De parodie en de werkelijkheid

—Lotte van Geijn, George Vermij
Still van The Square, Ruben Östlund, 2017

Als je de pers en bezoekcijfers moet geloven is Ruben Östlunds kunstwereldsatire The Square (2017) goed ontvangen bij het grote publiek. De film over een sullige Deense curator van een prestigieus Zweeds museum voor moderne en hedendaagse kunst geeft een weinig rooskleurig beeld van de kunstscene. Gaat het hier alleen om leedvermaak of is de parodie vooral stigmatiserend? George Vermij en Lotte van Geijn gaan in gesprek over deze film.

George Vermij: Ik moet bekennen dat ik wel fan ben van de droge en realistische stijl van regisseur Ruben Östlund. Hij gebruikt keer op keer dezelfde aanpak om sociale vraagstukken uit te lichten op een ongemakkelijke manier. Zo gaat zijn film Involuntary uit 2008 over conformistische impulsen die altijd aanwezig zijn bij mensen. Door een verzameling pijnlijk herkenbare situaties te verfilmen liet hij treffend zien hoe we ons laten leiden door groepsdruk. Met Turist (2014), waarin een man op skivakantie zijn vrouw en kinderen achterlaat tijdens een kunstmatig opgewekte lawine om zichzelf te redden, bevraagt Östlund wat mannelijkheid precies betekent in een tijd waarin er schijnbaar geen verschillen meer mogen zijn tussen de seksen. In zijn films, vol komische en herkenbare momenten van plaatsvervangende schaamte, richt hij de schijnwerper heel nauwkeurig op de zwakheden van het menselijk gedrag. Met The Square zet hij die lijn voort maar de film vervalt op bepaalde momenten helaas in een te clichématig portret van de kunstwereld. Vaak kom je zo’n soort stijl tegen in minder serieuze films die vooral komisch bedoeld zijn. Van Östlund verwacht je echter wel meer, als arthouse regisseur die voor The Square zelfs een Gouden Palm won op het Filmfestival van Cannes.

Lotte van Geijn: Ik vond de film erg vermakelijk en moest zelfs een paar keer hardop lachen, bijvoorbeeld om de scène waarin conservator Christian zijn speech oefent voor de spiegel in het chique toilet van het museum en hij een zogenaamde ‘spontane actie’ zorgvuldig voorbereidt. Dat overkomt me niet vaak bij het kijken van een film. Östlund toont ons een parodie op de kunstwereld, als een gemeenschap die zich niet anders gedraagt dan andere groepen, met roddels en ego’s die vooral zichzelf naar voren willen schuiven. Toch is het geschetste beeld van een kunstwereld die weinig connectie heeft met de buitenwereld wel erg kortzichtig.

GV: De scène in het toilet is inderdaad een sterk moment in de film en laat goed zien hoe Östlund te werk gaat. In een lang en strak shot wordt Christian als het ware ‘ontleed’. Als curator heeft hij een hoge status die vaak wordt gezien als pretentieus of elitair, maar in deze scène zie je dat Christian ook maar een mens is die zijn imago hoog probeert te houden. Toch vond ik dat hij (en daarbij generaliserend de curator) iets te veel als een onbenullige sul wordt neergezet en niet goed weet wat hij zegt of doet. Het geschetste beeld is problematisch in een tijd waarin de pers vooral uit lijkt te zijn op sensatie, en conflicten vaak op schandalige wijze uitlicht, zoals bij het ontslag van Beatrix Ruf van het Stedelijk Museum Amsterdam. De concurrentie tussen journalisten is tegenwoordig zo groot dat iedereen koste wat kost de scoop wil hebben. Gedegen onderzoeksjournalistiek is schaars geworden mijns inziens. In The Square wordt de hoofdpersoon uiteindelijk ‘opgeofferd’ omdat een pr-stunt, waar hij verantwoordelijk voor was, helemaal uit de hand loopt zonder dat hij daarvan op de hoogte is. Is, in de kwestie rond het Stedelijk Museum en het directeurschap van Ruf, Ruf ook opgeofferd? Het op sensationele manier uitlichten van problemen binnen de kunstsector helpt niet echt voor het negatieve beeld dat reeds aanwezig is bij een deel van de bevolking. Op een zelfde manier is de film van Östlund niet bevorderlijk voor het huidige debat. Ik vrees zelfs dat bepaalde mensen zullen denken: ‘zie je wel, het is net zoals in The Square!’

LvG: Dat is inderdaad problematisch. Vooral aangezien er veel clichés worden aangehaald die niet kloppen. Kijkend naar mijn ervaring in het veld is het team van medewerkers vaak een hechte groep die nauw samenwerkt. Dat contrasteert erg sterk met de hoofdrolspeler, die het logge systeem en de externe factoren helemaal niet onder controle heeft. Wat mij verder opvalt aan The Square is dat de kunstenaar de grote afwezige is. Indirect zegt het iets over de positie van de kunstenaar. Volgens mij zou je de bedelaars in de film kunnen zien als metafoor voor de kunstenaar in de huidige maatschappij. De bedelaars staan in schril contrast met een schijnbaar smetteloze en welvarende wereld, alsof ze buiten de boot zijn gevallen. De realiteit is echter ook zorgwekkend: afgelopen april waarschuwde de Raad voor Cultuur en de SER (Sociaal-Economische Raad) voor de ‘uitholling van de culturele en creatieve sector’. Ruim de helft van de Nederlandse kunstenaars verdient minder dan 10.000 euro per jaar. De introductie van een richtlijn voor kunstenaarshonoraria is een belangrijke en goede stap om de positie van kunstenaars te verbeteren. Het is te hopen dat het hier niet stopt.

GV: Östlund portretteert maar een kunstenaar in de hele film. Deze voert een brute performance op tijdens een chique diner voor vrienden en begunstigers van het museum. In eerste instantie lijkt het een grappige situatie: we zien chic geklede dames en heren geconcentreerd kijken naar de kunstenaar, een gespierde man met ontbloot bovenlijf terwijl hij wilde bewegingen maakt. Het wordt ongemakkelijk wanneer hij het publiek begint lastig te vallen en hij uiteindelijk zelfs een vrouw hardhandig van haar stoel sleurt. Niemand durft te reageren.

LvG: Dat de scène redelijk uit de hand loopt is heftig, maar niet realistisch. Als er door een breed publiek echt gedacht wordt dat een dergelijke performance in een museum kan gebeuren, dan zou ik die mythe graag in stand houden. Over het algemeen is de film op meerdere momenten spannend, toch gebeurt er nooit écht iets. Voor mij vertegenwoordigt dit de collectieve angst voor het onbekende die er in de huidige maatschappij heerst. Ook zitten er verscheidene surrealistische momenten in, zoals de scène waarin een echte aap in een kamer verschijnt en op de bank gaat zitten tekenen. Een karikatuur van de kunstenaar? Deze vervreemdende momenten maken dat ik het toch geen slechte film vind.

GV: Een ander incident in de film vond ik erg flauw. Een schoonmaker veegt een kunstwerk op met een schoonmaakmachine. Het is zo’n gebeurtenis die een paar keer is voorgekomen en vervolgens als cliché eindeloos terugkomt tijdens borrelpraat. Geen sterke of originele invalshoek van Östlund helaas, maar een makkelijke poging om moderne kunst te ridiculiseren. En dan is er nog een choquerende pr-stunt die niet goed uitpakt voor Christian en het museum. Twee gladde marketinggasten van een hip pr-bureau besluiten om een promotiefilmpje op YouTube te zetten waarin een klein meisje wordt opgeblazen. Het is natuurlijk een makkelijke manier om zoveel mogelijk reacties te willen uitlokken.

LvG: Die pr-stunt vind ik exemplarisch. Vooral hoe de media erop duikt als de curator een persconferentie erover geeft: er gebeurt iets in museumland. The Square gaat te veel over de kunstwereld zelf en te weinig over de wereld daarbuiten. De kunstenaar komt amper tot niet in beeld en de kunst zelf ook maar mondjesmaat. De film schetst een kortzichtig, clichématig beeld van het museum dat achter de feiten aan loopt, alsmaar verder op dezelfde voet.

Is de museumwereld niet juist de plek voor zelfreflectie en veranderingen? Het aangewezen platform voor dialoog? In het essay ‘Het geëmancipeerde museum’ bevraagt en onderzoekt Steven ten Thije (o.a. onderzoekconservator bij het Van Abbemuseum in Eindhoven) het belang van kunst en musea als onderdeel van de maatschappij en de politiek. Het bewustzijn en het reflecterende vermogen van de Nederlandse kunstmusea dat Ten Thije schetst is geen dankbaar materiaal voor een satire. Dat een film als The Square stigmatiseert is problematisch in een tijd waar het populisme en nationalisme ruimte krijgt. Door de huidige rechtse wind heeft het museum het imago van ‘symbool voor de beschaving’, zoals Ten Thije het mooi omschrijft, verloren en ten onrechte tot ‘een ongewenste kostenpost op de rijksbegroting’ gebombardeerd. Een goede satire biedt op humoristische wijze kritiek op de maatschappij. Maar de situatie die de Zweedse regisseur schetst, met de onbenullige curator Christian als hoofdrolspeler, voegt niet veel toe in het debat. Het is niet meer dan een slechte parodie op de kunstwereld die er in werkelijkheid toch echt heel anders uit ziet.

Lotte van Geijn (1985) behaalde een MA in fine art bij de HKU en is kunstcriticus en onderzoeker. Ze is oprichter van Artidae, een platform voor kunstkritiek met de focus op het publieke domein.

George Vermij (1977) studeerde kunstgeschiedenis en politicologie in Leiden. Hij schrijft over film en beeldende kunst voor onder andere Cine.nl, Metropolis M en Frameland.

Still van The Square, Ruben Östlund, 2017
Still van The Square, Ruben Östlund, 2017