aangewezen platform voor dialoog? In het essay ‘Het geëmancipeerde museum’ bevraagt en onderzoekt Steven ten Thije (o.a. onderzoekconservator bij het Van Abbemuseum in Eindhoven) het belang van kunst en musea als onderdeel van de maatschappij en de politiek. Het bewustzijn en het reflecterende vermogen van de Nederlandse kunstmusea dat Ten Thije schetst is geen dankbaar materiaal voor een satire. Dat een film als The Square stigmatiseert is problematisch in een tijd waar het populisme en nationalisme ruimte krijgt. Door de huidige rechtse wind heeft het museum het imago van ‘symbool voor de beschaving’, zoals Ten Thije het mooi omschrijft, verloren en ten onrechte tot ‘een ongewenste kostenpost op de rijksbegroting’ gebombardeerd. Een goede satire biedt op humoristische wijze kritiek op de maatschappij. Maar de situatie die de Zweedse regisseur schetst, met de onbenullige curator Christian als hoofdrolspeler, voegt niet veel toe in het debat. Het is niet meer dan een slechte parodie op de kunstwereld die er in werkelijkheid toch echt heel anders uit ziet.

Lotte van Geijn (1985) behaalde een MA in fine art bij de HKU en is kunstcriticus en onderzoeker. Ze is oprichter van Artidae, een platform voor kunstkritiek met de focus op het publieke domein.

George Vermij (1977) studeerde kunstgeschiedenis en politicologie in Leiden. Hij schrijft over film en beeldende kunst voor onder andere Cine.nl, Metropolis M en Frameland.

Still van The Square, Ruben Östlund, 2017
Still van The Square, Ruben Östlund, 2017
Tentoonstellingsoverzicht Hans Vijgen: Latitudes part 2, 38CC, Delft. Foto: Coen de Jong

Sinds de oprichting van de Delftse expositieruimte 38CC in 2008 zijn er ongeveer dertig solotentoonstellingen georganiseerd. Hans Vijgen is echter de eerste kunstenaar die een tweede presentatie krijgt in 38CC. De huidige tentoonstelling lijkt, als je vluchtig kijkt, een herhaling van Vijgens eerste show in 2012. Net als toen staan er lange tafels met maquettes en tekeningen van een bepaald formaat, loopt er een rode lijn over de vloer en hangen er foto’s aan de muren. Maar de naam verraadt het, Latitudes Part 2 is niet zozeer een herhaling maar een vervolg. Vijgen toont met deze presentatie waar hij staat met Latitudes 51, het grootschalige project waar hij al tien jaar mee bezig is. De laatste maquette is zelfs pas geïnstalleerd nadat de tentoonstelling al was geopend, zo vertelt de gastvrouw mij.

Tien jaar geleden stelde de kunstenaar vast dat de breedtegraad N51° 34.191 over de werktafel in zijn atelier in Tilburg liep, en besloot hij over deze breedtegraad een (denkbeeldige) reis over de wereldbol te maken. De satellietbeelden van de 360 plekken waar deze 51e breedtegraad en een lengtegraad elkaar kruisen vormen hierbij telkens het uitgangspunt. De uitkomst – een gestaag groeiende serie van telkens een maquette en een tekening per lengtegraad – is een vermenging van de geografische werkelijkheid, actuele gebeurtenissen en de verbeelding van de kunstenaar.

De keurig in drie rijen opgestelde maquettes zijn precies en kundig gemaakt. Het is duidelijk dat Vijgen een echte maker is. Het zijn vervreemdende voorstellingen. Hoewel er bijna altijd (sporen van) menselijke creaties – zoals een fabriek, pijpleiding, zendmast, ruïne of spoorlijn – in de taferelen terugkomen, zijn ze over het algemeen uitgestorven. Een enkele keer zie je een levend wezen, zoals een hond. In de bijbehorende tekeningen, lopen cartografische elementen, abstracte lijntekeningen en figuratieve elementen in elkaar over. Tekening en maquette corresponderen met elkaar: vaak komt een of meerdere van de onderdelen in beide terug, als een verwijzing naar dezelfde wereld in een ander perspectief. Aangezien het formaat van tekening en maquette telkens hetzelfde is, ontstaat er samenhang en ritme. Het zouden hoofdstukken van een verhaal kunnen zijn. Of allemaal verschillende verhalen, elk met een eigen plot en einde.

Inmiddels bezoekt Vijgen de locaties op de breedtegraad ook in levenden lijve. Onder de noemer Longitude crossings documenteert hij zijn reizen naar plekken waar hele lengtegraden de breedtegraad kruisen, en als onderdeel van Latitude landings documenteert hij zijn bezoeken aan de tien plaatsen op de lijn waar het land overgaat in zee. Hierbij gaat hij secuur te werk, telkens neemt hij een GPS tracker en een rood lint mee om de juiste coördinaten te vinden en op locatie te markeren. De documentatie van deze excursies wordt ook tentoongesteld: aan de muren hangen foto’s en in de ‘kluis’, de raamloze achterruimte van 38CC, wordt een film getoond waarin Vijgen ergens op de wereld zijn rode lint aan het positioneren is. In vitrines en een archiefkast liggen op locatie verzamelde watermonsters en planten, en zelfs boeken die op de breedtegraad zijn geschreven.

De drang om de locaties daadwerkelijk te willen bezoeken en documenteren begrijp ik wel. Het moet bijzonder zijn om deze voorheen abstracte punten op een kaart, waar je allerlei ideeën over hebt, in het echt te kunnen zien. Echter, het tentoonstellen van deze documentatie naast de maquettes en tekeningen is naar mijn mening geen goede combinatie. De foto’s leiden af en doen afbreuk aan de virtuele reis die Vijgen maakte. Automatisch probeer je overeenkomsten te zoeken met de maquette en tekening. De foto’s en objecten reduceren de maquettes en tekeningen enkel tot pure illustraties en trekken me terug naar de grauwe werkelijkheid, terwijl ik liever blijf ronddwalen in de mysterieuze wereld die op de tafels wordt geschetst.

Op de website vind ik de lezing ‘De kaart en het gebied’ die kunsthistorica Marijke Goeting gaf tijdens de opening van de tentoonstelling. Ik moet denken aan het gelijknamige roman van Michel Houellebecq, waar Goeting overigens niet aan refereert. De hoofdrolspeler Jed Martin, een succesvolle maar eenzame kunstenaar met een onnavolgbaar oeuvre, heeft een passie voor kaarten. Als hij in een wegrestaurant een Michelin-kaart uitvouwt, wordt hij geraakt door de sublieme schoonheid van deze grafische weergave van de werkelijkheid. Het mondt uit in een serie waarin hij honderden kaarten heel precies met een technische camera fotografeert. De tentoonstelling die hem uiteindelijk bekendheid bezorgt heeft als titel ‘De kaart is interessanter dan het gebied’.

Vijgen zet een stap verder dan Martin. Door het verwerken van zijn eigen associaties en gedachten in de maquettes en tekeningen creëert de kunstenaar een geheel eigen kaart, waarin ‘gebied en geheugen steeds opnieuw samenkomen en elkaar vervormen’, zoals Goeting het mooi omschrijft. In deze ‘kaart’ zit wat mij betreft de kracht van dit project, en niet in de referenties naar de werkelijkheid die hij ernaast presenteert.

Deze recensie is onderdeel van de serie ‘In de periferie’, waarbij een specifieke stad of regio een langere tijd door een auteur onder de loep wordt genomen. Marjolein van de Ven recenseert de komende maanden tentoonstellingen en presentaties rondom hedendaagse kunst in Delft.

Marjolein van de Ven is een van de drijvende krachten achter de Kunstvlaai, werkt als freelance curator/schrijver en is redacteur van Tubelight.

Tentoonstellingsoverzicht Hans Vijgen: Latitudes part 2, 38CC, Delft. Foto: Coen de Jong
Tentoonstellingsoverzicht Hans Vijgen: Latitudes part 2, 38CC, Delft. Foto: Coen de Jong
Tentoonstellingsoverzicht Hans Vijgen: Latitudes part 2, 38CC, Delft. Foto: Coen de Jong

Styledrive is ‘straat’

Marlise van der Jagt
Style: Marion Herbst, Show Model: Audi A5, Concept & Profiling: Ellie Uyttenbroek, Fotografie: Otto Snoek, STYLEDRIVE, Stedelijk Museum 's-Hertogenbosch 2017

StyleDrive speelt zich af in een ruime rechthoekige ruimte, het licht gedimd. In het midden van de ruimte bevinden zich drie naast elkaar opgestelde vitrines. Daarin liggen ringen, colliers, broches, armbanden, alle uitgestald op kleine houten doosjes. In eerste instantie lijkt de sfeer in de ruimte plechtig, bijna ceremonieel. Dan dringt de popmuziek tot je door, Radio Veronica zo blijkt. Hitjes zoals zouden spelen in een garage, auto’s op de brug, een Pirelli-kalender aan de muur, een lekker wijf op een motorkap. Echter aan de muren van deze tentoonstellingsruimte geen lekker wijf maar foto’s van mensen van velerlei pluimage. Zij poseren naast of in hun glimmend gewassen middenklasse-auto, er is er zelfs één van goud; de tentoonstelling StyleDrive in het Stedelijke Museum ‘s-Hertogenbosch is ‘straat’.

De kersverse directeur van het museum, Timo de Rijk, heeft als doel gesteld met deze presentatie het sieraad terug in de samenleving te brengen. Met die opdracht klopte hij aan bij style profiler Ellie Uyttenbroek. Zij haalde fotograaf Otto Snoek bij het project, met als resultaat een reeks imposante portretten van een diversiteit aan van straat geplukte autoliefhebbers die poseren met sieraden uit de collectie. Het Stedelijk Museum ‘s-Hertogenbosch beheert een collectie van ongeveer 1500 sieraden, voornamelijk opgebouwd onder voormalig directeur Yvonne Joris. Grote internationale namen als Louise Bourgeois, Alexander Calder, Lucio Fontana en Pablo Picasso zijn vertegenwoordigd. Van vooraanstaande Nederlandse sieradenontwerpers Gijs Bakker, Marion Herbst en Emmy van Leersum zijn de archieven er ondergebracht.

Een groot gedeelte van de door Uyttenbroek geselecteerde sieraden is van relatief lage waarde voor ontwerpers van deze naam, zo blijkt uit de bijschriften. Er zijn buttons van Keith Haring (waarde € 100), perspex ringen en armbanden van Marion Herbst (van € 400 tot € 1.200), een industrieel vervaardigde kunststof armband van Baverel (€ 500), een messing armband van Alexander Schabracq (waarde € 1.700) en een aluminium armband van Emmy van Leersum (€ 1.600). Hoogtepunt is een ring in de vorm van het peace teken (wijs- en middelvinger in de lucht) van Gijs Bakker; héél vulgair, doch komisch, net als de geportretteerde die hem ter gelegenheid van deze tentoonstelling draagt overigens.

Uyttenbroek is internationaal vermaard door de serie Exactitudes waarin zij samen met Ari Versluis overal ter wereld mensen fotografeert en categoriseert waardoor een veelheid van subculturen zichtbaar wordt. Pijnlijk maar eerlijk confronteren ze ons met het feit dat we geen van allen echt uniek zijn, hoe erg we ook ons best doen. Voor StyleDrive deed Ellie Uyttenbroek precies het tegenovergestelde. Ze castte voor deze serie niet mensen van een subcultuur maar juist een grote diversiteit aan types, van alle kleuren, man, vrouw, jong, oud, rijk en arm. Met als enige overeenkomst dat zij allen eigenaar van een auto zijn.

De voor deze gelegenheid in de arm genomen fotograaf Otto Snoek ‘barokiseert’ in zijn werk straatscènes. In zijn serie Nation bijvoorbeeld, verworden taferelen van feestende mensen uit alle hoeken van Europa voor zijn lens tot epische composities die de indruk wekken in scène gezet te zijn. Snoeks beelden voor StyleDrive voldoen aan de eisen van barokke portretten, soms zelfs ten voeten uit. De geportretteerden kijken trots in de camera, poseren aanmatigend, tevreden, gelukkig. Ze pronken, laten graag zien wat ze hebben: een auto én speciaal voor deze gelegenheid een sieraad. De gillend glimmende portretten spatten van de muren.

Met deze tentoonstelling zet De Rijk de deur van zijn museum wagenwijd open, sterker nog, hij legt zijn collectie praktisch letterlijk op straat. Hij legt graag de nadruk op lage cultuur, het ‘campe’ ervan, het platte, het ordinaire. Uyttenbroek speelde er slim op in door mensen te portretteren naast hun auto, iets dat per definitie en met direct effect ordinair overkomt. Maar ook heeft De Rijk oog voor het historisch belang van het alledaagse, zoals bijvoorbeeld het interieur van een Chinees restaurant. Hij wil ons het uitzonderlijke van het gewone laten inzien.

In StyleDrive worden de sieraden uit de collectie als instrument gebruikt om aan te tonen dat auto’s het belangrijkste accessoire zijn voor de huidige mens. Zoals een wegwerpsieraad als de futiele buttons van Keith Haring museumwaardig bleken, zo wil Timo de Rijk laten zien dat de Nissan Juke en de Toyota C-HR dat mogelijk ook zullen worden. En dat dus eigenlijk alles museumwaardig kan zijn, als we er maar oog voor hebben. Zelfs de meest spuuglelijke auto van de eeuw; de knalgele Citroën Cactus.

Tentoonstellingsoverzicht STYLEDRIVE, Stedelijk Museum 's-Hertogenbosch 2017
Tentoonstellingsoverzicht STYLEDRIVE, Stedelijk Museum 's-Hertogenbosch 2017
Stefaan Dheedene, Mazout, 07.12.2017. Links: Men bedriegt u, 2017, foto op dibond, ingelijst, hout, 91x80x11 cm. Rechts: Cafépraat, 2017, hout, 123x120x12 cm

Tubelight ontmoet trampoline

Op 7 december 2017 opende bij trampoline het project /’haɪə en (nʊ)/, een bar-setting waarbinnen een divers programma van o.a. performances, talks, screenings, solo- en groepstentoonstellingen plaatsvindt. Tijdens dit project staat het samenkomen en de gespreksvorm centraal; het kunstwerk en de dialoog rondom het presenteren en produceren ervan.

Met een aantal kunstenaars en auteurs onderzoekt Tubelight tijdens /’haɪə en (nʊ)/ wat het betekent om een ‘ontmoeting’ of ‘moment’ te recenseren. Daarbij wordt geëxperimenteerd met verschillende formats – zoals beeld, tekst of geluid – en het moment waarop de recensie wordt gemaakt, achteraf of juist ter plaatse. Axel De Marteau bezoekt trampoline gedurende dit project op meerdere momenten, wat zal resulteren in een meerdelige recensie.

Deel 1: Mazout en rode wijn


Sinds de opening van trampoline in 2014 tracht grondlegger en drijvende kracht Simon Delobel een nieuwe wind door de Antwerpse galeriewereld te blazen. Met de komst van Daniela Apice, die sinds kort de galerie mee bestuurt is er nu, na bijna 4 jaar, wat meer tijd en ruimte voor introspectie. Dit aan de hand van het uitdagende project /’haɪə en (nʊ)/. Het gekke ensemble van letters dat we hier zien, vormen de fonetisch uitgeschreven woorden ‘Hier en nu’. /’haɪə en (nʊ)/ benadrukt de afwezigheid van een compleet doordacht en vooropgesteld programma. Veel staat nog open wanneer het project van start gaat. De ruimte en het programma zullen gaandeweg evolueren, tentoonstellingen zullen zich met elkaar vermengen.

Voor een vijftal weken wordt in de Antwerpse galerie een alternatief parcours bewandeld, opgebouwd uit zeer korte tentoonstellingen, lezingen, performances en events. De rode draad die dit geheel moet verbinden is de transformatie van de galerie tot bar. Niet in de klassieke vorm van een kroeg met een toog en de daarbij behorende tooghangers, maar eerder als statuut. De enige permanente elementen die verwijzen naar de fysieke transformatie zijn de bordeauxrode en pastel-blauwe muren, de krukjes van Gerard Herman met daarin anagrammen van het woord ‘trampoline’ gegraveerd en de aankondiging van de geserveerde drank, steeds gekozen door de kunstenaar die tentoonstelt, spreekt, performt, … .

1. Mazout

Het vertrekpunt van het project /’haɪə en (nʊ)/ is de solotentoonstelling van Stefaan Dheedene getiteld Mazout. Mazout is een typisch Belgische cocktail van cola en bier, genaamd naar de vale mazout-achtige kleur van stookolie. Door deze drank, die elke Vlaamse tiener op te jonge leeftijd weleens dronk, als titel te gebruiken wordt de toon meteen gezet en kan de transformatie van de galerie starten.

Wanneer ik de tentoonstellingsruimte binnenwandel, twee dagen na de opening, springen de drie werken van Dheedene meteen in het oog. Eerst lees ik de leuze “Men bedriegt u”. Het gelijknamige werk hangt centraal in de achterkamer en bestaat uit de zwarte tekst, op wit fotopapier geprint, strak op dibond opgeplakt en omkaderd door een dunne, sobere, zwarte lijst. Van hieruit glijdt mijn blik naar twee absurde sculpturen in de voorkamer. De zorgvuldig uit hout vervaardigde werken zijn opgebouwd uit verschillende elementen: Juk/Juk/Juk bestaat uit drie waterdragers, Cafépraat uit zes hamers. De abstracte vormen spreken sterk tot de verbeelding. Het zijn simpele, haast kinderlijke voorstellingen met een speelse aanblik.

Op subtiele manier verwijzen de werken naar het café. Zo is er de net iets te smalle toog onder Men bedriegt u, de verwijzing naar de biljartkeus in het werk Cafépraat en Juk/Juk/Juk dat fungeert als ‘drankdrager’. Essentieel is de functionaliteit waarmee ze de ruimte en het publiek activeren. Dit was live te zien op de opening waar de twee galeristen aan de hand van de ‘drankdragers’ vanuit metalen emmers mazout schonken. De een liep rond met de drankdrager terwijl de ander Cara pils uit de ene emmer en Cola uit de andere emmer in bekertjes schepte en vervolgens aanbood aan het publiek. Zo werpt Juk/Juk/Juk zichzelf op tot ‘conversation and drinking piece’.

De werken zijn opvallend treffend en grappig, het zijn de gangmakers van de tentoonstelling. Maar, tegelijkertijd bevatten zij een serieuzere ondertoon. Dit begint bij Men bedriegt u, wat lijkt te verwijzen naar moraliserende zinnen en platen zoals ‘God ziet u’. Deze waren vaak terug te vinden in volkscafés en benadrukten op eenzelfde ludieke wijze de sociale positie van de arbeider/caféganger. De biljartkeus van Cafépraat verwijzen dan weer naar hamers, niet alleen het werktuig van de arbeider, maar ook om geschillen mee uit te vechten. Ook Juk/Juk/Juk legt letterlijk een gewicht op de schouders van de drager. In die zin is het opvallend dat de galeristen dit gewicht en deze rol de avond van de opening op zich namen. Ze moesten samenwerken, waren afhankelijk van elkaar om drank te serveren. Enerzijds kwetsbaar en arbeid verrichtend, anderzijds het middelpunt van de tentoonstelling.

2. Rode wijn

Op 21 oktober 2017 vond de performance 10 Seconds Sculptures Action van Manon van den Eeden plaats in trampoline. Het werk bestond eruit dat de kunstenaar gedurende vier uur en tien minuten, iedere tien seconden een kleisculptuur maakte en in de ruimte plaatste. Het startpunt was een hoop van 500 kilo klei. Het uiteindelijke resultaat was een totaalinstallatie van 1489 sculpturen verspreid over de twee kleine kamers van trampoline. Het publiek kon van buiten toekijken hoe de kunstenaar aan het werk was. Tijdens de actie voerde ze een uitputtingsslag en balanceerde vier uur lang tussen mens en machine. Met de kleine amorfe sculpturen die uit de performance voortkwamen bevraagt Van den Eeden het productieproces. Binnen tien seconden moest een antwoord gegeven worden op de vragen: “Hoe moet een sculptuur eruitzien?” en “Waar moet deze geplaatst worden?”. Zo maakte de kleine galerieruimte deel uit van zowel denk-, productie- als presentatieproces.

De actie wordt in het /’haɪə en (nʊ)/-programma opgenomen in de vorm van de launch van de editie die naar aanleiding van de actie is gemaakt. Deze bestaat uit 1489 foto’s, één voor elke sculptuur die binnen het kader van het papier zijn eigen ruimte krijgt toegewezen. Op de avond van mijn bezoek, waar naar Van den Eedens keuze rode wijn werd geschonken, werden de prints, elk met een afbeelding van één van de 1489 sculpturen, afzonderlijk weggegeven. Door haar collectie sculpturen op te splitsen benadrukt de kunstenaar het ‘tijdelijke’ aspect van de actie.

Zowel Dheedene als Van den Eeden spelen met de ambiguïteit van de galerieruimte. Delobel en Apice nodigden de kunstenaars uit om na te denken over het statuut van trampoline en trachten te achterhalen hoe ver dit statuut opengetrokken kan worden. Met een frisse blik wordt gekeken naar de wijze waarop de galerie kan bijdragen aan de totstandkoming van het werk van de kunstenaars. Daarnaast wordt de sociale rol en verplichtingen van de galerie tegenover zichzelf, de kunstenaar en het publiek bevraagd.

Na een eerste ontmoeting met het project /’haɪə en (nʊ)/ belooft het een spannend parcours te worden met ruimte voor een zekere fun-factor. Een welkome afwisseling met klassieke galerietentoonstellingen. Centraal staat de vraag of dit kan blijven duren? Houden de galeristen dit tempo vol? Biedt het ambitieuze programma genoeg tijd en ruimte voor introspectie? En hoe komt dit dan tot stand? En beïnvloed deze aanpak de economische kant van de galerie, kunnen zij op deze wijze genoeg middelen vergaren om het bestaan te blijven garanderen? Enkele vragen om de komende vijf weken te beantwoorden.

Axel De Marteau is beeldend kunstenaar en schrijft sinds 2016 recensies voor onder andere Metropolis M.

Manon van den Eeden, 10 Seconds Sculptures Action, 09.12.2017, launch new edition + artist talk
Stefaan Dheedene, Mazout, 07.12.2017
Stefaan Dheedene, Twee galeristen schenken mazout op de opening, Mazout, 07.12.2017 (eerste uitvoering)

LOPEN OVER 12.000 GRAVEN

Caspar Stalenhoef
Tentoonstellingsoverzicht Christian Boltanski: NA, 2017, Oude Kerk. Foto: Gert-Jan van Rooij

De kracht van de recente tentoonstellingen in de Oude Kerk is dat er heel specifiek op het gebouw wordt gereageerd. Het werk wordt speciaal voor deze ruimte gemaakt of met bestaand werk wordt de ruimte in een ander daglicht geplaatst. Na is een meer dan geslaagde editie: met verrassend eenvoudige ingrepen reflecteert de 73-jarige kunstenaar op de Oude Kerk als begraafplaats.

De enorme, relatief lege ruimte van de Oude Kerk is voor exposerende kunstenaars elke keer een uitdaging; Germaine Kruip had het daar (in 2015) bijvoorbeeld moeilijk mee. Boltanski heeft niet de ruimte maar de vloer als uitgangspunt genomen: normaal gesproken kan de bezoeker daar vrij achteloos overheen lopen, zonder erbij stil te staan dat deze belegd is met 2.500 grafstenen, waaronder het duizelingwekkende aantal van 12.000 mensen begraven is. Boltanski heeft deze vloer met Les Appareils veranderd in een doolhof van grote zwarte kubussen, in hoogte variërend van ongeveer een tot zes meter. Ze doen denken aan het Berlijnse Holocaustmonument, maar groter en eenvoudiger, gemaakt van houten raamwerken bedekt met donkere folie. Deze langwerpige kubussen tillen de grafstenen – en de graven eronder, vaak meerdere lagen diep – als het ware omhoog, de ruimte in, waardoor de bezoeker niet meer om het idee van de hier begraven mensen heen kan.

Dolend door deze tombes komt de bezoeker de doden ook in ‘levende’ lijve tegen: het werk Prendre la parole (2005) bestaat uit houten stellages gehuld in zwarte jassen, die een (zoals vaker bij Boltanski) lampje als hoofd hebben. Wie dichterbij komt krijgt een vraag te horen: ‘Vertel eens, heb je geleden?’, bijvoorbeeld. Na een aantal van deze ‘ontmoetingen’ ga je deze figuren inderdaad ervaren als de hier begraven mensen, die nieuwsgierig zijn naar hoe jíj bent overleden. Ze vormen een memento mori in een tentoonstelling die op allerlei manieren over sterfelijkheid gaat.

Ook te zien: de bij Boltanski vaak terugkerende verzamelingen van anonieme gebruiksvoorwerpen, die nieuwsgierig maken naar hun afwezige eigenaren. Hier in het binnenschip liggen vijfenvijftig zwarte jassen in nette rijen op de grond, belicht door de lager opgehangen kroonluchters (de graven zijn omhoog getrokken; de kroonluchters omlaag). Les Manteaux dateert uit 1987, maar Boltanski stelt het elke keer samen uit andere – lokaal verzamelde – mantels, waardoor ze steeds weer een andere groep mensen representeren. Dat is een belangrijk thema in het werk van de Franse kunstenaar: door anonimiteit zo sterk uit te vergroten wordt duidelijk hoe eenvoudig een mensenleven wordt vergeten. Boltanski zou eens gezegd hebben dat hij ieder mens een eigen museum waard vindt.

In de hele kerk is het geluid van rinkelende belletjes te horen, afkomstig uit het nieuwe videowerk Animitas (blanc) (2017), dat in de kooromgang te zien is. Honderden belletjes op stokken in een sneeuwlandschap. Boltanski ziet het als een manier om de doden te herdenken, alsof de belletjes in beweging komen door de ronddolende zielen, een ritueel dat hij heeft geleerd van de Amerikaanse Indianen. De video is opgenomen in Québec, maar Boltanski begon ermee in Chili en toont hier dat het op elke betekenisvolle plek de herinnering kan oproepen aan de mensen die daaraan verbonden zijn. Bovendien maakt hij deze algemene geste van het herdenken en herinneren met Disparus (2017) nog specifieker: in een van de kubussen kan de bezoeker plaatsnemen voor een microfoon en namen inspreken uit het gravenregister van deze kerk. Gedurende de tentoonstelling worden deze opnames toegevoegd aan de stemmen die in het Hoge Koor te horen zijn.

Boltanski roept met zijn werk nieuwsgierigheid en betrokkenheid op, ook door bijvoorbeeld in diverse cafés in de omgeving van de Oude Kerk posters op te hangen met alleen het woord na erop. Kunst over loodzware onderwerpen als geschiedenis en sterfelijkheid kunnen voor afstand zorgen, maar met kleine gebaren en simpele ingrepen weet Boltanski het publiek erbij te betrekken.

Caspar Stalenhoef studeerde filosofie en werkt bij het Joods Historisch Museum.

In het kader van Amsterdam Art Weekend 2017 en de tentoonstelling NA vond er eind november een interview plaats tussen Christian Boltanski en Hans Ulrich Obrist. Tubelight wijdde er een stuk aan, hier te lezen.

Tentoonstellingsoverzicht Christian Boltanski: NA, 2017, Oude Kerk. Foto: Gert-Jan van Rooij
Tentoonstellingsoverzicht Christian Boltanski: NA, 2017, Oude Kerk. Foto: Gert-Jan van Rooij
Tentoonstellingsoverzicht Christian Boltanski: NA, 2017, Oude Kerk. Foto: Gert-Jan van Rooij
Carlos Motta, Zizi uit THE CROSSING, 2017 (videostill). Met dank aan de kunstenaar, Instituto de Visión, Bogotá, galerie Mor Charpentier, Parijs, Galeria Filomena Soares, Lissabon en galerie P.P.O.W., New York

The Crossing van de Colombiaanse kunstenaar Carlos Motta is een installatie over de verhalen van elf vluchtelingen die vanwege hun non-conforme gender- en seksuele identiteiten werden gedwongen om te vluchten uit hun geboorteland. Op zoek naar bescherming en acceptatie reisden zij naar Nederland. Openhartig en kwetsbaar vertellen zij over hun leven, hun reis en de momenten waarop ze met uitsluiting, discriminatie en fysiek geweld werden geconfronteerd.

Faysal uit Pakistan werd door zijn schoonfamilie betrapt terwijl hij zoende met een man. Nadat de familie Faysals vriend vermoordde, dook Faysal onder. Mala uit Marokko identificeert zichzelf als een transgendervrouw met een baard. Bij haar coming-out braken Mala’s ouders haar voortanden. Raneen leidde een dubbelleven in Bagdad. Hij liet een baard groeien om te compenseren voor zijn vrouwelijke verschijning. Uit angst voor de gruwelijke martelpraktijken van Islamitische Staat vluchtte hij het land uit voordat het niet meer kon. Het is bijzonder dat zij hun persoonlijke verhaal met ons delen. Dit zijn mensen die je niet gauw ontmoet en verhalen die je niet snel te horen krijgt. Het is alsof ze ons in vertrouwen nemen en blij zijn dat we luisteren. Motta heeft hen duidelijk op hun gemak gesteld en hen in alle vrijheid hun verhaal laten doen. Ik ben verrast door de levendige manier waarop ze vertellen. Strijdlustig, moedig en hoopvol kijken ze uit naar de toekomst.

Aan de andere kant van de ruimte staan vitrines waarin onder andere tekeningen, etsen, foto’s, poppen en een schilderij worden getoond. Motta selecteerde deze historische objecten uit de collecties van drie Nederlandse musea en stelde ze chronologisch op. Een aantal van de objecten doet denken aan het idee van Nederland als tolerant en gastvrij land. Prominenter zijn de objecten die verwijzen naar ons koloniale verleden, de eeuwen waarin Nederland als gewelddadige kolonisator in de wereld huishield. Een ogenschijnlijk onschuldig bordspel uit 1903, dat meer doet denken aan Ganzenbord dan aan Risk, blijkt als ik het spel nauwkeuriger bestudeer gebaseerd op de koloniale oorlogen die werden gevoerd door het Nederlandse leger in Indonesië rond 1900.

Deze objecten en de geschiedenis waarnaar zij refereren zetten ons zelfbeeld op scherp. Ze confronteren ons met ons verleden, onze houding en ons gevoel als het gaat om hoe wij denken en praten over anderen. Motta maakt onze onderbewuste historische bagage tastbaar. Deze patronen zijn lang geleden opgeborgen in wat de Surinaams-Nederlandse antropologe Gloria Wekker in navolging van de beroemde Palestijns-Amerikaanse literatuurwetenschapper Edward Said het ‘culturele archief’ noemt. Dat Nederland eeuwen een koloniale heerser is geweest en een narratief wist te bedenken waarbinnen gekleurde mensen konden worden gedehumaniseerd, heeft zijn sporen nagelaten op onze identiteit.

Aangekomen in Nederland werden Faysal, Mala, Butterfly, Zizi en de anderen geconfronteerd met een ander Nederland dan zij zich hadden voorgesteld. Aanvankelijk voelden zij zich niet veilig in de asielzoekerscentra, waar zij als LGBTQI vluchtelingen een minderheid in een minderheid vormden. Hier werden ze door andere asielzoekers gediscrimineerd en buitengesloten, opnieuw onderworpen aan vooroordelen en agressie van mensen die denkbeelden koesteren waarvan ze zich juist probeerden te verwijderen.

Vervolgens is er de confrontatie met de Nederlandse overheid, die moeite heeft met beoordelen of een vluchteling daadwerkelijk de seksuele gerichtheid heeft die hij zegt te hebben. Zo werd Faysals asielaanvraag in eerste instantie afgewezen omdat hij niet tot in de intiemste details vertelde over zijn seksleven. Hoewel een asielzoeker vanwege zijn recht op privacy niet wordt gevraagd naar zijn seksleven, werd in dit geval wel gevraagd naar zijn seksuele gedrag. Met culturele verschillen, zoals een taboe op een intiem onderwerp als seks, wordt hierbij vreemd genoeg geen rekening gehouden. Hoe ver moet iemand gaan om zijn seksuele gerichtheid te bewijzen?

Motta vraagt ons om na te denken over ons verleden en over hoe wij het heden vormgeven. Wel zet ik vraagtekens bij zijn keuze om alleen vluchtelingen uit islamitische landen aan het woord te laten. Het gevaar is dat dit de schijnbare tegenstelling onderstreept van aan de ene kant de liberale westerse samenlevingen, waarin mensen met non-conforme gender- en seksuele identiteiten worden geaccepteerd, en aan de andere kant islamitische landen en culturen waar dat in zijn geheel niet zo is. Het is echter niet zo zwart-wit dat iedereen in islamitische landen conservatief is en discrimineert, net zomin dat alle mensen hier open-minded zijn. Het benadrukken van deze schijnbare tegenstelling komt de vluchtelingen niet ten goede, die vanwege hun uiterlijk ook in Nederland helaas met transfobie, homofobie en islamofobie worden geconfronteerd.

Met The Crossing laat Motta zien dat het ideologische concept van Nederland als tolerant, gastvrij land dat mensenrechten hoog in het vaandel heeft, niet overeenkomt met de werkelijkheid. Laten we niet vergeten dat het in veel oosterse landen gewoon is om als mannen onder elkaar affectie te tonen, bijvoorbeeld door hand in hand te lopen, zonder dat daar door anderen een seksuele identiteit op wordt geplakt. Het zijn uiteindelijk de wetten uit het koloniale tijdperk die intimiteit voor mensen van het gelijke geslacht hebben gecriminaliseerd.

Carlos Motta, THE CROSSING, 2017. Met dank aan de kunstenaar, Instituto de Visión, Bogotá, galerie Mor Charpentier, Parijs, Galeria Filomena Soares, Lissabon en galerie P.P.O.W., New York, Foto: G.J. van Rooij, Courtesy: Stedelijk Museum Amsterdam.

Toneel der pretentie

Laure-Anne Tillieux
Niek Hendrix, tentoonstellingsoverzicht Het Geheugentheater, De Ketelfactory Schiedam, 2017. Foto: Gert Jan van Rooij

‘Kunst is alles wat de norm niet is’, aldus kunstenaar en blogger Niek Hendrix in een videoportret. Een stevige uitspraak zoals die te verwachten zijn bij jonge en ambitieuze schilders. En aan ambities geen gebrek. Zonder enige schroom kunnen we stellen dat 2017 het jaar van Hendrix is. Na een Werkbijdrage Jong Talent van het Mondriaan Fonds en de daaropvolgende presentatie in Prospects & Concepts op Art Rotterdam, was zijn werk te zien bij Kunsthal KAdE, Dapiran Art Project Space, Volta in Bazel, de triënnale Van Stof tot Asse in België en Rosalux in Berlijn. En als kers op de taart volgde de toekenning van de Prijs voor de Vrije Schilderkunst begin oktober. Een mooie doorstart na jarenlang voornamelijk bekendheid te hebben genoten als blogger van zijn eigen webglossy Lost Painters.

Toch is het verstandig om dit enthousiasme lichtelijk te temperen. Zijn meest recente tentoonstelling, Het Geheugentheater in De Ketelfactory in Schiedam, stelt teleur. De bescheiden presentatie biedt plek aan slechts een handjevol olieverfwerken op paneel. Gepresenteerd in de drie kleine ruimtes op de begane grond heeft Hendrix met podia de architectuur van de voormalige melkfabriek gedeeltelijk in een labyrintisch routespel getransformeerd. Hoewel dit misschien enerverend had moeten werken, zijn juist die podia een belemmering. De afmetingen van deze structuren bepalen zodanig de ruimte dat je je gevangen voelt in je bewegingsvrijheid. De vraag dringt zich op wat het doel en functie ervan is en of de werken niet tweede viool spelen. Wat het toneel had moeten zijn om de werken te laten schitteren, doet nu afbreuk aan de ‘absolute’ kracht van deze objecten. Een tegenstrijdig resultaat. Of is dat juist de bedoeling?

Het ‘absolute’ versus het ‘relatieve’ is een terugkerend thema in het oeuvre van Hendrix. De grotere context – zowel de ruimte waarin het getoond wordt als ook de mensen die de kunst bekijken – bepaalt en vormt het werk. Een kunstwerk maakt altijd deel uit van een netwerk. Voor Hendrix is het weergeven, in kaart brengen en op z’n kop zetten van dat netwerk, het doel. De kunstenaar eigent zich voor zijn praktijk bestaande beelden toe, of dat nou oude of hedendaagse schilderijen, foto’s, logo’s of tekeningen zijn, en ontdoet ze van kleur en medium. Op deze manier wil hij niet alleen doordringen tot de werkelijke structuur van de beelden maar hoopt hij ook de illusoire kracht ervan te ontrafelen. Met andere woorden, hij gaat op zoek naar hoe die beelden zijn gemaakt en hoe ze op de toeschouwer inwerken. Om dit te bewerkstelligen schildert hij alles in dezelfde wit-, zwart- en grijstonen waardoor een vorm van continuïteit en gelijkheid ontstaat. Op deze manier krijgt een pijl bijvoorbeeld dezelfde waarde als een raam.

Zo worden meesterwerken van grootheden als René Magritte of Francisco de Zurbarán in een nieuw jasje gestoken. Maar wat levert het daadwerkelijk op? Dagelijks worden wij overladen door een gigantische hoeveelheid aan beelden. Bekende kunstwerken horen daar ook bij. Zijn die ‘absolute’ beelden, zoals Hendrix deze meesterwerken noemt, ontkracht van deze eigenschap? Krijgen zij in een nieuwe context een nieuwe betekenis? De presentatie in Schiedam betwist dit streven. In vorige presentaties zette Hendrix zijn panelen fysiek naast elkaar, om zo een dialoog op te zetten. Door beelden te combineren, botsen werkelijkheden en ontstaan er verbindingen naar een voor iedere toeschouwer andere waarheid. In Het Geheugentheater zijn de panelen afzonderlijk van elkaar gepresenteerd, met veel tussenruimte. Een dialoog wordt niet gestart, nieuwe betekenissen nauwelijks gecreëerd, het ‘absolute’ niet ontkracht maar juist in stand gehouden. Het bevragen van onze visuele overload en de waarde van deze beelden gebeurt niet. Wat betekent de tentoonstelling zonder deze pijlers?

Het oeuvre van Hendrix en deze presentatie roepen veel vragen op. En die blijven zich opstapelen. Zoals het gebruik van spiegels in de tentoonstellingszalen, een in iedere ruimte. Even groot als de werken moeten deze spiegels de presentatie in een andere dimensie plaatsen, de werken extra cachet geven, de ruimte vergroten. Daar ga je van uit. Wellicht zijn ze slecht gepositioneerd, is het licht niet optimaal, of de afstand te ver, maar al met al voegen deze spiegels niets toe en leiden ze af. De tentoonstelling doet zijn naam wel eer aan; ‘geheugentheater’ is de correcte benaming voor wat het publiek voorgeschoteld krijgt. De plaatjes voldoen eenvoudig aan wat wij reeds kennen en het opstellen van podia vervolledigt dit. Gemakzuchtig is het wel. Vernieuwend is het niet. En prikkelend al evenmin.

Kunst is alles wat de norm niet is. Dit citaat blijft in mijn gedachten ronddwalen. Hendrix bewijst met deze tentoonstelling dat zijn werk juist conformeert aan de norm, dat het stramien waartegen hij vecht ver te zoeken is. Willen rebelleren is een ding, er in slagen is een ander. Het Geheugentheater is een toneel der pretentie, een behoeftige en gemakzuchtige zet om wellicht het onmogelijke mogelijk te maken.

Laure-Anne Tillieux is redacteur bij Tubelight. Ze houdt van ontdekken, onderzoeken, schrijven en heeft een eigen blog genaamd Little artnecdotes.

Niek Hendrix, tentoonstellingsoverzicht Het Geheugentheater, De Ketelfactory Schiedam, 2017. Foto: Gert Jan van Rooij
Jaap van den Ende, BOOM, GEBLADERTE (INFORMELE SYSTEMEN), 2017. Courtesy Galerie de Zaal

De in Delft geboren en getogen kunstenaar Jaap van den Ende heeft inmiddels een omvangrijk oeuvre opgebouwd. Hij is ook al een ruime tijd bezig: vanaf de jaren zestig vormen wiskundige systemen en methodieken het uitgangspunt voor zijn abstracte schilderijen en tekeningen. Deze zijn opgenomen in een indrukwekkende rij (internationale) museale en particuliere collecties en vooral het werk dat hij tot mid-jaren negentig maakte is veel tentoongesteld. In galerie de Zaal in Delft, waar momenteel werk uit verschillende periodes van de afgelopen vijftig jaar wordt getoond, word ik verrast door de consistentie binnen zijn oeuvre, maar ook door de eigenzinnige richtingen die hij inslaat.

Opgegroeid in het kielzog van kunstenaars uit de Nul-beweging, zoals zijn bekende stadsgenoot Jan Schoonhoven, lijkt het misschien logisch dat Van den Ende abstractie als uitgangspunt koos. Toch heeft hij dat zelf nooit als een vanzelfsprekendheid gezien. Zo betekent het constructivisme veel voor hem, maar zijn er ook genoeg kunstenaars uit andere stromingen – van Caspar David Friedrich tot Max Beckmann of Jeff Wall – die hem inspireren. Wel noemt hij in het bijzonder een gesprek met Nul-kunstenaar Jan Henderikse uit de jaren zestig over diens fascinatie voor herhaling. Dit maakte iets wakker bij Van den Ende, die tot dan toe wel geïnteresseerd was in abstractie, maar nog niet wist hoe het een plek kon krijgen binnen zijn manier van werken. Vanaf dat moment wordt herhaling, in combinatie met transformatie, een belangrijk element in zijn werk.

De ‘tentoonstellingszaal’ van de galerie, een voormalige brouwerij, is indrukwekkend: hoge witte muren, een grenen vloer met veel karakter en bovenlicht achter in de zaal waardoor het daglicht ook daar naar binnen valt. Maar juist door die hoge muren is het ook een lastige ruimte, veel geschikter voor installaties dan voor het tonen van tweedimensionaal werk zoals bij Van den Ende het geval is. Toch ervaar ik het niet als vervelend dat er in deze tentoonstelling niets in de ruimte staat. Sterker nog, de leegte in het midden is misschien wel essentieel om de werken volledig tot hun recht te laten komen. Deze zijn in clusters opgehangen, waarbij vorm- en kleurverwantschappen en overeenkomsten in de door Van de Ende gebruikte systematiek als uitgangspunt zijn genomen. De bewust niet chronologisch indeling zorgt voor een dialoog tussen de oudere werken en zijn meest recente serie, waarin figuratie een belangrijke rol speelt. Zo ontstaat samenhang in de ruimte en blijven je ogen over de muren dwalen.

In Van den Ende’s meest recente serie – waar hij overigens al sinds de jaren negentig mee bezig is – combineert hij zeer realistisch nageschilderde taferelen, zoals een bloemstilleven of een landschap, met abstracte pendanten. De doeken zijn strak aan elkaar gemonteerd en vormen zodoende een geheel. Door het herhalen van vorm en kleur ontstaat ritme en lijken abstractie en figuratie soms in elkaar over te lopen. Van den Ende speelt daarbij met de figuratieve weergave. Ondanks dat de landschappen verwijzen naar een specifieke plek, locaties die de kunstenaar op foto vastlegt en naschildert, roepen ze een universeel en vertrouwd gevoel op. Iedereen heeft wel eens een soortgelijk landschap gezien. Dat een ‘rationele benadering’ – de ondertitel van zowel deze presentatie alsook twee voorafgaande tentoonstellingen rondom zijn werk – een rode draad door Van den Ende’s oeuvre is, staat buiten kijf. Toch zijn het de persoonlijke keuzes en subtiele nuances die deze recente serie bijzonder maken. Zo fotografeert hij bijvoorbeeld alleen landschappen die hem emotioneel raken en experimenteert hij met rondere en scherpere vormen binnen de abstracte pendanten.

Dat de sprong naar het gebruik van figuratie niet vanzelf is gegaan, wordt zichtbaar in de achterruimte van de galerie. Hier hangt een werk uit de jaren negentig waarin figuratieve en geometrische elementen op hetzelfde doek zijn verenigd. Het resultaat is eigenaardig, en opvallend onnauwkeurig in vergelijking met zowel zijn eerdere als latere werk. Tegelijkertijd toont het op prachtige wijze de zoektocht die soms nodig is om een stap verder te komen.

Ik moet denken aan ‘Oulipo’, een groep van Franse schrijvers en wiskundigen opgericht in 1960. Bij het schrijven legden zij zichzelf bepaalde voorwaarden of beperkingen op rondom het gebruik van woorden, letters, stijlen enzovoorts. Zo schreef Georges Perec La Disparition (1969), een roman rondom de verdwijning van de letter ‘e’, die dan ook geen een keer in het boek voorkomt. Deze regels dienden ter inspiratie en om het vakmanschap van de auteurs aan te scherpen. Op een soortgelijke manier dwingt Van den Ende zichzelf te blijven ontwikkelen, telkens zijn eigen systemen en regels aanscherpend en bijschavend, op zoek naar de urgentie van het beeld. Ik ben benieuwd naar de volgende stap die hij zet.

Deze recensie is onderdeel van de serie ‘In de periferie’, waarbij een specifieke stad of regio een langere tijd door een auteur onder de loep wordt genomen. Marjolein van de Ven recenseert de komende maanden tentoonstellingen en presentaties rondom hedendaagse kunst in Delft.

Marjolein van de Ven is een van de drijvende krachten achter de Kunstvlaai, werkt als freelance curator/schrijver en is redacteur van Tubelight.

Jaap van den Ende, Tentoonstellingsoverzicht Galerie de Zaal 2017. Courtesy Galerie de Zaal