Performance door Dick El Demasiado

Het discursieve programma viert hoogtij binnen de hedendaagse kunstsector: het aanbod van ‘verdiepende’ evenementen zoals film screenings, boekpresentaties, lezingen en debatten wordt steeds groter. Over de inhoud van deze evenementen, en de daadwerkelijke meerwaarde van de programma’s wordt echter weinig geschreven. Als onderdeel van de serie ‘Discursief geluister’ neemt Miriam van Ommeren de komende drie maanden een aantal (door haar zelf geselecteerde) evenementen onder de loep.

Deel 1: Over kunstenaarsinitiatieven


Het Haagse Quartair bestaat 25 jaar, geen geringe prestatie voor een uit de kraakscene afkomstig kunstenaarsinitiatief, en grijpt dit jubileum aan om een avond te organiseren over kunstenaarsinitiatieven. Ook worden deze avond twee nummers van Kunstlicht gelanceerd, het aan de Vrije Universiteit Amsterdam gelieerde tijdschrift over kunst, visuele cultuur en architectuur dat nóg ouder is dan Quartair (want opgericht in 1980). Het onderwerp van de avond: kunstenaarsinitiatieven sinds de jaren 80.

Er zijn meer belangstellenden dan stoelen in de grote, witte ruimte. Bovendien lijkt iedereen elkaar hier te kennen. De enige andere bezoeker die ik ken appt me dat hij wat later is, dus met de gebruikelijke ongemakkelijkheid van iemand die weliswaar op een missie is maar zich desondanks een vreemde eend in de bijt voelt, neem ik als eerste plaats op een van de lege stoelen, notitieboek op schoot om in ieder geval een houding aan te kunnen nemen.
Ik ga graag naar symposia en lezingen; ‘praatjes’. Ik vind het leuk om andere mensen te horen praten over iets waar ze verstand van hebben, nog leuker als dat een onderwerp is waar ik ook een beetje verstand van heb, of waar ik juist meer over zou willen weten. Maar het bespreken van een eenmalig event dat al plaats heeft gevonden is toch wat anders dan een recensie schrijven over een lopende tentoonstelling. (“Over voetbalwedstrijden hoor je dat argument nooit!” zegt kunstcriticus Joke de Wolf terecht, wanneer ik haar vertel over dit nieuwe plan. En inderdaad! Kunst kan ook een voetbalwedstrijd zijn, houd ik mezelf voor. Ik weet alleen bar weinig van voetbal dus daar moet ik dan nog wat aan doen.)

Quartair werd in 1992 opgericht in een gekraakt fabriekspand, de voormalige Haagsche Broodfabriek, aan de kalme Toussaintkade; sommige van de oorspronkelijke oprichters (en toenmalige krakers) zijn nu nog steeds lid. “Eigenlijk hadden we geen ambitie om een initiatief te beginnen, maar de benedenruimte van bijna 200 vierkante meter nodigde ons uit om tentoonstellingen te organiseren,” aldus mede-oprichter Pietertje van Splunter in Den Haag Centraal. Zo pragmatisch kan het dus gaan, en 25 jaar later is het er nog steeds.
Quartair geeft op de website aan tentoonstellingen, projecten en uitwisselingen met kunstenaars en kunstenaarsinitiatieven uit binnen- en buitenland te initiëren en begeleiden, bij voorkeur in samenwerking met andere (culturele) organisaties. Er wordt geen strikte artistieke lijn of programma gevolgd, waardoor altijd ingespeeld kan worden op actuele ontwikkelingen.

Het programma van de avond bestaat uit drie lezingen/presentaties en een panelgesprek; de voertaal is Engels. Organisator Angela Bartholomew (promovendus aan de VU en redacteur van Kunstlicht) trapt af met een presentatie waarin ze helder uitlegt wat het belang van kunstenaarsinitiatieven als Quartair is: ze bieden tegenwicht aan de (huidige) maatschappelijke obsessie met de economisering van kunst, en zorgen tevens voor “space and time to attempt and to fail”. Ook benoemt Bartholomew een aantal kenmerken van kunstenaarsinitiatieven die tevens van meerwaarde zijn voor de kunst die zij dienen: (relatieve) onafhankelijkheid, zelforganisatie, het uitdagen van het gevestigde denken. Gesneden koek voor de aanwezigen, gok ik, maar daarom is haar verhaal niet minder enthousiasmerend. En hoewel de premisse van de avond is een beeld te schetsen van kunstenaarsinitiatieven sinds de jaren 80, wordt al snel duidelijk dat ‘de autonomie van kunst’ het werkelijke thema is.

Autonomie, en daarmee gepaard gaande: geld. De bezuinigingsslag van het kabinet-Rutte I (2012) hangt als een donderwolk boven de avond. Zowel Bartholomew als de twee andere sprekers, Eva Fotiadi (docent UvA, Gerrit Rietveld academie) en Jack Segbars (beeldend kunstenaar, criticus, bestuurslid Platform BK), gaan uitgebreid in op de cultuurbezuinigingen van Halbe Zijlstra en de naschokken ervan, die vijf jaar later nog voelbaar zijn.

Fotiadi’s niet altijd even goed te volgen verhaal is in feite een voordracht van het artikel ‘From Autonomous to Generally Applicable Art’, dat ze schreef voor één van de twee nummers van Kunstlicht. In deze tekst gaat ze in op Nederlandse overheidsfinanciering van kunst en de ‘onderdrukking’ van de autonomie van kunst die daarmee gepaard gaat. Ik word geprikkeld door Fotiadi’s stelling dat er tijdens de bezuinigingsslag in 2012 (ja, daar gaan we weer) niet alleen op financieel gebied, maar ook in sociaal-maatschappelijk opzicht een dreun werd uitgedeeld aan de kunstensector. Immers: de protesten die gehoord werden kwamen voornamelijk vanuit de sector zelf: de Mars der Beschaving en die -in mijn ogen verschrikkelijk irritante- ‘Schreeuw om Cultuur’-campagne waar geen ontkomen aan was, waren initiatieven die door kunstenaars, muzikanten en instellingen zélf op poten werden gezet om Halbe Zijlstra’s dovemansoren een tegengeluid te bieden. Maar de doorsnee Nederlander, kwam die nou werkelijk in opstand tegen de grootschalige cultuurbezuinigingen? Niet volgens Fotiadi, en deze conclusie doet mij in gedachten afdwalen naar de cultuurbezuinigingen en de schade die ze hebben aangericht, en nog steeds aan het aanrichten zijn. En het smalle draagvlak dat cultuur nog steeds heeft in Nederland. Hier wil ik eigenlijk graag meer over horen.

Maar Fotiadi gaat in haar verhaal verder naar 2014 en het door Bussemaker geïnitieerde, en niet weinig bekritiseerde, The Art of Impact fonds, waarvoor zes landelijke cultuurfondsen een miljoen uit hun eigen budget ter beschikking stelden voor ‘kunstprojecten die impact maken op de samenleving’. Volgens Fotiadi was de totstandkoming en werkwijze van dat fonds een duidelijk voorbeeld van het opofferen van de autonomie van de kunst aan kwantificatie. Het hele proces van makers moest van tevoren al vast staan: wie doet wat, met wie, wat is het resultaat, en – uiteraard zeer belangrijk – wat is de (sociale) impact van dat resultaat? Jack Segbars haakt in zijn verhaal aan op Fotiadi’s voorbeeld van The Art of Impact en stelt zonder omwegen dat de autonomie van de kunsten hier op het spel stond, en nog steeds staat. Als illustratief voorbeeld noemt hij ook de perikelen van kunstcentrum De Appel, volgens hem eveneens een direct gevolg van “a regime of quantification”.

Hoe interessant de presentaties ook zijn, ik wacht zelf eigenlijk nog steeds op het grote verhaal over 30 jaar kunstenaarsinitiatieven. Anekdotes over de grillige jaren 80, toen alles kon en niets mocht; smeuïge verhalen over het laatste decennium waarin ‘autonoom’ niet alleen een adjectief was, maar bovenal een geuzennaam van linkse activistische bewegingen en groeperingen. Dat de autonomie van kunst alleen maar verder onder druk is komen te staan is inmiddels duidelijk, dus ik snak naar een inspirerend verhaal over een tijd, nog niet zo lang geleden, waarin dat misschien nog heel anders was.

Na de pauze (‘na de rust’) zijn er al wat stoelen leeg. Een deel van de bezoekers heeft de flesjes Jupiler mee naar buiten genomen en gaat daar net iets te hoorbaar met elkaar in gesprek. Ook aan de bar wordt nog gemompeld. Op het podium zitten nu de acht gasten die elk een kunstenaarsinitiatief vertegenwoordigen. De oudste gasten zijn in de zestig, gok ik, en de jongste zal halverwege de dertig zijn: een mooie dwarsdoorsnede van dertig jaar kunstenaarsinitiatieven. De kernvragen worden gepresenteerd: Wat kunnen kunstenaarsinitiatieven leren van het verleden? En wat is hun rol nu, in 2017? En dan begint elk van de gasten zich voor te stellen. Het is als een iets te fors uitgevallen orkest waarin de muzikanten van tevoren hebben afgesproken dat iedereen de gelegenheid krijgt tot een korte solo, maar hou het in godsnaam kort jongens, ok? Ok. Nee dus.

Het is een inschattingsfout die ik vaak zie bij panelgesprekken: er zijn teveel gasten, die vanzelfsprekend allemaal aan het woord willen komen, en er is teveel om te bespreken. Hierdoor verzuipt de discussie een beetje en begint het publiek op de stoel te schuiven. En dat is jammer, want met name de verhalen van oude rotten als Menno Grootveld (Rabotnik TV, 1982-1998), doorspekt met Amsterdamse bravoure, Brieke Drost (Hooghuis, 1985-2004 en Code Rood, sinds 2012), en de Groninger Hans Scholten (De Zaak, 1979-1990), illustreren de pioniersjaren van het kunstenaarsinitiatief en de periode direct erna. Je krijgt spontaan zin om zelf te gaan kraken. De jongere gasten als Maziar Affrassiabi van Rib (sinds 2015) en Clara Pallí Monguilod van 1646 (sinds 2004) spreiden vooral een nuchter pragmatisme tentoon: er wordt anno nu niet gekraakt, maar gebruik gemaakt van een broedplaatsenbeleid. Fondsenwerven vormt een wezenlijk onderdeel van het kunstenaarsinitiatief. En ja, het kan elk moment over zijn, en dan pak je je boeltje en ga je ergens anders overnieuw beginnen. Anno nu verwacht niemand de 25 jaar te kunnen volmaken.

De kernvragen worden niet concreet beantwoord, daar is helaas geen tijd meer voor. De avond zal eindigen met een optreden van de Eindhovense kunstenaar/muzikant Dick El Demasiado, maar ik moet een trein halen. Ik weet dat ik iets moois ga missen.
Ik weet nog niet hoe ik mijn aantekeningen moet omzetten in een verhaal dat anderen ook interessant vinden, met name anderen die niet op de avond waren. Ik vraag een vaak over voetbal schrijvende vriend om een goed voorbeeld van een wedstrijdverslag en lees op zijn aanraden over de verloren WK-finale in Johannesburg (2010), waarvoor Willem Vissers in 2011 de Hard Gras-prijs won. Toegegeven: het is best een mooi verhaal maar ik vraag me af of dit echt zoveel beter is dan het gemiddelde voetbalverslag, en heb prompt medelijden met mensen die voetbalverslagen lezen. En schrijven.

Het was een verwachtingsvolle avond. De eerste helft begon sterk maar kakte halverwege toch een beetje in: de presentaties dwaalden voor mijn gevoel te ver af van het hoofdthema. Na de pauze kwamen een paar van de nostalgische verhalen waar ik op hoopte, maar het panelgesprek kwam niet op gang. ‘Er werd te weinig overgespeeld,’ zou Willem Vissers schrijven.
Op naar de volgende luistersessie: Jonas Staal’s Uit de Kunst-lezing, 18 september, Openbare Bibliotheek Amsterdam.

De presentaties en het debat werden opgenomen door online radio Ja Ja Ja Nee Nee Nee en zijn terug te luisteren op SoundCloud.

Paneldiscussie met Hans Scholten, Menno Grootveld, Brieke Drost, Tineke Reijnders, Mike Rijnierse, Marjolein van de Ven, Clara Palli Monguilod en Maziar Afrassiabi
Lezing Angela M. Bartholomew

Voorheen audiovisueel

Britte Sloothaak
Aurélien Potier. IT USED TO BE SOMETHING ELSE, UNTIL IT WASN'T (2017). Graduation Show Gerrit Rietveld Academie 2017. Foto: Anne Lakeman. Courtesy: Aurélien Potier

De Gerrit Rietveld Academie heeft sinds de jaren 90 een afdeling VAV – moving image, gespecialiseerd in audiovisueel en bewegend beeld. Dit jaar studeerden 22 jonge talenten af aan deze afdeling met één of meerdere projecten. De afstudeerprojecten waren te bekijken tijdens de Graduation Show Gerrit Rietveld Academie, maar wie een overzicht verwachtte van de nieuwe generatie mediakunstenaars kwam bedrogen uit. Afgezien van negen projecten die werden getoond als projectie in het EYE filmmuseum, heeft het merendeel van de afgestudeerden een broertje dood aan disciplinair denken: de presentatie bevatte een scala aan kunstvormen, waaronder installaties, performances en schilderkunst, op verschillende plekken in het VAV-gebouw van de Rietveld. Van louter mediapresentaties was dus geen sprake, maar de opleiding bewijst zich met een aantal vrijgevochten studenten met potentie.

Een van de meest geslaagde presentaties is van de Deense kunstenaar Marie Larsen. Via een deur beland je in een slaapkamer gekleurd in ‘millennium roze’: het bed, bureau, de kast, stoel, boekenplanken en zelfs de lakens zijn geschilderd in dé modieuze kleur van deze tijd. Eén contrasterende kleur valt op: Larsen heeft een komkommer herhaaldelijk in gips gegoten en de fallische replica’s zijn in een lichtgroen geverfd.
Volgens een recent nummer van Vogue is millennium roze een mix van zalm, bloesem, bubblegum-roze en koraal. Roze, doorgaand geassocieerd met vrouwelijkheid, verwijfdheid en de blanke gemeenschap, heeft de afgelopen twee jaar een nieuwe betekenis gekregen. Met de tint millennium pink die we nu zien in de mode, vormgeving en sociale media, wordt de kleur toegeëigend als krachtsymbool door millennials: de generatie die op dit moment dealt met de gevolgen van de neoliberale samenleving. In Larsens slaapkamer lijken het onopgemaakte bed en de klinische uitstraling van het Ikea-meubilair de lege beloftes van deze generatie te verbeelden: hoge studieschulden, freelance werk, en nooit de financiële zekerheid om een huis te kunnen kopen. Tijdens een gesprek met Larsen toont zij zich bewust van haar vrouwelijke identiteit en bevoorrechte Scandinavische achtergrond. Door te kiezen voor onderwerpen die dicht bij haar staan, heeft ze een gearticuleerd kunstwerk gepresenteerd dat op heldere wijze, maar ook met humor en bekoring, actuele ideeën representeert.

Een ander voorbeeld binnen het scala aan kunstvormen dit jaar is de performance Work, School, Dance, Sleep van de jonge Franse kunstenaar Noé Cottencin. Het theaterachtige stuk ontvouwt zich rondom een klein houten meubel, in de vorm van een boogbrugje. De zes performers liggen op het meubelstuk of ijsberen er omheen. De locatie is een fabriek, waar zij uitrusten na een dag werken, vermoedelijk aan de academie. Ze bladeren door kranten en kunstboeken, bekende performancekunstenaars zoals Yvonne Rainer en Simone Forti komen ter sprake. De dunne scheidslijn tussen werk en privé en onderlinge relaties vormen de leidraad. Abrupt eindigt het spel: de karakters verlaten het podium, ze zijn klaar met rusten. In totaliteit mist het stuk wat volwassenheid: de Engelse uitspraak is niet altijd verstaanbaar en de dialogen zijn wat zelfreferentieel. Typisch Frans, zou je gekscherend kunnen stellen. Toch maakt de performance nieuwsgierig: muziek van The Stooges wisselt de tekst op frisse wijze af en Cottencin maakt voor het script aanvullend gebruik van zijn illustraties in stripverhaalformat. Het is de vermenging met popmuziek en striptekenen die bijblijft.

Helemaal aan de andere kant van het spectrum van performance staat de traditionele schilderkunst. En ook deze ontbreekt niet dankzij vijf schilderijen van Aurélien Potier, ook van Franse komaf. In oktober vorig jaar, een half jaar voor zijn afstuderen, besloot Potier te experimenteren met olieverf op doek. Een gedurfde keuze, met een verassend resultaat. De onderwerpen zijn op het doek gezet met een kleurenpalet dat een gevoeligheid voor sfeer verraadt (twee in donkerpaars, blauw en zwart; drie in grijs, wit, roze en bruin). De onderwerpen (een papegaai die je doordringend aankijkt, een gietijzeren hek en architectonische details van een klassiek gebouw) verwijzen naar inclusie en uitsluiting. Meest indrukwekkend is een zelfportret van de kunstenaar zittend in een stoel. Zijn handen en knieën zijn het centrale punt van aandacht: zijn gezicht valt buiten het kader. De roze nagellak vormt een subtiel detail. Potier voelt zich aangetrokken tot schilderkunst vanwege de concentratie, zorg en de hantering van de verf. Hij noemt dit involvement, die hij wellicht mist in de snelheid en het efemere karakter van nieuwe media.

Dat in deze projecten geen gebruik wordt gemaakt van mediakunst is hier uitgelicht, maar belangrijk is te beseffen dat het doorbreken van disciplines door academiestudenten niet nieuw is. Zwaarder weegt de manier waarop deze kunstenaars in zowel installatie, performance als schilderkunst de discussie over beeldvorming levendig houden, en hiermee een opleiding als VAV (niet voor niets ‘voorheen audiovisueel’) dwingen tot scherpe stellingname over wat mediakunst is binnen deze discussie.

Britte Sloothaak is kunsthistoricus en werkt als assistent curator bij het Stedelijk Museum Amsterdam.

Marie Larsen. CURVE YOUR ENTHUSIASM (2017). Graduation Show Gerrit Rietveld Academie 2017. Foto: Marie Larsen. Courtesy: Marie Larsen

Returning

Julia Steenhuisen, Sepp Eckenhaussen
Antonin Muntadas. ACTIVATING ARTIFACTS: ABOUT ACADEMIA (2017). Tentoonstellingsoverzicht De Appel 2017. Foto: Cassander Eeftinck Schattenkerk

Rond 2006 ontwikkelde men in de kunstwereld een aanhoudende interesse voor educatie, pedagogiek en kunstonderwijs. De educational turn, zoals de tendens genoemd wordt, bracht een omvangrijke reeks aan tentoonstellingen, publicaties, tijdelijke scholen en andersoortige curatoriële initiatieven voort. Een markant voorbeeld is Manifesta 6 (2006). Hiervoor wilden curatoren Mai Abu ElDahab, Anton Vidokle en Florian Waldvogel een tijdelijke school realiseren in de hoofdstad van Cyprus. Een conventionele biënnaletentoonstelling zou volgens hen niet krachtig genoeg zijn om te onderzoeken wat de rol is van kunst en onderwijs in een door marktwerking gedomineerde wereld – thema’s die de curatoren wilden aankaarten. Bovendien is juist onderwijs volgens de curatoren het beginpunt om alternatieve bewegingen op te richten, in antwoord op door globalisering ingegeven vraagstukken. Door politieke tegenwerkingen en etnische spanningen op het eiland is de biënnale twee maanden voor aanvang afgelast. Niettemin wordt het gezien als een cruciaal moment binnen de educational turn.

De term educational turn werd een staande uitdrukking door het e-flux artikel Turning (2008) door Irit Rogoff, curator, theoreticus en hoogleraar aan Goldsmiths University, Londen. Als een van de eersten stelde zij vast hoe in steeds meer curatoriële en artistieke praktijken educatieve paradigma’s werden aangegrepen. Belangrijke aanleidingen van deze initiatieven waren de wereldwijde financiële crisis in 2008 en de ondertekening van de Bolognaverklaring in 1999, waarin Europese standaardisering van het hoger onderwijs werd nagestreefd. Dit laatste verhoogde weliswaar de internationale mobiliteit, maar werd door velen vooral aangewezen als het startpunt van het verval van creatief onderwijs. In toenemende mate werden academies en universiteiten onderworpen aan marktwerking en schaalvergroting. Als gevolg daarvan werd het klaarstomen van het individu voor het verdere werkleven een belangrijker doel dan experimenteel onderwijs.
In antwoord hierop werden meerdere tijdelijke alternatieve educatieve projecten opgezet. Juist het snijvlak van kunst en onderwijs, zo betoogt Rogoff in Turning, is de plek waar een nieuwe, radicale gemeenschappelijke grond kan worden gecreëerd die kan leiden tot kleinschalige transformatie die ook buiten de kunstwereld reikt. Deze alternatieve kennisplatformen die het educatieve en artistieke met elkaar verbonden, werden vaak gemodelleerd op basis van filosofische teksten zoals De onwetende schoolmeester van Jacques Rancière en Paulo Freire’s Pedagogy of the Oppressed. Rogoffs artikel werd gevolgd door een hele reeks andere publicaties.
Meer dan een decennium later is het tijd voor een herevaluatie van de educational turn. Het trendy momentum in curatorenland is inmiddels voorbij. Tegelijkertijd zijn veel curatoriële praktijken nog steeds gericht op ‘educatie’, ‘bemiddeling’ en ‘alternatieve kennisproductie’. De nalatenschap van de educational turn heeft zowel potentie als problemen die op discursief niveau geëxpliciteerd en onderzocht moeten blijven worden, juist nu ze al een tijd gepraktiseerd zijn.

KAN HET KUNSTINSTITUUT KRITISCH EN PUBLIEK ZIJN?
Door vele initiatieven die tot de educational turn behoren werden de conventionele onderwijspraktijken de rug toegekeerd en de kunstwereld als geëmancipeerd educatief veld aangegrepen. Rechtvaardiging voor deze toe-eigening van onderwijspraktijken door de kunstwereld werd voornamelijk gevonden in het idee dat educatie een kritische functie moet hebben, maar deze in conventionele institutionele omgevingen vaak onvoldoende kan waarmaken. Men merkte niet geheel onterecht op dat kunst een kritische maatschappelijke functie zou moeten vervullen en nam op basis daarvan aan dat kunstinstellingen, in tegenstelling tot kennisinstituten, fungeren als plekken van kritische reflectie en alternatieve kennisproductie. Door het koesteren van institutionele solidariteit zou het kunstinstituut haar kritische en dus werkelijk publieke functie kunnen delen met de school, universiteit, of ander kennisinstituut. Echter is deze aanname dat het kunstinstituut wél kan fungeren als publiek instituut en plek van (zelf)kritische reflectie en kennisproductie discutabel. Hoe kunnen kunstinstellingen werkelijk het kritische publieke debat dienen nu zij, aangemoedigd door landelijke overheden, bezoekersaantallen en inkomsten steeds meer prioriteit geven en bovendien het zwaartepunt van hun inkomsten in toenemende mate leggen op private financiering? In andere woorden, hoe kan een neoliberale kunstwereld als kritische publieke arena functioneren?

De gevolgen van het neoliberale denken en handelen zijn overigens binnen de kunstwereld uitvoerig besproken. Kunstenaar en schrijver Hito Steyerl stelt in haar artikel Politics of Art: Contemporary Art and the Transition to Post-Democracy (2010) bijvoorbeeld dat we zijn aanbeland in een periode van ‘post-democratic globalization’, waarin democratie op zo’n manier in het gedrang is gekomen door kapitalisme, dat ook kunstinstituten hieraan geen tegenwicht kunnen bieden.[1] Sterker nog, kunstinstituten handelen duidelijk in lijn met de dominante structuren van de neoliberale samenleving. Socioloog en politiek wetenschapper Colin Crouch, die de term ‘postdemocratie’ introduceerde, stelt dat in Westerse samenlevingen de instituten uit de traditionele democratie nog steeds in gebruik zijn, maar steeds meer een lege huls zijn van wat zij oorspronkelijk beoogden. Het gevolg daarvan is dat de inspanning en wil om te innoveren zich verplaatst van de publieke arena naar kleinere en gesloten politiek-economische elites.[2] Binnen de context van de educational turn kan hetzelfde waargenomen worden: de elite staat het kunstinstituut toe om alternatieve politieke debatten te organiseren, maar dezelfde elite verhindert tegelijkertijd een betekenisvolle opvolging daarvan. Riskeert het kunstinstituut daarmee niet een symbolische ruimte te worden, die zich enkel schijnbaar engageert met de realiteit?
Tegelijkertijd en als gevolg van deze gecorrumpeerde positie van het kunstinstituut worden kunstenaars en curatoren steeds meer aangewezen als de dragers van ware transformatie. Niet langer van het instituut als geheel, maar van het individu wordt verwacht innovatieve, artistieke en radicale ideeën op aantrekkelijke wijze te verpakken om daarmee de gestelde ambities van de educational turn waar te maken. In lijn daarmee merkt Nora Sternfeld, curator en hoogleraar aan Aalto University in Helsinki en Kunsthochschule Kassel, op dat de educational turn eigenlijk niets nieuws beoogt: al sinds de late achttiende eeuw had het publieke kunstinstituut educatieve aspiraties, maar in tegenstelling tot de huidige situatie werd dit gedragen door een institutioneel apparaat waarvan de museumonderwijzer een belangrijk onderdeel uitmaakte.[3] Van daaruit kan worden gesteld dat spreken van een omwenteling niet alleen onjuist is, maar ook ongewenst. De kortstondige en soms grootschalige en spectaculaire projecten die we kennen uit de educational turn zijn het gevolg van de wederzijdse werking tussen het signaleren van de trend enerzijds, en de praktijk anderzijds, die vluchtig handelen tot gevolg heeft. De vraag is of dat niet onbedoeld een parallelle wereld van gebeurtenissen en projecten creëert die zijn losgezongen van daadwerkelijke actie en daarmee ten prooi valt aan ‘content capitalism’, waar het zich zo hard tegen probeert te verzetten.

DE EDUCATIONAL TURN NU?
Enerzijds lijkt de educational turn iets te hebben ingeboet aan populariteit. Anderzijds zijn er recentelijk genoeg voorbeelden te vinden van preoccupatie met onderwijs in de kritische regionen van de kunstwereld. Met de aanstelling van Niels Van Tomme als directeur sloeg De Appel vorig jaar een nieuwe weg in, die werd ingeluid met de tentoonstelling Activating Artifacts: About Academia van Antoni Muntadas. Muntadas stelde in zijn presentatie de neoliberalisering van het Amerikaanse kunstonderwijsapparaat ter discussie. In een eendaagse seminar in samenwerking met de Universiteit van Amsterdam werd gediscussieerd over verwante onderwerpen om het interactieve karakter, de lokale relevantie en de institutionele solidariteit van/rond de tentoonstelling te vergroten. Ondanks het feit dat De Appel onlangs koos voor een ‘nomadische’ werkwijze, waarmee het een wisselende omgeving verkiest boven een centrale positie en daarmee kansen zoekt om aansluiting te vinden bij bestaand debat, gebeurde dat gedurende dit project slechts mondjesmaat.

Door BAK, Utrecht, werd onderwijs onlangs op thematische wijze behandeld in twee tentoonstellingen. Deze dienden ter voorbereiding op het postacademische Institute for the Contemporary dat dit najaar opent. Learning Laboratories, de door Tom Holert samengestelde onderzoekstentoonstelling, gaf een overzicht van experimentele onderwijsvormen uit de vorige eeuw die een lichtend voorbeeld zouden kunnen zijn voor hedendaagse onderwijspraktijken. In het bijbehorende symposium werd de thematiek verder geactualiseerd. Deze contextualisering benadrukte de urgentie van de crisis in het onderwijs, maar het verhinderde tegelijkertijd concreet na te denken in de richting van nieuwe onderwijsvormen. In maart 2017 werd door Henk Slager To Seminar ontwikkeld. Deze tentoonstelling was bedoeld als activatie van de term ‘seminar’ zoals door Roland Barthes beschreven in 1974. Het bijkomende doel van de tentoonstelling was om onvoorziene gevolgen van de educational turn te overdenken. Hoewel de curator samenwerkte met verschillende groepen en het een grote hoeveelheid publieke momenten omarmde, was de tentoonstelling juist in zichzelf gekeerd. Wellicht dat het de gangbare methodieken van de educational turn zelf te zeer had geïnternaliseerd om daarop gelijktijdig te reflecteren.[4]

Ook in de internationale arena blijft de nalatenschap van de educational turn zichtbaar. De titel van documenta 14, Learning from Athens, is de banier waaronder het team van Adam Szymczyk in Athene en Kassel een kritische reflectie heeft opgetuigd op de kunstwerelden, op internationale relaties in een (post)koloniale, neoliberale wereld, en op de geschiedenis van documenta zelf. Deze editie van documenta definieert zich als plaats die de bezoeker in staat stelt door de bijna choreografische ervaring van het evenement (of anti-evenement) te reflecteren op dominante maatschappelijke structuren en de rollen die zij zelf en documenta daarin spelen. De toon van deze gehele choreografie wordt in het KulturBahnhof gezet, een in onbruik geraakt ondergronds station, dat functioneert als ‘a threshold, across which the notion of learning and education is found to be continuously and necessarily in flux’.[5] iQhiya’s Monday, een performanceinstallatie over een schoolklas die in opstand komt tegen zijn leraar en het ‘verborgen curriculum’ dat hij reproduceert is exemplarisch voor deze editie. In feite benadert documenta 14 in haar kritische houding de gehele ideologische structuren van kolonialisme, neoliberalisme en de kunstwereld als verborgen curriculum, als educatieve entiteit. Of documenta daadwerkelijk slaagt in de opzet om een ‘vlak landschap’ te creëren, is een veel bediscussieerde kwestie.[6] In deze discussie is echter weinig aandacht voor de manier waarop het door Rogoff en gelijken geïnitieerde discours centraal is komen te staan in bijna elke vorm van sociaalbewuste en kritische curatoriële praktijken.[7]

DE ERFENIS
Dat de hype rond de educational turn langzaamaan bekoeld is, wil niet zeggen dat de zelfkritische en/ of navelstaarderige praktijken die onder deze noemer opkwamen aan belang hebben ingeboet. Integendeel, het is met een kleine greep uit het brede scala aan voorbeelden al duidelijk dat de educational turn grote invloed heeft op huidige praktijken van het maken van en denken over tentoonstellingen – in de breedste zin van het woord.
Willen we begrijpen wat de hedendaagse kritische praktijken van sociaal cureren precies produceren aan waarden, kennis en affecten dan is het hoog tijd een stap terug te doen om de educational turn te heroverwegen. Hoe fungeert het kritisch discours als hype en wat zijn de effecten ervan? Hoe verhouden veranderlijke discursieve termen zich in ‘content capitalism’ tot de gewoonten van de alledag? Uit welke misschien al lang vergeten buzzwords komen de gewoontes van hedendaagse praktijken voort? Hoe veranderen de namen van deze praktijken? Welke hiërarchieën en structuren worden hierdoor aan de kaak gesteld of juist bevestigd? In het geval van de educational turn roept dit een aantal concrete vragen op. Is de kunstwereld de juiste plek voor het heruitvinden van educatie? En, is de curator-theoreticus wel de juiste persoon om zo’n centrale rol hierin te spelen? Wat is de staat van het publieke domein dat hier wordt omgetoverd tot deliberatief forum? Wat is het kritische of juist afstompende effect van institutionele solidariteit tussen kunstinstituten, academies en kennisinstituten? Is de focus op presentie die uitgaat van de educational turn in eerste instantie gericht op kritisch denken en inhoudelijke productie – op het saaie, het langzame, het feilbare – of veeleer op het vervullen van neoliberale standaarden – bezoekersaantallen, likes, samenwerkingsverbanden en fondsaanvragen? Kortom, zijn de woorden waarin we spreken over het linkse project van de esthetische opvoeding in zijn (post-)postmoderne vorm lege hulzen of gaat er nog geloofwaardigheid van uit? Pas wanneer er aandacht bestaat voor de educational turn als erfenis, dat wil zeggen: met afstand bekeken, kan een analyse van de huidige situatie en de potentie van hedendaagse praktijken worden gemaakt.

Sepp Eckenhaussen is student Kunstwetenschappen aan de UvA, redacteur van Simulacrum en lid van Commoning UvA.

Julia Steenhuisen is student Museumconservator aan de UvA en conservator in opleiding bij het Cobra Museum.

 

[1] Hito Steyerl, ‘Politics of Art: Contemporary Art and the Transition to Post-Democracy’, e-flux journal #21, december 2010.

[2] ‘Five minutes with Colin Crouch’, The London School of Politics and Economic Science, http://blogs.lse.ac.uk/politicsandpolicy/ five-minutes-with-colin-crouch/.

[3] Nora Sternfeld, ‘Unglamorous Tasks: What Can Education Learn from its Political Traditions?’, e-flux journal #14, maart 2010.

[4] Bij deze tentoonstelling verscheen een publicatie die uitkwam nadat deze uitgave te perse ging, en is daarom niet in deze bespreking opgenomen.

[5] http://www.documenta14.de/en/venues/21712/ former-underground-train-station-kulturbahnhof-

[6] Koen Kleijn benoemde documenta 14 in zijn positieve recensie voor De Groene Amsterdammer als ‘anti-evenement’ en ‘vlak landschap’, https://www. groene.nl/artikel/de-horizontale-wereld. Soortgelijke diagnoses met negatieve connotaties zijn ook gedaan. Zie bijvoorbeeld Hilde Bouma’s recensie voor Het Financieele Dagblad, https://fd.nl/ fd-persoonlijk/1207532/onrecht-verzameld.

[7] Irit Rogoff, ‘Turning’, e-flux journal #0, november 2008. Van deze impact getuigen vaak gehoorde kernwoorden in hedendaagse curatoriële praktijken, die terug te leiden zijn op Rogoffs ‘From Criticism to Critique to Criticality’, European Institute for Progressive Cultural Policies, januari 2003, http:// eipcp.net/transversal/0806/rogoff1/.

iQhiya. MONDAY (2017). Tentoonstellingsoverzicht KulturBahnhof, Kassel, documenta 14. Foto: Fred Dott

Vlag van compassie

Anoesjka Minnaard

Compassion: A Paradox in Art and Society van Jeroen Boomgaard, Rini Hurkmans en Judith Westerveld is een klein boek vol grote vragen: wat is de rol van kunst? Wat kan kunst doen in/voor de maatschappij? Het boek is onderdeel van de serie Making Public, waarin het domein en de betekenis van ‘het publiek’ worden onderzocht. In dit deel ligt de focus op compassie: hoe kan kunst ethische vraagstukken in de samenleving onder de aandacht brengen en kan kunst het publiek tot actie aanzetten? Als casestudy staat het kunstwerk Flag of Compassion (2002) van Rini Hurkmans centraal en de verschillende paradoxen die het werk enerzijds blootlegt, maar waar het anderzijds gebruik van maakt. De Flag of Compassion is een witte vlag met een gele golvende streep in het midden die door iedereen, thuis en in de publieke ruimte, kan worden ingezet om (het belang van) compassie uit te dragen.

Vlaggen worden over het algemeen gebruikt om je als groep van anderen te onderscheiden. Dergelijk onderscheiden is niet iets wat wordt geassocieerd met compassie, empathie of gelijkheid maar juist met verdeeldheid. De compassie die Hurkmans haar vlag toedicht is dan ook een paradox en een duidelijk voorbeeld van wat een kunstwerk bespreekbaar kan maken. De precieze betekenis van de vlag is afhankelijk van de gebruiker. Denk bijvoorbeeld aan de vluchtelingencrisis, waarbij de vlag evengoed kan worden ingezet om compassie voor vluchtelingen op te roepen als ter afbakening van het ‘eigen volk’. Hierdoor zorgt de vlag, onafhankelijk van iemands positie binnen een dergelijke discussie, voor ontmoetingen tussen mensen en voor dialoog in de publieke ruimte. Door het gebruik van de vlag blijft compassie dus niet slechts een sympathiek voornemen, maar wordt het actief. In het boek merkt de Amerikaanse filosofe Susan Neiman, met betrekking tot dit actief worden van compassie, ook een onderscheid op tussen tolerantie en compassie. Tolerantie beschrijft zij als een negatieve waarde waarbij men tolereert wat niet veranderd kan worden. Daarmee blijft tolerantie, in tegenstelling tot compassie, per definitie passief.

De bespreking van de Flag of Compassion legt ook een andere belangrijke paradox bloot, namelijk de relatie tussen kunst en maatschappij. In het boek wordt meermaals opgemerkt dat de samenleving enerzijds hoge verwachtingen heeft van kunst en van wat kunst teweeg kan en moet brengen. Anderzijds wordt kunst verbannen naar een eigen, afgesloten ruimte die in zekere zin buiten de maatschappij valt – alsof kunst wel én geen deel van de samenleving uitmaakt. Boomgaard legt uit dat verwacht wordt van kunst dat het bijdraagt aan een andere en betere maatschappij door de gebruikelijke gewoonten en ervaringen van een publiek op te schudden. Maar, de plaats die de maatschappij kunst toewijst en de context die de inhoud ervan mede bepaalt (musea, instellingen) conformeren zich veelal aan bestaande en gevestigde machtsstructuren. Hoe kan kunst dan deze rol vervullen zonder te worden gereduceerd tot ofwel neerbuigendheid, ofwel onderdanigheid jegens het bestaande systeem? Daarnaast heeft kunst vaak last van de constatering, ‘o, dus het is kunst’. Vanuit dit kader wordt al gauw gedacht, ‘dan zal het wel ingewikkeld zijn’. Wat betreft de centrale vraag in het boek – wat is de rol van kunst in/voor de maatschappij? – leggen de verschillende teksten elk op hun eigen manier de vinger op een van de vele zere plekken.

Naast de rol van kunst in de maatschappij, gaan meerdere auteurs ook in op de vraag hoe het gesprek en de discussie hierover worden aangepakt. In veel van dit soort debatten wordt kunst tot op zekere hoogte slechts een instrument waarmee een theoretisch idee wordt beargumenteerd, of wordt het juist een bewijs achteraf ter ondersteuning van een concept of theorie. Compassion poogt hierin een middenweg te vinden door het presenteren van verschillende soorten teksten in één boek: interviews, theoretische benaderingen en besprekingen van voorbeelden uit de praktijk.

Deze aanpak – waarbij theorie en praktijk worden afgewisseld, naast elkaar worden gebruikt en soms in zijn geheel worden vermeden – is niet gelijk geslaagd te noemen. Een tekst, in welke vorm dan ook, is altijd selectief en krijgt de vorm die de auteur aan zijn bijdrage wil geven. Compassion blijft daardoor een ingewikkeld spel van theorieën, concepten en praktijk. Desalniettemin resulteert deze publicatie in een veelzijdige mengeling van teksten en inzichten. Het biedt niet alleen een frisse kijk op wat kunst kan doen in de maatschappij, maar ook op wat het gesprek over kunst, en hoe we dit gesprek voeren, kan betekenen. Feit is dat niet alleen het kunstwerk Flag of Compassion, maar ook het boek stimuleert tot nadenken, reflecteren, en het ontwikkelen van (eigen) definities.

Compassion: A Paradox in Art and Society
Jeroen Boomgaard, Rini Hurkmans, Judith Westerveld (red.)
Valiz, Amsterdam 2017
ISBN 9789492095299

4 juni 2012, St. James Park, Londen: tijdens de diamanten viering van Koningin Elizabeth II wordt de Flag of Compassion getoond door de familie Thibaut © Unda Foundation

Mijn vlakke land

Menno Dudok van Heel
Eric Giraudet de Boudemange, ILLUSIONS OF THE FRISIAN LANDSCAPE, 2015, 5 houten polsstokken. Collectie Fries Museum, Leeuwarden

Lopend door het Friese landschap ontdekte de Franse kunstenaar Eric Giraudet de Boudemange een aantal kenmerken die deze streek en haar bewoners verbindt. In een vierjarig project dat begon met het videowerk An Essay on Dutch Landscape (2013) en later een residency bij Kunsthuis SYB onderzocht hij het historische en tegenwoordige motief van dit vlakke land met zijn uitgestrekte weilanden dat door een netwerk van sloten en vaarten wordt doorsneden. Voor de huidige tentoonstelling heeft de kunstenaar met curator Judith Spijksma verschillende verhalen uitgestippeld die geënt zijn op bezoeken aan de provincie en Giraudet de Boudemange’s kennismaking met haar inwoners. Bij Kunsthuis SYB creëerde hij een serie polsstokken die het Fries Museum aankocht en nu als onderdeel van de installatie getoond worden.

De tentoonstelling bestaat uit verschillende elementen. Een netwerk van grafische vormen op de vloer beeldt beweging door het Friese landschap op abstracte wijze uit. In verschillende patronen zwart, geel, blauw en groen wordt de weg van de kunstenaar – en nu ook de bezoeker – uitgetekend. Dit ritme van vorm en kleur wordt driedimensionaal in een structuur van bogen en curven die loskomen van de museumvloer. Met kleurrijke buisframes in hyperbolische vormen doet Giraudet de Boudemange de grafische vormen van de vloer opstijgen. De uiteinden van de buisframes zijn afgewerkt met dopjes van plastic flessen. Een opengeknipt melkpak fungeert als sokkel voor een siliconenrubberen afgietsel van een hand. Hier wordt je een letterlijke handreiking gedaan naar de spreekwoordelijke hand van de kunstenaar: je ziet een exacte reproductie van de realiteit maar door het materiaal en de situering is het zo nep als maar zijn kan.

Hetzelfde geldt voor tal van situaties waar het abstracte lijnenspel met de organische vormen van afgietsels van het lichaam van de kunstenaar wordt gecombineerd. Als lekke ballonnen liggen de levensechte kopieën van Giraudet de Boudemange op de grond, hangen over de buisframes heen of kijken je hangend aan de muur aan. De zichtlijnen in de installatie confronteren je daardoor keer op keer met zijn fysieke aanwezigheid in het verder abstract weergegeven landschap.

Een minder sterk aspect van de installatie zijn elektronische lokvogels die gemutileerd of samengesmolten door een kleiachtige groene substantie een continu gekwetter teweeg brengen. Waar de kunstenaar zichzelf en zijn onderzoek zo helder uiteenzet, ligt deze toevoeging te dicht bij de realiteit. De flessen en melkpakken zorgen daarentegen juist wel voor een harmonisch geheel met de abstractie van de installatie doordat deze kleine details pas in tweede instantie op je inwerken.

Naast de ruimtelijke kunstwerken zijn er videowerken te zien die de studie naar verschillende historische transities van het landschap als onderwerp nemen. Van de film Friesche Lusthof (2017) heeft Giraudet de Boudemange de titel ontleend aan een bekende zeventiende- eeuwse dichtbundel van Jan Jansz. De teksten van Jansz worden voorgedragen, waarbij het moderne stemgeluid contrasteert met het oude Nederlands. In een droomachtige montage van found footage, videocollage en 3d-animatie komt een stroom van beelden voorbij die de ongelofelijke kloof tussen het Friesche Lusthof van Jan Jansz en de 21ste eeuw laat zien: de geperfectioneerde melkvee-industrie, het waterbeheer van de lage landen en de oude gebruiken die standhielden zoals zoeken naar kievietseieren en fierljeppen. Ze bestaan nog steeds naast elkaar.

Dat laatste komt naar voren in een ander videowerk, Mesure du Paysage (2015), waar de strijd tegen het water tot sport verheven is. Althans: de manier om mobiliteit te behouden. Een mooie metafoor is de lengte van het zwaard die eeuwen geleden bepaalde wie er overwon. Het wapentuig verwerd vanwege de sloten tot een middel om deze te overbruggen: de geboorte van het fierljeppen. Oane en Ysbrand Galama – beiden fierljeppers op hoog niveau – leerden Giraudet de Boudemange de kneepjes van het vak. De publicatie Illusies van het Friese landschap die hij in samenwerking met het nomadisch kunstinitiatief Festival of Sports maakte, onderstreept de vriendschap met de broers Galama die belangrijke gidsen voor hem zijn geweest.

Het derde videowerk When I Heard the Learn’d Astronomer (2017) verbindt astronomie en het landschap met de metende mens maar ook met de kieviet die het Friese platteland als habitat heeft. Deze vogels navigeren aan de hand van magnetische velden, afhankelijk van de stand van de aarde ten opzichte van de maan. Een voice-over draagt het gelijknamige gedicht van Walt Whitman voor, waarin de hoofdpersoon de wetenschap uiteindelijk de rug toekeert en zich tot de hemel richt: ‘[He] look’d up in perfect silence at the stars.’ Hier wordt ook voor mij de beleving van een wijds landschap steeds sterker zichtbaar. Door je naar de hemel te richten wordt je plaats in het landschap duidelijk. Giraudet de Boudemange heeft in het Fries museum een scala van perspectieven samengebracht die onze blik op het landschap verklaren. Daarmee opent hij de ogen voor zowel haar inwoners als bezoekers.

Eric Giraudet de Boudemange, tentoonstellingsoverzicht ERIC GIRAUDET DE BOUDEMANGE: THE STORY OF WATER, MILK, AND PEEWIT EGGS, Fries Museum, 2017. Foto: Eric Giraudet de Boudemange & Marieke Balk
Eric Giraudet de Boudemange, tentoonstellingsdetail ERIC GIRAUDET DE BOUDEMANGE: THE STORY OF WATER, MILK, AND PEEWIT EGGS, Fries Museum, 2017. Foto: Eric Giraudet de Boudemange & Marieke Balk
Eric Giraudet de Boudemange, tentoonstellingsdetail ERIC GIRAUDET DE BOUDEMANGE: THE STORY OF WATER, MILK, AND PEEWIT EGGS, Fries Museum, 2017. Foto: Eric Giraudet de Boudemange & Marieke Balk
Joeri Woudstra, Tentoonstellingsoverzicht Kunstfort bij Vijfhuizen 2017 © Kunstfort bij Vijfhuizen, Foto: Elise Borsboom

Als ik de zilver-kleurige loods van het Kunstfort bij Vijfhuizen betreed word ik begroet door een grote glanzende afbeelding van een flitsende motorcoureur die op de grond ligt. Bij de foto ligt een verwelkt bosje bloemen, als bij een graf. De eerste solotentoonstelling van Joeri Woudstra (1993), Millennial Gravestone Quotes, is een onderzoek naar de constante staat van nostalgie waar millennials volgens Woudstra in verkeren. Woudstra studeerde in 2016 af bij de afdeling grafische vormgeving aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag, maar net als veel van zijn generatiegenoten kennen zijn werkzaamheden geen vaste vorm. Hij is zowel grafisch ontwerper als beeldend kunstenaar, DJ, fotograaf, webdesigner, muzikant en artdirector. Op de website van het Kunstfort bij Vijfhuizen wordt Woudstra omschreven als karakteristieke millennial.

Millennials, ook wel generatie Y genoemd, worden aangeduid als personen die tussen 1980 en 2000 zijn geboren. In de media wordt de millennial vaak gegeneraliseerd en neergezet als narcistisch, egoïstisch, lui, weinig kritisch en vaak niet politiek geëngageerd. Een deel van deze generatie heeft het begin van de digitale revolutie meegemaakt: de eerste mobiele telefoon, pixelige Windows screensavers, de Backstreet Boys, MSN messenger, flippo’s en het geluid van inbellen via een modem voor verbinding met het internet. De rest van de millennials kent geen wereld zonder internet en is opgegroeid met een oneindige stroom aan informatie en beelden. Deze groep vormt het uitgangspunt voor het werk van Woudstra.
Woudstra’s videowerk Cilinders of Puberty (2017) neemt de kijker terug naar vroege herinneringen en roept zintuiglijke sensaties op: de overweldigende geur van chloor, het gevoel van zwembadwater in je neus, oren en ogen en rennen over de spekgladde tegels. In de video is een stel benen en voeten onderweg in een oneindige waterglijbaan. Op sommige momenten is het pikdonker, in andere glijden de ledematen door hypnotiserende lichtpatronen. Het blijkt een compilatie van beelden van meerdere waterglijbanen, vermoedelijk recent door Woudstra zelf gefilmd. Het werk wordt getoond op een gebogen televisiescherm, typisch een trend van ongeveer drie jaar geleden, inmiddels alweer uit de schappen verdwenen.                                    

Verspreid door de tentoonstelling liggen opvallend veel verwelkte bloemen. Tussen twee grafsteen-vormige plexiglas platen zijn bedrukte t-shirts en bloemen ingeklemd. Twee shirts bevatten de afbeelding van een pinautomaat, de een van een oud model waar de pinpas nog doorheen gehaald moet worden, de ander van een nieuw model waarbij contactloos betaald kan worden. De eerste is enorm gedateerd, wie pint er tegenwoordig niet contactloos? Woudstra raakt hiermee het nostalgische gevoel dat voortkomt uit snelle technologische vooruitgang, waarbij objecten en handelingen in een rap tempo vervangen worden door een nieuwe versie. Denk bijvoorbeeld aan je eerste mobiele telefoon en de tedere herinneringen die je daaraan koestert. Inmiddels lijkt een prepaid toestel uit 2000 bijna prehistorisch wanneer je deze vergelijkt met de nieuwste smartphone. De bloemen dienen als dubbele metafoor. Aan de ene kant benadrukken ze eenzelfde korte levensduur als de producten: niet lang geleden waren de bloemen ook nieuw en stonden ze in bloei, nu zijn ze oud en verwelkt. Daarnaast zet Woudstra de bloemen in om de technologische producten die onze generatie kenmerken te ‘herdenken’. In combinatie met de grafstenen vormen de bloemen een visueel samenhangend geheel in de ruimte.

Het begrip nostalgie, dat centraal staat in Woudstra’s werk, komt uit het Grieks. Nostos betekent terugkeer en Agos staat voor droefheid, lijden en pijn. Het uit zich vaak in heimwee naar iets uit het verleden. Mogelijk ben ik zelf een schoolvoorbeeld van ‘millennial nostalgia’: ik beheer een instagram account met celebrity-fashion uit de jaren 90, kocht onlangs een FILA shirt en luister af en toe nog naar het eerste album van Britney Spears. Veel commerciële bedrijven spelen in op de nostalgische gevoelens van de millennials door het gebruik van een specifieke beeldtaal. Woudstra maakt ook gebruik van deze beeldtaal. Enerzijds lijkt hij – zich conformerend aan de stereotypering van de onkritische millennial – geen kritisch standpunt in te nemen tegenover deze met commercie doordrenkte beeldtaal, maar het juist te accepteren als een onveranderlijk gegeven in de huidige maatschappij. Anderzijds heeft hij bijna geen andere keuze dan zich de beeldtaal eigen te maken om de nostalgische emoties die hij aan de kaak stelt te reconstrueren.

Woudstra’s werk bevat talloze tegenstrijdigheden, waarbij de inhoud vaak emotioneel en persoonlijk is, terwijl het werk is vormgegeven in commerciële beeldtaal. Deze ambivalente elementen vormen de kracht van de tentoonstelling in het Kunstfort. Voor de bezoeker geboren in de jaren 80 of 90 is het visueel gezien een feest der herkenning, tegelijkertijd ligt de confrontatie op de loer en slaagt Woudstra erin de bezoeker een spiegel voor te houden. Zo werd ik mij bewust van het feit dat meerdere gekoesterde herinneringen aan mijn jeugd deels gebaseerd zijn op commerciële producten. Millennial Gravestone Quotes is een monument van onze huidige tijd, gekenmerkt door de talloze technologische producten.

Manique Hendricks is kunsthistoricus en werkt voor Cinekid als programmamaker Digitale Cultuur.

Joeri Woudstra, Tentoonstellingsoverzicht Kunstfort bij Vijfhuizen 2017 © Kunstfort bij Vijfhuizen, Foto: Elise Borsboom
Avant Tout, Discipline: New and recent work by Revital Cohen & Tuur van Balen, MU 2017 © Boudewijn Bollmann

Sinds kledingfabriek Rana Plaza in Bangladesh in 2013 instortte, groeit in het Westen langzaam de bewustwording van de slechte arbeidsomstandigheden in de kledingindustrie. En niet alleen wat betreft kleding zijn we steeds kritischer, ook ons voedsel is bij voorkeur dier- en milieuvriendelijk geproduceerd. We willen pure, ambachtelijke producten, én we willen precies weten waar ze vandaan komen. Het is daarom opmerkelijk dat zulke eisen op het gebied van de elektronica die we dagelijks gebruiken grotendeels afwezig zijn. Terwijl de grote spelers in de markt in hoog tempo nieuwe smartphones en laptops ontwikkelen, blijft onduidelijk waar de grondstoffen voor de droom van innovatie eigenlijk gewonnen worden. Welke materialen stillen onze honger naar gigabytes? En hoe verhoudt de cloud zich tot de aarde?

Met Avant Tout, Discipline bij MU in Eindhoven verkennen kunstenaars Revital Cohen en Tuur van Balen de route waarlangs kostbare mineralen, afkomstig uit mijnen in onder meer het door conflict getergde Congo, zijn verbonden met de technologische massa-industrie in China en miljoenen consumenten over de hele wereld. De distributie van grondstoffen, materialen en producten kent een gedisciplineerd ritme van delven, produceren en consumeren. ‘Discipline Voor Alles’, een slogan die de kunstenaars vonden op de wand van een kantoor van Congo’s geheime dienst.

Cohen en Van Balens nieuwste film Trapped in the Dream of the Other (2017) vormt de registratie van een performance waarvoor het duo in een Chinese fabriek speciaal vuurwerk liet maken. Zij verscheepten dit vervolgens naar Congo om het op afstand af te steken in een van de vele mijnen in het land. De wijze waarop de video is gefilmd geeft de toeschouwer het gevoel als schutter door het virtuele landschap van een schietspel te lopen. Hier en daar werken mannen hard om het gewilde mineraal coltan uit de rotsen te hakken. Op de achtergrond klinkt de echo van een mekkerende geit en dan het blikkerige geratel van een mobiele telefoon die storing veroorzaakt in de buurt van geluidsapparatuur. Het geheel is onheilspellend en verwarrend; een al te realistische game in een gebied waar conflict en geweld altijd dreigen.

Het vuurwerk dat Cohen en Van Balen afsteken, geeft het monotone rotsachtige landschap van de Congolese mijnen echter ook onverwacht iets dromerigs. Oorlogsgebied en droomlandschap mengen zich tot een plek waar knetterende gouden glitterbommen zachte pasteltinten verspreiden. Lichtroze en blauwe wolken trekken op tussen de harde bruine stenen. Het is alsof er een rookgordijn voor de werkelijkheid wordt opgetrokken, symbolisch voor de wijze waarop populaire elektronica moeiteloos de bloederige arbeid verhullen die in hun binnenste verborgen ligt.

Het is opvallend hoe ver dit landschap van ruwe metalen en zware arbeid af lijkt te staan van de gelikte elektronica die worden gemaakt met de zwaar bevochten grondstoffen. In Dissolution (I know nothing) (2016), de tweede film in de tentoonstelling, werken de kunstenaars deze tegenstelling op intrigerende wijze verder uit. Door middel van twee schermen worden in een collage van beeldmateriaal gefragmenteerde verbindingen gelegd: tussen de mineralen uit Congo en de Chinese fabriek waar ze verwerkt worden in game consoles; tussen productie en consumptie; tussen persoonlijke verhalen en een koloniaal verleden. Met deze beelden, die even mysterieus als confronterend zijn, spinnen Cohen en Van Balen een geraffineerd web van realiteit en fictie dat steeds complexer en verstikkender wordt.

De zorgvuldigheid waarmee de verschillende werken in dit web met elkaar verweven zijn komt verder tot uiting in D/AlCuNdAu (2015), waarin de Congolese mineralen op bijzondere wijze tastbaar worden in de tentoonstellingsruimte. Verspreid over de grond liggen kleine brokken metaalerts omringd door de voorwerpen waaruit zij zijn verkregen: printplaat, metalen ringen en plaatjes. Het zijn onderdelen van harde schijven afkomstig uit een datacentrum in IJsland. Door het koude klimaat, dat de kosten van het koelen van de benodigde hardware zeer laag houdt, is het land steeds meer in trek als fysieke standplaats van de cloud. Als moderne alchemisten wonnen Cohen en Van Balen de metalen uit deze schijven en brachten ze terug in hun minerale vorm. Het resultaat is een merkwaardig kunstmatig erts bestaande uit Aluminium (Al), Koper (Cu), Neodymium (Nd), Goud (Au) en IJslandse lavasteen, tevoorschijn gekomen uit een complex geopolitiek landschap.

Met deze strategie van omkering weten Cohen en Van Balen in Avant Tout, Discipline op verrassende wijze de relaties bloot te leggen die schuilgaan achter de elektronica die zo bepalend is in ons dagelijks leven. Het contrast tussen de abstracte uitvoering en de ruwe werkelijkheid is daarbij soms zo scherp dat het vervreemdend werkt. Maar juist daar waar de realiteit zich mengt met het virtuele en de technologische droom plots een nachtmerrie blijkt, worden op indrukwekkende wijze de vele manieren zichtbaar waarop onze elektronica ons zowel online als offline met elkaar verbindt.

Coltan is een metaalerts waaruit de elementen niobium en tantalum worden geëxtraheerd. Tantalum wordt gebruikt in vrijwel elk elektronisch product en het grootste deel van de wereldvoorziening komt uit Oost-Congo – een regio gevangen in een spiraal van conflict en geweld. Hoewel het mineraal niet de oorzaak van het conflict is, speelt de mijnbouw en handel een centrale rol in de financiering van de strijdende partijen.

Merle Smeets is redacteur bij Tubelight.

Avant Tout, Discipline: New and recent work by Revital Cohen & Tuur van Balen, MU 2017 © Boudewijn Bollmann
Sven Fritz, CRESTA, 2017. Courtesy Lustwarande. Foto: Gert Jan van Rooij

In het centrum van het park De Oude Warande fungeert Bar Grotto als oriëntatiepunt van en naar tien verborgen sculpturen. Het barokke ontwerp van het park met zijn doolhofachtige paden stamt uit de vroeg achttiende eeuw, aangelegd door prins Wilhelm III. De naam is afgeleid van het Franse ‘varenne’; jacht of lustbos. Dat het park sinds 2000 geregeld gebruikt wordt voor sculptuurpresentaties past in de traditie van dit type tuin. Ook de vijver en de grot sluiten hier mooi bij aan. De laatste is in 2009 ontworpen door de uit Melbourne afkomstige Callum Morton. De strak glazen ombouw reflecteert het glad gemaaide gazon en terras – een contrast met het grilligere bos.
De sculpturen zijn in opdracht gemaakt voor de tentoonstelling Disruption – Remapping Nature, georganiseerd door Lustwarande. Kunstenaars uit zes verschillende landen hebben zich ieder een gedeelte van het park toegeëigend in een zoektocht naar een herdefiniëring van het begrip natuur in relatie tot cultuur. Natuur is in het oeuvre van alle kunstenaars een belangrijke factor. Door de werken in een bosrijke omgeving te presenteren vloeien de twee begrippen in elkaar over en zijn ze vaak nauwelijks van elkaar te onderscheiden.

Natuur als thema in de beeldende kunst is op zich niet vernieuwend, als wel zeer actueel. De stof die Donald Trump doet opwaaien met betrekking tot klimatologische kwesties is hiervan een recent voorbeeld. Maar ook de trend om zo bewust en groen mogelijk te leven is een ontwikkeling die de laatste paar jaar enorm aan populariteit heeft gewonnen. Zelfredzaamheid, duurzaamheid en milieuvriendelijkheid zijn veelgebruikte termen. Een alsmaar groeiende groep mensen is gaan inzien dat als we zo doorgaan, we een graf graven voor ons eigen bestaan. De natuur is niet onuitputtelijk en zeker niet altijd voorspelbaar en naar onze hand te zetten.
Dit besef begon met wetenschappers en andere grote denkers zoals filosoof-socioloog Bruno Latour. Volgens hem leeft de mens niet op de aarde maar in de aarde. Natuur en cultuur zijn nooit volledig van elkaar gescheiden en dus onlosmakelijk met elkaar verbonden. De mens is de belangrijkste kracht die de aarde vormgeeft: wildgroei wordt ingeperkt, landschap vormgegeven, chemisch afval gestort, diersoorten uitgeroeid. Hiermee zijn we in een nieuw tijdperk aangeland: van het Holoceen in het Antropoceen, van het tijdperk van de aarde naar het tijdperk van de mens.

De titel van de tentoonstelling zegt het al: de kunstenaars hebben de relatie tussen mens en natuur en daarmee het Antropoceen-vraagstuk onder de loep genomen. Alle sculpturen tonen de pure of bewerkte natuur in romantische of vergankelijke staat, wel of niet in relatie tot de mens, maar Maarten Vanden Eynde is de enige die de mens letterlijk verbeeldt. Bijna te letterlijk. Met Last Human, een skelet met een met computeronderdelen bezette schedel, verwijst hij naar het toekomstige verleden. Wellicht representeert dit de laatste mens doordat kunstmatige intelligentie zich door ontwikkelt en het onderscheid tussen mens en robot kleiner wordt.

Niet de mens maar de natuur wordt bedreigd in de sculptuur van Henrik Håkansson. Met Fundament (Insect Societies #002) stelt de Zweedse kunstenaar de kwetsbaarheid van de natuur centraal door de slechte gesteldheid van bijen als uitgangspunt te nemen – iets waar de mens de oorzaak van is en uiteindelijk ook de consequenties van zal ondervinden. Ze kunnen tijdelijk vertoeven in de gaatjes van zijn houten balk, strak omlijst met een stalen frame. De vergankelijkheid van de aarde speelt ook in het werk van Jasper Griepink een rol. Duurzaamheid en bezinning komen samen in zijn Grove 2.0 – Kapel van de Wilde Wijsheid. In deze bijzonder vormgegeven kas kan zowel getuinierd als gemediteerd worden met als doel de ontstane afstand tussen mens en aarde terug te dringen.
De grote gele chemische schuimmassa Expansion H75 van Martin Schwenk laat de vernieling van de aarde door de mens zien, maar is tegelijkertijd een voorbeeld van de relatie tussen de mens en de aarde. De mens heeft dit vervuilende materiaal gecreëerd maar van een afstand gezien had het ook de natuur zelf kunnen zijn. Zeger Reyers’ sparren in Undergrowth dreigen, rustend op witte kruizen, gekapt of verdrongen te worden. Ze zijn in kaarsrechte rijen opgesteld tussen de hoge, tevens in een grid geplante oude bomen waardoor het werk niet onmiddellijk zichtbaar is.

De Antropocene opvatting dat de mens tegenwoordig de overmacht heeft, of hier althans een poging tot doet, komt in het bijzonder tot uiting in de manier waarop ze de natuur manipuleert. Broken Landscape van Antti Laitinen speelt met dit gegeven. Door een boom eerst in stukken te zagen en de onderdelen vervolgens met ijzeren pinnen aan elkaar te bevestigen creëerde hij een nieuwe boom. Met Untitled (ghostwritten) laat Paul Geelen de bezoeker bewerkte natuur op een geheel andere manier ervaren. Vanuit hoge bomen klinken gecomponeerde slakkengeluiden: lichtelijk vervreemdend tussen alle sculpturen.
In plaats van er een te bewerken of er een te maken, verplaatste Sven Fritz een verkoolde Siciliaanse boom naar Tilburg: Cresta is een verdwaald maar esthetisch onderdeel van De Oude Warande. Ook Coils, de door organische vormen gefascineerde Egied Simons zorgvuldig gearrangeerde hopen touw, is een verheerlijking van de natuur. Maar Lionel Estève heeft in One de schoonheid van de natuur op de meest ultieme wijze bewerkt en benadrukt. Door een aantal bladeren te vergulden wordt de boom boven zichzelf geheven.

Fundament Foundation, de organisatie achter platform Lustwarande, heeft met De Oude Warande een prachtlocatie gekozen voor het presenteren van internationale beeldhouwkunst. En de vele bramenstruiken laten de zintuigen op een andere manier prikkelen.

Anne Lotte Dekker is kunsthistoricus, werkzaam in de evenementenindustrie en staat open voor nieuwe culturele avonturen.

Jasper Griepink, GROVE 2.0 - KAPEL VAN DE WILDE WIJSHEID, 2017. Courtesy Lustwarande. Foto: Gert Jan van Rooij
Martin Schwenk, EXPANSION H 75, 2017. Courtesy Lustwarande. Foto: Gert Jan van Rooij

Op zoek naar de mens

Katinka Duffhuis
Annaleen Louwes, BLACK & WHITE AND (SOME) KIND OF BLUE OR I ONLY WANT TO BE HAPPY, 2017

Museum Het Dolhuys is gehuisvest in een voormalig leprozen-, pest- en dolhuys waar ‘onmaatschappelijken’ aan het oog van de samenleving onttrokken werden. Door middel van zijn collectie (outsider)kunst en een zeer interactieve collectiepresentatie probeert het museum er stigma’s en taboes van ‘normaal’ en ‘gek’ te verbreken. Ook de huidige expositie van fotograaf Annaleen Louwes laat de bezoeker nadenken over deze vooroordelen. Louwes verbleef drie maanden als artist in residence op een psychiatrieafdeling in de arme buurt East Flatbush in Brooklyn, New York, op uitnodiging van Beautiful Distress – een stichting die aandacht genereert voor psychische ziektes door middel van kunstprojecten. Haar werk vertoont vaker affiniteit met dit onderwerp. Zo verbleef ze voor eerdere projecten onder meer in een Albanese vrouwengevangenis, een psychiatrieafdeling in Amsterdam, of combineerde ze haar werk met het archief van een Amsterdamse psychiater voor de tentoonstelling Louwes versus Meijers (2010), eveneens in het Dolhuys.

Op de afdeling in New York aangekomen voelde ze zich direct een buitenstaander. Niet alleen omdat ze zelf niet lijdt aan een psychische aandoening, maar ook omdat ze er de enige blanke persoon bleek te zijn in een voornamelijk zwarte gemeenschap. Hoe moest ze hier mee omgaan zonder meteen te stigmatiseren? Een stuk uit de introductietekst van de tentoonstelling blijft me bij: ‘Omdat Leo zo ongelofelijk snel en onverstaanbaar praat loop ik wat woorden achter. Hij heeft het over iets wat klinkt als een planet residue en ik probeer me wat brokstukken van de aarde voor te stellen… wat bedoelt hij nou?

Dan begrijp ik ineens wat hij zegt: we all suffer from a plantation residue.

Plantation residue… het blijft in mijn hoofd rondspoken.

Ik heb hier opeens te maken met iets waar ik als white person aan de andere kant sta, ongeacht mijn afkomst of levensovertuiging.’

Via haar werk bleek Louwes uiteindelijk een brug te kunnen slaan tussen haarzelf en de patiënten. Ze fotografeerde ze en begon te experimenteren met de negatieven. Door het kleurnegatief om te draaien sloeg de huidskleur op de foto’s om naar blauw, iets wat zowel bij een lichte als een donkere huidskleur het geval was. Toen ze dit resultaat toonde aan een van de patiënten ontstond er toenadering: plotseling wilde iedereen op deze manier door haar gefotografeerd worden. Voor Louwes zijn de geportretteerden inmiddels oude bekenden, en dit zie je ook terug in haar werk. Bij binnenkomst word ik direct geconfronteerd met close-up portretten van vijf mannen, uitvergroot in metershoge lijsten die op de grond tegen de muur aan staan. Ze kijken me indringend aan. Ik neem plaats op het bankje dat er enkele meters vanaf staat, en merk dat ik al snel begin te speuren naar ‘tekenen’ van gekte. Door de intieme maar neutrale manier waarop Louwes ze fotografeerde zijn deze er echter niet. En waarom zou het ook, vraag ik me tijdens mijn bezoek af. Waarop baseer ik dat gekte meteen herkenbaar zou kunnen zijn in deze portretten? Een overblijfsel uit de negentiende eeuw, waarin de Italiaanse criminoloog Cesare de Lombroso stelde dat je criminaliteit of gekte kon herkennen aan uiterlijke kenmerken? Taboes uit films, met wild met hun armen zwaaiende patiënten die spuitjes krijgen toegediend om ze te kalmeren? In werkelijkheid gaat het er in de psychiatrie uiteraard niet volgens deze stereotypen aan toe, en dit heeft Louwes prachtig vastgelegd. Ze fotografeerde de gezichten van de mannen van dichtbij, tegen een lege witte achtergrond. Geen verwijzing naar ziekte of omgeving. De geportretteerden ogen krachtig, maar tegelijkertijd ook kwetsbaar en bedachtzaam.

Op een andere muur in de tentoonstellingsruimte zijn drie foto’s gedrukt op lappen textiel, die bovenin met twee spijkers zijn opgehangen. De fotograaf vroeg de patiënten te poseren en te gaan liggen alsof ze sliepen. Een van de foto’s is zwart-wit, de middelste in kleur, en de laatste foto weer met omgekeerd negatief waarbij de kleding en de huid van de man blauw zijn geworden. Hierdoor is de afkomst van de geportretteerde eigenlijk alleen bij het eerste portret te herkennen: bij de andere foto’s is de huidskleur niet meer onderscheidend. Bij deze werken laat Louwes vooral de onschuld naar voren komen. Het resultaat is ontroerend en intiem. Op de introductietekst in de gang en een essay van Bianca Stigter dat je bij binnenkomst kan pakken na, zijn er overigens geen teksten in de tentoonstelling: geen namen, geen geschiedenis van de patiënten. Juist hierdoor kijk je misschien met een veel opener blik naar de foto’s, en dit maakt het project en de presentatie zo sterk. Louwes wilde de patiënten uit de context van de inrichting halen en ‘de mens in de mens’ vastleggen, ontkleed van de taboes en clichés die gelden voor psychiatrische patiënten. Juist doordat op deze portretten het individu zo naar voren komt zijn ze zo sterk en intrigerend. Het zoeken naar gekte laat je als bezoeker snel los, waarmee Louwes’ missie geslaagd is.

Katinka Duffhuis volgt de master museumconservator aan de Vrije Universiteit Amsterdam en werkte als conservator in opleiding bij Museum Boijmans Van Beuningen.

Toen ik jong was verzamelde ik uiteenlopende dingen als flippo’s, postzegels, ansichtkaarten, munten en telefoonkaarten. Ik vond het bij deze verzamelingen vooral heel prettig om de objecten op kleur, thema of jaartal te ordenen. Ik verzamel nu alleen nog boeken, die ik om de zo veel tijd op thema en grootte orden. Er zijn theorieën dat de daad van het verzamelen terug te voeren is naar het jagen en verzamelen als oudste overlevingstechniek van de mens. Het verzamelen wordt ook in verband gebracht met het geheugen en de noodzaak van het menselijk brein om informatie te ordenen en te registreren en om betekenis te geven aan handelingen. Het aanleggen van een verzameling wordt daardoor meestal als een ontspannende activiteit ervaren, die de verveling of stress van buitenaf tegengaat.

In het werk van de Nederlandse kunstenaar en fotograaf Anouk Kruithof staat het verzamelen en ordenen van fotografisch materiaal centraal. Het betreft meestal haar eigen foto’s, maar het kunnen ook gevonden beelden zijn. De foto’s vormen vervolgens de basis voor haar installaties, sculpturen en fotoboeken, waarin de letterlijke en figuurlijke ontleding van het medium fotografie centraal staat.

In #EVIDENCE (2015-2017) bijvoorbeeld, vormde een screenshot-archief van de Instagram accounts van diverse Amerikaanse organisaties de basis voor een aantal sculpturen en foto-installaties. Een eigentijdse variant op het beroemde kunstenaarsboek Evidence van Larry Sultan en Mike Mandel uit 1977, waarin documentairefoto’s afkomstig uit institutionele beeldbanken werden opgenomen. Losgerukt van hun originele context en herschikt zonder bronverwijzing onderzochten deze found footage-beelden de betekenis, identificatie en het auteurschap in de kunstfotografie.

Vorig jaar ontving Kruithof de Volkskrant publieksprijs met een sculptuur van tweedehands boeken, die geordend waren op kleurgradaties. In Wall of Fading Memory (2012) heeft Kruithof foto’s uit haar eigen analoge archief verknipt tot alleen de monochrome gekleurde stukken overbleven. Deze foto’s sorteerde ze vervolgens op kleur, die ze in een semitransparante zwevende muur in verlopende kleuren van de regenboog plaatste.

Het uitgangspunt voor het nieuwste boekproject van Kruithof zijn duizenden foto’s die ze in de afgelopen twaalf jaar met kleine digitale camera’s en iPhones gemaakt heeft. Het boek lijkt op een abstract sculptuur, maar het bestaat uit een transparant plexiglazen cassette waarin tien handgemaakte boekjes zijn verzameld. De monochroom gekleurde boekjes hebben een open rug en zijn elk op verschillende soorten papier gedrukt. Een voor een kunnen de boekjes uit de cassette gehaald worden en de letters op de voorkant van de tien boekjes vormen samen het woord: AUTOMAGIC.

Op het eerste gezicht lijken de beelden in de boekjes willekeurig gekozen, maar na een tijdje bladeren begin je een narratief te herkennen. In het eerste boekje (de blauwe) zie ik vooral veel foto’s van de onderwaterwereld en de zee en in het oranje boekje zie ik veel portretten van mensen. In het groene boekje zijn veel beelden van de natuur en van landschappen opgenomen en in het rode boekje zijn veel architectuurfoto’s en beelden van huizen afgebeeld.

Daarnaast zijn alle foto’s in mindere en meerdere mate bewerkt: ze zijn over elkaar heen geplaatst, opnieuw gefotografeerd met flits of opnieuw via het computerscherm gefotografeerd of van een kleurwaas voorzien. De boekjes nemen je mee op een psychedelische reis door de persoonlijke wereld van Kruithof. De keuze voor de geselecteerde foto’s worden niet toegelicht door Kruithof, maar je voelt dat de beelden persoonlijke ervaringen documenteren, zoals de residencies en reizen die Kruithof gemaakt heeft en de mensen die ze heeft ontmoet. De foto’s zijn ook hier weer op kleur gerangschikt van warme naar koude kleuren en deze volgorde op kleur werkt kalmerend in de veelheid aan fotografisch materiaal.

De eerste negen boekjes hebben elk een eigen onderwerp en in het laatste boekje is een interview met Kruithof opgenomen door Iñaki Domingo. De titel Automagic combineert de woorden automatic en magic en refereert volgens Kruithof in het interview aan de Derde Wet van science fiction schrijver Arthur C. Clarke, waarin elke vorm van geavanceerde technologie als magie gezien wordt. De relatie tussen de mens en technologie zou als een overkoepelend thema gezien kunnen worden maar ook, kijkend naar de foto’s met niet afbreekbaar plastic, de aantasting van het milieu door de mens en de artificiële natuur. De foto’s zijn daarnaast met de nieuwste technologieën (camera’s en iPhones) gemaakt, maar ze zijn ook analoog opnieuw in collages over elkaar heen gefotografeerd. Automagic toont dat de magie in de combinatie ligt.

AUTOMAGIC
Anouk Kruithof
Editorial RM en Stresspress.biz, 2016

Anouk Kruithof, AUTOMAGIC, 2016
Anouk Kruithof, AUTOMAGIC, 2016
Anouk Kruithof, AUTOMAGIC, 2016
Keanu Ramusai Schipper, METAMORPHOSIS, gemengde techniek, 2017

‘Om Keanu’s nek hangt het afgehakte hoofd van een hagedisachtig wezen aan een zwart touw. Het is Kaiman, de hoofdpersoon uit de Japanse manga Dorohedoro. Het verhaal draait om Kaiman, die zich niet herinnert wie hij was voor hij door een magiër werd getransfigureerd naar een hagedis met een (voor hem) onbekende man wonend in zijn mond. In de hoop uit te vinden wat hem in deze staat heeft gebracht, vermoordt hij samen met zijn vrouwelijke metgezel Nikaido magiërs door ongenadig hun hoofd af te bijten. Vlak voor hij hun leven beëindigt haalt hij ze nog even uit zijn bek en vraagt hen telkens: “Wat heeft de man in mijn hoofd gezegd?”’

Keanu Ramusai Schipper kocht Kaiman in Tokio en draagt hem sindsdien als talisman. Veel van de inspiratie voor zijn tekeningen komt uit Japan. Manga, obscure Japanse subculturen en eeuwenoude Japanse mythes zijn allemaal terug te vinden in de illustraties die Schipper op Tumblr. en Instagram deelt onder @ramusai. Als hij tekent is hij Ramusai, een verbastering van Samurai. Daarnaast werkt hij gewoon in de Albert Heijn.

Op een van die loze zondagmiddagen waarop ik eindeloos Instagrambeelden over mijn scherm veeg stuitte ik voor het eerst op een illustratie van @ramusai. Een kwade groene dame in een netpanty duikt bovenop een huilende gabber. De illustratie is onderdeel van de serie Bar Fights. In deze serie spelen onbevreesd vechtende vrouwen de hoofdrol, een feministische twist op voornamelijk Amerikaans stripverhalen waarin sterke mannen de norm zijn. Geïntrigeerd nodig ik Schipper uit om langs te komen in Rotterdam en meer over zijn bijzondere tekeningen te vertellen.

In het gesprek, waarin referenties naar inspiratiebronnen elkaar snel opvolgen, komen we erachter dat we veel liefdes delen. Van Digimon – de meer illustere anime tegenhanger van Pokémon – en MTV Room Raiders tot de experimentele producent, DJ en rapper Flying Lotus. Wanneer ik erachter kom dat hij zelfs mijn lievelingsstrip, het zoetsappige en kitscherige Elfquest, kent, weet ik het zeker: Ramusai weet waar hij het over heeft. Zijn diepgravende kennis van Japan komt helemaal tot uiting als hij me vertelt over de Yanki subcultuur waar hij zijn levensstijl door inspireert. De Yanki, een verbastering van het Engelse Yankee, zijn ontstaan als een jongerenbeweging onder de Japanse arbeidersklasse in de jaren 80 en 90 en wordt vaak geassocieerd met delinquente jongeren. Broederschap is voor hen het hoogste goed en ze kozen hun eigen familie bestaande uit vrienden. Voor Schipper zijn vrienden net zo belangrijk maar ook de visuele stijlen die voortkomen uit de Yanki spreken hem aan. Een voorbeeld van deze stijlen is Bōsōzoku, een Japanse subcultuur die zich vooral toont in de ontwerpen van trucks, auto’s en motoren. De trucks zien eruit alsof ze Tsjernobyl hebben overleefd en vervolgens door de chroomstraat zijn gereden waarna iemand zijn familie erop heeft geairbrusht. Schipper kwam als kind vaak op de uitbundige Volendamse kermis, zijn opa en oma wonen daar, en ik kan me goed voorstellen dat zijn voorliefde voor de Bōsōzoku stijl daar is ontstaan.

Schipper is niet altijd zeker geweest van zijn liefde voor Manga en Japan. Op de middelbare school schaamde hij zich er zelfs een beetje voor. Hij stond er bekend als die ‘manga guy’ of ‘japan lover’, benamingen waar hij zichzelf niet direct in herkende. Bestaande vooroordelen over de Japanse (sub)cultuur – oversekst, bizar, nerdy en fetisjistisch – werkten ook niet mee. Tegenwoordig heeft hij zijn smaak en de geuzennamen helemaal omarmd en speelt hij juist met de aannames over Japanse cultuur. Het werk dat Schipper voor de Vrijplaats heeft gemaakt is hier een goed voorbeeld van. Je ziet twee personen in typisch Japanse schooluniformen die een overdreven seksuele handeling uitvoeren. Huilt de jongen van schaamte of hebben de glinsterende nagels van het meisje zich te diep in zijn geslacht geklauwd? In het manga genre dat we in het Westen Hentai – Japans voor perverseling en transformatie – noemen, zijn dit soort beelden niet vreemd. Elk stripboek in dit genre vermeldt op de voorkant dat de opgevoerde personages allen boven de achttien zijn, desondanks komen de (lagere- en middelbare-) schooluniformen veelvuldig voor. Schipper laat in deze illustratie zijn eigen grafische twist op Hentai zien en ontwijkt het perverse en pornografische niet.

Schipper werkt vaak samen met andere illustratoren die hij online leert kennen. Op mijn vraag naar zijn droomsamenwerking antwoordt hij direct: video jockey zijn voor Flying Lotus. Hij heeft het gevoel dat deze muziek voelt zoals zijn eigen hoofd klinkt. De live optredens van Flying Lotus zijn altijd visueel overweldigend en Schipper ziet het helemaal voor zich hoe hij de Bōsōzoku-stijl naar het witte doek vertaalt. Ramusai toont online slechts een glimp van wat hij allemaal zou willen maken, er zijn nog zoveel disciplines die hij wil onderzoeken, van keramiek tot video tot merchandise. Na een ochtend met Keanu te hebben doorgebracht zie ik in het verhaal van Kaiman dan ook een metafoor voor Schippers’ zoektocht naar de kunstenaar die hij in zich heeft en blijf ik benieuwd naar wie hij nog in zichzelf gaat vinden.

Arike Gill, ZONDER TITEL, 2015

In volle concentratie hanteert Adriaan Heijboer de bruine apothekersflessen. Hij mengt oplossingen van water met kaliumferricyanide en ferri-ammoniumcitraat in gelijke delen met elkaar. Niet beter wetend lijkt hij op een goedaardige tovenaar die een recept bereidt waarmee kikkers weer prinsen worden. Heijboer prepareert echter de benodigdheden voor het maken van prachtige fotografische afdrukken: cyanotypieën. In 1842 ontdekte Sir John Herschel dat de oplossing van bovenstaande ijzerzouten, aangebracht op vezelrijk papier, lichtgevoelig is. Door de blootstelling aan licht gaan de ijzerzouten en de cellulosevezels uit het papier een ijzerverbinding aan die blauw van kleur is, ook wel bekend als Pruisisch blauw. Door het behandelde papier te belichten met een negatief of doorschijnende materialen, zoals bladeren of kant, vormt zich een fotografisch beeld in dit heldere blauw.

Onlangs deed ik samen met collega’s mee aan een workshop ‘Oude fotografische technieken’ gegeven door Stichting ARAGO Kunstphotographie. Adriaan Heijboer en Tonnie van Waard laten met deze stichting mensen kennis maken met historische fotografische procedés. Tijdens onze workshop werden de cyanotypie en de gomdruk behandeld. Onder begeleiding maakten we afdrukken en leerden we stap voor stap hoe deze procedés werken. Het was een avond van handwerk en het materiaal naar eigen inzicht behandelen. Dit handwerk intrigeert me in een tijdperk waarin we worden overstelpt met foto’s en digitale beelden. Alles wordt met de telefoon op Instagram en Snapchat vluchtig vastgelegd. Deze eindeloze stroom van beelden was in de beginjaren van de fotografie, zo’n 150 jaar geleden, nog niet denkbaar. Het maken van een portret kon tot enkele tientallen minuten duren, iets wat in onze snelle maatschappij niet meer voor te stellen is. En toch is er bij kunstenaars en het publiek steeds meer aandacht voor historische fotografische procedés die een stuk bewerkelijker zijn dan een digitale opname. Zowel Huis Marseille als het Rijksmuseum bieden op regelmatige basis cursussen aan om mensen kennis te laten maken met historische fotografische procedés. Na de workshopavond vroeg ik me af: Wat maakt in deze snelle beeldcultuur dat er bij kunstenaars en liefhebbers toch een opvallende aandacht is voor bewerkelijke, historische fotografische procedés? En meer specifiek: Wat brengt het gebruik van deze oude fototechnieken de kunstenaars van nu en wat kunnen deze oude fototechnieken de kijker leren over de beelden van vandaag?

De fotografie kent een lange geschiedenis van experimenten en deze hebben keer op keer geresulteerd in snellere, betere, stabielere of meer artistieke manieren van afdrukken. Historische fotografische procedés zijn fotografische technieken die veelal in de 19de eeuw zijn ontdekt en ontwikkeld. Deze technieken zijn analoog en tegenwoordig niet meer standaard, zoals de Daguerreotypie, het werken met natte collodium glasplaat negatieven, ambrotypieën, ferrotypieën, de zoutdruk, de cyanotypie of de gomdruk. In vergelijking met hedendaagse digitale fotografie is een grote rol weg gelegd voor handwerk.

Na het waarnemen van een vergrote aandacht voor historische fotografische procedés bij hedendaagse kunstenaars vroeg ik me af wat de kunstenaars beweegt om deze bewerkelijke technieken te gebruiken. Is het een middel of een doel? Zijn het de uiterlijke kenmerken die de kunstenaars aanspreken of kiezen ze juist voor deze methodes om het proces te ervaren? Met het selecteren van kunstenaars en het beschrijven van hun werkproces heb ik getracht om een diversiteit te tonen van intenties, interesses en ook heel verschillende resultaten. Zo kiezen Arike Gill en Anne Geene bewust voor historische procedés om een verbinding te maken met het onderwerp van hun werk. Alex Timmermans en Hans de Kort zijn daarentegen meer bezig met een beeldend resultaat dan met een conceptuele lading.

Arike Gill is naast kunstenaar ook bioloog. Vanuit die interesse is ze naast haar kunstenaarspraktijk archivaris bij Naturalis in Leiden. Ze maakt behalve tekeningen en lichtinstallaties ook cyanotypieën. In Zonder titel (2015) zien we op de rug een vrouw met een paraplu wandelend door een natgeregende straat. Gill maakte voor deze cyanotypie geen gebruik van een fotografisch negatief maar tekende deze afbeelding zelf op transparant papier en drukte dit af in het Pruisisch blauw. Historische foto’s zijn vaak de inspiratie voor haar tekeningen en ze vindt het spannend om juist een oude fototechniek te gebruiken om deze tekeningen weer af te drukken. Het spanningsveld dat deze vertaalslag oplevert van een foto van de realiteit, naar een tekening en weer terug naar een fotografisch procedé intrigeert Gill omdat het vragen stelt over realiteit versus fantasie.

De natuur speelt in het werk van Anne Geene een centrale rol. Ze zoekt patronen en verschijnselen in de wereld van planten en dieren en verwerkt dit veelal in fotoboeken. In haar Kleine Wateralmanak (2014) legt ze een heel direct verband tussen het fotografisch procedé dat ze gebruikt en de thematiek van haar werk. Voor dit boek over Nederland en water maakte ze zoutdrukken met Noordzeewater. De zoutdruk werd in 1839 gepatenteerd door William Henry Fox Talbot. De drager voor dit procedé was papier behandeld met keukenzout. Dit werd aan één kant behandeld met een oplossing van zilvernitraat dat na het drogen lichtgevoelig was. Op het lichtgevoelige papier werd in een frame een negatief geplaatst en bij daglicht belicht. Na belichting werd de afdruk gefixeerd zodat deze niet meer verder zou verkleuren. Geene gebruikte voor haar afdrukken van zeedieren die door de achteruitgang van het Noordzeewater niet meer voor de kust van Nederland voorkomen juist dit Noordzeewater. Het levert mooie bruine afdrukken op van oude gravures, die de verdwenen pijlstaartrog, de steur en de Noordzeehouting op een slimme en symbolische wijze eer aandoen.

Alex Timmermans noemt zichzelf een alchemist. Hij probeert niet door het gebruik van chemicaliën uit waardeloze materialen goud te maken maar zet chemacaliën wel in om van het dagelijks leven een mysterieus beeld te maken.[1] Timmermans ziet de historische natte collodium procedés waarmee hij werkt meer als een middel dan als een doel. Hij creëert binnen zijn project Storytelling bijna surreële situaties van mensen en dieren in de natuur. In Twins (2016) zien we een butler met een bolhoed en witte handschoenen gebroederlijk een bospad oplopen met een grote vogel. Hij maakt zijn sprookjesachtige beelden in ferrotypie. Timmermans brengt op een aluminium plaat met een zwarte laag een oplossing van collodium aan. Hierna wordt de plaat ondergedompeld in een bad met een oplossing van zilverjodide, wat de plaat lichtgevoelig maakt. Terwijl deze plaat nog nat is moet deze nu gebruikt worden om de foto te maken. Als men te lang wacht met verwerken van een dergelijke plaat dampt de collodium uit en wordt het hard waardoor de andere chemicaliën hun werk niet meer kunnen doen. De natte plaat wordt in een camera gezet en een unieke foto wordt gemaakt. Het idee is dat de lichte delen van het gefotografeerde onderwerp minder licht absorberen dan de donkere delen. Bij een portret weerkaatst het gezicht van een geportretteerde dus meer licht dan de zwarte trui die het model draagt. Na belichting wordt de plaat ontwikkeld met zuur. Op de plekken waar tijdens de belichting veel licht is gekomen, zoals het gezicht wat relatief veel licht weerkaatst, zal de plaat het donkerste worden. Dit is eigenlijk precies wat er gebeurt bij negatieven voor fotografie, licht en donker van het gefotografeerde onderwerp worden omgekeerd. Na het ontwikkelen van het beeld wordt dit gefixeerd. Met het bovenstaand proces wordt dus een negatiefbeeld gevormd maar door de donkere achtergrond van de plaat toont zich toch een positiefbeeld. De gekleurde delen zijn tegen het zwart weer lichter dan de niet gekleurde delen die de kleur aannemen van de donkere achtergrond.

Ook Hans de Kort, oorspronkelijk commercieel fotograaf voor mode en tijdschriften, werkt voor zijn innemende portretten met ferrotypie. Hij werkt op platen van 40 bij 50 centimeter, wat een mooi portretformaat is maar wat wel tot de verbeelding spreekt als je bedenkt dat deze platen ook in de camera moeten passen. De afmetingen van zijn materieel zijn dan ook niet te vergelijken met een kleine digitale camera van tegenwoordig. Wat de Kort en Timmermans zo aanspreekt in dit procedé is het handwerk en de sfeer die de foto’s uitstralen. De ferrotypie biedt hele scherpe foto’s en een brede toonschaal, wat betekent dat er veel detail te zien is. Toch houden Timmermans en de Kort er ook verschillende ideeën op na over het procedé. De Kort vindt het juist interessant dat deze techniek unica biedt. Van iedere afdruk is er maar één. Het handwerk is bij de foto’s van de Kort heel duidelijk te zien aan de randen van zijn metalen platen. Doordat hij de collodiumoplossing nat aanbrengt verdeelt deze zich niet helemaal netjes over de plaat. Aan de randen zie je dan ook een soort watersporen die de foto’s juist een mooi karakter geven. Timmermans maakt zijn opnamen in ferrotypie maar scant deze plaat vervolgens in om de digitale afdrukken in oplage te verkopen. Zoals al eerder aangestipt is deze manier van werken voor Timmermans meer een middel om een bepaalde sfeer in zijn foto’s te krijgen. Doordat het procedé zo bewerkelijk en langzaam is dwingt dit Timmermans om goed na te denken over het beeld dat hij neer wil zetten. Hij vindt het spannend om alle variabelen, zoals ook de juiste weersomstandigheden, precies kloppend te krijgen. Hij is één van de weinige kunstenaars die dit procedé in de buitenlucht gebruikt.[2] Deze secure manier van werken zie je ook in de digitale prints terug, er spreekt bijna een sfeer van onthaasten uit. De Kort ziet de aandacht voor historische fotografische procedés in een bredere beweging waarin men op zoek is naar uniciteit en ambacht. Voor Timmermans was dit in 2002 ook de reden om te beginnen met het onderzoek naar de ferrotypie en ambrotypie. Hij werkte tot die tijd met digitale fotografie maar hij verloor zijn interesse omdat het voor hem te voorspelbaar werd. Tussen de honderden digitale beelden die hij schoot zat altijd wel een bruikbaar beeld, daardoor was voor hem de uitdaging weg. Zowel De Kort als Timmermans zien een uitdaging in handwerk, ambacht en de aandacht voor één uitgewerkt beeld.

Ook Jeff Cowen, wiens werk tot 4 juni in de tentoonstelling Photoworks in Huis Marseille te zien was, is geïnteresseerd in analoge technieken. Hij werkt dan wel niet met historische procedés maar fotografeert wel analoog en past vervolgens veel handwerk toe. Cowen fotografeert klassieke thema’s zoals het menselijk lichaam, stillevens en landschappen. Het schieten van de foto is voor hem maar een fractie van zijn creatieve proces, het echte werk begint bij de bewerking in de donkere kamer. ‘I’m more of a printer than a photographer’, zei hij hier veelbetekenend over in een interview met Ann Gimpel, collectie- en tentoonstellingscoördinator bij Huis Marseille. Dit handwerk is soms heel letterlijk terug te zien in bijvoorbeeld de vingerafdrukken in de marge van Emmanuella (2005). Cowen is niet alleen een tovenaar met beeld en sfeer maar ook in woorden. In hetzelfde interview beschrijft hij zijn werkwijze als volgt: ‘Printing and post print production with different tonalities, chemical recipes, papers, paint etc…. takes a very long time and requires craftsmanship, handwork and careful deliberation.’[3] Door deze bewerkelijke stappen creëert Cowen beelden die zowel klassiek als uiterst hedendaags zijn. Zijn werk Nature Morte 42 (2015) toont een verzameling van beelden waarbij op het eerste gezicht niet duidelijk is of deze door beeldmanipulatie zijn samengebracht of dat het een zorgvuldige compositie is. Op de voorgrond zien we op een houten tafelblad borden met verf, een boek en een losse afdruk. Achter deze tafel hangt een gehavende afbeelding van een standbeeld in een park. Over het gehele werk zit een donkere vlek, die met geweld en kracht lijkt te zijn aangebracht. Cowen heeft deze vlek gecreëerd door chemicaliën aan te brengen op zijn afdruk. Deze vlek brengt een spanningsveld binnen een harmonieus geheel van klassieke onderwerpen als het stilleven en het landschap.

Cowen is van mening dat de maatschappij tegenwoordig te veel wordt overgenomen door computers en dat mensen daardoor het gevoel kwijtraken met materialiteit en originaliteit. Dat is waarom hij ook graag analoog werkt met fotografische procedés die hij in de donkere kamer handmatig kan bewerken.[4] Deze hang naar ambachtelijkheid, vakmanschap of handwerk lijkt bij alle hiervoor besproken kunstenaars de bakermat voor de vernieuwde aandacht voor historische fotografische procedés.

Voor iedere kunstenaar brengt het werken met historische procedés iets anders. Het maakt ze allemaal echter wel veel bewuster van het maakproces. Van Geene en Gill gebruiken op een hele inventieve manier historische technieken die passen bij het concept van hun werk. Juist het werken met deze technieken vertelt iets extra’s over de zeedieren of de tekeningen die Gill maakt van historische foto’s. De Kort en Timmermans zijn daarentegen meer bezig met wat de historische procedés te bieden hebben in beeldende kwaliteiten en verkiezen deze techniek om hun fotografische praktijk te verdiepen. Timmermans merkt ook dat juist het werken met een historisch procedé extra aandacht genereert voor zijn werk. Het ambachtelijke verhaal spreekt het publiek aan. Hij heeft in het verleden dan ook cursussen gegeven in het werken met het natte collodium procedé.

In een tijd waarin alles digitaal kan, is een moment van bezinning en inzicht in een maakproces blijkbaar weer wenselijk. De trend van vakmanschap gaat veel verder dan alleen de fotografie of beeldende kunst. In het tijdperk van Spotify wint vinyl aan populariteit. In plaats van voorverpakte koekjes willen we handgemaakte gebakjes die met liefde zijn bereid. En zo ook de fotografie. Iedereen kan met zijn telefoon een mooi plaatje schieten maar door het tonen van vakmanschap en soms zelfs unieke kunstwerken kunnen kunstenaars zich onderscheiden. Historische fotografische procedés bieden een manier om het maakproces van foto’s weer inzichtelijk te maken en brengen door de bewerkelijkheid een vorm van rust en bedachtzaamheid. Daarnaast zijn kunstenaars soms ook op zoek naar sfeer en kleur die intrinsiek zijn aan een historisch procedé. Hoera voor het ambacht en het handwerk, ze leveren prachtige resultaten op en soms op een slimme manier ook een extra verdieping in een kunstwerk.

[1] Thomas Kouveld, Alex Timmermans Terug naar het Ambacht, Shutr.photo nr. 1 2017

[2] Ibidem

[3] Interview van Ann Gimpel met Jeff Cowen: https://www.huismarseille.nl/nieuws/interview-jeff-cowen/

[4] Ibidem